CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. SZPUNAR
van 8 juli 2021 ( 1 )
Zaak C‑422/20
RK
tegen
CR
[verzoek van het Oberlandesgericht Köln (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Keulen, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Erkenning – Erfopvolging en Europese erfrechtverklaring – Bevoegdheid in geval van een rechtskeuze – Onbevoegdverklaring van een eerder aangezocht gerecht”
I. Inleiding
|
1. |
Artikel 4 van verordening (EU) nr. 650/2012 ( 2 ), met het opschrift „Algemene bevoegdheid”, bepaalt dat „[d]e gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd [zijn] om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel”. Het in deze bepaling vastgestelde criterium voor het bepalen van de rechterlijke bevoegdheid komt overeen met dat van artikel 21, lid 1, van deze verordening, met het opschrift „Algemene regel”, voor het bepalen van het recht dat op de erfopvolging in haar geheel van toepassing is. |
|
2. |
Dankzij de samenhang van deze criteria kan in het algemeen worden gewaarborgd dat het beginsel van overeenstemming van het toepasselijke recht en het forum ( 3 ), waarnaar overweging 27 van verordening nr. 650/2012 verwijst, wordt nageleefd. In deze overweging staat dat de voorschriften van deze verordening zijn opgesteld om ervoor te zorgen dat de autoriteit die de erfopvolging behandelt, in de meeste gevallen, haar eigen recht kan toepassen. |
|
3. |
Op grond van artikel 22, lid 1, van verordening (EU) nr. 650/2012 kan een persoon ervoor kiezen dat zijn erfopvolging in het geheel wordt beheerst door het recht van de staat waarvan hij op het tijdstip van deze keuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit. Een dergelijke keuze kan afbreuk doen aan het beginsel van overeenstemming van het toepasselijke recht en het forum. Deze verordening voorziet evenwel in mechanismen die ervoor moeten zorgen dat dit beginsel ook ten aanzien van een rechtskeuze wordt geëerbiedigd. Uit een gezamenlijke lezing van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van die verordening blijkt met name dat de gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater is gekozen, bevoegd zijn om uitspraak te doen wanneer een eerder aangezocht gerecht zich op verzoek van een van de partijen in het geding onbevoegd heeft verklaard. |
|
4. |
Deze bepalingen vormen de kern van de tweede prejudiciële vraag die in de onderhavige zaak aan het Hof is voorgelegd en waarmee de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of, en zo ja in hoeverre, een onbevoegdverklaring van een eerder ter zake van erfopvolging aangezocht gerecht van een lidstaat bindend is voor het later aangezochte gerecht van een andere lidstaat. |
|
5. |
Overeenkomstig het verzoek van het Hof zal de onderhavige conclusie beperkt blijven tot het onderzoek van deze vraag. |
II. Toepasselijke bepalingen
|
6. |
Artikel 6 van verordening nr. 650/2012, met het opschrift „Onbevoegdverklaring in geval van een rechtskeuze”, bepaalt onder a): „Wanneer het door de erflater ten aanzien van de erfopvolging overeenkomstig artikel 22 gekozen recht het recht van een lidstaat is, kan het op grond van artikel 4 of artikel 10 aangezochte gerecht:
|
|
7. |
Artikel 7 van deze verordening, met als opschrift „Bevoegdheid in geval van een rechtskeuze”, bepaalt onder a): „De gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater overeenkomstig artikel 22 is gekozen, zijn bevoegd om over de erfopvolging uitspraak te doen indien:
|
|
8. |
Artikel 22 van die verordening, met het opschrift „Rechtskeuze”, bepaalt in lid 1 dat „[e]en persoon [ervoor kan] kiezen dat zijn erfopvolging in het geheel wordt beheerst door het recht van de staat [...] waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit [...]”. |
|
9. |
In artikel 83, lid 4, van dezelfde verordening is bepaald dat „[i]ndien een uiterste wilsbeschikking [...] [vóór] 17 augustus 2015 [is opgesteld], in overeenstemming met het recht dat de erflater op grond van deze verordening had kunnen kiezen, [...] dat recht [geldt] als het op de erfopvolging toepasselijke recht”. |
III. Feiten, procedure en prejudiciële vragen
|
10. |
Na het overlijden van haar echtgenoot op 9 maart 2017 heeft CR het Amtsgericht Düren (rechter in eerste aanleg Düren, Duitsland) verzocht om afgifte van een nationale en een Europese erfrechtverklaring op basis van het in 1990 naar Duits recht opgemaakte gemeenschappelijk testament, waarbij CR en haar echtgenoot elkaar tot enige erfgenaam hadden verklaard. De laatste gewone verblijfplaats van de erflater bevond zich in Spanje. |
|
11. |
RK, de broer van de erflater, heeft zich tegen het verzoek van CR verzet. |
|
12. |
Bij beslissing van 20 december 2017 heeft het Amtsgericht Düren het verzoek van CR toegewezen. |
|
13. |
De verwijzende rechter, het Oberlandesgericht Köln (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Keulen, Duitsland), waarbij RK beroep had ingesteld, heeft die beslissing vernietigd op grond dat volgens het criterium van de „gewone verblijfplaats” van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden, in de zin van artikel 4 van verordening nr. 650/2012, alleen de Spaanse gerechten bevoegd waren. |
|
14. |
Op 29 april 2019 heeft CR een beschikking verkregen van de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción No 3 Estepona (rechtbank in eerste aanleg en instructie nr. 3 Estepona, Spanje), waaruit blijkt dat die rechter op verzoek van de verzoekende partij de beslissing heeft gegeven „af te zien van een uitspraak, aangezien de Duitse rechterlijke instanties, rekening houdend met praktische omstandigheden, zoals de gewone verblijfplaats van CR en het feit dat het grootste deel van het betrokken vermogen zich in Duitsland bevindt, beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen”. |
|
15. |
Bij notariële akte van 29 augustus 2019 heeft CR bij het Amtsgericht Düren een nieuw verzoek om afgifte van erfrechtverklaringen ingediend, waarbij zij die beschikking heeft overgelegd. Bij beschikking van 19 februari 2020 heeft de verwijzende rechter het verzoek van CR opnieuw toegewezen omdat hij van oordeel was dat zijn internationale bevoegdheid vaststond, aangezien de door CR aangezochte Spaanse rechter zich onbevoegd had verklaard overeenkomstig artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012. |
|
16. |
RK is in beroep gegaan tegen de beschikking van 19 februari 2020, waarbij hij zich opnieuw heeft verzet tegen deze beslissing. Daarop is de zaak verwezen naar de verwijzende rechter. |
|
17. |
Tegen deze achtergrond heeft het Oberlandesgericht Köln bij beslissing van 28 augustus 2020, ingekomen bij het Hof op 8 september 2020, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
|
18. |
CR, de Spaanse en de Italiaanse regering en de Europese Commissie hebben opmerkingen ingediend. Er is geen terechtzitting gehouden. |
IV. Analyse
A. Opmerkingen vooraf over de tweede vraag en het voorwerp ervan
|
19. |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, wanneer een ten aanzien van de erfopvolging eerder aangezocht gerecht van een lidstaat zich onbevoegd verklaart overeenkomstig artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, het later aangezochte gerecht op grond van artikel 7, onder a), van deze verordening mag onderzoeken of de beslissing houdende onbevoegdverklaring in overeenstemming was met de voorwaarden van deze eerste bepaling. |
1. De in de tweede prejudiciële vraag bedoelde voorwaarden
|
20. |
In het eerste deel van de tweede vraag refereert de verwijzende rechter in het algemeen aan de voorwaarden van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012. De verwijzende rechter spitst deze vraag echter toe op drie specifieke voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat het eerder aangezochte gerecht zich onbevoegd kan verklaren ten gunste van de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had. Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter met de tweede vraag, die in drie deelvragen uiteenvalt, te vernemen of de laatstgenoemde gerechten mogen onderzoeken, ten eerste, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van deze lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst, ten tweede, of een van de partijen in het geding overeenkomstig artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 een verzoek heeft ingediend bij het eerder aangezochte gerecht en, ten derde, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat de gerechten van die lidstaat beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen. |
|
21. |
De drie deelvragen worden weliswaar voorafgegaan door de woorden „met name”, maar andere elementen die vanuit het oogpunt van het op grond van artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 later aangezochte gerecht relevant kunnen zijn, worden door de verwijzende rechter niet aangevoerd in zijn vragen. ( 4 ) Uit de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt namelijk dat de verwijzende rechter de tweede vraag beperkt tot de voorwaarden waarop deze deelvragen betrekking hebben. |
2. Verhouding tussen de eerste deelvraag van de tweede vraag en de derde vraag
|
22. |
A priori lijkt er sprake te zijn van een inconsistentie tussen de eerste deelvraag van de tweede vraag en de derde vraag. |
|
23. |
De eerste deelvraag van de tweede vraag verwijst namelijk naar een rechtskeuze die overeenkomstig artikel 22 van verordening nr. 650/2012 is gemaakt, maar uit de bewoordingen van de derde vraag blijkt dat het Duitse recht volgens de verwijzende rechter niet op grond van die bepaling kon worden gekozen door de erflater en dat de toepassing van dit recht voortvloeit uit artikel 83, lid 4, van deze verordening. In het verlengde van deze gedachtegang wenst de verwijzende rechter met zijn derde vraag te vernemen of artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van die verordening, die als uitdrukkelijke voorwaarde stellen dat een rechtskeuze „overeenkomstig artikel 22” is gemaakt, ook van toepassing zijn wanneer de toepassing van het recht van de staat waarvan de erflater de nationaliteit had, voortvloeit uit artikel 83, lid 4, van verordening nr. 650/2012 en dus wanneer „dat recht [geldt] als het op de erfopvolging toepasselijke recht”. ( 5 ) |
|
24. |
De opmerking van CR dat de eerste deelvraag „voorbijgaat aan” artikel 83, lid 4, van verordening nr. 650/2012, zou erop kunnen wijzen dat CR de in de punten 22 en 23 van deze conclusie genoemde inconsistentie heeft aangewezen. CR stelt ook dat de Spaanse rechter bij de toetsing van zijn bevoegdheid artikel 22 van deze verordening heeft beoordeeld. Het valt echter niet uit te sluiten dat CR met deze stelling wil aantonen dat de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, enkel mogen onderzoeken of het recht van die staat van toepassing is, ongeacht of die toepassing voortvloeit uit artikel 22 (eerste deelvraag van de tweede vraag), dan wel uit artikel 83, lid 4, van die verordening (derde vraag). |
|
25. |
Voorts merkt de Spaanse regering op dat het gerecht van deze lidstaat, dat zich onbevoegd heeft verklaard ten gunste van de Duitse gerechten, heeft vastgesteld dat de erflater vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 650/2012 een testament had opgesteld op grond van zijn nationaal recht, te weten het Duitse recht, hetgeen volgens artikel 83, lid 4, van deze verordening automatisch inhield dat de erflater dit recht heeft gekozen als het op de erfopvolging toepasselijke recht. |
|
26. |
Indien in het kader van de analyse van de eerste deelvraag van de tweede vraag zou worden aangenomen dat de uit hoofde van artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 aangezochte gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, niet mogen onderzoeken of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van deze lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst, zou dat in ieder geval ertoe leiden dat de in de punten 22 en 23 van deze conclusie bedoelde inconsistentie nauwelijks relevant is. Voorts kan de omstandigheid dat dat recht niet overeenkomstig artikel 22 van deze verordening is gekozen, maar wordt geacht te gelden op grond van artikel 83, lid 4, ervan, niet ertoe leiden dat de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, wegens de onbevoegdverklaring die verordening dienen toe te passen, ook al valt de erfopvolging niet binnen de temporele werkingssfeer ervan. ( 6 ) |
|
27. |
In die omstandigheden moet, om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven, de eerste deelvraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter hiermee wenst te vernemen of de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter, mag onderzoeken of deze laatste rechter terecht heeft geoordeeld dat het recht van die lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst. |
|
28. |
Het is juist dat deze aldus geherformuleerde eerste deelvraag vooruit lijkt te lopen op het antwoord dat op de derde vraag moet worden gegeven. Hieruit volgt immers dat artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 van toepassing kunnen zijn wanneer het recht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, wordt geacht te zijn gekozen op grond van artikel 83, lid 4, van deze verordening. |
|
29. |
Ten eerste zijn, zoals alle partijen hebben aangevoerd, artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 echter van toepassing in een dergelijke situatie. Ten tweede, indien de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, niet mogen onderzoeken of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van die lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst (eerste deelvraag), had de vraag of dit gerecht op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 uitspraak kan doen wanneer het recht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had wordt geacht te zijn gekozen op grond van artikel 83, lid 4, daarvan, moeten worden beantwoord door het eerder aangezochte gerecht en niet door de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had. Indien dat het geval is, kunnen de gerechten van deze lidstaat een uitlegging als die welke door alle partijen wordt aangevoerd, a fortiori niet afwijzen op grond dat deze bepalingen niet gezamenlijk van toepassing zijn. |
|
30. |
Ik breng in herinnering dat deze conclusie, overeenkomstig het verzoek van het Hof, zich beperkt tot een analyse van de tweede prejudiciële vraag. Ik zal eerst de standpunten van partijen met betrekking tot de drie door de verwijzende rechter genoemde voorwaarden uiteenzetten (onderdeel B) en vervolgens zal ik het mechanisme van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 analyseren om deze vraag te beantwoorden (onderdeel C). |
B. Standpunten van partijen
|
31. |
CR en de Italiaanse regering betogen dat het gerecht van een lidstaat waarvan het recht is gekozen of wordt geacht te zijn gekozen door de erflater, niet mag onderzoeken of de beslissing houdende onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter in overeenstemming was met de in de drie deelvragen van de tweede vraag bedoelde voorwaarden. |
|
32. |
De Spaanse regering is van mening dat artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat het gerecht van een lidstaat waarvan de bevoegdheid voortvloeit uit een onbevoegdverklaring, de eerdere onbevoegdverklaring niet kan toetsen. Volgens haar moet dat gerecht niettemin zijn eigen bevoegdheid toetsen en dus nagaan of zijn nationaal recht door de erflater is gekozen (eerste deelvraag) en of de eerder aangezochte rechter zich onbevoegd heeft verklaard. De Spaanse regering geeft niet aan wat de praktische gevolgen zijn van deze uitlegging, die hoofdzakelijk berust op een gezamenlijke lezing van de artikelen 7 en 15 van deze verordening. Zij betoogt dat in dit laatste artikel is bepaald dat het zich ambtshalve onbevoegd verklaart indien bij een gerecht van een lidstaat een erfrechtzaak aanhangig is gemaakt waarvoor het volgens deze verordening niet bevoegd is. |
|
33. |
Verder beroept de Spaanse regering zich op de arresten Overseas Union Insurance e.a. ( 7 ) en Gasser ( 8 ), en brengt zij in herinnering dat het Hof in het kader van het Executieverdrag ( 9 ) heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van een rechter onder meer rechtstreeks wordt bepaald door de regels van dit verdrag, die voor de twee gerechten gelijkelijk gelden en door elk van hen met hetzelfde gezag kunnen worden uitgelegd en toegepast. |
|
34. |
Die regering verwijst ook naar de definitie van het begrip „beslissing” in artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012 ( 10 ) en wijst erop dat alleen beslissingen die onder deze definitie vallen, in aanmerking komen voor het stelsel van wederzijdse erkenning dat bij deze verordening is ingevoerd. |
|
35. |
De Commissie betoogt dat een op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 gegeven beslissing houdende onbevoegdverklaring bindend moet zijn voor het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, gelet op het feit dat een van de partijen een verzoek tot onbevoegdverklaring heeft ingediend (tweede deelvraag) en ervan is uitgegaan dat de gerechten van de lidstaat waarvan het recht is gekozen, beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen (derde deelvraag). Ter ondersteuning van deze uitlegging verwijst de Commissie onder andere naar het arrest Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. ( 11 ), dat volgens haar kan worden toegepast op de onderhavige zaak. |
|
36. |
De Commissie is echter van mening dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, mag onderzoeken of de overeenkomstig artikel 22 van verordening nr. 650/2012 gemaakte rechtskeuze rechtsgeldig is (derde deelvraag). Er bestaat namelijk een zekere tegenstrijdigheid tussen het algemene beginsel dat het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt de onbevoegdverklaring niet kan toetsen en het feit dat dit gerecht het gerecht is dat het toepasselijke recht moet bepalen. Het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, zou dus de rechtsgeldigheid van de rechtskeuze ten gunste van het recht van de forumstaat moeten kunnen toetsen ten aanzien van de gevolgen ervan op het gebied van wetsconflicten, maar niet ten aanzien van de internationale bevoegdheid. Met betrekking tot deze bevoegdheid heeft de eerder aangezochte rechter in casu immers uitspraak gedaan op basis van zijn eigen beoordeling van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, dat in alle gevallen als uitdrukkelijke voorwaarde stelt dat er een rechtskeuze overeenkomstig artikel 22 van deze verordening is gemaakt. |
C. Mechanisme van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012
|
37. |
Zoals in de rechtsleer is opgemerkt ( 12 ), is het mechanisme van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 geïnspireerd op de forum-non-conveniens-doctrine. Deze doctrine vindt ook weerklank in andere bepalingen van het internationaal privaatrecht van de Unie, zoals artikel 12 van deze verordening, artikel 15 van verordening (EG) nr. 2201/2003 ( 13 ) en de artikelen 33 en 34 van verordening (EU) nr. 1215/2012 ( 14 ). |
|
38. |
De specifieke kenmerken van dit mechanisme onderscheiden het echter van de typische verschijningsvormen van de forum-non-conveniens-doctrine. De aanknopingspunten om de tweede prejudiciële vraag te beantwoorden, moeten dus hoofdzakelijk in verordening nr. 650/2012 zelf worden gezocht. Deze aanknopingspunten betreffen in de eerste plaats de aard van de in de drie deelvragen bedoelde voorwaarden waaraan een beslissing houdende onbevoegdverklaring krachtens artikel 6, onder a), van deze verordening moet voldoen, in de tweede plaats de kwalificatie van deze beslissing als een beslissing die onder het bij deze verordening ingestelde erkenningsmechanisme valt, en in de derde plaats de gevolgen van die beslissing voor de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten. |
1. Aard van de in de drie deelvragen bedoelde voorwaarden
|
39. |
Artikel 6, onder a), van verordening (EU) nr. 650/2012 betreft een facultatieve onbevoegdverklaring. Zelfs wanneer is voldaan aan de voorwaarden inzake de keuze van het recht van een lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had (eerste deelvraag) en een van de partijen een verzoek tot onbevoegdverklaring heeft ingediend (tweede deelvraag), dient de eerder aangezochte rechter zich geenszins onbevoegd te verklaren ten gunste van de gerechten van deze lidstaat: hij kan dat doen indien hij van oordeel is dat die gerechten beter in staat zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging. Het feit dat het aan zijn oordeel wordt overgelaten of hij zich al dan niet onbevoegd verklaart op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, vormt een belangrijke aanwijzing dat deze beslissing niet mag worden onderzocht door de gerechten van een andere lidstaat, althans voor zover die beslissing betrekking heeft op het oordeel dat de gerechten van deze lidstaat beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen (derde deelvraag). |
|
40. |
Voorts moet een verzoek tot onbevoegdverklaring overeenkomstig artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 (tweede deelvraag) worden opgesteld en ingediend bij het volgens de voorwaarden van de lex fori eerder aangezochte gerecht. Dit gerecht kan dus gemakkelijk nagaan of een dergelijk verzoek bij hem is ingediend door een van de partijen in het geding en gevolgen heeft op grond waarvan hij zich onbevoegd kan verklaren. |
|
41. |
De Spaanse regering erkent dat de voorwaarden in de tweede en de derde deelvraag van de tweede vraag niet mogen worden geverifieerd door het eerder aangezochte gerecht, maar is van mening dat uit een gezamenlijke lezing van de artikelen 7 en 15 van verordening nr. 650/2012 volgt dat het gerecht van een lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, zijn eigen bevoegdheid moet toetsen en derhalve moet nagaan of de erflater zijn nationaal recht heeft gekozen en of het eerder aangezochte gerecht zich onbevoegd heeft verklaard (eerste deelvraag). Dit argument lijkt op een uitlegging van deze bepalingen te berusten volgens welke de aanknopingspunten waarnaar de bewoordingen van deze eerste bepaling verwijzen, moeten worden geverifieerd door het gerecht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had. ( 15 ) |
|
42. |
Hoewel de verwijzende rechter het Hof met zijn tweede vraag verzoekt om uitlegging van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012, zijn de voorwaarden die deze rechter in zijn drie deelvragen aanvoert, opgenomen in deze eerste bepaling. Deze voorwaarden regelen de bevoegdheid van de in de artikelen 4 en 10 van de verordening genoemde gerechten, of, beter gezegd, bepalen of deze gerechten zich buiten de door die verordening uitdrukkelijk bepaalde gevallen onbevoegd kunnen verklaren. |
|
43. |
De voorwaarden waarnaar deze rechter in zijn drie deelvragen verwijst, zijn echter slechts indirect aan de orde in artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012, aangezien dit artikel van toepassing is indien „een eerder aangezocht gerecht zich in dezelfde zaak onbevoegd heeft verklaard overeenkomstig artikel 6”. Het is juist dat het eerste deel van artikel 7 van de verordening verwijst naar de „gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater overeenkomstig artikel 22 is gekozen”. De voorwaarde betreffende de keuze van het recht van die lidstaat staat evenwel in artikel 6 van die verordening. ( 16 ) De verwijzing in artikel 7 heeft enkel tot doel de in deze bepaling bedoelde gerechten aan te wijzen. |
|
44. |
Het onderzoek van deze gerechten op grond van artikel 15 van verordening nr. 650/2012 moet dus betrekking hebben op de vraag of er sprake is van een beslissing houdende onbevoegdverklaring op grond van artikel 6, onder a), van die verordening. Of aan de voorwaarden is voldaan die de verwijzende rechter in de drie deelvragen van de tweede vraag noemt, moet echter worden geverifieerd door een rechter die krachtens artikel 4 of artikel 10 van die verordening bevoegd is. Daarbij gaat deze rechter in de praktijk na of de voorwaarden voor zijn bevoegdheid vervuld zijn. Zoals blijkt uit de arresten Overseas Union Insurance e.a. ( 17 ) en Gasser ( 18 ), waarnaar de Spaanse regering verwijst, is het later aangezochte gerecht in geen geval beter in staat dan het eerder aangezochte gerecht om over de bevoegdheid van dit laatste gerecht uitspraak te doen. |
|
45. |
Aan deze overweging wordt niet afgedaan door het argument van de Commissie waarmee zij lijkt aan te voeren dat de voorwaarde betreffende de keuze van het recht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, een duaal karakter heeft. Dit argument lijkt te berusten op de uitlegging dat het eerder aangezochte gerecht de op de erfopvolging toepasselijke rechtskeuze alleen toetst aan de bevoegdheidsregels, zodat het aan de later aangezochte rechter staat om deze rechtskeuze aan de collisieregels te toetsen. |
|
46. |
Niets wijst er echter op dat verordening nr. 650/2012 ten aanzien van de rechtskeuze een onderscheid maakt tussen de bevoegdheidsregels en de collisieregels. Het gaat steeds om een keuze die op basis van dezelfde bepalingen van deze verordening is gemaakt (of wordt geacht te zijn gemaakt) en, zoals in de rechtsleer is opgemerkt, wordt de vraag of een door het eerder aangezochte gerecht vastgestelde rechtskeuze rechtsgeldig is, niet opnieuw beoordeeld door het op grond van artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 aangezochte gerecht van de lidstaat waarvan het recht is gekozen. ( 19 ) Bovendien zorgt een onbevoegdverklaring ten gunste van dit gerecht ervoor dat forum en jus samenvallen. |
2. De beslissing houdende onbevoegdverklaring als beslissing die onder het erkenningsmechanisme valt
|
47. |
Zoals de Commissie opmerkt, volgt uit het arrest Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. ( 20 ) dat, wat verordening (EG) nr. 44/2001 ( 21 ) betreft, die in de plaats is gekomen van het Executieverdrag, een beslissing waarbij de rechter van een lidstaat zich onbevoegd verklaart op grond van een forumkeuzebeding, een beslissing is die onder het bij deze verordening ingevoerde erkenningsmechanisme valt en die de gerechten van de andere lidstaten bindt met betrekking tot de vaststelling van de rechtsgeldigheid van dit beding. |
|
48. |
Aangezien de bepalingen van het Executieverdrag, waarnaar het Hof in het arrest Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. heeft verwezen om tot die oplossing te komen, niet wezenlijk verschillen van die van verordening nr. 650/2012, ben ik van mening dat de lering uit het arrest Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. ( 22 ) kan worden toegepast op deze verordening. |
|
49. |
Bijgevolg bindt een onbevoegdverklaring mutatis mutandis de gerechten van andere lidstaten wat de overweging betreft dat bij de vaststelling van die beslissing was voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, wanneer zij door dat gerecht zijn geverifieerd. ( 23 ) |
|
50. |
De voorwaarden van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 vormen immers voorwaarden voor de bevoegdheid, in de ruime zin van het woord, die meer in het bijzonder bepalen of het eerder aangezochte gerecht zich onbevoegd kan verklaren. ( 24 ) Voorts valt de onbevoegdverklaring onder het bij verordening (EU) nr. 650/2012 ingestelde erkenningsmechanisme. Bovendien maakt de eerbiediging van het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling van de lidstaten, dat ten grondslag ligt aan de toepassing van de bepalingen van deze verordening betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, ( 25 ) het mogelijk om die beslissing uitsluitend in de in deze verordening genoemde gevallen niet te erkennen. Op basis van deze logica kan volgens artikel 41 van die verordening niet worden overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van een in een lidstaat gegeven onbevoegdverklaring. Dit vertrouwen met betrekking tot de gegrondheid van de beslissing strekt zich normalerwijze uit tot de toepassing van de geharmoniseerde bevoegdheidsregels door de rechter. ( 26 ) Voorts staat artikel 40 van dezelfde verordening, dat weigeringsgronden bevat, niet toe dat een gerecht van een andere lidstaat een onbevoegdverklaring niet erkent op de enkele grond dat zijns inziens het Unierecht in die beslissing onjuist is toegepast. ( 27 ) |
|
51. |
Deze oplossing kan overigens worden verklaard door het feit dat een onbevoegdverklaring op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 kan worden getoetst in de rechtsorde van de lidstaat van het eerder aangezochte gerecht. Deze toetsing kan ook betrekking hebben op het onderzoek van de voorwaarden bedoeld in de drie deelvragen van de tweede vraag. Daarenboven kunnen de gerechten van deze rechtsorde gebruikmaken van het mechanisme van de prejudiciële verwijzing van artikel 267 VWEU om een eenvormige uitlegging van de regels van deze verordening binnen de Unie te verzekeren. |
|
52. |
Een ingevolge artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 aangezocht gerecht van een andere lidstaat kan, door het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de lidstaten te eerbiedigen, dus niet in de plaats treden van de gerechten die binnen de rechtsorde van de lidstaat van het eerder aangezochte gerecht het rechterlijk toezicht uitoefenen. Uit het voorgaande volgt dat een later aangezocht gerecht de in de drie deelvragen van de tweede vraag genoemde voorwaarden niet kan onderzoeken indien zij door het eerder aangezochte gerecht zijn onderzocht. |
3. Effect van een onbevoegdverklaring op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012
|
53. |
Op grond van artikel 22, lid 1, van verordening nr. 650/2012 kan een persoon ervoor kiezen dat zijn erfopvolging in het geheel wordt beheerst door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit. Artikel 83, lid 4, van deze verordening bepaalt dat dit recht geldt als het op de erfopvolging toepasselijke recht. Een op grond van artikel 4 of artikel 10 van die verordening eerder aangezocht gerecht kan zich alleen onbevoegd verklaren ten gunste van de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had. Indien het recht van een derde staat is gekozen (of geldt) als het op de erfopvolging toepasselijke recht, kan een eerder aangezocht gerecht zich niet onbevoegd verklaren ten gunste van de gerechten van die derde staat. |
|
54. |
In de rechtsleer zijn verschillende redenen overwogen die deze oplossing zouden kunnen verklaren, maar geen enkele reden is geheel overtuigend bevonden. ( 28 ) Een andere reden zou te maken kunnen hebben met het effect van de onbevoegdverklaring die ertoe leidt dat de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit bezat, automatisch bevoegd worden. De gerechten van een derde staat die verordening nr. 650/2012 niet toepassen, kunnen uit hoofde van artikel 7, onder a), van deze verordening niet worden gedwongen om de bevoegdheid uit te oefenen die het gerecht van een lidstaat heeft uitgesloten. Voorts genieten deze gerechten niet het aan de genoemde verordening ten grondslag liggende wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten. |
|
55. |
De bedoeling van de wetgever om de nadruk te leggen op het effect van de onbevoegdverklaring wordt bevestigd door de analyse van de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 650/2012. |
|
56. |
Het voorstel voor een verordening ( 29 ) bepaalde in artikel 5, lid 1, dat „[w]anneer de overledene [...] het recht van een lidstaat heeft gekozen voor de afhandeling van zijn erfopvolging, [...] het overeenkomstig artikel 4 aangezochte gerecht op verzoek van een partij en wanneer het van oordeel is dat de gerechten van de lidstaat waarvan het recht is gekozen, meer geschikt zijn om de erfopvolging te behandelen, zijn uitspraak [kan] aanhouden en de partijen verzoeken een vordering in te dienen bij de gerechten van die lidstaat”. In dit artikel was ook bepaald dat het eerder aangezochte gerecht bevoegd blijft indien de zaak niet binnen een door dit gerecht bepaalde termijn aanhangig is gemaakt bij de gerechten van de lidstaat waarvan het recht was gekozen ( 30 ), en indien de gerechten van de lidstaat waarvan het recht was gekozen, zich niet binnen een termijn van maximaal acht weken vanaf de dag waarop de zaak bij hen aanhangig was gemaakt bevoegd hebben verklaard ( 31 ). |
|
57. |
De overgang van de bevoegdheid naar de gerechten van de lidstaat waarvan het recht door de erflater was gekozen, geschiedde dus niet automatisch ( 32 ), maar pas wanneer deze gerechten dat hadden aanvaard nadat een erfopvolgingszaak bij hen aanhangig was gemaakt. Zoals in de rechtsleer is opgemerkt, sluit deze oplossing aan bij die van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003, zonder daarbij de onderlinge verschillen uit het oog te verliezen ( 33 ). |
|
58. |
Na de vaststelling door het Parlement van zijn standpunt in eerste lezing ( 34 ), is de in artikel 5 van het voorstel voor een verordening gekozen oplossing definitief geformuleerd in artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012. De aangebrachte wijziging bevestigt de bedoeling van de Uniewetgever om niet te kiezen voor de oplossing die de gerechten van de lidstaat waarvan het recht is gekozen, in staat stelt zich onbevoegd te verklaren. |
|
59. |
Wanneer tegen deze achtergrond zou worden geoordeeld dat de gerechten van de lidstaat waarvan het recht is gekozen of geldt als het op de erfopvolging toepasselijke recht, mogen onderzoeken of de voorwaarden van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 waren vervuld op het tijdstip waarop de beslissing houdende onbevoegdverklaring is gegeven, zou dit in de praktijk kunnen neerkomen op de erkenning dat die gerechten hun bevoegdheid als gevolg van de onbevoegdverklaring kunnen uitsluiten en zou daarmee afbreuk kunnen worden gedaan aan het mechanisme van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van de verordening. |
|
60. |
Het gerecht dat zich op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 onbevoegd heeft verklaard, wordt niet automatisch opnieuw bevoegd, hetgeen zou kunnen leiden tot situaties van rechtsweigering. ( 35 ) Met de uitlegging dat de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had niet mogen onderzoeken of aan de in de drie deelvragen genoemde voorwaarden was voldaan, kan het gevaar van een negatief bevoegdheidsconflict dus worden vermeden, dat zou kunnen ontstaan indien het eerder aangezochte gerecht zich onbevoegd verklaart en het gerecht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, van oordeel is dat de voorwaarden van artikel 6, onder a), van die verordening niet zijn vervuld. |
|
61. |
Gelet op, in de eerste plaats, de aard van de in de drie deelvragen genoemde voorwaarden, die bepalen of het eerder aangezochte gerecht de in beginsel uit te oefenen bevoegdheid kan uitsluiten ( 36 ), in de tweede plaats, de kwalificatie van de beslissing houdende onbevoegdverklaring als een beslissing die valt onder het erkenningsmechanisme dat bij verordening nr. 650/2012 is ingesteld ( 37 ) en, in de derde plaats, de wens te waarborgen dat deze beslissing het door de Uniewetgever beoogde effect heeft ( 38 ), geef ik in overweging om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van deze verordening aldus moeten worden uitgelegd dat het gerecht van de lidstaat waaraan de bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van het eerder aangezochte gerecht, niet bevoegd is om te onderzoeken, ten eerste, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van deze lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst, ten tweede, of een van de partijen in het geding overeenkomstig artikel 6, onder a), van die verordening een verzoek heeft ingediend bij het eerder aangezochte gerecht en, ten derde, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat de gerechten van die lidstaat beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen, wanneer het eerder aangezochte gerecht deze drie voorwaarden heeft geverifieerd. |
V. Conclusie
|
62. |
In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de tweede prejudiciële vraag van het Oberlandesgericht Köln als volgt te beantwoorden: „Artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, moeten aldus worden uitgelegd dat het gerecht van de lidstaat waaraan de bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van het eerder aangezochte gerecht, niet bevoegd is om te onderzoeken, ten eerste, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van deze lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst, ten tweede, of een van de partijen in het geding overeenkomstig artikel 6, onder a), van deze verordening een verzoek heeft ingediend bij het eerder aangezochte gerecht en, ten derde, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat de gerechten van die lidstaat beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen, wanneer het eerder aangezochte gerecht deze drie voorwaarden heeft geverifieerd.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).
( 3 ) Zie mijn conclusie in de zaak Oberle (C‑20/17, EU:C:2018:89, punt 104).
( 4 ) De verwijzende rechter vraagt het Hof met name niet om vast te stellen of de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, mogen onderzoeken of het eerder aangezochte gerecht bevoegd was krachtens artikel 4 of artikel 10 van verordening nr. 650/2012 en of de beslissing van het eerder aangezochte gerecht binnen de werkingssfeer van die verordening viel, noch om vast te stellen of een onbevoegdverklaring krachtens artikel 6, onder a), van die verordening gevolgen heeft voor alle procedures betreffende de erfopvolging van de erflater, dan wel alleen voor procedures met hetzelfde voorwerp als de procedure in het kader waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde onbevoegdverklaring is aangevoerd. Het staat echter vast dat de Spaanse rechter bevoegd was krachtens artikel 4 van die verordening. Bovendien wijst niets erop dat het voorwerp van de procedure voor de Spaanse rechter wezenlijk verschilt van dat van de procedure die bij de verwijzende rechter aanhangig is.
( 5 ) Volledigheidshalve merk ik op dat uit verordening nr. 650/2012 blijkt dat deze verordening, uitgezonderd enkele artikelen die op eerdere data van toepassing zijn geworden, met ingang van 17 augustus 2015 van toepassing is (artikel 84, tweede alinea) en voorts van toepassing is op de erfopvolging van personen die op 17 augustus 2015 of daarna zijn overleden (artikel 83, lid 1). Op zichzelf beschouwd kunnen de oplossingen waarvoor in deze bepalingen ten aanzien van de temporele werkingssfeer is gekozen, voorbijgaan aan de uiterste wilsbeschikkingen die dateren van vóór 17 augustus 2015. Om deze situatie te vermijden heeft de Uniewetgever in artikel 83 van deze verordening aanvullende overgangsbepalingen opgenomen. Zo bepaalt artikel 83, lid 2, van die verordening: „Wanneer de erflater het op zijn erfopvolging toepasselijke recht had gekozen vóór 17 augustus 2015, is deze keuze geldig indien zij voldoet aan de in hoofdstuk III opgenomen voorwaarden, of indien zij geldig is volgens de regels van het internationaal privaatrecht die op het tijdstip van de rechtskeuze golden in de staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats bezat of in een van de staten waarvan hij de nationaliteit had.” Voorts bepaalt artikel 83, lid 4, van verordening nr. 650/2012: „Indien een uiterste wilsbeschikking is opgesteld [vóór] 17 augustus 2015, in overeenstemming met het recht dat de erflater op grond van deze verordening had kunnen kiezen, geldt dat recht als het op de erfopvolging toepasselijke recht.” Zoals het Hof reeds heeft aangegeven „beoogt deze [eerste] bepaling de wil van de testateur te respecteren en moet die keuze, wil zij geldig zijn, voldoen aan de daarin gestelde voorwaarden”, en zijn in de tweede bepaling „de gevallen [geregeld] waarin een laatste wilsbeschikking niet een dergelijke keuze bevat”. Zie arrest van 16 juli 2020, E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) (C‑80/19, EU:C:2020:569, punt 92).
( 6 ) Voor de overgangsbepalingen van verordening nr. 650/2012, zie voetnoot 5.
( 7 ) Arrest van 27 juni 1991 (C‑351/89, EU:C:1991:279, punt 23).
( 8 ) Arrest van 9 december 2003 (C‑116/02, EU:C:2003:657, punt 48).
( 9 ) Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: „Executieverdrag”).
( 10 ) Volgens artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012.
( 11 ) Arrest van 15 november 2012 (C‑456/11, EU:C:2012:719).
( 12 ) Zie Marongiu Buonaiuti, F., „Article 6”, in Calvo Caravaca, A. L., Davì, A., en Mansel, H. P., The EU Succession Regulation. A Commentary, Cambridge University Press, Cambridge, 2016, blz. 165.
( 13 ) Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).
( 14 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
( 15 ) De aanknopingspunten met betrekking tot de vraag of de erflater zijn nationaal recht heeft gekozen en of het gerecht dat eerder uit hoofde van zijn gewone verblijfplaats was aangezocht, zich onbevoegd heeft verklaard, lijken tot uiting te komen in de formulering van artikel 7 van verordening nr. 650/2012, volgens welke deze bepaling betrekking heeft op „de gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater overeenkomstig artikel 22 is gekozen”, die bevoegd zijn mits „een eerder aangezocht gerecht zich in dezelfde zaak onbevoegd heeft verklaard overeenkomstig artikel 6”.
( 16 )
( 17 ) Arrest van 27 juni 1991 (C‑351/89, EU:C:1991:279, punt 23).
( 18 ) Arrest van 9 december 2003 (C‑116/02, EU:C:2003:657, punt 48).
( 19 ) Zie Bonomi, A., „Article 6”, in Bonomi, A., en Wautelet, P., Le droit européen des successions. Commentaire du règlement (UE) no 650/2012, du 4 juillet 2012, Bruylant, Brussel, 2016, blz. 219. Zie in die zin ook Marongiu Buonaiuti, F., „Article 7”, in Calvo Caravaca, A. L., Davì, A., en Mansel, H. P., The EU Succession Regulation. A Commentary, Cambridge University Press, Cambridge, 2016, blz. 174.
( 20 ) Arrest van 15 november 2012 (C‑456/11, EU:C:2012:719).
( 21 ) Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
( 22 ) Arrest van 15 november 2012 (C‑456/11, EU:C:2012:719).
( 23 ) Het Hof heeft in het arrest van 15 november 2012, Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. (C‑456/11, EU:C:2012:719, punt 41), namelijk geoordeeld dat een beslissing waarbij de rechter van een lidstaat zich uit hoofde van een forumkeuzebeding onbevoegd heeft verklaard op grond dat dit een geldig beding is, de rechters van de andere lidstaten bindt, zowel wat de in het dictum van de beslissing vervatte verklaring van die rechter betreft dat hij onbevoegd is, als wat de vaststelling betreffende de geldigheid van dat beding betreft die is opgenomen in de motivering van deze beslissing en die de nodige onderbouwing van het dictum vormt. Daaruit leid ik af dat het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, in het dictum of in de motivering van zijn beslissing moet aangeven dat de in de drie deelvragen van de tweede prejudiciële vraag genoemde voorwaarden zijn geverifieerd bij de onbevoegdverklaring, zodat het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, aan de hand van dat dictum en/of die motivering kan vaststellen of er sprake is van een onbevoegdverklaring op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, die ten aanzien van deze drie voorwaarden voor dat gerecht bindend is, zonder dat het de geldigheid van de door het eerder aangezochte gerecht verrichte verificaties in twijfel kan trekken.
( 24 ) Zie punt 42 van de onderhavige conclusie.
( 25 ) Arrest van 23 mei 2019, WB (C‑658/17, EU:C:2019:444, punt 52).
( 26 ) Zie naar analogie arrest van 15 november 2012, Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. (C‑456/11, EU:C:2012:719, punt 37).
( 27 ) Zie ook naar analogie arrest van 11 mei 2000, Renault (C‑38/98, EU:C:2000:225, punt 33).
( 28 ) Zie Bonomi, A., op. cit., blz. 214.
( 29 ) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring [COM(2009) 154 definitief] (hierna: „voorstel voor een verordening”).
( 30 ) Artikel 5, lid 2, van het voorstel voor een verordening.
( 31 ) Artikel 5, lid 3, van het voorstel voor een verordening.
( 32 ) De Commissie heeft dit overigens bevestigd door aan te geven dat „[v]erwijzing naar een gerecht dat meer geschikt is om de zaak te behandelen [...] niet automatisch [mag] plaatsvinden wanneer de overledene het recht van een andere lidstaat heeft gekozen”. Zie het voorstel voor een verordening, blz. 5.
( 33 ) Zie Lein, E., „A Further Step Towards a European Code of Private International Law: The Commission Proposal for a Regulation on Succession”, Yearbook of Private International Law, 2009, deel XI, blz. 119 en 120.
( 34 ) Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing van 13 maart 2012, EP-PE_TC1-COD(2009) 157.
( 35 ) Het is juist dat een dergelijke situatie in sommige gevallen theoretisch zou kunnen worden vermeden door artikel 11 van verordening nr. 650/2012, dat voorziet in een forum necessitatis, toe te passen. Deze bepaling voorziet echter in voorwaarden die de toepassing ervan kunnen uitsluiten wanneer de gerechten van twee lidstaten zich reeds onbevoegd hebben verklaard om over een erfopvolging uitspraak te doen.
( 36 ) Zie punten 42‑44 van de onderhavige conclusie.
( 37 ) Zie punt 52 van de onderhavige conclusie.
( 38 ) Zie punt 54 van de onderhavige conclusie.