<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.58-20161101.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>C-422/20</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62020CC0422</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2021:565">EU:C:2021:565</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>15</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>15</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P><HT TYPE="SC">Conclusie van adv.-gen. Szpunar – Zaak C‑422/20</HT></P><P><HT TYPE="SC">RK (Onbevoegdverklaring)</HT></P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">M. Szpunar</HT></P><P>van <DATE ISO="20210708">8 juli 2021</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0001"><P>Oorspronkelijke taal: Frans.</P></NOTE></P></TI><STI><P><HT TYPE="BOLD">Zaak C‑422/20</HT></P><P>RK</P><P>tegen</P><P>CR</P><P><HT TYPE="NORMAL">[verzoek van het Oberlandesgericht Köln (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Keulen, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]</HT></P></STI></TITLE><INTERMEDIATE><INDEX IDX.CLOSE="”" SEPARATOR=" – " IDX.OPEN="„"><KEYWORD>Prejudiciële verwijzing</KEYWORD><KEYWORD>Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken</KEYWORD><KEYWORD>Erkenning</KEYWORD><KEYWORD>Erfopvolging en Europese erfrechtverklaring</KEYWORD><KEYWORD>Bevoegdheid in geval van een rechtskeuze</KEYWORD><KEYWORD>Onbevoegdverklaring van een eerder aangezocht gerecht</KEYWORD></INDEX></INTERMEDIATE><CONTENTS.CONCLUSION><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">I.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Inleiding</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0001"><NO.P>1.</NO.P><TXT>Artikel 4 van verordening (EU) nr. 650/2012<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0002"><P>Verordening van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20120704">4 juli 2012</DATE> betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="201" PAGE.FIRST="107" DATE.PUB="2012">PB 2012, L 201, blz. 107</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>, met het opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0001" REF.END="QE0001"/>Algemene bevoegdheid<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="201D" ID="QE0001"/>, bepaalt dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0002" REF.END="QE0002"/>[d]e gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd [zijn] om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="201D" ID="QE0002"/>. Het in deze bepaling vastgestelde criterium voor het bepalen van de rechterlijke bevoegdheid komt overeen met dat van artikel 21, lid 1, van deze verordening, met het opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0003" REF.END="QE0003"/>Algemene regel<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="201D" ID="QE0003"/>, voor het bepalen van het recht dat op de erfopvolging in haar geheel van toepassing is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0002"><NO.P>2.</NO.P><TXT>Dankzij de samenhang van deze criteria kan in het algemeen worden gewaarborgd dat het beginsel van overeenstemming van het toepasselijke recht en het forum<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0003"><P>Zie mijn conclusie in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Oberle</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑20/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:89">EU:C:2018:89</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0104">104</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, waarnaar overweging 27 van verordening nr. 650/2012 verwijst, wordt nageleefd. In deze overweging staat dat de voorschriften van deze verordening zijn opgesteld om ervoor te zorgen dat de autoriteit die de erfopvolging behandelt, in de meeste gevallen, haar eigen recht kan toepassen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0003"><NO.P>3.</NO.P><TXT>Op grond van artikel 22, lid 1, van verordening (EU) nr. 650/2012 kan een persoon ervoor kiezen dat zijn erfopvolging in het geheel wordt beheerst door het recht van de staat waarvan hij op het tijdstip van deze keuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit. Een dergelijke keuze kan afbreuk doen aan het beginsel van overeenstemming van het toepasselijke recht en het<?PAGE NO="2"?> forum. Deze verordening voorziet evenwel in mechanismen die ervoor moeten zorgen dat dit beginsel ook ten aanzien van een rechtskeuze wordt geëerbiedigd. Uit een gezamenlijke lezing van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van die verordening blijkt met name dat de gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater is gekozen, bevoegd zijn om uitspraak te doen wanneer een eerder aangezocht gerecht zich op verzoek van een van de partijen in het geding onbevoegd heeft verklaard.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0004"><NO.P>4.</NO.P><TXT>Deze bepalingen vormen de kern van de tweede prejudiciële vraag die in de onderhavige zaak aan het Hof is voorgelegd en waarmee de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of, en zo ja in hoeverre, een onbevoegdverklaring van een eerder ter zake van erfopvolging aangezocht gerecht van een lidstaat bindend is voor het later aangezochte gerecht van een andere lidstaat.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0005"><NO.P>5.</NO.P><TXT>Overeenkomstig het verzoek van het Hof zal de onderhavige conclusie beperkt blijven tot het onderzoek van deze vraag.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">II.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Toepasselijke bepalingen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0006"><NO.P>6.</NO.P><TXT>Artikel 6 van verordening nr. 650/2012, met het opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0004" REF.END="QE0004"/>Onbevoegdverklaring in geval van een rechtskeuze<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/>, bepaalt onder a):</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0005" REF.END="QE0005"/>Wanneer het door de erflater ten aanzien van de erfopvolging overeenkomstig artikel 22 gekozen recht het recht van een lidstaat is, kan het op grond van artikel 4 of artikel 10 aangezochte gerecht:</P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>op verzoek van een van de partijen in het geding zich onbevoegd verklaren indien het van oordeel is dat de gerechten van de lidstaat van het gekozen recht beter in staat zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging, rekening houdend met de praktische omstandigheden van de erfopvolging, zoals de gewone verblijfplaats van de partijen en de plaats waar de goederen zich bevinden [...]<QUOT.END REF.START="QS0005" CODE="201D" ID="QE0005"/>.</TXT></NP></ITEM></LIST></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0007"><NO.P>7.</NO.P><TXT>Artikel 7 van deze verordening, met als opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0006" REF.END="QE0006"/>Bevoegdheid in geval van een rechtskeuze<QUOT.END REF.START="QS0006" CODE="201D" ID="QE0006"/>, bepaalt onder a):</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0007" REF.END="QE0007"/>De gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater overeenkomstig artikel 22 is gekozen, zijn bevoegd om over de erfopvolging uitspraak te doen indien:</P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>een eerder aangezocht gerecht zich in dezelfde zaak onbevoegd heeft verklaard overeenkomstig artikel 6<QUOT.END REF.START="QS0007" CODE="201D" ID="QE0007"/>.</TXT></NP></ITEM></LIST></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0008"><NO.P>8.</NO.P><TXT>Artikel 22 van die verordening, met het opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0008" REF.END="QE0008"/>Rechtskeuze<QUOT.END REF.START="QS0008" CODE="201D" ID="QE0008"/>, bepaalt in lid 1 dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0009" REF.END="QE0009"/>[e]en persoon [ervoor kan] kiezen dat zijn erfopvolging in het geheel wordt beheerst door het recht van de staat [...] waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit [...]<QUOT.END REF.START="QS0009" CODE="201D" ID="QE0009"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0009"><NO.P>9.</NO.P><TXT>In artikel 83, lid 4, van dezelfde verordening is bepaald dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0010" REF.END="QE0010"/>[i]ndien een uiterste wilsbeschikking [...] [vóór] <DATE ISO="20150817">17 augustus 2015</DATE> [is opgesteld], in overeenstemming met het recht dat de erflater op grond van deze verordening had kunnen kiezen, [...] dat recht [geldt] als het op de erfopvolging toepasselijke recht<QUOT.END REF.START="QS0010" CODE="201D" ID="QE0010"/>.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="3"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">III.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Feiten, procedure en prejudiciële vragen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0010"><NO.P>10.</NO.P><TXT>Na het overlijden van haar echtgenoot op <DATE ISO="20170309">9 maart 2017</DATE> heeft CR het Amtsgericht Düren (rechter in eerste aanleg Düren, Duitsland) verzocht om afgifte van een nationale en een Europese erfrechtverklaring op basis van het in 1990 naar Duits recht opgemaakte gemeenschappelijk testament, waarbij CR en haar echtgenoot elkaar tot enige erfgenaam hadden verklaard. De laatste gewone verblijfplaats van de erflater bevond zich in Spanje.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0011"><NO.P>11.</NO.P><TXT>RK, de broer van de erflater, heeft zich tegen het verzoek van CR verzet.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0012"><NO.P>12.</NO.P><TXT>Bij beslissing van <DATE ISO="20171220">20 december 2017</DATE> heeft het Amtsgericht Düren het verzoek van CR toegewezen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0013"><NO.P>13.</NO.P><TXT>De verwijzende rechter, het Oberlandesgericht Köln (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Keulen, Duitsland), waarbij RK beroep had ingesteld, heeft die beslissing vernietigd op grond dat volgens het criterium van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0011" REF.END="QE0011"/>gewone verblijfplaats<QUOT.END REF.START="QS0011" CODE="201D" ID="QE0011"/> van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden, in de zin van artikel 4 van verordening nr. 650/2012, alleen de Spaanse gerechten bevoegd waren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0014"><NO.P>14.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20190429">29 april 2019</DATE> heeft CR een beschikking verkregen van de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción No 3 Estepona (rechtbank in eerste aanleg en instructie nr. 3 Estepona, Spanje), waaruit blijkt dat die rechter op verzoek van de verzoekende partij de beslissing heeft gegeven <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0012" REF.END="QE0012"/>af te zien van een uitspraak, aangezien de Duitse rechterlijke instanties, rekening houdend met praktische omstandigheden, zoals de gewone verblijfplaats van CR en het feit dat het grootste deel van het betrokken vermogen zich in Duitsland bevindt, beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen<QUOT.END REF.START="QS0012" CODE="201D" ID="QE0012"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0015"><NO.P>15.</NO.P><TXT>Bij notariële akte van <DATE ISO="20190829">29 augustus 2019</DATE> heeft CR bij het Amtsgericht Düren een nieuw verzoek om afgifte van erfrechtverklaringen ingediend, waarbij zij die beschikking heeft overgelegd. Bij beschikking van <DATE ISO="20200219">19 februari 2020</DATE> heeft de verwijzende rechter het verzoek van CR opnieuw toegewezen omdat hij van oordeel was dat zijn internationale bevoegdheid vaststond, aangezien de door CR aangezochte Spaanse rechter zich onbevoegd had verklaard overeenkomstig artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0016"><NO.P>16.</NO.P><TXT>RK is in beroep gegaan tegen de beschikking van <DATE ISO="20200219">19 februari 2020</DATE>, waarbij hij zich opnieuw heeft verzet tegen deze beslissing. Daarop is de zaak verwezen naar de verwijzende rechter.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0017"><NO.P>17.</NO.P><TXT>Tegen deze achtergrond heeft het Oberlandesgericht Köln bij beslissing van <DATE ISO="20200828">28 augustus 2020</DATE>, ingekomen bij het Hof op <DATE ISO="20200908">8 september 2020</DATE>, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0013" REF.END="QE0013"/>1)</NO.P><TXT>Is het voor een onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter volgens artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 vereist dat deze rechter zich uitdrukkelijk onbevoegd verklaart, of kan ook een niet uitdrukkelijke verklaring volstaan, wanneer daaruit kan worden opgemaakt dat deze rechter zich onbevoegd heeft verklaard?</TXT></NP></ITEM><?PAGE NO="4"?><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Is de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter van de andere lidstaat, bevoegd om te onderzoeken of de eerder aangezochte rechter zijn beslissing heeft gegeven in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012? In hoeverre is de beslissing van de eerder aangezochte rechter bindend?</TXT><P>Met name:</P><P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>Is de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter van de andere lidstaat, bevoegd om te onderzoeken of de erflater een rechtsgeldige rechtskeuze heeft gemaakt overeenkomstig artikel 22 van verordening nr. 650/2012?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>Is de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter van de andere lidstaat, bevoegd om te onderzoeken of een van de procespartijen overeenkomstig artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 een verzoek tot onbevoegdverklaring bij de eerder aangezochte rechter heeft ingediend?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>c)</NO.P><TXT>Is de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter van de andere lidstaat, bevoegd om te onderzoeken of de eerder aangezochte rechter terecht ervan is uitgegaan dat de rechters van de lidstaat van het gekozen recht beter in staat zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging?</TXT></NP></ITEM></LIST></P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>Zijn artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012, die een rechtskeuze ,overeenkomstig artikel 22’ vereisen, ook dan van toepassing indien de erflater in een vóór <DATE ISO="20150817">17 augustus 2015</DATE> opgestelde uiterste wilsbeschikking geen uitdrukkelijke of stilzwijgende rechtskeuze heeft gemaakt, maar het op de erfopvolging toepasselijke recht alleen op grond van artikel 83, lid 4, van deze verordening kan worden bepaald?<QUOT.END REF.START="QS0013" CODE="201D" ID="QE0013"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0018"><NO.P>18.</NO.P><TXT>CR, de Spaanse en de Italiaanse regering en de Europese Commissie hebben opmerkingen ingediend. Er is geen terechtzitting gehouden.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">IV.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Analyse</HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">A.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Opmerkingen vooraf over de tweede vraag en het voorwerp ervan</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0019"><NO.P>19.</NO.P><TXT>Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, wanneer een ten aanzien van de erfopvolging eerder aangezocht gerecht van een lidstaat zich onbevoegd verklaart overeenkomstig artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, het later aangezochte gerecht op grond van artikel 7, onder a), van deze verordening mag onderzoeken of de beslissing houdende onbevoegdverklaring in overeenstemming was met de voorwaarden van deze eerste bepaling.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="5"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">1.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">De in de tweede prejudiciële vraag bedoelde voorwaarden</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0020"><NO.P>20.</NO.P><TXT>In het eerste deel van de tweede vraag refereert de verwijzende rechter in het algemeen aan de voorwaarden van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012. De verwijzende rechter spitst deze vraag echter toe op drie specifieke voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat het eerder aangezochte gerecht zich onbevoegd kan verklaren ten gunste van de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had. Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter met de tweede vraag, die in drie deelvragen uiteenvalt, te vernemen of de laatstgenoemde gerechten mogen onderzoeken, ten eerste, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van deze lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst, ten tweede, of een van de partijen in het geding overeenkomstig artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 een verzoek heeft ingediend bij het eerder aangezochte gerecht en, ten derde, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat de gerechten van die lidstaat beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0021"><NO.P>21.</NO.P><TXT>De drie deelvragen worden weliswaar voorafgegaan door de woorden <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0014" REF.END="QE0014"/>met name<QUOT.END REF.START="QS0014" CODE="201D" ID="QE0014"/>, maar andere elementen die vanuit het oogpunt van het op grond van artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 later aangezochte gerecht relevant kunnen zijn, worden door de verwijzende rechter niet aangevoerd in zijn vragen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0004"><P>De verwijzende rechter vraagt het Hof met name niet om vast te stellen of de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, mogen onderzoeken of het eerder aangezochte gerecht bevoegd was krachtens artikel 4 of artikel 10 van verordening nr. 650/2012 en of de beslissing van het eerder aangezochte gerecht binnen de werkingssfeer van die verordening viel, noch om vast te stellen of een onbevoegdverklaring krachtens artikel 6, onder a), van die verordening gevolgen heeft voor alle procedures betreffende de erfopvolging van de erflater, dan wel alleen voor procedures met hetzelfde voorwerp als de procedure in het kader waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde onbevoegdverklaring is aangevoerd. Het staat echter vast dat de Spaanse rechter bevoegd was krachtens artikel 4 van die verordening. Bovendien wijst niets erop dat het voorwerp van de procedure voor de Spaanse rechter wezenlijk verschilt van dat van de procedure die bij de verwijzende rechter aanhangig is.</P></NOTE> Uit de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt namelijk dat de verwijzende rechter de tweede vraag beperkt tot de voorwaarden waarop deze deelvragen betrekking hebben.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">2.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Verhouding tussen de eerste deelvraag van de tweede vraag en de derde vraag</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0022"><NO.P>22.</NO.P><TXT>A priori lijkt er sprake te zijn van een inconsistentie tussen de eerste deelvraag van de tweede vraag en de derde vraag.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0023"><NO.P>23.</NO.P><TXT>De eerste deelvraag van de tweede vraag verwijst namelijk naar een rechtskeuze die overeenkomstig artikel 22 van verordening nr. 650/2012 is gemaakt, maar uit de bewoordingen van de derde vraag blijkt dat het Duitse recht volgens de verwijzende rechter niet op grond van die bepaling kon worden gekozen door de erflater en dat de toepassing van dit recht voortvloeit uit artikel 83, lid 4, van deze verordening. In het verlengde van deze gedachtegang wenst de verwijzende rechter met zijn derde vraag te vernemen of artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van die verordening, die als uitdrukkelijke voorwaarde stellen dat een rechtskeuze <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0015" REF.END="QE0015"/>overeenkomstig artikel 22<QUOT.END REF.START="QS0015" CODE="201D" ID="QE0015"/> is gemaakt, ook van toepassing zijn wanneer de toepassing van het<?PAGE NO="6"?> recht van de staat waarvan de erflater de nationaliteit had, voortvloeit uit artikel 83, lid 4, van verordening nr. 650/2012 en dus wanneer <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0016" REF.END="QE0016"/>dat recht [geldt] als het op de erfopvolging toepasselijke recht<QUOT.END REF.START="QS0016" CODE="201D" ID="QE0016"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0005"><P>Volledigheidshalve merk ik op dat uit verordening nr. 650/2012 blijkt dat deze verordening, uitgezonderd enkele artikelen die op eerdere data van toepassing zijn geworden, met ingang van <DATE ISO="20150817">17 augustus 2015</DATE> van toepassing is (artikel 84, tweede alinea) en voorts van toepassing is op de erfopvolging van personen die op <DATE ISO="20150817">17 augustus 2015</DATE> of daarna zijn overleden (artikel 83, lid 1). Op zichzelf beschouwd kunnen de oplossingen waarvoor in deze bepalingen ten aanzien van de temporele werkingssfeer is gekozen, voorbijgaan aan de uiterste wilsbeschikkingen die dateren van vóór <DATE ISO="20150817">17 augustus 2015</DATE>. Om deze situatie te vermijden heeft de Uniewetgever in artikel 83 van deze verordening aanvullende overgangsbepalingen opgenomen. Zo bepaalt artikel 83, lid 2, van die verordening: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0017" REF.END="QE0017"/>Wanneer de erflater het op zijn erfopvolging toepasselijke recht had gekozen vóór <DATE ISO="20150817">17 augustus 2015</DATE>, is deze keuze geldig indien zij voldoet aan de in hoofdstuk III opgenomen voorwaarden, of indien zij geldig is volgens de regels van het internationaal privaatrecht die op het tijdstip van de rechtskeuze golden in de staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats bezat of in een van de staten waarvan hij de nationaliteit had.<QUOT.END REF.START="QS0017" CODE="201D" ID="QE0017"/> Voorts bepaalt artikel 83, lid 4, van verordening nr. 650/2012: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0018" REF.END="QE0018"/>Indien een uiterste wilsbeschikking is opgesteld [vóór] <DATE ISO="20150817">17 augustus 2015</DATE>, in overeenstemming met het recht dat de erflater op grond van deze verordening had kunnen kiezen, geldt dat recht als het op de erfopvolging toepasselijke recht.<QUOT.END REF.START="QS0018" CODE="201D" ID="QE0018"/> Zoals het Hof reeds heeft aangegeven <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0019" REF.END="QE0019"/>beoogt deze [eerste] bepaling de wil van de testateur te respecteren en moet die keuze, wil zij geldig zijn, voldoen aan de daarin gestelde voorwaarden<QUOT.END REF.START="QS0019" CODE="201D" ID="QE0019"/>, en zijn in de tweede bepaling <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0020" REF.END="QE0020"/>de gevallen [geregeld] waarin een laatste wilsbeschikking niet een dergelijke keuze bevat<QUOT.END REF.START="QS0020" CODE="201D" ID="QE0020"/>. Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200716">16 juli 2020</DATE>, <NAME.CASE>E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht)</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑80/19</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:569">EU:C:2020:569</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0092">92</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0024"><NO.P>24.</NO.P><TXT>De opmerking van CR dat de eerste deelvraag <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0021" REF.END="QE0021"/>voorbijgaat aan<QUOT.END REF.START="QS0021" CODE="201D" ID="QE0021"/> artikel 83, lid 4, van verordening nr. 650/2012, zou erop kunnen wijzen dat CR de in de punten 22 en 23 van deze conclusie genoemde inconsistentie heeft aangewezen. CR stelt ook dat de Spaanse rechter bij de toetsing van zijn bevoegdheid artikel 22 van deze verordening heeft beoordeeld. Het valt echter niet uit te sluiten dat CR met deze stelling wil aantonen dat de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, enkel mogen onderzoeken of het recht van die staat van toepassing is, ongeacht of die toepassing voortvloeit uit artikel 22 (eerste deelvraag van de tweede vraag), dan wel uit artikel 83, lid 4, van die verordening (derde vraag).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0025"><NO.P>25.</NO.P><TXT>Voorts merkt de Spaanse regering op dat het gerecht van deze lidstaat, dat zich onbevoegd heeft verklaard ten gunste van de Duitse gerechten, heeft vastgesteld dat de erflater vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 650/2012 een testament had opgesteld op grond van zijn nationaal recht, te weten het Duitse recht, hetgeen volgens artikel 83, lid 4, van deze verordening automatisch inhield dat de erflater dit recht heeft gekozen als het op de erfopvolging toepasselijke recht.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0026"><NO.P>26.</NO.P><TXT>Indien in het kader van de analyse van de eerste deelvraag van de tweede vraag zou worden aangenomen dat de uit hoofde van artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 aangezochte gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, niet mogen onderzoeken of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van deze lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst, zou dat in ieder geval ertoe leiden dat de in de punten 22 en 23 van deze conclusie bedoelde inconsistentie nauwelijks relevant is. Voorts kan de omstandigheid dat dat recht niet overeenkomstig artikel 22 van deze verordening is gekozen, maar wordt geacht te gelden op grond van artikel 83, lid 4, ervan, niet ertoe leiden dat de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, wegens de onbevoegdverklaring die verordening dienen toe te passen, ook al valt de erfopvolging niet binnen de temporele werkingssfeer ervan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0006"><P>Voor de overgangsbepalingen van verordening nr. 650/2012, zie voetnoot 5.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0027"><NO.P>27.</NO.P><TXT>In die omstandigheden moet, om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven, de eerste deelvraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter hiermee wenst te vernemen of de rechter van de lidstaat aan wie bevoegdheid zou toekomen op grond van de<?PAGE NO="7"?> onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter, mag onderzoeken of deze laatste rechter terecht heeft geoordeeld dat het recht van die lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0028"><NO.P>28.</NO.P><TXT>Het is juist dat deze aldus geherformuleerde eerste deelvraag vooruit lijkt te lopen op het antwoord dat op de derde vraag moet worden gegeven. Hieruit volgt immers dat artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 van toepassing kunnen zijn wanneer het recht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, wordt geacht te zijn gekozen op grond van artikel 83, lid 4, van deze verordening.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0029"><NO.P>29.</NO.P><TXT>Ten eerste zijn, zoals alle partijen hebben aangevoerd, artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 echter van toepassing in een dergelijke situatie. Ten tweede, indien de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, niet mogen onderzoeken of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van die lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst (eerste deelvraag), had de vraag of dit gerecht op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 uitspraak kan doen wanneer het recht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had wordt geacht te zijn gekozen op grond van artikel 83, lid 4, daarvan, moeten worden beantwoord door het eerder aangezochte gerecht en niet door de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had. Indien dat het geval is, kunnen de gerechten van deze lidstaat een uitlegging als die welke door alle partijen wordt aangevoerd, a fortiori niet afwijzen op grond dat deze bepalingen niet gezamenlijk van toepassing zijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0030"><NO.P>30.</NO.P><TXT>Ik breng in herinnering dat deze conclusie, overeenkomstig het verzoek van het Hof, zich beperkt tot een analyse van de tweede prejudiciële vraag. Ik zal eerst de standpunten van partijen met betrekking tot de drie door de verwijzende rechter genoemde voorwaarden uiteenzetten (onderdeel B) en vervolgens zal ik het mechanisme van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 analyseren om deze vraag te beantwoorden (onderdeel C).</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">B.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Standpunten van partijen</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0031"><NO.P>31.</NO.P><TXT>CR en de Italiaanse regering betogen dat het gerecht van een lidstaat waarvan het recht is gekozen of wordt geacht te zijn gekozen door de erflater, niet mag onderzoeken of de beslissing houdende onbevoegdverklaring van de eerder aangezochte rechter in overeenstemming was met de in de drie deelvragen van de tweede vraag bedoelde voorwaarden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0032"><NO.P>32.</NO.P><TXT>De Spaanse regering is van mening dat artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 aldus moeten worden uitgelegd dat het gerecht van een lidstaat waarvan de bevoegdheid voortvloeit uit een onbevoegdverklaring, de eerdere onbevoegdverklaring niet kan toetsen. Volgens haar moet dat gerecht niettemin zijn eigen bevoegdheid toetsen en dus nagaan of zijn nationaal recht door de erflater is gekozen (eerste deelvraag) en of de eerder aangezochte rechter zich onbevoegd heeft verklaard. De Spaanse regering geeft niet aan wat de praktische gevolgen zijn van deze uitlegging, die hoofdzakelijk berust op een gezamenlijke lezing van de artikelen 7 en 15 van deze verordening. Zij betoogt dat in dit laatste artikel is bepaald dat het zich ambtshalve onbevoegd verklaart indien bij een gerecht van een lidstaat een erfrechtzaak aanhangig is gemaakt waarvoor het volgens deze verordening niet bevoegd is.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="8"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0033"><NO.P>33.</NO.P><TXT>Verder beroept de Spaanse regering zich op de arresten Overseas Union Insurance e.a.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0007"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19910627">27 juni 1991</DATE> (<NO.CASE>C‑351/89</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1991:279">EU:C:1991:279</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0023">23</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> en Gasser<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0008"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20031209">9 december 2003</DATE> (<NO.CASE>C‑116/02</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2003:657">EU:C:2003:657</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, en brengt zij in herinnering dat het Hof in het kader van het Executieverdrag<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0009"><P>Verdrag van <DATE ISO="19680927">27 september 1968</DATE> betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="299" PAGE.FIRST="32" DATE.PUB="1972">PB 1972, L 299, blz. 32</REF.DOC.OJ>), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0022" REF.END="QE0022"/>Executieverdrag<QUOT.END REF.START="QS0022" CODE="201D" ID="QE0022"/>).</P></NOTE> heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van een rechter onder meer rechtstreeks wordt bepaald door de regels van dit verdrag, die voor de twee gerechten gelijkelijk gelden en door elk van hen met hetzelfde gezag kunnen worden uitgelegd en toegepast.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0034"><NO.P>34.</NO.P><TXT>Die regering verwijst ook naar de definitie van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0023" REF.END="QE0023"/>beslissing<QUOT.END REF.START="QS0023" CODE="201D" ID="QE0023"/> in artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0010"><P>Volgens artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 650/2012.</P></NOTE> en wijst erop dat alleen beslissingen die onder deze definitie vallen, in aanmerking komen voor het stelsel van wederzijdse erkenning dat bij deze verordening is ingevoerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0035"><NO.P>35.</NO.P><TXT>De Commissie betoogt dat een op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 gegeven beslissing houdende onbevoegdverklaring bindend moet zijn voor het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, gelet op het feit dat een van de partijen een verzoek tot onbevoegdverklaring heeft ingediend (tweede deelvraag) en ervan is uitgegaan dat de gerechten van de lidstaat waarvan het recht is gekozen, beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen (derde deelvraag). Ter ondersteuning van deze uitlegging verwijst de Commissie onder andere naar het arrest Gothaer Allgemeine Versicherung e.a.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0011"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121115">15 november 2012</DATE> (<NO.CASE>C‑456/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:719">EU:C:2012:719</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, dat volgens haar kan worden toegepast op de onderhavige zaak.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0036"><NO.P>36.</NO.P><TXT>De Commissie is echter van mening dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, mag onderzoeken of de overeenkomstig artikel 22 van verordening nr. 650/2012 gemaakte rechtskeuze rechtsgeldig is (derde deelvraag). Er bestaat namelijk een zekere tegenstrijdigheid tussen het algemene beginsel dat het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt de onbevoegdverklaring niet kan toetsen en het feit dat dit gerecht het gerecht is dat het toepasselijke recht moet bepalen. Het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, zou dus de rechtsgeldigheid van de rechtskeuze ten gunste van het recht van de forumstaat moeten kunnen toetsen ten aanzien van de gevolgen ervan op het gebied van wetsconflicten, maar niet ten aanzien van de internationale bevoegdheid. Met betrekking tot deze bevoegdheid heeft de eerder aangezochte rechter in casu immers uitspraak gedaan op basis van zijn eigen beoordeling van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, dat in alle gevallen als uitdrukkelijke voorwaarde stelt dat er een rechtskeuze overeenkomstig artikel 22 van deze verordening is gemaakt.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="9"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">C.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Mechanisme van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0037"><NO.P>37.</NO.P><TXT>Zoals in de rechtsleer is opgemerkt<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0012"><P>Zie Marongiu Buonaiuti, F., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0024" REF.END="QE0024"/>Article 6<QUOT.END REF.START="QS0024" CODE="201D" ID="QE0024"/>, in Calvo Caravaca, A. L., Davì, A., en Mansel, H. P., <HT TYPE="ITALIC">The EU Succession Regulation. A Commentary</HT>, Cambridge University Press, Cambridge, 2016, blz. 165.</P></NOTE>, is het mechanisme van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 geïnspireerd op de forum-non-conveniens-doctrine. Deze doctrine vindt ook weerklank in andere bepalingen van het internationaal privaatrecht van de Unie, zoals artikel 12 van deze verordening, artikel 15 van verordening (EG) nr. 2201/2003<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0013"><P>Verordening van de Raad van <DATE ISO="20031127">27 november 2003</DATE> betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="338" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2003">PB 2003, L 338, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> en de artikelen 33 en 34 van verordening (EU) nr. 1215/2012<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0014"><P>Verordening van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20121212">12 december 2012</DATE> betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="351" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2012">PB 2012, L 351, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0038"><NO.P>38.</NO.P><TXT>De specifieke kenmerken van dit mechanisme onderscheiden het echter van de typische verschijningsvormen van de forum-non-conveniens-doctrine. De aanknopingspunten om de tweede prejudiciële vraag te beantwoorden, moeten dus hoofdzakelijk in verordening nr. 650/2012 zelf worden gezocht. Deze aanknopingspunten betreffen in de eerste plaats de aard van de in de drie deelvragen bedoelde voorwaarden waaraan een beslissing houdende onbevoegdverklaring krachtens artikel 6, onder a), van deze verordening moet voldoen, in de tweede plaats de kwalificatie van deze beslissing als een beslissing die onder het bij deze verordening ingestelde erkenningsmechanisme valt, en in de derde plaats de gevolgen van die beslissing voor de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten.</TXT></NP.ECR><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">1.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Aard van de in de drie deelvragen bedoelde voorwaarden</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0039"><NO.P>39.</NO.P><TXT>Artikel 6, onder a), van verordening (EU) nr. 650/2012 betreft een facultatieve onbevoegdverklaring. Zelfs wanneer is voldaan aan de voorwaarden inzake de keuze van het recht van een lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had (eerste deelvraag) en een van de partijen een verzoek tot onbevoegdverklaring heeft ingediend (tweede deelvraag), dient de eerder aangezochte rechter zich geenszins onbevoegd te verklaren ten gunste van de gerechten van deze lidstaat: hij <HT TYPE="ITALIC">kan</HT> dat doen <HT TYPE="ITALIC">indien hij van oordeel is</HT> dat die gerechten beter in staat zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging. Het feit dat het aan zijn oordeel wordt overgelaten of hij zich al dan niet onbevoegd verklaart op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, vormt een belangrijke aanwijzing dat deze beslissing niet mag worden onderzocht door de gerechten van een andere lidstaat, althans voor zover die beslissing betrekking heeft op het oordeel dat de gerechten van deze lidstaat beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen (derde deelvraag).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0040"><NO.P>40.</NO.P><TXT>Voorts moet een verzoek tot onbevoegdverklaring overeenkomstig artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 (tweede deelvraag) worden opgesteld en ingediend bij het volgens de voorwaarden van de lex fori eerder aangezochte gerecht. Dit gerecht kan dus gemakkelijk nagaan of een dergelijk verzoek bij hem is ingediend door een van de partijen in het geding en gevolgen heeft op grond waarvan hij zich onbevoegd kan verklaren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0041"><NO.P>41.</NO.P><TXT>De Spaanse regering erkent dat de voorwaarden in de tweede en de derde deelvraag van de tweede vraag niet mogen worden geverifieerd door het eerder aangezochte gerecht, maar is van mening dat uit een gezamenlijke lezing van de artikelen 7 en 15 van verordening nr. 650/2012 volgt dat het gerecht van een lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, zijn eigen<?PAGE NO="10"?> bevoegdheid moet toetsen en derhalve moet nagaan of de erflater zijn nationaal recht heeft gekozen en of het eerder aangezochte gerecht zich onbevoegd heeft verklaard (eerste deelvraag). Dit argument lijkt op een uitlegging van deze bepalingen te berusten volgens welke de aanknopingspunten waarnaar de bewoordingen van deze eerste bepaling verwijzen, moeten worden geverifieerd door het gerecht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0015"><P>De aanknopingspunten met betrekking tot de vraag of de erflater zijn nationaal recht heeft gekozen en of het gerecht dat eerder uit hoofde van zijn gewone verblijfplaats was aangezocht, zich onbevoegd heeft verklaard, lijken tot uiting te komen in de formulering van artikel 7 van verordening nr. 650/2012, volgens welke deze bepaling betrekking heeft op <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0025" REF.END="QE0025"/>de gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater overeenkomstig artikel 22 is gekozen<QUOT.END REF.START="QS0025" CODE="201D" ID="QE0025"/>, die bevoegd zijn mits <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0026" REF.END="QE0026"/>een eerder aangezocht gerecht zich in dezelfde zaak onbevoegd heeft verklaard overeenkomstig artikel 6<QUOT.END REF.START="QS0026" CODE="201D" ID="QE0026"/>.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0042"><NO.P>42.</NO.P><TXT>Hoewel de verwijzende rechter het Hof met zijn tweede vraag verzoekt om uitlegging van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012, zijn de voorwaarden die deze rechter in zijn drie deelvragen aanvoert, opgenomen in deze eerste bepaling. Deze voorwaarden regelen de bevoegdheid van de in de artikelen 4 en 10 van de verordening genoemde gerechten, of, beter gezegd, bepalen of deze gerechten zich buiten de door die verordening uitdrukkelijk bepaalde gevallen onbevoegd kunnen verklaren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0043"><NO.P>43.</NO.P><TXT>De voorwaarden waarnaar deze rechter in zijn drie deelvragen verwijst, zijn echter slechts indirect aan de orde in artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012, aangezien dit artikel van toepassing is indien <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0027" REF.END="QE0027"/>een eerder aangezocht gerecht zich in dezelfde zaak onbevoegd heeft verklaard overeenkomstig artikel 6<QUOT.END REF.START="QS0027" CODE="201D" ID="QE0027"/>. Het is juist dat het eerste deel van artikel 7 van de verordening verwijst naar de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0028" REF.END="QE0028"/>gerechten van een lidstaat waarvan het recht door de erflater overeenkomstig artikel 22 is gekozen<QUOT.END REF.START="QS0028" CODE="201D" ID="QE0028"/>. De voorwaarde betreffende de keuze van het recht van die lidstaat staat evenwel in artikel 6 van die verordening.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0016"><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0029" REF.END="QE0029"/>Wanneer het door de erflater ten aanzien van de erfopvolging overeenkomstig artikel 22 gekozen recht het recht van een lidstaat is [...].<QUOT.END REF.START="QS0029" CODE="201D" ID="QE0029"/></P></QUOT.S></NOTE> De verwijzing in artikel 7 heeft enkel tot doel de in deze bepaling bedoelde gerechten aan te wijzen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0044"><NO.P>44.</NO.P><TXT>Het onderzoek van deze gerechten op grond van artikel 15 van verordening nr. 650/2012 moet dus betrekking hebben op de vraag of er sprake is van een beslissing houdende onbevoegdverklaring op grond van artikel 6, onder a), van die verordening. Of aan de voorwaarden is voldaan die de verwijzende rechter in de drie deelvragen van de tweede vraag noemt, moet echter worden geverifieerd door een rechter die krachtens artikel 4 of artikel 10 van die verordening bevoegd is. Daarbij gaat deze rechter in de praktijk na of de voorwaarden voor zijn bevoegdheid vervuld zijn. Zoals blijkt uit de arresten Overseas Union Insurance e.a.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0017"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19910627">27 juni 1991</DATE> (<NO.CASE>C‑351/89</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1991:279">EU:C:1991:279</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0023">23</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> en Gasser<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0018"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20031209">9 december 2003</DATE> (<NO.CASE>C‑116/02</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2003:657">EU:C:2003:657</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, waarnaar de Spaanse regering verwijst, is het later aangezochte gerecht in geen geval beter in staat dan het eerder aangezochte gerecht om over de bevoegdheid van dit laatste gerecht uitspraak te doen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0045"><NO.P>45.</NO.P><TXT>Aan deze overweging wordt niet afgedaan door het argument van de Commissie waarmee zij lijkt aan te voeren dat de voorwaarde betreffende de keuze van het recht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, een duaal karakter heeft. Dit argument lijkt te berusten op de uitlegging dat het eerder aangezochte gerecht de op de erfopvolging toepasselijke rechtskeuze alleen toetst aan de bevoegdheidsregels, zodat het aan de later aangezochte rechter staat om deze rechtskeuze aan de collisieregels te toetsen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0046"><NO.P>46.</NO.P><TXT>Niets wijst er echter op dat verordening nr. 650/2012 ten aanzien van de rechtskeuze een onderscheid maakt tussen de bevoegdheidsregels en de collisieregels. Het gaat steeds om een keuze die op basis van dezelfde bepalingen van deze verordening is gemaakt (of wordt geacht te<?PAGE NO="11"?> zijn gemaakt) en, zoals in de rechtsleer is opgemerkt, wordt de vraag of een door het eerder aangezochte gerecht vastgestelde rechtskeuze rechtsgeldig is, niet opnieuw beoordeeld door het op grond van artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 aangezochte gerecht van de lidstaat waarvan het recht is gekozen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0019"><P>Zie Bonomi, A., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0030" REF.END="QE0030"/><HT TYPE="ITALIC">Article 6</HT><QUOT.END REF.START="QS0030" CODE="201D" ID="QE0030"/>, in Bonomi, A., en Wautelet, P., <HT TYPE="ITALIC">Le droit européen des successions. Commentaire du règlement (UE) n<HT TYPE="SUP">o</HT> 650/2012, du <DATE ISO="20120704">4 juillet 2012</DATE></HT>, Bruylant, Brussel, 2016, blz. 219. Zie in die zin ook Marongiu Buonaiuti, F., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0031" REF.END="QE0031"/><HT TYPE="ITALIC">Article 7</HT><QUOT.END REF.START="QS0031" CODE="201D" ID="QE0031"/>, in Calvo Caravaca, A. L., Davì, A., en Mansel, H. P., <HT TYPE="ITALIC">The EU Succession Regulation. A Commentary</HT>, Cambridge University Press, Cambridge, 2016, blz. 174.</P></NOTE> Bovendien zorgt een onbevoegdverklaring ten gunste van dit gerecht ervoor dat forum en jus samenvallen.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">2.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">De beslissing houdende onbevoegdverklaring als beslissing die onder het erkenningsmechanisme valt</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0047"><NO.P>47.</NO.P><TXT>Zoals de Commissie opmerkt, volgt uit het arrest Gothaer Allgemeine Versicherung e.a.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0020"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121115">15 november 2012</DATE> (<NO.CASE>C‑456/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:719">EU:C:2012:719</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> dat, wat verordening (EG) nr. 44/2001<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0021"><P>Verordening van de Raad van <DATE ISO="20001222">22 december 2000</DATE> betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="012" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2001">PB 2001, L 12, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> betreft, die in de plaats is gekomen van het Executieverdrag, een beslissing waarbij de rechter van een lidstaat zich onbevoegd verklaart op grond van een forumkeuzebeding, een beslissing is die onder het bij deze verordening ingevoerde erkenningsmechanisme valt en die de gerechten van de andere lidstaten bindt met betrekking tot de vaststelling van de rechtsgeldigheid van dit beding.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0048"><NO.P>48.</NO.P><TXT>Aangezien de bepalingen van het Executieverdrag, waarnaar het Hof in het arrest Gothaer Allgemeine Versicherung e.a. heeft verwezen om tot die oplossing te komen, niet wezenlijk verschillen van die van verordening nr. 650/2012, ben ik van mening dat de lering uit het arrest Gothaer Allgemeine Versicherung e.a.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0022"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121115">15 november 2012</DATE> (<NO.CASE>C‑456/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:719">EU:C:2012:719</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> kan worden toegepast op deze verordening.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0049"><NO.P>49.</NO.P><TXT>Bijgevolg bindt een onbevoegdverklaring mutatis mutandis de gerechten van andere lidstaten wat de overweging betreft dat bij de vaststelling van die beslissing was voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, wanneer zij door dat gerecht zijn geverifieerd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0023"><P>Het Hof heeft in het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121115">15 november 2012</DATE>, <NAME.CASE>Gothaer Allgemeine Versicherung e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑456/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:719">EU:C:2012:719</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), namelijk geoordeeld dat een beslissing waarbij de rechter van een lidstaat zich uit hoofde van een forumkeuzebeding onbevoegd heeft verklaard op grond dat dit een geldig beding is, de rechters van de andere lidstaten bindt, zowel wat de in het dictum van de beslissing vervatte verklaring van die rechter betreft dat hij onbevoegd is, als wat de vaststelling betreffende de geldigheid van dat beding betreft die is opgenomen in de motivering van deze beslissing en die de nodige onderbouwing van het dictum vormt. Daaruit leid ik af dat het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, in het dictum of in de motivering van zijn beslissing moet aangeven dat de in de drie deelvragen van de tweede prejudiciële vraag genoemde voorwaarden zijn geverifieerd bij de onbevoegdverklaring, zodat het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt, aan de hand van dat dictum en/of die motivering kan vaststellen of er sprake is van een onbevoegdverklaring op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012, die ten aanzien van deze drie voorwaarden voor dat gerecht bindend is, zonder dat het de geldigheid van de door het eerder aangezochte gerecht verrichte verificaties in twijfel kan trekken.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0050"><NO.P>50.</NO.P><TXT>De voorwaarden van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 vormen immers voorwaarden voor de bevoegdheid, in de ruime zin van het woord, die meer in het bijzonder bepalen of het eerder aangezochte gerecht zich onbevoegd kan verklaren.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0024"><P>Zie punt 42 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE> Voorts valt de onbevoegdverklaring onder het bij verordening (EU) nr. 650/2012 ingestelde erkenningsmechanisme. Bovendien maakt de eerbiediging van het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling van de lidstaten, dat ten grondslag ligt aan de toepassing van de bepalingen van deze verordening betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen,<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0025"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20190523">23 mei 2019</DATE>, <NAME.CASE>WB</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑658/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:444">EU:C:2019:444</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0052">52</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> het mogelijk om die beslissing uitsluitend in de in deze verordening genoemde<?PAGE NO="12"?> gevallen niet te erkennen. Op basis van deze logica kan volgens artikel 41 van die verordening niet worden overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van een in een lidstaat gegeven onbevoegdverklaring. Dit vertrouwen met betrekking tot de gegrondheid van de beslissing strekt zich normalerwijze uit tot de toepassing van de geharmoniseerde bevoegdheidsregels door de rechter.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0026"><P>Zie naar analogie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121115">15 november 2012</DATE>, <NAME.CASE>Gothaer Allgemeine Versicherung e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑456/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:719">EU:C:2012:719</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Voorts staat artikel 40 van dezelfde verordening, dat weigeringsgronden bevat, niet toe dat een gerecht van een andere lidstaat een onbevoegdverklaring niet erkent op de enkele grond dat zijns inziens het Unierecht in die beslissing onjuist is toegepast.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0027"><P>Zie ook naar analogie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20000511">11 mei 2000</DATE>, <NAME.CASE>Renault</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑38/98</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2000:225">EU:C:2000:225</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0033">33</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0051"><NO.P>51.</NO.P><TXT>Deze oplossing kan overigens worden verklaard door het feit dat een onbevoegdverklaring op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 kan worden getoetst in de rechtsorde van de lidstaat van het eerder aangezochte gerecht. Deze toetsing kan ook betrekking hebben op het onderzoek van de voorwaarden bedoeld in de drie deelvragen van de tweede vraag. Daarenboven kunnen de gerechten van deze rechtsorde gebruikmaken van het mechanisme van de prejudiciële verwijzing van artikel 267 VWEU om een eenvormige uitlegging van de regels van deze verordening binnen de Unie te verzekeren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0052"><NO.P>52.</NO.P><TXT>Een ingevolge artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012 aangezocht gerecht van een andere lidstaat kan, door het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de lidstaten te eerbiedigen, dus niet in de plaats treden van de gerechten die binnen de rechtsorde van de lidstaat van het eerder aangezochte gerecht het rechterlijk toezicht uitoefenen. Uit het voorgaande volgt dat een later aangezocht gerecht de in de drie deelvragen van de tweede vraag genoemde voorwaarden niet kan onderzoeken indien zij door het eerder aangezochte gerecht zijn onderzocht.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">3.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Effect van een onbevoegdverklaring op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0053"><NO.P>53.</NO.P><TXT>Op grond van artikel 22, lid 1, van verordening nr. 650/2012 kan een persoon ervoor kiezen dat zijn erfopvolging in het geheel wordt beheerst door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit. Artikel 83, lid 4, van deze verordening bepaalt dat dit recht geldt als het op de erfopvolging toepasselijke recht. Een op grond van artikel 4 of artikel 10 van die verordening eerder aangezocht gerecht kan zich alleen onbevoegd verklaren ten gunste van de gerechten van de <HT TYPE="ITALIC">lidstaat</HT> waarvan de erflater de nationaliteit had. Indien het recht van een derde staat is gekozen (of geldt) als het op de erfopvolging toepasselijke recht, kan een eerder aangezocht gerecht zich niet onbevoegd verklaren ten gunste van de gerechten van die derde staat.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0054"><NO.P>54.</NO.P><TXT>In de rechtsleer zijn verschillende redenen overwogen die deze oplossing zouden kunnen verklaren, maar geen enkele reden is geheel overtuigend bevonden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0028"><P>Zie Bonomi, A., op. cit., blz. 214.</P></NOTE> Een andere reden zou te maken kunnen hebben met het effect van de onbevoegdverklaring die ertoe leidt dat de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit bezat, automatisch bevoegd worden. De gerechten van een derde staat die verordening nr. 650/2012 niet toepassen, kunnen uit hoofde van artikel 7, onder a), van deze verordening niet worden gedwongen om de bevoegdheid uit te oefenen die het gerecht van een lidstaat heeft uitgesloten. Voorts genieten deze gerechten niet het aan de genoemde verordening ten grondslag liggende wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="13"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0055"><NO.P>55.</NO.P><TXT>De bedoeling van de wetgever om de nadruk te leggen op het effect van de onbevoegdverklaring wordt bevestigd door de analyse van de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 650/2012.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0056"><NO.P>56.</NO.P><TXT>Het voorstel voor een verordening<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0029"><P>Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring [COM(2009) 154 definitief] (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0032" REF.END="QE0032"/>voorstel voor een verordening<QUOT.END REF.START="QS0032" CODE="201D" ID="QE0032"/>).</P></NOTE> bepaalde in artikel 5, lid 1, dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0033" REF.END="QE0033"/>[w]anneer de overledene [...] het recht van een lidstaat heeft gekozen voor de afhandeling van zijn erfopvolging, [...] het overeenkomstig artikel 4 aangezochte gerecht op verzoek van een partij en wanneer het van oordeel is dat de gerechten van de lidstaat waarvan het recht is gekozen, meer geschikt zijn om de erfopvolging te behandelen, zijn uitspraak [kan] aanhouden en de partijen verzoeken een vordering in te dienen bij de gerechten van die lidstaat<QUOT.END REF.START="QS0033" CODE="201D" ID="QE0033"/>. In dit artikel was ook bepaald dat het eerder aangezochte gerecht bevoegd blijft indien de zaak niet binnen een door dit gerecht bepaalde termijn aanhangig is gemaakt bij de gerechten van de lidstaat waarvan het recht was gekozen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0030"><P>Artikel 5, lid 2, van het voorstel voor een verordening.</P></NOTE>, en indien de gerechten van de lidstaat waarvan het recht was gekozen, zich niet binnen een termijn van maximaal acht weken vanaf de dag waarop de zaak bij hen aanhangig was gemaakt bevoegd hebben verklaard<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0031"><P>Artikel 5, lid 3, van het voorstel voor een verordening.</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0057"><NO.P>57.</NO.P><TXT>De overgang van de bevoegdheid naar de gerechten van de lidstaat waarvan het recht door de erflater was gekozen, geschiedde dus niet automatisch<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0032"><P>De Commissie heeft dit overigens bevestigd door aan te geven dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0034" REF.END="QE0034"/>[v]erwijzing naar een gerecht dat meer geschikt is om de zaak te behandelen [...] niet automatisch [mag] plaatsvinden wanneer de overledene het recht van een andere lidstaat heeft gekozen<QUOT.END REF.START="QS0034" CODE="201D" ID="QE0034"/>. Zie het voorstel voor een verordening, blz. 5.</P></NOTE>, maar pas wanneer deze gerechten dat hadden aanvaard nadat een erfopvolgingszaak bij hen aanhangig was gemaakt. Zoals in de rechtsleer is opgemerkt, sluit deze oplossing aan bij die van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003, zonder daarbij de onderlinge verschillen uit het oog te verliezen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0033"><P>Zie Lein, E., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0035" REF.END="QE0035"/>A Further Step Towards a European Code of Private International Law: The Commission Proposal for a Regulation on Succession<QUOT.END REF.START="QS0035" CODE="201D" ID="QE0035"/>, <HT TYPE="ITALIC">Yearbook of Private International Law</HT>, 2009, deel XI, blz. 119 en 120.</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0058"><NO.P>58.</NO.P><TXT>Na de vaststelling door het Parlement van zijn standpunt in eerste lezing<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0034"><P>Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing van <DATE ISO="20120313">13 maart 2012</DATE>, EP-PE_TC1-COD(2009) 157.</P></NOTE>, is de in artikel 5 van het voorstel voor een verordening gekozen oplossing definitief geformuleerd in artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening nr. 650/2012. De aangebrachte wijziging bevestigt de bedoeling van de Uniewetgever om niet te kiezen voor de oplossing die de gerechten van de lidstaat waarvan het recht is gekozen, in staat stelt zich onbevoegd te verklaren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0059"><NO.P>59.</NO.P><TXT>Wanneer tegen deze achtergrond zou worden geoordeeld dat de gerechten van de lidstaat waarvan het recht is gekozen of geldt als het op de erfopvolging toepasselijke recht, mogen onderzoeken of de voorwaarden van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 waren vervuld op het tijdstip waarop de beslissing houdende onbevoegdverklaring is gegeven, zou dit in de praktijk kunnen neerkomen op de erkenning dat die gerechten hun bevoegdheid als gevolg van de onbevoegdverklaring kunnen uitsluiten en zou daarmee afbreuk kunnen worden gedaan aan het mechanisme van artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van de verordening.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="14"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0060"><NO.P>60.</NO.P><TXT>Het gerecht dat zich op grond van artikel 6, onder a), van verordening nr. 650/2012 onbevoegd heeft verklaard, wordt niet automatisch opnieuw bevoegd, hetgeen zou kunnen leiden tot situaties van rechtsweigering.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0035"><P>Het is juist dat een dergelijke situatie in sommige gevallen theoretisch zou kunnen worden vermeden door artikel 11 van verordening nr. 650/2012, dat voorziet in een forum necessitatis, toe te passen. Deze bepaling voorziet echter in voorwaarden die de toepassing ervan kunnen uitsluiten wanneer de gerechten van twee lidstaten zich reeds onbevoegd hebben verklaard om over een erfopvolging uitspraak te doen.</P></NOTE> Met de uitlegging dat de gerechten van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had niet mogen onderzoeken of aan de in de drie deelvragen genoemde voorwaarden was voldaan, kan het gevaar van een negatief bevoegdheidsconflict dus worden vermeden, dat zou kunnen ontstaan indien het eerder aangezochte gerecht zich onbevoegd verklaart en het gerecht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit had, van oordeel is dat de voorwaarden van artikel 6, onder a), van die verordening niet zijn vervuld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0061"><NO.P>61.</NO.P><TXT>Gelet op, in de eerste plaats, de aard van de in de drie deelvragen genoemde voorwaarden, die bepalen of het eerder aangezochte gerecht de in beginsel uit te oefenen bevoegdheid kan uitsluiten<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0036"><P>Zie punten 42‑44 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE>, in de tweede plaats, de kwalificatie van de beslissing houdende onbevoegdverklaring als een beslissing die valt onder het erkenningsmechanisme dat bij verordening nr. 650/2012 is ingesteld<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0037"><P>Zie punt 52 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE> en, in de derde plaats, de wens te waarborgen dat deze beslissing het door de Uniewetgever beoogde effect heeft<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0038"><P>Zie punt 54 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE>, geef ik in overweging om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van deze verordening aldus moeten worden uitgelegd dat het gerecht van de lidstaat waaraan de bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van het eerder aangezochte gerecht, niet bevoegd is om te onderzoeken, ten eerste, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van deze lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst, ten tweede, of een van de partijen in het geding overeenkomstig artikel 6, onder a), van die verordening een verzoek heeft ingediend bij het eerder aangezochte gerecht en, ten derde, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat de gerechten van die lidstaat beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen, wanneer het eerder aangezochte gerecht deze drie voorwaarden heeft geverifieerd.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">V.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Conclusie</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0062"><NO.P>62.</NO.P><TXT>In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de tweede prejudiciële vraag van het Oberlandesgericht Köln als volgt te beantwoorden:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0036" REF.END="QE0036"/>Artikel 6, onder a), en artikel 7, onder a), van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20120704">4 juli 2012</DATE> betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, moeten aldus worden uitgelegd dat het gerecht van de lidstaat waaraan de bevoegdheid zou toekomen op grond van de onbevoegdverklaring van het eerder aangezochte gerecht, niet bevoegd is om te onderzoeken, ten eerste, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat het recht van deze lidstaat is gekozen of geldt als het recht dat de erfopvolging beheerst, ten tweede, of een van de partijen in het geding overeenkomstig artikel 6, onder a), van deze verordening een verzoek heeft ingediend bij het eerder aangezochte<?PAGE NO="15"?> gerecht en, ten derde, of het eerder aangezochte gerecht terecht heeft geoordeeld dat de gerechten van die lidstaat beter in staat zijn om over de erfopvolging uitspraak te doen, wanneer het eerder aangezochte gerecht deze drie voorwaarden heeft geverifieerd.<QUOT.END REF.START="QS0036" CODE="201D" ID="QE0036"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>