European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/920

20.5.2025

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/920 VAN DE COMMISSIE

van 19 mei 2025

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 wat betreft de vaststelling van bepaalde gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (1), met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit de ervaring met de tenuitvoerlegging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie (2) is gebleken dat er behoefte is aan kleine wijzigingen van de uitvoeringsmaatregelen van bepaalde gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart.

(2)

In de aanhangsels 3-B, 4-B, en 5-A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 zijn de derde landen opgenomen waarvoor wordt erkend dat de door hen toegepaste beveiligingsnormen gelijkwaardig zijn aan de gemeenschappelijke basisnormen inzake luchtvaartbeveiliging.

(3)

De Commissie heeft van het Koninkrijk Denemarken informatie ontvangen waaruit blijkt dat de in Groenland gelegen luchthaven Kangerlussuaq de gemeenschappelijke basisnormen van Verordening (EG) nr. 300/2008 niet langer toepast. Bovendien zijn de luchthavens van Guernsey, Man en Jersey na de uittreding uit de Unie door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland niet langer relevant voor de “one stop security”-regeling van de Unie. Ten slotte voldoet de luchthaven Ben Gurion, Tel Aviv, gelegen in de Staat Israël, niet meer aan de criteria van deel E van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 272/2009 van de Commissie (3) voor wat de beveiliging van luchtvaartuigen en beveiligingsonderzoeken van passagiers en handbagage betreft.

(4)

Derhalve moeten de luchthavens van Kangerlussuaq, Guernsey, Man en Jersey worden geschrapt uit de lijsten in aanhangsels 3-B, 4-B en 5-A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998, en moet de luchthaven Ben Gurion, Tel Aviv, worden geschrapt uit de lijsten in aanhangsels 3-B en 4-B van de bijlage bij die uitvoeringsverordening.

(5)

Door de ontwikkeling van het dreigings- en risicobeeld op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart moeten de gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van luchtvracht en -post bovendien dringend worden aangescherpt om de weerbaarheid te vergroten en nieuwe dreigingen adequaat te beperken.

(6)

Bepaalde gedetailleerde luchtvaartbeveiligingsmaatregelen op het gebied van opleiding, certificering en hercertificering van beveiligingspersoneel en inzake routinetests van beveiligingsapparatuur moeten worden verduidelijkt, geharmoniseerd of vereenvoudigd om de juridische duidelijkheid te verbeteren, de gemeenschappelijke interpretatie van de relevante bepalingen te standaardiseren en verder te zorgen voor een optimale toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van luchtvaartbeveiliging.

(7)

Aangezien sommige maatregelen op het gebied van certificering en hercertificering van beveiligingspersoneel bepaalde kleine wijzigingen van het nationale kader door de lidstaten kunnen vereisen, moet de toepassing ervan worden uitgesteld tot ten minste zes maanden na de vaststelling van deze verordening.

(8)

Om te garanderen dat de gedetailleerde maatregelen op het gebied van de beveiliging van luchtvracht en -post zo snel mogelijk worden uitgevoerd, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(9)

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 300/2008 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. De punten 8, 10, en 11 van de bijlage bij deze verordening zijn evenwel van toepassing vanaf 1 januari 2026.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 mei 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/300/oj.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie van 5 november 2015 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart (PB L 299 van 14.11.2015, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2015/1998/oj).

(3)  Verordening (EG) nr. 272/2009 van de Commissie van 2 april 2009 ter aanvulling van de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart (PB L 91 van 3.4.2009, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/272/oj).


BIJLAGE

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in de lijst in aanhangsel 3-B worden de volgende vermeldingen geschrapt:

 

“Groenland, met betrekking tot de luchthaven van Kangerlussuaq

 

Guernsey

 

Man

 

Jersey

 

Staat Israël, met betrekking tot de internationale luchthaven Ben Gurion ”;

2)

in de lijst in aanhangsel 4-B worden de volgende vermeldingen geschrapt:

 

“Groenland, met betrekking tot de luchthaven van Kangerlussuaq

 

Guernsey

 

Man

 

Jersey

 

Staat Israël, met betrekking tot de internationale luchthaven Ben Gurion ”;

3)

in de lijst in aanhangsel 5-A worden de volgende vermeldingen geschrapt:

 

“Groenland, met betrekking tot de luchthaven van Kangerlussuaq

 

Guernsey

 

Man

 

Jersey ”;

4)

aan hoofdstuk 6 worden de volgende punten 6.0.7 en 6.0.8 toegevoegd:

“6.0.7.

Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder een “zakelijke relatie” verstaan: een vereniging tussen natuurlijke of rechtspersonen die een overeenkomst sluiten met betrekking tot de uitvoering van activiteiten zoals het bezorgen, aanvaarden, verwerken, behandelen, laden, lossen en vervoeren van luchtvracht of luchtpost.

6.0.8.

Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder “gevestigde zakelijke relatie” verstaan:

a)

een zakelijke relatie die vóór 1 september 2024 is aangegaan, of

b)

een zakelijke relatie die na 1 september 2024 is aangegaan, waarbij de erkende agent de volgende informatie of documentatie heeft aangevraagd bij en verkregen van de verzender of verlader, of van de ontvanger die voor de vracht betaalt, naargelang het geval, en deze bewaart:

—

persoonlijke, zakelijke of bedrijfsinformatie, met inbegrip van naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres;

—

betalingsinformatie, zoals een bankrekening of traceerbaar creditcardnummer;

—

btw-nummer, certificaat van bedrijfsregistratie, indien van toepassing;

—

een contractuele overeenkomst.”;

5)

in hoofdstuk 6 worden de punten 6.3.2.1 en 6.3.2.2 vervangen door:

“6.3.2.1.

Wanneer een erkende agent een zending aanvaardt:

a)

gaat hij na of de entiteit van wie hij de zending ontvangt, een erkende agent of een bekende afzender of geen van beide is;

b)

onderzoekt hij de buitenkant van de ontvangen zending, met inbegrip van consolidaties, op tekenen van manipulatie door onbevoegden, sabotage of enige anomalieën die aanleiding kunnen geven tot verdenking.

6.3.2.2.

De erkende agent vraagt de persoon die de zending afgeeft om een identiteitskaart, paspoort, rijbewijs of ander document met zijn/haar foto voor te leggen, dat is afgegeven of wordt erkend door een nationale autoriteit. De kaart of het document wordt gebruikt om de identiteit vast te stellen van de persoon die de zendingen afgeeft.

Als de persoon die de zendingen afgeeft geen geldig identiteitsdocument kan voorleggen, worden de zendingen en de begeleidende documentatie geweigerd en gemarkeerd overeenkomstig punt 6.1.3, of moeten de aanvullende bepalingen van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit C(2015) 8005 worden toegepast.”;

6)

in hoofdstuk 6 wordt punt 6.8.3.2 vervangen door:

“6.8.3.2.

Vracht en post die naar de Unie worden vervoerd, worden aan een beveiligingsonderzoek onderworpen met een van de in punt 6.2.1 vermelde middelen en methoden, volgens een norm die volstaat om redelijkerwijs te garanderen dat er geen verboden voorwerpen in zijn verborgen. Met ingang van 1 januari 2026 mag een ACC3 of RA3 alleen goedkeuring krijgen om explosievenspeurhonden (EDD) te gebruiken voor beveiligingsonderzoeken van voor de Unie bestemde vracht en post als tijdens het EU-luchtvaartbeveiligingsvalideringsproces de bevoegde autoriteit of de EU-luchtvaartbeveiligingsvalidateur, naargelang het geval, het proces voor beveiligingsonderzoeken door middel van EDD heeft geobserveerd en heeft geoordeeld dat het voldoet aan de doelstellingen van de in aanhangsel 6-M uiteengezette controlelijst.”;

7)

het volgende aanhangsel 6-M wordt toegevoegd aan hoofdstuk 6:

“AANHANGSEL 6-M

VALIDERINGSCONTROLELIJST VOOR EXPLOSIEVENSPEURHONDEN (EDD) UIT DERDE LANDEN

Opmerkingen in instructies voor het invullen

De validering heeft tot doel te beoordelen of het toepasselijke EDD-programma in een derde land en het bijbehorende proces voor beveiligingsonderzoeken die zijn geobserveerd in een vestiging van een ACC3 of RA3, gelijkwaardig zijn aan de regelgevingsvereisten van de EU, zoals uiteengezet in punt 6.8.3.2 van deze bijlage.

De controlelijst wordt uitsluitend gebruikt om, indien van toepassing, de eisen en activiteiten met betrekking tot EDD te beoordelen en te evalueren. Zij komt niet in de plaats van, maar vormt een aanvulling op de bestaande verplichting van de EU-validateur om de passende controlelijst 6-C2 of 6-C3 te gebruiken als hij een EU-luchtvaartbeveiligingsvalidering van een RA3 of ACC3 uitvoert. Wanneer van toepassing vormt deze controlelijst dan ook een integraal onderdeel van het EU-luchtvaartbeveiligingsverslag en wordt ze ingediend bij de bevoegde autoriteit.

Tijdens de EU-luchtvaartbeveiligingsvalidering van een RA3 of ACC3 die gebruikmaakt van EDD, moeten de vragen 5.7 en 5.8 van controlelijst 6-C2 en de vragen 7.7 en 7.8 van controlelijst 6-C3, al naargelang van toepassing, worden ingevuld door gebruik te maken van deze controlelijst.

Let op: Als het antwoord op een vetgedrukte vraag NEEN is, MOET de validering worden beoordeeld als NEGATIEF, tenzij de vraag niet van toepassing is.

DEEL 1

Identificatie van de exploitant, entiteit of autoriteit die gebruik maakt van EDD en van de EU-luchtvaartbeveiligingsvalidateur

1.1.

Datum(s) en plaats van de EDD-validering

Gebruik een exact datumformaat, bijvoorbeeld van 1.10.2025 tot en met 2.10.2025

dd/mm/jjjj

 

1.2.

Datum van voorgaande EDD-validering(en), indien van toepassing

dd/mm/jjjj

 

1.3.

Informatie over de EU-luchtvaartbeveiligingsvalidateur

Naam

 

Bedrijf/organisatie/bevoegde autoriteit

 

Unieke alfanumerieke identificatiecode (UAI)

 

E-mail

 

Telefoonnummer — met inbegrip van internationale codes

 

1.4.

Naam van de exploitant, entiteit of autoriteit die het beveiligingsonderzoek met EDD uitvoert

Naam

 

Nadere bijzonderheden:

Vermeld het type exploitant, entiteit of autoriteit en geef nadere informatie:

—

privaatrechtelijke beveiligingsonderneming;

—

door de overheid gereguleerde onderneming;

—

beveiligingsfaciliteit of -orgaan van de overheid;

—

andere

Vermeld het type overeenkomst of contract tussen de gevalideerde entiteit en de entiteit die namens haar het beveiligingsonderzoek uitvoert.

 

Ondernemingsnummer (bv. identificatienummer in het handelsregister, indien van toepassing)

 

Nummer/Eenheid/Gebouw

 

Straat

 

Plaats

 

Postcode

 

Staat (indien relevant)

 

Land

 

Postbusnummer, indien van toepassing

 

Unieke alfanumerieke identificatiecode (UAI) van de ACC3 of RA3, indien reeds beschikbaar

 

1.5.

Geschat aantal personeelsleden dat betrokken is bij EDD-activiteiten (bv. begeleiders en ander personeel)

Aantal

 

1.6.

Naam en functie van de persoon die verantwoordelijk is voor het EDD-beveiligingsonderzoek

Naam

 

Functie

 

E-mail

 

Telefoonnummer — met inbegrip van internationale codes

 

1.7.

Nadere informatie over de hond-begeleiderteams die zijn goedgekeurd op de locatie die wordt gevalideerd.

Naam van de EDD, de begeleider en het nummer van de microchip van de EDD.

 

DEEL 2

Initiële opleiding en certificering of goedkeuring van de EDD’s en hun begeleiders

2.1.

Hebben de EDD’s en hun begeleiders een initiële opleiding gevolgd?

JA of NEEN

 

Indien JA, beschrijf dan het opleidingsprogramma en de onderwerpen die daarin aan bod kwamen.

 

2.2.

Is de dienstverlener van EDD-beveiligingsonderzoeken in het bezit van opleidingsgegevens over de opleiding die elke hond-begeleidercombinatie heeft gevolgd?

JA of NEEN

 

Zo JA, geef dan een beschrijving van de initiële opleiding van het (de) EDD-team(s) en vermeld de frequentie van de voortgezette opleiding.

 

2.3.

Hebben de EDD’s aan het einde van de initiële opleiding een certificerings- of goedkeuringsproces doorlopen? Zo ja, was dit een nationaal of nationaal erkend certificeringsproces?

JA of NEEN

 

Indien JA, geef een beschrijving van het volledige certificeringsproces en de bijbehorende documentatie ter staving van de beoordeling.

 

2.4.

Werden tijdens de certificering of goedkeuring echte explosieven gebruikt?

JA of NEEN

Indien NEEN, vermeld welk type opleidingshulpmiddel werd gebruikt

 

2.5.

Werden tijdens de certificering explosieven verborgen in een realistisch gesimuleerde vrachtzending?

 

JA of NEEN

 

Indien JA, geef een beschrijving

 

2.6.

Zijn er bewijsstukken beschikbaar waaruit blijkt dat de EDD’s en hun begeleiders geslaagd zijn in de certificering, en heeft de validateur toegang tot die informatie?

JA of NEEN

 

Indien JA, voeg dan een exemplaar van het document toe

 

2.7.

Is er een autoriteit die verantwoordelijk is voor het certificeringsproces, bv. een nationale/regionale regulerende instantie?

JA of NEEN

 

Indien JA, geef nadere informatie over de autoriteit die verantwoordelijk is voor het proces. Gaat het om een proces dat door de overheid is erkend of om een certificeringsproces van de privaatrechtelijk entiteit zelf?

 

2.8.

Zijn de gebruikte EDD’s opgeleid om uitsluitend explosieven op te sporen, en is dit beperkt tot beveiligingsonderzoeken van luchtvracht en -post, of omvat het ook andere categorieën?

 

JA of NEEN

 

Indien NEEN, leg uit.

 

2.9.

Zijn bij de certificering van de EDD echte explosieven gebruikt?

 

JA of NEEN

 

Indien NEEN, leg uit.

 

2.10.

Conclusie: Kan de validateur, op basis van de verstrekte informatie over de initiële opleiding en het certificeringsproces, met redelijke zekerheid stellen dat de processen gelijkwaardig zijn aan de regelgevingsvereisten van de EU? Bij de certificering van de EDD zijn echte explosieven gebruikt.

JA of NEEN

 

Indien NEEN, vermeld dan de reden daarvoor

 

DEEL 3

Opleidingsmateriaal

3.1.

Zijn tijdens de opleiding van de EDD’s verschillende types materialen en/of hulpmiddelen gebruikt?

JA of NEEN

 

Indien JA, geef nadere informatie over de gebruikte types materialen en/of hulpmiddelen. Indien opleidingsmateriaal is gebruikt, verstrek dan, bijvoorbeeld, de vergunning voor het bezit van dat opleidingsmateriaal.

 

3.2.

Wordt het opleidingsmateriaal regelmatig vernieuwd/ververst/vervangen om te garanderen dat het effectief en geschikt voor gebruik blijft?

JA of NEEN

 

Indien JA, vermeld dan hoe vaak het opleidingsmateriaal wordt vervangen en het proces om te bepalen wanneer het materiaal moet worden vervangen.

 

3.3.

Worden de honden opgeleid in realistische omstandigheden, waarbij gebruik wordt gemaakt van typische manieren om explosieven in vracht te verbergen, met inbegrip van de aanwezigheid van maskeergeuren?

JA of NEEN

 

Indien NEEN, vermeld dan de reden daarvoor

 

3.4

Zijn er bewijsstukken verstrekt aan de hand waarvan de EU-luchtvaartbeveiligingsvalidateur kan oordelen dat dit deel gelijkwaardig is aan de regelgevingsvereisten van de EU?

JA of NEEN

 

Indien NEEN, vermeld dan de reden daarvoor

 

DEEL 4

Kwaliteitscontrole

4.1.

Moeten EDD’s en hun begeleiders een extern kwaliteitscontroleprogramma doorlopen?

JA of NEEN

 

Indien JA, beschrijf het extern kwaliteitscontroleprogramma, met inbegrip van de frequentie, en de entiteit die verantwoordelijk is voor de uitvoering ervan.

 

4.2.

Beschikt de EDD-entiteit over de resultaten van de externe kwaliteitscontroletests?

JA of NEEN

 

Indien JA, geef nadere informatie over de resultaten van de externe kwaliteitscontroletests voor elke hond-begeleidercombinatie.

 

4.3.

Moeten EDD’s en hun begeleiders een permanent en regelmatig intern kwaliteitscontroleprogramma doorlopen?

JA of NEEN

 

Indien JA, beschrijf het intern kwaliteitscontroleprogramma en de frequentie ervan.

 

4.4.

Bewaart de EDD-exploitant, -entiteit of autoriteit, al naargelang van toepassing, gegevens over de interne kwaliteitscontroletests?

JA of NEEN

 

Indien JA, geef nadere informatie over de resultaten van recente interne kwaliteitscontroletests voor elke hond-begeleidercombinatie.

 

4.5.

Conclusie: Is de validateur zeker dat zowel het interne als externe kwaliteitscontroleproces gelijkwaardig is aan de EU-vereisten?

JA of NEEN

 

Indien NEEN, vermeld dan de reden daarvoor

 

DEEL 5

Permanente opleiding

5.1.

Moeten EDD’s en hun begeleiders permanente opleiding volgen na de certificering of goedkeuring?

JA of NEEN

 

Indien JA, beschrijf het opleidingsprogramma en de onderwerpen die daarin aan bod kwamen. Dit kunnen dezelfde zijn als in 2.1 en 2.2.

 

5.2.

Volstaat de frequentie van de permanente opleiding om de bekwaamheden van de EDD op peil te houden?

JA of NEEN

 

Indien JA, beschrijf de frequentie van de permanente opleiding. Idealiter moet de opleiding dagelijks plaatsvinden.

 

5.3.

Zijn er bewijzen van herstelmaatregelen om ondermaatse prestaties tijdens de opleiding of kwaliteitscontroletests te verbeteren?

JA of NEEN

 

Indien JA, beschrijf het proces voor de identificatie van passende herstelmaatregelen.

 

5.4

Bewaart de EDD-dienstverlener alle gegevens van de opleiding en certificering van elke EDD (en begeleider) (met inbegrip van herhalingsopleidingen of hercertificeringen/goedkeuringen)?

 

JA of NEEN

 

Indien NEEN, welke gegevens over de opleiding en certificering worden bewaard?

 

5.5.

Conclusie: Kan de validateur, op basis van de informatie over de permanente opleiding, met redelijke zekerheid stellen dat het proces gelijkwaardig is aan de vereisten van de EU?

JA of NEEN

 

Indien NEEN, vermeld dan de reden daarvoor

 

DEEL 6

Observatie van het proces voor beveiligingsonderzoeken

6.1

Heeft de validateur het proces voor beveiligingsonderzoeken van vracht geobserveerd?

 

JA of NEEN

 

Indien JA, voldoet het proces voor beveiligingsonderzoeken aan de vereisten van de EU?

 

Indien NEEN, vermeld dan de reden daarvoor.

 

6.2.

Beschrijf het algemene welzijn en de oplettendheid van de honden. Zien ze er gezond en tevreden uit? Zijn ze gefocust op hun taak of lijken ze afgeleid?

 

6.3.

Heeft de entiteit bewijzen verstrekt van zijn protocol voor het opheffen van EDD-alarmsignalen?

JA of NEEN

 

Indien JA, geef een gedetailleerde beschrijving van het volledige proces.

 

6.4.

Conclusie: Heeft de verificatie ter plaatse voldoende bewijzen opgeleverd op basis waarvan de validateur met redelijke zekerheid kan stellen dat de geobserveerde en gedocumenteerde processen aantonen dat de EDD-beveiligingsonderzoeken beantwoorden aan de EU-normen?

JA of NEEN

 

Indien NEEN, vermeld dan de reden daarvoor.”

 

8)

in hoofdstuk 11 wordt punt 11.0.2 vervangen door:

“11.0.2.

Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder “certificering” en “hercertificering” verstaan: een formele beoordeling en bevestiging door of namens de bevoegde autoriteit waaruit blijkt dat de persoon in kwestie met succes de relevante opleiding heeft gevolgd en over de nodige vaardigheden beschikt om de hem toegewezen taken op een aanvaardbaar niveau uit te voeren. De certificerings- en hercertificeringsprocessen worden op nationaal niveau gestandaardiseerd.”;

9)

in hoofdstuk 11 wordt punt 11.1.12 geschrapt;

10)

in hoofdstuk 11 worden de punten 11.3.2 tot en met 11.3.5 vervangen door:

“11.3.2.

Het proces voor een eerste certificering of goedkeuring omvat:

a)

een theoretische test of een panelgesprek om te beoordelen of de personen over de theoretische kennis beschikken die nodig is om de hen toegewezen taken uit te voeren, en

b)

een praktijktest om te beoordelen of de personen over de vaardigheden beschikken die nodig zijn om de hen toegewezen taken uit te voeren, en

c)

voor personen die röntgen- en EDS-apparatuur bedienen, een gestandaardiseerde beeldinterpretatietest.

11.3.3.

De procedure voor hernieuwde certificering of goedkeuring omvat:

a)

een theoretische test of een panelgesprek om te beoordelen of de personen over de theoretische kennis beschikken die nodig is om de hen toegewezen taken uit te voeren, en

b)

een evaluatie van de operationele prestaties met betrekking tot alle toegewezen taken of een praktijktest ter beoordeling van de competenties die nodig zijn om de toegewezen taken uit te voeren, zoals bepaald door de bevoegde autoriteit, en

c)

voor personen die röntgen- en EDS-apparatuur bedienen, een gestandaardiseerde beeldinterpretatietest.

11.3.4.

De theoretische test of het panelgesprek omvat voldoende vragen en/of onderwerpen om de kennis van de kandidaat volledig en grondig te beoordelen.

11.3.5.

De gestandaardiseerde beeldinterpretatietest omvat voldoende afbeeldingen, variërend in moeilijkheid, om de kennis en interpretatievaardigheden van de kandidaat te beoordelen met betrekking tot alle categorieën verboden voorwerpen die relevant zijn voor de toegewezen taken.”;

11)

aan hoofdstuk 11 worden de volgende punten 11.3.6 tot en met 11.3.9 toegevoegd:

“11.3.6.

De bevoegde autoriteit mag een gecertificeerde instructeur die belast is met de opleiding van beveiligingspersoneel toestaan om de in punt 11.3.2, b), en punt 11.3.3, b), bedoelde praktijktest af te nemen, voor zover:

a)

de testprocedure en de inhoud van de test zijn goedgekeurd door de bevoegde autoriteit;

b)

de testresultaten ter beoordeling worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteit in het kader van het certificerings- of hercertificeringsproces, en

c)

de bevoegde autoriteit in dit verband regelmatig kwaliteitscontroles uitvoert.

11.3.7.

Met uitzondering van de evaluatie van de operationele prestaties met betrekking tot alle toegewezen taken als bedoeld in punt 11.3.3, b), moeten alle elementen van de certificerings- en hercertificeringsprocessen worden uitgevoerd door of namens de bevoegde autoriteit.

Een opleidingsinstelling of een soortgelijke instelling die door de bevoegde autoriteit is aangesteld om namens haar de certificering uit te voeren, moet volledig onafhankelijk zijn van exploitanten en beveiligingsaanbieders die beveiligingspersoneel in dienst hebben en van instructeurs die opleidingen verstrekken overeenkomstig hoofdstuk 11.2. Dit geldt niet voor de in punt 11.3.6 vermelde optie met betrekking tot de praktijktests.

11.3.8.

Wanneer de vernieuwde certificering of goedkeuring niet met succes wordt voltooid binnen een redelijke termijn van normaliter hoogstens drie maanden, worden de bijbehorende beveiligingsrechten ingetrokken.

11.3.9.

Voor alle gecertificeerde of goedgekeurde personen wordt minstens tijdens de duur van hun contract een certificerings- of goedkeuringsdossier bijgehouden.”;

12)

in hoofdstuk 11, punt 11.4.1, wordt aan het einde van de tweede alinea de volgende zin toegevoegd:

“De opleiding en tests worden bij voorkeur gelijkmatig verdeeld over elke periode van zes maanden. Wanneer dit niet mogelijk is, vinden de opleiding en tests plaats aan het einde van elke periode van zes maanden.”;

13)

in hoofdstuk 12 wordt punt 12.0.1.2 vervangen door:

“12.0.1.2.

Voor alle geïnstalleerde beveiligingsapparatuur worden zowel een acceptatietest ter plaatse als daaropvolgende routinetests uitgevoerd. De routinetests worden uitgevoerd ongeacht het regelmatige onderhoud en met een zodanige frequentie dat storingen of verminderde prestatie- of detectiecapaciteit van de apparatuur redelijk snel kunnen worden opgespoord.”;

14)

in hoofdstuk 12 worden de punten 12.4.2.3 tot en met 12.4.2.5 geschrapt.


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/920/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)