Verordening (EEG) nr. 3331/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende het voedselhulpbeleid en het beheer van de voedselhulp en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2750/75
Publicatieblad Nr. L 352 van 14/12/1982 blz. 0001 - 0004
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 03 Deel 26 blz. 0159
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 03 Deel 26 blz. 0159
***** VERORDENING (EEG) Nr. 3331/82 VAN DE RAAD van 3 december 1982 betreffende het voedselhulpbeleid en het beheer van de voedselhulp en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2750/75 DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 43 en 235, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Europese Parlement (2), Overwegende dat de voedselhulp humanitaire doeleinden nastreeft en dat zij een hoeksteen is van het Gemeenschapsbeleid voor samenwerking met de ontwikkelingslanden; Overwegende dat de voedselhulp tot een werkelijk instrument van het Gemeenschapsbeleid voor samenwerking met de ontwikkelingslanden dient te worden gemaakt, dat de Gemeenschap met name in staat moet stellen zich volledig in te zetten voor meerjarige ontwikkelingsprojecten; Overwegende dat de Gemeenschap daartoe moet kunnen zorgen voor geregelde hulpstromen en dat zij in daarvoor in aanmerking komende gevallen in staat moet zijn jegens de ontwikkelingslanden en internationale organisaties de verbintenis aan te gaan om in het kader van specifieke meerjarenprogramma's minimumhoeveelheden van bepaalde produkten te leveren, mits deze meerjarige toezeggingen geen betrekking hebben op een gedeelte van de voedselhulp dat groter dan redelijk is; Overwegende dat met het oog op een beter beheer van de voedselhulp, dat meer is afgestemd op de belangen en behoeften der begunstigde landen, de besluitvormings- en uitvoeringsprocedures moeten worden verbeterd; Overwegende dat, om de uitvoering van sommige overwogen maatregelen te vergemakkelijken, binnen een Comité voedselhulp een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie tot stand dient te worden gebracht; Overwegende dat bij deze procedures en de daaruit voortvloeiende besluitvorming rekening wordt gehouden met de in het Verdrag neergelegde verdeling van de bevoegdheden over de Instellingen; Overwegende dat het dienstig is dat de Commissie na raadpleging van het Comité voedselhulp de hoeveelheden en de aard bepaalt van de graanprodukten die de Lid-Staten ter beschikking houden voor spoedacties; dat te dien einde Verordening (EEG) nr. 2750/75 (3) dient te worden gewijzigd; dat voor het overige deze verordening geen afbreuk doet aan de algemene regels inzake het ter beschikking stellen van landbouwprodukten, die zijn vastgesteld in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen; Overwegende dat het Verdrag niet in de daartoe vereiste specifieke bevoegdheden voorziet, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: TITEL I Doeleinden en algemene lijnen van het voedselhulpbeleid Artikel 1 De Gemeenschap verstrekt in het kader van haar beleid voor samenwerking met de ontwikkelingslanden voedselhulp. Artikel 2 1. De in artikel 1 bedoelde voedselhulp heeft inzonderheid tot doel: - het voedingsniveau van de begunstigde bevolkingen te verbeteren, - handelend op te treden in noodsituaties, - bij te dragen tot een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling van de begunstigde landen. 2. Bij de toewijzing van de voedselhulp wordt in de eerste plaats uitgegaan van een objectieve raming van de werkelijke behoeften die deze hulp rechtvaardigen. Daartoe worden met name de onderstaande drie criteria in aanmerking genomen, zonder daarbij andere relevante overwegingen uit te sluiten: - de fundamentele voedselbehoeften, - het inkomen per inwoner, - de situatie van de betalingsbalans. 3. De toekenning van de voedselhulp wordt, voor zover nodig, afhankelijk gesteld van de uitvoering van ontwikkelingsprojecten met een looptijd van één of meer jaren, waarbij prioriteit wordt verleend aan die welke gericht zijn op stimulering van de voedselproduktie in de begunstigde landen. Eventueel kan de hulp rechtstreeks voor de uitvoering van die projecten worden gebruikt. Deze complementariteit kan worden verwezenlijkt door aanwending van de tegenwaarde van de door de Gemeenschap als voedselhulp geleverde produkten, wanneer deze voor verkoop worden bestemd. 4. De voedselhulp dient gericht te zijn op het lenigen van onmiddellijke behoeften aan voedsel. Om de veiligstelling van de voedselvoorziening in de ontwikkelingslanden te verbeteren en de dekking van hun behoeften te waarborgen, kan de voedselhulp evenwel van geval tot geval worden verleend met het oog op de aanleg van graanvoorraden door de begunstigden op voorwaarde dat het percentage van deze hulp slechts een sluitpost van het communautaire schema vormt en dat voorrang wordt gegeven aan onmiddellijke verbruiksbehoeften. 5. Om bij te dragen tot de uitvoering van de in artikel 6 bedoelde spoedacties en opdat de Gemeenschap kan voldoen aan haar verplichtingen voor wat betreft de Internationale Noodreserve, houden de Lid-Staten bepaalde hoeveelheden graan ter beschikking van de Commissie. Deze hoeveelheden worden ter beschikking van de Commissie gesteld onder de in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 2750/75 vastgestelde voorwaarden. Artikel 3 1. De produkten worden beschikbaar gesteld in overeenstemming met de voorschriften en de procedures die zijn vastgesteld in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen. In noodgevallen of ingeval op de markt van de Gemeenschap geen voorraden beschikbaar zijn, kunnen de als voedselhulp te leveren produkten worden aangekocht in een ontwikkelingsland, dat zo mogelijk tot hetzelfde geografische gebied behoort als het begunstigde land. 2. De Gemeenschap kan als voedselhulp produkten van eerste verwerking leveren. Bovendien kan zij, op verzoek van de begunstigde landen, beperkte hoeveelheden produkten van tweede verwerking, met name op basis van graan, leveren. 3. De leveringen van produkten van eerste verwerking worden aan de hand van een technische coëfficiënt afgeboekt van de totale hoeveelheden basisprodukten die de Raad krachtens artikel 4 heeft vastgesteld. De leveringen van voedselhulp in de vorm van rijst en van produkten van tweede verwerking worden van deze totale hoeveelheden afgeboekt volgens een gelijkwaardigheidscriterium dat is gebaseerd op de waarde van de betrokken produkten. TITEL II Procedures voor de uitvoering van de voedselhulp Artikel 4 1. Op het gebied van de voedselhulp worden door de Raad: - de totale hoeveelheden van elk produkt voor één of meer jaren vastgesteld; - de krachtens het Voedselhulpverdrag te leveren hoeveelheden graan over acties van de Gemeenschap en nationale acties verdeeld; - de nationale acties in de vorm van graan uit hoofde van het Voedselhulpverdrag over de Lid-Staten verdeeld; - de landen en organisaties bepaald, die in aanmerking kunnen komen voor voedselhulpacties met een looptijd van één of meer jaren; - de basisprodukten bepaald die als voedselhulp worden verstrekt, rekening houdend met de beschikbare hoeveelheden van de betrokken produkten; - de afgeleide produkten bepaald die als voedselhulp kunnen worden verstrekt; - de algemene criteria voor het vervoer van de voedselhulp na het fob-stadium vastgesteld. 2. De Raad spreekt zich daartoe uit, op voorstel van de Commissie en na advies van het Europese Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in het eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende streepje van lid 1 en met eenparigheid van stemmen bij uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in het tweede en derde streepje van lid 1. Artikel 5 Na raadpleging van het in artikel 7 bedoelde Comité en volgens de procedure van artikel 8 worden door de Commissie: - de beschikbare hoeveelheden in het kader van de programma's met een looptijd van één of meer jaren verdeeld over de overeenkomstig artikel 4, lid 1, vierde streepje, aangewezen begunstigde landen en organisaties en, in dat zelfde kader, de reservehoeveelheden vastgesteld; - indien nodig, tijdens de uitvoering van de programma's met een looptijd van één of meer jaren de bestemmingen gewijzigd in het licht van de mogelijkheden van de begunstigden om de hulp op te nemen; - voor wat betreft granen, de hoeveelheden en de aard van de produkten die de Lid-Staten beschikbaar houden voor spoedacties en als internationale reserve bepaald. Artikel 6 Met inachtneming van de in artikel 4 bedoelde besluiten van de Raad en van de op grond van artikel 5 genomen besluiten, beslist de Commissie: a) over spoedacties ten behoeve van landen die ernstige moeilijkheden ondervinden ten gevolge van plotselinge en onvoorzienbare natuurrampen en stelt zij de Lid-Staten daarvan in kennis; b) na raadpleging per telex van de Lid-Staten, waarbij hun een termijn van 48 uur wordt verleend om eventuele bezwaren te opperen, over de spoedacties ten behoeve van landen die ernstige moeilijkheden ondervinden ten gevolge van buitengewone omstandigheden die vergelijkbaar zijn met natuurrampen; c) over de voorwaarden waaronder de hulp wordt verstrekt en met name over de algemene bepalingen die ten aanzien van de begunstigden worden toegepast. Onder »spoedacties" als bedoeld sub a) en b) worden verstaan acties bedoeld om het hoofd te bieden aan een onvoorzienbare situatie, gekarakteriseerd door hongersnood of gevaar voor hongersnood die het leven of de gezondheid van de bevolking ernstig in gevaar brengt in een land dat het voedseltekort niet met eigen middelen en hulpbronnen kan opvangen. De betrokken hulp, waarover per geval wordt beslist, mag de hoeveelheid die nodig is om de getroffen bevolking in staat te stellen gedurende ten hoogste drie maanden aan de noodsituatie het hoofd te bieden, niet overschrijden. Artikel 7 1. Er wordt een Comité voedselhulp, hierna »Comité" genoemd, ingesteld, dat wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie en dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten. Het secretariaat van het Comité wordt waargenomen door de Commissie. 2. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast. Artikel 8 1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de procedure van dit artikel, leidt de voorzitter deze bij het Comité in, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een vertegenwoordiger van een Lid-Staat. 2. De vertegenwoordiger van de Commissie dient ontwerpen in van de te nemen besluiten. Het Comité brengt over deze ontwerpen advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie der aan het onderzoek onderworpen vraagstukken. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van vijfenveertig stemmen, waarbij de stemmen van de Lid-Staten worden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel. 3. De Commissie neemt besluiten die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze besluiten echter niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien het Comité geen advies uitbrengt, worden zij door de Commissie onverwijld ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval stelt de Commissie de toepassing van de door haar genomen besluiten tot ten hoogste twee maanden na deze kennisgeving uit. De Raad kan binnen twee maanden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen. Artikel 9 De Lid-Staten beslissen over hun nationale actieprogramma's inzake voedselhulp en delen deze aan de Commissie mede. Op verzoek van de voorzitter van het Comité of een vertegenwoordiger van een Lid-Staat bespreekt het Comité de cooerdinatie van de communautaire en de nationale voedselhulpacties. Artikel 10 Het Comité kan elk ander vraagstuk op het gebied van de voedselhulp onderzoeken dat door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van een vertegenwoordiger van een Lid-Staat, aan de orde wordt gesteld. Artikel 11 Het Europese Parlement wordt van het beheer van de voedselhulp op de hoogte gehouden door mededeling van de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde besluiten, zodra deze zijn aanvaard, en door jaarlijkse verslagen over de stand van uitvoering van de diverse acties voor de respectieve begrotingsjaren. De in de artikelen 5 en 6 bedoelde besluiten en de in de eerste alinea bedoelde verslagen worden tegelijkertijd aan de Raad medegedeeld. Artikel 12 Verordening (EEG) nr. 2750/75 wordt als volgt gewijzigd: 1. artikel 7, lid 5, vervalt; 2. artikel 7, lid 6, wordt als volgt gelezen: »5. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel en inzonderheid de criteria aan de hand waarvan de Commissie de in lid 4 bedoelde besluiten neemt, worden volgens de procedure van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 333/82 vastgesteld.". Artikel 13 Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 3 december 1982. Voor de Raad De Voorzitter Ch. CHRISTENSEN (1) PB nr. C 26 van 30. 1. 1979, blz. 2. (2) PB nr. C 93 van 9. 4. 1979, blz. 75. (3) PB nr. L 281 van 1. 11. 1975, blz. 89.