<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.00-20081231.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="ECRCJ2006NLA.0300223901.case.xml"><NO.CASE>C-65/04</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62004C0065</NO.CELEX><NO.SEQ>0003.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>2241</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>2251</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>11</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><LEFT>CONCLUSIE VAN ADV.-GEN. GEELHOED — ZAAK C-65/04</LEFT><RIGHT>COMMISSIE / VERENIGD KONINKRIĮK</RIGHT></CURR.TITLE><CONTENTS.CONCLUSION><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">L. A. Geelhoed</HT></P><P>van <DATE ISO="20051201">1 december 2005</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Oorspronkelijke taal: Engels.</P></NOTE></P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>I —</NO.P><TXT>Inleiding</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>In het thans voorliggende beroep, dat is ingesteld op grond van artikel 141 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>EGA-Verdrag<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/> of <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>EA<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>), verzoekt de Commissie om vaststelling dat het Verenigd Koninkrijk, door de bevolking van Gibraltar niet vooraf te informeren over de ter bescherming van de gezondheid te nemen maatregelen in geval van stralingsgevaar in verband met een in de haven van Gibraltar voor anker liggende kernonderzeeër van de Britse marine, zijn verplichtingen ingevolge artikel 5, lid 3, van richtlijn 89/618/Euratom (hierna: <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>richtlijn 89/618<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>)<NOTE NOTE.ID="E0002" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Richtlijn 89/618/Eunitam van de Raad van <DATE ISO="19891127">27 november 1989</DATE> betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="357" DATE.PUB="1989" PAGE.FIRST="31">PB 1. 357, bit 31</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> niet is nagekomen.</TXT></NP><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>De vraag waar het in dit geval om gaat is eenvoudigweg of de zaak moet worden beslist volgens de beginselen die onlangs door het Hof zijn geformuleerd in zaak C-61/03, Commissie/Verenigd Koninkrijk.<NOTE NOTE.ID="E0003" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P><REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-61/03" YEAR="2005" PAGE.ECR="I-2477">C-61/03, Jurispr. blz. I-2477</REF.DOC.ECR>.</P></NOTE> In die zaak verwierp het Hof het betoog van de Commissie dat het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen op grond van artikel 37 EA niet was nagekomen door haar niet de algemene gegevens te verstrekken betreffende een plan voor de verwijdering van radioactief afval afkomstig van een kernreactor die was gebruikt voor militaire doeleinden. De kern van de redenering van het Hof was dat <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>[...] uit het ontbreken in dit verdrag van uitzonderingen waarbij de modaliteiten worden vastgesteld volgens welke de lidstaten [hun wezenlijke nationale defensiebelangen] mogen aanvoeren en beschermen, [kan] worden afgeleid dat de activiteiten op militair gebied buiten de werkingssfeer van dit verdrag vallen<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>De vraag is nu dus: laat deze beoordeling ruimte over om in het onderhavige geval anders te beslissen?</TXT></NP></GR.SEQ><?PAGE NO="I-2242"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>II —</NO.P><TXT>Het wettelijk kader</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>Artikel 30 EA, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 3 van titel II van het EGA-Verdrag, getiteld <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>Bescherming van de gezondheid<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/>, bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>Voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren worden binnen de Gemeenschap basisnormen vastgesteld.<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>5.</NO.P><TXT>Artikel 31 EA bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201E"/>[...] Na raadpleging van het Europees Parlement stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de basisnormen vast op voorstel van de Commissie, die hem de adviezen doorgeeft welke zij bij de comités heeft ingewonnen.<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P><P>Dit artikel vormde de rechtsgrondslag van richtlijn 89/618, díe als doel had <QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201E"/>op het niveau van de Gemeenschap gemeenschappelijke doelstellingen te bepalen betreffende de maatregelen en procedures ter informatie van de bevolking die tot doel hebben de operationele bescherming van de volksgezondheid bij stralingsgevaar te verbeteren<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0004" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Richtlijn 89/618, artikel 1.</P></NOTE></P></NP><NP><NO.P>6.</NO.P><TXT>Daartoe verplicht de richtlijn de lidstaten tot drie categorieën van informatievoorziening: ten eerste informatie die vóór het optreden van stralingsgevaar moet worden verstrekt aan de bevolking die daardoor kan worden getroffen (artikel 5); ten tweede informatie die bij het optreden van stralingsgevaar moet worden verstrekt aan de bevolking die daardoor wordt getroffen (artikel 6); en ten derde informatie die moet worden verstrekt aan personen die betrokken kunnen worden bij de organisatie van de hulpverlening bij stralingsgevaar (artikel 7).</TXT></NP><NP><NO.P>7.</NO.P><TXT>Ten aanzien van de eerste categorie bepaalt artikel 5 van richtlijn 89/618:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><NP><NO.P><QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>1.</NO.P><TXT>De lidstaten zien erop toe dat de bevolking die kan worden getroffen in geval van stralingsgevaar<NOTE NOTE.ID="E0005" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>De term <QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201E"/>stralingsgevaar<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="201D"/> wordt gedefinieerd in de artikelen 2 en 3 van richtlijn 89/618.</P></NOTE>, wordt geïnformeerd over de maatregelen ter bescherming van de gezondheid die op haar van toepassing zullen zijn, alsmede over de te volgen gedragslijn bij stralingsgevaar.</TXT></NP><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>De verstrekte informatie heeft ten minste betrekking op de in bijlage I vermelde punten.</TXT></NP><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>Deze informatie wordt aan de in lid 1 vermelde bevolking verstrekt zonder dat die daarom hoeft te vragen.</TXT></NP><?PAGE NO="I-2243"?><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>De lidstaten werken de informatie bij en verstrekken die op gezette tijden en daarnaast wanneer in de beschreven maatregelen significante wijzigingen worden aangebracht. Deze informatie is permanent toegankelijk voor het publiek.<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/></TXT></NP></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>8.</NO.P><TXT>Artikel 4 van richtlijn 89/618 definieert de <QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201E"/>bevolking die kan worden getroffen in geval van stralingsgevaar<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="201D"/> als <QUOT.START ID="QS0012" REF.END="QE0012" CODE="201E"/>elke bevolkingsgroep waarvoor, zodra zich stralingsgevaar voordoet, specifieke beschermingsmaatregelen worden getroffen<QUOT.END ID="QE0012" REF.START="QS0012" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>9.</NO.P><TXT>Bijlage I bij richtlijn 89/618 definieert de informatie vooraf die ingevolge artikel 5 dient te worden verstrekt als: 1) basiskennis over radioactiviteit en effecten daarvan op mens en milieu; 2) de verschillende in aanmerking genomen gevallen van stralingsgevaar en hun gevolgen voor bevolking en milieu; 3) voorgeschreven noodmaatregelen om de bevolking bij stralingsgevaar te alarmeren, te beschermen en haar hulp te bieden, en 4) passende informatie over de gedragslijn die de bevolking bij stralingsgevaar zou moeten volgen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>III —</NO.P><TXT>De feiten en het procesverloop</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>10.</NO.P><TXT>In mei 2000 is de kernonderzeeër van de Britse marine HMS Tireless in Gibraltar binnengelopen voor reparatie, nadat op de Middellandse Zee lichte averij aan zijn aandrijfreactor was ontstaan. De reparatiewerkzaamheden hebben geduurd tot mei 2001. In de loop van het jaar 2000 kwamen bij de Commissie zes klachten binnen in verband met de reparatiewerkzaamheden, die haar aanleiding gaven de regering van het Verenigd Koninkrijk te verzoeken om haar te informeren met betrekking tot de werkzaamheden en tot de informatie die aan het publiek werd verstrekt over de ter bescherming van de gezondheid te nemen maatregelen in geval van stralingsgevaar.</TXT></NP><NP><NO.P>11.</NO.P><TXT>De regering van het Verenigd Koninkrijk antwoordde op dit verzoek dat het EGA-Verdrag volgens haar alleen van toepassing was op civiel en commercieel en niet op militair gebruik van kernenergie. Bovendien was een interventieplan voor Gibraltar, het Gibraltar Public Safety Scheme (<QUOT.START ID="QS0013" REF.END="QE0013" CODE="201E"/>GIBPUBSAFE<QUOT.END ID="QE0013" REF.START="QS0013" CODE="201D"/>), dat achtergrondinformatie en advies bevat over de door het Britse Ministerie van Defensie en de regeringsautoriteiten van Gibraltar te ondernemen actie bij een ongeval met een oorlogsschip met kernaandrijving, vrij toegankelijk in de openbare bibliotheek van Gibraltar.</TXT></NP><NP><NO.P>12.</NO.P><TXT>Daar de Commissie meende dat GIBPUBSAFE niet conform richtlijn 89/618 was,<?PAGE NO="I-2244"?> zond zij een aanmaning en vervolgens een met redenen omkleed advies, en stelde zij ten slotte het onderhavige beroep in.</TXT></NP><NP><NO.P>13.</NO.P><TXT>Schriftelijke opmerkingen in deze zaak zijn ingediend door de Commissie, het Verenigd Koninkrijk en, in interventie aan de zijde van het Verenigd Koninkrijk, de Franse Republiek. Het Verenigd Koninkrijk heeft verzocht om voeging met zaak C-61/03 op grond dat de vraag of het EGA-Verdrag van toepassing is op het gebruik van kernenergie voor defensiedoeleinden, in beide zaken aan de orde was. Ofschoon de Commissie akkoord ging met dit verzoek, is voeging uiteindelijk geweigerd omdat de zaken in verschillende fasen van de procedure verkeerden. In zaak C-61/03 is arrest gewezen op <DATE ISO="20050412">12 april 2005</DATE>. In de onderhavige zaak heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op <DATE ISO="20051013">13 oktober 2005</DATE>, waar door alle partijen opmerkingen zijn gemaakt.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>IV —</NO.P><TXT>Argumenten van partijen</TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>A —</NO.P><TXT>De Commissie</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>14.</NO.P><TXT>In haar schriftelijke opmerkingen baseert de Commissie haar betoog erop dat titel II, hoofdstuk 3, van het EGA-Verdrag, waarvan artikel 31 EA deel uitmaakt, van toepassing is op alle bronnen van ioniserende straling, ook die afkomstig van militaire activiteiten. De Commissie erkent dat dezelfde kwestie aan de orde was in zaak C-61/03 en herhaalt enkele van de door haar in die zaak gemaakte opmerkingen. In het bijzonder benadrukt zij dat de Gemeenschap niet in staat zou zijn, de doelstellingen van het EGA-Verdrag volledig en doeltreffend te verwezenlijken wanneer de bepalingen van dit verdrag betreffende gezondheidsbescherming niet zouden gelden voor alle bronnen van ioniserende straling, ook die afkomstig van militaire activiteiten.<NOTE NOTE.ID="E0006" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>De Commissie verwijst evenals in haar opmerkingen in zaak C-61/03 tevens naar de uitspraak van het Hof in het arrest van <DATE ISO="19911004">4 oktober 1991</DATE>, Parlement/Raad (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-70/88" YEAR="1991" PAGE.ECR="I-4529">C-70/88, Jurispr. blz. I-4529, punt 14</REF.DOC.ECR>), inzake de noodzaak van een coherente en doeltreffende bescherming van de gezondheid van de bevolking tegen de gevaren van ioniserende straling, <QUOT.START ID="QS0014" REF.END="QE0014" CODE="201E"/>ongeacht de bron van die straling<QUOT.END ID="QE0014" REF.START="QS0014" CODE="201D"/>, alsmede naar de historische context van het EGA-Verdrag, dat is gesloten in een tijd waarin kernenergie hoofdzakelijk voor militaire doeleinden werd gebruikt.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>15.</NO.P><TXT>In haar mondelinge opmerkingen echter betrekt de Commissie de uitspraak van het Hof in zaak C-61/03 dat activiteiten op militair gebied buiten de werkingssfeer van dit verdrag vallen. Zij is evenwel van mening dat die uitspraak een ander geval betreft. Het onderhavige geval kan niet worden aangemerkt als liggend <QUOT.START ID="QS0015" REF.END="QE0015" CODE="201E"/>op militair gebied<QUOT.END ID="QE0015" REF.START="QS0015" CODE="201D"/>, daar de ingevolge artikel 5, lid 3, van richtlijn 89/618 te verstrekken informatie eenvoudigweg algemene door het publiek bij stralingsgevaar<?PAGE NO="I-2245"?> te nemen maatregelen ter bescherming van de gezondheid betreft, zonder dat de (militaire) bron van de straling wordt genoemd. Volgens de Commissie is dit een kwestie van bescherming van de burgerbevolking, niet van nationale defensie. Verstrekking van dergelijke informatie aan het publiek kan de militaire belangen van de lidstaten op geen enkele manier schaden.</TXT></NP><NP><NO.P>16.</NO.P><TXT>Op deze gronden stelt de Commissie dat het feit dat het Verenigd Koninklijk geen informatie vooraf heeft verschaft aan het publiek dat bij stralingsgevaar op Gibraltar daardoor kan worden getroffen, in strijd is met artikel 5, lid 3, van richtlijn 89/816. In dit verband is de Commissie van mening dat het enkele feit dat een rampenplan als GIBPUBSAFE in de openbare bibliotheek van Gibraltar <QUOT.START ID="QS0016" REF.END="QE0016" CODE="201E"/>op aanvraag<QUOT.END ID="QE0016" REF.START="QS0016" CODE="201D"/> vrij toegankelijk is, onvoldoende is: artikel 5, lid 3, vereist dat de informatie door het Verenigd Koninkrijk actief onder het publiek wordt verspreid. Voorts zou de belangrijkste doelstelling van de richtlijn — bescherming van het publiek dat bij stralingsgevaar daardoor kan worden getroffen — niet doeltreffend worden verwezenlijkt wanneer straling afkomstig van militaire bronnen zou zijn uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>B —</NO.P><TXT>Het Verenigd Koninkrijk en de Franse Republiek</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>17.</NO.P><TXT>Het Verenigd Koninkrijk stelt dat de uitkomst van de onderhavige zaak voortvloeit uit de uitspraak van het Hof in zaak C-61/03 dat het EG A-Verdrag, met inbegrip van titel II, hoofdstuk 3, niet van toepassing is op straling als gevolg van het gebruik van kernenergie voor militaire doeleinden. Het Verenigd Koninkrijk herhaalt in dit verband zijn in die zaak naar voren gebrachte argumenten en benadrukt dat er in het EGA-Verdrag geen met artikel 296 EG vergelijkbare algemene vrijstelling of uitzondering voor de militaire belangen van de lidstaten is opgenomen. Naar de mening van het Verenigd Koninkrijk is er geen reden om onderscheid te maken tussen de werkingssfeer van artikel 37 EA, dat in zaak C-61/03 aan de orde was, en die van artikel 31 EA, waar het in de onderhavige zaak om gaat. Het Verenigd Koninkrijk benadrukt dat richtlijn 89/618, als afgeleide wetgeving, moet worden geacht dezelfde werkingssfeer te hebben als titel II, hoofdstuk 3, van het EGA-Verdrag. Als veiligheidsplan dat uitsluitend betrekking heeft op mogelijke incidenten op oorlogsschepen met kernaandrijving en dat is opgesteld door het Britse Ministerie van Defensie, valt GIBPUBSAFE dus buiten de verplichtingen die door richtlijn 89/618 worden gesteld.</TXT></NP><NP><NO.P>18.</NO.P><TXT>De Franse Republiek blijft bij het standpunt dat zij in zaak C-61/03 heeft ingenomen ter ondersteuning van het Verenigd Koninkrijk, en betoogt dat het oordeel van het Hof in die zaak dat activiteiten op militair gebied buiten het EGA-Verdrag vallen, tevens geldt voor het onderhavige geval.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="I-2246"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>V —</NO.P><TXT>Analyse</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>19.</NO.P><TXT>Zoals uit het voorgaande blijkt, draait deze zaak om de reikwijdte van het arrest in zaak C-61/03, in het bijzonder de vraag of dit arrest ruimte over laat voor een verplichting ingevolge richtlijn 89/618 om het publiek dat bij stralingsgevaar in verband met een oorlogsschip met kernaandrijving daardoor kan worden getroffen, te informeren over de ter bescherming van de gezondheid te nemen maatregelen en de alsdan te volgen gedragslijn. Voor de beantwoording van deze vraag moeten uiteraard om te beginnen de bewoordingen en de redenering van het arrest nauwkeurig worden bezien.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>A —</NO.P><TXT>Het arrest in zaak C-61/03</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>20.</NO.P><TXT>Zoals hiervóór is uiteengezet, had de Commissie in die zaak vaststelling gevorderd dat het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen op grond van artikel 37 EA niet was nagekomen door haar niet de algemene gegevens te verstrekken betreffende een plan voor de verwijdering van radioactief afval afkomstig van de ontmanteling van een kernreactor die was gebruikt voor militaire doeleinden (de Jason-reactor in het Royal Naval College, Greenwich).</TXT></NP><NP><NO.P>21.</NO.P><TXT>Bij zijn afwijzing van de vordering van de Commissie heeft het Hof om te beginnen afgebakend wat naar zijn oordeel het onderwerp van die zaak was. Het benadrukte dat, hoewel enkele argumenten van de Commissie wel waren gebaseerd op de specifieke doelstellingen inzake gezondheidsbescherming van titel II, hoofdstuk 3, van het EGA-Verdrag, waarvan artikel 37 EA deel uitmaakt, de Commissie <QUOT.START ID="QS0017" REF.END="QE0017" CODE="201E"/>niet heeft gepreciseerd dat aan de bepalingen van dat hoofdstuk een andere werkingssfeer dan die van het Verdrag als geheel kan worden toegekend<QUOT.END ID="QE0017" REF.START="QS0017" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0007" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, aangehaald in voetnoot 3, punt 24.</P></NOTE> Het Hof meende evenwel dat de vraag ruimer moest worden geformuleerd, namelijk of het gebruik van kernenergie voor militaire doeleinden binnen de werkingssfeer van het EGA-Verdrag als geheel kan vallen.<NOTE NOTE.ID="E0008" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid., punt 25.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>22.</NO.P><TXT>In dit verband merkte het Hof op dat er geen uitdrukkelijke bepaling was waarbij defensieactiviteiten van deze werkingssfeer werden uitgesloten.<NOTE NOTE.ID="E0009" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid., punt 28.</P></NOTE> Niettemin concludeerde het vervolgens dat activiteiten op militair gebied buiten de werkingssfeer van het EGA-Verdrag vallen, en wel op grond van drie groepen argumenten.</TXT></NP><?PAGE NO="I-2247"?><NP><NO.P>23.</NO.P><TXT>Ten eerste overwoog het Hof de relevantie van de preambule en de doelstellingen van het EGA-Verdrag, zoals neergelegd in de artikelen 1 EA et 2 EA, en concludeerde het dat de ondertekenaars van het Verdrag <QUOT.START ID="QS0018" REF.END="QE0018" CODE="201E"/>de nadruk [hebben] willen leggen op het nietmilitaire karakter van het Verdrag<QUOT.END ID="QE0018" REF.START="QS0018" CODE="201D"/> en dat <QUOT.START ID="QS0019" REF.END="QE0019" CODE="201E"/>de door het Verdrag nagestreefde doelstellingen voornamelijk van civiele en commerciële aard zijn<QUOT.END ID="QE0019" REF.START="QS0019" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0010" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid., punt 26 resp. punt 27.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>24.</NO.P><TXT>Ten tweede bezag het Hof de relevantie van de historische context waarin het Verdrag was opgesteld en concludeerde het dat deze aanwijzingen <QUOT.START ID="QS0020" REF.END="QE0020" CODE="201E"/>niet [volstaan] voor de stelling dat de auteurs van het Verdrag de bedoeling hadden de bepalingen daarvan voor de militaire installaties en militaire toepassingen van kernenergie te laten gelden<QUOT.END ID="QE0020" REF.START="QS0020" CODE="201D"/>, daar door de vertegenwoordigers van de staten die aan de onderhandelingen hadden deelgenomen, was besloten deze vraag <QUOT.START ID="QS0021" REF.END="QE0021" CODE="201E"/>open te laten<QUOT.END ID="QE0021" REF.START="QS0021" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0011" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid., punt 29.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>25.</NO.P><TXT>Ten derde benadrukte het Hof dat verschillende bepalingen van het EGA-Verdrag de Commissie <QUOT.START ID="QS0022" REF.END="QE0022" CODE="201E"/>aanzienlijke bevoegdheden verlenen, waardoor zij door middel van een regeling of in de vorm van een advies met individuele beschikkingen actief kan ingrijpen op verschillende gebieden van de activiteiten die in de Gemeenschap betrekking hebben op het gebruik van kernenergie<QUOT.END ID="QE0022" REF.START="QS0022" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0012" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid., punt 35.</P></NOTE> Het Hof noemde hier met name de bepalingen van titel II, hoofdstuk 3, van het EGA-Verdrag (zij het niet met zoveel woorden artikel 31 EA). Daar de toepassing van die bepalingen op de installaties, de onderzoekprogramma's en de andere militaire activiteiten <QUOT.START ID="QS0023" REF.END="QE0023" CODE="201E"/>van dien aard kan zijn dat wezenlijke nationale defensiebelangen van de lidstaten in gevaar worden gebracht<QUOT.END ID="QE0023" REF.START="QS0023" CODE="201D"/>, kan uit het ontbreken in dit verdrag van uitzonderingen waarbij de modaliteiten worden vastgesteld volgens welke de lidstaten die wezenlijke belangen mogen aanvoeren en beschermen <QUOT.START ID="QS0024" REF.END="QE0024" CODE="201E"/>worden afgeleid dat de activiteiten op militair gebied buiten de werkingssfeer van dit verdrag vallen<QUOT.END ID="QE0024" REF.START="QS0024" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0013" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid., punt 36.</P></NOTE> Met andere woorden, <QUOT.START ID="QS0025" REF.END="QE0025" CODE="201E"/>het Verdrag [is] niet van toepassing [...] op het gebruik van kernenergie voor militaire doeleinden<QUOT.END ID="QE0025" REF.START="QS0025" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0014" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid., punt 44.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>26.</NO.P><TXT>Het Hof zwakte deze algemene conclusie af met de opmerking dat dit <QUOT.START ID="QS0026" REF.END="QE0026" CODE="201E"/>niets afdoet aan het vitale belang van de doelstelling om de gezondheid van de bevolking en het milieu te beschermen tegen de gevaren die zijn verbonden aan het gebruik van kernenergie, ook voor militaire doeleinden<QUOT.END ID="QE0026" REF.START="QS0026" CODE="201D"/>, daar voorzover dat verdrag de Gemeenschap geen specifiek instrument voor het nastreven van die doelstelling verschaft, <QUOT.START ID="QS0027" REF.END="QE0027" CODE="201E"/>niet [kan] worden uitgesloten dat op grond van de relevante bepalingen van het EG-Verdrag passende maatregelen kunnen worden getroffen<QUOT.END ID="QE0027" REF.START="QS0027" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0015" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid.</P></NOTE></TXT></NP></GR.SEQ><?PAGE NO="I-2248"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>B —</NO.P><TXT>Is het arrest in zaak C-61/03 te onderscheiden van het onderhavige geval?</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>27.</NO.P><TXT>Om te beginnen is de kemenergiebron waar het in casu om gaat, een kernonderzeeër van de Britse marine, ontegenzeglijk van militaire aard. Dit is nog duidelijker dan het geval was in zaak C-61/03, die betrekking had op radioactief afval van een ontmantelde kernreactor die niet meer voor militaire doeleinden werd gebruikt.</TXT></NP><NP><NO.P>28.</NO.P><TXT>Vervolgens merk ik op dat de uitspraken in het arrest waarbij militair gebruik van kernenergie wordt uitgesloten van de werkingssfeer van het EGA-Verdrag, op het eerste gezicht in ruime en ondubbelzinnige termen zijn gesteld. De conclusie van het Hof in punt 44 van het arrest dat <QUOT.START ID="QS0028" REF.END="QE0028" CODE="201E"/>het Verdrag niet van toepassing is op het gebruik van kernenergie voor militaire doeleinden<QUOT.END ID="QE0028" REF.START="QS0028" CODE="201D"/>, is prima facie categorisch en absoluut.<NOTE NOTE.ID="E0016" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Hoewel in het arrest verschillende formuleringen worden gehanteerd voor dit begrip — <QUOT.START ID="QS0029" REF.END="QE0029" CODE="201E"/>het militaire gebruik van kernenergie<QUOT.END ID="QE0029" REF.START="QS0029" CODE="201D"/> (punt 25); <QUOT.START ID="QS0030" REF.END="QE0030" CODE="201E"/>activiteiten op militair gebied<QUOT.END ID="QE0030" REF.START="QS0030" CODE="201D"/> (punt 36) — is er in de praktijk mijns inziens geen relevant verschil tussen deze formuleringen.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>29.</NO.P><TXT>De enige vraag die kan worden gesteld is dus of deze uitspraken door een genuanceerde interpretatie moeten worden onderscheiden van het onderhavige geval. In dit verband zijn twee potentiële argumenten denkbaar.</TXT></NP><NP><NO.P>30.</NO.P><TXT>In de eerste plaats zou men kunnen stellen dat, waar het in zaak C-61/03 ging om de werkingssfeer van artikel 37 EA, voor de beoordeling van de werkingssfeer van (wetgeving gebaseerd op) artikel 31 EA andere overwegingen gelden. Men zou er bijvoorbeeld op kunnen wijzen dat artikel 31 EA eigenlijk niet de Commissie zelf bevoegdheden verleent <QUOT.START ID="QS0031" REF.END="QE0031" CODE="201E"/>waardoor zij [...] actief kan ingrijpen<QUOT.END ID="QE0031" REF.START="QS0031" CODE="201D"/> op het gebied van kernenergie in de zin van punt 35 van dat arrest, maar slechts bepaalt dat de Commissie bij de Raad een voorstel tot wetgeving voor basisnormen kan indienen.</TXT></NP><NP><NO.P>31.</NO.P><TXT>Dit argument is mijns inziens echter onhoudbaar. Het Hof zelf definieert het geschilpunt in zaak C-61/03 als de vraag of militair gebruik van kernenergie binnen de werkingssfeer van het EGA-Verdrag als geheel valt.<NOTE NOTE.ID="E0017" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid., punt 25.</P></NOTE> De bewoordingen van het arrest bevestigen deze benadering over de gehele linie: militaire activiteiten <QUOT.START ID="QS0032" REF.END="QE0032" CODE="201E"/>vallen buiten de werkingssfeer van [het EGA-] Verdrag<QUOT.END ID="QE0032" REF.START="QS0032" CODE="201D"/><NOTE NOTE.ID="E0018" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibid., punt 36.</P></NOTE>, niet enkel buiten de werkingssfeer van artikel 37 EA. Bovendien geldt<?PAGE NO="I-2249"?> de drieledige redenering op grond waarvan het Hof tot deze conclusie komt — die in hoofdzaak gebaseerd is op de doelstellingen van het EGA-Verdrag en het feit dat er in dat verdrag geen uitzondering wordt gemaakt voor de bescherming van de militaire belangen van de lidstaten, naar analogie van artikel 296 EG — voor het Verdrag in zijn geheel, en is deze dus evenzeer relevant voor artikel 31 E A als voor artikel 37 EA.</TXT></NP><NP><NO.P>32.</NO.P><TXT>In de tweede plaats zou men kunnen stellen dat, zoals de Commissie in casu verdedigt, onderscheid moet worden gemaakt naar gelang van het karakter van de op grand van artikel 5, lid 3, van richtlijn 89/618 te verstrekken informatie, vergeleken met de op grond van artikel 37 EA te verstrekken informatie. Waar op grond van artikel 5, lid 3, slechts informatie van algemene aard aan het publiek moet worden verstrekt ten aanzien van de bij stralingsgevaar te nemen maatregelen ter bescherming van de gezondheid, gaat de verplichting ingevolge artikel 37 EA verder, daar hieronder ook het risico van <QUOT.START ID="QS0033" REF.END="QE0033" CODE="201E"/>reverse engineering<QUOT.END ID="QE0033" REF.START="QS0033" CODE="201D"/> van gegevens over militair kernafval zou moeten vallen. Daarentegen zou het risico van benadeling van de militaire belangen van de lidstaten in wezen verwaarloosbaar zijn wanneer de verplichting van artikel 5, lid 3, wordt uitgebreid tot kernenergie uit militaire bronnen. Dit geldt speciaal in het onderhavige geval, waar het GIBPUBSAFE-plan toch al voor het publiek toegankelijk is in de openbare bibliotheek van Gibraltar.</TXT></NP><NP><NO.P>33.</NO.P><TXT>Ik moet op dit punt allereerst toegeven dat ik veel sympathie heb voor de essentie van de door de Commissie voorgestane uitkomst. Het lijkt mij inderdaad heel moeilijk te verdedigen dat de militaire belangen van de lidstaten kunnen worden geschaad door het publiek te voorzien van elementaire informatie over de beste manier om zich te beschermen bij een kernongeval of stralingsgevaar. Zoals uit bijlage I bij richtlijn 89/618 blijkt, heeft de informatie waartoe artikel 5, lid 3, verplicht een zuiver algemeen karakter, bijvoorbeeld basiskennis over radioactiviteit en effecten daarvan op mens en milieu; voorgeschreven noodmaatregelen om de bevolking bij stralingsgevaar te alarmeren, te beschermen en haar hulp te bieden; en passende informatie over de gedragslijn die de bevolking bij stralingsgevaar zou moeten volgen.</TXT></NP><NP><NO.P>34.</NO.P><TXT>Bovendien is de inspanning die het Verenigd Koninkrijk moet leveren om zijn verplichting uit artikel 5, lid 3, na te komen in casu minimaal: zoals de Commissie tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd, kan het Verenigd Koninkrijk aan deze verplichting al voldoen door ervoor te zorgen dat de bevolking van Gibraltar die bij stralingsgevaar in verband met HMS Tireless daardoor kan worden getroffen, een exemplaar van het GIBPUBSAFE-plan in de brievenbus krijgt. Het behoeft geen betoog dat dit een te verwaarlozen belasting vormt<?PAGE NO="I-2250"?> in vergelijking tot het levensbelang dat gemoeid is met het doel van artikel 5, lid 3, namelijk bescherming van de volksgezondheid.<NOTE NOTE.ID="E0019" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie voor het belang van het in titel II, hoofdstuk 3, van het EGA-Verdrag neergelegde doel van bescherming van de volksgezondheid mijn conclusie in zaak C-61/03, punten 67-77.</P></NOTE> Gezien de feiten van deze zaak is het standpunt van het Verenigd Koninkrijk en de Franse Republiek dat die verplichting moet worden afgewezen dan ook stellig niet attractief.</TXT></NP><NP><NO.P>35.</NO.P><TXT>Niettemin lijkt mij de fout in de juridische redenering achter het argument van de Commissie dat is gebaseerd op de aard van de ex artikel 5, lid 3, te verschaffen informatie, onoverkomelijk. Zoals het Verenigd Koninkrijk heeft uiteengezet, is duidelijk dat de werkingssfeer van een verplichting die is neergelegd in richtlijn 89/618, als afgeleide wetgeving, niet ruimer kan zijn dan die van haar rechtsgrondslag, artikel 31 EA. Zoals reeds besproken, blijkt uit het categorisch karakter van het arrest van het Hof in zaak C-61/03 niettemin dat het EGA-Verdrag — met inbegrip van artikel 31 EA — niet van toepassing kan zijn op radioactieve straling uit militaire bronnen, geen enkele uitgezonderd.<NOTE NOTE.ID="E0020" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Het enige lichte voorbehoud dat ik als inherent aan het arrest van het Hof zie, is dat, zoals het Verenigd Koninkrijk heeft uiteengezet, de verplichting van de lidstaten om het algehele niveau van radioactiviteit van hun lucht, water en bodem te rapporteren (zie de artikelen 35 EA en 36 EA), noodzakelijkerwijs meebrengt dat, zuiver zijdelings en als onderdeel van dit algehele niveau, ook de radioactiviteit afkomstig uit militaire bronnen wordt gemeten.</P></NOTE> Het lijkt mij onmogelijk om recht te doen aan de essentie van het arrest van het Hof en tegelijkertijd een voorbehoud te maken voor een individueel geval waarin in wezen de militaire belangen van de lidstaten geen gevaar lopen doordat een verplichting uit het EGA-Verdrag wordt toegepast op straling uit militaire bronnen. In het bijzonder lijkt mij het arrest van het Hof geen ruimte te laten voor een redenering van het <QUOT.START ID="QS0034" REF.END="QE0034" CODE="201E"/>evenredigheids<QUOT.END ID="QE0034" REF.START="QS0034" CODE="201D"/>-type, waarbij de mogelijke schade voor de militaire belangen van de lidstaten wordt afgewogen tegen de mogelijke gunstige gevolgen voor de bescherming van de volksgezondheid wanneer wordt beoordeeld of, en zo ja in hoeverre, in een individueel geval een EGA-verplichting van toepassing is.</TXT></NP><NP><NO.P>36.</NO.P><TXT>Bovendien heeft het Hof duidelijk bewust een ondubbelzinnige oplossing gekozen: ik herinner er slechts aan dat ik in mijn conclusie in die zaak een op evenredigheid gebaseerde oplossing van het geschil had geschetst. Voorts had de Commissie gepleit voor een tussenoplossing bij de uitlegging van artikel 37 EA, waarbij de lidstaten om hun nationale defensiebelangen te beschermen zelf konden beslissen in hoeverre radioactieve stoffen afkomstig van militaire bronnen zouden worden aangemerkt als <QUOT.START ID="QS0035" REF.END="QE0035" CODE="201E"/>afval<QUOT.END ID="QE0035" REF.START="QS0035" CODE="201D"/>, alsook welke algemene gegevens op grond van dit artikel moesten worden verstrekt. De benadering van de Commissie is door het Hof expliciet verworpen.<NOTE NOTE.ID="E0021" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, aangehaald in voetnoot 3, punten 38-42.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>37.</NO.P><TXT>De onvermijdelijke consequentie van het arrest van het Hof in zaak C-61/03 is dan ook dat zolang de Gemeenschap geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid op grond van het EG-Verdrag om op dit gebied wetgeving aan te nemen<NOTE NOTE.ID="E0022" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie ibid., punt 44.</P></NOTE>, de bescherming<?PAGE NO="I-2251"?> van de volksgezondheid een leemte vertoont. Uit de bewoordingen van het arrest blijkt dat het Hof deze consequentie heeft aanvaard. Om deze redenen moet ik wel concluderen dat het beroep van de Commissie in deze zaak niet kan slagen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>VI —</NO.P><TXT>Conclusie</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>38.</NO.P><TXT>Ik geef het Hof dan ook in overweging:</TXT><P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>Het verzoek van de Commissie om vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door de bevolking van Gibraltar niet vooraf te informeren over de ter bescherming van de gezondheid te nemen maatregelen in geval van stralingsgevaar in verband met de in de haven van Gibraltar voor anker liggende kernonderzeeër van de Britse marine, HMS Tireless, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten ingevolge artikel 5, lid 3, van richtlijn 89/618/Euratom van de Raad van <DATE ISO="19891127">27 november 1989</DATE> betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn, af te wijzen.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>De Commissie te verwijzen in de kosten van het Verenigd Koninkrijk.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>De Franse Republiek te verwijzen in haar eigen kosten.</TXT></NP></ITEM></LIST></P></NP></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>