83/487/EEG: Beschikking van de Commissie van 27 juli 1983 inzake een voorgenomen steunmaatregel van de Regering van het Verenigd Koninkrijk ten behoeve van een investering voor de uitbreiding van de produktiecapaciteit voor polyesterfolie (Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 268 van 30/09/1983 blz. 0051 - 0052
***** BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 27 juli 1983 inzake een voorgenomen steunmaatregel van de Regering van het Verenigd Koninkrijk ten behoeve van een investering voor de uitbreiding van de produktiecapaciteit voor polyesterfolie (Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek) (83/487/EEG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea, Na de belanghebbenden overeenkomstig genoemd artikel te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken en gezien deze opmerkingen, Overwegende dat de Regering van het Verenigd Koninkrijk op 1 februari 1983 een steunproject uit hoofde van de Industrial Development Act 1982, section 8, in de vorm van een subsidie van 7,2 miljoen pond sterling voor een op 35 miljoen pond sterling geraamd investeringsproject te Dumfries, Schotland, waarmee de produktiecapaciteit voor polyesterfolie zal toenemen, bij de Commissie heeft aangemeld; Overwegende dat de voorgenomen investering de modernisering van de bestaande produktie-eenheid voor de vervaardiging van dunne polyesterfolie van 17 000 ton en opvoering van de produktie ervan tot 26 000 ton per jaar tot doel heeft; Overwegende dat de Commissie op 16 maart 1983 heeft besloten de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag in te leiden, daar zij van oordeel is dat door de voorgenomen steunmaatregel de voorwaarden waaronder het handelsverkeer tussen Lid-Staten plaatsvindt, zodanig kunnen veranderen dat het gemeenschappelijke belang wordt geschaad en voorts de maatregel niet noodzakelijk voorkomt om van de betrokken onderneming een handelwijze te verkrijgen op grond waarvan de Commissie een van de uitzonderingen op het beginsel van de onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt van toepassing kan verklaren; Overwegende dat de Britse Regering in het raam van deze procedure op 3 mei en 7 juni 1983 haar opmerkingen heeft gemaakt; dat daarin op de noodzaak van de steun wordt gewezen, omdat wegens de ontoereikendheid van de financiële middelen waarover de betrokken onderneming beschikt, het investeringsproject zonder die steun niet ten uitvoer zou worden gelegd; dat de totstandbrenging van dit project in het belang van de Gemeenschap zou zijn, omdat het de positie van de communautaire industrie op dit gebied tegenover de concurrentie van ondernemingen uit derde landen zou helpen versterken; dat de voorgenomen uitbreiding van de produktiecapaciteit met betrekking tot de overige producenten van polyesterfolie in de Gemeenschap niet tot mededingingsdistorsies kan leiden; dat dit project de schepping van 95 nieuwe arbeidsplaatsen in de regio Dumfries mogelijk zou maken; Overwegende dat de Regeringen van twee Lid-Staten, een beroepsorganisatie uit de betrokken sector en een concurrerende onderneming hebben doen weten dat zij met betrekking tot de vervalsingen van de mededinging die bij uitvoering van het Britse steunproject zouden kunnen ontstaan, de bezorgdheid van de Commissie deelden; Overwegende dat dit Britse steunproject in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag, het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging dreigt te vervalsen, doordat de betrokken onderneming en de produktie van polyesterfolie erdoor worden begunstigd; Overwegende dat in artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag, met betrekking tot steunmaatregelen die aan de daarin genoemde criteria beantwoorden, de principiële onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt is vastgelegd; dat in de uitzonderingen op deze onverenigbaarheid, als genoemd in artikel 92, lid 3, van het Verdrag, de doelstellingen zijn aangegeven die in het belang van de Gemeenschap worden nagestreefd en niet louter in dat van de begunstigde van de steun; dat bedoelde afwijkingen bij het onderzoek van elk steunprogramma met regionale of sectoriële strekking of bij dat van elk individueel geval van toepassing van algemene steunregelingen, strikt moeten worden geïnterpreteerd; dat zij met name slechts dan kunnen worden toegepast, indien de Commissie kan vaststellen dat, zonder de steunmaatregel, het marktmechanisme alléén de begunstigde ondernemingen niet tot een handelwijze zou kunnen brengen waarmee tot de verwezenlijking van een van de in deze afwijkingen bedoelde doelstellingen wordt bijgedragen; Overwegende dat het van toepassing verklaren van die uitzonderingen op steunmaatregelen waaraan een dergelijke tegenprestatie als rechtvaardigingsgrond niet is verbonden, erop zou neerkomen dat men het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig laat beïnvloeden en de mededinging laat vervalsen, zonder dat dit in ook maar enigerlei opzicht rechtvaardiging in het communautaire belang vindt, terwijl juist bepaalde Lid-Staten ongerechtvaardigde voordelen worden geboden; Overwegende dat de Commissie zich, bij de toepassing van de bovenomschreven beginselen in haar onderzoek van gevallen van steunverlening, ervan moet vergewissen dat door de begunstigde onderneming een tegenprestatie wordt geleverd die de toekenning van de steun rechtvaardigt, in die zin dat de steun nodig is om de verwezenlijking van een van de in artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag opgesomde doelstellingen te bevorderen; dat het, wanneer dit niet kan worden aangetoond, duidelijk is dat de steun niet tot verwezenlijking van de met de afwijkingsbepalingen nagestreefde doelstellingen bijdraagt, maar tot verbetering van de financiële situatie van de betrokken onderneming dient; Overwegende dat in het onderhavige geval van het bestaan van een dergelijke tegenprestatie van de begunstigde onderneming niets blijkt; Overwegende dat de Britse Regering namelijk op geen enkele rechtvaardigingsgrond heeft kunnen wijzen op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat de betrokken steunmaatregel aan de voorwaarden voor toepassing van een van de uitzonderingen in artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag, de enige die in dit geval van toepassing zouden kunnen zijn, voldoet; dat de Commissie ook harerzijds geen enkele rechtvaardigingsgrond heeft kunnen ontdekken; Overwegende dat wat de in artikel 92, lid 3, onder a) en c), van het EEG-Verdrag inzake steunmaatregelen ter begunstiging of vergemakkelijking van de ontwikkeling van bepaalde streken bedoelde uitzonderingen betreft, moet worden opgemerkt dat de regio Dumfries geen gebied is waar in de zin van de onder a) bedoelde uitzondering een abnormaal lage levensstandaard of een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst; dat wat de uitzondering onder c) betreft moet worden opgemerkt dat het Britse steunproject niet de kenmerken vertoont die voor een bijdrage tot de ontwikkeling van bepaalde regionale economieën, als bedoeld in die bepaling, worden gevergd; Overwegende dat wat de uitzonderingen van artikel 92, lid 3, onder b), van het EEG-Verdrag betreft blijkt dat de betrokken steunmaatregel geen enkel aspect vertoont op grond waarvan deze als een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang zou kunnen worden aangemerkt of als project waarmee een ernstige verstoring in de economie van een Lid-Staat kan worden verholpen en waarvan de bevordering krachtens artikel 92, lid 3, onder b), van het EEG-Verdrag een uitzondering op de onverenigbaarheid van de in artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag bedoelde steunmaatregelen rechtvaardigt; dat de regio Dumfries in de eerste plaats tot de centrale gebieden van de Gemeenschap behoort, d.w.z. die gebieden welke in communautair verband niet de ernstigste sociale en economische moeilijkheden kennen, terwijl terzelfder tijd het gevaar van een onderling opbieden van steunmaatregelen uiterst reëel is en iedere steunmaatregel, meer dan elders, het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden; dat voorts in de ter beschikking staande sociaal-economische gegevens over het Verenigd Koninkrijk geen aanwijzingen te vinden zijn die de gevolgtrekking van een ernstige verstoring van zijn economie, als in het Verdrag bedoeld, kunnen schragen, noch dat met de voorgenomen steun wordt beoogd aan een dergelijke omstandigheid het hoofd te bieden; Overwegende ten slotte dat, wat de uitzonderingen in artikel 92, lid 3, onder c), van het EEG-Verdrag ten gunste van steunmaatregelen ter vergemakkelijking van de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid betreft, de ontwikkelingen in de sector polyesterfolie de gevolgtrekking wettigen dat de modernisering en opvoering van de produktiecapaciteiten met behulp van staatssteun wegens de mogelijk uit de voorgenomen steunmaatregelen voortvloeiende vervalsingen van de mededinging ten nadele van de overige fabrikanten van dunne polyesterfolie in de Gemeenschap met het gemeenschappelijke belang strijdig zijn; dat, al leiden de nieuwe installaties tot een zekere verbetering in de produktietechnieken, deze gevolgtrekking haar geldigheid behoudt; Overwegende dat het steunproject van de Britse Regering, gezien het bovenstaande, niet aan de voorwaarden voor toepassing van een van de uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag voldoet, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 De Regering van het Verenigd Koninkrijk mag geen uitvoering geven aan haar bij de Commissie op 1 februari 1983 aangemelde steunvoornemen ten behoeve van een onderneming in de chemische sector met het oog op de modernisering van de produktieeenheid voor polyesterfolie en opvoering van de produktie ervan. Artikel 2 Het Verenigd Koninkrijk doet de Commissie binnen één maand na kennisgeving van deze beschikking mededeling van de maatregelen welke het heeft genomen om aan deze beschikking te voldoen. Artikel 3 Deze beschikking is gericht tot het Verenigd Koninkrijk. Gedaan te Brussel, 27 juli 1983. Voor de Commissie Frans ANDRIESSEN Lid van de Commissie