1.3.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 99/88


P9_TA(2021)0338

De gevolgen voor de visserijsector van offshorewindmolenparken en andere systemen voor hernieuwbare energie

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2021 over de gevolgen voor de visserijsector van offshorewindmolenparken en andere systemen voor hernieuwbare energie (2019/2158(INI))

(2022/C 99/10)

Het Europees Parlement,

—

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal”(COM(2019)0640),

—

gezien de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380),

—

gezien de aanbevelingen van de Commissie van mei 2020 voor positieve interacties tussen offshorewindmolenparken en visserij,

—

gezien het verslag van de Commissie van 11 juni 2020 over de blauwe economie,

—

gezien de mededeling van de Commissie van 17 september 2020, getiteld “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” (COM(2020)0562),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 19 november 2020, getiteld “EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst” (COM(2020)0741),

—

gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (1),

—

gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (2),

—

gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (3) (“richtlijn maritieme ruimtelijke planning”),

—

gezien de Overeenkomst van Parijs, die op 12 december 2015 werd goedgekeurd op de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) in Parijs,

—

gezien zijn resolutie van 16 januari 2018 over internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen in de context van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) voor 2030 (4),

—

gezien de kaart van menselijke activiteiten en scheepsdrukte van het Europees marien observatie- en datanetwerk (EMODnet Human Activities Vessels Density Mapping, 2019) en de kaart inzake de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie (Offshore Renewable Energy Developments, 2018) van het gegevens- en informatiemanagementsysteem van Ospar,

—

gezien het advies van de adviesraad voor de Noordzee (NSAC) van 28 december 2020 over de ontwikkeling van interacties tussen offshorewindmolenparken en visserij,

—

gezien zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld op 24 juni 2021 met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 401/2009 en (EU) 2018/1999 (Europese klimaatwet) (5),

—

gezien de in opdracht van de Commissie visserij (PECH) uitgevoerde studie van 12 november 2020 over de gevolgen van het gebruik van offshorewindenergie en andere mariene hernieuwbare energiebronnen voor de Europese visserij,

—

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

—

gezien het advies van de Commissie industrie, onderzoek energie,

—

gezien het verslag van de Commissie visserij (A9-0184/2021),

A.

overwegende dat de EU ernaar streeft uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te worden, overeenkomstig de doelstellingen van de Green Deal; overwegende dat de Commissie de doelstelling heeft voorgesteld om in 2030 ten minste 55 % minder broeikasgassen uit te stoten, terwijl het Parlement die doelstelling op 60 % heeft gesteld; overwegende dat op zee geproduceerde hernieuwbare energie een van de mogelijkheden is die de lidstaten kunnen kiezen om deze doelstelling te verwezenlijken; overwegende dat deze energie een belangrijke rol moet spelen bij het verwezenlijken van deze doelstellingen aan de hand van een geïntegreerde aanpak waarbij rekening wordt gehouden met de drie duurzaamheidspijlers;

B.

overwegende dat de EU uit hoofde van de Verdragen de verantwoordelijkheid heeft om de energievoorzieningszekerheid te garanderen, maar dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het bepalen van de structuur van hun energievoorziening en de keuze van de energiebronnen, waarbij zij de EU-streefcijfers voor klimaatneutraliteit tegen 2050 moeten eerbiedigen;

C.

overwegende dat volgens ramingen van de Commissie offshorewindenergie in 2050 elektriciteit zal leveren voor 30 % van de vraag in de EU, wat betekent dat de offshorewindenergiecapaciteit zal moeten toenemen van de huidige 12 GW in de EU-27 tot een streefcijfer van 300 GW in 2050; overwegende dat de vraag naar oceaanenergie volgens ramingen van de Commissie tegen 2050 zal oplopen tot 40 GW;

D.

overwegende dat het energiebeleid van de Unie er overeenkomstig artikel 194 van het VWEU op gericht is de werking van de energiemarkt en de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen, energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van hernieuwbare energie te stimuleren en de interconnectie van energienetwerken te bevorderen; overwegende dat de vaststelling van de energiemix van de lidstaten een nationale bevoegdheid blijft en dat de energiemixen als gevolg daarvan zeer verschillend zijn;

E.

overwegende dat de noordelijke zeeën (de Noordzee, de Oostzee en het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan) goed zijn voor meer dan 85 % van alle offshorewindenergiecapaciteit in de wateren van de EU-27;

F.

overwegende dat de geografische kenmerken van de lidstaten en van de Europese zeebekkens sterk van elkaar verschillen; overwegende dat de ontwikkeling van offshorewindmolenparken en andere systemen voor hernieuwbare energie momenteel is geconcentreerd in de Noordzee en de Oostzee, waar de omstandigheden het gunstigst zijn; overwegende dat de mogelijkheden of de wenselijkheid om offshore-installaties voor hernieuwbare energie aan te leggen of de omvang en/of capaciteit daarvan te vergroten daardoor ook verschillen per zeebekken en per lidstaat;

G.

overwegende dat in de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK is overeengekomen dat vissersvaartuigen van de Unie toegang zullen blijven hebben tot de wateren van het VK en vice versa, en bijgevolg de Europese mariene ruimte, die momenteel 110 offshorewindmolenparken met meer dan 5 000 windturbines omvat, zullen blijven delen;

H.

overwegende dat de toevoer van windenergie wegens veranderende weersomstandigheden onregelmatig en onstabiel kan zijn;

I.

overwegende dat de mogelijkheden om windenergie op te slaan nog steeds zeer beperkt zijn;

J.

overwegende dat andere hernieuwbare energiebronnen op zee, zoals golf-, getijden- en thermische energie, drijvende fotovoltaïsche installaties en het gebruik van algen voor de productie van biobrandstoffen, een belangrijke rol spelen in de strategie van de Commissie voor hernieuwbare offshore-energie, hoewel er momenteel geen grootschalige installaties in bedrijf zijn; overwegende dat zij kunnen bijdragen tot het bereiken van klimaatneutraliteit en een sterker Europees leiderschap, en nieuwe banen kunnen creëren; overwegende dat onderzoek en innovatie moeten worden voortgezet, aangezien andere hernieuwbare energiebronnen op zee in sommige gebieden veelbelovend en geschikter zouden kunnen zijn en minder gevolgen zouden kunnen hebben voor visserijactiviteiten, visbestanden en het mariene milieu;

K.

overwegende dat offshorewindturbines een gemiddelde levensduur van 25 tot 30 jaar hebben; overwegende dat tot dusver nog maar heel weinig turbines ontmanteld zijn en dat de recycling ervan nog steeds zeer complex is, waarbij 85 tot 90 % van een ontmantelde windturbine wordt gerecycled; overwegende dat een langetermijnvisie op basis van een circulaire economie en een levenscyclusbenadering noodzakelijk is om de effecten op andere activiteiten, zoals visserij, en op lokale gemeenschappen en ecosystemen aan het eind van het project te beoordelen; overwegende dat ecologisch ontwerp door middel van het gebruik van specifieke materialen en het ontwerp van de infrastructuur de ontwikkeling van lokale biodiversiteit kan bevorderen; overwegende dat recyclingmethoden of het behoud van infrastructuur als kunstmatige riffen in een vroeg stadium van de opzet van het project moeten worden beoordeeld;

L.

overwegende dat het streefcijfer voor 2050 inzake offshorecapaciteit op de meest kosten- en ruimte-efficiënte manier te behalen valt middels het meervoudig gebruik van dezelfde maritieme ruimte door verschillende sectoren, door een aanpak met nevenvoordelen in overweging te nemen waarbij elke activiteit baat heeft bij de andere, aangezien activiteiten die zich op dezelfde plek afspelen voordelig kunnen zijn voor het milieu en op sociaal-economisch vlak;

M.

overwegende dat er een toenemende concurrentie is tussen verschillende gebruiksvormen van de maritieme ruimte, waardoor historische gebruiksvormen met een duidelijke historische, culturele, sociale en economische waarde, zoals de visserij, vaak over het hoofd worden gezien;

N.

overwegende dat in de richtlijn maritieme ruimtelijke planning is bepaald dat de lidstaten rekening moeten houden met de wisselwerking tussen activiteiten en gebruiksfuncties zoals aquacultuur, visserij, installaties en infrastructuur voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, en onderzeese kabels, en dat zij de co-existentie van relevante activiteiten moeten bevorderen en een ecosysteemgerichte aanpak moeten toepassen;

O.

overwegende dat de lidstaten door middel van hun maritieme ruimtelijke plannen moeten trachten bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling van energiesectoren op zee, van zeevervoer, en van de visserij- en aquacultuursector, en ook tot het behoud, de bescherming en de verbetering van het milieu, met inbegrip van de weerbaarheid tegen de gevolgen van de klimaatverandering; overwegende dat de belangen van de visserij en de aquacultuur in dit verband bijzondere aandacht moeten krijgen en niet aan de kant mogen worden geschoven wanneer de lidstaten hun maritieme ruimtelijke plannen verder uitwerken en herzien;

P.

overwegende dat in het Commissievoorstel voor een EU-biodiversiteitsstrategie te lezen staat: “De EU zal ook prioriteit geven aan oplossingen zoals oceaanenergie, offshorewindenergie die ook het herstel van de visbestanden mogelijk maakt”, terwijl uit een recente studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (6) blijkt dat “er nog geen degelijk inzicht bestaat in de mogelijke voordelen die installaties voor hernieuwbare energiebronnen op zee opleveren voor de visserij en dat empirische gegevens daarover nog ontbreken”;

Q.

overwegende dat de Commissie in haar mededeling getiteld “EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst” overheidsinstanties heeft opgeroepen om de uitrol van hernieuwbare offshore-energie op de lange termijn in een vroeg stadium te plannen, de ecologische, sociale en economische duurzaamheid ervan te beoordelen, ervoor te zorgen dat die langetermijnontwikkelingen verenigbaar zijn met andere activiteiten, zoals visserij en aquacultuur, en bij de bevolking draagvlak te zoeken voor de geplande projecten;

R.

overwegende dat de visserij een relatief kleine impact heeft op het bbp, terwijl zij voor de vissersgemeenschappen in vele lidstaten van het grootste belang is;

S.

overwegende dat ongeveer 80 % van alle vissersvaartuigen in de EU bestaat uit kleine vaartuigen in handen van traditionele familiebedrijven die voornamelijk in kustwateren actief zijn;

T.

overwegende dat de cumulatie van huidige en toekomstige projecten inzake hernieuwbare offshore-energie de grootste impact heeft op de visserijactiviteiten die gericht zijn op demersale soorten en schaaldieren;

U.

overwegende dat het gebruik van offshore-energie, met inachtneming van de bescherming van het milieu en de duurzame ontwikkeling van de visserij en andere economische activiteiten, een gezamenlijke planning en een grondige beoordeling van de cumulatieve effecten vereist, met inbegrip van de sociaal-economische effecten;

V.

overwegende dat aanvullend onderzoek nodig is naar de effecten van offshorewindmolenparken en andere systemen voor hernieuwbare offshore-energie op het mariene milieu en de visbestanden;

W.

overwegende dat het Parlement verlangt dat de Unie zich voor 2030 ten doel stelt de broeikasgasemissies in de gehele economie met 60 % te verminderen ten opzichte van 1990;

X.

overwegende dat het noodzakelijk is alle offshorewindenergiebronnen in de Unie te onderzoeken en projecten voor hernieuwbare mariene energie te bevorderen op een manier die verenigbaar is met het overige gebruik van de maritieme ruimte, met name de visserij, waarbij naar synergieën moet worden gezocht en de biodiversiteit moet worden beschermd;

Y.

overwegende dat monitoring en empirische analyse van visserijpraktijken vóór, tijdens en na de aanleg van offshorewindmolenparken belangrijk zijn om een beter inzicht te krijgen in de co-existentie;

Z.

overwegende dat de funderingen van offshore-installaties voor hernieuwbare energie mariene flora en fauna zouden kunnen aantrekken en een kunstrifeffect zouden kunnen hebben;

AA.

overwegende dat de Internationale Hydrografische Organisatie (IHO) aanbeveelt visserijactiviteiten op minder dan 0,25 zeemijl (463 meter) aan weerszijden van een onderzeese kabel te vermijden teneinde risico’s tot een minimum te beperken;

1.

wijst erop dat potentiële negatieve langetermijneffecten van offshorewindturbines op bepaalde ecosystemen, visbestanden en de biodiversiteit, en bijgevolg op de visserij als geheel, moeten worden voorkomen; benadrukt dat bij hun ontwikkeling — van bouw over exploitatie tot ontmanteling — een levenscyclusbenadering moet worden gehanteerd, en wijst derhalve op het belang van grondige en gedetailleerde studies om de effecten van bestaande offshorewindturbines te beoordelen;

2.

benadrukt dat hernieuwbare offshore-energie zodanig moet worden ingezet dat kansen worden gecreëerd voor andere activiteiten, door middel van een benadering op basis van ecologische, sociale en economische nevenvoordelen, waarbij voordelen voor de vissers en de lokale gemeenschappen worden gewaarborgd;

3.

waarschuwt dat hernieuwbare offshore-energie alleen duurzaam zal zijn indien er geen negatieve gevolgen voor het milieu of voor de economische, sociale en territoriale cohesie optreden, met name in regio’s die afhankelijk zijn van visserij;

4.

maakt zich zorgen over het gebrek aan onderzoek naar de ontmanteling van offshorewindturbines en naar de gevolgen van ontmanteling voor het milieu;

5.

wijst er nogmaals op dat het aan de lidstaten toekomt de nationale energiemix en -technologieën te bepalen;

6.

benadrukt dat hernieuwbare energie en energie-efficiëntie tot de belangrijkste drijfveren behoren voor het bereiken van een broeikasgasneutrale economie; onderstreept dat de hernieuwbare-energiedoelstelling voor 2030 alleen kan worden gehaald als de capaciteit van de offshore-infrastructuur voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit en de daadwerkelijk daarmee opgewekte hoeveelheid elektriciteit dienovereenkomstig worden vergroot;

7.

wijst op het belangrijke potentieel van hernieuwbare waterstof, met inbegrip van waterstof uit wind- en zonne-energie, voor het verwezenlijken van de klimaatneutraliteitsdoelstelling van de Unie;

8.

benadrukt dat drijvende windmolenparken in diepere wateren kunnen worden aangelegd, waardoor het geschikte gebied voor windenergieprojecten toeneemt, terwijl ze minder zichtbaar zijn vanaf de kust; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook steun te verlenen aan de opschaling en commercialisatie van duurzame drijvende offshorewindtechnologie die de gevolgen voor de visserij verder inperkt;

9.

benadrukt dat het risico dat de grootschalige uitrol van offshorewindmolenparken de fysieke werking van het zeebekken, en met name de zee- en luchtstromen, dreigt aan te tasten, tot een minimum moet worden beperkt, aangezien dit kan bijdragen tot vermenging van de gelaagde waterkolom en bijgevolg van invloed kan zijn op de nutriëntencyclus, golfvorming, getijdenamplituden en sedimentverplaatsing, en dat de effecten ervan nauwlettend in de gaten moeten worden gehouden; benadrukt bovendien dat infrasoon geluid van roterende wieken vissen en zeezoogdieren van offshorewindmolenparken zou kunnen wegdrijven en elektromagnetische velden van onderzeese kabels en onderwaterlawaai van heiwerkzaamheden ernstige negatieve gevolgen voor schaaldieren en de mariene flora en fauna zouden kunnen hebben; benadrukt in dit verband de noodzaak van verdere ontwikkeling van en onderzoek naar manieren om deze negatieve effecten te voorkomen en te verzachten;

10.

wijst op het belang van de toepassing van beste praktijken tijdens de plannings-, de operationele en de ontmantelingsfase van offshoreactiviteiten om verstoringen tot een minimum te beperken en de schade aan ecosystemen binnen de perken te houden;

11.

is van mening dat de installatie van mariene productie-eenheden voor hernieuwbare energie moet worden opgenomen in en moet beantwoorden aan de ontwikkelingsstrategieën en de energiesoevereiniteit van elke staat, en bovendien moet aansluiten bij de doelstellingen van de Europese Green Deal;

12.

beklemtoont dat het van belang is om rekening te houden met de morfologische en geografische kenmerken van de gebieden waar offshorewindmolenparken zullen worden aangelegd;

13.

is van mening dat besluiten om infrastructuur voor offshoreproductie-eenheden voor hernieuwbare energie te installeren, gebaseerd moeten zijn op de beste wetenschappelijke beoordelingen van de daarmee samenhangende effecten en dat alle belanghebbenden bij de exploitatie van de in gebruik te nemen gebieden moeten worden betrokken, in het bijzonder de betrokken visserijgemeenschappen en hun organisaties;

14.

benadrukt dat onderzoek moet worden gedaan naar de potentiële effecten, zoals kunstmatige rifeffecten, van offshoreproductie-eenheden voor hernieuwbare energie op de mariene flora en fauna, evenals op visserijen, die beperkt kunnen blijven tot de operationele fase, en dat naar manieren moet worden gezocht om de ontmanteling zodanig uit te voeren dat de voordelen ervan niet van tijdelijke aard zijn; onderstreept dat de locaties bij de ontmanteling van offshorewindmolenparken in een zodanige staat moeten worden achtergelaten dat visserijactiviteiten mogelijk zijn, mits ze ook vóór de aanleg van de parken of tijdens de operationele fase waren toegestaan, en dat het milieu wordt beschermd en geëerbiedigd;

15.

wijst erop dat bij de uitrol van offshorewindmolenparken rekening moet worden gehouden met de kenmerken van de zeebodem, zodat geen infrastructuur wordt aangelegd op plaatsen waar het risico bestaat dat de plaatselijke habitat en het lokale ecosysteem worden aangetast;

16.

stelt voor om aan de hand van duidelijk omschreven doelstellingen inzake de instandhouding van habitats en de biodiversiteit, met inbegrip van de visbestanden, te beoordelen of offshorewindmolenparken vallen te combineren met of te integreren in beschermde mariene gebieden; onderstreept dat in deze beschermde mariene gebieden beheerscomités moeten worden opgericht met het oog op de verwezenlijking van een betere co-existentie van activiteiten, en dat goedkeuring moet worden verkregen van de relevante bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de beschermde mariene gebieden;

17.

beklemtoont dat offshorewindmolenparken, waar mogelijk, moeten worden aangelegd in gebieden waar visserij niet is toegestaan teneinde de negatieve gevolgen voor de visserijsector tot een minimum te beperken;

18.

stelt dat offshorewindmolenparken van invloed kunnen zijn op de visserij doordat ze de ruimtelijke spreiding en de dichtheid van commercieel beviste mariene soorten kunnen wijzigen, doordat ze om veiligheidsredenen kunnen worden afgesloten of doordat er een wijziging van de visserijactiviteit of -methode, bijvoorbeeld van actief naar passief, kan worden opgelegd;

19.

dringt aan op de totstandbrenging van dialoog en samenwerking met vissers in een vroeg stadium van het proces; beklemtoont dat rekening moet worden gehouden met lokale ecosystemen en met de kenmerken van de lokale gemeenschap; benadrukt dat vissers naar behoren moeten worden vergoed indien hun activiteiten worden beïnvloed door de aanleg van offshorewindmolenparken;

20.

neemt er nota van dat in de mededeling van de Commissie over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 staat dat “[d]e EU […] ook prioriteit [zal] geven aan oplossingen zoals oceaanenergie, [en] offshore-windenergie die ook het herstel van de visbestanden mogelijk maakt”, en dat de mogelijkheid van een combinatie van offshorewindmolenparken en beschermde gebieden in overweging wordt genomen;

21.

beklemtoont dat de milieueffecten en de sociale en economische gevolgen van offshorewindmolenparken samenhangen met de plaatsspecifieke omstandigheden, ecosystemen en menselijke activiteiten en dat de samenwerking tussen belanghebbenden bij het ontwerp, de tenuitvoerlegging en het beheer van offshorewindmolenparken van cruciaal belang is voor het oplossen van problemen van gemeenschappelijk belang;

22.

merkt op dat de kleinschalige, kust- en ambachtelijke visserijsector mogelijk het zwaarst zullen lijden onder de installatie van deze offshoreproductie-eenheden voor hernieuwbare energie, aangezien zij hun werkzaamheden relatief gezien het dichtst bij de kust verrichten;

23.

benadrukt dat met name kleinschalige en kustvissers door een eventuele verplaatsing zouden worden getroffen, aangezien zij mogelijk niet over het vermogen beschikken om naar visgronden verder weg te gaan of van vismethode te veranderen, met name als offshorewindmolenparken binnen de territoriale wateren (tot twaalf zeemijl van de kust) worden aangelegd; pleit voor passende vergoeding als laatste redmiddel;

24.

benadrukt dat vissersvaartuigen die actief zijn in of varen door gebieden met offshorewindmolenparken gemakkelijker toegang moeten krijgen tot verzekeringen, aangezien zij momenteel moeilijkheden ondervinden bij het afsluiten van een verzekering, omdat de verzekeringspolissen onvoldoende schadevergoeding bieden;

25.

wijst erop dat elke beperking van de toegang tot traditionele visgronden rechtstreeks van invloed is op de broodwinning van vissers uit de verschillende kustlidstaten van de EU en de daarvan afhankelijke banen aan land; beklemtoont daarom dat indien nodig als laatste redmiddel passende vergoeding moet worden geboden; wijst er voorts op dat beperkingen van de toegang de verantwoorde en duurzame verwezenlijking van voedselzekerheid kunnen ondermijnen;

26.

verzoekt de lidstaten, in overeenstemming met de bepalingen inzake de maritieme ruimtelijke ordening, specifieke historische en traditionele visgronden van lokale vissers aan te merken als gebieden die vrij moeten blijven van hernieuwbare offshore-energiebronnen;

27.

benadrukt dat uit een overlapanalyse van hernieuwbare offshore-energiebronnen en visserij blijkt dat het aantal ruimtelijke conflicten in bepaalde Europese zeebekkens de komende jaren sterk kan toenemen; beklemtoont in dit verband de noodzaak van vroegtijdige ruimtelijke planning, waarbij onder meer alle belanghebbenden worden betrokken, zowel wat betreft de plaatsing als de indeling van offshorewindmolenparken; pleit voor de totstandbrenging van doeltreffende deelname, dialogen en netwerken in een vroeg stadium om conflicten te beperken en te voorkomen;

28.

onderstreept dat er momenteel enkele voorbeelden zijn van samenwerking bij het verrichten van (actieve of passieve) visserijactiviteiten in gebieden met offshorewindmolenparken; onderstreept dat een gezamenlijke vormgeving van de uitrol van offshorewindmolenparken om deze met ander gebruik te combineren, de potentiële gevolgen voor de visserij kan beperken, de betrekkingen tussen de verschillende betrokken sectoren kan versterken en kan uitmonden in voor alle partijen gunstige samenwerkingsverbanden;

29.

onderkent de mogelijkheden voor aquacultuur en algenkweek, alsook voor passieve visserij binnen gebieden met offshorewindmolenparken; beklemtoont evenwel dat er meer onderzoek nodig is om de ecologische effecten en het economisch potentieel ervan te kunnen beoordelen;

30.

is bezorgd over het feit dat vissers gebieden met offshorewindmolenparken, los van de verboden en beperkingen op de visserijactiviteiten, zelfs wanneer visserij is toegestaan, liever vermijden vanwege het risico op schade en beschadiging of verlies van vistuig, en vreest dat de angst voor mogelijke blootstelling aan aansprakelijkheid de co-existentie belemmert;

31.

beklemtoont dat de energiemix van ultraperifere gebieden en eilanden sterk afhankelijk is van de invoer van fossiele brandstoffen, ondanks het feit dat hun plaatselijke kenmerken bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook bijzondere aandacht te besteden aan en specifieke financiering te verstrekken voor de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie in deze gebieden teneinde hun afhankelijkheid van fossiele brandstoffen tot een minimum te beperken;

32.

onderkent het potentieel van drijvende offshorewindinstallaties die de mogelijkheid bieden installaties in diepe wateren, verder van de kust, te plaatsen, waardoor deze een kleinere visuele impact hebben en waarmee de ruimtelijke overlap met visserijgebieden kan worden beperkt;

33.

benadrukt dat de ontmanteling van offshorewindturbines geen blijvende milieueffecten mag hebben, noch veiligheidsrisico’s voor vissersvaartuigen met zich mee mag brengen als gevolg van resterende infrastructuur onder de zeebodem; wijst er daarnaast op dat de recyclingmethoden verder moeten worden ontwikkeld om de milieueffecten te beperken; is van mening dat het van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat offshorewindmolenparken alleen worden aangelegd indien een integrale benadering wordt gehanteerd ten aanzien van de levenscyclusprocessen van offshorewindturbines, wat inhoudt dat vanaf het begin duidelijk is hoe offshorewindturbines op een duurzame manier kunnen worden ontworpen, gebouwd, gebruikt, ontmanteld en gerecycled; beklemtoont voorts dat ontmantelingsstrategieën waarmee een alternatief toekomstig gebruik of het wegnemen van installaties wordt beoogd, vanaf het begin in de ontwerp- en installatieplannen moeten worden opgenomen, en dat rekening moet worden gehouden met de langetermijngevolgen zodat aan de beginselen van de circulaire economie kan worden voldaan;

34.

dringt aan op de vaststelling van een internationale norm die omschrijft hoe turbines moeten worden ontmanteld, een volledig overzicht biedt van de regels en voorschriften inzake ontmanteling en tegelijkertijd strookt met de beginselen van de circulaire economie;

35.

beklemtoont dat er financiële regelingen moeten worden vastgesteld om de langetermijnrisico’s te dekken die voortvloeien uit verlaten offshore-infrastructuur die zou kunnen worden verwijderd opdat er opnieuw veilig visserijactiviteiten kunnen plaatsvinden;

36.

beklemtoont dat op passende wijze toezicht moet worden gehouden op alle infrastructuur onder de zeebodem die ter plaatse wordt achtergelaten;

37.

stipt aan dat recente empirische studies geen beoordelingen bevatten van de economische, sociaal-economische en sociaal-culturele effecten van hernieuwbare offshore-energie op de visserij; verzoekt de Commissie daarom met klem niet alleen de milieueffecten te bestuderen, maar daarnaast nader onderzoek te verrichten om de mogelijke economische en sociale gevolgen van investeringen in hernieuwbare offshore-energie voor de visserij te beoordelen en geschikte manieren te vinden om deze negatieve gevolgen het hoofd te bieden;

38.

benadrukt dat er behoefte is aan gestandaardiseerde monitoringprogramma’s en harmonisatie van de visserijinspanningsgegevens om cumulatieve ecologische, sociaal-economische en milieueffectbeoordelingen van de uitbreiding van hernieuwbare offshore-energie mogelijk te maken, en dat de compatibiliteit en vergelijkbaarheid van de gegevens moeten worden verbeterd;

39.

stelt voor dat de lidstaten onderzoek op het gebied van offshorewindmolenparken beter coördineren om de verzameling en uitwisseling van onderzoeksresultaten en -gegevens en de uitwisseling van beste praktijken te vergemakkelijken; herinnert eraan dat offshorewindenergie een van de meest geavanceerde technologieën is, maar dat ook andere systemen voor hernieuwbare offshore-energie veelbelovend kunnen zijn, en in sommige gevallen passender, in bepaalde gebieden waar visserijactiviteiten worden verricht en de economische, sociale en milieuaspecten dus minder worden geschaad; beklemtoont dat het van belang is de investeringen in onderzoek en ontwikkeling in dit verband op te voeren;

40.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van maritieme ruimtelijke planning te verbeteren, ook met het Verenigd Koninkrijk, de grootste producent van offshorewindenergie in Europa, teneinde oplossingen te vinden voor gemeenschappelijke problemen, elektriciteitsaansluitingen te integreren en te leren van beste praktijken;

41.

is van mening dat maritieme ruimtelijke planning een belangrijke rol toekomt in de vorm van het onderscheiden van maritieme gebieden op basis van hun afzonderlijke kenmerken, waarbij meer nadruk moet komen te liggen op de beoordeling van colocatieopties en multifunctioneel gebruik van offshorewindmolenparken, wat uiterst belangrijk is voor het bereiken van een win-winsituatie voor de duurzame visserij, de aquacultuur en de offshore-energiesector, alsook in de vorm van het opnemen van de doeltreffende deelname van de visserij aan het besluitvormingsproces, in tegenstelling tot de uiterst vage begrippen “raadpleging” en “waarnemers”, het nakomen van de gedane toezeggingen en het voorafgaand oplossen van gebruiksconflicten;

42.

verzoekt de lidstaten, als bevoegde autoriteit op het gebied van maritieme ruimtelijke planning, in het kader van hun lopende werkzaamheden in verband met en de daaropvolgende herzieningen van hun nationale maritieme ruimtelijke plannen, in acht te nemen dat de nadelige effecten van offshorewindturbines op de visserij moeten worden voorkomen en dat deze turbines derhalve uit de buurt van visgronden moeten worden geplaatst;

43.

propageert de toepassing van een ecosysteemgerichte aanpak in de maritieme ruimtelijke planning, zodat een systeemgericht kader kan worden geboden voor inzicht in en beheer van mariene ecosystemen en hun wisselwerking met sociaal-economische activiteiten;

44.

wijst op het belang van gemeenschapsregelingen voor energieopwekking die kustgemeenschappen en coöperaties, waaronder vissers, in staat stellen hun eigen elektriciteit op te wekken en de winst opnieuw in de gemeenschap te investeren;

45.

beklemtoont dat offshorewindmolenparken alleen mogen worden gebouwd indien het uitgesloten is dat zich negatieve milieu- en ecologische, alsook economische, sociaal-economische en sociaal-culturele effecten zullen voordoen op vissers en aquacultuurproducenten, in overeenstemming met de doelstellingen van de blauwe economie en de Europese Green Deal;

46.

verzoekt de lidstaten met klem rekening te houden met de effecten van hernieuwbare offshore-energie op het mariene ecosysteem en de visserij wanneer zij hun energiemix bepalen;

47.

verzoekt de lidstaten met klem ook te blijven werken aan de ontwikkeling en het gebruik van andere vormen van hernieuwbare energie;

48.

verzoekt de Commissie een effectbeoordeling uit te voeren om de verwachte economische, sociale en milieugevolgen van de aanleg van offshorewindmolenparken in kaart te brengen wanneer ze in conflict dreigen te komen met zowel de visserijsector als de duurzaamheid van de mariene flora en fauna;

49.

benadrukt dat samenwerking tussen sectoren die actief zijn in de offshoreomgeving en -economie ook een stuwende kracht voor een rechtvaardige transitie zal zijn; verzoekt de Commissie initiatieven te beoordelen die lokale economieën en economische offshoreactiviteiten stimuleren, en synergieën tussen sectoren te vinden die de basis kunnen vormen van een toekomstbestendig economisch herstel;

50.

benadrukt dat er reeds voorbeelden zijn van co-existentie tussen de visserijsector en de offshorewindenergiesector en dat deze ervaringen moeten worden gebruikt om de beste beschikbare praktijken voor de hele levenscyclus van mariene infrastructuur te vinden en te delen;

51.

beklemtoont dat belanghebbenden het recht moeten hebben om deel te nemen aan en inspraak te hebben in de maritieme ruimtelijke planning;

52.

benadrukt dat vroegtijdige, billijke, doeltreffende en permanente raadpleging en deelname van belanghebbenden, en met name van vissers en aquacultuurproducenten, de opstelling van transparante richtsnoeren en de uitbetaling van vergoedingen het risico op conflicten kunnen verlagen en een gelijk speelveld tot stand kunnen brengen voor de visserij en hernieuwbare offshore-energie;

53.

verzoekt de EU offshorewindmolenparken in haar externe optreden, in overeenstemming met de doelstellingen van de Europese Green Deal, te bevorderen en te ondersteunen, met name onder derde landen waar de toegang tot energie nog altijd ongelijk en beperkt is;

54.

benadrukt dat overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het VWEU het voorzorgsbeginsel van toepassing moet zijn indien besluiten moeten worden genomen voordat de vereiste kennis of informatie beschikbaar is;

55.

merkt op dat er wellicht nadere maatregelen op EU-niveau nodig zijn, waaronder wetgeving, aangezien bewijs lijkt aan te tonen dat de maritieme ruimtelijke planning van de lidstaten niet garandeert dat vissers en andere belanghebbenden eerlijk bij het proces worden betrokken, noch dat vissers in voorkomend geval worden vergoed;

56.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat maritieme ruimtelijke plannen voorzien in de eerlijke betrokkenheid van vissers bij het proces en de duurzame voortzetting van hun activiteiten, en de legitieme belangen van vissers, schaaldiervissers en aquacultuurproducenten op eerlijke wijze weerspiegelen;

57.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(2)  PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.

(3)  PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.

(4)  PB C 458 van 19.12.2018, blz. 9.

(5)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0309.

(6)  Studie over de gevolgen van het gebruik van offshorewindenergie en andere mariene hernieuwbare energiebronnen voor de Europese visserij, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling B — Structuur- en Cohesiebeleid, 12 november 2020.