<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><ORDER xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.ORDER><REF.CASE FILE="ECRT11996NLA.0100018101.case.xml"><NO.CASE>T-134/95</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61995B0134</NO.CELEX><NO.SEQ>0008.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST>183</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>194</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>12</PAGE.TOTAL><AUTHOR>T</AUTHOR></BIB.ORDER><CURR.TITLE><LEFT>BESCHIKKING VAN <DATE ISO="19960314">14.3.1996</DATE> — ZAAK T-134/95</LEFT><RIGHT>DYSAN MAGNETICS EN REVIEW MAGNETICS / COMMISSIE</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Beschikking van het Gerecht</HT> (Derde kamer — uitgebreid)</P><P><DATE ISO="19960314">14 maart 1996</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING="STAR"><P>Procestaai: Engels.</P></NOTE></P></TI></TITLE><ORDER.INIT><P>In zaak T-134/95,</P></ORDER.INIT><PARTIES><PLAINTIFS><P><HT TYPE="BOLD">Dysan Magnetics Ltd,</HT> een vennootschap naar Engels recht, te Reading (Verenigd Koninkrijk),</P><P>en</P><P><HT TYPE="BOLD">Review Magnetics (Macao) Ltd,</HT> een vennootschap naar Portugees recht, te Macao, vertegenwoordigd door M. Clough en M. Brealey, Barristers, geïnstrueerd door Rosenblatt, Solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,</P><PARTY.STATUS>verzoeksters,</PARTY.STATUS></PLAINTIFS><AGAINST>tegen</AGAINST><DEFENDANTS><P><HT TYPE="BOLD">Commissie van de Europese Gemeenschappen,</HT> vertegenwoordigd door N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,</P><PARTY.STATUS>verweerster,</PARTY.STATUS></DEFENDANTS></PARTIES><?PAGE NO="II-184"?><SUBJECT><P>betreffende een beroep tot nietigverklaring van het bericht van inleiding van een anti-dumpingprocedure met betrekking tot de invoer van bepaalde magneetschijven (3,5" microschijven) van oorsprong uit Canada, Indonesië, Macao en Thailand (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="084" DATE.PUB="1995" PAGE.FIRST="4">PB 1995, C 84, biz. 4</REF.DOC.OJ>),</P><P>geeft</P></SUBJECT><PREAMBLE.GEN><PREAMBLE.INIT><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer — uitgebreid),</P><P>samengesteld als volgt: C. P. Briët, kamerpresident, B. Vesterdorf, P. Lindh, A. Potocki en J. L. Cooke, rechters,</P><P>griffier: H.Jung</P></PREAMBLE.INIT><PREAMBLE.FINAL><P>de navolgende</P></PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE.GEN><CONTENTS.ORDER><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Beschikking</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De feiten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>1</NO.P><TXT>In 1994 en 1995 heeft Dysan Magnetics 3,5 duims magneetschijven in de Gemeenschap ingevoerd, die zij had gekocht van Review Magnetics (Macao) Ltd.</TXT></NP><?PAGE NO="II-185"?><NP><NO.P>2</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19940930">30 september 1994</DATE> diende het Committee of the European Diskette Manufacturers bij de Commissie een klacht in over dumpingpraktijken bij de invoer van bepaalde magneetschijven waardoor de EG-bedrijfstak ernstig werd geschaad.</TXT></NP><NP><NO.P>3</NO.P><TXT>Naar aanleiding van deze klacht begon de Commissie een onderzoek overeenkomstig artikel 5 van verordening (EG) nr. 3283/94 van de Raad van <DATE ISO="19941222">22 december 1994</DATE> inzake beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="349" DATE.PUB="1994" PAGE.FIRST="1">PB 1994, L 349, biz. 1</REF.DOC.OJ>). Bij bericht in het <HT TYPE="ITALIC">Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen</HT> van <DATE ISO="19950406">6 april 1995</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="084" DATE.PUB="1995" PAGE.FIRST="4">PB 1995, C 84, biz. 4</REF.DOC.OJ>) werd de inleiding bekendgemaakt van een anti-dumpingprocedure met betrekking tot de invoer van bepaalde magneetschijven (3,5" microschijven) van oorsprong uit Canada, Indonesië, Macao en Thailand.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Conclusies van partijen en procesverloop</P></TI></TITLE><NP><NO.P>4</NO.P><TXT>Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op <DATE ISO="19950622">22 juni 1995</DATE>, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld, waarin zij vorderen dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>nietig te verklaren het besluit van de Commissie van <DATE ISO="19950406">6 april 1995</DATE> om een antidumpingprocedure in te leiden met betrekking tot de invoer van bepaalde magneetschijven (3,5" microschijven) van oorsprong uit Canada, Indonesië, Macao en Thailand;</P></ITEM><ITEM><P>de Commissie in de kosten te veroordelen.</P></ITEM></LIST></P></NP><?PAGE NO="II-186"?><NP><NO.P>5</NO.P><TXT>Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht óp <DATE ISO="19950907">7 september 1995</DATE>, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid geopend, waarin zij vordert dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>verzoeksters in de kosten te verwijzen.</P></ITEM></LIST></P></NP><NP><NO.P>6</NO.P><TXT>In hun op <DATE ISO="19951025">25 oktober 1995</DATE> ingediende opmerkingen met betrekking tot de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoeksters tot verwerping van de exceptie.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>In rechte</P></TI></TITLE><NP><NO.P>7</NO.P><TXT>Ingevolge artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. Het Gerecht (Derde kamer — uitgebreid) is van oordeel, dat het in casu over voldoende inlichtingen beschikt en dat de mondelinge behandeling niet behoeft te worden geopend.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>De ontvankelijkheid</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><P>Argumenten van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>8</NO.P><TXT>De Commissie bestrijdt de ontvankelijkheid met het betoog, dat de inleiding van een anti-dumpingprocedure geen handeling is waartegen een beroep tot nietigverklaring<?PAGE NO="II-187"?> kan worden ingesteld. Op grond van het arrest van het Hof van <DATE ISO="19811111">11 november 1981</DATE> (zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="60/81" YEAR="1981" PAGE.ECR="2639">60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639, r. o. 9</REF.DOC.ECR>) en het arrest van het Gerecht van <DATE ISO="19921218">18 december 1992</DATE> (gevoegde zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-10/92+T-11/92+T-12/92+T-15/92" YEAR="1992" PAGE.ECR="II-2667">T-10/92, T-11/92, T-12/92 en T-15/92, Cimenteries CBR e. a., Jurispr. 1992, blz. II-2667, r. o. 42</REF.DOC.ECR>) stelt zij, dat de inleiding van een anti-dumpingprocedure een voorbereidingshandeling is die geen onherroepelijke wijziging in de rechtspositie van verzoeksters teweegbrengt.</TXT></NP><NP><NO.P>9</NO.P><TXT>Het feit dat aan het begin van een procedure vragenlijsten worden verzonden die binnen een bepaalde termijn moeten worden beantwoord en waarop de mededeling voorkomt dat het best beschikbare bewijsmateriaal in aanmerking wordt genomen, toont eveneens aan dat het enkel gaat om een eerste stap in een procedure die tot het instellen van anti-dumpingrechten kan leiden (zie met name arrest van het Hof van <DATE ISO="19900314">14 maart 1990</DATE>, gevoegde zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-133/87+C-150/87" YEAR="1990" PAGE.ECR="I-719">C-133/87 en C-150/87, Nashua Corporation e. a., Jurispr. 1990, blz. I-719, r. o. 9</REF.DOC.ECR>). Het voorbereidende karakter van de inleiding van een dergelijke procedure blijkt voorts uit het feit, dat slechts de Raad bevoegd is om definitieve rechten in te stellen (zie conclusie van advocaatgeneraal Mischo in voormelde zaak Nashua Corporation, ibidem, blz. I-742).</TXT></NP><NP><NO.P>10</NO.P><TXT>De Commissie wijst er verder op, dat een beschikking ex artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van <DATE ISO="19620206">6 februari 1962</DATE>, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>verordening nr. 17<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>), waarbij een onderneming wordt verplicht zich aan een verificatie te onderwerpen, wel een voor beroep vatbare handeling is, omdat deze voor de betrokken onderneming een medewerkingsplicht inhoudt die in geval van weigering kan worden afgedwongen door middel van een dwangsom krachtens artikel 16 van de verordening. Anders dan verordening nr. 17 verleent verordening nr. 3283/94 de Commissie geen onderzoeksbevoegdheid. In een anti-dumpingonderzoek kan van ondernemingen binnen of buiten de Gemeenschap slechts informatie worden verkregen, voor zover zij bereid zijn die te verschaffen.</TXT></NP><NP><NO.P>11</NO.P><TXT>Refererend aan het reeds aangehaalde arrest Cimenteries CBR (r. o. 47) stelt de Commissie, dat noch een besluit om een bepaalde exporteur als weigerachtig tot<?PAGE NO="II-188"?> medewerking te behandelen, noch de talloze andere besluiten die over de methode van onderzoek moeten worden genomen, rechtsgevolgen kunnen teweegbrengen tenzij — en totdat — er anti-dumpingrechten worden ingesteld. De betrokken partijen zijn evenals de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar ook geenszins verplicht om wegens de inleiding van de procedure hun handelspraktijken te wijzigen (arrest IBM, reeds aangehaald, r. o. 19). Een dergelijke wijziging na de inleiding van de procedure heeft zelfs geen enkele invloed op de uitslag daarvan, aangezien de beslissing om al dan niet anti-dumpingrechten in te stellen, afhangt van de resultaten van het onderzoek en van de vaststelling van een schade veroorzaakt door de vroegere handelspraktijken, vóór de inleiding van de procedure.</TXT></NP><NP><NO.P>12</NO.P><TXT>De Commissie stelt verder, dat ook indien de inleiding van een antidumpingprocedure een voor beroep vatbaar besluit zou vormen, verzoeksters niet rechtstreeks en individueel worden geraakt. In een bericht van inleiding van een anti-dumpingprocedure worden enkel het produkt en de betrokken landen aangegeven, zonder nadere vermelding van exporteurs of importeurs. Bij de inleiding van de procedure is het aantal en de identiteit van de betrokken personen derhalve niet bepaald en verifieerbaar, zodat een dergelijk bericht niemand rechtstreeks en individueel kan raken (arrest Hof van <DATE ISO="19650701">1 juli 1965</DATE>, gevoegde zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="106/63+107/63" YEAR="1965" PAGE.ECR="507">106/63 en 107/63, Toepfer, Jurispr. 1965, blz. 507, 517</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>13</NO.P><TXT>Verzoeksters menen, dat het besluit om een anti-dumpingprocedure in te leiden een voor beroep vatbare handeling is. Zij baseren zich daartoe op de rechtspraak van het Hof inzake de ontvankelijkheid van beroepen tegen besluiten van de Commissie om een procedure ex artikel 93, lid 2, EG-Verdrag betreffende staatssteun in te leiden (arresten Hof van <DATE ISO="19920630">30 juni 1992</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-312/90" YEAR="1992" PAGE.ECR="I-4117">C-312/90, Spanje/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-4117, r. o. 21-23</REF.DOC.ECR>, en zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-47/91" YEAR="1992" PAGE.ECR="I-4145">C-47/91, Italië/Commissie, ibidem, blz. I-4145, r. o. 27-29</REF.DOC.ECR>). De inleiding van een procedure houdt een definitieve standpuntbepaling van de Commissie in (arresten IBM, reeds aangehaald, r. o. 21 tot en met 23, en Italië/Commissie, reeds aangehaald, r. o. 27-29), die rechtsgevolgen in het leven roept welke hun belangen kunnen aantasten doordat zij hun rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.</TXT></NP><?PAGE NO="II-189"?><NP><NO.P>14</NO.P><TXT>Zij stellen, dat het besluit tot inleiding van de anti-dumpingprocedure de rechtsgrondslag van het onderzoek is. De inleiding van het onderzoek heeft hun rechtspositie aanmerkelijk gewijzigd, aangezien hun dientengevolge vragenlijsten zijn toegezonden (artikel 6, lid 2, van verordening nr. 3283/94) die zij binnen 40 dagen moesten beantwoorden. Ook kunnen controlebezoeken worden uitgevoerd bij hun kantoren (artikel 16 van verordening nr. 3283/94) en kan de Commissie, ingeval zij medewerking weigeren, hun een hoger anti-dumpingrecht opleggen (artikel 18 van verordening nr. 3283/94).</TXT></NP><NP><NO.P>15</NO.P><TXT>Een besluit tot inleiding van een anti-dumpingprocedure is hun inziens te vergelijken met een verificatiebeschikking van de Commissie ex artikel 14 van verordening nr. 17, wat een voor beroep vatbare handeling is (arrest Hof van <DATE ISO="19890921">21 september 1989</DATE>, gevoegde zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="46/87+227/88" YEAR="1989" PAGE.ECR="2859">46/87 en 227/88, Hoechst, Jurispr. 1989, blz. 2859</REF.DOC.ECR>). Juist omdat dat besluit de aanzet voor het instellen van een onderzoek is en de Commissie in staat stelt verificaties te verrichten en sancties op te leggen, is in artikel 5 van verordening nr. 3283/94 bepaald dat het besluit om een procedure in te leiden, op voldoende bewijsmateriaal moet berusten.</TXT></NP><NP><NO.P>16</NO.P><TXT>Verzoeksters stellen vervolgens op drie gronden, dat de inleiding van een antidumpingprocedure een definitieve maatregel is. In de eerste plaats is de Commissie verplicht om naar aanleiding van de klacht te handelen: zij moet haar afwijzen indien er onvoldoende bewijs van dumping of schade is (artikel 5, lid 7, van verordening nr. 3283/94) dan wel een anti-dumpingprocedure inleiden ingeval het bewijsmateriaal toereikend is (artikel 5, lid 9, van verordening nr. 3283/94). In de tweede plaats vormt het besluit tot opening van de procedure de rechtsgrondslag voor de uitoefening van de onderzoeks- en sanctiebevoegdheden die verordening nr. 3283/94 de Commissie toekent, en in de derde plaats zijn de voorwaarden van artikel 5 bedoeld om de exporteurs te beschermen tegen ongerechtvaardigde klachten. De overweging uit het arrest van het Hof van <DATE ISO="19931207">7 december 1993</DATE> (zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-216/91" YEAR="1993" PAGE.ECR="I-6303">C-216/91, Rima Eletrometalurgia, Jurispr. 1993, blz. I-6303, r. o. 16</REF.DOC.ECR>) aanhalend, dat <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>het voorhanden zijn van voldoende bewijsmateriaal van dumping en van de daardoor veroorzaakte schade steeds een eerste vereiste is voor de inleiding van een (...)<?PAGE NO="II-190"?> anti-dumpingprocedure<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>, stellen verzoeksters dat de mogelijkheid om een verordening tot vaststelling van een definitief anti-dumpingrecht aan te vechten voor het Gerecht, geen adequate bescherming biedt tegen een inbreuk op artikel 5 van verordening nr. 3283/94.</TXT></NP><NP><NO.P>17</NO.P><TXT>Volgens verzoeksters zijn zij de adressaten van de bestreden handeling; in ieder geval worden zij er rechtstreeks en individueel door geraakt. Review Magnetics (Macao) Ltd is exporteur van het produkt ten aanzien waarvan dumping zou plaatsvinden, Dysan Magnetics Ltd een met Review Magnetics (Macao) Ltd verbonden importeur, en de Commissie nu zal de door Dysan Magnetics Ltd verstrekte informatie gebruiken om de uitvoerprijs te berekenen (arresten Hof van <DATE ISO="19840221">21 februari 1984</DATE>, gevoegde zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="239/82+275/82" YEAR="1984" PAGE.ECR="1005">239/82 en 275/82, Allied Corporation e. a., Jurispr. 1984, blz. 1005, r. o. 10-15</REF.DOC.ECR>, en <DATE ISO="19900711">11 juli 1990</DATE>, gevoegde zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-305/86+C-160/87" YEAR="1990" PAGE.ECR="I-2945">C-305/86 en C-160/87, Neotype Techmashexport, Jurispr. 1990, blz. I-2945, r. o. 20 en 21</REF.DOC.ECR>; beschikking Hof van <DATE ISO="19870708">8 juli 1987</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="279/86" YEAR="1987" PAGE.ECR="3109">279/86, Sermes, Jurispr. 1987, blz. 3109, r. o. 14-17</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>18</NO.P><TXT>Ten slotte stellen verzoeksters, dat artikel 5 van verordening nr. 3283/94 hun een waarborg verschaft die, om doeltreffend te kunnen werken, moet verzekeren dat het nooit komt tot <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>ongefundeerde onderzoeken<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>. Door die waarborg onderscheidt een besluit tot opening van een anti-dumpingonderzoek zich van een mededeling van punten van bezwaar in mededingingszaken. De klacht op basis waarvan het bestreden besluit is genomen, is niet meer dan een fotokopie van een eerdere klacht. Volgens verzoeksters zouden de rechten die artikel 5 hun toekent, onherstelbaar worden geschaad, wanneer een dergelijk ongefundeerd onderzoek tegen hen werd ingesteld.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><P>Oordeel van het Gerecht</P></TI></TITLE><NP><NO.P>19</NO.P><TXT>Het onderhavige, krachtens artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag ingestelde beroep strekt tot nietigverklaring van het <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>besluit<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/> van de Commissie tot inleiding van een anti-dumpingprocedure met betrekking tot de invoer van bepaalde magneetschijven van oorsprong uit Canada, Indonesië, Macao en Thailand.</TXT></NP><?PAGE NO="II-191"?><NP><NO.P>20</NO.P><TXT>Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep zij eraan herinnerd, dat als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag, zijn te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen. Handelingen of besluiten die in een uit verscheidene fasen bestaande procedure tot stand komen, zijn slechts voor beroep vatbaar, wanneer het maatregelen betreft die aan het einde van die procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen; hiertoe behoren dus niet voorlopige maatregelen ter voorbereiding van de eindbeschikking (arrest IBM, reeds aangehaald, r. o. 8 e. v.; arresten Gerecht van <DATE ISO="19900710">10 juli 1990</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-64/89" YEAR="1990" PAGE.ECR="II-367">T-64/89, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367, r. o. 42</REF.DOC.ECR>; <DATE ISO="19921218">18 december 1992</DATE>, Cimenteries CBR, reeds aangehaald, r. o. 28, en <DATE ISO="19950627">27 juni 1995</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-186/94" YEAR="1995" PAGE.ECR="II-1753">T-186/94, Guérin automobiles, Jurispr. 1995, blz. II-1753, r. o. 39</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>21</NO.P><TXT>Het Gerecht dient derhalve te beoordelen, of de bestreden handeling op zich rechtsgevolgen kan teweegbrengen die verzoeksters in hun belangen kunnen schaden, dan wel of het slechts een voorbereidende maatregel betreft, tegen de onwettigheid waarvan een beroep tegen de eindbeslissing hun voldoende bescherming zou bieden (arrest Hof van <DATE ISO="19860624">24 juni 1986</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="53/85" YEAR="1986" PAGE.ECR="1965">53/85, Akzo Chemie, Jurispr. 1986, blz. 1965, r. o. 19</REF.DOC.ECR>, en arrest Cimenteries CBR, reeds aangehaald, r. o. 31). Enkel in het geval van handelingen die de rechtspositie van de betrokken ondernemingen onmiddellijk en onherroepelijk aantasten, kan een beroep tot nietigverklaring reeds vóór de beëindiging van de administratieve procedure ontvankelijk worden geacht (arrest Cimenteries CBR, reeds aangehaald, r. o. 42).</TXT></NP><NP><NO.P>22</NO.P><TXT>Blijkens de bepalingen van verordening nr. 3283/94 is het de taak van de Commissie, anti-dumpingonderzoeken in te stellen en op basis daarvan te beslissen om de procedure af te sluiten dan wel deze voortzetten door voorlopige maatregelen te nemen en de Raad voorstellen te doen met betrekking tot definitieve maatregelen. De eindbeslissing ligt echter bij de Raad, die zich kan onthouden van een besluit indien hij met de Commissie van mening verschilt, of juist op basis van haar voorstellen een besluit kan nemen.</TXT></NP><?PAGE NO="II-192"?><NP><NO.P>23</NO.P><TXT>Aangezien derhalve de rol van de Commissie een integrerend deel van het besluitvormingsproces van de Raad vormt (beschikkingen Hof van <DATE ISO="19850508">8 mei 1985</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="256/84" YEAR="1985" PAGE.ECR="1351">256/84, Koyo Seiko, Jurispr. 1985, blz. 1351, r. o. 3</REF.DOC.ECR>; <DATE ISO="19861015">15 oktober 1986</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="299/85" YEAR="1986" PAGE.ECR="2965">299/85, Tokyo Juki Industrial, Jurispr. 1986, biz. 2965, 2967</REF.DOC.ECR>; <DATE ISO="19871111">11 november 1987</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="150/87" YEAR="1987" PAGE.ECR="4421">150/87, Nashua Corporation, Jurispr. 1987, blz. 4421, r. o. 6</REF.DOC.ECR>, en arrest Hof van <DATE ISO="19900314">14 maart 1990</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-156/87" YEAR="1990" PAGE.ECR="I-781">C-156/87, Gestetner Holdings, Jurispr. 1990, blz. I-781, r. o. 7</REF.DOC.ECR>), is het <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>besluit<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/> van de Commissie tot inleiding van een anti-dumpingprocedure een zuiver voorbereidende handeling die de rechtspositie van verzoeksters niet onmiddellijk en onherroepelijk kan aantasten.</TXT></NP><NP><NO.P>24</NO.P><TXT>Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de rechtspraak inzake verificatiebeschikkingen van de Commissie krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 of besluiten tot inleiding van een procedure ex artikel 93, lid 2, van het Verdrag inzake staatssteun.</TXT></NP><NP><NO.P>25</NO.P><TXT>Wat in de eerste plaats de verificatiebeschikkingen betreft, is in artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17, uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid van beroep; voorts heeft de Commissie volgens verordening nr. 3283/94 niet zoals in verordening nr. 17 de bevoegdheid om de ondernemingen te dwingen zich aan de verificaties te onderwerpen. Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, anders dan een verificatiebeschikking krachtens artikel 14 van verordening nr. 17, een <QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>besluit<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/> van de Commissie tot inleiding van een procedure wegens een inbreuk op artikel 85 en/of artikel 86 van het Verdrag geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 173 van het Verdrag is (arrest IBM, reeds aangehaald, r. o. 21).</TXT></NP><NP><NO.P>26</NO.P><TXT>Wat in de tweede plaats de inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag betreft, heeft het Hof uitgemaakt, dat een desbetreffend besluit een keuze inhoudt ten aanzien van de kwalificatie van de steun en de toe te passen procedureregels en derhalve rechtsgevolgen teweegbrengt, onder meer bestaande in<?PAGE NO="II-193"?> opschorting van de uitbetaling van de voorgenomen steun (arresten Hof, Spanje/Commissie, reeds aangehaald, r. o. 24, en Italië/Commissie, reeds aangehaald, r. o. 30). Een latere beschikking waarbij de verenigbaarheid van de steunmaatregel met het Verdrag wordt vastgesteld, kan evenmin als een beroep tegen een beschikking houdende vaststelling van de onverenigbaarheid van die steunmaatregel de onomkeerbare gevolgen uitwissen van de verlate uitbetaling van de steun (arresten Hof, Spanje/Commissie, reeds aangehaald, r. o. 22 en 23, en Italië/Commissie, reeds aangehaald, r. o. 28 en 29; arrest Gerecht, Cimenteries CBR, reeds aangehaald, r. o. 46).</TXT></NP><NP><NO.P>27</NO.P><TXT>Anders dan in de bovenbedoelde situaties leidt de inleiding van een antidumpingprocedure niet tot een onmiddellijke en onherroepelijke aantasting van de rechtspositie van de betrokken ondernemingen. Zoals hierboven is opgemerkt, brengt de inleiding van een procedure niet automatisch de oplegging van antidumpingrechten met zich; de procedure kan immers worden beëindigd zonder dat maatregelen worden getroffen (artikel 9 van verordening nr. 3283/94). Voorts zijn de bij een anti-dumpingonderzoek betrokken ondernemingen geenszins verplicht om als gevolg van de inleiding van de procedure hun handelspraktijken te wijzigen, en kunnen zij, anders dan in een procedure krachtens verordening nr. 17 betreffende een inbreuk op artikel 85 en/of artikel 86 van het Verdrag, niet worden gedwongen aan het onderzoek mee te werken.</TXT></NP><NP><NO.P>28</NO.P><TXT>De inleiding van een anti-dumpingprocedure is derhalve naar haar aard en gevolgen niet te beschouwen als een beschikking in de zin van artikel 173 van het Verdrag, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat.</TXT></NP><NP><NO.P>29</NO.P><TXT>Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat behoeft te worden beslist, of verzoeksters rechtstreeks en individueel worden geraakt door de bestreden handeling.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="II-194"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Kosten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>30</NO.P><TXT>Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><JURISDICTION><INTRO><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer — uitgebreid)</P><P>beschikt:</P></INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Verzoeksters worden verwezen in de kosten van het geding.</TXT></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.ORDER><SIGNATURE.CASE><P>Luxemburg, <DATE ISO="19960314">14 maart 1996</DATE>.</P><SIGNATORY><P>De griffier</P><P>H.Jung</P></SIGNATORY><SIGNATORY><P>De president van de Derde kamer</P><P>C.P. Briët</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></ORDER>