<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><ORDER xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.ORDER><REF.CASE FILE="ECRT11997NLA.0300046901.case.xml"><NO.CASE>T-367/94</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61994B0367</NO.CELEX><NO.SEQ>0010.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST>471</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>480</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>10</PAGE.TOTAL><AUTHOR>T</AUTHOR></BIB.ORDER><CURR.TITLE><LEFT>BESCHIKKING VAN <DATE ISO="19970324">24.3.1997</DATE> — ZAAK T-367/94</LEFT><RIGHT>BRITISH COAL / COMMISSIE</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Beschikking van de president van de Derde kamer</HT></P><P><HT TYPE="UC">van het Gerecht</HT></P><P><DATE ISO="19970324">24 maart 1997</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING="STAR"><P>Procestaal: Engels.</P></NOTE></P></TI></TITLE><ORDER.INIT><P>In zaak T-367/94,</P></ORDER.INIT><PARTIES><PLAINTIFS><P><HT TYPE="BOLD">British Coal Corporation,</HT> vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, vertegenwoordigd door D. Vaughan, QC, D. Lloyd Jones, Barrister, en C. Mehta, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch en Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,</P><PARTY.STATUS>verzoekster,</PARTY.STATUS></PLAINTIFS><AGAINST>tegen</AGAINST><DEFENDANTS><P><HT TYPE="BOLD">Commissie van de Europese Gemeenschappen,</HT> vertegenwoordigd door J. Currall, lid van haar juridische dienst, en R. Caudwell, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,</P><PARTY.STATUS>verweerster,</PARTY.STATUS></DEFENDANTS></PARTIES><?PAGE NO="II-472"?><SUBJECT><P>betreffende een beroep tot nietigverklaring van de stilzwijgende weigering van de Commissie om een op <DATE ISO="19940615">15 juni 1994</DATE> door de National Association of Licensed Opencast Operators (NALOO) tegen verzoekster ingediende klacht af te wijzen,</P><P>geeft</P></SUBJECT><PREAMBLE.GEN><PREAMBLE.INIT><P>DE PRESIDENT VAN DE DERDE KAMERVAN HET GERECHT</P></PREAMBLE.INIT><PREAMBLE.FINAL><P>de navolgende</P></PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE.GEN><CONTENTS.ORDER><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Beschikking</P></TI></TITLE><NP><NO.P>1</NO.P><TXT>Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op <DATE ISO="19950331">31 maart 1995</DATE>, heeft PowerGen plc, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, vertegenwoordigd door K. P. E. Lasok, QC, L. G. D. Marr en N. P. Lomas, Solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch en Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11, verzocht in zaak T-367/94 te mogen interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van British Coal Corporation, zulks op grond van artikel 34 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>'s Hofs Statuut-EGKS<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>), dat krachtens artikel 46 daarvan op het Gerecht van toepassing is, alsmede op grond van artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.</TXT><P>Ook National Power plc, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Swindon, (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door N. Forwood, QC, D. Anderson, Barrister, S. B arret-Williams, Barrister, en G. Chapman, Solicitor, domicilie gekozen hebbend te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Rue Matthias Hardt 8-10, heeft bij op <DATE ISO="19950410">10 april 1995</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift verzocht om op grond van genoemde bepalingen te mogen interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van British Coal Corporation.</P></NP><?PAGE NO="II-473"?><NP><NO.P>2</NO.P><TXT>Ten slotte heeft de National Association of Licensed Opencast Operators (NALOO, nationale vereniging van vergunninghouders voor kolenwinning in dagbouw), vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Newcastle upon Tynė (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door N. Green, Barrister, en D. Wilson, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van V. Gillen, advocaat aldaar, Rue Aldringen 13, bij op <DATE ISO="19950404">4 april 1995</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift verzocht om op grond van genoemde bepalingen te mogen interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.</TXT></NP><NP><NO.P>3</NO.P><TXT>Bij een op <DATE ISO="19940615">15 juni 1994</DATE> bij de Commissie ingediende klacht had NALOO zowel British Coal Corporation (hierna: <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>British Coal<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>) als de Central Electricity Generating Board (Centrale Elektriciteitsproductiedienst, hierna: <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>CEGB<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>), waarvan PowerGen en National Power de rechtsopvolgers zijn, beschuldigd van concurrentiebeperkingen in de periode tussen <DATE ISO="19730101">1 januari 1973</DATE>, de datum van de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, en <DATE ISO="19900331">31 maart 1990</DATE>.</TXT></NP><NP><NO.P>4</NO.P><TXT>NALOO betwiste in hoofdzaak de wettigheid — gelet op de artikelen 4, sub d, 65 en 66, lid 7, EGKS-Verdrag — van de door British Coal geïnde royalty's over de door haar leden in de mijnen van British Coal in dagbouw gewonnen steenkool. NALOO stelde tevens, dat CEGB van haar leden voor elektriciteitsopwekking bestemde steenkool had afgenomen tegen discriminerende prijzen, hetgeen in strijd is met artikel 63 EGKS-Verdrag en de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag.</TXT></NP><NP><NO.P>5</NO.P><TXT>Derhalve verzocht NALOO de Commissie in haar klacht zakelijk weergegeven:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>haar bevoegdheid uit hoofde van de artikelen 4, sub d, 65, 66, lid 7, en 86 EGKS-Verdrag uit te oefenen en een beschikking te geven waarin, met inachtneming van de aangevoerde grieven, de inbreuken van British Coal worden vastgesteld;</P></ITEM><ITEM><P>tegen CEGB op te treden krachtens artikel 63 EGKS-Verdrag en artikel 86 EG-Verdrag.</P></ITEM></LIST></P></NP><?PAGE NO="II-474"?><NP><NO.P>6</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19940801">1 augustus 1994</DATE> deed British Coal de Commissie haar opmerkingen betreffende de klacht toekomen en wendde zij zich op grond van artikel 35 EGKS-Verdrag tot deze instelling met een verzoek, dat primair strekte tot vaststelling, dat de Commissie niet bevoegd was de klacht te onderzoeken met betrekking tot de vóór <DATE ISO="19900401">1 april 1990</DATE> door British Coal geïnde royalty's en, subsidiair, tot afwijzing van de klacht volgens het recht, zonder de klacht inhoudelijk te onderzoeken. British Coal verklaarde, dat zij, indien de Commissie niet binnen twee maanden na de datum van ontvangst van haar aanmaningsbrief de gewenste beschikking zou geven, bij het Gerecht beroep zou instellen tegen de impliciete weigering die in het zwijgen van de instelling besloten zou liggen.</TXT></NP><NP><NO.P>7</NO.P><TXT>Bij schrijven van <DATE ISO="19941003">3 oktober 1994</DATE> liet de Commissie British Coal weten, dat zij niet gerechtigd was van de Commissie een beschikking van een bepaalde strekking te verlangen en dat het feit dat een klacht niet wordt verworpen binnen de termijn gesteld door degene tegen wie de klacht was gericht, geen aanleiding kan zijn voor een procedure krachtens artikel 35.</TXT></NP><NP><NO.P>8</NO.P><TXT>Onder deze omstandigheden heeft British Coal, bij op <DATE ISO="19941110">10 november 1994</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, beroep ingesteld op grond van artikel 35 EGKS-Verdrag, strekkende tot nietigverklaring van de stilzwijgende weigering die in het uitblijven van de afwijzing van de klacht van NALOO besloten zou liggen.</TXT></NP><NP><NO.P>9</NO.P><TXT>In haar verzoek tot tussenkomst stelt PowerGen, dat zij, in tegenstelling tot British Coal, geen beroep heeft ingesteld, omdat zij geen onderneming of vereniging van ondernemingen is in de zin van artikel 80 EGKS-Verdrag, ook al valt zij onder artikel 63, lid 1. Zij zou niettemin een rechtspersoon zijn en derhalve over de vereiste bevoegdheid beschikken om in deze procedure te interveniëren (beschikking Hof van <DATE ISO="19610503">3 mei 1961</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="13/60" YEAR="1962" PAGE.ECR="283">13/60, Geitling, Jurispr. 1962, blz. 283</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>10</NO.P><TXT>PowerGen voert aan, dat zij in reactie op de klacht van NALOO opmerkingen heeft ingediend die in wezen overeenkomen met die van British Coal, en dat die klacht is gebaseerd op een zelfde samenstel van feiten dat dezelfde rechtsvragen aan de orde stelt. Het Gerecht zou dan ook moeten beslissen op rechtsvragen die de positie van PowerGen rechtstreeks raken.</TXT></NP><?PAGE NO="II-475"?><NP><NO.P>11</NO.P><TXT>PowerGen betoogt voorts, dat het in deze zaak tevens gaat om juridische aspecten die rechtstreeks verband houden met die welke aan de orde kwamen in de prejudiciële zaak Hopkins e. a. (arrest Hof van <DATE ISO="19960502">2 mei 1996</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-18/94" YEAR="1996" PAGE.ECR="I-2281">C-18/94, Jurispr. 1996, blz. I-2281</REF.DOC.ECR>). Die zaak betrof de voorwaarden waaronder CEGB tussen 1985 en <DATE ISO="19900331">31 maart 1990</DATE> steenkool afnam van kleine mijneigenaars. Met name de kwesties van de bevoegdheid van de Commissie en het vermeende bestaan van rechtswegen met terugwerkende kracht zouden in de zaak Hopkins op dezelfde wijze hebben gespeeld als in de onderhavige zaak.</TXT></NP><NP><NO.P>12</NO.P><TXT>National Power betoogt, dat zij belang heeft bij de oplossing van het geschil, aangezien de klacht van NALOO niet alleen tegen British Coal is gericht, maar daarin ook wordt gesteld, dat CEGB, waarvan National Power rechtsopvolger is, artikel 63 EGKS-Verdrag en artikel 86 EG-Verdrag heeft geschonden. Evenals British Coal betoogt National Power dat er geen grond is voor de klacht en concludeert zij tot verwerping van de klacht ten aanzien van National Power.</TXT></NP><NP><NO.P>13</NO.P><TXT>Mocht British Coal in het gelijk worden gesteld, dan zou de Commissie geen beschikking kunnen geven ten aanzien van National Power. Mocht het Gerecht British Coal haar eis ontzeggen, dan zouden de argumenten betreffende de bevoegdheid, die National Power in haar bij de Commissie ingediende opmerkingen betreffende de klacht van NALOO heeft aangevoerd, worden verworpen.</TXT></NP><NP><NO.P>14</NO.P><TXT>In haar verzoek tot tussenkomst stelt NALOO, dat indien British Coal in het gelijk wordt gesteld, de kans van de leden van NALOO om voor de Britse rechterlijke instanties schadevergoeding te verkrijgen voor de zware verliezen die zij hebben geleden ten gevolge van het gedrag van British Coal, zoals beschreven in de klacht, sterk zou dalen.</TXT></NP><NP><NO.P>15</NO.P><TXT>De verzoeken tot tussenkomst zijn aan de partijen betekend overeenkomstig artikel 116 van het Reglement voor de procesvoering.</TXT></NP><?PAGE NO="II-476"?><NP><NO.P>16</NO.P><TXT>In haar opmerkingen betreffende het verzoek tot tussenkomst van PowerGen, die zij bij memorie van <DATE ISO="19950424">24 april 1995</DATE> heeft ingediend, stelt de Commissie, dat het feit dat PowerGen geen onderneming is in de zin van het EGKS-Verdrag, haar niet belet in deze zaak te interveniëren krachtens artikel 34 van 's Hofs Statuut-EGKS.</TXT></NP><NP><NO.P>17</NO.P><TXT>De Commissie betwijfelt evenwel, of PowerGen is geslaagd in het bewijs van voldoende belang bij de uitkomst van het beroep van British Coal, dat alleen betrekking zou hebben op de hoogte van de royalty's voor de steenkoolwinning in dagbouw op grond van een vergunning. PowerGen verklaart volgens haar namelijk niet, hoe de uitkomst van het beroep tot nietigverklaring van de stilzwijgende weigering van de Commissie om de op basis van de artikelen 4, 65 en 66, lid 7, EGKS-Verdrag door NALOO tegen British Coal ingediende klacht af te wijzen, voor PowerGen van nut kan zijn met betrekking tot NALOO's beweringen, dat CEGB artikel 63 EGKS-Verdrag en de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag heeft geschonden door op steenkool van particuliere producenten prijzen toe te passen die discriminerend zijn in vergelijking met de aan British Coal betaalde prijzen.</TXT></NP><NP><NO.P>18</NO.P><TXT>De Commissie erkent, dat PowerGen door de klacht wordt geraakt en dat PowerGen tevens betoogt, dat de Commissie niet bevoegd is om de in de klacht aangevoerde punten opnieuw te onderzoeken. De Commissie betwijfelt echter, of deze omstandigheid voldoende is om aan te nemen, dat PowerGen belang heeft bij de uitkomst van het onderhavige geding.</TXT></NP><NP><NO.P>19</NO.P><TXT>Hoe dan ook, PowerGen kan met haar tussenkomst de strekking van het beroep van British Coal niet verruimen, teneinde daarin aspecten van de klacht te betrekken, welke op grond van volstrekt andere bepalingen tegen PowerGen is ingediend.</TXT></NP><NP><NO.P>20</NO.P><TXT>Bij memorie van <DATE ISO="19950502">2 mei 1995</DATE> heeft de Commissie in wezen gelijkluidende opmerkingen ingediend met betrekking tot het verzoek tot tussenkomst van National Power.</TXT></NP><?PAGE NO="II-477"?><NP><NO.P>21</NO.P><TXT>British Coal heeft in haar op <DATE ISO="19950428">28 april 1995</DATE> ingediende opmerkingen betreffende de verzoeken tot tussenkomst geen bezwaar gemaakt tegen deze drie verzoeken, doch slechts verzocht, enkele stukken ten opzichte van PowerGen en National Power vertrouwelijk te behandelen.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De verzoeken tot tussenkomst</P></TI></TITLE><NP><NO.P>22</NO.P><TXT>De drie verzoeken tot tussenkomst zijn ingediend overeenkomstig artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.</TXT></NP><NP><NO.P>23</NO.P><TXT>Artikel 34 van 's Hofs Statuut-EGKS verleent het recht op tussenkomst in een geding slechts aan natuurlijke en rechtspersonen die kunnen bewijzen dat zij belang hebben bij de oplossing van het geding. Volgens dat artikel kunnen de conclusies van het verzoekschrift tot tussenkomst slechts ten doel hebben de conclusies van een der partijen te ondersteunen of te verwerpen.</TXT></NP><NP><NO.P>24</NO.P><TXT>Hieruit volgt, dat het belang van verzoeksters tot tussenkomst bij de oplossing van het onderhavige beroep tot nietigverklaring niet kan zijn gelegen in een indirect belang, betrekking hebbende op een vergelijkbare situatie, doch dat dit belang integendeel moet worden bepaald met inachtneming van het voorwerp van het geding, zoals dit is omschreven in de conclusies van het inleidende verzoekschrift van British Coal.</TXT></NP><NP><NO.P>25</NO.P><TXT>Dienaangaande zij opgemerkt, dat slechts voor zover NALOO's klacht is gericht tegen British Coal en daarmee de wettigheid van de door British Coal ontvangen royalty's wordt betwist op grond van de artikelen 4, sub d, 65 en 66, lid 7, EGKS-Verdrag, British Coal gerechtigd is, nietigverklaring te vorderen van de stilzwijgende weigering van de Commissie om NALOO's klacht af te wijzen.</TXT></NP><?PAGE NO="II-478"?><NP><NO.P>26</NO.P><TXT>De artikelen 4, 65 en 66, lid 7, EGKS-Verdrag vormen namelijk het juridisch kader voor de beoordeling van de winningsvergunningen voor steenkool en de daaraan verbonden voorwaarden inzake royalty's en betalingen (arrest Hof van <DATE ISO="19940413">13 april 1994</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-128/92" YEAR="1994" PAGE.ECR="I-1209">C-128/92, Banks, Jurispr. 1994, blz. I-1209, r. o. 14</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>27</NO.P><TXT>PowerGen en National Power kunnen evenwel slechts een rechtstreeks en daadwerkelijk belang hebben bij de nietigverklaring van de stilzwijgende weigering van de Commissie om de klacht van NALOO af te wijzen, voor zover een arrest tot nietigverklaring tot gevolg zou hebben dat die klacht niet meer zou kunnen worden onderzocht ten aanzien van de wettigheid van de inkoopprijzen van de steenkool die door CEGB aan de leden van NALOO zijn betaald.</TXT></NP><NP><NO.P>28</NO.P><TXT>De concurrentiebeperkende praktijken waarvan NALOO British Coal beschuldigt en waarvan zij CEGB beschuldigt, zijn niet alleen verschillend, maar vallen ook niet binnen hetzelfde juridische kader. Artikel 4, sub b, juncto artikel 63, lidi, EGKS-Verdrag vormt namelijk het juridische kader waarbinnen de door kopers ten aanzien van producenten toegepaste discriminaties op het stuk van prijzen, hoeveelheid en aankoopvoorwaarden moeten worden geplaatst (arrest Hopkins e. a., reeds aangehaald, r. o. 24).</TXT></NP><NP><NO.P>29</NO.P><TXT>Zo gezien, hebben de conclusies van de door PowerGen en National Power ingediende verzoeken tot tussenkomst niet ten doel de conclusies van British Coal te ondersteunen in de zin van artikel 34 van 's Hofs Statuut-EGKS (zie beschikking Hof van <DATE ISO="19780412">12 april 1978</DATE>, gevoegde zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="116/77+124/77+143/77" YEAR="1978" PAGE.ECR="893">116/77, 124/77 en 143/77, Amylum e. a., Jurispr. 1978, blz. 893, r. o. 7 e. v.</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>30</NO.P><TXT>De verzoeken tot tussenkomst van PowerGen en National Power moeten derhalve worden afgewezen.</TXT></NP><?PAGE NO="II-479"?><NP><NO.P>31</NO.P><TXT>NALOO daarentegen heeft wel een rechtstreeks en daadwerkelijk belang bij de oplossing van het geschil, aangezien het beroep strekt tot nietigverklaring van een haar begunstigende beschikking, te weten de stilzwijgende weigering haar klacht af te wijzen, voor zover deze de schending van British Coal van de artikelen 4, sub d, 65 en 66, lid 7, EGKS-Verdrag betreft. Een arrest waarbij de vorderingen van British Coal worden afgewezen, zou NALOO namelijk in staat stellen om haar juridisch beschermde recht te behouden om als klager een beschikking te verkrijgen waarbij op haar klacht wordt beslist op basis van genoemde bepalingen.</TXT></NP><NP><NO.P>32</NO.P><TXT>Het verzoek tot tussenkomst van NALOO moet derhalve worden ingewilligd.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De verzoeken om vertrouwelijke behandeling</P></TI></TITLE><NP><NO.P>33</NO.P><TXT>Aangezien de verzoeken tot tussenkomst van PowerGen en National Power moeten worden afgewezen, behoeft niet te worden beslist op de verzoeken van British Coal om bepaalde processtukken ten aanzien van hen vertrouwelijk te behandelen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><JURISDICTION><INTRO><P>DE PRESIDENT VAN DE DERDE KAMER VAN HET GERECHT</P><P>beschikt:</P></INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>De verzoeken tot tussenkomst van PowerGen en National Power worden afgewezen.</TXT></NP></ITEM><?PAGE NO="II-480"?><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Op de verzoeken van British Coal om vertrouwelijke behandeling ten aanzien van PowerGen en National Power behoeft niet te worden beslist.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>NALOO wordt toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>4)</NO.P><TXT>Er wordt een termijn bepaald waarbinnen interveniënte schriftelijk de middelen tot staving van haar conclusies kan uiteenzetten.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>5)</NO.P><TXT>De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.</TXT></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.ORDER><SIGNATURE.CASE><P>Luxemburg, <DATE ISO="19970324">24 maart 1997</DATE>.</P><SIGNATORY><P>De griffier</P><P>H. Jung</P></SIGNATORY><SIGNATORY><P>De president van de Derde kamer</P><P>B. Vesterdorf</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></ORDER>