EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 11.9.2025
COM(2025) 483 final/2 DOWNGRADED ON 7.11.2025
2025/0274(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer, dat is ingesteld bij de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, met betrekking tot de nationale elektronische registers van wegvervoerondernemingen en de voorwaarden voor de uitwisseling van in die registers opgenomen informatie
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
De Commissie stelt voor dat de Raad het standpunt vaststelt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer, dat is ingesteld bij de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (“de handels- en samenwerkingsovereenkomst”), met betrekking tot de minimumeisen voor gegevens die moeten worden opgenomen in de nationale elektronische registers van wegvervoerondernemingen en de voorwaarden voor de uitwisseling van de in die registers opgenomen informatie
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.Het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer
Het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer is een orgaan dat is ingesteld krachtens artikel 8, lid 1, punt o), van de handels- en samenwerkingsovereenkomst. Op grond van deel A, afdeling 1, artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 5, van bijlage 31 bij die overeenkomst is het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer bevoegd om besluiten vast te stellen met betrekking tot de gegevens die moeten worden opgenomen in de nationale elektronische registers van wegvervoerondernemingen en de voorwaarden voor de uitwisseling van de in die registers opgenomen informatie (“het beoogde besluit”).
2.2.De beoogde handeling van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer
Het beoogde besluit heeft in de eerste plaats tot doel gedetailleerde regels vast te stellen inzake de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie over veroordelingen en sancties voor ernstige inbreuken als bedoeld in deel A, afdeling 1, artikel 6, lid 2, van bijlage 31 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst, alsook de modaliteiten voor de uitwisseling van informatie over andere voorwaarden voor de toegang tot het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg.
In de Unie wordt dergelijke informatie uitgewisseld via de bij artikel 16, leden 5 en 6, en artikel 18, lid 8, van Verordening (EG) nr. 1071/2009 ingestelde European Registers of Road Transport Undertakings (ERRU). De technische specificaties van de ERRU zijn vastgesteld in Uitvoeringsverordening (EU) 2016/480 van de Commissie.
De bron van de uit te wisselen informatie is het nationale elektronische register van wegvervoerondernemingen, overeenkomstig deel A, afdeling 1, artikel 13, lid 2, van bijlage 31 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst.
In artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1071/2009 is bepaald welke gegevens in de Unie ten minste moeten worden opgenomen in de nationale elektronische registers van wegvervoerondernemingen. De minimumeisen voor deze gegevens zijn vervolgens nader bepaald in Besluit 2009/992/EU van de Commissie, zoals laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/773 van de Commissie, en in Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/2164 van de Commissie.
De gemeenschappelijke lijst van inbreuken waarover informatie moet worden uitgewisseld, is opgenomen in een afzonderlijk ontwerpbesluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer.
De Commissie stelt daarom voor dat de gegevens in het nationale elektronische register overeenkomstig Besluit 2009/992/EU van de Commissie worden aangepast met het oog op de toepassing van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, overeenkomstig het ontwerpbesluit van het Gespecialiseerd Comité in de bijlage bij dit voorstel. . Met het oog op een efficiënt gebruik van hulpbronnen stelt de Commissie ook voor dat de in deel A, afdeling 1, artikel 14, lid 5, van bijlage 31 bedoelde uitwisseling van informatie plaatsvindt via de European Registers of Road Transport Undertakings.
De belangrijkste aanpassingen van de wetgeving van de Unie met het oog op de handels- en samenwerkingsovereenkomst zijn tweeledig. Ten eerste heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie meegedeeld dat het aantal werknemers van de vervoeronderneming niet in dezelfde databanken in het VK is geregistreerd, en dat er geen duidelijk bewijs is dat dit gegeven essentieel is voor de uitvoering van de handels- en samenwerkingsovereenkomst. Ten tweede hebben de Unie en het Verenigd Koninkrijk dezelfde “risicogroepen” voor ondernemers. Wat de Unie betreft, zijn de risicogroepen vastgesteld in punt 4 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/695; deze groepen worden opgenomen in het nationale elektronische register en worden uitgewisseld via de ERRU overeenkomstig respectievelijk Besluit 2009/992/EU van de Commissie en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/480 van de Commissie. De Unie en het VK gebruiken echter een andere formule voor de berekening van de risicoscore van ondernemers. Daarom wordt voorgesteld dat de gegevens over het aantal werknemers van een onderneming en de risicoscore van een onderneming niet worden uitgewisseld tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk. De risicogroep en alle andere gegevens in de desbetreffende Uniewetgeving moeten worden uitgewisseld om de handhaving van de overeenkomstige bepalingen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst te vergemakkelijken.
Tot slot heeft het Verenigd Koninkrijk, als lidstaat van de Unie, bijgedragen aan de ontwikkelingskosten van de ERRU. Het Verenigd Koninkrijk moet echter ook financieel bijdragen aan de werkings- en onderhoudskosten van de ERRU. In een afzonderlijk besluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer, dat tegelijk met het in dit voorstel vervatte ontwerpbesluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer moet worden vastgesteld, zullen de modaliteiten van de financiële bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan de ERRU in detail worden bepaald.
3.Namens de Unie in te nemen standpunt
Het standpunt van de Unie moet er derhalve in bestaan dat steun wordt verleend aan de vaststelling van een besluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer, in overeenstemming met het ontwerpbesluit bij dit voorstel.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het door het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer vast te stellen besluit is een handeling met rechtsgevolgen. De geplande handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de handels- en samenwerkingsovereenkomst. De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling waarover namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.
De hoofddoelstelling en de inhoud van de voorgenomen handeling hebben betrekking op het vervoersbeleid.
De materiële rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit is derhalve artikel 91 VWEU.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 91 VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
5.Bekendmaking van de beoogde handeling
Het besluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer wordt na de vaststelling ervan bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2025/0274 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer, dat is ingesteld bij de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, met betrekking tot de nationale elektronische registers van wegvervoerondernemingen en de voorwaarden voor de uitwisseling van in die registers opgenomen informatie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (de “handels- en samenwerkingsovereenkomst”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2021/689 van de Raad en is op 1 mei 2021 in werking getreden.
(2)Op grond van deel A, afdeling 1, artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 5, van bijlage 31 bij die overeenkomst is het bij artikel 8, lid 1, punt o), van die overeenkomst opgericht Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer bevoegd om besluiten vast te stellen met betrekking tot de gegevens die moeten worden opgenomen in de nationale elektronische registers van wegvervoerondernemingen en de voorwaarden voor de uitwisseling van de in die registers opgenomen informatie.
(3)Deel A, afdeling 1, artikel 6, van bijlage 31 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst bevat gedetailleerde voorwaarden met betrekking tot de betrouwbaarheidseis voor ondernemers van goederenvervoer over de weg. In de leden 2 en 3 zijn met name de voorwaarden vastgesteld waaronder de in lid 1, derde alinea, punt b), genoemde inbreuken door een ondernemer kunnen leiden tot een administratieve procedure door de bevoegde autoriteiten van de Partij van vestiging en tot verlies van de betrouwbaarheidsstatus. Aanhangsel 31-A-1-1 bevat voorts een lijst van de zeven zwaarste inbreuken die aanleiding moeten geven tot een administratieve procedure door de bevoegde autoriteit van de Partij van vestiging. De lijst van zwaarste inbreuken die tot verlies van de betrouwbaarheidsstatus kunnen leiden, wordt aangevuld bij een afzonderlijk besluit van het bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst opgericht Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer, gehecht aan [PLACEHOLDER FOR COUNCIL: Council Decision (EU) 2025/XXXX].
(4)In deel A, afdeling 1, artikelen 13 en 14, van bijlage 31 bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst is voorts bepaald dat de partijen nationale elektronische registers moeten opzetten van wegvervoerondernemingen die een vergunning hebben gekregen om het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg uit te oefenen, individuele controles van ondernemingen moeten uitvoeren en informatie moeten uitwisselen over ernstige inbreuken die door ondernemers in de andere partij zijn gepleegd. De in de nationale elektronische registers op te nemen gegevens en de modaliteiten voor de uitwisseling van informatie moeten bij besluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer worden vastgesteld.
(5)De Unie heeft de European Registers of Road Transport Undertakings (ERRU) opgezet om de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten van de Unie te vergemakkelijken overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2016/480 van de Commissie. Aangezien de Unie en het Verenigd Koninkrijk hebben ingestemd met dezelfde basisbeginselen inzake toegang tot het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg en met een gemeenschappelijke lijst van inbreuken, is het met het oog op de doelstellingen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst passend en efficiënt om te voorzien in de technische koppeling van het Verenigd Koninkrijk aan de ERRU.
(6)Het is derhalve passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer moet worden ingenomen, aangezien het geplande besluit bindend zal zijn voor de Unie.
(7)De financiële modaliteiten voor de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan de kosten van de ERRU worden vastgesteld bij een afzonderlijk besluit van het bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst opgericht Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer, gehecht aan [PLACEHOLDER FOR COUNCIL: Council Decision (EU) 2025/XXXX].
(8)Om beide partijen in staat te stellen hun informatie- en technologie-infrastructuur te ontwikkelen zodat zij het besluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer kunnen uitvoeren, moet een datum van toepassing van dat besluit worden vastgesteld. Daarom moet het besluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer van toepassing worden op 1 januari 2026,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1.Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer, dat is ingesteld bij artikel 8, lid 1, punt o), van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (het “Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer”), met betrekking tot de minimumeisen voor gegevens die moeten worden opgenomen in de nationale elektronische registers van wegvervoerondernemingen en de voorwaarden voor de uitwisseling van de in die registers opgenomen informatie, is opgenomen in het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer.
2.Kleine wijzigingen van het bijgevoegde ontwerpbesluit van het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer kunnen door de Commissie worden vastgesteld zonder dat een nieuw besluit van de Raad nodig is.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter