12.1.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 15/45


P9_TA(2021)0240

Een Europese strategie inzake geïntegreerde energiesystemen

Resolutie van het Europees Parlement van 19 mei 2021 over een Europese strategie inzake geïntegreerde energiesystemen (2020/2241(INI))

(2022/C 15/05)

Het Europees Parlement,

—

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194,

—

gezien de Klimaatovereenkomst van Parijs van 12 december 2015,

—

gezien de zevende duurzameontwikkelingsdoelstelling van de Verenigde Naties: “Verzeker toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen”,

—

gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2016 getiteld “Een EU-strategie betreffende verwarming en koeling” (COM(2016)0051),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 getiteld “Een schone planeet voor iedereen — Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM(2018)0773),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2020 getiteld “Een Europese datastrategie” (COM(2020)0066),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 getiteld “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” (COM(2020)0102),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2020 getiteld “Energie voor een klimaatneutrale economie: een EU-strategie voor een geïntegreerd energiesysteem” (COM(2020)0299),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 8 juli 2020 getiteld “Een waterstofstrategie voor een klimaatneutraal Europa” (COM(2020)0301),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 17 september 2020 getiteld “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” (COM(2020)0562),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Een renovatiegolf voor Europa — groenere gebouwen, meer banen, hogere levenskwaliteit” (COM(2020)0662),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 over een EU-strategie om methaanemissies terug te dringen (COM(2020)0663),

—

gezien het verslag van de Commissie van 14 oktober 2020 over de stand van de energie-unie (COM(2020)0950),

—

gezien het verslag van de Commissie van 14 oktober 2020 over de vooruitgang op het gebied van het concurrentievermogen inzake schone energie (COM(2020)0953),

—

gezien het verslag van de Commissie van 14 oktober 2020 over de gemaakte voortgang betreffende energie-efficiëntie (COM(2020)0954),

—

gezien het verslag van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Voortgangsverslag hernieuwbare energie” (COM(2020)0952),

—

gezien het verslag van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Energieprijzen en -kosten in Europa” (COM(2020)0951),

—

gezien de mededeling van de Commissie van 19 november 2020 getiteld “EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst” (COM(2020)0741),

—

gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2019 over de toekomst van energiesystemen in de energie-unie om de energietransitie en de energie- en klimaatdoelen voor 2030 en daarna te verwezenlijken,

—

gezien de conclusies van de Raad van 11 december 2020 over een nieuwe EU-klimaatdoelstelling voor 2030,

—

gezien de conclusies van de Europese Raad van 12 december 2019,

—

gezien het waterstofinitiatief dat het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad op 17 en 18 september 2018 in Linz heeft gelanceerd,

—

gezien het initiatief Duurzame en slimme gasinfrastructuur voor Europa, dat op 1 en 2 april 2019 in Boekarest is gelanceerd door het Roemeense voorzitterschap van de Raad,

—

gezien Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (1),

—

gezien Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (2),

—

gezien Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (3) (TEN-E-verordening),

—

gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (4) (verordening betreffende de Connecting Europe Facility), die momenteel wordt herzien,

—

gezien Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (5),

—

gezien Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (6),

—

gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (7) (richtlijn hernieuwbare energie),

—

gezien Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (8) (energie-efficiëntierichtlijn),

—

gezien Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (9),

—

gezien Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (10),

—

gezien Verordening (EU) nr. 559/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming brandstofcellen en waterstof 2 (11),

—

gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over klimaatverandering — een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs (12),

—

gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu (13),

—

gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de VN-klimaatconferentie van 2019 in Madrid, Spanje (COP25) (14),

—

gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (15),

—

gezien zijn resolutie van 2 juli 2020 over een alomvattende Europese benadering van energieopslag (16),

—

gezien zijn resolutie van 10 juli 2020 over de herziening van de richtsnoeren voor trans-Europese energie-infrastructuur (17),

—

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

—

gezien het advies van de Commissie vervoer en toerisme,

—

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A9-0062/2021),

A.

overwegende dat het Parlement, de Raad en de Commissie hun goedkeuring hebben gehecht aan de doelstelling van een klimaatneutrale economie tegen 2050, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs en op basis van billijkheid en de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens, met als doel de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot 1,5 oC boven het pre-industriële niveau;

B.

overwegende dat de Commissie als gemeenschappelijke doelstelling heeft voorgesteld om de broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen en dat het Parlement zijn goedkeuring heeft gehecht aan de doelstelling om de broeikasgasemissies tegen 2030 met 60 % te verminderen;

C.

overwegende dat uit het verslag over de stand van de energie-unie van 2020 blijkt dat de totale vraag naar energie in de EU weliswaar daalt, maar dat de vraag in bepaalde sectoren, zoals de vervoerssector en informatie- en communicatietechnologie (ICT), toeneemt;

D.

overwegende dat gebouwen verantwoordelijk zijn voor ongeveer 40 % van het totale energieverbruik in de EU en 36 % van de broeikasgasemissies door energie, en dat ICT verantwoordelijk is voor 5 à 9 % van het wereldwijde elektriciteitsverbruik;

E.

overwegende dat 70 % van de primaire energie die in 2017 in de EU werd gebruikt, afkomstig was van fossiele brandstoffen (olie, aardgas en steenkool) (18);

F.

overwegende dat het Internationaal Energieagentschap raamt dat ongeveer een derde van de wereldwijde methaanuitstoot door de energiesector wordt veroorzaakt;

G.

overwegende dat het om klimaatneutraliteit te verwezenlijken noodzakelijk is af te stappen van een systeem dat grotendeels op fossiele brandstoffen gebaseerd is, en de overstap te maken naar een zeer energie-efficiënt, klimaatneutraal en op hernieuwbare energie gebaseerd systeem;

H.

overwegende dat onder integratie van energiesystemen wordt verstaan: de gecoördineerde planning en werking van het energiesysteem als geheel, met verscheidene energiedragers en verbonden infrastructuur, en alle eindverbruikers;

I.

overwegende dat de integratie van energiesystemen een antwoord kan bieden op veel van de uitdagingen die voortvloeien uit de energietransitie, in het bijzonder de uitdaging van het koolstofvrij maken, optimaliseren en in evenwicht brengen van de energienetwerken om zo de voorzieningszekerheid te garanderen en de strategische autonomie van de EU te bevorderen;

J.

overwegende dat de gecombineerde groene en digitale transitie van de energienetwerken ongekende publieke en particuliere investeringen vergt in de modernisering van de infrastructuur en waar nodig de uitrol van nieuwe infrastructuur, alsook investeringen in de renovatie van gebouwen en onderzoek en ontwikkeling;

K.

overwegende dat de integratie van energiesystemen de transitie naar een klimaatneutrale economie kan versnellen en beoogt de kosten voor de Europese burgers, overheden en bedrijven binnen realistische grenzen te houden en tegelijk de energiezekerheid te vergroten, de volksgezondheid en het milieu te beschermen en groei, innovatie en wereldwijd industrieel leiderschap te bevorderen; overwegende dat een kostenefficiënte integratie van de energiesector moet worden bewerkstelligd;

L.

overwegende dat overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 het beginsel “energie-efficiëntie eerst” effectief moet worden toegepast bij alle planning van vraag en aanbod op energiegebied en alle beleids- en investeringsbeslissingen, hetgeen betekent dat elke beslissing stelselmatig moet worden getoetst aan alternatieve kostenefficiënte en technisch, economisch en ecologisch verantwoorde energie-efficiëntiemaatregelen;

M.

overwegende dat de COVID-19-crisis heeft aangetoond hoe belangrijk het is te kunnen vertrouwen op een veilig en flexibel energiesysteem; overwegende dat extra elektriciteits- en verwarmingskosten huishoudens meer onder druk hebben gezet;

1.   

steunt de richting die de Commissie aangeeft in haar mededeling over een strategie voor een geïntegreerd energiesysteem, namelijk een trapsgewijze prioriteit voor energie-efficiëntie en -besparing, decarbonisatie van het eindverbruik door middel van directe elektrificatie, en hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen voor toepassingen waarvoor geen alternatief bestaat; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat in een geest van solidariteit en samenwerking een coherente langetermijnaanpak wordt gevolgd en dat er een stabiel regelgevingskader wordt ontworpen voor de betrokken bedrijfstakken en de samenleving als geheel; onderstreept dat de particuliere sector, samen met de publieke sector, een sleutelrol zal spelen bij het welslagen en de doeltreffende uitvoering van deze strategie, en de bouw zal ondersteunen van een energiesysteem dat de EU op weg helpt naar klimaatneutraliteit in uiterlijk 2050;

2.   

is van mening dat een dergelijke strategie de Unie kan helpen een traject uit te stippelen om haar klimaatdoelstellingen te verwezenlijken en tegelijk de toegankelijkheid en betaalbaarheid van energie en de voorzieningszekerheid te handhaven door de ontwikkeling van een circulair, zeer energie-efficiënt, geïntegreerd, onderling verbonden, veerkrachtig, slim, multimodaal, billijk en koolstofvrij systeem; benadrukt dat deze strategie, met name in de nasleep van de COVID-19-pandemie, een visie moet omvatten die een klimaatneutrale economie ondersteunt, de energiezekerheid en het concurrentievermogen vergroot, de werkgelegenheid en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) stimuleert, de gezondheid en het milieu beschermt, en ook duurzame groei en innovatie bevordert;

3.   

herinnert eraan hoe belangrijk het is rekening te houden met de diversiteit van de nationale energiesystemen en uitdagingen; moedigt de Commissie aan om verschillende decarbonisatietrajecten te verkennen die elke lidstaat kunnen helpen om de meest efficiënte decarbonisatieoplossingen te gebruiken afhankelijk van zijn behoeften en middelen;

Energiesystemen optimaliseren en decarboniseren

4.

spreekt andermaal zijn steun uit voor het beginsel “energie-efficiëntie eerst”, dat inhoudt dat energiebesparing en efficiëntiewinsten voorrang moeten krijgen; herinnert eraan dat circulariteit en directe elektrificatie, waar mogelijk, een belangrijk traject in de richting van decarbonisatie vormen; benadrukt dat een veerkrachtig en klimaatneutraal energiesysteem moet worden ontwikkeld, rekening houdend met het beginsel van kostenefficiëntie; benadrukt dat er behoefte is aan een portefeuille van klimaatvriendelijke oplossingen die het mogelijk maken dat de meest energie-efficiënte en kosteneffectieve technologieën op de markt gedijen, die de koolstofvoetafdruk helpen verkleinen en die de energieonafhankelijkheid in de Unie helpen bevorderen;

5.

onderstreept de talrijke voordelen van grotere inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie, zoals minder afhankelijkheid van geïmporteerde energie, lagere verbruiksrekeningen, een betere concurrentiepositie van het bedrijfsleven en algemene klimaat- en milieuvoordelen;

6.

verzoekt de Commissie na te gaan of het beginsel “energie-efficiëntie eerst” kan worden toegepast bij de komende herzieningen van de wetgeving en methoden van de Unie en bij nieuwe initiatieven, met name voor scenario- en infrastructuurplanning en kosten-batenanalyses, en door middel van aanbevelingen aan de lidstaten over hun nationale wetgeving;

7.

merkt op dat het energieverbruik in de watersector hoog ligt; verzoekt de Commissie zich te beraden op energie-efficiëntiemaatregelen voor de watersector in de EU en op de mogelijkheid om gezuiverd afvalwater te gebruiken als plaatselijke bron van hernieuwbare energie bij de integratie van energiesystemen;

8.

merkt op dat de lidstaten en de Unie als geheel onvoldoende vooruitgang hebben geboekt op het gebied van energie-efficiëntie en renovatie van gebouwen, zoals uiteengezet in het voortgangsverslag van 2020 over energie-efficiëntie; dringt er bij de Commissie op aan de streefcijfers van de energie-efficiëntierichtlijn te herzien en ze na een grondige effectbeoordeling beter af te stemmen op de klimaatdoelstellingen, rekening houdend met haar aanbevelingen in het kader van het governanceproces van de energie-unie en het klimaatdoelstellingsplan; verzoekt de Commissie de bestaande maatregelen opnieuw te bezien en gerichtere beleidsmaatregelen vast te stellen, met name in de sectoren waar onvoldoende vooruitgang is geboekt, zoals het vervoer; is in dit verband ingenomen met de renovatiegolfstrategie en de komende herziening van Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (19); herinnert eraan dat het belangrijk is de gevolgen van de herziene streefcijfers voor ondernemingen, in het bijzonder kmo’s, te beoordelen;

9.

verzoekt de Commissie het beginsel van energie-efficiëntie uit te breiden tot de gehele waardeketen en tot alle soorten eindgebruik, als een kostenefficiënte manier om emissies te verminderen; verzoekt de Commissie concrete initiatieven voor te stellen om energieverlies in alle transmissie- en distributienetwerken te verminderen, door een herziening van de TEN-E-verordening en Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (20);

10.

is ingenomen met de nieuwe methaanstrategie van de EU; herinnert eraan dat het van essentieel belang is om snel systemen voor de monitoring van methaanemissies uit te rollen die berusten op satellietobservatietechnologieën zoals die welke in het kader van het Copernicus-programma zijn ontwikkeld; verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om de methaanemissies in de energiesector verder te verminderen; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om monitoring, rapportage en verificatie alsook lekdetectie en reparatie verplicht te stellen;

11.

wijst op het potentieel van hergebruik van afval, met name energie en afvalwarmte van industriële processen, bioafval, gebouwen en datacenters; vestigt de aandacht op de duurzame productie van energie uit landbouw, voedselconsumptie en bosbouw; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de verdere herziening van de kaderrichtlijn afvalstoffen doeltreffende stimulansen en bedrijfsmodellen te ontwikkelen om industriële afvalwarmte en onvermijdelijke afvalwarmte terug te winnen voor warmtenetwerken of opslag (21);

12.

vestigt de aandacht op de uitdaging om verwarming en koeling koolstofvrij te maken; dringt aan op de verdere uitvoering van de strategie betreffende verwarming en koeling, onder meer bij de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie en de energie-efficiëntierichtlijn, alsook op de totstandbrenging van een faciliterend kader bij de herziening van de richtsnoeren voor staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie (22); wijst op het potentieel van hoogrenderende lagetemperatuurnetwerken voor stadsverwarming van de vierde en vijfde generatie; merkt op dat zij een belangrijke rol kunnen spelen bij het op kostenefficiënte wijze koolstofvrij maken van verwarming in stedelijke en industriële gebieden; is verheugd dat stadsverwarmings- en koelingsnetwerken in aanmerking zullen komen voor financiering in het kader van de herziene verordening betreffende de Connecting Europe Facility en vraagt dat ze worden opgenomen als potentiële projecten van gemeenschappelijk belang in het kader van de TEN-E-verordening; vraagt de Commissie voorts om bij de opstelling van de tienjarige netwerkontwikkelingsplannen voor zowel het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB-E) als het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (ENTSB-G) rekening te houden met warmte-infrastructuur en warmteopslag; neemt met bezorgdheid nota van het lage vervangingspercentage van oude en inefficiënte verwarmingssystemen; is ingenomen met de lopende herziening van de secundaire wetgeving inzake energie-etikettering en ecologisch ontwerp van ruimte- en waterverwarmingstoestellen en -koelers; wijst op het potentieel van digitale instrumenten voor slim energiebeheer, waarbij evenwel cyberbeveiliging en gegevensbescherming moeten worden gegarandeerd;

13.

herinnert eraan dat de energietransitie jaarlijks 520 à 575 miljard EUR aan investeringen in infrastructuur zal vergen, alsook een passende en effectieve inzet van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie een inclusieve, geïntegreerde en realistische scenarioplanning te ontwikkelen, waarin verder rekening wordt gehouden met energie-efficiëntie en integratie van energiesystemen, in overeenstemming met het investeringsplan voor een duurzaam Europa; wijst erop dat de criteria voor duurzame investeringen van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame investeringen (23) in acht moeten worden genomen en dat er financiële instrumenten nodig zijn die volledig in overeenstemming zijn met de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en klimaatneutraliteit in uiterlijk 2050, om ervoor te zorgen dat dit niet leidt tot gestrande activa; onderstreept dat verscheidene Europese programma’s en financieringsinstrumenten een sleutelrol spelen bij het bevorderen van de energietransitie; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het gebruik van energiebronnen zoals aardgas slechts van tijdelijke aard is, gelet op de doelstelling om klimaatneutraliteit te bereiken; benadrukt dat bij de systeemintegratie maximaal gebruik moet worden gemaakt van bestaande energie-infrastructuur die kan bijdragen tot een kosteneffectieve transitie in vele sectoren;

14.

wijst nogmaals op het belang van het vooraf beoordelen van en anticiperen op de behoefte aan energie-efficiëntiemaatregelen, systeemintegratie of nieuwe infrastructuur voor de productie, interconnectiviteit, transmissie, distributie, opslag en omzetting van energie, teneinde het gebruik van de bestaande energie-infrastructuur in een klimaatneutrale economie te optimaliseren, de economische, ecologische en sociale levensvatbaarheid en de kostenefficiëntie ervan te waarborgen en zowel lock-ineffecten als gestrande activa te voorkomen; onderstreept hoe belangrijk het is het beginsel van technologieneutraliteit in acht te nemen bij de technologieën die nodig zijn om klimaatneutraliteit te bereiken, aangezien sommige van de technologieën die in de nabije toekomst nodig zullen zijn, nog investeringen in onderzoek en ontwikkeling vergen; eist dat bij elk infrastructuurproject voordat het wordt uitgevoerd, in een alternatief scenario wordt voorzien dat is gebaseerd op vermindering van de vraag en/of sectorintegratie;

15.

is ingenomen met de publicatie van de nieuwe EU-strategie voor hernieuwbare offshore-energie; benadrukt dat de snelle ontwikkeling van offshore-energie-eilanden van cruciaal belang is om de doelstelling inzake hernieuwbare-energiecapaciteit tegen 2030 te verwezenlijken; is van mening dat deze strategie een kans biedt om de opwekking van hernieuwbare energie op te voeren, het directe gebruik van elektriciteit te verhogen en indirecte elektrificatie, bijvoorbeeld met waterstof en synthetische brandstoffen, te bevorderen; vraagt daarom om een algehele herziening van de EU-wetgeving inzake energie-infrastructuur en een gerichte herziening van de desbetreffende richtsnoeren inzake staatssteun, teneinde de ontplooiing van alle hernieuwbare energiebronnen te bevorderen; wijst op het potentieel dat een verdere benutting van zonne-energie op distributieniveau biedt voor de burgers, de industrie en de overheidssector; verzoekt de lidstaten de vergunningsprocedures te vereenvoudigen en administratieve belemmeringen voor de productie van hernieuwbare energie weg te nemen;

16.

vraagt de Commissie de herziening van de TEN-E-verordening aan te grijpen om deze volledig in overeenstemming te brengen met de doelstelling van klimaatneutraliteit; onderstreept dat de beginselen van emissiereductie, digitalisering en integratie van energiesystemen moeten worden verankerd in de doelstellingen van de verordening en het tienjarenplan voor netwerkontwikkeling, alsook een planning op langere termijn die is afgestemd op de doelstelling van klimaatneutraliteit, teneinde onder meer gestrande kosten te vermijden; benadrukt dat investeringen om de bestaande infrastructuur te digitaliseren het beheer ervan aanzienlijk kunnen verbeteren door het gebruik van “digitale tweelingen”, algoritmen of artificiële intelligentie; is voorstander van een uitbreiding van het toepassingsgebied van de verordening tot energie-infrastructuur zoals opslag en waterstof; vraagt om een geïntegreerd, gecoördineerd netwerkplan waarin geleidelijk aan alle energiedragers en -infrastructuur worden opgenomen; benadrukt dat de infrastructuur van het energiesysteem moet worden geïntegreerd met de digitale systemen en de vervoerssystemen;

17.

moedigt de Commissie aan om bij de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ambitieuzere maatregelen en streefcijfers voor te stellen, teneinde het aandeel van hernieuwbare energie in alle sectoren te vergroten op basis van een grondige effectbeoordeling; benadrukt dat de overgang naar een energiesysteem op basis van hernieuwbare energiebronnen en een snellere elektrificatie van de eindgebruikerssectoren waar mogelijk moet worden bespoedigd, rekening houdend met de kosten en de energie-efficiëntie;

18.

is ingenomen met de vaststelling van de strategie inzake een renovatiegolf voor Europa, die de invoering van energie- en hulpbronnenefficiëntiemaatregelen en een hogere penetratie van hernieuwbare energiebronnen in gebouwen in de hele EU zal bespoedigen; verzoekt de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de synergieën tussen de energie- en de bouwsector om klimaatneutraliteit te bewerkstelligen; benadrukt dat de renovatie van het bestaande gebouwenbestand een aanvulling zal vormen op het koolstofvrij maken van de energieproductie;

19.

erkent de vorderingen die tot nu toe zijn gemaakt met de integratie van de energiemarkten in de EU met die van de verdragsluitende partijen van de Energiegemeenschap; wijst erop hoe belangrijk het is om samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie te bevorderen; benadrukt dat de mechanismen voor grensoverschrijdende samenwerking moeten worden versterkt bij de komende herziening van de richtlijn hernieuwbare energie ter bevordering van hernieuwbare energie;

20.

is ingenomen met de goedkeuring van de Europese waterstofstrategie; onderstreept dat prioriteit moet worden gegeven aan de totstandbrenging van een bevoorradingsketen voor duurzame waterstof in Europa, teneinde pioniersvoordelen, het concurrentievermogen van de industrie en de zekerheid van de energievoorziening te bevorderen; is ervan overtuigd dat hernieuwbare en koolstofarme waterstof kan helpen bij het verminderen van hardnekkige emissies zoals die van industriële processen en zwaar vervoer, waar directe elektrificatie wegens een lage kostenefficiëntie of om technische, sociale of ecologische redenen wellicht slechts in beperkte mate uitkomst biedt; herinnert aan de noodzaak om de bestaande waterstofproductie sneller koolstofvrij te maken; steunt de lancering van belangrijk projecten van gemeenschappelijk Europees belang op het gebied van waterstof; verzoekt de Commissie een alomvattend classificatie- en certificeringskader voor gasvormige dragers te ontwikkelen op basis van de broeikasgasemissiereducties gedurende de volledige levenscyclus en duurzaamheidscriteria, in overeenstemming met de aanpak van de richtlijn hernieuwbare energie ter bevordering van hernieuwbare energie; benadrukt dat een dergelijke classificatie van het grootste belang is voor marktdeelnemers, autoriteiten en consumenten; onderstreept dat er een robuust kader en een passende referentiewaarde moeten worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat er voldoende extra capaciteit voor de opwekking van hernieuwbare energie wordt ingezet in verhouding tot de behoefte aan hernieuwbare waterstof; verzoekt de Commissie in haar komende wetgevingsvoorstellen rekening te houden met deze diverse behoeften; verzoekt de Commissie te zorgen voor eerlijke en doeltreffende concurrentie tussen geïmporteerde waterstof van internationale partners en in de EU geproduceerde waterstof;

21.

onderstreept de rol die milieuveilige afvang, opslag en gebruik van koolstof (CCS/U) kunnen spelen bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europese Green Deal; is voorstander van een geïntegreerde beleidscontext ter stimulering van het gebruik van milieuveilige CCS/U-toepassingen die een nettoreductie van broeikasgasemissies opleveren, teneinde de zware industrie klimaatneutraal te maken wanneer er geen directe opties voor emissiereductie voorhanden zijn; neemt nota van het voorstel van de Commissie om in het kader van het industrieel platform schone energie een jaarlijks Europees CCUS-forum te organiseren om de opties voor het stimuleren van dergelijke projecten verder te bestuderen; herinnert eraan dat prioriteit moet worden gegeven aan directe emissiereducties en acties om de natuurlijke putten en reservoirs van de EU in stand te houden en te vergroten, bijvoorbeeld door middel van duurzaam bosbeheer;

22.

benadrukt dat het vervoer een belangrijke facilitator kan zijn voor het gebruik van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie en de lidstaten op basis van het beginsel van technologieneutraliteit tussen de technologieën die nodig zijn om klimaatneutraliteit te bewerkstelligen, een gunstig beleidskader en ambitieuze doelstellingen voor te stellen voor een rechtvaardige, betaalbare en evenwichtige transitie naar de decarbonisatie van alle vormen van passagiers- en goederenvervoer, met inbegrip van openbare vloten en netwerken, weg-, zee-, binnenvaart-, spoor- en luchtvervoer, in de eerste plaats door elektrificatie en waar dit niet mogelijk is, door duurzaam geproduceerde brandstoffen; is verheugd dat de Commissie bij de herziening van Richtlijn 2014/94/EU heeft aangekondigd dat er een miljoen oplaadpunten voor elektrische voertuigen zullen worden geplaatst; verzoekt de Commissie autofabrikanten aan te moedigen om netintegratie van elektrische voertuigen mogelijk maken; benadrukt dat de elektrificatienetwerken en de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen voor het Europese wagenpark moeten worden aangepast, en dat andere snel inzetbare oplossingen, met name in vervoersknooppunten, moeten worden ondersteund; onderstreept het potentieel voor interne samenwerking op het gebied van de decarbonisatie van grensoverschrijdend vervoer; benadrukt in dit opzicht de cruciale rol van de Vervoersgemeenschap en de Commissie om synergieën met de buurlanden tot stand te brengen en de overdracht van EU-normen inzake vervoersemissies te bespoedigen; benadrukt hoe belangrijk het openbaar vervoer is voor het verminderen van de vraag naar energie en dat zowel in stedelijke als in plattelandsgebieden koolstofvrij openbaar vervoer moet worden ontwikkeld en uitgebreid;

23.

benadrukt dat er sectoren zijn waarvan het energieverbruik toeneemt, zoals de vervoerssector, de toeristische sector en de ICT-sector; steunt de Commissie in haar onderzoek naar de synergieën tussen stadsverwarmings- en -koelingsnetwerken en bronnen van onvermijdelijke afvalwarmte; is ingenomen met de toezegging in het kader van de digitale strategie van de EU om datacenters tegen 2030 klimaatneutraal te maken; verzoekt de Commissie een actieplan voor te stellen voor de participatie van de sector toerisme in het proces van de integratie van het energiesysteem, waarbij onder meer wordt gekeken naar de bevordering van spoorwegtoerisme, zachte mobiliteit en e-mobiliteit en de totstandbrenging van circulaire-energiegemeenschappen in duurzaam toerisme;

Energiesystemen in evenwicht houden

24.

merkt op dat de elektriciteitsnetten in evenwicht houden en pieken in de vraag en de productie beheren, ingewikkelder zal worden naarmate de opwekkingsmix in toenemende mate gedecentraliseerd en hernieuwbaar zal zijn, en onderstreept in dit verband de rol van vraagrespons, opslag en slim energiebeheer; wijst erop dat overstappen op gedecentraliseerde energieproductie tal van voordelen biedt: het kan het gebruik van lokale energiebronnen bevorderen, wat leidt tot meer lokale energievoorzieningszekerheid, gemeenschapsontwikkeling en cohesie doordat nieuwe bronnen van inkomsten worden aangeboord en nieuwe banen worden geschapen; herinnert eraan dat de lidstaten vrij blijven om hun energiemix te bepalen, waarvan de diversiteit van fundamenteel belang is om de voorzieningszekerheid te waarborgen;

25.

benadrukt dat interconnecties belangrijker dan ooit zijn om hernieuwbare energie te transporteren naar de gebieden met de grootste vraag en het energiesysteem als geheel in evenwicht te houden; benadrukt dat de handel in elektriciteit moet worden gemaximaliseerd en dat uitvoering moet worden gegeven aan de verplichting uit hoofde van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) 2019/943 om ten minste 70 % van de bestaande interconnectiecapaciteit te gebruiken; onderstreept dat de Commissie en de betrokken lidstaten doeltreffende maatregelen moeten nemen om het gebrek aan offshoreaansluitingen te verhelpen, gezien de toenemende rol van offshore-energie in een geïntegreerd energiesysteem;

26.

betreurt dat een aantal lidstaten de doelstelling van 10 % elektriciteitsinterconnectie in 2020 nog niet hebben gerealiseerd; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het streefcijfer voor elektriciteitsinterconnectie voor 2030 op te trekken tot 15 %, op voorwaarde dat zij nationale investeringen beter ondersteunt via de lijst van projecten van gemeenschappelijk belang; moedigt de Commissie aan de werkzaamheden van de deskundigengroep inzake interconnectiedoelstellingen nieuw leven in te blazen;

27.

merkt op dat de elektriciteitsnetinfrastructuur verder moet worden verbeterd door middel van digitalisering en automatisering, teneinde het systeem flexibeler te maken en synergieën met andere energiedragers te benutten; is ingenomen met de aankondiging door de Commissie van een actieplan voor de digitalisering van energie, met als doel een competitieve markt voor digitale energiediensten te ontwikkelen die gegevensbescherming en soevereiniteit waarborgt en investeringen in digitale energie-infrastructuur ondersteunt; benadrukt dat slimme netwerken een toenemende penetratie van gedecentraliseerde en flexibele hernieuwbare energie mogelijk zullen maken, alsook een sterk onderling verbonden elektriciteitssysteem;

28.

herhaalt dat de Europese capaciteit voor energieopslag een essentiële bron van flexibiliteit en voorzieningszekerheid is; wijst erop dat de regelgevingsbelemmeringen voor de installatie van opslagvoorzieningen moeten worden afgebouwd; verzoekt de Commissie bij haar komende herziening van Richtlijn 2003/96/EG na te gaan hoe de kosten van belastingen en heffingen op energieomzetting en energieopslag kunnen worden verlaagd en hoe mogelijke dubbele belastingheffing op opslagprojecten kan worden voorkomen; herinnert eraan hoe belangrijk het is te zorgen voor volledige interoperabiliteit van de verschillende transport- en opslagsystemen, ook die welke van grensoverschrijdend belang zijn en met derde landen zijn verbonden; dringt er bij de Commissie op aan die richtlijn te herzien en daarbij onnodige marktverstoringen ten nadele van andere energiebronnen en nadelige gevolgen voor de consument te voorkomen;

29.

verzoekt de lidstaten de toegang tot kapitaal voor alle energieopslagprojecten te verbeteren en hierbij de nadruk te leggen op de modernisering van bestaande infrastructuur; verzoekt de Commissie in de volgende lijst van projecten van gemeenschappelijk belang en bij de herziening van de richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie verder rekening te houden met de noodzaak om opslaginfrastructuur uit te rollen;

30.

neemt met bezorgdheid nota van de grote afhankelijkheid van de EU van de invoer van lithium-ionbatterijen; is derhalve ingenomen met de in het strategisch actieplan voor batterijen (24) vastgestelde aanpak, met name de diversificatie van de grondstoffenbronnen, de ontwikkeling van alternatieven voor zeldzame aardmetalen, de volledige benutting van het handelsbeleid van de EU om een duurzame en zekere voorziening te waarborgen en de ontwikkeling van stimulansen voor circulariteit, alsook met de oprichting van de Europese Alliantie voor batterijen;

31.

herinnert aan de aanvullende rol die Power-to-X-technologieën kunnen spelen bij het in evenwicht brengen van netwerken om knelpunten in de infrastructuur weg te werken, het transporteren van energie en het bieden van flexibiliteit en seizoensgebonden opslag van warmte en elektriciteit, aangezien zij gemakkelijk in de bestaande infrastructuur kunnen worden geïntegreerd; is ervan overtuigd dat deze technologieën zullen bijdragen tot de integratie van het groeiende aandeel van hernieuwbare elektriciteitsproductie; merkt op dat de capaciteit voor de opslag van waterstof moet worden ontwikkeld;

32.

herinnert aan het belang van interconnectoren en samenwerking tussen netwerkbeheerders; is ingenomen met de oprichting van regionale coördinatiecentra in het kader van Verordening (EU) 2019/943; is van mening dat de transmissiesysteembeheerders een geïntegreerde en sectoroverschrijdende aanpak moeten volgen voor de toekomstige planning van de netwerken, alsook voor de samenhang met de klimaat- en energiedoelstellingen en de nationale energie- en klimaatplannen;

33.

wijst op de voordelen van een “multidirectioneel” systeem waarin consumenten een actieve rol spelen in de energievoorziening; herinnert eraan dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat alle burgers het recht hebben om individueel of als gemeenschap hun eigen energie te produceren, te verbruiken en op te slaan, en onderstreept in dit verband de rol van flexibiliteitsopties bij de overgang van een aanbodgestuurd naar een vraaggestuurd energiesysteem, waarbij actieve consumenten via digitale oplossingen kunnen reageren op de vraag, met volledige inachtneming van de algemene verordening gegevensbescherming (25); verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan hoe de ontwikkeling van een Europese markt voor flexibiliteit aan de vraagzijde verder kan worden gestimuleerd, onder meer door middel van gemeenschappelijke normen voor flexibiliteit bij het eindgebruik en een beoordeling van de potentiële voordelen en gevolgen voor de kosten van energiesystemen; is ingenomen met flexibele, geïntegreerde energiesystemen waarmee wordt beoogd de sector stadsverwarming en -koeling te optimaliseren, alsook met het gebruik van efficiënte en flexibele hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, die helpt om het elektriciteitsnet in evenwicht te brengen, op kosteneffectieve wijze gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen en restwarmte op lokaal/regionaal niveau te integreren; vraagt dat Richtlijn (EU) 2019/944 en de daarin vervatte bepalingen inzake vraagzijderespons snel worden uitgevoerd;

34.

wijst op de rol die elektrische mobiliteit kan spelen als vorm van slimme integratie van de energie- en de vervoerssector door het ontsluiten van flexibiliteitscapaciteiten; benadrukt dat de elektrificatie van de vervoerssector de strategische autonomie van de Unie op energiegebied kan vergroten door de behoefte aan geïmporteerde fossiele brandstoffen te verminderen; onderstreept het opslag- en flexibiliteitspotentieel van de uitrol van technologieën om voertuigen in het netwerk te integreren, en merkt op dat daarvoor de interoperabiliteit tussen energiesystemen en elektrische voertuigen nodig is;

35.

herinnert eraan hoe belangrijk het is cyberbeveiligingsrisico’s in de energiesector aan te pakken om de veerkracht van de energiesystemen te waarborgen; onderstreept dat het toenemende aantal geconnecteerde producten, zoals verwarmingstoestellen, elektrische voertuigen en slimme meters, het risico van cyberaanvallen op het elektriciteitssysteem kan vergroten; dringt er bij de Commissie op aan cyberbeveiligingsrisico’s snel aan te pakken door in het kader van de elektriciteitsnetcode inzake cyberbeveiliging een hoog niveau van cyberbeveiliging van geconnecteerde producten vast te stellen;

36.

wijst erop dat voor een meer hernieuwbaar en gedecentraliseerd en beter geïntegreerd energiesysteem een betere voorspelling van de energievraag nodig is en dat de vraag meer realtime moet worden afgestemd op het aanbod en de opslag van verschillende energiedragers; wijst in dit opzicht op de cruciale rol van digitalisering voor de verwerking van statistische en meteorologische gegevens; verzoekt de Commissie en de lidstaten een interne markt voor digitale energietechnologieën te ontwikkelen en daarbij de privacy en de persoonsgegevens van de consumenten te beschermen; moedigt de lidstaten aan om de in het kader van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen (26) ontwikkelde indicator van gereedheid voor slimme toepassingen toe te passen om het potentieel voor flexibiliteit aan de vraagzijde op gebouwniveau te benutten; benadrukt dat hiervoor meer gemeenschappelijke normen voor gegevensuitwisseling nodig zullen zijn; is verheugd dat de Commissie van plan is een actieplan voor de digitalisering van energie vast te stellen om het technologische leiderschap van de EU te bevorderen en een meer geïntegreerd energiesysteem mogelijk te maken met slimme oplossingen in specifieke sectoren (zoals slimme netwerken, efficiënter en veiliger vervoer en energiebesparing in gebouwen), met een betere financiering voor de periode 2021-2027;

37.

wijst nogmaals op de cruciale rol die het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators speelt bij de integratie van het energiesysteem en de uitvoering van de energiewetgeving van de EU; verzoekt de Commissie en lidstaten ervoor te zorgen dat het agentschap over voldoende middelen beschikt om zijn taken uit te voeren;

De toegankelijkheid en betaalbaarheid van energie voor alle burgers en bedrijven waarborgen

38.

herinnert eraan dat het optreden van de Unie op energiegebied in de eerste plaats tot doel heeft de goede werking van de markt te waarborgen, rekening houdend met de noodzaak om het milieu in stand te houden en te verbeteren; verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om de goede werking van de energiemarkten te waarborgen, te zorgen voor de volledige uitvoering van het acquis voor de interne energiemarkt, met inbegrip van het pakket schone energie, de consumentenrechten in de gas- en de stadsverwarmingssector af te stemmen op die van de elektriciteitsconsumenten, en hen te helpen bij te dragen aan het koolstofvrij maken van de economie; benadrukt hoe belangrijk het is om klanten naar de meest energie-efficiënte en kosteneffectieve decarbonisatieoptie te leiden aan de hand van prijzen die een correcte afspiegeling zijn van alle kosten van de gebruikte energiedrager; is ingenomen met het initiatief om Richtlijn 2003/96/EG te herzien en om te vormen tot een instrument waarmee het belastingbeleid wordt afgestemd op de energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050; verzoekt de Commissie en de lidstaten de klimaatdoelstellingen in deze richtlijn te integreren; toepassingsgebied van de richtlijn moet worden herzien en dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen fossiele gassen, koolstofarme gassen en hernieuwbare gassen om de ontwikkeling van duurzame alternatieven te stimuleren; verzoekt de lidstaten onnodige belastingen en heffingen af te schaffen zodat de belastingheffing wordt geharmoniseerd, schone en innovatieve technologieën te bevorderen en voor concurrerende energiekosten in Europa te zorgen; verzoekt de lidstaten werk te maken van de geleidelijke afschaffing van alle directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen;

39.

is het eens met de analyse van de Commissie dat er verder moet worden gewerkt aan de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen, dat er consistentere prijssignalen moeten worden gegeven in alle energiesectoren en in alle lidstaten, dat er een gebrek is aan consistentie met betrekking tot hoge niet-energiegerelateerde kosten en heffingen voor rekening van de elektriciteitsafnemers, en dat externe kosten niet worden geïnternaliseerd; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de bekende problemen te verhelpen door middel van doeltreffende regelgevende maatregelen;

40.

is ervan overtuigd dat energieverbruikers moeten worden aangemoedigd om actiever te zijn; is ingenomen met de inwerkingtreding van de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/944 die actieve consumenten in staat stellen ten volle deel te nemen aan de markt en de vruchten van hun activiteiten te plukken; verzoekt de Commissie na te gaan welke belemmeringen er nog zijn voor de ontwikkeling van het verbruik van eigen hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, met name als het gaat om huishoudens met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens en industriële verbruikers; vraagt dat in het kader van de geplande voorlichtingscampagne voor consumenten transparante informatie wordt verstrekt over het klimaateffect van energiekeuzes;

41.

wijst op het potentieel van de geïntegreerde hernieuwbare-energiesystemen om consumenten te empoweren om energie op te wekken, te verbruiken, op te slaan en te verkopen; is van mening dat dit energiegemeenschappen ook mogelijkheden biedt om de energie-efficiëntie op het niveau van huishoudens te verbeteren en energiearmoede te helpen bestrijden;

42.

wijst nogmaals op het potentieel van energiegemeenschappen en micronetwerken om de toegang tot duurzamere energie te ontwikkelen, met name in afgelegen gebieden, op eilanden en in ultraperifere gebieden; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat deze gebieden worden geïntegreerd in de trans-Europese energienetwerken, en dat er projecten moeten worden opgezet om eilanden of groepen eilanden zelfvoorzienend te maken op basis van hernieuwbare energiebronnen, naar het voorbeeld van het Tilos-project van Horizon 2020;

43.

verzoekt de Commissie regels voor te stellen die energiegemeenschappen van burgers in staat stellen verder deel te nemen aan de integratie van het energiesysteem, bijvoorbeeld door aansluiting op verwarmingsnetwerken, oplaadpunten voor elektrische mobiliteit, opslag of vraagresponsapparatuur, in aanvulling op de productie van hernieuwbare energie;

Zorgen voor Europees leiderschap op het gebied van duurzame en hernieuwbare energietechnologieën

44.

herinnert eraan dat een van de doelstellingen van de energie-unie erin bestaat onze afhankelijkheid van invoer te verminderen en te zorgen voor voorzieningszekerheid en technologische onafhankelijkheid; vraagt de EU lering te trekken uit de huidige economische crisis en toe te werken naar meer autonomie in strategische waardeketens; is van mening dat de totstandbrenging van synergieën kan helpen deze doelstelling te verwezenlijken;

45.

benadrukt dat het van belang is het concurrentievermogen van de Europese technologieën te vergroten om de autonomie van de Unie in de strategische energiesector te bevorderen; vraagt de Commissie onderzoek en innovatie te steunen via de verschillende structuurfondsen en sectorale fondsen; herinnert aan het mondiale leiderschap van de Unie op het gebied van satelliettechnologie voor emissiemeting, in het bijzonder de atmosfeermonitoringdienst van Copernicus; herinnert aan de deskundigheid van het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op middellange termijn op het gebied van weersvoorspellingen en derhalve het anticiperen op fluctuaties in de energievraag; verzoekt de Commissie te overwegen verdere steun te verlenen voor technologieën die zullen bijdragen tot een klimaatbestendig en geïntegreerd energiesysteem, ook daar waar Europa wereldleider is en over eigen waardeketens beschikt;

46.

neemt er met bezorgdheid nota van dat er in de conclusies van het “Verslag over de stand van de energie-unie 2020” op wordt gewezen dat de investeringen in onderzoek en innovatie op het gebied van schone energietechnologieën afnemen; wijst nogmaals op de cruciale rol van de EU-steun voor onderzoek en innovatie, in het bijzonder voor disruptieve innovatie; is ingenomen met de verhoging van het budget voor onderzoek in het programma Horizon Europa en met de oprichting van de Europese onderzoeksruimte;

47.

benadrukt dat de transitie rechtvaardig moet zijn en verzoekt de Commissie en de lidstaten in alle betreffende wetgevingsvoorstellen aandacht te besteden aan structurele veranderingen in de energiesector teneinde de transitie naar klimaatneutraliteit te helpen vergemakkelijken; herhaalt de in de nieuwe Green Deal vervatte belofte dat niemand mag worden achtergelaten; merkt in dit opzicht op dat het van het grootste belang is om werknemers in sectoren die door de groene transitie dreigen te verdwijnen, om te scholen; beklemtoont hoe waardevol de jarenlange Europese deskundigheid op het gebied van de integratie van energiesystemen is en verzoekt de lidstaten deze deskundigheid naar waarde te schatten en te helpen overdragen van de fossiele energiesector naar een klimaatneutraal en sectoraal geïntegreerd energiesysteem;

48.

vestigt de aandacht op de volgende baanbrekende procesinnovaties en technologieën die verder moeten worden ontwikkeld vanuit het perspectief van de circulaire economie en in het kader van een doeltreffende strategie voor sectorintegratie:

(a)

zeer efficiënte en op hernieuwbare waterstof gebaseerde staalproductie, waarbij het recyclen van staal wordt gecombineerd met de productie van permanente ijzeren mallen,

(b)

stadsverwarming via ondergronds transport van overtollige warmte,

(c)

slim opladen en een “modal shift” in de vervoerssector,

(d)

duurzame vervanging van petrochemische en agrochemische producten en de daarmee verband houdende processen,

(e)

nieuwe generatie van batterijproductie en -recycling,

(f)

en technologieën voor het onderdompelen van datacenters waardoor hun energiebehoefte en restwarmte aanzienlijk afnemen;

49.

is ingenomen met de genomen initiatieven voor strategische waardeketens; vraagt dat technologieën voor hernieuwbare energie worden erkend als strategische waardeketen, dat er een alliantie wordt opgericht ter ondersteuning van de inspanningen om deze technologieën op te schalen, en dat er een initiatief wordt ontplooid om de proces- en energie-efficiëntie te verbeteren; verzoekt de Commissie te zorgen voor een transparant bestuur van alle allianties, met deelname van kmo’s, het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties en onafhankelijke deskundigen, waarbij de geografische diversiteit wordt gewaarborgd;

o

o o

50.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.

(2)  PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1.

(3)  PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39.

(4)  PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.

(5)  PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1.

(6)  PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1.

(7)  PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.

(8)  PB L 328 van 21.12.2018, blz. 210.

(9)  PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125.

(10)  PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54.

(11)  PB L 169 van 7.6.2014, blz. 108.

(12)  PB C 23 van 21.1.2021, blz. 11.

(13)  Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0078.

(14)  Aangenomen teksten, P9_TA(2019)0079.

(15)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.

(16)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0198.

(17)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0199.

(18)  Verslag van Eurostat van 2019 over energie-, vervoers- en milieustatistieken: https://ec.europa.eu/eurostat/documents/3217494/10165279/KS-DK-19-001-EN-N.pdf/76651a29-b817-eed4-f9f2-92bf692e1ed9

(19)  PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75.

(20)  PB L 280 van 28.10.2017, blz. 1.

(21)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(22)  Richtsnoeren voor staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie.

(23)  PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.

(24)  Bijlage II bij de mededeling van de Commissie van 17 mei 2018 getiteld “Europa in beweging: Duurzame mobiliteit voor Europa: veilig, geconnecteerd en schoon” (COM(2018)0293).

(25)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(26)  Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).