EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 26.4.2023
COM(2023) 240 final
2023/0138(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Dit voorstel maakt deel uit van een pakket ter vervanging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact). Het gaat vergezeld van een voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact) en van een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten. Het pakket is derhalve gericht op hervorming van het begrotingskader van de EU.
Om lering te trekken uit de wereldwijde financiële crisis en de staatsschuldencrisis in de eurozone, en in het kader van het zogenoemde “sixpack”, werd in 2011 Verordening (EG) nr. 1466/97 gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1175/2011, werd Verordening (EG) nr. 1467/97 gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1177/2011 en werd Richtlijn 2011/85/EU vastgesteld.
In artikel 12 bis van Verordening nr. 1466/97 is een herzieningsclausule opgenomen die inhoudt dat de Commissie elke vijf jaar een verslag over de toepassing van de verordening publiceert om het volgende te beoordelen: i) de doeltreffendheid van de verordening; ii) de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economische beleid en de aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van de verordening. De Commissie heeft de verordening geëvalueerd tijdens de evaluatie van het EU-kader voor economische governance waarmee in februari 2020 een aanvang is gemaakt.
Met het oog op de evaluatie van het EU-kader voor economische governance vond een uitgebreide raadpleging plaats van uiteenlopende belanghebbenden waaronder instellingen van de EU, burgers, nationale regeringen en parlementen, sociale partners, niet-gouvernementele organisaties en wetenschappers. Bij de evaluatie kwam een aantal sterke punten van het kader naar voren, maar ook een reeks tekortkomingen, waaronder met name een toegenomen complexiteit, de noodzaak om hoge schulden doeltreffender aan te pakken en buffers te vormen om in de toekomst klappen op te vangen, en de noodzaak om een aantal instrumenten en procedures te herzien om lering te trekken uit de beleidsreactie op recente economische schokken, waaronder de wisselwerking tussen hervormingen en investeringen in het kader van de faciliteit voor herstel en veerkracht. Het voorgestelde pakket, waar dit voorstel deel van uitmaakt, is bedoeld om deze tekortkomingen aan te pakken en deze lessen te verwerken.
In haar mededeling van 9 november 2022 beschreef de Commissie haar leidraad voor een hervorming van het EU-kader voor economische governance, gericht op het waarborgen van de houdbaarheid van de schuld en het bevorderen van duurzame en inclusieve groei in alle lidstaten. De leidraad gaat uit van een grotere nationale verantwoordelijkheid, een vereenvoudigd kader en meer gerichtheid op de middellange termijn, in combinatie met een sterkere en coherentere handhaving. In deze leidraad waren ook reacties verwerkt die naar voren waren gekomen tijdens de openbare raadpleging van oktober 2021, waarbij andere instellingen van de EU en alle belangrijke belanghebbenden waren uitgenodigd om hun mening over dit onderwerp te geven.
Op basis van de bevindingen van de evaluatie van de economische governance en de openbare raadpleging die in oktober 2021 van start is gegaan, en op basis van de richtsnoeren in de mededeling van 9 november 2022, is het wetgevingspakket erop gericht het EU-governancekader eenvoudiger te maken (door gebruik te maken van één operationele indicator in de vorm van een netto-uitgaventraject en door de rapportagevereisten te vereenvoudigen, met name door de invoering van één holistisch, geïntegreerd nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn), transparanter en doeltreffender te maken, met een grotere nationale eigen inbreng en betere handhaving, hervormingen en investeringen mogelijk te maken en tegelijkertijd de hoge overheidsschuldquotes op realistische, geleidelijke en duurzame wijze terug te dringen. Zo moet het hervormde kader binnen een sterker en effectiever Europees Semester bijdragen aan de opbouw van de groene, digitale en veerkrachtige Europese economie van de toekomst en tegelijkertijd de houdbaarheid van de overheidsfinanciën in alle lidstaten waarborgen. Aanleiding voor de hervormingsvoorstellen zijn dus de opgelopen schuldquotes van overheden en de grotere verschillen ertussen die gedurende een aantal jaren zijn vastgesteld en de noodzaak om veel te blijven investeren in de groene en digitale transities, de noodzaak om energiezekerheid, een open strategische autonomie en sociale en economische veerkracht te waarborgen, en de behoefte aan een strategisch kompas voor veiligheid en defensie.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Gezien de omvang van de wijzigingen die nodig zijn voor de uitvoering van de richtsnoeren van de Commissie van 9 november 2022 voor een hervorming van het EU-governancekader, dient het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en het multilaterale begrotingstoezicht Verordening (EG) nr. 1466/97 te vervangen.
Met de drie wetgevingsteksten wordt de totstandkoming beoogd van een hervormd kader, dat uitgaat van de middellange termijn en nationale verantwoordelijkheid en gericht is op een geloofwaardige en substantiële verlaging van hoge schuldniveaus en bevordering van duurzame en inclusieve groei. In het hervormde kader voor economische governance blijven aldus de wezenlijke doelstellingen van begrotingsdiscipline en bevordering van groei uit het stabiliteits- en groeipact (SGP) en zijn grondvesten uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehandhaafd.
Door te streven naar gezonde en houdbare overheidsfinanciën en bevordering van groei, voldoet het hervormde kader tegelijkertijd ook aan de belangrijkste doelstellingen van het begrotingspact, dat titel III vormt van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (VSCB). Bovendien blijft in andere delen van de voorgestelde wetgeving de essentie van het begrotingspact behouden. Met zijn focus op de middellange termijn en oog voor landspecifieke schuldproblemen is deze verordening deels een afspiegeling van de eis uit het begrotingspact dat convergentie naar middellangetermijnposities moet worden voorgesteld met inachtneming van de landspecifieke houdbaarheidsrisico’s (artikel 3, lid 1, punt b), VSCB. Hoewel in het begrotingspact de nadruk op het structurele saldo wordt gelegd, vereist het ook een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde voor de algehele beoordeling van de naleving (artikel 3, lid 1, punt b), VSCB), en deze analyse wordt in deze verordening gehandhaafd. In het begrotingspact worden enkel in uitzonderlijke omstandigheden tijdelijke afwijkingen toegestaan van de middellangetermijndoelstelling of van het aanpassingstraject in die richting (artikel 3, lid 1, punt c), VSCB), zoals beoogd in deze verordening. Voor het geval dat significante afwijkingen van de middellangetermijndoelstelling of van het aanpassingstraject in die richting worden vastgesteld, wordt in het begrotingspact bepaald dat maatregelen moeten worden genomen om de afwijkingen binnen een welbepaalde termijn te corrigeren (artikel 3, lid 1, punt e), VSCB). In dezelfde geest wordt in het hervormde kader voorgeschreven dat afwijkingen van het door de Raad vastgestelde netto-uitgaventraject worden gecorrigeerd. Wanneer afwijkingen tot een tekort van meer dan 3 % van het bbp leiden, kan tegen de lidstaat bovendien de buitensporigtekortprocedure worden ingesteld. Voor een lidstaat met een schuld van meer dan 60 % van het bbp wordt de schuldgerelateerde PBT versterkt: de nadruk zou liggen op afwijkingen van het netto-uitgaventraject, ter vervanging van de huidige schuldreductiebenchmark (de zogenoemde 1/20e-regel), die een te zware begrotingsinspanning oplegde. In het begrotingspact wordt het toezicht op de naleving van dat pact opgedragen aan de nationale onafhankelijke begrotingsinstellingen, en de bepalingen over de taak en de onafhankelijkheid van die toezichthoudende instellingen, die nader moesten worden uitgewerkt in door de Commissie uit hoofde van artikel 3, lid 2, VSCB voorgestelde gemeenschappelijke beginselen, zijn nu volledig geïntegreerd in het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2011/85. In het begrotingspact wordt bepaald dat de Commissie en de Raad een rol vervullen bij de uitvoering (artikel 5, VSCB), en dat is ook opgenomen in het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad.
De overeenkomsten tussen het begrotingspact en het hervormde kader voor economische governance vloeien ook voort uit de integratie van het begrotingspact in de nationale rechtsordes. De verdragsluitende partijen bij het VSCB hebben de bepalingen van het VSCB in intern recht omgezet door een rechtstreekse koppeling met de desbetreffende wetgeving van de EU op te nemen. Dit geldt voor de middellangetermijndoelstelling en het convergentietraject, maar ook voor de beoordeling van een significante afwijking of voor bepalingen die vereisen dat de door de Raad vastgestelde aanbevelingen moeten worden opgevolgd (alle afkomstig uit Verordening (EG) nr. 1466/97).
Gezien deze overeenkomsten kan worden gemeend dat met het voorgestelde hervormde kader voor economische governance de inhoud van de begrotingsbepalingen van het VSCB overeenkomstig artikel 16 van het VSCB wordt geïntegreerd in het rechtskader van de EU.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Het voorstel maakt deel uit van een pakket dat is bedoeld om te komen tot een op risico’s gebaseerd gemeenschappelijk EU-toezichtskader waarin een onderscheid tussen de lidstaten wordt gemaakt op basis van de omvang van hun schuldproblemen. Het strekt tot herziening van het begrotingskader van de EU en integreert begrotings-, hervormings-, en investeringsdoelstellingen in één enkel allesomvattend structureel budgettair plan voor de middellange termijn dat de hoeksteen van het nieuwe kader zal vormen. In het plan worden alle hervormingen en investeringsverplichtingen van lidstaten opgenomen voor de problemen die zijn aangetroffen in het kader van het Europees Semester, waaronder de landspecifieke aanbevelingen. Een aantal van deze hervormings- en investeringsverplichtingen maken een verlenging van de termijn voor begrotingsaanpassingen mogelijk, mits zij in hun geheel genomen voldoen aan bepaalde criteria die betrekking hebben op het bevorderen van de groei (bijvoorbeeld hervormingen die gericht zijn op het aanpakken van de vergrijzing van de bevolking, het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt en het vergroten van het arbeidsaanbod, het stimuleren van innovatie en het versterken van vaardigheden, het verbeteren van het ondernemingsklimaat, het opheffen van belemmeringen voor de eengemaakte markt en het verminderen van strategische afhankelijkheid), het waarborgen van de houdbaarheid van begrotingen (bijvoorbeeld hervormingen op het gebied van de pensioenen, de verbetering van de kosteneffectiviteit van de overheidsuitgaven, de verbetering van de belastinginning) en verenigbaar zijn met gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie zoals vastgesteld in bijlage VI van de voorgestelde verordening.
De voorgestelde verordening staat in wisselwerking met Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden, in die zin dat de Raad een aanbeveling kan aannemen waarin het bestaan van een buitensporige onevenwichtigheid wordt vastgesteld ingeval een lidstaat verzuimt uitvoering te geven aan de hervormings- en investeringsverbintenissen die zijn opgenomen in zijn budgettair-structureel plan voor de middellange termijn om gevolg te geven aan de landspecifieke aanbevelingen die relevant zijn voor de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden. Bovendien moet een lidstaat waartegen een procedure vanwege buitensporige onevenwichtigheid loopt, in het kader van de voorgestelde verordening een herzien budgettair-structureel plan voor de middellange termijn indienen, dat zal dienen als het plan met corrigerende maatregelen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1176/2011.
De voorgestelde verordening staat ook in wisselwerking Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit. Lidstaten van de eurozone die onder een macro-economisch aanpassingsprogramma uit hoofde van Verordening (EU) nr. 472/2013 vallen, zullen voor de duur van het programma worden vrijgesteld van de indiening van nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn en jaarlijkse voortgangsverslagen in het kader van de voorgestelde verordening. Bovendien zullen de lidstaten van de eurozone die onder verscherpt toezicht uit hoofde van Verordening (EU) nr. 472/2013 vallen, rekening moeten houden met de aanbevelingen die de Raad overeenkomstig artikel 121, lid 4, VWEU heeft gedaan in geval van een afwijking van het netto-uitgaventraject.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslag van dit instrument is artikel 121, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Op grond van deze bepaling kunnen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordeningen gedetailleerde regels vaststellen voor het multilaterale toezicht op de lidstaten, met inbegrip van de instelling van een multilaterale procedure volgens welke het beleid van de lidstaten wordt beoordeeld. Het hoofddoel van artikel 121 VWEU is de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, gezien hun onderlinge afhankelijkheid.
Artikel 121, lid 6, VWEU is gebruikt als rechtsgrondslag voor Verordening (EG) nr. 1466/97, die door het huidige voorstel zou worden vervangen. De doelstelling van dit voorstel blijft vergelijkbaar met die van Verordening (EG) nr. 1466/97, namelijk te zorgen voor de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten en hun multilateraal begrotingstoezicht, teneinde de naleving van de leidende beginselen van stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities en een houdbare betalingsbalans te waarborgen.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Het voorstel is bedoeld om te komen tot een op risico’s gebaseerd EU-toezichtskader waarin een onderscheid tussen de lidstaten wordt gemaakt op basis van de omvang van hun schuldproblemen. Nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn vormen de hoeksteen van het kader dat de Commissie voorstelt. Hiermee worden begrotings-, hervormings- en investeringsdoelstellingen, met inbegrip van de doelstellingen om macro-economische onevenwichtigheden waar nodig aan te pakken en de Europese pijler van sociale rechten uit te voeren, geïntegreerd in één holistisch plan voor de middellange termijn, waardoor een samenhangend en gestroomlijnd proces tot stand wordt gebracht. De lidstaten zouden meer speelruimte hebben bij het bepalen van hun budgettaire netto-uitgaventraject, waardoor de nationale verantwoordelijkheid voor hun begrotingstrajecten wordt versterkt. Tegelijkertijd is het cruciaal dat deze plannen worden verankerd in een gemeenschappelijk Uniekader in de context van het Europees Semester om te zorgen voor multilateraal toezicht op de lidstaten, gezien de mogelijke overloopeffecten tussen de leden van een economische en monetaire unie. Dit zorgt ook voor een gelijke behandeling van de lidstaten en voor samenhang met de gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie.
Het voorstel is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel dat is neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Het doel ervan, te zorgen voor de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten en hun multilateraal begrotingstoezicht zoals vereist in het VWEU, kan door de lidstaten onvoldoende worden verwezenlijkt en kan beter op het niveau van de Unie worden bereikt.
•Evenredigheid
Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Het gaat niet verder dan wat nodig is om de met het instrument beoogde doelstellingen te verwezenlijken.
•Keuze van het instrument
Artikel 121, lid 6, VWEU voorziet in verordeningen.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
In februari 2020 en oktober 2021 werden evaluaties achteraf gepubliceerd van het EU-kader voor economische governance.
•Raadpleging van belanghebbenden
Er hebben uitgebreide raadplegingen van belanghebbenden plaatsgevonden. Deze bestonden uit het volgende:
·Een onlineraadpleging om de meningen van belanghebbenden, het maatschappelijk middenveld en burgers te peilen. Een samenvattend verslag met de uitkomsten van deze raadpleging is in maart 2022 gepubliceerd.
·Met de lidstaten zijn uitvoerige thematische discussies gevoerd in de Raad (ECOFIN), de Eurogroep, het Economisch en Financieel Comité en het Comité voor de economische politiek.
De uitkomsten daarvan zijn verwerkt in de Mededeling van de Commissie over een leidraad voor een hervorming van het EU-kader voor economische governance van 9 november 2022 en in dit voorstel.
Na de vaststelling van de mededeling van 9 november 2022 heeft de Commissie de lidstaten aanvullende informatie verstrekt over het effect van de voorgestelde hervorming en zijn verdere besprekingen gevoerd met de lidstaten in de Raad en met het Europees Parlement, waarmee in het onderhavige voorstel rekening is gehouden:
·Het Europees Parlement stelde op 15 maart 2023 zijn jaarlijkse verslagen over het Europees Semester vast, waarin ook uitgebreid aandacht werd geschonken aan de hervorming van het EU-kader voor economische governance en de toekomst van het Europees Semester.
·De Raad (ECOFIN) heeft op 14 maart 2023 over de leidraad van de Commissie voor de hervorming van de economische governance conclusies aangenomen die door de Europese Raad van 23-24 maart 2023 werden bekrachtigd.
•Effectbeoordeling
Voor het voorstel behoefde geen effectbeoordeling te worden opgesteld omdat i) opties ontbreken aangezien het EU-begrotingskader de grenzen van de herziening bepaalt en ii) in gerichte wijzigingen voorziet die iii) niet leiden tot meer rapportageverplichtingen voor lidstaten en iv) zijn onderbouwd met recent onderzoek dat is gepubliceerd als werkdocument van de diensten van de Commissie en in de periode 2020 - 2022 opgestelde mededelingen van de Commissie.
•Grondrechten
Het voorstel heeft geen gevolgen op het gebied van grondrechten.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
De voorgestelde verordening vereist geen maatregelen om de uitvoering ervan te vergemakkelijken. Het onderwerp van deze wetgevingsmaatregel vormt geen uitvoeringsproblemen voor de lidstaten.
De voorgestelde verordening vereenvoudigt de rapportagevereisten voor lidstaten door gebruik te maken van één operationele indicator in de vorm van een netto-uitgavenpad en door de invoering van één holistisch, geïntegreerd nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn dat in de plaats komt van de stabiliteits- of convergentieprogramma’s en de nationale hervormingsprogramma’s van de lidstaten.
In de voorgestelde verordening is in artikel 36 een herzieningsclausule opgenomen die inhoudt dat de Commissie elke vijf jaar een verslag publiceert over de toepassing van de verordening. In dit verslag wordt het volgende geëvalueerd: i) de doeltreffendheid van de verordening, met name of de bepalingen betreffende de besluitvorming voldoende robuust zijn gebleken om de overheidsschuld te doen dalen of op een prudent niveau te handhaven; ii) de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economische beleid en de aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.
Om ervoor te zorgen dat het herziene governancekader van de EU door de lidstaten wordt uitgevoerd, zal een grotere nationale eigen inbreng een essentieel onderdeel van de hervorming zijn. Dit zal gebeuren door de vereisten van het gemeenschappelijk Uniekader beter te integreren in de nationale beleidsdebatten en de rol van onafhankelijke begrotingsinstellingen uit te breiden door deze te betrekken bij het toezicht op de uitvoering door de lidstaten van hun nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn. Daarnaast zal de Commissie onderzoeken hoe de rol van het Europees Begrotingscomité kan worden versterkt, met behoud van de toezichthoudende rol die de Commissie krachtens de EU-Verdragen is toebedeeld. Momenteel heeft het Europees Begrotingscomité tot taak de uitvoering van het begrotingskader van de EU te evalueren, met name de horizontale samenhang ervan, mogelijke gevallen van ernstige niet-naleving en de geschiktheid van de begrotingskoers. Het Europees Begrotingscomité adviseert de Commissie over deze kwesties en wijst op de beleidsopties die in het kader van het stabiliteits- en groeipact beschikbaar zijn indien zij risico’s voor de goede werking van de EMU vaststelt. Het werkt ook samen met nationale onafhankelijke begrotingsinstellingen om beste praktijken uit te wisselen en een gemeenschappelijke visie te bevorderen. Nieuwe taken voor het Europees Begrotingscomité kunnen bestaan uit het leveren van input voor de periodieke evaluatie van het hervormde kader en het verstrekken van beoordelingen van de uitvoering van de centrale elementen van het hervormde governancesysteem. Het Europees Begrotingscomité zou ook een advies kunnen uitbrengen ter onderbouwing van het besluit van de Raad om de algemene ontsnappingsclausule in werking te stellen (of te verlengen).
•Artikelsgewijze toelichting
In hoofdstuk 1 (artikelen 1 en 2) van de voorgestelde verordening wordt het doel van de verordening uiteengezet, met name de vaststelling van gedetailleerde voorschriften betreffende de inhoud, de indiening, de evaluatie en de monitoring van de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn. Het definieert ook de belangrijkste termen die in de verordening worden gebruikt.
Hoofdstuk 2 (artikelen 3 en 4) van de voorgestelde verordening bevat de regels voor het Europees Semester. Met deze artikelen wordt het begrotingskader van de EU opgenomen in de toezichtcyclus van het Europees Semester. Zij bepalen ook dat de lidstaten rekening moeten houden met de richtsnoeren van de Raad en geven een opsomming van de rechtsinstrumenten die kunnen worden ingezet bij verzuim van de lidstaten om deze richtsnoeren op te volgen.
Hoofdstuk 3 (artikelen 5 tot en met 8) van de voorgestelde verordening is gericht op het technische traject dat door de Commissie moet worden uitgestippeld voor lidstaten met een overheidsschuld van meer dan 60 % van het bbp of een overheidstekort van meer dan 3 % van het bbp.
Hoofdstuk 4 (artikelen 9 tot en met 19) van de voorgestelde verordening beschrijft het proces voor de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn. Deze artikelen voorzien in de verplichting voor elke lidstaat om een budgettair-structureel plan voor de middellange termijn in te dienen, de doelstellingen van de technische dialoog tussen de Commissie en de lidstaat voorafgaand aan de indiening van de plannen, de inhoud en de vereisten van de plannen, de voorwaarden en criteria voor een verlenging van de aanpassingsperiode, het beoordelingsproces van het plan door de Commissie en het goedkeuringsproces door de Raad. Zij bevatten ook de voorwaarden waaronder de Raad een lidstaat kan verzoeken een herzien plan in te dienen en een herziening van het door de Raad goedgekeurde traject van de netto-uitgaven kan voorstellen indien de lidstaat niet voldoet aan de vereiste voorwaarden voor de indiening van een herzien plan of de hervormings- en investeringsverbintenissen die tot een verlenging van de aanpassingsperiode hebben geleid, niet uitvoert.
In hoofdstuk 5 (artikelen 20 tot en met 25) van de voorgestelde verordening wordt het monitoringproces voor de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn vastgesteld en wordt bepaald wat er gebeurt in geval van een significant risico op een afwijking van het netto-uitgaventraject.. De lidstaten moeten jaarlijkse voortgangsverslagen indienen en de Commissie zal toezicht houden op de uitvoering van de netto-uitgaventrajecten, onder meer door het opzetten van een controlerekening. De artikelen bepalen ook de rol van nationale onafhankelijke begrotingsinstellingen in het monitoringproces en stellen de voorwaarden vast waaronder een algemene ontsnappingsclausule of een landspecifieke ontsnappingsclausule kan worden geactiveerd.
Hoofdstuk 6 (artikelen 26 tot en met 29) van de voorgestelde verordening bevat de voorwaarden waaronder de economische dialoog tussen de instellingen en de lidstaten plaatsvindt, met inbegrip van de noodzaak om het Europees Parlement te informeren over de toepassing van de verordening, het “pas toe of leg uit"-beginsel, en de mogelijkheid voor het Europees Parlement om een gedachtewisseling te houden met een lidstaat waar er een aanzienlijk risico bestaat dat van het netto-uitgaventraject wordt afgeweken.
In hoofdstuk 7 (artikel 30) van de voorgestelde verordening wordt de wisselwerking met Verordening (EU) nr. 1176/2011 vastgesteld, op grond waarvan moet worden overwogen de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden in te leiden ingeval lidstaten de hervormings- en investeringsverbintenissen die relevant zijn voor de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden en die in hun budgettair-structurele plan voor de middellange termijn zijn opgenomen, niet uitvoeren. Dit artikel bepaalt ook dat wanneer de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1176/2011 wordt ingeleid, de lidstaat een herzien budgettair structureel plan voor de middellange termijn moet indienen dat zal fungeren als het plan met corrigerende maatregelen uit hoofde van laatstgenoemde verordening.
In hoofdstuk 8 (artikel 31) van de voorgestelde verordening wordt de interactie met Verordening (EU) nr. 472/2013 uiteengezet. Dit artikel stelt lidstaten van de eurozone die aan een macro-economisch aanpassingsprogramma zijn onderworpen, vrij van de indiening van een budgettair-structureel plan voor de middellange termijn en een jaarlijks voortgangsverslag, en vereist dat de lidstaten van de eurozone die onder verscherpt toezicht staan, rekening houden met de aanbevelingen die de Raad overeenkomstig artikel 121, lid 4, VWEU heeft gedaan in geval van een afwijking van het netto-uitgaventraject.
Hoofdstuk 9 (artikelen 32 en 33) van de voorgestelde verordening verleent de Commissie de bevoegdheid om door middel van gedelegeerde handelingen wijzigingen aan te brengen in de bijlagen (met uitzondering van bijlage I) en bepaalt onder welke voorwaarden de Commissie deze delegatie kan uitoefenen.
Hoofdstuk 10 (artikelen 34 tot en met 38) van de voorgestelde verordening bevat de gemeenschappelijke bepalingen die van toepassing zijn op de voorgestelde verordening inzake dialoog met de lidstaten en missies naar de lidstaten, de herzieningsclausule, de intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 en de inwerkingtreding.
De bijlagen I tot en met VII van de voorgestelde verordening bevatten de volgende elementen: de criteria voor het bepalen van het technische traject voor de middellange termijn voor lidstaten met een overheidsschuld van meer dan 60 % van het bbp of een overheidstekort van meer dan 3 % van het bbp; de informatie die door de lidstaten in de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn moet worden verstrekt; de door de lidstaten in de jaarlijkse voortgangsverslagen te verstrekken informatie; de werking van de controlerekening; de methode voor de beoordeling van de plausibiliteit door de Commissie; de lijst van gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie; en het beoordelingskader voor de reeks hervormings- en investeringsverbintenissen die ten grondslag liggen aan een verlenging van de budgettaire aanpassingsperiode.
2023/0138 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 6,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (voetnoot),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten binnen de Unie, zoals voorgeschreven door het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dient de naleving van de volgende grondbeginselen te omvatten: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities, alsook een houdbare betalingsbalans.
(2)Het stabiliteits- en groeipact (SGP), dat aanvankelijk bestond uit Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad, Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 en de resolutie van de Europese Raad van 17 juni 1997 betreffende het stabiliteits- en groeipact, is gebaseerd op de doelstelling van gezonde en houdbare overheidsfinanciën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een sterke duurzame groei, geschraagd door financiële stabiliteit, te versterken en aldus de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie voor duurzame en inclusieve groei en werkgelegenheid te ondersteunen.
(3)Het kader voor budgettaire governance, waarop deze verordening betrekking heeft, maakt deel uit van het Europees Semester, dat ook de coördinatie van en het toezicht op het bredere economische en werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten omvat, overeenkomstig de artikelen 121 en 148 VWEU.
(4)De betrokkenheid van de sociale partners, maatschappelijke organisaties en andere relevante belanghebbenden bij het Europees Semester is cruciaal om te zorgen voor eigen inbreng en transparante en inclusieve beleidsvorming.
(5)Het kader voor economische governance van de Unie moet worden aangepast om beter rekening te houden met de toenemende verschillen tussen de lidstaten in begrotingssituaties, houdbaarheidsrisico’s, schuldproblemen en andere kwetsbaarheden. De krachtige beleidsreactie op de COVID-19-pandemie is bijzonder effectief gebleken bij de beperking van de economische en sociale schade van de crisis, maar de crisis heeft geleid tot een aanzienlijke stijging van de schuldquotes van overheden en de private sector, waaruit duidelijk bleek hoe belangrijk het is om schuldquotes op een geleidelijke, houdbare en groeivriendelijke wijze tot prudente niveaus te verlagen en macro-economische onevenwichtigheden aan te pakken, en daarbij terdege rekening te houden met sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen. Tegelijkertijd moet het kader voor economische governance van de Unie worden aangepast om een bijdrage te leveren aan de aanpak van de problemen van de Unie op middellange en lange termijn door het verwezenlijken van een eerlijke digitale en groene transitie, onder meer door de klimaatwet, energiezekerheid, een open strategische autonomie, het aanpakken van demografische veranderingen, versterking van de sociale en economische veerkracht, en de uitvoering van het strategisch kompas voor veiligheid en defensie, die allemaal in de komende jaren hervormingen en aanhoudende grote investeringen vergen.
(6)In het kader voor economische governance van de Unie moeten houdbaarheid van de schuld en duurzame en inclusieve groei centraal staan, en moet daarom een onderscheid tussen lidstaten worden gemaakt door rekening te houden met hun schuldproblemen en landspecifieke begrotingstrajecten mogelijk te maken.
(7)De procedure voor multilateraal toezicht als bedoeld in artikel 121, leden 2, 3 en 4, en artikel 148, lid 4, VWEU moet volgens meer gedetailleerde regels toezicht houden op het volledige scala van economische en werkgelegenheidsontwikkelingen in elk van de lidstaten en in de Unie. Dit omvat de opsporing van macro-economische onevenwichtigheden en de preventie en correctie van buitensporige onevenwichtigheden als bedoeld in Verordeningen (EU) nr. 1174/2011 en (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad. Voor het toezicht op deze economische en werkgelegenheidsontwikkelingen moeten de lidstaten informatie verstrekken in de vorm van budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn.
(8)Daarom moeten gedetailleerde regels worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud, indiening, beoordeling en monitoring van de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn, teneinde de houdbaarheid van de schuld en duurzame en inclusieve groei in de lidstaten te bevorderen en buitensporige overheidstekorten te voorkomen door middel van planning op middellange termijn.
(9)De nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn moeten de budgettaire, structurele hervormingen en investeringsverbintenissen van elke lidstaat samenbrengen en deze plannen moeten de hoeksteen vormen van het kader voor economische governance van de Unie. Elke lidstaat moet een middellangetermijnplan indienen met zijn begrotingstraject en prioritaire toezeggingen inzake overheidsinvesteringen en hervormingen die samen zorgen voor een duurzame en geleidelijke schuldreductie en duurzame en inclusieve groei, waarbij een procyclisch begrotingsbeleid wordt vermeden, alsook bredere hervormings- en investeringsverbintenissen, onder meer met betrekking tot de groene en de digitale transitie, de sociale en economische veerkracht en de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten. Tijdens de looptijd van de herstel- en veerkrachtfaciliteit moet terdege rekening worden gehouden met de in de nationale plannen voor herstel en veerkracht gedane toezeggingen.
(10)De fondsen voor het cohesiebeleid worden ook gesynchroniseerd met het proces van het Europees Semester. Investeringen en hervormingen in het kader van het cohesiebeleid vormen het investeringsbeleid voor de lange termijn van de EU-begroting en moeten dan ook naar behoren in aanmerking worden genomen bij het opstellen van de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn. Elke lidstaat moet ook toelichten hoe zijn nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn zal zorgen voor samenhang met de uitgaven voor EU-programma’s die volledig met inkomsten uit EU-fondsen en de desbetreffende nationale medefinanciering worden gefinancierd.
(11) De presentatie van het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn moet worden voorafgegaan door een technische dialoog met de Commissie om ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze verordening worden nageleefd. Op basis van een aanbeveling van de Commissie dient de Raad het netto-uitgaventraject vast te stellen en zijn goedkeuring te hechten aan de hervormings- en investeringsverbintenissen, met inbegrip van die welke zijn aangegaan voor een eventuele verlenging van de aanpassingsperiode.
(12)Om het begrotingskader van de Unie te vereenvoudigen en de transparantie te vergroten, moet één enkele operationele indicator op basis van de houdbaarheid van de schuld als uitgangspunt dienen voor het vaststellen van het begrotingstraject en de uitvoering van jaarlijks begrotingstoezicht voor elke lidstaat. Die enige operationele indicator moet worden gebaseerd op nationaal gefinancierde netto primaire uitgaven, dat wil zeggen uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde en exclusief rente-uitgaven, evenals cyclische werkloosheidsuitgaven en uitgaven in het kader van programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit fondsen van Unie worden gefinancierd. Met deze indicator is macro-economische stabilisatie mogelijk omdat hij niet onderhevig is aan de werking van automatische stabilisatoren, waaronder schommelingen van ontvangsten en uitgaven die buiten de directe macht van de overheid vallen.
(13)Om de lidstaten richtsnoeren te verstrekken bij het opstellen van hun budgettair-structureel plan voor de middellange termijn, moet de Commissie een technisch traject voorstellen op basis van de minimale begrotingsaanpassing die het schuldtraject van de lidstaat op een plausibel neerwaarts pad brengt of de schuld op een prudent niveau houdt. De Commissie moet er ook voor zorgen dat de overheidsschuldquote aan het einde van de planningshorizon onder het niveau van de overheidsschuldquote in het jaar vóór de aanvang van het technische traject is gebracht. De houdbaarheid van die schuldreductie moet het resultaat zijn van een passend begrotingsbeleid.
(14)Het door de Commissie voorgestelde technische traject moet er ook voor zorgen dat het overheidstekort onder de referentiewaarde van 3 % van het bruto binnenlands product (bbp) wordt gebracht en gehandhaafd.
(15)Om te beoordelen of verdere aanpassingen nodig zijn tegen het einde van de vierjarige uitvoeringsperiode van het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn moet de Commissie de situatie opnieuw beoordelen en een nieuw technisch traject voorstellen indien de overheidsschuld van de lidstaat nog steeds boven de referentiewaarde van 60 % van het bbp ligt of het overheidstekort hoger is dan de referentiewaarde van 3 % van het bbp.
(16)In elk nationaal budgettair structureel plan voor de middellange termijn moet de status van het plan in het kader van de nationale procedures worden vermeld, met name of het plan aan het nationale parlement is voorgelegd en of het plan door het parlement is goedgekeurd. In het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn moet ook worden vermeld of het nationale parlement de gelegenheid heeft gehad om de aanbeveling van de Raad over het vorige plan en, in voorkomend geval, andere aanbevelingen of besluiten van de Raad of een waarschuwing van de Commissie te bespreken.
(17)Wanneer lidstaten in hun budgettair-structureel plan voor de middellange termijn gebruikmaken van aannames die afwijken van het standaardkader van de Commissie voor prognoses van de overheidsschuld op middellange termijn, moeten zij de verschillen op transparante wijze en op basis van deugdelijke economische argumenten toelichten en naar behoren motiveren.
(18)Aangezien lidstaten aan het einde van hun budgettair-structureel plan voor de middellange termijn met extra kosten kunnen worden geconfronteerd, zoals vergrijzingskosten of een ongunstig rente-groeiverschil, moeten zij ervoor zorgen dat het nominale saldo aan het einde van de aanpassingsperiode toereikend is om ervoor te zorgen dat het tekort duurzaam onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp blijft.
(19)Om een goede interactie tussen het gemeenschappelijk Uniekader en de nationale begrotingskaders mogelijk te maken, moet de Commissie haar beoordeling uitsluitend baseren op nationaal gefinancierde ontwikkelingen van de netto primaire uitgaven. De lidstaten moeten hun nationale begrotingsdoelstellingen kunnen vaststellen in de vorm van een andere indicator, zoals het structurele saldo, indien hun nationale begrotingskader dit vereist.
(20)Bij de beoordeling door de Commissie van de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn moet met name de plausibiliteit van de macro-economische en budgettaire aannames worden onderzocht, voor zover deze afwijken van die welke aan het technische traject ten grondslag liggen. Met name de schuldprognoses bij ongewijzigd beleid die in het plan moeten worden opgenomen, moeten consistent en vergelijkbaar zijn met de prognoses van de Commissie.
(21)Om de uitvoering van de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn te waarborgen, moeten de Commissie en de Raad toezicht houden op de hervormings- en investeringsverbintenissen die in deze plannen zijn aangegaan in het kader van het Europees Semester, op basis van de door de lidstaten ingediende jaarlijkse voortgangsverslagen en overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 121 en 148 VWEU. Daartoe moeten zij een dialoog in het kader van het Europees Semester aangaan met het Europees Parlement.
(22)Met het oog op een meer geleidelijke schuldreductie kan de aanpassingsperiode met een maximumtermijn van drie jaar worden verlengd indien de lidstaat zijn budgettair-structureel plan voor de middellange termijn ondersteunt met een reeks verifieerbare en tijdgebonden hervormingen en investeringen die in hun geheel genomen: groeibevorderend zijn, de houdbaarheid van de begroting ondersteunen, de gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie aanpakken, de relevante landspecifieke aanbevelingen die in het kader van het Europees Semester tot de lidstaat zijn gericht, en de landspecifieke investeringsprioriteiten aanpakken zonder te leiden tot bezuinigingen op andere nationaal gefinancierde overheidsinvesteringen gedurende de aanpassingsperiode, teneinde een macro-economisch effect van investeringen te waarborgen en te voorkomen dat andere investeringsprioriteiten worden verdrongen.
(23)Met het oog op een billijk en transparant proces moeten de hervormings- en investeringsverbintenissen worden beoordeeld aan de hand van een gemeenschappelijk Uniekader. Tijdens de looptijd van de herstel- en veerkrachtfaciliteit kunnen verbintenissen in de nationale plannen voor herstel en veerkracht in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het verzoek om verlenging van de aanpassingsperiode, indien van toepassing. De reeks hervormingen en investeringen die ten grondslag liggen aan een verlenging van de budgettaire aanpassingsperiode, moeten in verhouding staan tot de omvang van de uitdagingen op het gebied van de overheidsschuld zoals vastgesteld in de meest recente actualisering van de Debt Sustainability Monitor en met de uitdagingen voor de groei op middellange termijn in de lidstaat. Voor lidstaten waar de uitdagingen op het gebied van de overheidsschuld verband houden met aanzienlijke uitdagingen voor de groei op middellange termijn, wordt verwacht dat in de reeks hervormingen en investeringen ook knelpunten voor de groei op middellange termijn worden aangepakt.
(24)De in de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn voorgestelde hervormings- en investeringsverbintenissen moeten worden afgestemd op de gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie. Die hervormings- en investeringsverbintenissen moeten ook consistent zijn met de uitvoering van de nationale strategieën die de betrokken lidstaat heeft voorgesteld om de relevante prioriteiten van de Unie te verwezenlijken. In voorkomend geval moeten tijdens de looptijd van de herstel- en veerkrachtfaciliteit kruisverwijzingen naar de herstel- en veerkrachtplannen worden gemaakt om de samenhang van het beleid te waarborgen.
(25)Wanneer de verifieerbare en tijdgebonden reeks hervormings- en investeringsverbintenissen die ten grondslag liggen aan het meer geleidelijke netto-uitgaventraject niet binnen de gestelde termijn wordt gehaald, kan de Raad op aanbeveling van de Commissie een snellere aanpassing aanbevelen, dat wil zeggen door de verlenging van het traject van de netto-uitgaven te verkorten.
(26)Ter onderbouwing van handhavingsmaatregelen, met name een verslag uit hoofde van artikel 126, lid 3, VWEU, moet de Commissie voor elke lidstaat een controlerekening opzetten om de jaarlijkse afwijkingen van de in de lidstaat geconstateerde netto-uitgaven ten opzichte van het door de Raad vastgestelde netto-uitgaventraject bij te houden, waarbij deze afwijkingen die in de loop van de tijd optreden, worden opgeteld.
(27)Onafhankelijke begrotingsinstellingen hebben aangetoond dat zij in staat zijn om begrotingsdiscipline te bevorderen en de geloofwaardigheid van de overheidsfinanciën van lidstaten te versterken. Om de nationale verantwoordelijkheid te vergroten, moet de rol van onafhankelijke begrotingsinstellingen, die traditioneel bevoegd zijn om de naleving van het nationale kader te bewaken, worden uitgebreid tot het kader voor economische governance van de Unie.
(28)Wanneer de Commissie advies uitbrengt over de overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad ingediende ontwerpbegrotingsplannen, moet zij beoordelen of de ontwerpbegrotingsplannen in overeenstemming zijn met de netto-uitgaventrajecten uit hoofde van deze verordening.
(29)Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de aanzienlijke risico’s dat de begrotingssituaties afwijken van het door de Raad vastgestelde netto-uitgaventraject. Derhalve is het gepast de procedure voor multilateraal toezicht van artikel 121, leden 3 en 4, VWEU aan te vullen met een systeem voor vroegtijdige waarschuwing waarbij de Commissie overeenkomstig artikel 121, lid 4, VWEU in een vroeg stadium een lidstaat erop wijst dat de noodzakelijke corrigerende maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat het overheidstekort buitensporig wordt. Voorts moet de Raad, in geval van een aanhoudende budgettaire ontsporing, zijn aanbeveling aanscherpen en openbaar maken.
(30)In geval van grote schokken in de eurozone of de Unie als geheel is een algemene ontsnappingsclausule nodig om een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel aan te pakken door een afwijking van het netto-uitgaventraject toe te staan, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.
(31)Er moet ook een landspecifieke ontsnappingsclausule komen om een afwijking van het netto-uitgaventraject mogelijk te maken, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt in het geval van uitzonderlijke omstandigheden, zoals onvoorspelbare exogene gebeurtenissen die niet hadden kunnen worden voorkomen en waarvoor anticyclische begrotingsmaatregelen nodig zijn die buiten de macht van de lidstaat vallen en die een aanzienlijk effect hebben op de overheidsfinanciën van de lidstaat. Dergelijke grote gevolgen moeten resulteren in een totale omvang van de schok die groter is dan een “normaal” bereik: in de begrotingsplanning moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de kosten van natuurrampen binnen een bepaalde bandbreedte. Het in werking stellen en verlengen van algemene en landspecifieke ontsnappingsclausules is onderworpen aan een aanbeveling van de Raad.
(32)Deze verordening maakt deel uit van een pakket samen met Richtlijn [XXX tot wijziging van Richtlijn 2011/85/EU] van de Raad en Verordening [XXX tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad] van de Raad. Tezamen vormen zij een herzien kader voor economische governance van de Unie waarmee de kern van titel III “Begrotingspact” van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (VSCB) overeenkomstig artikel 16 van dat verdrag in het recht van de Unie wordt geïntegreerd. Door voort te bouwen op de ervaringen met de uitvoering van het VSCB door de lidstaten behoudt het voorgestelde wetgevingspakket pakket de gerichtheid op de middellange termijn van het begrotingspact als instrument om begrotingsdiscipline te bereiken en groei te bevorderen. Het pakket heeft een sterkere landspecifieke dimensie om de nationale verantwoordelijkheid te vergroten, onder meer door een grotere rol voor onafhankelijke begrotingsinstellingen, op basis van de door de Commissie voorgestelde gemeenschappelijke beginselen en in overeenstemming met artikel 3, lid 2, VSCB. De analyse van uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde voor de in het begrotingspact vereiste algemene beoordeling van de naleving is in deze verordening omschreven. Net als in het begrotingspact zijn in deze verordening tijdelijke afwijkingen van het plan voor de middellange termijn uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden toegestaan. In dezelfde geest als het begrotingspact moeten in geval van aanzienlijke afwijkingen van het plan voor de middellange termijn maatregelen worden genomen om de afwijkingen binnen een vastgestelde termijn te corrigeren. Met dit pakket worden procedures voor begrotingstoezicht en handhaving versterkt om gezonde en houdbare overheidsfinanciën en duurzame en inclusieve groei te kunnen bevorderen. Bij de hervorming van het kader voor economische governance blijven de fundamentele doelstellingen van begrotingsdiscipline en houdbaarheid van de schuld uit het VSCB dus overeind.
(33)Met het oog op een doeltreffende uitvoering en passende monitoring van deze verordening moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot: de informatie die de lidstaten in hun begrotingsplannen voor de middellange termijn moeten verstrekken, de informatie die de lidstaten in hun jaarlijkse voortgangsverslagen moeten verstrekken, de werking van de controlerekening, de door de Commissie gebruikte methode om de plausibiliteit te beoordelen, het opstellen van de lijst van gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie en het beoordelingskader voor de reeks hervormings- en investeringsverbintenissen die ten grondslag liggen aan een verlenging van de budgettaire aanpassingsperiode. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(34)Het multilaterale toezicht moet gebaseerd zijn op onafhankelijke statistieken van hoge kwaliteit die worden geproduceerd overeenkomstig de beginselen van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ONDERWERP EN DEFINITIES
Artikel 1
Onderwerp
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(1)“landspecifieke aanbeveling”: de jaarlijkse richtsnoeren van de Raad aan een lidstaat voor het economisch, budgettair, werkgelegenheids- en structuurbeleid overeenkomstig de artikelen 121 en 148 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);
(2)“netto-uitgaven”: de overheidsuitgaven ongekend rente-uitgaven, discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde en andere budgettaire variabelen waarover de overheid geen controle heeft, zoals gedefinieerd in bijlage II, punt a);
(3)“technisch traject”: het netto-uitgaventraject dat de Commissie voorstelt als leidraad voor lidstaten met een overheidsschuld boven de referentiewaarde van 60 % van het bruto binnenlands product (bbp) of een overheidstekort boven de referentiewaarde van 3 % van het bbp bij het opstellen van hun nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn;
(4)“netto-uitgaventraject”: het meerjarige traject voor netto-uitgaven van een lidstaat, zoals door de Raad vastgesteld;
(5)“nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn”: het document met de budgettaire, hervormings- en investeringsverbintenissen van een lidstaat;
(6)“jaarlijks voortgangsverslag”: het document van een lidstaat waarin verslag wordt uitgebracht over de uitvoering van het netto-uitgaventraject en van de hervormingen en investeringsverbintenissen die zijn opgenomen in zijn nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn;
(7)“aanpassingsperiode”: de termijn waarin de begrotingsaanpassing van een lidstaat plaatsvindt, die een minimale aanpassingsperiode van vier jaar van het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn en de mogelijke verlenging ervan bestrijkt;
(8)“controlerekening”: een registratie van de gecumuleerde afwijkingen van de werkelijke netto-uitgaven in een lidstaat ten opzichte van het netto-uitgaventraject;
(9)“structureel saldo”: het conjunctuurgezuiverde overheidssaldo ongerekend tijdelijke maatregelen;
(10)“structureel primair saldo”: het conjunctuurgezuiverde overheidssaldo ongerekend tijdelijke maatregelen en ongerekend rente-uitgaven.
HOOFDSTUK II
EUROPEES SEMESTER
Artikel 3
Het Europees Semester
Om te zorgen voor een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een duurzame convergentie van de economische en sociale prestaties van de lidstaten, oefenen de Raad en de Commissie in het kader van het Europees semester multilateraal toezicht uit overeenkomstig de doelstellingen en vereisten van het VWEU. Het multilaterale toezicht is gebaseerd op onafhankelijke statistieken van hoge kwaliteit die worden geproduceerd overeenkomstig de beginselen van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad.
Het Europees Semester omvat:
(a)de opstelling van en het toezicht op de uitvoering van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU, van landspecifieke aanbevelingen en van de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone;
(b)de opstelling van en het toezicht op de uitvoering van de werkgelegenheidsrichtsnoeren waarmee de lidstaten overeenkomstig artikel 148, lid 2, VWEU rekening moeten houden, met inbegrip van de Europese pijler van sociale rechten, en van de daarmee verband houdende landspecifieke aanbevelingen;
(c)de indiening, beoordeling en goedkeuring van de begrotingsplannen voor de middellange termijn van de lidstaten, alsmede het toezicht daarop via de jaarlijkse voortgangsverslagen;
(d)het toezicht voor het voorkomen en corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011;
(e)andere multilaterale toezichtprocedures die door het Europees Parlement en de Raad zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 6, VWEU.
Artikel 4
Uitvoering van het Europees Semester
1.Indien nodig doet de Raad naar aanleiding van de beoordeling overeenkomstig deze verordening van de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn, de jaarlijkse voortgangsverslagen en de sociaal-economische situatie van de betrokken lidstaten, op basis van aanbevelingen van de Commissie, aanbevelingen aan deze lidstaten en maakt hij hierbij ten volle gebruik van de rechtsinstrumenten waarin de artikelen 121 en 148 VWEU en de daarmee verband houdende afgeleide wetgeving voorzien.
2.De lidstaten houden terdege rekening met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten, de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de in artikel 3, tweede alinea, punten a) en b), bedoelde aanbevelingen alvorens belangrijke besluiten te nemen in het kader van de ontwikkeling van hun economisch, werkgelegenheids- en begrotingsbeleid. De Commissie houdt toezicht op de vooruitgang.
3.Als een lidstaat nalaat om de ontvangen richtsnoeren op te volgen, kan dit leiden tot:
(a)verdere landspecifieke aanbevelingen;
(b)een waarschuwing door de Commissie of een aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 121, lid 4, VWEU;
(c)maatregelen op grond van deze verordening, Verordening (EG) nr. 1467/97 of Verordening (EU) nr. 1176/2011.
HOOFDSTUK III
HET TECHNISCHE TRAJECT
Artikel 5
Technisch traject
Voor elke lidstaat met een overheidsschuld boven de referentiewaarde van 60 % van het bbp of een overheidstekort boven de referentiewaarde van 3 % van het bbp legt de Commissie in een verslag aan het Economisch en Financieel Comité een technisch netto-uitgaventraject voor dat een minimale aanpassingsperiode van vier jaar van het nationale budgettair-structurele middellangetermijnplan bestrijkt, en de mogelijke verlenging ervan met maximaal drie jaar overeenkomstig artikel 13. De Commissie maakt het verslag openbaar.
Artikel 6
Eisen voor het technische traject
Het technische traject zorgt ervoor dat:
a) de overheidsschuldquote op een plausibel neerwaarts pad wordt gebracht of blijft, of op een prudent niveau blijft;
b) het overheidstekort wordt teruggedrongen en onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp blijft;
c) de budgettaire aanpassingsinspanning gedurende de periode van het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn ten minste evenredig is aan de totale inspanning gedurende de gehele aanpassingsperiode;
d) de overheidsschuldquote aan het einde van de planningshorizon onder het niveau van de overheidsschuldquote in het jaar vóór de aanvang van het technische traject is gebracht; alsmede
e) de groei van de nationale netto-uitgaven gedurende de looptijd van het plan in de regel gemiddeld onder de productiegroei op middellange termijn blijft.
De technische trajecten worden voor elke lidstaat gedifferentieerd. De criteria voor het vaststellen van de technische trajecten zijn opgenomen in bijlage I.
Artikel 7
Voorafgaande richtsnoeren van de Commissie
1.Uiterlijk op [1 maart] van het jaar [xxxx] waarin de lidstaten hun budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn voor het eerst moeten indienen of, in voorkomend geval, binnen drie weken na het verzoek van de lidstaat om een nieuw plan in te dienen, publiceert de Commissie:
(a)het onderliggende kader en de resultaten van de prognoses van de overheidsschuld op middellange termijn;
(b)haar macro-economische prognoses en aannames;
(c)het technische traject, indien vereist op grond van artikel 5, en het overeenkomstige structurele primaire saldo.
2.Voor lidstaten met een overheidstekort onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp en een overheidsschuld onder de referentiewaarde van 60 % van het bbp verstrekt de Commissie technische informatie over het structurele primaire saldo die nodig is om ervoor te zorgen dat het nominale tekort zonder aanvullende beleidsmaatregelen onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp blijft gedurende een periode van tien jaar na het einde van het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn.
3.De Commissie werkt de technische trajecten en de kwantitatieve richtsnoeren ten minste om de vier jaar bij voor de indiening van de volgende cyclus van budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn.
Artikel 8
Beoordeling van de plausibiliteit
Om te beoordelen of de verwachte overheidsschuldquote van de betrokken lidstaat een neerwaartse trend vertoont of op een prudent niveau blijft, gebruikt de Commissie de in bijlage V bedoelde methode. De Commissie maakt haar analyse van de plausibiliteit en de onderliggende gegevens openbaar.
HOOFDSTUK IV
NATIONALE BUDGETTAIR-STRUCTURELE PLANNEN VOOR DE MIDDELLANGE TERMIJN
Artikel 9
Indiening van de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn
Elke lidstaat dient vóór eind april na de inwerkingtreding van deze verordening bij de Raad en de Commissie een nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn in. De betrokken lidstaat en de Commissie kunnen overeenkomen die termijn zo nodig met een redelijke termijn te verlengen.
De lidstaat maakt zijn nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn openbaar.
Artikel 10
Technische dialoog
Voorafgaand aan de indiening van zijn nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn houdt de betrokken lidstaat met de Commissie een technische dialoog om ervoor te zorgen dat het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn in overeenstemming is met de artikelen 11, 12 en 14.
Artikel 11
Inhoud van de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn
1.Het nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn bevat de in bijlage II vermelde informatie. Het plan voorziet met name in een netto-uitgaventraject voor een periode van ten minste vier jaar, alsook de onderliggende macro-economische aannamen en de geplande budgettair-structurele maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan de vereisten van artikel 12.
Het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn bevat ook een beschrijving van de maatregelen van de betrokken lidstaat om gevolg te geven aan de landspecifieke aanbevelingen, met inbegrip van de aanbevelingen die relevant zijn voor de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden, en indien van toepassing, de waarschuwingen van de Commissie, of in voorkomend geval de aanbevelingen van de Raad uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU.
2.Indien het budgettair-structurele plan voor de nationale middellange termijn een hoger netto-uitgaventraject bevat dan het door de Commissie overeenkomstig artikel 5 uitgebrachte technische traject, verstrekt de lidstaat in zijn plan deugdelijke en verifieerbare economische argumenten die het verschil verklaren.
Artikel 12
Vereisten
Het nationaal budgettair structureel plan voor de middellange termijn
(a)zorgt voor de begrotingsaanpassing die nodig is om de overheidsschuld uiterlijk aan het einde van de aanpassingsperiode op een plausibel neerwaarts pad te brengen of te houden, of op een prudent niveau te handhaven, en het overheidstekort op middellange termijn onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp te brengen en te houden;
(b)verklaart hoe het zal zorgen voor investeringen en hervormingen als antwoord op de belangrijkste uitdagingen die in het kader van het Europees Semester, in de landspecifieke aanbevelingen zijn vastgesteld, de in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden vastgestelde macro-economische onevenwichtigheden zal corrigeren, indien van toepassing, en de in bijlage VI bij deze verordening bedoelde gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie zal aanpakken, met inbegrip van de Europese Green Deal, de Europese pijler van sociale rechten en het digitale decennium, en tegelijkertijd in overeenstemming zal zijn met de geactualiseerde nationale energie- en klimaatplannen en de nationale stappenplannen voor het digitale decennium;
(c)verklaart, indien van toepassing, hoe het zal zorgen voor de verwezenlijking van een relevante reeks hervormingen en investeringen als bedoeld in artikel 13, die ten grondslag liggen van een verlenging van de aanpassingsperiode van de lidstaat met ten hoogste drie jaar;
(d)verklaart uit hoe het zal zorgen voor samenhang met het herstel- en veerkrachtplan van de betrokken lidstaat tijdens de periode van beschikbaarheid van de herstel- en veerkrachtfaciliteit overeenkomstig Verordening (EU) 2021/241.
Artikel 13
Voorwaarden voor verlenging van de aanpassingsperiode
1.Indien een lidstaat zich overeenkomstig de criteria van lid 2 verbindt tot een relevante reeks hervormingen en investeringen, kan de aanpassingsperiode met maximaal drie jaar worden verlengd.
2.De reeks hervormings- en investeringsverbintenissen die ten grondslag liggen aan een verlenging van de aanpassingsperiode, moeten in verhouding staan tot de omvang van de uitdagingen op het gebied van de overheidsschuld en de uitdagingen voor de groei op middellange termijn in de desbetreffende lidstaat.
De reeks hervormings- en investeringsverbintenissen voldoet, tezamen genomen, aan de volgende criteria:
i)zijn groeibevorderend;
ii)ondersteunen de houdbaarheid van de begroting;
iii)pakken de in bijlage VI bedoelde gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie aan;
iv)pakken de tot de betrokken lidstaat gerichte relevante landspecifieke aanbevelingen, met inbegrip van, indien van toepassing, aanbevelingen die zijn gedaan in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden, aan;
v)zorgen ervoor dat het totale niveau van nationaal gefinancierde overheidsinvesteringen gedurende de looptijd van nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn hoger is dan het niveau op middellange termijn vóór de looptijd van dat plan.
3.Elke hervormings- en investeringsverbintenis die ten grondslag ligt aan een verlenging van de aanpassingsperiode moet voldoende gedetailleerd, versneld uitgevoerd, tijdgebonden en verifieerbaar zijn.
4.Tijdens de looptijd van de herstel- en veerkrachtfaciliteit kan overeenkomstig Verordening (EU) 2021/241 rekening worden gehouden met de verbintenissen die zijn opgenomen in het goedgekeurde herstel- en veerkrachtplan van de betrokken lidstaat voor een verlenging van de aanpassingsperiode.
5.De beoordeling of de reeks hervormingen en investeringsverbintenissen voldoet aan de criteria van lid 2 en of elk van de hervormings- en investeringsverbintenissen voldoet aan de voorwaarden van lid 3, wordt uitgevoerd overeenkomstig het beoordelingskader in bijlage VII.
Artikel 14
Herzien nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn
1.Een lidstaat kan verzoeken om vóór het einde van zijn aanpassingsperiode een herzien nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn bij de Commissie in te dienen indien er objectieve omstandigheden zijn die de uitvoering van het oorspronkelijke nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn in de weg staan of indien een nieuwe regering om de indiening van een nieuw nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn verzoekt.
2.Voordat het herziene nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn wordt ingediend, legt de Commissie in een verslag aan het Economisch en Financieel Comité een nieuw technisch traject voor.
3.Rekening houdend met de eerdere aanpassing die door de betrokken lidstaat is uitgevoerd of het ontbreken daarvan, maakt het nieuwe technische traject geen uitstel van de budgettaire aanpassingsinspanning mogelijk en leidt het niet tot een geringere budgettaire aanpassingsinspanning.
4.Wanneer een herzien nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn wordt ingediend, zijn de artikelen 12 en 15 tot en met 19 van toepassing.
5.De Commissie beoordeelt in voorkomend geval met name of een verlenging van de aanpassingsperiode van toepassing moet blijven in het kader van het herziene nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn, rekening houdend met de uitvoering van de reeks hervormings- en investeringsverbintenissen die ten grondslag liggen aan de verlenging in het kader van het oorspronkelijke plan en de veranderingen die het herziene nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn tot stand brengt op het gebied van de uitdagingen voor de overheidsschuld.
Artikel 15
Beoordeling van de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn door de Commissie
1.De Commissie beoordeelt elk nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn binnen twee maanden na de indiening ervan. De desbetreffende lidstaat en de Commissie kunnen indien nodig overeenkomen de beoordelingstermijn met een redelijke periode te verlengen.
2.
Bij de beoordeling van het nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn onderzoekt de Commissie voor alle lidstaten:
a) of het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn ervoor zorgt dat de overheidsschuld uiterlijk aan het einde van de aanpassingsperiode op een plausibel neerwaarts pad is gebracht of gehouden, dan wel op een prudent niveau blijft;
b) of het overheidstekort gedurende de gehele looptijd van het plan onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp wordt gehouden, dan wel of het overheidstekort snel en uiterlijk aan het einde van de aanpassingsperiode terugkeert tot onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp, wanneer het tekort deze referentiewaarde overschrijdt op het moment dat het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn wordt ingediend;
c) of het overheidstekort in een periode van tien jaar zonder verdere begrotingsmaatregelen onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp wordt gehouden;
d) of de budgettaire aanpassingsinspanning gedurende de periode van het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn ten minste evenredig is aan de totale inspanning gedurende de gehele aanpassingsperiode;
e) of voor de jaren waarin de betrokken lidstaat naar verwachting een tekort boven de referentiewaarde van 3 % van het bbp zal hebben en de overschrijding niet dicht bij de referentiewaarde ligt en tijdelijk is, de begrotingsaanpassing in overeenstemming is met de benchmark als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten, zoals gewijzigd bij Verordening [X]; alsmede
f) of de overheidsschuldquote aan het einde van de planningshorizon onder het niveau van de overheidsschuldquote in het jaar vóór de aanvang van het technische traject is gebracht.
3.
Daarnaast onderzoekt de Commissie voor de betrokken lidstaat:
a) of de reeks hervormings- en investeringsverbintenissen die ten grondslag liggen aan een verlenging van de aanpassingsperiode, voldoet aan de voorwaarden van artikel 13;
b) of de andere hervormings- en investeringsverbintenissen in het plan voldoen aan de vereisten van artikel 12, punt b).
Artikel 16
Goedkeuring van de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn door de Raad
De Raad neemt, op aanbeveling van de Commissie, in de regel binnen vier weken na de vaststelling van de aanbeveling van de Commissie een aanbeveling aan waarin het netto-uitgaventraject van de betrokken lidstaat wordt vastgesteld en, indien van toepassing, de reeks hervormings- en investeringsverbintenissen die ten grondslag liggen aan een verlenging van de aanpassingsperiode die is opgenomen in het nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn van de lidstaat, wordt goedgekeurd.
Indien het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn dient als het plan met corrigerende maatregelen dat vereist is voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden, zoals bepaald in artikel 30, bekrachtigt de Raad in die aanbeveling ook de hervormingen en investeringen die nodig zijn om de onevenwichtigheden te corrigeren.
Artikel 17
Aanbeveling van de Raad voor een herzien nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn
Indien hij van oordeel is dat het plan niet voldoet aan de vereisten van artikel 15, lid 2 en lid 3, punt a), beveelt de Raad, op aanbeveling van de Commissie, de betrokken lidstaat aan een herzien nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn in te dienen.
Artikel 18
Aanbeveling van de Raad in geval van niet-naleving door de lidstaat
Op aanbeveling van de Commissie beveelt de Raad de betrokken lidstaat aan dat het door de Commissie uitgestippelde technische traject het netto-uitgaventraject van de lidstaat is wanneer:
(a)de betrokken lidstaat verzuimt binnen een maand na de aanbeveling van de Raad een herzien nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn in te dienen;
(b)de Raad van oordeel is dat het herziene nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn niet voldoet aan de vereisten van artikel 15, lid 2 en lid 3, punt a);
(c)de lidstaat geen nieuw nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn heeft ingediend aan het einde van de periode waarop het vorige nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn betrekking heeft.
Artikel 19
Niet-nakoming door een lidstaat van zijn verbintenissen die ten grondslag liggen aan een verlenging van zijn aanpassingsperiode
Wanneer aan een lidstaat een verlenging van zijn aanpassingsperiode is toegestaan, maar deze niet op bevredigende wijze voldoet aan zijn reeks hervormings- en investeringsverbintenissen die ten grondslag liggen aan de in artikel 13, lid 1, bedoelde verlenging, kan de Raad op aanbeveling van de Commissie een herzien netto-uitgaventraject met een kortere aanpassingsperiode aanbevelen.
HOOFDSTUK V
UITVOERING VAN DE NATIONALE BUDGETTAIR-STRUCTURELE PLANNEN VOOR DE MIDDELLANGE TERMIJN
Artikel 20
Voortgangsverslag
1.Elke lidstaat dient uiterlijk op 15 april van elk jaar bij de Commissie een jaarlijks voortgangsverslag in over de uitvoering van zijn nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn.
2.Het in lid 1 bedoelde jaarlijkse voortgangsverslag bevat met name informatie over de voortgang bij de uitvoering van het netto-uitgaventraject, de uitvoering van bredere hervormings- en investeringsverbintenissen in het kader van het Europees Semester en, indien van toepassing, de uitvoering van de reeks hervormings- en investeringsverbintenissen die ten grondslag liggen aan een verlenging van de aanpassingsperiode.
3.Het in lid 1 bedoelde jaarlijkse voortgangsverslag bevat ook de in bijlage III vermelde informatie.
4.Elke lidstaat maakt zijn jaarlijkse voortgangsverslag openbaar.
Artikel 21
Toezicht door de Commissie
De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn, en met name op het netto-uitgaventraject.
De Commissie zet een controlerekening op die functioneert overeenkomstig bijlage IV en registreert de cumulatieve opwaartse en neerwaartse afwijkingen van de werkelijke netto-uitgaven ten opzichte van het netto-uitgaventraject.
Artikel 22
Rol van onafhankelijke begrotingsinstellingen
Elke in artikel 8 van Richtlijn [...] van de Raad [betreffende de nationale begrotingskaders] bedoelde nationale onafhankelijke begrotingsinstelling beoordeelt of de in het in artikel 20 bedoelde voortgangsverslag gerapporteerde begrotingsresultaten in overeenstemming zijn met het netto-uitgaventraject. In voorkomend geval analyseert elke nationale onafhankelijke begrotingsinstelling ook de factoren die ten grondslag liggen aan een afwijking van het netto-uitgaventraject.
Artikel 23
Waarschuwing van de Commissie en aanbeveling van de Raad voor beleidsmaatregelen
1.Bij een aanzienlijk risico dat van het netto-uitgaventraject wordt afgeweken of bij een risico dat het overheidstekort de referentiewaarde van 3 % van het bbp kan overschrijden, kan de Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat richten overeenkomstig artikel 121, lid 4, VWEU.
2.Op basis van een aanbeveling van de Commissie stelt de Raad binnen een maand na de in lid 1 bedoelde waarschuwing van de Commissie een aanbeveling aan de betrokken lidstaat vast voor de nodige beleidsmaatregelen, overeenkomstig artikel 121, lid 4, VWEU.
Artikel 24
Ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel
Op aanbeveling van de Commissie kan de Raad een aanbeveling aannemen op grond waarvan de lidstaten in geval van een ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel van hun netto-uitgaventraject mogen afwijken, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt. De Raad stelt een termijn voor deze afwijking vast.
Zolang de ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel aanhoudt, blijft de Commissie de houdbaarheid van de schuld monitoren en zorgt zij voor beleidscoördinatie en een consistente beleidsmix die rekening houdt met de eurozone en de Uniedimensie.
De Raad kan, op aanbeveling van de Commissie, de periode waarin de lidstaten van het netto-uitgaventraject mogen afwijken, verlengen, mits de ernstige economische neergang in de eurozone of in de Unie als geheel aanhoudt. Een verlenging kan meer dan één keer worden toegestaan. Elke verlenging geldt evenwel voor een periode van ten hoogste één jaar.
Artikel 25
Uitzonderlijke omstandigheden waarover de lidstaat geen controle heeft en die grote gevolgen hebben voor de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat
Op aanbeveling van de Commissie kan de Raad een aanbeveling aannemen op grond waarvan een lidstaat kan afwijken van zijn netto-uitgaventraject indien uitzonderlijke omstandigheden waarover de lidstaat geen controle heeft, een grote impact hebben op de overheidsfinanciën van de betrokken lidstaat, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt. De Raad stelt een termijn voor deze afwijking vast.
Op voorwaarde dat de uitzonderlijke omstandigheden aanhouden, kan de Raad op aanbeveling van de Commissie de periode waarin de lidstaten van het netto-uitgaventraject mogen afwijken, verlengen. Een verlenging kan meer dan één keer worden toegestaan. Elke verlenging geldt evenwel voor een periode van ten hoogste één jaar.
HOOFDSTUK VI
ECONOMISCHE DIALOOG
Artikel 26
Dialoog over het Europees semester
Het Europees Parlement wordt naar behoren bij het Europees Semester betrokken teneinde de transparantie van, de eigen verantwoordelijkheid voor en de verantwoordingsplicht met betrekking tot de genomen besluiten te vergroten, in het bijzonder door middel van een economische dialoog. Het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de economische politiek, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming worden in passende gevallen in het kader van het Europees Semester geraadpleegd. Belanghebbenden, met name de sociale partners, worden in passende gevallen in het kader van het Europees Semester bij de belangrijkste beleidskwestie betrokken, in overeenstemming met de bepalingen van het VWEU en de nationale wettelijke en politieke regelingen.
Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en te zorgen voor meer transparantie en verantwoordelijkheid, kan het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en indien nodig de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de Eurogroep in het parlement uitnodigen om de door de Commissie uitgevaardigde beleidsrichtsnoeren aan de lidstaten, de door de Europese Raad vastgestelde conclusies en de resultaten van het in het kader van deze verordening uitgevoerde multilaterale toezicht te bespreken.
De voorzitter van de Raad, en de Commissie in overeenstemming met artikel 121 VWEU, en, in voorkomend geval, de voorzitter van de Eurogroep, brengen jaarlijks aan het Europees Parlement en aan de Europese Raad verslag uit over de resultaten van het multilaterale toezicht.
Artikel 27
"Pas toe of leg uit"-beginsel
Van de Raad wordt als hoofdregel verwacht dat hij de aanbevelingen en voorstellen van de Commissie opvolgt of zijn standpunt publiekelijk toelicht.
Artikel 28
Dialoog met een lidstaat
Indien de Raad overeenkomstig artikel 23, lid 2, een aanbeveling tot een lidstaat richt in geval van een aanzienlijk risico op afwijking van het netto-uitgaventraject, kan het Europees Parlement die lidstaat de gelegenheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling.
Artikel 29
Regelmatige informatieverstrekking aan het Europees Parlement
1.De Raad en de Commissie informeren het Europees Parlement geregeld over de toepassing van deze verordening.
2.In het verslag van de Raad en de Commissie aan het Europees Parlement worden de resultaten verwerkt van het multilaterale toezicht dat in het kader van deze verordening wort uitgeoefend.
HOOFDSTUK VII
INTERACTIE MET VERORDENING (EU) NR. 1176/2011
Artikel 30
Interactie met de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden
1. Indien een lidstaat nalaat uitvoering te geven aan de hervormings- en investeringsverbintenissen die zijn opgenomen in zijn nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn om gevolg te geven aan de landspecifieke aanbevelingen die relevant zijn voor de bij Verordening (EU) nr. 1176/2011 vastgestelde procedure voor macro-economische onevenwichtigheden, en indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat door buitensporige onevenwichtigheden wordt getroffen overeenkomstig artikel 7, lid 1, van die verordening, is de procedure van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van toepassing.
2. In dat geval dient de lidstaat waarvoor overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden is ingeleid, een herzien plan in overeenkomstig artikel 14 van deze verordening. Het herziene plan volgt de aanbeveling van de Raad die is aangenomen overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011. Het herziene plan moet door de Raad worden goedgekeurd overeenkomstig de artikelen 16 tot en met 19 van deze verordening. Het herziene plan wordt beoordeeld overeenkomstig artikel 15 van deze verordening.
3. Wanneer een lidstaat overeenkomstig lid 2 een herzien budgettair-structureel plan voor de middellange termijn indient, dient dat herziene plan als het uit hoofde van artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 vereiste plan met corrigerende maatregelen, bevat het de specifieke beleidsmaatregelen die de betrokken lidstaat heeft uitgevoerd of voornemens is uit te voeren en een tijdschema voor die maatregelen.
In dat geval beoordeelt de Raad, overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1176/2011, op basis van een beoordeling van de Commissie het herziene plan binnen twee maanden na de indiening ervan. De monitoring en beoordeling van de uitvoering van het herziene plan geschiedt overeenkomstig artikel 21 van deze verordening en de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1176/2011.
HOOFDSTUK VIII
INTERACTIE MET VERORDENING (EU) NR. 472/2013
Artikel 31
Interactie met de procedure voor verscherpt toezicht
Een lidstaat die onderworpen is aan verscherpt toezicht uit hoofde van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad, houdt bij de vaststelling van maatregelen die erop gericht zijn de bronnen of potentiële bronnen van moeilijkheden aan te pakken overeenkomstig artikel 3, lid 1, van die verordening, rekening met eventuele aanbevelingen die uit hoofde van artikel 23 van onderhavige verordening tot deze lidstaat zijn gericht.
Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013 onderworpen is aan een macro-economisch aanpassingsprogramma en de wijzigingen daarvan, is hij niet verplicht een budgettair-structureel plan overeenkomstig artikel 9 van deze verordening en een jaarlijks voortgangsverslag overeenkomstig artikel 20 van deze verordening in te dienen.
HOOFDSTUK IX
GEDELEGEERDE BEVOEGDHEDEN
Artikel 32
Wijziging van de bijlagen
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 33 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen II tot en met VII teneinde deze aan te passen aan verdere ontwikkelingen of behoeften met betrekking tot de informatie in het nationale budgettair-structurele plan voor de middellange termijn (bijlage II) of in de jaarlijkse voortgangsverslagen (bijlage III), met betrekking tot de werking van de controlerekening (bijlage IV), de methode voor de beoordeling van de plausibiliteit (bijlage V), de gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie (bijlage VI) of het beoordelingskader (bijlage VII).
Artikel 33
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.De in artikel 32 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van XXX voor onbepaalde tijd aan de Commissie toegekend.
3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 32 bedoelde bevoegdheidsdelegaties te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 32 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van een maand na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met een maand verlengd.
HOOFDSTUK X
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
Artikel 34
Dialoog met de lidstaten
De Commissie draagt overeenkomstig de doelstellingen van deze verordening zorg voor een permanente dialoog met de lidstaten. Hiertoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit ter beoordeling van de heersende sociaal-economische situatie in de lidstaten en ter opsporing van eventuele risico’s of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening.
Artikel 35
Missies voor diepgaand toezicht
1.De Commissie kan missies voor diepgaand toezicht ondernemen voor die lidstaten die het onderwerp zijn van een aanbeveling als bedoeld in artikel 23, met als doel monitoring ter plaatste.
2.Wanneer de betrokken lidstaat een lidstaat is die de euro als munt heeft of een lidstaat is die deel uitmaakt van WKM2, kan de Commissie indien wenselijk vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken om deel te nemen aan toezichtmissies.
Artikel 36
Verslag
1.Uiterlijk [31 december 2030], en daarna elke vijf jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van deze verordening, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening. De Commissie maakt dit verslag openbaar.
2.Het in lid 1 bedoelde verslag bevat een evaluatie van:
(a)de doeltreffendheid van de verordening, met name of de bepalingen betreffende de besluitvorming voldoende doeltreffend zijn gebleken om de overheidsschuld te doen dalen of op een prudent niveau te handhaven overeenkomstig de desbetreffende aanbevelingen van de Raad;
(b)de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economische beleid en de aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten.
3.Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 37
Intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97
Verordening (EG) nr. 1466/97 wordt ingetrokken.
Artikel 38
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de [twintigste] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter