6.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/39


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2007/469/GBVB VAN DE RAAD

van 28 juni 2007

betreffende de in 2008 te houden conferentie ter toetsing van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens (CWC)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 29 april 1997 is het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens (CWC) in werking getreden. Doel van het Verdrag is een hele categorie massavernietigingswapens te elimineren middels een verbod op de ontwikkeling, de productie, de verwerving, de opslag, het in bezit houden, de overdracht en het gebruik van chemische wapens door de staten die partij zijn. De staten die partij zijn, moeten tegenover (natuurlijke of rechts) personen in hun rechtsmacht de stappen nemen die nodig zijn om dit verbod nageleefd te doen worden.

(2)

De Europese Unie beschouwt het CWC als een cruciaal onderdeel van het internationale kader voor non-proliferatie en ontwapening en als een uniek instrument voor ontwapening en non-proliferatie, waarvan de integriteit en de strikte toepassing volledig moeten worden gewaarborgd. Alle lidstaten van de Europese Unie zijn partij bij het CWC.

(3)

Van 28 april tot en met 9 mei 2003 waren de staten die partij zijn bij de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OVCW) in Den Haag bijeen voor de Eerste Conferentie ter toetsing van het CWC. Tijdens deze Eerste Toetsingsconferentie is met name een beoordeling gemaakt van het vernietigingsproces van opgegeven arsenalen. De Conferentie hield rekening met ter zake doende wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen sinds de opstelling van het Verdrag. Ook zijn de bepalingen van het Verdrag over verificatie in de chemische industrie tijdens deze Conferentie getoetst en nogmaals besproken. De Conferentie heeft strategische richtsnoeren geboden voor de volgende fase van de uitvoering van het CWC.

(4)

De Raad heeft op 17 november 2003 Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB (1) vastgesteld betreffende de universalisering en versterking van multilaterale overeenkomsten op het gebied van de non-proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor. Het CWC is één van deze multilaterale overeenkomsten die door dat gemeenschappelijk standpunt worden bestreken.

(5)

Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen, waarin de verknochtheid van de Europese Unie aan het stelsel van multilaterale verdragen wordt herbevestigd en onder meer de essentiële rol wordt benadrukt die het CWC en de OVCW vervullen bij het totstandbrengen van een wereld zonder chemische wapens.

(6)

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft op 28 april 2004 met eenparigheid van stemmen Resolutie 1540 (2004) aangenomen, waarin de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor als een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid wordt aangemerkt. Met de uitvoering van de bepalingen van deze resolutie wordt een bijdrage geleverd aan de uitvoering van het CWC.

(7)

Op 22 november 2004 heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt 2004/797/GBVB (2) aangenomen, het eerste betreffende de ondersteuning van OPCW-activiteiten in het kader van de uitvoering van maatregelen van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens. Dit gemeenschappelijk optreden is gevolgd door Gemeenschappelijk Optreden 2005/913/GBVB (3), aangenomen op 12 december 2005, en door Gemeenschappelijk Optreden 2007/185/GBVB (4), aangenomen op 19 maart 2007.

(8)

Op 6 december 2006 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bij consensus een resolutie aangenomen over de uitvoering van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens.

(9)

Van 7 tot en met 18 april 2008 vindt de Tweede Conferentie ter toetsing van het CWC plaats en daarom moet de aanpak van de Europese Unie, die voor de lidstaten van de Europese Unie tijdens deze conferentie de leidraad zal zijn, worden bepaald,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel van de Europese Unie is het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens (CWC), te versterken, en wel vooral door naleving van het CWC te bepleiten, evenals de spoedige vernietiging van alle chemische wapens, en door de verificatieregeling van het verdrag te verbeteren en te streven naar universele toepassing van het verdrag.

De Europese Unie zal derhalve streven naar een positieve uitkomst van de Tweede Toetsingsconferentie in 2008.

Artikel 2

Ter verwezenlijking van de in artikel 1 vervatte doelstelling moet de Europese Unie:

a)

bijdragen aan een volledige toetsing van de werking van het CWC tijdens de Tweede Toetsingsconferentie, ook van de naleving van verplichtingen uit hoofde van het Verdrag door de staten die partij zijn, evenals de afbakening van gebieden waarop, en de vaststelling van de middelen waarmee, in de toekomst moet worden gewerkt aan verdere vooruitgang;

b)

bijdragen tot een consensus voor het welslagen van de Tweede Toetsingsconferentie op basis van het kader dat tijdens Eerste Toetsingsconferenties is vastgesteld, en onder meer de volgende essentiële punten bevorderen:

i)

herbevestiging van het alomvattende karakter van het verbod op chemische wapens, zoals vastgelegd in het criterium „van algemeen gebruik”, door:

—

nogmaals te bevestigen dat de verbodsbepalingen van het verdrag gelden voor alle giftige chemische stoffen, tenzij deze stoffen bestemd zijn voor doeleinden die op grond van dit verdrag niet verboden zijn en mits de soorten en hoeveelheden stroken met de doeleinden in kwestie, en dat de bepalingen derhalve in overeenstemming zijn met de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen sedert de Eerste Toetsingsconferentie;

—

te benadrukken dat het criterium „van algemeen gebruik” zijn afspiegeling moet vinden in de uitvoeringswetgeving en de bestuurlijke handhavingspraktijk van de lidstaten die partij zijn;

—

te benadrukken dat de staten die partij zijn opgave moeten doen van oproerbestrijdingsmiddelen;

ii)

nogmaals te bevestigen dat staten die chemische wapens hebben hun chemische wapens moeten vernietigen binnen de door het CWC gestelde termijnen, door:

—

de geboekte vooruitgang toe te juichen, evenals de inspanningen die staten die dergelijke wapens hebben zich getroosten om de termijnen te halen en hen tevens met klem te verzoeken bij de vernietiging opgelopen vertragingen in te halen;

—

het belang te benadrukken van stelselmatige verificatie door doorlopende inspectie ter plaatse van de vernietiging van chemische wapens;

—

de voortgang bij de vernietiging van chemische wapens te beoordelen, met in aanmerkingneming van, onder meer de resultaten van door de vertegenwoordigers van de Uitvoerende Raad afgelegde bezoeken, overeenkomstig het besluit van de 11e zitting van de Conferentie van de staten die partij zijn;

—

de nadruk te leggen op de verantwoordelijkheid die de beleidsmakende organen hebben met betrekking tot het op passende tijdstippen toezien op de naleving door de staten die partij zijn, van de voor de vernietiging overeengekomen termijnen;

iii)

verdere versterking van de verificatieregeling met betrekking tot de activiteiten die op grond van het verdrag niet verboden zijn, met als doel het vertrouwen in de non-proliferatie van chemische wapens te vergroten en de samenwerking met de industrie te intensiveren, door:

—

regeringen, de industrie, de academische wereld en niet-gouvernementele organisaties voortdurend te wijzen op de verbodsbepalingen van het verdrag;

—

te benadrukken dat het aantal inspecties in de „Andere inrichtingen voor de chemische productie” moet worden opgevoerd en dat de regeling waar nodig doeltreffender moet worden gemaakt, met voorrang voor de plaatsen die voor het Verdrag van grote betekenis zijn, en voor het optimaliseren van de opgaven door de staten die partij zijn over andere inrichtingen voor de chemische productie;

iv)

uitvoering van de bepalingen van het Verdrag over overleg, samenwerking en vaststelling van de feiten, in het bijzonder het mechanisme van de uitdagingsinspecties, dat een onontbeerlijk en gemakkelijk beschikbaar instrument en tevens een goed en bruikbaar hulpmiddel van de verificatieregeling van de OVCW blijft; onderstreping van het recht van de staten die partij zijn om zonder voorafgaand overleg te verzoeken om een uitdagingsinspectie, en aanmoediging, in voorkomend geval, van het routinematig gebruik van dit mechanisme;

v)

ontwikkeling van toegesneden strategieën voor het verwezenlijken van de universele toepassing van het CWC, in het bijzonder met betrekking tot het Midden-Oosten, inclusief regionale workshops in de gebieden in kwestie;

vi)

voortdurende verbetering van nationale uitvoeringsmaatregelen en eraan blijven herinneren dat volledige naleving van artikel VII van vitaal belang is voor de doeltreffendheid nu en in de toekomst van het CWC, onder meer door:

—

bijstand te bieden aan staten die partij zijn die daaraan behoefte hebben, naar het voorbeeld van de Gemeenschappelijke Optredens van de Europese Unie; en

—

de nationale exportcontroles, die nodig zijn om te voorkomen dat chemische wapens worden aangeworven, te intensiveren;

vii)

ervoor zorgen dat de OVCW in staat is bijstand en bescherming te bieden;

viii)

bevordering van internationale samenwerking overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, en in het bijzonder bijdragen aan capaciteitsopbouwende activiteiten van de OVCW in staten die partij zijn die hun chemische industrie en handel uitbouwen;

ix)

beginnen met te bewerkstelligen dat, nadat de vernietiging van alle chemische wapens is voltooid, de OVCW zich in een goede positie bevindt om zich te richten op haar resterende activiteiten, in het bijzonder haar rol met betrekking tot non-proliferatie;

x)

naleving van de verplichtingen uit hoofde van Resolutie 1540 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, met name het oproepen tot praktische samenwerking tussen de OVCW en de bij die VN-resolutie ingestelde commissie, alsmede andere fora, met als doel het risico weg te nemen dat chemische wapens worden aangeschaft of gebruikt voor terroristische doeleinden en dat terroristen toegang krijgen tot materialen, apparatuur en kennis die kunnen worden gebruikt bij de ontwikkeling en de productie van chemische wapens;

xi)

de programma's in het kader van het mondiale partnerschap van de G8 die zijn toegespitst op het voorkómen van de proliferatie van massavernietigingswapens middels steun voor ontwapening, controle en beveiliging van gevoelig materiaal, gevoelige installaties en deskundigheid.

Artikel 3

Het optreden van de Europese Unie voor de toepassing van artikel 2 omvat:

a)

overeenstemming tussen de lidstaten over inhoudelijke voorstellen die tijdens de voorbereidingsfase en tijdens de Tweede Toetsingsconferentie namens de Europese Unie ter bestudering zullen worden voorgelegd aan de staten die partij zijn bij het Verdrag;

b)

voorzover passend, demarches van het voorzitterschap overeenkomstig artikel 18 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, teneinde:

i)

de universele toetreding tot het CWC te stimuleren;

ii)

de nationale uitvoering van het CWC door de staten die partij zijn te bevorderen;

iii)

de staten die partij zijn aan te sporen een daadwerkelijke en volledige toetsing van het CWC te steunen en hieraan deel te nemen, en zodoende hun verknochtheid aan deze fundamentele internationale norm ter bestrijding van chemische wapens te bevestigen;

iv)

te ijveren voor de uitvoering van de bovengenoemde voorstellen die de Europese Unie ter bestudering aan de staten die partij zijn zal voorleggen en waarmee een verdere versterking van het CWC wordt beoogd;

c)

verklaringen die het voorzitterschap namens de Europese Unie vóór en tijdens de Tweede Toetsingsconferentie zal afleggen.

Artikel 4

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt van kracht op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Artikel 5

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 28 juni 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

S. GABRIEL


(1)   PB L 302 van 20.11.2003, blz. 34.

(2)   PB L 349 van 25.11.2004, blz. 63.

(3)   PB L 331 van 17.12.2005, blz. 34.

(4)   PB L 85 van 27.3.2007, blz. 10.