Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. BIONDI
van 2 juli 2026 (1)
Zaak C‑530/25 P
German Khan
tegen
Raad van de Europese Unie
„ Hogere voorziening – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren – Bevriezing van tegoeden en economische middelen – Plaatsingscriterium – Vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland – Zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie – Begrip ‚invloed’ – Begrip ‚economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt’ – Rechtsgrondslag – Artikel 29 VEU – Artikel 215, lid 2, VWEU – Motiveringsplicht – Verlenging van de maatregelen – Voorwaarden – Bewijslast ”
Inhoud
I. Inleiding
II. Voorgeschiedenis van het geding, bestreden arrest, procedure bij het Hof en conclusies van partijen
III. Hogere voorziening
A. Zevende middel in hogere voorziening: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het gewijzigde criterium g)
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
2. Beoordeling
a) Begrip „invloed” in de zin van het oorspronkelijke criterium g)
b) Letterlijke, contextuele, historische en teleologische uitlegging van het begrip „invloed” in de zin van het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g)
c) Conclusie van de analyse van het begrip „invloed” in de zin van het gewijzigde criterium g)
d) Grief inzake het ontbreken van rechtsgrondslag voor het gewijzigde criterium g)
B. Zesde middel van de hogere voorziening: niet-nakoming van de motiveringsplicht, onjuiste opvatting van het bewijs en schending van het oorspronkelijke criterium g) doordat het Gerecht de stelling dat Khan actief was in een sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de regering van de Russische Federatie, voldoende bewezen heeft geacht
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
2. Beoordeling
a) Ontvankelijkheid van het zesde middel in het algemeen en van de grief inzake een onjuiste opvatting in het bijzonder
b) Ten gronde
1) Kwalificatie van Alfa Bank als een van de grootste Russische belastingbetalers en de voorwaarde met betrekking tot de „economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie” in de zin van het oorspronkelijke criterium g)
2) Niet-nakoming van de motiveringsplicht van het Gerecht
3) Aanzienlijke karakter van de inkomsten uit de banksector voor de regering van de Russische Federatie
4) Grief dat de gegevens betreffende het jaarinkomen van de banksector niet actueel zijn
C. Tiende middel in hogere voorziening: niet-nakoming van de motiveringsplicht en onjuiste rechtsopvatting in de vorm van schending van het gewijzigde criterium g)
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
2. Ontwikkeling van de motivering ten aanzien van Khan en juridische regeling van de handhavingshandelingen
3. Beoordeling
a) Handelingen van september 2023 en grief inzake ontoereikende motivering van het bestreden arrest met betrekking tot de vraag of de Raad het bewijs had geleverd dat Khan de in Rusland gevestigde activa van de twee vennootschappen bleef beheren
1) Stelling dat de motiveringsplicht stricto sensu niet is nagekomen
2) Ruime uitlegging van de stelling dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd
b) Handelingen van maart 2024 en de grief dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd omdat het Gerecht niet is nagegaan of de motivering dat Khan in Rusland activa bleef beheren, ondersteund werd door bewijzen
1) Ontvankelijkheid
2) Ten gronde
c) Handelingen van september 2024 en de grief dat die handelingen ontoereikend zijn gemotiveerd omdat het Gerecht niet is nagegaan of de motivering dat Khan nog steeds de activa van Alfa Group beheerde, werd ondersteund door bewijzen
1) Ontvankelijkheid
2) Ten gronde
4. Conclusie met betrekking tot het tiende middel
IV. Conclusie
I. Inleiding
1. De Raad van de Europese Unie heeft in een voortdurend streven naar optimale doeltreffendheid van de door de Europese Unie vastgestelde beperkende maatregelen, herhaaldelijk de criteria verfijnd op grond waarvan dergelijke maatregelen kunnen worden vastgesteld tegen personen die aan de voorwaarden voldoen. In de inmiddels welbekende context van de regeling inzake beperkende maatregelen die zijn ingesteld naar aanleiding van de Russische agressie in Oekraïne heeft de Raad voor het eerst het criterium vastgesteld – dat gewoonlijk wordt aangeduid als „criterium g” – betreffende vooraanstaande zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie. Het Hof heeft zich over dit criterium kunnen uitspreken in zijn in maart van dit jaar gewezen arrest Pumpyanskiy e.a./Raad(2).
2. Rekwirant, Khan, was een van de vooraanstaande zakenlieden wiens naam op grond van criterium g) op de lijst was geplaatst en die had deelgenomen aan de procedure die heeft geleid tot het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad.
3. De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen het arrest van 4 juni 2025, Khan/Raad(3), waarin het Gerecht uitspraak heeft gedaan over de rechtmatigheid van handelingen waarbij de plaatsing van zijn naam op de lijst op grond van het oorspronkelijke criterium g)(4) en op grond van het gewijzigde criterium g)(5) werd gehandhaafd. De Raad heeft namelijk in juni 2023 criterium g) gewijzigd(6), waaruit in wezen blijkt dat het criterium voortaan ziet op drie op zichzelf staande categorieën, te weten ten eerste vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland, ten tweede de familieleden van deze vooraanstaande zakenlieden en ten derde zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie.
4. Het Hof kan in het kader van de toetsing van het arrest van het Gerecht met name op nuttige wijze duidelijkheid verschaffen over de uitlegging van het gewijzigde criterium g) en de eventuele samenhang ervan met het oorspronkelijke criterium g) (zevende middel van de hogere voorziening) , de eisen waaraan het door de Raad te leveren bewijs dat een economische sector aanzienlijke inkomsten voor de Russische regering oplevert, moet voldoen (zesde middel), alsook de verwachte intensiteit van de rechterlijke toetsing van de handhavingsbesluiten wat betreft het onderzoek van de bewijzen die de redenen voor plaatsing op de lijst ondersteunen en, in het bijzonder, de temporele relevantie ervan (tiende middel van de hogere voorziening).
5. Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt rekwirant, Khan, het Hof aldus om vernietiging van het bestreden arrest, waarbij het Gerecht zijn beroep tot nietigverklaring van de volgende handelingen heeft verworpen, voor zover deze hem betreffen:
– besluit (GBVB) 2023/572(7) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/571(8) (hierna: „handelingen van maart 2023”);
– besluit (GBVB) 2023/1767(9) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1765(10) (hierna: „handelingen van september 2023”);
– besluit (GBVB) 2024/847(11) en uitvoeringsverordening (EU) 2024/849(12) (hierna: „handelingen van maart 2024”);
– besluit (GBVB) 2024/2456(13) en uitvoeringsverordening (EU) 2024/2455(14) (hierna: „handelingen van september 2024”);
II. Voorgeschiedenis van het geding, bestreden arrest, procedure bij het Hof en conclusies van partijen
6. Wat de relevante voorgeschiedenis van het geding en de relevante toepasselijke bepalingen betreft, verwijs ik naar de punten 1 tot en met 35 van het bestreden arrest.
7. Ten behoeve van de onderhavige conclusie breng ik enkel het volgende in herinnering.
8. Khan is voor het eerst op 15 maart 2022 getroffen door beperkende maatregelen die de Unie heeft vastgesteld in het kader van de Russische agressie in Oekraïne. Deze maatregelen zijn verlengd tot en met 15 maart 2023. Tegen de handelingen op grond waarvan die maatregelen zijn vastgesteld en vervolgens zijn gehandhaafd, is beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht, en vervolgens een hogere voorziening, die door het Hof is afgewezen.(15)
9. Op 13 maart 2023 heeft de Raad de handelingen van maart 2023 vastgesteld, waarbij de maatregelen werden verlengd tot en met 15 september 2023. De redenen voor zijn plaatsing op de lijst, die met name was gebaseerd op artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145/GBVB(16), zoals gewijzigd bij besluit 2022/329(17)(18), luidden:
„[Rekwirant] is een Russisch zakenman die nauwe banden onderhoudt met president Vladimir Putin, net als zijn zakenpartners, Mikhail Fridman en Petr Aven. Al vele jaren was hij een van de belangrijkste aandeelhouders van ABH Financial Limited, waar ook de grote Russische bank Alfa Bank onder valt. Hij was ook aandeelhouder van de beleggingsonderneming LetterOne. In 2022 droeg hij, geconfronteerd met westerse sancties tegen hem, de eigendom van zijn aandelen in ABH Financial Limited en LetterOne over aan zijn langdurige zakenpartner Andrei Kosogov. Hij bleef de in Rusland gevestigde activa van deze ondernemingen beheren. Hij wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke personen in Rusland. Hij wisselde gunsten uit met Vladimir Putin in ruil voor politieke steun aan zijn bedrijf en financieel gewin. De oudste dochter van Vladimir Putin, Maria, runde een liefdadigheidsproject, Alfa-Endo, dat werd gefinancierd door Alfa Bank. Vladimir Putin, beloonde de loyaliteit van het Alfa Group Consortium aan de Russische autoriteiten door politieke hulp te verschaffen aan de buitenlandse investeringsplannen van het Alfa Group Consortium.
German Khan heeft derhalve de Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne actief materieel of financieel gesteund en heeft daar voordeel bij gehad. Hij is ook een van de vooraanstaande Russische zakenmensen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”
10. Met ingang van 5 juni 2023 is artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145 vervangen door de volgende tekst:(19)
„1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van:
[...]
g) vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland en hun naaste familieleden of andere natuurlijke personen die profijt trekken van hen, of zakenlieden, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne [...]”
11. Op 13 september 2023 heeft de Raad de handelingen van september 2023 vastgesteld, waardoor de tegen Khan genomen maatregelen werden verlengd tot en met 15 maart 2024. De redenen voor plaatsing van rekwirants naam op de litigieuze lijsten zijn als volgt gewijzigd:
„[Rekwirant] is een Russisch zakenman die nauwe banden onderhoudt met de president van de Russische Federatie, Vladimir Putin, net als zijn zakenpartners Mikhail Fridman en Petr Aven. Al vele jaren was hij een van de belangrijkste aandeelhouders van ABH Financial Limited, waar ook de grote Russische bank Alfa Bank onder valt. Hij was ook aandeelhouder van de beleggingsonderneming LetterOne. In 2022 droeg hij, geconfronteerd met westerse sancties tegen hem, de eigendom van zijn aandelen in ABH Financial Limited en LetterOne over aan zijn langdurige zakenpartner Andrei Kosogov. Hij bleef de in Rusland gevestigde activa van die ondernemingen beheren. Hij wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke personen in Rusland. Hij wisselde gunsten uit met de president van de Russische Federatie, Vladimir Putin, in ruil voor politieke steun aan zijn bedrijf en financieel gewin. Vladimir Putin beloonde de loyaliteit van het Alfa Group Consortium aan de Russische autoriteiten door politieke hulp te verschaffen aan de buitenlandse investeringsplannen van het Alfa Group Consortium. Bovendien was hij een van de vooraanstaande Russische zakenlieden die in maart 2023 hebben deelgenomen aan het congres van de „Russian Union of Industrialists and Entrepreneurs” (Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers), waar de president van de Russische Federatie, Vladimir Putin, een toespraak heeft gehouden en miljardairs ertoe heeft aangemaand patriottisme hoger in het vaandel te dragen dan winst.”
„De verzekeringsmaatschappij AlfaStrakhovanie, een dochteronderneming van het Alfa Group Consortium, verzekert de voertuigen van de federale dienst van de Nationale Garde van de Russische Federatie (Rosgvardia), waarvan eenheden actief zijn in de bezette gebieden van Oekraïne onder Russische controle, en de voertuigen van de lijfwachten van de president van de Russische Federatie, Vladimir Putin. Bovendien werkt X5 Retail Group, een andere dochteronderneming van het Alfa Group Consortium, samen met JSC Voentorg, een aan beperkende maatregelen onderworpen entiteit die catering- en wasserijdiensten en militaire uniformen aan de strijdkrachten van de Russische Federatie verstrekt en waarvan de dochteronderneming T-shirts met het militaire symbool ‚Z’ verkoopt, een symbool dat door Russische propagandisten is gebruikt om de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te promoten. [Rekwirant] heeft derhalve de Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne, actief materieel of financieel gesteund en heeft daar voordeel bij gehad. Hij is tevens een vooraanstaand zakenman die actief is in Rusland en betrokken is bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”
12. Op 12 maart 2024 heeft de Raad de handelingen van maart 2024 vastgesteld, waardoor de tegen rekwirant genomen maatregelen zijn verlengd tot en met 15 september 2024 om redenen die ongewijzigd waren ten opzichte van de handelingen van september 2023.
13. Op 12 september 2024 heeft de Raad de handelingen van september 2024 vastgesteld, waarbij de redenen voor plaatsing van Khan op de lijst luidden als volgt:
„[Rekwirant] is een Russisch zakenman die nauwe banden onderhoudt met de president van de Russische Federatie, Vladimir Putin, net als zijn zakenpartners Mikhail Fridman, Petr Aven en Alexey Kuzmichev. In maart 2022 droeg hij zijn aandelen in ABH Holdings, waar ook de grote Russische bank Alfa Bank onder valt, over aan zijn oude zakenpartner Andrei Kosogov. Die overdracht werd door de Nationale Bank van Oekraïne nietig verklaard.
Bovendien kan de overdracht van zijn aandelen in A1, dat deel uitmaakt van de Alfa Group, als fictief worden beschouwd.
Hij was ook aandeelhouder van de beleggingsonderneming LetterOne.
Hij bleef de in Rusland gevestigde activa van de Alfa Group beheren. Hij wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke personen in Rusland. Hij wisselde gunsten uit met de president van de Russische Federatie, Vladimir Putin, in ruil voor politieke steun aan zijn bedrijf en financieel gewin. Vladimir Putin beloonde de loyaliteit van het Alfa Group Consortium aan de Russische autoriteiten door politieke hulp te verschaffen aan de buitenlandse investeringsplannen van het Alfa Group Consortium. Bovendien was hij een van de vooraanstaande Russische zakenlieden die in maart 2023 deelnamen aan het congres van de ‚Russian Union of Industrialists and Entrepreneurs’ (Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers), waar de president van de Russische Federatie, Vladimir Putin, een toespraak gaf waarin hij miljardairs ertoe aanmaande patriottisme hoger in het vaandel te dragen dan winst.
De verzekeringsmaatschappij AlfaStrakhovanie, een dochteronderneming van het Alfa Group Consortium, verzekert de voertuigen van de federale dienst van de Nationale Garde van de Russische Federatie (Rosgvardia), waarvan eenheden actief zijn in de bezette gebieden van Oekraïne onder Russische controle, en de voertuigen van de lijfwachten van de president van de Russische Federatie, Vladimir Putin. Bovendien werkt X5 Retail Group, een andere dochteronderneming van het Alfa Group Consortium, samen met JSC Voentorg, een aan beperkende maatregelen onderworpen entiteit die catering- en wasserijdiensten en militaire uniformen aan de strijdkrachten van de Russische Federatie verstrekt en waarvan de dochteronderneming T-shirts met het militaire symbool ‚Z’ verkoopt, een symbool dat door Russische propagandisten is gebruikt om de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te promoten. [Rekwirant] heeft derhalve de Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne, actief materieel of financieel gesteund en heeft daar voordeel bij gehad.
Rekwirant heeft ook een aanzienlijk belang in Rosvodokanal, een ander bedrijf van de Alfa Group en een van de leidende particuliere exploitanten van watervoorzieningen in Rusland.
Hij is tevens een vooraanstaand zakenman die actief is in Rusland en betrokken bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”
14. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 mei 2023, heeft rekwirant bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen, voor zover die handelingen hem betroffen. Ter ondersteuning van dat beroep voerde hij vijf middelen aan, die hij heeft aangevuld met twaalf extra middelen via zijn memorie houdende aanpassing betreffende de handelingen van september 2023, met een ander extra middel via zijn memorie houdende aanpassing betreffende de handelingen van maart 2024 en ten slotte met vijf extra middelen via zijn memorie houdende aanpassing betreffende de handelingen van september 2024, waardoor het totaal aantal middelen op 24 kwam.
15. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van Khan in zijn geheel verworpen en hem in de kosten verwezen.
16. Met zijn op 3 augustus 2025 ingestelde hogere voorziening verzoekt Khan het Hof het bestreden arrest te vernietigen, de zaak zelf af te doen en de litigieuze handelingen nietig te verklaren en, subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de Raad in elk geval te verwijzen in de kosten.
17. De Raad verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en, subsidiair, voor het geval het Hof het bestreden arrest vernietigt, de zaak zelf af te doen en het beroep te verwerpen en rekwirant te verwijzen in de kosten.
III. Hogere voorziening
18. In het kader van de onderhavige hogere voorziening voert Khan tien middelen aan.
19. Het eerste middel is in wezen ontleend aan schending van de rechten van de verdediging, schending van het recht op inzage in het dossier, schending van wezenlijke vormvoorschriften en een onjuiste opvatting van het bewijs, die het gevolg zijn van de weigering van het Gerecht om de Raad te gelasten de door Khan gevraagde documenten over te leggen.
20. Het tweede middel is ontleend aan niet-nakoming van de verplichting tot periodieke evaluatie, die voortvloeit uit artikel 3, lid 3, van besluit 2014/145 en artikel 14, lid 2, van verordening nr. 269/2014.
21. Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 3, lid 3, van besluit 2014/145 en artikel 14, lid 2, van verordening nr. 269/2014 en niet-nakoming van de motiveringsplicht doordat het Gerecht heeft geoordeeld dat de Raad had voldaan aan zijn verplichting om een beoordeling op te stellen van de impact van de maatregelen tegen Khan.
22. Het vierde middel is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, die voortvloeit uit de weigering van het Gerecht om rekening te houden met de erkenning door de Raad dat de beperkende maatregelen jegens Khan geen impact hadden.
23. Het vijfde middel is ontleend aan schending van artikel 29 VEU en artikel 215, lid 2, VWEU doordat het Gerecht tot de slotsom is gekomen dat het oorspronkelijke criterium g) rechtmatig is ondanks het feit dat dit criterium het mogelijk maakt om sancties op te leggen aan personen die geen voldoende nauwe band hebben met het regime of de situatie waarop de Unie druk wil uitoefenen.
24. Het zesde middel is ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, een onjuiste opvatting van het bewijs en schending van het oorspronkelijke criterium g) wegens de voorwaarden waaronder het Gerecht tot het oordeel is gekomen dat was aangetoond dat de Russische banksector in 2023 een aanzienlijke inkomstenbron vormde voor de Russische regering.
25. Het zevende middel is ontleend aan schending van het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g)(20) en, subsidiair, schending van artikel 29 VEU en artikel 215, lid 2, VWEU en het ontbreken van een rechtsgrondslag omdat het Gerecht heeft geoordeeld dat het gewijzigde criterium g), wat het begrip „vooraanstaande zakenlieden” betreft, op dezelfde wijze moest worden uitgelegd als het oorspronkelijke criterium g).
26. Het achtste middel is ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften en een onjuiste opvatting van het voor het Gerecht aangevoerde twaalfde middel.
27. Het negende middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het oorspronkelijke criterium g) en het gewijzigde criterium g) en van het begrip „zakenlieden”, alsmede een niet-inachtneming van de omvang van de rechterlijke toetsing door het Gerecht.
28. Het tiende middel betreft niet-nakoming van de motiveringsplicht en, subsidiair, schending van het gewijzigde criterium g), aangezien het Gerecht niet is nagegaan of de aantijging dat Khan nog steeds in Rusland gevestigde activa beheerde ten tijde van de handhaving van zijn plaatsing op de lijst in september 2023, maart 2024 en september 2024, was onderbouwd.
29. Overeenkomstig het verzoek van het Hof heeft deze conclusie uitsluitend betrekking op het zesde, het zevende en het tiende middel in hogere voorziening.
30. Aangezien het Hof in het kader van het onderzoek van het zevende middel van Khan wordt verzocht zich uit te spreken over de rechtmatigheid van het gewijzigde criterium g), begin ik mijn analyse met dit middel, alvorens respectievelijk het zesde en het tiende middel te onderzoeken, die betrekking hebben op de gegrondheid van de tegen Khan genomen maatregelen.
A. Zevende middel in hogere voorziening: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het gewijzigde criterium g)
31. Voor de nadere analyse moet worden verduidelijkt wat er met elk van de drie onderdelen van het gewijzigde criterium g) wordt aangeduid. Om te beginnen heeft het gewijzigde criterium g) betrekking op vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland (eerste onderdeel). Vervolgens ziet het op hun naaste familieleden of andere natuurlijke personen die profijt trekken van hen (tweede onderdeel). Ten slotte, en als andere mogelijkheid(21), is het gericht op zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie (derde onderdeel).(22)
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
32. Khan betwist de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven door in punt 89 van het bestreden arrest te oordelen dat, wat het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) betreft, de term „vooraanstaande” op dezelfde wijze moest worden opgevat als in het kader van het oorspronkelijke criterium g).
33. Khan stelt dat, aangezien criterium g) is gewijzigd, bij de uitlegging van dit criterium rekening moet worden gehouden met deze wijziging. De wijziging in de tekst van het criterium g) heeft de betekenis en de draagwijdte van het begrip „vooraanstaande zakenlieden” veranderd.
34. Ten eerste legt het gewijzigde criterium g) geen verband meer tussen de invloed van deze zakenlieden en de economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormen. Het begrip „invloed” is daardoor een losstaand begrip geworden.
35. Ten tweede is het tweede onderdeel van het gewijzigde criterium g) enkel van toepassing op de naaste familieleden van vooraanstaande zakenlieden, hetgeen de conclusie versterkt dat vooraanstaande zakenlieden een afzonderlijke categorie personen vormen op wie de Raad specifieke druk wil uitoefenen.
36. Ten derde wordt de nieuwe betekenis van het gewijzigde criterium g), met name het eerste onderdeel ervan, verduidelijkt door overweging 4 van besluit (GBVB) 2023/1094. Het Gerecht heeft deze overweging overigens reeds gebruikt om de bedoeling van de Uniewetgever te achterhalen.(23)
37. Indien het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als het oorspronkelijke criterium g), verwijst Khan subsidiair naar zijn conclusies in het kader van het vijfde middel van de onderhavige hogere voorziening ter onderbouwing van zijn stelling dat een dergelijke uitlegging in strijd is met artikel 29 VEU en artikel 215, lid 2, VWEU en de rechtsgrondslag ontneemt aan dat criterium.
38. De Raad concludeert tot afwijzing van het zevende middel.
2. Beoordeling
39. Khan betoogde voor het Gerecht dat het gewijzigde criterium g) onrechtmatig was wegens het ontbreken van een rechtsgrondslag, schending van het rechtszekerheidsbeginsel en schending van het eigendomsrecht en de vrijheid van ondernemerschap. Het onderhavige middel is gericht tegen het gedeelte van de analyse van het Gerecht dat betrekking heeft op de gestelde schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
40. Aangezien Khan het Gerecht in het kader van het onderhavige middel verwijt dat het bij de uitlegging van het begrip „invloed” in de zin van het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) geen rekening heeft gehouden met de wijziging in de bewoordingen van dat criterium, is het onderhavige middel uitsluitend gericht tegen de uitlegging die het Gerecht aan het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) heeft gegeven.
41. Ter beantwoording van dit middel dient dit eerste onderdeel, nadat de draagwijdte van het oorspronkelijke criterium g) in herinnering is gebracht, te worden onderzocht teneinde na te gaan of de conclusie waartoe het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest is gekomen, juist is.
a) Begrip „invloed” in de zin van het oorspronkelijke criterium g)
42. Met betrekking tot het oorspronkelijke criterium g), zoals dat voortvloeit uit besluit 2022/329 en verordening 2023/1089, moet het volgende worden vastgesteld.
43. Het oorspronkelijke criterium g) had betrekking op één enkele categorie natuurlijke personen die aan twee cumulatieve voorwaarden moesten voldoen. Ten eerste moest het om vooraanstaande zakenlieden gaan. Ten tweede moesten deze vooraanstaande zakenlieden actief zijn in een van de economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering vormen.
44. Het Hof heeft zich onlangs over de uitlegging van dit criterium uitgesproken in het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad.
45. Het Hof heeft aldus geoordeeld dat de termen die zijn gebruikt om het gewijzigde criterium g) te definiëren – nadat het de verschillende taalversies ervan had onderzocht – op zichzelf en buiten elke context geen verband impliceren met een bepaald domein, zoals het economische of politieke domein, of met welbepaalde personen of entiteiten.(24) De term „vooraanstaand”, moet dus worden opgevat als een verwijzing naar „het vereiste belang van de betrokken zakenman in de sector waarbij hij betrokken is, ongeacht de banden die hij eventueel voor het overige met [de regering van de Russische Federatie] zou kunnen hebben”.(25) Hoewel in het oorspronkelijke criterium g) een verband wordt gelegd met die regering, is dit verband niet vereist van vooraanstaande zakenlieden, maar van de sector waarin zij actief zijn, aangezien deze sector voor de genoemde regering een aanzienlijke bron van inkomsten moet vormen.(26) Derhalve houdt het oorspronkelijke criterium g) „uitsluitend [in] dat moet worden aangetoond dat [vooraanstaande] zakenlieden een significante rol spelen in een economische sector die lucratief is voor de regering van de Russische Federatie, ongeacht de eventuele banden van die zakenlieden met die regering, hun concreet belang voor die regering of hun vermogen om daadwerkelijk invloed op haar uit te oefenen”.(27)
46. Hieruit volgt dat het begrip „invloed” in de zin van het oorspronkelijke criterium g) volgens het Hof betrekking heeft op de economische sector waarbij deze zakenlieden betrokken zijn, en dus moet worden begrepen „in het licht van de economische context waarin zij actief zijn, en aan de hand van criteria zoals hun beroepsstatus of hun functies, het belang van hun economische activiteiten, de omvang van hun kapitaaldeelnemingen of hun investeringen, hun functies bij het bedrijf waar zij die functies uitoefenen, of enig ander relevant economisch criterium”.(28)
47. Onder vooraanstaande zakenlieden in de zin van het oorspronkelijke criterium g) moet dus worden begrepen: zakenlieden die een significante rol spelen in economische sectoren die lucratief zijn voor de regering van de Russische Federatie, dat wil zeggen dat zij indirect de financiering van de in Oekraïne gevoerde destabiliserende acties kunnen bevorderen door hun bijdrage tot het behoud van de winstgevendheid van die sectoren, of zelfs tot het succes ervan.(29)
48. Tot slot blijft de invloed niet beperkt tot uitsluitend zakenlieden die vanwege hun functies bij een bedrijf of hun aandelen daadwerkelijke en effectieve zeggenschap over dat bedrijf uitoefenen, aangezien een significante rol in de betreffende economische sector kan worden vastgesteld aan de hand van andere objectieve factoren dan die van de zeggenschap.(30)
49. Het Hof heeft zich ervan vergewist dat een dergelijke uitlegging steun vindt in de nagestreefde doelstellingen, die erin bestaan om de druk op de Russische Federatie op te voeren en de kosten van haar acties die erop gericht zijn de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne te ondermijnen, zodanig te verhogen dat die Federatie zou afzien van haar militaire agressie tegen Oekraïne en, meer in het algemeen, van haar voor dat land destabiliserende acties en beleidsmaatregelen.(31) Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat „[m]et het opleggen van beperkende maatregelen aan [vooraanstaande zakenlieden], ongeacht hun eventuele banden met [de regering van de Russische Federatie], [...] het dus mogelijk [is] om de kosten van die acties te verhogen en een zodanige druk op die regering uit te oefenen dat zij zou afzien van die acties, aangezien de werking van de betrokken economische sectoren erdoor wordt belemmerd”.(32)
b) Letterlijke, contextuele, historische en teleologische uitlegging van het begrip „invloed” in de zin van het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g)
50. Bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht die is vervat in een handeling waarbij beperkende maatregelen worden ingevoerd, moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan, daaronder begrepen de historische context, en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt.(33)
51. In de eerste plaats volgt uit de bewoordingen van het gewijzigde criterium g) dat er sprake is van zowel een opsplitsing van het oorspronkelijke criterium g) (eerste en derde onderdeel) als van een toevoeging aan dat criterium (tweede onderdeel). Zo vereist het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g), anders dan het oorspronkelijke criterium g), niet langer dat vooraanstaande zakenlieden betrokken zijn bij een van de economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering vormen.(34)
52. Nog steeds vanuit het oogpunt van de letterlijke uitlegging heeft het bijvoeglijk naamwoord „vooraanstaande” betrekking op „zakenlieden”, dat wil zeggen op personen die actief zijn in het bedrijfsleven.(35) De invloed blijkt dus noodzakelijkerwijs verband te houden met de hoedanigheid van zakenlieden en hun belang op dit gebied. De invloed die aan deze hoedanigheid wordt toegeschreven, lijkt mij intrinsiek verbonden met hun economische succes en hun economische kracht.(36)
53. In de tweede plaats wordt deze letterlijke uitlegging van het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) bevestigd door de analyse van de context. In overweging 4 van besluit 2023/1094 wordt de reden waarom het gewijzigde criterium g) in het leven is geroepen, verduidelijkt. Uit deze overweging volgt dat de Raad in het kader van de uitoefening van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid(37) heeft vastgesteld dat er een relatie van wederzijds voordeel en wederzijdse steun bestaat tussen de Russische regering en vooraanstaande zakenlieden die in Rusland actief zijn. Volgens de Raad kan de toename van rijkdom door deze vrouwen en mannen namelijk niet plaatsvinden zonder de instemming van de Russische regering, en is hun belang in de betreffende economische sector een uiting van de onderlinge afhankelijkheid tussen zakenlieden en de Russische regering. Juist daarom heeft de Raad het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) vastgelegd.(38)
54. In de derde plaats vindt de voorgestelde uitlegging steun in de historische en teleologische analyse van het criterium g).
55. De regelingen inzake beperkende maatregelen die zijn vastgesteld naar aanleiding van de Russische geweldplegingen in Oekraïne nemen in intensiteit geleidelijk toe naargelang de effectiviteit ervan, teneinde maximale druk uit te oefenen op de Russische Federatie door de kosten te verhogen van haar acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en de vaststelling door de Raad van het oorspronkelijke criterium g) vormt een voorbeeld van deze intensivering.(39)
56. Doordat niet meer wordt vereist dat er een band bestaat met een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormt, past de verruiming van het plaatsingscriterium in het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) in de logica van dit permanente streven naar een maximale doeltreffendheid van de beperkende maatregelen, in een situatie waarin de flagrante schending van het internationaal recht en het Handvest van de Verenigde Naties – namelijk de invasie van Oekraïne door de Russische Federatie – voortduurt.
c) Conclusie van de analyse van het begrip „invloed” in de zin van het gewijzigde criterium g)
57. Uit het voorgaande volgt dat het betoog van Khan in het kader van het zevende middel niet kan worden aanvaard.
58. Mijn conclusie is dat, ofschoon de tekst van criterium g) is gewijzigd, niets in de bewoordingen, de context of het doel van deze wijziging erop wijst dat de Raad de bedoeling had om aan de term „vooraanstaande” een andere betekenis toe te kennen dan de betekenis die hij daaraan eerder in het kader van het oorspronkelijke criterium g) had toegekend. Bovendien kan op basis van rekwirants argumenten geen alternatieve uitlegging worden gegeven die het bestaan van een dergelijk verschil in betekenis zou kunnen rechtvaardigen.
59. Het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) heeft betrekking op de invloed van zakenlieden vanuit economisch oogpunt – aangezien hun economisch succes voortvloeit uit de onderlinge afhankelijkheid met de Russische regering.
60. Hieruit volgt dat het begrip „invloed” in de zin van zowel het oorspronkelijke criterium g) als het gewijzigde criterium g) moet worden beoordeeld in het licht van de economische sector waarin de betrokken zakenlieden actief zijn – zonder dat evenwel wordt vereist dat deze sector van bijzonder economisch belang is voor de regering van de Russische Federatie – en dus moet worden begrepen in het licht van de economische context waarin zij actief zijn, aan de hand van criteria als die welke in punt 46 van de onderhavige conclusie zijn vermeld.
61. Naar analogie van hetgeen met betrekking tot het oorspronkelijke criterium g) is geoordeeld, volgt dus uit het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) dat de term „vooraanstaand” aldus moet worden opgevat dat daarmee wordt gedoeld op het belang van de betrokken zakenman in de sector waarbij hij betrokken is, ongeacht de banden die deze zakenman eventueel kan hebben met de regering van de Russische Federatie en ongeacht de vraag of de sector waarin hij actief is, een aanzienlijke bron van inkomsten voor die regering vormt.
62. Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 89 van het bestreden arrest te oordelen dat de term „vooraanstaand” in het kader van het eerste onderdeel van het oorspronkelijke criterium g) en in het kader van het gewijzigde criterium g), op dezelfde wijze moest worden uitgelegd, aangezien de invloed betrekking heeft op het belang van zakenlieden in het licht van criteria als hun beroepsstatus of hun functies, het belang van hun economische activiteiten, de omvang van hun kapitaaldeelnemingen of hun investeringen, en hun functies bij het bedrijf waar zij die functies uitoefenen.(40)
63. Zelfs indien op dit punt wordt vastgesteld dat het om een onjuiste rechtsopvatting gaat, betwijfel ik hoe dan ook of Khan daaraan in hogere voorziening enig voordeel zou kunnen ontlenen.(41)
d) Grief inzake het ontbreken van rechtsgrondslag voor het gewijzigde criterium g)
64. Mocht het Hof niettemin ingaan op de door Khan subsidiair aangevoerde argumenten(42), beperk ik mij tot het volgende.
65. Rekwirant wil de analyse door het Gerecht van de grief inzake het ontbreken van een rechtsgrondslag voor het gewijzigde criterium g) betwisten door te verwijzen naar zijn conclusies in het vijfde middel van de hogere voorziening, dat strekt tot betwisting van de analyse in eerste aanleg van de grief inzake het ontbreken van rechtsgrondslag voor het oorspronkelijke criterium g).(43) Khan betwist in wezen dat artikel 215 VWEU, dat voorziet in de voorwaarden waaronder maatregelen kunnen worden genomen om de economische en financiële betrekkingen met een derde land te verbreken of te beperken, de grondslag kan vormen voor de vaststelling van maatregelen wanneer er geen voldoende verband bestaat tussen de personen op wie die maatregelen betrekking hebben en het derde land waarop die maatregelen gericht zijn, en wanneer natuurlijke personen onderworpen kunnen zijn aan dergelijke maatregelen, los van hun persoonlijke gedrag. Tot staving van zijn betoog beriep hij zich in het bijzonder op het arrest Tay Za/Raad(44).
66. Aldus stel ik vast dat Khan dezelfde kritiek formuleert als de kritiek die voor het Hof is geuit ten aanzien van de rechtmatigheid van het oorspronkelijke criterium g) in het kader van zaak C‑111/24 P.(45)
67. Uit het arrest van het Hof in die zaak(46) blijkt in wezen dat artikel 215, lid 2, VWEU, met betrekking tot de maatregelen die op basis van dat artikel kunnen worden vastgesteld, vereist dat er een objectieve band bestaat tussen de personen op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn en het betrokken derde land, zodat die maatregelen kunnen worden beschouwd als maatregelen waarmee het doel van de Unie om aldus druk uit te oefenen op dat land, kan worden bereikt op een wijze die niet kennelijk ongeschikt is.(47)
68. De formulering daarentegen in de tweede volzin in punt 70 van het bestreden arrest, volgens welke „artikel 215, lid 2, VWEU de Raad machtigt om, door middel van een in artikel 288 VWEU bepaalde handeling, beperkende maatregelen vast te stellen jegens gelijk welke ‚natuurlijke persoon of rechtspersoon’, ‚niet statelijke entiteit’ of ‚groep’, op de enkele voorwaarde dat een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het VEU vastgesteld besluit in dergelijke maatregelen voorziet”(48), is niet eenduidig, aangezien zij suggereert dat er geen enkele band vereist is.
69. Ofschoon het Hof met betrekking tot een vergelijkbare formulering heeft geoordeeld dat het Gerecht in die bewoordingen „er in wezen terecht op [had] gewezen dat de vaststelling van dergelijke beperkende maatregelen slechts mogelijk is voor zover er een besluit is vastgesteld op grond van artikel 29 VEU”(49), heeft het Gerecht zich uitgesproken over de vraag of er sprake was van een band onder voorbehoud van latere verificatie door het Hof.
70. Het Hof heeft namelijk in herinnering gebracht dat het Gerecht erop had gewezen dat er, „wat [het oorspronkelijke] criterium g) betreft, op zijn minst sprake is van een indirecte band tussen de met dat criterium beoogde zakenlieden en het betrokken derde land [...] aangezien dat criterium onder meer gericht is tegen een categorie natuurlijke personen die betrokken zijn bij bepaalde economische sectoren die voor de regering van de Russische Federatie een aanzienlijke bron van inkomsten vormen waarmee zij haar beleid van destabilisatie en agressie jegens Oekraïne kan voortzetten”.(50)
71. Bij de redenering van het Gerecht in het bestreden arrest blijkt evenwel niet alleen elke verwijzing naar de vereiste objectieve of, op zijn minst, indirecte band tussen de beperkende maatregelen en het betrokken land te ontbreken, maar ook elke toetsing van het bestaan van die band in casu.
72. Deze omissie levert mijns inziens een onjuiste rechtsopvatting op.
73. Aangezien deze onjuiste rechtsopvatting van invloed is op het deel van de redenering van het Gerecht dat gewijd is aan het onderzoek van de rechtmatigheid van het oorspronkelijke criterium g), heeft zij indirect gevolgen voor de conclusie waartoe het Gerecht in punt 86 van het bestreden arrest is gekomen ten aanzien van de stelling dat het gewijzigde criterium g) geen rechtsgrondslag had, aangezien dat punt naar dat deel verwees.
74. Uit vaste rechtspraak volgt evenwel dat wanneer blijkt dat de motivering van een beslissing van het Gerecht in strijd is met het Unierecht maar het dictum ervan op basis van andere rechtsgronden gerechtvaardigd is, die strijdigheid met het Unierecht niet betekent dat deze beslissing moet worden vernietigd, maar dat die beslissing anders dient te worden gemotiveerd.(51) Derhalve moet worden nagegaan of de afwijzing van het middel inzake het ontbreken van een rechtsgrondslag voor het oorspronkelijke criterium g) gegrond is op andere rechtsgronden dan die welke berusten op de door mij zojuist vastgestelde onjuiste rechtsopvatting, teneinde te waarborgen dat de afwijzing van de grief inzake het ontbreken van een rechtsgrondslag voor het gewijzigde criterium g) op andere rechtsgronden kon worden gebaseerd.
75. In dit verband moet de oplossing opnieuw worden gezocht in het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad, aangezien het Hof daarin heeft geoordeeld dat uit het oorspronkelijke criterium g) bleek dat de Raad een criterium had geformuleerd dat gericht was op personen die een objectieve band hadden met het betrokken derde land(52), en dat een dergelijke conclusie mutatis mutandis geldt voor het gewijzigde criterium g), ten aanzien waarvan Khan dezelfde argumenten aanvoert.(53)
76. In die omstandigheden heeft de in punt 71 van de onderhavige conclusie vastgestelde onjuiste rechtsopvatting, geen invloed op de conclusie waartoe het Gerecht in punt 72 van het bestreden arrest is gekomen met betrekking tot het oorspronkelijke criterium g). Zij heeft dus evenmin gevolgen voor de conclusie waartoe het Gerecht in punt 86 van het bestreden arrest is gekomen, ditmaal met betrekking tot de stelling dat het gewijzigde criterium g) geen rechtsgrondslag heeft aangezien er geen voldoende band bestaat tussen de beoogde personen en het betrokken derde land.
B. Zesde middel van de hogere voorziening: niet-nakoming van de motiveringsplicht, onjuiste opvatting van het bewijs en schending van het oorspronkelijke criterium g) doordat het Gerecht de stelling dat Khan actief was in een sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de regering van de Russische Federatie, voldoende bewezen heeft geacht
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
77. Rekwirant brengt de vaste rechtspraak van het Hof in herinnering waarin is geoordeeld dat het aan de Raad staat om te bewijzen dat de persoon die op de lijst is geplaatst, voldoet aan het criterium waarop de plaatsing is gebaseerd, en dat de Raad zich niet op een vermoeden mag baseren indien de relevante regelgeving daar niet in voorziet.
78. Wat de plaatsing op de lijst op grond van het oorspronkelijke criterium g) betreft, betoogt Khan dat de Raad had moeten aantonen dat hij actief was in een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de regering van de Russische Federatie. Volgens hem is het begrip „aanzienlijke inkomsten” een relatief begrip waarvoor een analyse vereist is van de bronnen van de begroting van de Russische regering.
79. In de punten 189 en 190 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich beperkt tot, ten eerste, het oordeel dat Alfa Bank in 2020 tot de 24 grootste belastingbetalers in Rusland behoorde en, ten tweede, het oordeel dat het jaarinkomen van de banksector in Rusland in 2021 2,3 triljoen Russische roebel (RUB) (ongeveer 25,8 miljard EUR) bedroeg.
80. Deze bewijzen zijn volgens Khan ontoereikend. Hij voert aan dat uit het feit dat een onderneming een belangrijke belastingbetaler in Rusland is, geen relevante conclusie kan worden getrokken met betrekking tot de vraag of aan het oorspronkelijke criterium g) was voldaan, aangezien daaruit niet kan worden afgeleid dat de economische sector in het algemeen aanzienlijke inkomsten voor de Russische regering oplevert. Het oorspronkelijke criterium g) vereist dat wordt aangetoond dat een economische sector een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor die regering.(54) Deze inkomsten moeten ook in verband worden gebracht met het belastingbeleid van de Russische regering, hetgeen het Gerecht niet heeft gedaan, terwijl rekwirant voor het Gerecht heeft aangevoerd dat inkomsten die de Russische regering haalde uit directe en indirecte belastingen die voortvloeiden uit de Russische banksector, gering waren.(55) Hierdoor zou afbreuk zijn gedaan aan de motivering van het arrest. Khan verwijt het Gerecht dat het niet heeft onderzocht of de vermeende inkomsten die voortvloeiden uit de Russische banksector een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormden. Tot slot verwijt Khan het Gerecht dat het, zelfs indien wordt aangenomen dat de inkomsten uit de Russische banksector relevant waren voor de vaststelling dat aan de voorwaarden van het oorspronkelijke criterium g) was voldaan, zich heeft gebaseerd op bewijsmateriaal dat niet actueel was om de plaatsing op de lijst in 2023 te rechtvaardigen.
81. Volgens de Raad moet dit zesde middel worden afgewezen omdat het niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is.
2. Beoordeling
82. Het deel van het bestreden arrest waarop dit zesde middel betrekking heeft, betreft het onderzoek door het Gerecht van de gegrondheid van de beperkende maatregelen tegen Khan die zijn vastgesteld op basis van het oorspronkelijke criterium g). Meer in het bijzonder betoogde Khan met betrekking tot de handelingen van maart 2023 dat de Raad niet had aangetoond dat de banksector een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormde.(56)
83. Het Gerecht heeft vastgesteld dat uit de motivering van de handelingen van maart 2023 bleek dat Khan actief was in de banksector, omdat hij aandeelhouder was van het Alfa Group Consortium, waartoe onder andere Alfa Bank behoort.(57) Onder verwijzing naar de punten 106 tot en met 108 van zijn arrest Khan/Raad(58) heeft het Gerecht geoordeeld dat deze sector een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de Russische regering. Het Gerecht heeft eveneens eraan herinnerd dat het reeds had geoordeeld dat Alfa Bank een van de grootste belastingbetalers van Rusland was.(59) Het Gerecht was vervolgens van oordeel dat het belang van de banksector in Rusland werd bevestigd door bewijsstuk nr. 28 van het tweede bewijsdossier, waarin het jaarinkomen van deze sector van 2014 tot en met 2021 werd vermeld en waaruit bleek dat dit inkomen in 2021 2,3 triljoen RUB (ongeveer 25,8 miljard EUR) bedroeg.(60) Gelet op het voorgaande is het Gerecht vervolgens tot de slotsom gekomen dat de Raad, overeenkomstig de in de rechtspraak van het Hof gestelde vereisten(61), een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen had aangedragen die konden staven dat Khan op de datum van de handelingen van maart 2023 een vooraanstaand zakenman was die betrokken was bij een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de Russische regering, in de zin van het oorspronkelijke criterium g).(62)
a) Ontvankelijkheid van het zesde middel in het algemeen en van de grief inzake een onjuiste opvatting in het bijzonder
84. Wat ten eerste de ontvankelijkheid van het zesde middel betreft, ben ik van mening dat, anders dan de Raad betoogt, Khan voor het Hof geen nieuwe beoordeling van de feiten tracht te verkrijgen, waartoe in de regel het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is.(63) Rekwirant verzoekt met zijn betoog in het kader van het zesde middel het Hof namelijk om de juridische kwalificatie te toetsen van de feiten die met name in de motivering van de handelingen van 2023 zijn vermeld, teneinde vast te stellen of was voldaan aan de voorwaarde met betrekking tot de economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormde, in de zin van het oorspronkelijke criterium g). Hiermee betoogt rekwirant in wezen dat het Gerecht niet had mogen aanvaarden dat de Raad zich kon baseren op de hoedanigheid van Alfa Bank als een van de grootste belastingbetalers in Rusland, in combinatie met de gegevens over het jaarinkomen dat in de banksector is gegenereerd, om aan te tonen dat Khan actief was in een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de Russische regering in de zin van het oorspronkelijke criterium g). Bijgevolg is dit zesde middel ontvankelijk.
85. Wat ten tweede de grief inzake een onjuiste opvatting van het bewijs betreft, merk ik op dat enkel in het opschrift van het zesde middel in hogere voorziening melding wordt gemaakt van een dergelijke onjuiste opvatting, zonder dat Khan daar specifiek op ingaat. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet een rekwirant, wanneer hij aanvoert dat het Gerecht feiten of bewijzen onjuist heeft opgevat, evenwel precies aangeven welk bewijsmateriaal onjuist is opgevat en welke fouten in de analyse het Gerecht tot die onjuiste opvatting hebben gebracht.(64) Aangezien Khan hieraan niet heeft voldaan, is de grief inzake een onjuiste opvatting van het bewijs niet-ontvankelijk.
b) Ten gronde
1) Kwalificatie van Alfa Bank als een van de grootste Russische belastingbetalers en de voorwaarde met betrekking tot de „economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie” in de zin van het oorspronkelijke criterium g)
86. Khan verwijt het Gerecht in wezen dat het zich heeft gebaseerd op de hoedanigheid van Alfa Bank als een van de grootste Russische belastingbetalers om te oordelen dat was voldaan aan de voorwaarde met betrekking tot de economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormt, zoals vereist door het oorspronkelijke criterium g).
87. Het staat vast dat de banksector de voor Khan relevante sector is. Daarnaast kan uit de motivering van de handelingen van maart 2023(65) worden afgeleid dat Khan in zijn hoedanigheid van voormalig aandeelhouder van het Alfa Group Consortium, waartoe Alfa Bank behoort, onderworpen is geweest aan beperkende maatregelen uit hoofde van het oorspronkelijke criterium g). In de motivering wordt vermeld dat Alfa Bank „een van de grootste belastingbetalers van Rusland” is.
88. Khan betoogt dat het feit dat Alfa Bank een van de grootste Russische belastingbetalers is, niet betekent dat de banksector zelf kan worden aangemerkt als een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormt.
89. Evenwel moet eraan worden herinnerd dat het Hof onlangs heeft geoordeeld dat „in bepaalde omstandigheden [kan] worden aangenomen dat een economische sector van een staat een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van die staat, zodra er sprake is van een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen waaruit blijkt dat een van de belangrijkste bedrijven uit die sector op zichzelf reeds aanzienlijke inkomsten voor die regering oplevert”.(66)
90. Uit de bewoordingen van het oorspronkelijke criterium g) volgt in beginsel weliswaar dat de economische sector en niet een specifieke natuurlijke persoon of een specifiek bedrijf een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische Federatie moet vormen(67), maar de Raad is dus onder bepaalde omstandigheden gerechtigd zich te richten op de aanzienlijke inkomsten die door een van de belangrijkste bedrijven uit die sector worden gevormd voor de Russische regering.
91. Het stond dus aan het Gerecht om zich ervan te vergewissen dat de Raad de plaatsing van Khan op de lijst had gestaafd met een reeks concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen waaruit bleek dat Alfa Bank op zichzelf aanzienlijke inkomsten opleverde voor de Russische regering, teneinde te kunnen oordelen dat de economische sector waarin Khan actief is, indirect een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de Russische regering, en dat dus was voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van het oorspronkelijke criterium g).(68)
92. Anders dan Khan betoogt, hoeft de Raad voor een dergelijke reeks aanwijzingen niet op boekhoudkundige wijze aan te tonen dat de inkomsten voor de Russische regering, afkomstig uit Alfa Bank in het bijzonder of uit de banksector in het algemeen, aanzienlijk zijn.
93. Hoe dan ook herinner ik eraan dat uit punt 189 van het bestreden arrest volgt dat het Gerecht, na eraan te hebben herinnerd dat Alfa Bank een van de grootste Russische private commerciële en zakenbanken is(69), zich heeft gebaseerd op de kwalificatie van Alfa Bank als „een van de grootste belastingbetalers” uit Rusland, zoals is gestaafd door bewijsstuk nr. 2 van het eerste bewijsdossier, om aan te tonen dat Alfa bank de Russische regering aanzienlijke inkomsten heeft opgeleverd. Khan betwist deze kwalificatie niet.
94. Uit dat bewijsstuk, dat het Gerecht noodzakelijkerwijs heeft onderzocht(70), blijkt dat de Russische belastingdienst zelf deze status toekent aan bepaalde Russische belastingplichtigen die voldoen aan de voorwaarden en criteria die deze belastingdienst heeft gesteld.(71) Die status is dus voorbehouden aan ondernemingen met een jaarinkomen tussen 10 en 35 miljard RUB (dat wil zeggen tussen ongeveer 112 miljoen EUR en 394 miljoen EUR). Alfa Bank wordt in dat bewijsstuk genoemd als een van de grootste Russische belastingbetalers in 2020, dat wil zeggen als een van de ondernemingen die in het betreffende jaar de grootste belastingbijdrage aan de staatsbegroting hebben geleverd.(72) De aanzienlijke bijdrage(73) van Alfa Bank aan de Russische begroting, die niet in cijfers wordt uitgedrukt, wordt daarin dus niettemin uitdrukkelijk vermeld.
95. Teneinde een bron van inkomsten als „aanzienlijk” te kunnen kwalificeren, heeft het Hof reeds geoordeeld dat dit begrip alle inkomsten omvat die worden gegenereerd door de betrokken economische sector, zodat onder meer rekening moet worden gehouden met de belastingen die door de in die sector actieve bedrijven werden betaald.(74) Alfa Bank nam als grootste particuliere commerciële handelsbank in Rusland binnen de banksector een prominente plaats in. Bovendien is deze economische sector, die gewoonlijk wordt omschreven als de hoeksteen van elke nationale economie, van bijzonder strategisch belang, aangezien „geld het zenuwstelsel van de oorlog is”, zoals het gezegde luidt.
96. Uit een en ander volgt dat het Gerecht terecht heeft kunnen oordelen dat de Raad een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen had aangevoerd waaruit bleek dat de sector waarin Khan actief was een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de Russische regering.
2) Niet-nakoming van de motiveringsplicht van het Gerecht
97. Khan verwijt het Gerecht vervolgens dat het niet is ingegaan op zijn betoog dat het belastingtarief voor de banksector, waartoe Alfa Bank behoort, laag was.
98. Afgezien van het feit dat dit betoog wederom berust op een uiterst restrictieve opvatting van het begrip „inkomsten” in de zin van het oorspronkelijke criterium g)(75), moet het volgende in herinnering worden gebracht.
99. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de motivering van een arrest de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, maar de uit artikel 36 en artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voortvloeiende verplichting van het Gerecht houdt niet in dat het een uitputtende uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, maar zij moet de belanghebbenden altijd in staat stellen de redenen te kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen, en het Hof altijd in staat stellen om over voldoende gegevens te beschikken om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening te kunnen uitoefenen.(76)
100. Uit punt 189 van het bestreden arrest blijkt duidelijk dat het verband dat het Gerecht heeft gelegd tussen Khan en de aanzienlijke inkomsten voor de Russische regering, berustte op de bijzondere positie van Alfa Bank, zoals de Russische belastingdienst zelf heeft erkend en zoals is geïllustreerd aan de hand van bewijsstuk nr. 2 van het eerste bewijsdossier. Het Gerecht moest nagaan of de economische sector waarin Khan actief is, een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de Russische regering, hetgeen het heeft gedaan op basis van de kwalificatie van Alfa Bank als een van de grootste belastingbetalers in Rusland, een kwalificatie die intrinsiek in tegenspraak was met het argument van Khan.
101. Vastgesteld moet dus worden dat Khan in staat is gesteld de redenen te kennen waarom het Gerecht zijn argumenten heeft afgewezen. De grief dat het Gerecht de motiveringsplicht niet is nagekomen, moet worden afgewezen.
3) Aanzienlijke karakter van de inkomsten uit de banksector voor de regering van de Russische Federatie
102. De onderhavige grief is gericht tegen punt 190 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft onderzocht of de banksector in Rusland kon worden beschouwd als een sector die aanzienlijke inkomsten oplevert voor de Russische regering.
103. Aangezien ik het Hof in overweging geef(77) te oordelen dat de redenering van het Gerecht in punt 189 van het bestreden arrest geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en dat dus kon worden geoordeeld dat was voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van het oorspronkelijke criterium g), gelet op de rol en de positie van Alfa Bank in de Russische banksector, zoals geïllustreerd aan de hand van haar hoedanigheid van grote Russische belastingbetaler, blijkt punt 190 van het bestreden arrest een louter ten overvloede aangevoerde redenering te bevatten. Ik zal de onderhavige grief daarom enkel subsidiair onderzoeken.
104. Wat het argument van Khan betreft dat op basis van het feit dat een sector inkomsten genereert, niet kan worden aangetoond dat deze sector een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormt, omdat dit afhangt van het belastingbeleid van die regering, herinner ik eraan, ten eerste, dat Khan niet betwist dat deze inkomsten belastingen genereren en, ten tweede, dat het Hof heeft geoordeeld dat „het weliswaar juist [is] dat het aanzienlijke karakter van een hoeveelheid kan worden beoordeeld in relatieve zin, dat wil zeggen in verhouding tot een referentiehoeveelheid, maar het [...] tevens mogelijk [is] om dat aanzienlijke karakter te beoordelen in absolute zin. Dat kan het geval zijn voor de inkomsten die de regering van een staat verkrijgt uit een van zijn economische sectoren. Een economische sector kan namelijk worden geacht aanzienlijke inkomsten voor een dergelijke regering op te leveren, ongeacht het percentage dat die inkomsten vertegenwoordigen ten opzichte van de totale inkomsten van die regering”.(78)
105. Daarnaast breng ik in herinnering dat het begrip „inkomsten” in de zin van de tweede cumulatieve voorwaarde van het oorspronkelijke criterium g) alle financiële middelen omvat die de betrokken economische sector voor de regering van de Russische Federatie oplevert.(79)
106. Aangezien het Gerecht bij het onderzoek van bewijsstuk nr. 28 van het tweede bewijsdossier heeft vastgesteld dat het jaarinkomen van de Russische banksector in 2021 meer dan 2,3 triljoen RUB (ongeveer 25,8 miljard EUR) bedroeg, heeft het impliciet maar noodzakelijkerwijs een correlatie vastgesteld tussen dit jaarinkomen en de daaruit voortvloeiende inkomsten voor de Russische regering, om op goede gronden te concluderen dat deze sector een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de regering van de Russische Federatie, zonder dat het verplicht was dat jaarinkomen te relateren aan de totale inkomsten van die regering.
107. De onderhavige grief, mocht deze worden onderzocht, dient dan ook te worden afgewezen.
4) Grief dat de gegevens betreffende het jaarinkomen van de banksector niet actueel zijn
108. Khan betoogt in wezen dat het Gerecht zijn verplichting om zich ervan te vergewissen dat de beperkende maatregelen tegen hem op een voldoende solide feitelijke grondslag berustten, niet is nagekomen, aangezien het zijn analyse heeft gebaseerd op oude en dus niet-actuele gegevens, die waren opgenomen in bewijsstuk nr. 28 van het tweede bewijsdossier.(80)
109. Ik stel vast dat het Gerecht zich in het bestreden arrest niet heeft uitgesproken over de vraag of dat bewijsstuk in temporeel opzicht relevant was ter onderbouwing van het feit dat de sector waarin Khan actief was een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de Russische regering in de zin van de tweede cumulatieve voorwaarde van het oorspronkelijke criterium g).
110. Dit stilzwijgen is te wijten aan het feit dat Khan deze grief niet voor het Gerecht heeft aangevoerd.(81)
111. Evenwel blijkt uit vaste rechtspraak dat indien het een partij wordt toegestaan om middelen en argumenten die zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, haar in feite zou worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen en argumenten die voor de rechters in eerste aanleg zijn aangevoerd.(82)
112. De onderhavige grief is dus niet-ontvankelijk.
113. Naar mijn mening kan deze grief ook nog om een andere reden als niet-ontvankelijk worden beschouwd.
114. Zoals de Raad opmerkt, is het Hof namelijk, wanneer de door het Gerecht onderzochte bewijzen regelmatig zijn verkregen en de rechtsregels en algemene rechtsbeginselen inzake de bewijslast en de procedureregels inzake de bewijsvoering in acht zijn genomen, in beginsel niet bevoegd om het bewijs te onderzoeken waarop het Gerecht zich bij de vaststelling van de feitelijke omstandigheden heeft gebaseerd en is het Gerecht bij uitsluiting bevoegd om de waarde van die bewijzen te beoordelen.(83)
115. In de argumenten van Khan wordt er evenwel geen enkele rechtsregel of geen enkel beginsel van dien aard genoemd die of dat het Gerecht bij het onderzoek van bewijsstuk nr. 28 van het tweede bewijsdossier zou hebben geschonden.
116. Ten slotte heeft Khan, zoals reeds vermeld, geen enkele poging ondernomen om de gestelde onjuiste opvatting aan te tonen.(84)
117. Ik geef het Hof dan ook in overweging de grief dat de gegevens betreffende het jaarinkomen van de banksector, zoals weergegeven in bewijsstuk nr. 28 van het tweede bewijsdossier, niet actueel zijn, niet-ontvankelijk te verklaren.
118. Mocht het Hof bewijsstuk nr. 28 van het tweede bewijsdossier verder onderzoeken, dan dient in ieder geval het volgende te worden vastgesteld.
119. Dit bewijsstuk(85), ontleend aan een website, blijkt in mei 2022 te zijn gepubliceerd en in november van dat jaar door de Raad te zijn geraadpleegd ter onderbouwing van de plaatsing van Khan op de lijst in de handelingen van maart 2023. Het bestaat uit een statistische tabel waarin de ontwikkeling van het jaarinkomen van de banksector in Rusland, na belastingen, van 2014 tot en met 2021 wordt weergegeven.
120. Het is juist dat de meest recente gegevens in deze tabel betrekking hebben op 2021.
121. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat „de Raad [...] bij de beoordeling of een persoon voldoet aan een criterium voor plaatsing op een lijst [...] rekening [kan houden] met informatie of bewijzen die betrekking hebben op omstandigheden van vóór de datum van vaststelling van de handeling houdende oplegging of handhaving van beperkende maatregelen, mits deze informatie of bewijzen de aan die handeling ten grondslag liggende redenen staven en bijdragen tot de vaststelling dat de betrokkene, ondanks het tijdsverloop en rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het specifieke geval, aan het plaatsingscriterium in kwestie voldoet [...]. Met name kan niet worden uitgesloten dat dergelijke informatie en bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen om, gelet op het plaatsingscriterium in kwestie, vast te stellen dat er sprake is van continuïteit tussen enerzijds de vroegere situatie van de betrokkene en anderzijds zijn huidige situatie”.(86)
122. Zoals ik in andere omstandigheden reeds in herinnering heb kunnen brengen, kan de reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen waarmee een toereikend verband kan worden aangetoond tussen de persoon op wie de maatregelen tot bevriezing van de tegoeden betrekking hebben en het bestreden regime en waarop de Raad zich kan beroepen, dus uiteraard gebaseerd zijn op oude bewijzen die dateren van vóór de datum van vaststelling van de handelingen houdende plaatsing op de lijst, mits in elk geval ook wordt aangetoond dat er sprake is van continuïteit tussen die bewijzen en de situatie op het tijdstip van de plaatsing op de lijst.(87)
123. Het stond dus aan het Gerecht om zich ervan te vergewissen dat er sprake was van een continuïteit tussen de feiten die worden geacht te zijn gestaafd door bewijsstuk nr. 28 van het tweede bewijsdossier en de situatie van Khan in maart 2023.
124. Evenwel zij erop gewezen dat het Gerecht dit bewijsstuk heeft onderzocht in een deel van de redenering dat is gewijd aan de toetsing van de tweede cumulatieve voorwaarde van het oorspronkelijke criterium g). Het ging er dus om dat de Raad moest aantonen dat de banksector een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de Russische regering. Aangezien het hier gaat om de bijdrage van een volledige sector aan de nationale economie, in ruime zin, kan worden aangenomen dat het bewijsmateriaal hieromtrent in een andere, langere tijdsspanne past dan het bewijsmateriaal dat meer rechtstreeks betrekking heeft op de persoon die zelf op de lijst is geplaatst.
125. Aangezien de aan de orde zijnde website in 2022 is geraadpleegd, waren de gegevens over het jaarinkomen van de Russische banksector voor het boekjaar 2022 hoe dan ook niet beschikbaar, 2022 was immers nog niet verstreken. Uit bewijsstuk nr. 28 van het tweede bewijsdossier blijkt dus dat de Raad zich op de meest recente, beschikbare, relevante cijfers heeft gebaseerd om de economische macht van die sector te onderbouwen en daaruit in de handelingen van maart 2023 af te leiden dat die sector een aanzienlijke bijdrage levert aan de inkomsten van de Russische regering. Ik voeg hieraan toe dat het jaar 2022, zoals algemeen bekend, gekenmerkt werd door de Russische invasie van Oekraïne en de daaruit voortvloeiende ingrijpende verstoring van de internationale orde, zodat de cijfers voor 2022 niet noodzakelijkerwijs het meest representatief zijn voor de realiteit van het belang van de Russische banksector in die turbulente periode.
126. De onderhavige grief moet dus ongegrond worden verklaard.
C. Tiende middel in hogere voorziening: niet-nakoming van de motiveringsplicht en onjuiste rechtsopvatting in de vorm van schending van het gewijzigde criterium g)
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
127. Khan betoogt in wezen dat het aan het Gerecht stond om zich ervan te vergewissen dat de Raad ten tijde van de verlengingen van september 2023, maart 2024 en september 2024 het bewijs had geleverd dat hij nog steeds een vooraanstaand zakenman in de zin van het gewijzigde criterium g) was. De aantijging dat Khan vennootschappen in Rusland beheerde, was gebaseerd op bewijsmateriaal uit 2022, en Khan betoogt dat de Raad geen bewijs heeft geleverd waaruit blijkt dat deze aantijging ten tijde van die verlengingen nog steeds geldig was.
128. Wat de verlenging van september 2023 betreft, heeft het Gerecht zijn redenering gebaseerd op het feit dat Khan in maart 2023 had deelgenomen aan het congres van de Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers, waaruit het Gerecht heeft afgeleid dat rekwirant banden had met Alfa Group, zonder na te gaan of de reden die was ontleend aan het feit dat hij nog steeds in Rusland gevestigde activa beheerde, was aangetoond. Zelfs al zou het Gerecht hebben geoordeeld dat deze deelname toereikend was om de gegrondheid van die reden aan te tonen, betoogt Khan dat het Gerecht aldus zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van de motivering van de Raad en het gewijzigde criterium g) heeft geschonden door het aldus uit te leggen dat het niet alleen betrekking heeft op zakenlieden, maar op eenieder die banden met vennootschappen in Rusland heeft onderhouden.
129. Wat de verlengingen van maart 2024 en september 2024 betreft, betoogt Khan dat het Gerecht zich er niet van heeft vergewist of de aantijging dat rekwirant nog steeds activa beheerde, was aangetoond.
130. De Raad betoogt dat het tiende middel niet-ontvankelijk is. Subsidiair stelt de Raad dat dit middel ongegrond is.
2. Ontwikkeling van de motivering ten aanzien van Khan en juridische regeling van de handhavingshandelingen
131. Wat de handelingen van september 2023 betreft, herinner ik eraan dat dit de eerste handelingen zijn die op basis van het gewijzigde criterium g) ten aanzien van Khan zijn vastgesteld.
132. In de motivering van deze handelingen wordt in wezen de motivering van de handelingen van maart 2023 overgenomen en met name het feit dat Khan de in Rusland gevestigde activa bleef beheren van twee vennootschappen (ABH Financial Limited en LetterOne), die in de eerste alinea van die motivering zijn vermeld.(88) Uit de motivering blijkt bovendien dat Khan in maart 2023 had deelgenomen aan het congres van de Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers.
133. Zoals het Gerecht heeft vastgesteld(89), is de motivering van de handelingen van maart 2024 identiek aan die van september 2023.
134. In de handelingen van september 2024 wordt de essentie weergegeven van de motivering van de handelingen van september 2023 en maart 2024, daaronder begrepen de vermelding dat Khan in maart 2023 aan het congres van de Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers heeft deelgenomen. Daarnaast wordt in die handelingen vermeld dat de overdracht van de aandelen van Khan in ABH Holdings aan zijn zakenpartner door de Nationale Bank van Oekraïne nietig is verklaard en dat de overdracht van zijn aandelen in de A1-groep als fictief kon worden beschouwd. In de motivering van de handelingen van september 2024 wordt tevens verwezen naar het feit dat Khan aandeelhouder was van de investeringsmaatschappij LetterOne, dat hij de in Rusland gevestigde activa van de Alfa Group bleef beheren en dat hij een aanzienlijk belang heeft in Rosvokanal, dat wordt omschreven als een onderneming van de Alfa Group en een van de leidende particuliere exploitanten van watervoorzieningen in Rusland.
135. Aangezien het om handhavingshandelingen gaat, zij herinnerd aan de verplichtingen die met het oog op de vaststelling van die handelingen en ten tijde van de vaststelling daarvan op de Raad rusten.
136. Aan de handhaving gaat altijd een administratieve fase vooraf, waarin de betrokken persoon in staat wordt gesteld zijn standpunt over het voornemen van de Raad kenbaar te maken en, in voorkomend geval, te reageren op de nieuwe redenen – of zelfs criteria – ter onderbouwing van de handhaving. Wanneer de redenen ongewijzigd blijven, vereisen deze handelingen dat wordt nagegaan of de feitelijke situatie zich sinds de oorspronkelijke plaatsing of sinds de vorige evaluatie in die mate heeft ontwikkeld dat op basis daarvan niet meer dezelfde conclusie kan worden getrokken met betrekking tot de vraag of de betrokken persoon nog steeds voldoet aan het criterium waarop zijn plaatsing is gebaseerd.(90) De geldigheid van de handhavingshandelingen hangt dus af van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, blijven voortbestaan, en of het voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel noodzakelijk is om deze maatregelen te handhaven.(91) Wanneer nieuwe redenen worden toegevoegd, moet de gegrondheid ervan worden beoordeeld door op de gebruikelijke wijze de bewijzen en inlichtingen die de Raad heeft verstrekt te onderzoeken. De Raad voldoet aan de op hem rustende bewijslast indien hij een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan het bestaan van een toereikend verband tussen de betrokken persoon en de bestreden situaties kan worden vastgesteld.(92) Een dergelijk verband vloeit in beginsel voort uit het feit dat die persoon voldoet aan de voorwaarden van het plaatsingscriterium, gesteld dat de rechtmatigheid van dat criterium niet in twijfel wordt getrokken.
137. Tot slot kan niet worden uitgesloten dat de Raad bij de beoordeling of een persoon voldoet aan een criterium voor plaatsing op een lijst, rekening houdt met informatie of bewijzen die betrekking hebben op omstandigheden van vóór de datum van vaststelling van de handeling houdende oplegging of handhaving van beperkende maatregelen, mits deze informatie of bewijzen de aan die handeling ten grondslag liggende redenen staven en bijdragen tot de vaststelling dat de betrokkene, ondanks het tijdsverloop en rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het specifieke geval, aan het plaatsingscriterium in kwestie voldoet.(93) Met name kan niet worden uitgesloten dat dergelijke informatie en bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen om, gelet op het plaatsingscriterium in kwestie, vast te stellen dat er sprake is van continuïteit tussen enerzijds de vroegere situatie van de betrokkene en anderzijds zijn huidige situatie.(94)
138. Het betoog van Khan moet thans in het licht van deze in de rechtspraak gestelde vereisten worden onderzocht.
3. Beoordeling
a) Handelingen van september 2023 en grief inzake ontoereikende motivering van het bestreden arrest met betrekking tot de vraag of de Raad het bewijs had geleverd dat Khan de in Rusland gevestigde activa van de twee vennootschappen bleef beheren
139. In punt 205 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de motivering onderzocht die was ontleend aan de deelname van Khan aan het congres van de Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers in 2023, zoals gestaafd door bewijsstuk nr. 7 van het derde bewijsdossier. Dit bewijsstuk, waarin de deelnemers aan dat congres werden vermeld, toont volgens de beoordeling van het Gerecht aan dat de band tussen Khan en Alfa Group voortduurt, zelfs nadat hij zijn aandelen in ABH Financial Limited had verkocht, en „bevestigt zijn hoedanigheid van vooraanstaand zakenman in de zin van het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g)”.(95)
140. Khan betoogt dat het feit dat een bewijsstuk het bestaan van de band tussen hem en Alfa Group kan onderbouwen, niet de aantijging onderbouwt dat hij de activa van ABH Financial Limited en LetterOne bleef beheren.(96) Met andere woorden, zijn betoog heeft als uitgangspunt de feitelijke beoordeling door het Gerecht te betwisten, waaruit lijkt voort te vloeien dat het Gerecht uit een feit dat in een bewijsstuk werd vermeld, een ander feit heeft afgeleid dat in de motivering is opgenomen.
141. Mijns inziens stelt Khan, onder het mom van een grief inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht, in werkelijkheid de vraag aan de orde of het Gerecht de toetsing die het in geval van handhavingshandelingen diende te verrichten, correct heeft verricht.
142. Het betoog dat rekwirant in het kader van dit tiende middel heeft aangevoerd, kan dus op twee verschillende manieren worden uitgelegd.
143. Ten eerste is het mogelijk om dit middel te beantwoorden door het uitsluitend te onderzoeken vanuit het oogpunt van de vraag of het bestreden arrest toereikend gemotiveerd is wat betreft de kwestie of de Raad had aangetoond dat Khan op het moment van de vaststelling van de handelingen van september 2023 een vooraanstaande zakenman was in de zin van het gewijzigde criterium g).
144. Ten tweede is het ook mogelijk om een iets ruimere lezing van dat middel te hanteren, aangezien kan worden geoordeeld dat rekwirant het Gerecht in werkelijkheid verwijt dat het niet is nagegaan of de motivering volgens welke hij nog steeds de in Rusland gevestigde activa van twee vennootschappen beheerde, onderbouwd was.
145. Mijns inziens moet de onderhavige grief worden afgewezen, ongeacht welke benadering wordt gekozen om deze te beantwoorden.
1) Stelling dat de motiveringsplicht stricto sensu niet is nagekomen
146. De ontvankelijkheid van een dergelijke stelling levert geen moeilijkheden op.(97)
147. Wat het onderzoek ervan ten gronde betreft, ben ik van mening dat, ook al zou de beoordeling van het Gerecht in punt 205 van het bestreden arrest feitelijk onjuist zijn voor zover aan een bewijsstuk de onderbouwing wordt ontleend van een ander feit waarop deze beoordeling geen betrekking heeft, die beoordeling niet ervoor zorgt dat de motiveringsplicht niet is nagekomen.
148. In dit verband herinner ik eraan dat de rechtspraak(98) vereist dat in de motivering van een arrest de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komt en de belanghebbenden steeds in staat moeten worden gesteld de redenen te kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen, en het Hof over voldoende gegevens moet beschikken om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening uit te oefenen.(99)
149. Khan is in staat gesteld de redenen te begrijpen waarom het Gerecht heeft geconcludeerd dat de handelingen van september 2023 voldoende onderbouwd waren.
150. Uit de punten 204 tot en met 206 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het feit dat Khan in maart 2023 heeft deelgenomen aan het congres van de Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers – dat wordt ondersteund door het in punt 205 van dat arrest genoemde bewijs – bevestigt dat hij nog steeds banden heeft met het Alfa Group Consortium [...], dat hij de hoedanigheid van vooraanstaand zakenman heeft” en dat hij, zelfs na de vermeende verkoop van zijn aandelen in ABH Financial Limited, banden heeft onderhouden met Alfa Group in Rusland. Daarnaast heeft het Gerecht zijn oordeel gemotiveerd door te verwijzen naar de conclusie die was getrokken uit het onderzoek van de handelingen van maart 2023, namelijk dat de Raad een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen had voorgelegd waaruit bleek dat rekwirant op de datum van de handelingen van maart 2023 een vooraanstaand zakenman in de zin van het oorspronkelijke criterium g) was. Voorts heeft het Gerecht aangegeven waarom het van oordeel is dat er een bepaalde continuïteit met het gewijzigde criterium g) bestond.(100)
151. In die omstandigheden blijkt het bestreden arrest rechtens genoegzaam te zijn gemotiveerd, met dien verstande dat de vraag of de motivering toereikend is, moet worden onderscheiden van de vraag of de motivering gegrond is.
2) Ruime uitlegging van de stelling dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd
152. Mocht het Hof de onderhavige grief ruim uitleggen, dan zou het moeten nagaan of het Gerecht zich met betrekking tot de handelingen van september 2023 in wezen rechtens genoegzaam ervan heeft vergewist dat Khan nog steeds voldeed aan de voorwaarden om onder het gewijzigde criterium g) te vallen.
153. Daartoe moet worden teruggegrepen op de handelingen van maart 2023.
154. Uit de analyse van de gegrondheid van de plaatsing van Khan op de lijst uit hoofde van het oorspronkelijke criterium g) blijkt dat het Gerecht heeft onderzocht of uit de motivering van de handelingen van maart 2023 kon worden afgeleid dat Khan voldeed aan het criterium op basis waarvan hij op de lijst was geplaatst. Na te hebben vastgesteld dat de Raad zich op functies of activiteiten uit het verleden wilde baseren, is het Gerecht, voortbouwend op de in punt 137 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak, nagegaan of de Raad ernstige en onderling overeenstemmende aanwijzingen had aangedragen op grond waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat Khan, ook na de gestelde overdracht van zijn aandelen, banden met die vennootschappen had onderhouden.(101) Het Gerecht heeft aangegeven dat de motivering die is ontleend aan het feit dat Khan de activa bleef beheren „past in een context waarin hij nog steeds aandeelhouder van die vennootschappen is, en ertoe strekt aan te tonen dat hij nog steeds een vooraanstaand zakenman is aangezien hij banden met deze vennootschappen heeft onderhouden”.(102)
155. Het Gerecht heeft in punt 178 van het bestreden arrest vier bewijsstukken tot staving van deze stellingen onderzocht, die dateren van september 2022 en november 2022 en bestaan uit krantenartikelen die online zijn gepubliceerd of uittreksels van websites. Uit deze bewijsstukken blijkt dat Khan naar Rusland is teruggekeerd en de activa van Alfa Group beheert. Na deze stukken te hebben onderzocht, heeft het Gerecht geoordeeld dat „[d]e omstandigheid dat verschillende geloofwaardige bronnen deze informatie overnemen, namelijk dat [rekwirant] de activa van Alfa Group beheert of daar toezicht op houdt, aantoont dat hij ook na de vermeende verkoop van zijn aandelen betrokken is gebleven bij het Alfa Group Consortium in Rusland, door de activa van dat concern in Rusland te beheren”.(103) Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat de Raad ernstige en onderling overeenstemmende aanwijzingen had aangevoerd op grond waarvan kon worden geoordeeld dat Khan banden met Alfa Group had onderhouden, doordat hij de activa van dit concern beheerde.(104)
156. Khan lijkt deze conclusie niet te betwisten.(105)
157. Aangezien het Gerecht in het kader van de beoordeling van de gegrondheid van de handelingen van maart 2023 had geoordeeld dat de verwijzing in de motivering naar het feit dat Khan nog steeds activa in Rusland beheerde, ertoe strekte aan te tonen dat hij banden met Alfa Group had onderhouden, is het Gerecht met betrekking tot de motivering van de handelingen van september 2023 nagegaan of die banden nog steeds bestonden, waarbij de beoordeling van de gegrondheid van die handelingen aansluit bij de in punt 154 van de onderhavige conclusie uiteengezette beoordeling. Uit het nieuwe bewijsstuk dat in punt 205 van het bestreden arrest is onderzocht en dat, zoals eerder in herinnering is gebracht, betrekking heeft op de deelname van Khan aan het congres van de Russische Unie van Industriëlen en Ondernemers in maart 2023, blijkt volgens het Gerecht dat deze banden in stand zijn gebleven.
158. Daarmee ben ik van mening dat het Gerecht zich ervan heeft vergewist, zoals het behoorde te doen(106), dat de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de plaatsing van Khan op de lijst hebben geleid, bleven voortbestaan.
159. Het betoog van Khan kan dus niet worden aanvaard.
b) Handelingen van maart 2024 en de grief dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd omdat het Gerecht niet is nagegaan of de motivering dat Khan in Rusland activa bleef beheren, ondersteund werd door bewijzen
1) Ontvankelijkheid
160. Khan verwijt het Gerecht dat het niet is nagegaan of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de handhaving van de tegen hem genomen maatregelen hebben geleid, nog steeds bestonden, hetgeen volgens hem niet-nakoming van de motiveringsplicht oplevert. Een dergelijk verwijt valt onder de bevoegdheid van het Hof in hogere voorziening(107), zodat de onderhavige grief ontvankelijk is.
2) Ten gronde
161. Het Gerecht heeft de gegrondheid van de handelingen van maart 2024 gezamenlijk met de gegrondheid van de handelingen van september 2023 onderzocht. Het heeft namelijk vastgesteld dat „[...] de redenen om verzoekers naam op de litigieuze lijsten te handhaven in casu niet zijn gewijzigd, en er [dus] geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen enerzijds de handelingen van september 2023 en anderzijds de handelingen van maart 2024, aangezien de controle van de gegevens in de motivering en in het bewijs [...] in wezen betrekking heeft op dezelfde feitelijke omstandigheden”.(108)
162. Formeel gezien is in het bestreden arrest uiteengezet waarom het Gerecht de handelingen van september 2023 en maart 2024 gezamenlijk heeft onderzocht. Deze vaststelling blijkt voldoende om de onderhavige grief af te wijzen, aangezien de vraag of de motivering gegrond is, losstaat van de vraag of er sprake is van een motivering dan wel of deze toereikend is.
163. Ook hier is het evenwel mogelijk om het betoog van Khan aldus uit te leggen dat hij het Gerecht verwijt dat het niet is nagegaan of de handhaving van de handelingen van maart 2024 geldig was in het licht van het voortbestaan van de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid.(109)
164. Gezien het korte tijdsbestek tussen de handelingen van september 2023 en de handelingen van maart 2024, ben ik in dit verband van mening dat de conclusies die zijn getrokken uit de analyse van de feiten en van het bewijs voor de handelingen van september 2023 ook van toepassing kunnen zijn op de handelingen van maart 2024, met dien verstande dat Khan de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt kenbaar te maken voordat de handelingen van maart 2024 zijn vastgesteld(110) en dus in de gelegenheid is geweest om elke relevante wijziging in zijn situatie aan te voeren die de handhaving van de handelingen in twijfel kon trekken. Ik stel in dit verband vast dat Khan in het kader van zijn betoog betreffende de onderhavige grief weliswaar betwist dat hij vennootschappen beheert in Rusland, maar niet heeft aangetoond dat hij geen banden meer heeft met deze ondernemingen.
165. De onderhavige grief moet dus ongegrond worden verklaard.
c) Handelingen van september 2024 en de grief dat die handelingen ontoereikend zijn gemotiveerd omdat het Gerecht niet is nagegaan of de motivering dat Khan nog steeds de activa van Alfa Group beheerde, werd ondersteund door bewijzen
1) Ontvankelijkheid
166. Khan verwijt het Gerecht in wezen dat het niet, zoals het wel zijn plicht was, is nagegaan of de handhaving van de plaatsing van zijn naam op de lijst in de handelingen van september 2024, op grond van het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g), berustte op een voldoende actuele en solide feitelijke grondslag. Meer in het bijzonder is het Gerecht de op hem rustende motiveringsplicht niet nagekomen door niet na te gaan of Khan op de datum van die handelingen nog steeds als beheerder van de activa van Alfa Group in Rusland kon worden beschouwd. Bijgevolg is de onderhavige grief ontvankelijk.
2) Ten gronde
167. Ofschoon deze grief ontvankelijk is, lijkt het mij niet dat het Hof die grief inhoudelijk hoeft te behandelen, aangezien het betoog van Khan met betrekking tot de handelingen van september 2024 niet ter zake dienend is.
168. Khan verwijt het Gerecht immers dat het niet is nagegaan of de Raad het bewijs had geleverd dat hij op de datum van vaststelling van de handelingen van september 2024 nog steeds de in Rusland gevestigde activa van Alfa Group beheerde.
169. Zelfs indien het Gerecht dit niet zou hebben gedaan, moet worden vastgesteld dat het Gerecht is nagegaan of andere gronden die in de handelingen van september 2024 waren genoemd, voldoende onderbouwd waren om de handhaving van de plaatsing van Khan op de lijst op basis van het gewijzigde criterium g) op die datum te ondersteunen.
170. Uit punt 217 van het bestreden arrest blijkt namelijk dat het Gerecht „in de eerste plaats” de stelling heeft onderzocht dat Khan de activa van Alfa Group bleef beheren.
171. Hieruit volgt dat het Gerecht „in de tweede plaats” de stelling heeft onderzocht dat Khan een aanzienlijk belang had in Rosvodokanal, en is nagegaan of dit deel van de motivering van de handelingen van september 2024, dat volgens het Gerecht betrekking had op het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g), voldoende was onderbouwd.(111)
172. Na te hebben vastgesteld dat uit het zevende bewijsdossier bleek dat Khan 27,58 % bezat van deze vennootschap, die de grootste particuliere marktdeelnemer is van systemen voor waterzuivering en watervoorziening in Rusland, waarvan het belang en de economische dynamiek ook werden gestaafd door het bewijs van dat dossier, heeft het Gerecht geconcludeerd dat de Raad „een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen [had] voorgelegd die het bewijs leverden dat verzoeker op de datum van de handelingen van september 2024 een vooraanstaand zakenman was die in Rusland actief was in de zin van het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g)”.(112)
173. Khan betwist deze conclusie in hogere voorziening niet.
174. Met betrekking tot de toetsing van de rechtmatigheid van een Uniebesluit tot vaststelling van beperkende maatregelen volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de Unierechter van oordeel is dat ten minste een van de aangehaalde redenen voldoende nauwkeurig en concreet is, gestaafd is en op zich een toereikende grondslag voor dat besluit vormt, de omstandigheid dat andere van die redenen dat niet zijn, er gelet op de preventieve aard van die maatregelen niet toe kan leiden dat dit besluit nietig moet worden verklaard.(113)
175. Aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat de handelingen van september 2024 met betrekking tot de reden die is ontleend aan de hoedanigheid van Khan als belangrijke aandeelhouder van Rosvodokanal rechtens genoegzaam aantoonden dat Khan voldeed aan de twee voorwaarden die worden gesteld in het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g)(114), zou Khan er dus geen enkel voordeel bij hebben indien het Hof zou vaststellen dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen bij het onderzoek van de reden dat rekwirant de in Rusland gevestigde activa van Alfa Group bleef beheren.
176. Aangezien de grief dat het Gerecht bij zijn onderzoek van die reden de motiveringsplicht niet is nagekomen, is gericht tegen ten overvloede geformuleerde overwegingen van het bestreden arrest, kan deze grief niet leiden tot vernietiging van dat arrest en moet die grief dus niet ter zake dienend worden geacht.(115)
4. Conclusie met betrekking tot het tiende middel
177. Uit mijn analyse volgt dat het tiende middel in zijn geheel moet worden afgewezen.
IV. Conclusie
178. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging het zesde, het zevende en het tiende middel van de onderhavige hogere voorziening af te wijzen.
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 Arrest van 26 maart 2026 (C‑696/23 P, C‑704/23 P, C‑711/23 P, C‑35/24 P en C‑111/24 P, EU:C:2026:245; hierna: „arrest Pumpyanskiy e.a./Raad”).
3 Arrest van 4 juni 2025, Khan/Raad (T‑289/23, EU:T:2025:560; hierna: „bestreden arrest”).
4 Zie punt 5 van de onderhavige conclusie voor de verwijzingen naar de aldus aangeduide handelingen.
5 Voor de verwijzingen naar de handelingen die ten grondslag liggen aan de plaatsing van Khan op de lijst op basis van het gewijzigde criterium g) (te weten de handelingen van september 2023, maart 2024 en september 2024), zie punt 5 van de onderhavige conclusie.
6 Zie punt 10 van de onderhavige conclusie.
7 Besluit van de Raad van 13 maart 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 134).
8 Uitvoeringsverordening van de Raad van 13 maart 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 1).
9 Besluit van de Raad van 13 september 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 104).
10 Uitvoeringsverordening van de Raad van 13 september 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 3).
11 Besluit van de Raad van 12 maart 2024 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L, 2024/847).
12 Uitvoeringsverordening van de Raad van 12 maart 2024 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L, 2024/849).
13 Besluit van de Raad van 12 september 2024 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L, 2024/2456).
14 Uitvoeringsverordening van de Raad van 12 september 2024 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L, 2024/2455).
15 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad.
16 Besluit van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16).
17 Besluit van de Raad van 25 februari 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 50, blz. 1).
18 Wat voor de verdere analyse als het „oorspronkelijke criterium g)” zal worden aangeduid, en als volgt is verwoord:
„Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van:
[...]
g) vooraanstaande zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne, [...] worden bevroren.”
19 Bij verordening (EU) 2023/1089 van de Raad van 5 juni 2023 tot wijziging van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 146, blz. 1), is verordening nr. 269/2014 gewijzigd. In het vervolg van mijn analyse zal ik dan verwijzen naar het „gewijzigde criterium g)”.
20 Wat betreft de onderverdeling van het gewijzigde criterium g) in drie afzonderlijke onderdelen, zie punt 31 van de onderhavige conclusie.
21 Aangezien deze reden wordt ingeleid met het nevenschikkend voegwoord „of”.
22 Hoewel de uitlegging van dit derde onderdeel niet ter discussie is gesteld in het kader van de onderhavige verwijzing, vraag ik mij af wat de toegevoegde waarde ervan is. Indien dit onderdeel letterlijk wordt uitgelegd, zou het ontbreken van het bijvoeglijk naamwoord „vooraanstaande” namelijk de indruk wekken dat dit derde onderdeel aldus moet worden gelezen dat alle zakenlieden die in Rusland actief zijn in een sector die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormt, kunnen worden onderworpen aan beperkende maatregelen. Indien dit derde onderdeel daarentegen moet worden gelezen in het licht van overweging 4 van besluit (GBVB) 2023/1094 van de Raad van 5 juni 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 146, blz. 20), waaruit blijkt dat het in werkelijkheid betrekking heeft op vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland in een sector die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormt, zou dit onderdeel overbodig zijn, aangezien die categorie reeds onder de ruime bewoordingen van het eerste onderdeel valt.
23 Khan verwijst hier naar het arrest van 10 juli 2024, Rashevsky/Raad (T‑309/22 en T‑739/22, EU:T:2024:455, punt 82).
24 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punten 173 en 174).
25 Arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 175).
26 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 176).
27 Arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 177).
28 Arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 178).
29 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 181).
30 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 184).
31 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 179).
32 Arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 180).
33 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Alleen in het kader van het derde onderdeel van het gewijzigde criterium g), wordt een verband vereist tussen zakenlieden – van wie niet meer uitdrukkelijk wordt vermeld dat zij vooraanstaand moet zijn – en een sector die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormt.
35 Zoals advocaat-generaal Medina reeds heeft opgemerkt [zie haar conclusie in de zaak Pumpyanskiy/Raad (C‑696/23 P, EU:C:2025:409, punt 31)].
36 Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Medina in de zaak Pumpyanskiy/Raad (C‑696/23 P, EU:C:2025:409, punt 32).
37 Zoals in de regel door het Hof wordt erkend: zie arrest van 18 juni 2026, Belaruskali e.a./Raad (C‑816/24 P–C‑818/24 P, EU:C:2026:500, punten 158 en 159 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 „Gezien die onderlinge afhankelijkheidsrelatie tussen vooraanstaande zakenlieden en de regering van de Russische Federatie is de Raad van oordeel dat de aanwijzingscriteria ook moeten gelden voor vooraanstaande zakenlieden uit om het even welke economische sector van Rusland” (zie overweging 4 van besluit 2023/1094).
39 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punten 117‑121).
40 Het Hof heeft aan deze opsomming toegevoegd: „of enig ander relevant economisch criterium”. Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 178).
41 Ik herinner er namelijk aan dat het deel van het bestreden arrest waartegen in het kader van het onderhavige middel wordt opgekomen, betrekking heeft op de analyse door het Gerecht van de gestelde onrechtmatigheid van het gewijzigde criterium g) wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Khan beoogt met zijn gehele betoog aan te tonen dat het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) onjuist is uitgelegd. Zelfs indien het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) anders zou moeten worden uitgelegd dan het Gerecht heeft gedaan, zou daaruit evenwel niet noodzakelijkerwijs volgen dat het eerste onderdeel van het gewijzigde criterium g) niet voldoet aan de eisen van het rechtszekerheidsbeginsel, zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in zijn arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 188 en aldaar aangehaalde rechtspraak), aangezien het rechtszekerheidsbeginsel niet kan worden geschonden louter op grond dat de Unierechter andere uitleggingsmethoden moet gebruiken dan de letterlijke uitlegging om uitsluitsel te geven over de betekenis van een Unierechtelijke norm van algemene strekking [zie in die zin het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 189)].
42 Zie punt 37 van de onderhavige conclusie.
43 Zie de punten 66‑72 van het bestreden arrest.
44 Arrest van 13 maart 2012 (C‑376/10 P, EU:C:2012:138).
45 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punten 265 e.v.).
46 Dat wil zeggen het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad.
47 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punten 273 en 274).
48 Cursivering van mij.
49 Arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 275).
50 Arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 276). Cursivering van mij.
51 Zie onder meer het arrest van 3 juli 2025, Glonatech/REA (C‑114/24 P, EU:C:2025:520, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 210 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punten 289 -292).
53 Met dien verstande dat het verschil in formulering tussen het oorspronkelijke criterium g) en het gewijzigde criterium g) niet kan afdoen aan deze conclusie en dat de drie onderdelen van het gewijzigde criterium g) mijns inziens een dergelijke band vertonen, zoals artikel 215, lid 2, VWEU vereist.
54 Verzoeker verwijst hier naar het arrest van 8 november 2023, Mazepin/Raad (T‑282/22, EU:T:2023:701, punt 80).
55 Rekwirant baseert zich hier respectievelijk op de punten 155 e.v. van zijn verzoekschrift voor het Gerecht en op de punten 124 e.v. van zijn memorie van repliek voor het Gerecht.
56 Zie punt 166 van het bestreden arrest.
57 Zie punt 189 van het bestreden arrest.
58 Arrest van 29 november 2023 (T‑333/22, EU:T:2023:758).
59 Zie punt 189 van het bestreden arrest, waarin wordt verwezen naar bewijsstuk nr. 2 van het eerste bewijsdossier, alsmede naar punt 97 van het arrest van 29 november 2023, Khan/Raad (T‑333/22, EU:T:2023:758).
60 Zie punt 190 van het bestreden arrest.
61 In herinnering gebracht in de punten 157 e.v. van het bestreden arrest.
62 Zie punt 190 van het bestreden arrest.
63 Zie uit de overvloedige rechtspraak ter zake het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Zie uit de overvloedige rechtspraak ter zake het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 378 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en het arrest van7 mei 2026, Makhlouf/Raad (C‑635/24 P, EU:C:2026:377, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Weergegeven in punt 9 van de onderhavige conclusie.
66 Arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 382). Cursivering van mij.
67 Zie ook punt 80 van het arrest van 8 november 2023, Mazepin/Raad (T‑282/22, EU:T:2023:701), aangehaald door Khan in punt 38 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
68 Zie punt 43 van de onderhavige conclusie.
69 Dit blijkt uit punt 106 van het arrest van 29 november 2023, Khan/Raad (T‑333/22, EU:T:2023:758), waarnaar in punt 189 van het bestreden arrest wordt verwezen.
70 Zoals uitdrukkelijk blijkt uit punt 189 van het bestreden arrest.
71 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 379).
72 In het Engels in de tekst: „The table shows a list of Russia’s largest taxpayers who made the largest tax contribution to the country’s budget over the past year ”: zie bewijsstuk met als opschrift „Evidence 2” in bijlage A3 bij het verzoekschrift in zaak T‑289/23 waarin bewijsstuk nr. 2 van het eerste bewijsdossier wordt weergegeven.
73 Dat wil zeggen: niet te verwaarlozen of aanzienlijk; zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 135).
74 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 356). Zie ook punt 140 van dat arrest.
75 Zie punt 95 van de onderhavige conclusie.
76 Zie uit de overvloedige rechtspraak ter zake het arrest van 26 juni 2025, Stadtwerke Hameln Weserbergland/Commissie (C‑466/23 P, EU:C:2025:480, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77 Zie punt 96 van de onderhavige conclusie.
78 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 138).
79 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 140).
80 Uit het verzoekschrift in hogere voorziening blijkt dat, hoewel de stelling dat het bewijs niet actueel is op het eerste gezicht in algemene zin bedoeld lijkt, Khan enkel de gegevens betreffende het jaarinkomen van de banksector aan de orde stelt. Ik vat deze grief dan ook aldus op dat daarmee enkel wordt betwist dat bewijsstuk nr. 28 van het tweede bewijsdossier voldoende actueel is.
81 Khan heeft in zijn stukken voor het Gerecht enkel gesteld dat bewijsstuk nr. 28 „niet ter zake dienend” was (zie punt 146 van het verzoekschrift voor het Gerecht).
82 Zie arrest van 16 april 2026, Colombani/EDEO (Passief of collectief geweld) (C‑343/23 P, EU:C:2026:294, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83 Zie beschikking van 3 februari 2009, Giannini/Commissie (C‑231/08 P, EU:C:2009:50, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84 Zie punt 85 van de onderhavige conclusie.
85 Weergegeven op de bladzijden 111 en 112 van deel 2 van de bijlagen bij het verzoekschrift van Khan voor het Gerecht.
86 Arrest van 13 maart 2025, Shuvalov/Raad (C‑271/24 P, EU:C:2025:180, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87 Zie mijn conclusie in de gevoegde zaken Letland/Aven en Fridman (C‑440/24 P en C‑441/24 P, EU:C:2025:854, punt 114).
88 Te weten ABH Financial Limited, en via haar, Alfa Bank en LetterOne.
89 Zie punt 196 van het bestreden arrest.
90 Zie in die zin arrest van 13 maart 2025, PKK/Raad (C‑72/23 P, EU:C:2025:182, punt 106).
91 Zie arrest van 9 februari 2023, Boshab/Raad (C‑708/21 P, EU:C:2023:84, punt 56). Zie ook de in punt 162 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak van het Gerecht.
92 Zie de in punt 159 van het bestreden arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, die haar oorsprong vindt in de rechtspraak van het Hof [zie arrest van 11 juni 2026, NSD/Raad (C‑801/24 P, EU:C:2026:472, punt 89)].
93 Zie arrest van 13 maart 2025, Shuvalov/Raad (C‑271/24 P, EU:C:2025:180, punt 40).
94 Zie arrest van 13 maart 2025, Shuvalov/Raad (C‑271/24 P, EU:C:2025:180, punt 40).
95 Zie ook punt 206 van het bestreden arrest.
96 Zie punt 66 van de hogere voorziening.
97 Zie arrest van 6 oktober 2021, Sigma Alimentos Exterior/Commissie (C‑50/19 P, EU:C:2021:792, punten 38 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98 Zoals in punt 99 van de onderhavige conclusie in herinnering is gebracht.
99 Zie uit de overvloedige rechtspraak ter zake het arrest van 26 juni 2025, Stadtwerke Hameln Weserbergland/Commissie (C‑466/23 P, EU:C:2025:480, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100 Zie punt 204 van het bestreden arrest.
101 Zie punt 176 van het bestreden arrest.
102 Zie punt 177 van het bestreden arrest.
103 Punt 179 van het bestreden arrest.
104 Zie punt 180 van het bestreden arrest. Zie ook punt 191 van dat arrest.
105 In het kader van het negende middel van de onderhavige hogere voorziening lijkt rekwirant enkel punt 177 van het bestreden arrest te betwisten.
106 Overeenkomstig de in punt 136 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak.
107 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 392 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
108 Punt 196 van het bestreden arrest.
109 Zie arrest van 11 juni 2026, NSD/Raad (C‑801/24 P, EU:C:2026:472, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
110 Zoals blijkt uit de punten 26 e.v. van het bestreden arrest.
111 Zie de punten 223 e.v. van het bestreden arrest.
112 Zie punt 228 van het bestreden arrest. Zie ook punt 226 van dat arrest.
113 Zie het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 430 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook punt 192 van het bestreden arrest.
114 Zoals in punt 227 van het bestreden arrest in herinnering is gebracht.
115 Zie in die zin het arrest Pumpyanskiy e.a./Raad (punt 240).