<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.58-20161101.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>C-467/16</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62016CC0467</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:768">EU:C:2017:768</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>11</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>11</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P>CONCLUSIE VAN ADV.‑GEN. SZPUNAR – ZAAK C‑467/16</P><P>SCHLÖMP</P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">M. Szpunar</HT></P><P>van <DATE ISO="20171018">18 oktober 2017</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0001"><P>Oorspronkelijke taal: Engels.</P></NOTE></P></TI><STI><P><HT TYPE="BOLD">Zaak C‑467/16</HT></P><P><HT TYPE="BOLD">Brigitte Schlömp</HT></P><P><HT TYPE="BOLD">tegen</HT></P><P><HT TYPE="BOLD">Landratsamt Schwäbisch Hall</HT></P><P><HT TYPE="NORMAL">[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Amtsgericht Stuttgart (rechter in eerste aanleg Stuttgart, Duitsland)]</HT></P></STI></TITLE><INTERMEDIATE><INDEX IDX.CLOSE="”" SEPARATOR=" – " IDX.OPEN="„"><KEYWORD>Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht</KEYWORD><KEYWORD>Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken</KEYWORD><KEYWORD>Lugano II-verdrag</KEYWORD><KEYWORD>Artikelen 27 en 30</KEYWORD><KEYWORD>Aanhangigheid</KEYWORD><KEYWORD>Begrip <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0001" REF.END="QE0001"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="2019" ID="QE0001"/></KEYWORD></INDEX></INTERMEDIATE><CONTENTS.CONCLUSION><NP.ECR IDENTIFIER="NP0001"><NO.P>1.</NO.P><TXT>De vraag die in de onderhavige zaak centraal staat, is eenvoudig: is een zaak bij een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0002" REF.END="QE0002"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="201D" ID="QE0002"/> aangebracht in de zin van de regels inzake aanhangigheid van het op <DATE ISO="20071030">30 oktober 2007</DATE> ondertekende verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van <DATE ISO="20081127">27 november 2008</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="147" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2009">PB 2009, L 147, blz. 1</REF.DOC.OJ>) (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0003" REF.END="QE0003"/>Lugano II-verdrag<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="201D" ID="QE0003"/>) wanneer een vordering ten aanzien van onderhoudsverplichtingen bij een bemiddelingsinstantie is ingesteld, zoals naar nationaal procesrecht verplicht is? Deze prejudiciële vraag van het Amtsgericht Stuttgart (rechter in eerste aanleg Stuttgart, Duitsland) biedt het Hof een zeldzame kans om de bepalingen van het Lugano II-verdrag uit te leggen.</TXT></NP.ECR><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Toepasselijke bepalingen</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Internationaal recht</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0002"><NO.P>2.</NO.P><TXT>In artikel 5 van het Lugano II-verdrag, dat deel uitmaakt van titel II, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0004" REF.END="QE0004"/>Bevoegdheid<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/>, afdeling 2, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0005" REF.END="QE0005"/>Bijzondere bevoegdheid<QUOT.END REF.START="QS0005" CODE="201D" ID="QE0005"/>, van dit verdrag, staat te lezen:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0006" REF.END="QE0006"/>Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, kan in een andere door dit verdrag gebonden staat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:</P><P>[…]</P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>ten aanzien van onderhoudsverplichtingen:</TXT><P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft […]<QUOT.END REF.START="QS0006" CODE="201D" ID="QE0006"/>.</TXT></NP></ITEM></LIST></P></NP></ITEM></LIST></ALINEA></QUOT.S></NP.ECR><?PAGE NO="2"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0003"><NO.P>3.</NO.P><TXT>Afdeling 9 van titel II van het Lugano II-verdrag is gewijd aan <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0007" REF.END="QE0007"/>aanhangigheid en samenhang<QUOT.END REF.START="QS0007" CODE="201D" ID="QE0007"/> en bestaat uit de artikelen 27 tot en met 30 van dit verdrag.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0004"><NO.P>4.</NO.P><TXT>Artikel 27 van het Lugano II-verdrag luidt als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="027.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0008" REF.END="QE0008"/>1.</NO.PARAG><ALINEA>Wanneer voor gerechten van verschillende door dit verdrag gebonden staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="027.002"><NO.PARAG>2.</NO.PARAG><ALINEA>Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.<QUOT.END REF.START="QS0008" CODE="201D" ID="QE0008"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0005"><NO.P>5.</NO.P><TXT>Artikel 30 van dit verdrag bepaalt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0009" REF.END="QE0009"/>Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht:</P><P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>indien het stuk betekend of meegedeeld moet worden voordat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving het stuk ontvangt, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen.<QUOT.END REF.START="QS0009" CODE="201D" ID="QE0009"/></TXT></NP></ITEM></LIST></P></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0006"><NO.P>6.</NO.P><TXT>Artikel 62, dat deel uitmaakt van titel V, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0010" REF.END="QE0010"/>Algemene bepalingen<QUOT.END REF.START="QS0010" CODE="201D" ID="QE0010"/>, van het Lugano II-verdrag bepaalt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0011" REF.END="QE0011"/>Voor de toepassing van dit verdrag omvat het begrip <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0012" REF.END="QE0012"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0012" CODE="2019" ID="QE0012"/> alle autoriteiten aangewezen door een door dit verdrag gebonden staat die bevoegd zijn om uitspraak te doen over zaken die onder het toepassingsgebied van dit verdrag vallen.<QUOT.END REF.START="QS0011" CODE="201D" ID="QE0011"/></ALINEA></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0007"><NO.P>7.</NO.P><TXT>Titel VII, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0013" REF.END="QE0013"/>Verhouding tot verordening (EG) nr. 44/2001<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0002"><P>Verordening van <DATE ISO="20001222">22 december 2000</DATE> betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="012" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2001">PB 2001, L 12, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> van de Raad en tot andere instrumenten<QUOT.END REF.START="QS0013" CODE="201D" ID="QE0013"/>, van het Lugano II-verdrag bevat artikel 64, dat luidt als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="064.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0014" REF.END="QE0014"/>1.</NO.PARAG><ALINEA>Dit verdrag laat onverlet de toepassing door de lidstaten van de Europese Gemeenschap van de volgende instrumenten: verordening [nr. 44/2001] alsook de wijzigingen daarvan; het op <DATE ISO="19680927">27 september 1968</DATE> te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en het op <DATE ISO="19710603">3 juni 1971</DATE> te Luxemburg ondertekende Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van dat verdrag, zoals gewijzigd bij de verdragen betreffende de toetreding tot genoemd verdrag en tot genoemd protocol door de tot de Europese Gemeenschappen toetredende staten; de op <DATE ISO="20051019">19 oktober 2005</DATE> te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.</ALINEA></PARAG><?PAGE NO="3"?><PARAG IDENTIFIER="064.002"><NO.PARAG>2.</NO.PARAG><ALINEA><P>Dit verdrag is echter in elk geval van toepassing:</P><P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>ten aanzien van de rechterlijke bevoegdheid, wanneer de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een staat waar wel dit verdrag doch geen van de in lid 1 genoemde instrumenten van toepassing is, of wanneer artikel 22 of 23 van dit verdrag de gerechten van een dergelijke staat bevoegdheid verleent;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>ten aanzien van aanhangigheid of samenhang zoals bedoeld in de artikelen 27 en 28, wanneer procedures zijn aangespannen in een staat waar wel dit verdrag doch geen van de in lid 1 genoemde instrumenten van toepassing is en in een staat waar zowel dit verdrag als een in lid 1 genoemd instrument van toepassing is;</TXT></NP></ITEM></LIST></P></ALINEA></PARAG><P>[…]<QUOT.END REF.START="QS0014" CODE="201D" ID="QE0014"/></P></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Zwitsers wetboek van burgerlijke rechtsvordering</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0008"><NO.P>8.</NO.P><TXT>Artikel 62, lid 1, van de Schweizer Zivilprozessordnung (Zwitsers wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0015" REF.END="QE0015"/>wetboek van burgerlijke rechtvordering<QUOT.END REF.START="QS0015" CODE="201D" ID="QE0015"/>)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0003"><P>Zie deel 1, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0016" REF.END="QE0016"/>Algemene bepalingen<QUOT.END REF.START="QS0016" CODE="201D" ID="QE0016"/>, titel 4, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0017" REF.END="QE0017"/>Aanhangigheid en de gevolgen van intrekking van de vordering<QUOT.END REF.START="QS0017" CODE="201D" ID="QE0017"/>, van dat wetboek.</P></NOTE> heeft betrekking op de aanvang van de aanhangigheid en is geformuleerd als volgt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0018" REF.END="QE0018"/>1) Een zaak wordt aanhangig door indiening van een bemiddelingsverzoek, een vordering, een verzoek of een gezamenlijk verzoek om echtscheiding.<QUOT.END REF.START="QS0018" CODE="201D" ID="QE0018"/></ALINEA></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0009"><NO.P>9.</NO.P><TXT>Ingevolge artikel 197 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0004"><P>Zie deel 2, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0019" REF.END="QE0019"/>Bijzondere bepalingen<QUOT.END REF.START="QS0019" CODE="201D" ID="QE0019"/>, titel 1, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0020" REF.END="QE0020"/>Bemiddelingspoging<QUOT.END REF.START="QS0020" CODE="201D" ID="QE0020"/>, hoofdstuk 1, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0021" REF.END="QE0021"/>Toepassingsgebied en bemiddelingsinstantie<QUOT.END REF.START="QS0021" CODE="201D" ID="QE0021"/>, van dat wetboek.</P></NOTE>:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0022" REF.END="QE0022"/>[w]ordt de procesvoering […] voorafgegaan door een bemiddelingspoging voor een bemiddelingsinstantie<QUOT.END REF.START="QS0022" CODE="201D" ID="QE0022"/>.</P></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0010"><NO.P>10.</NO.P><TXT>In artikel 209, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0023" REF.END="QE0023"/>Machtiging om de zaak aanhangig te maken<QUOT.END REF.START="QS0023" CODE="201D" ID="QE0023"/>, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt het volgende bepaald:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="209.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0024" REF.END="QE0024"/>1)</NO.PARAG><ALINEA><P>Indien geen overeenstemming wordt bereikt, maakt de bemiddelingsinstantie melding van dit feit en verleent zij machtiging om de zaak aanhangig te maken</P><P>[…]</P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>aan de verzoeker: […]</TXT></NP></ITEM></LIST></ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="209.003"><NO.PARAG>3)</NO.PARAG><ALINEA><P>De verzoeker is gerechtigd om binnen drie maanden nadat de machtiging is verleend om de zaak aanhangig te maken, een vordering in te stellen bij de rechter.</P></ALINEA></PARAG><P>[…]<QUOT.END REF.START="QS0024" CODE="201D" ID="QE0024"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Feiten, procedure en prejudiciële vraag</P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0011"><NO.P>11.</NO.P><TXT>B. Schlömp, die in Zwitserland woont, is de dochter van mevrouw H. S. die van het Landratsamt Schwäbisch Hall (overheidsdienst van de gemeente Schwäbisch Hall) in Duitsland aanvullende bijstandsuitkeringen ontvangt omdat zij hulpbehoevend is.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="4"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0012"><NO.P>12.</NO.P><TXT>Naar Duits recht gaan dienen officieel goedgekeurde uitkeringen te worden verstrekt door het voor sociale bijstand bevoegde orgaan, dat die uitkeringen op voldoende draagkrachtige kinderen van de ontvanger kan verhalen bij wege van vorderingen tot betaling.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0013"><NO.P>13.</NO.P><TXT>Met het oog op verhaal diende het Landratsamt Schwäbisch Hall op <DATE ISO="20151016">16 oktober 2015</DATE> bij de naar Zwitsers recht bevoegde bemiddelingsinstantie (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0025" REF.END="QE0025"/>Schlichtungsbehörde<QUOT.END REF.START="QS0025" CODE="201D" ID="QE0025"/>) van het Friedensrichteramt des Kreises Reiat, Kanton Schaffhausen (vredegerecht van het district Reiat, Kanton Schaffhausen, Zwitserland; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0026" REF.END="QE0026"/>Friedensrichteramt<QUOT.END REF.START="QS0026" CODE="201D" ID="QE0026"/>), jegens Schlömp een bemiddelingsverzoek in. In het bemiddelingsverzoek werd een minimumbedrag van <FT TYPE="NUMBER">5000</FT> EUR gevorderd, onder voorbehoud van de wijziging van het petitum voor zover de door Schlömp verstrekte informatie daartoe aanleiding zou geven.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0014"><NO.P>14.</NO.P><TXT>Omdat de partijen in deze procedure niet tot overeenstemming konden komen, verleende het Friedensrichteramt op <DATE ISO="20160125">25 januari 2016</DATE> machtiging om de zaak aanhangig te maken bij het gerecht, welke machtiging op <DATE ISO="20160126">26 januari 2016</DATE> werd betekend aan de raadsman van het Landratsamt Schwäbisch Hall.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0015"><NO.P>15.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20160511">11 mei 2016</DATE> werd bij het Kantonsgericht Schaffhausen (kantonrechter Schaffhausen, Zwitserland) tegen Schlömp een vordering ingesteld die ertoe strekte deze laatste te doen veroordelen tot betaling van een minimumbedrag aan onderhoud en tot het verstrekken van aanvullende inlichtingen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0016"><NO.P>16.</NO.P><TXT>In de tussentijd, dat wil zeggen na de aanvang van de bemiddelingsprocedure, maar vóór het aanbrengen van de zaak bij het Kantonsgericht Schaffhausen, had Schlömp bij akte van <DATE ISO="20160219">19 februari 2016</DATE>, aanvankelijk ingekomen bij het Amtsgericht (Familiengericht) Schwäbisch Hall (rechter in eerste aanleg Schwäbisch Hall, Duitsland, afdeling familiezaken) op <DATE ISO="20160222">22 februari 2016</DATE>, een vordering ingesteld tot verklaring dat zij niet verplicht was tot nakoming van onderhoudsverplichtingen uit overgedragen rechten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0017"><NO.P>17.</NO.P><TXT>Het Familiengericht Schwäbisch Hall, waarbij de zaak overeenkomstig artikel 3, onder a) en/of b), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0005"><P>Verordening van <DATE ISO="20081218">18 december 2008</DATE> betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="007" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2009">PB 2009, L 7, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> aanhangig was gemaakt, heeft zich bij beslissing van <DATE ISO="20160307">7 maart 2016</DATE> territoriaal onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar het Amtsgericht (Familiengericht) Stuttgart, waarbij deze op <DATE ISO="20160321">21 maart 2016</DATE> is ingekomen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0018"><NO.P>18.</NO.P><TXT>Nadat de vordering op <DATE ISO="20160426">26 april 2016</DATE> aan het Landratsamt Schwäbisch Hall was betekend, heeft dit laatste op <DATE ISO="20160517">17 mei 2016</DATE> geconcludeerd tot afwijzing van die vordering op grond dat de zaak reeds aanhangig was in Zwitserland en bijgevolg niet door het Amtsgericht (Familiengericht) Stuttgart kon worden behandeld. De Duitse rechter diende daarom zijn uitspraak aan te houden op grond van artikel 27, lid 1, van het Lugano II-verdrag.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0019"><NO.P>19.</NO.P><TXT>Schlömp verzet zich tegen een schorsing van de procedure op grond dat de Schlichtungsbehörde geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0027" REF.END="QE0027"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0027" CODE="201D" ID="QE0027"/> in de zin van het Lugano II-verdrag is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0020"><NO.P>20.</NO.P><TXT>In het kader van deze procedure heeft het Amtsgericht Stuttgart bij beschikking van <DATE ISO="20160808">8 augustus 2016</DATE>, ingekomen bij het Hof op <DATE ISO="20160822">22 augustus 2016</DATE>, verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0028" REF.END="QE0028"/>Valt ook een bemiddelingsinstantie naar Zwitsers recht onder het begrip <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0029" REF.END="QE0029"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0029" CODE="2019" ID="QE0029"/> in de zin van de artikelen 27 en 30 van het [Lugano II-verdrag]?<QUOT.END REF.START="QS0028" CODE="201D" ID="QE0028"/></P></QUOT.S></P></NP.ECR><?PAGE NO="5"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0021"><NO.P>21.</NO.P><TXT>De partijen in het hoofdgeding alsmede de Zwitserse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Schlömp, de Zwitserse regering en de Europese Commissie hebben bovendien hun standpunten mondeling toegelicht ter terechtzitting van <DATE ISO="20170705">5 juli 2017</DATE>.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Analyse</P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0022"><NO.P>22.</NO.P><TXT>Met zijn vraag of een Schlichtungsbehörde naar Zwitsers recht onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0030" REF.END="QE0030"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0030" CODE="201D" ID="QE0030"/> in de zin van de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag valt, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of in een geval zoals dat van het hoofdgeding een zaak bij een gerecht is aangebracht in de zin van artikel 27, lid 1, van het Lugano II-verdrag.</TXT></NP.ECR><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Inleiding</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0023"><NO.P>23.</NO.P><TXT>Over de Lugano-regeling is er maar weinig rechtspraak van het Hof<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0006"><P>In advies <REF.DOC.ECR><NO.CASE>1/03</NO.CASE> (<NAME.CASE>Nieuw Verdrag van Lugano</NAME.CASE>) van <DATE ISO="20060207">7 februari 2006</DATE> (<NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:81">EU:C:2006:81</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>) heeft het Hof geoordeeld dat de totstandkoming van het Lugano II-verdrag geheel onder de exclusieve bevoegdheid van de (toenmalige) Europese Gemeenschap viel. In het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20141204">4 december 2014</DATE>, <NAME.CASE>H</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑295/13</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2410">EU:C:2014:2410</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0032">32</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), moest het Hof zich uitspreken over de afbakening van het toepassingsgebied van enerzijds verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van <DATE ISO="20000529">29 mei 2000</DATE> betreffende insolventieprocedures (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="160" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2000">PB 2000, L 160, blz. 1</REF.DOC.OJ>) en anderzijds verordening nr. 44/2001 en het Lugano II-verdrag. Het heeft geoordeeld dat met betrekking tot deze afbakening de laatste twee instrumenten op dezelfde wijze dienen te worden uitgelegd.</P></NOTE>, aangezien het Hof niet bevoegd was voor het verdrag van Lugano van 1988<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0007"><P>Verdrag van <DATE ISO="19880916">16 september 1988</DATE> betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (88/592/EEG) (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="319" PAGE.FIRST="9" DATE.PUB="1988">PB 1988, L 319, blz. 9</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> en er sinds de inwerkingtreding van het Lugano II-verdrag op <DATE ISO="20100101">1 januari 2010</DATE> slechts enkele zaken zijn voorgelegd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0008"><P>Opgemerkt moet worden dat het Lugano II-verdrag voor de Europese Unie, Denemarken (dat een autonome partij is vanwege de uitzonderingsclausule voor burgerlijke zaken) en Noorwegen op die datum in werking is getreden. Voor Zwitserland is het verdrag een jaar later, op <DATE ISO="20110101">1 januari 2011</DATE>, in werking getreden. Om het beeld compleet te maken, is het verdrag voor IJsland op <DATE ISO="20110501">1 mei 2011</DATE> in werking getreden.</P></NOTE> Omdat het Lugano II-verdrag tot doel heeft, de juridische en economische samenwerking te versterken door de beginselen van verordening nr. 44/2001<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0009"><P>Die intussen is vervangen door verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20121212">12 december 2012</DATE> betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="351" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2012">PB 2012, L 351, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> uit te breiden tot de verdragspartijen, moet dit verdrag worden beschouwd tegen de achtergrond van een voortdurende wisselwerking tussen de regeling van Brussel en die van Lugano.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0024"><NO.P>24.</NO.P><TXT>Het Hof heeft dus eerder geoordeeld dat het doel van het Lugano II-verdrag hetzelfde is als dat van verordening nr. 44/2001. De bepalingen ervan zouden dezelfde systematiek volgen, met name door dezelfde bevoegdheidsregels te hanteren, hetgeen de coherentie tussen de twee juridische instrumenten garandeert.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0010"><P>Zie advies <REF.DOC.ECR><NO.CASE>1/03</NO.CASE> (<NAME.CASE>Nieuw Verdrag van Lugano</NAME.CASE>) van <DATE ISO="20060207">7 februari 2006</DATE> (<NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:81">EU:C:2006:81</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0152">152</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Dit blijkt voorts ook uit overweging 4 van het besluit van de Raad van <DATE ISO="20091127">27 november 2009</DATE> inzake de sluiting van het Lugano II-verdrag (2009/430/EG) (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="147" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2009">PB 2009, L 147, blz. 1</REF.DOC.OJ>), waarin staat dat, gezien het parallellisme tussen de in het Executieverdrag en het verdrag van Lugano neergelegde regelingen, de regels van het verdrag van Lugano in overeenstemming moeten worden gebracht met die van verordening nr. 44/2001, teneinde met de betrokken EVA-staten te komen tot een even soepel verkeer van beslissingen.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0025"><NO.P>25.</NO.P><TXT>Aangezien verordening nr. 44/2001 in de plaats is getreden van het Executieverdrag<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0011"><P>Verdrag van <DATE ISO="19680927">27 september 1968</DATE> betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="299" PAGE.FIRST="32" DATE.PUB="1972">PB 1972, L 299, blz. 32</REF.DOC.OJ>), zoals gewijzigd bij achtereenvolgende verdragen inzake de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0031" REF.END="QE0031"/>Executieverdrag<QUOT.END REF.START="QS0031" CODE="201D" ID="QE0031"/>).</P></NOTE>, geldt de door het Hof met betrekking tot de in dit verdrag neergelegde bepalingen verstrekte uitlegging ook voor die van deze verordening telkens wanneer de bepalingen van deze communautaire instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0012"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160616">16 juni 2016</DATE>, <NAME.CASE>Universal Music International Holding</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑12/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:449">EU:C:2016:449</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0022">22</REF.NP.ECR> </REF.DOC.ECR>en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> Hetzelfde geldt voor verordening nr. 44/2001 en voor verordening nr. 1215/2012.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0013"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20161116">16 november 2016</DATE>, <NAME.CASE>Schmidt</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑417/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:881">EU:C:2016:881</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0026">26</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="6"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0026"><NO.P>26.</NO.P><TXT>Naar mijn mening zou dezelfde parallelle uitlegging in beginsel ook moeten gelden tussen de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0032" REF.END="QE0032"/>regeling van Brussel<QUOT.END REF.START="QS0032" CODE="201D" ID="QE0032"/>, dat wil zeggen het Executieverdrag, verordening nr. 44/2001 en verordening nr. 1215/2012, en het Lugano II-verdrag. Ik ben mij ervan bewust dat, in tegenstelling tot de regeling van Brussel, het Lugano II-verdrag niet alleen lidstaten van de Unie omvat. Desondanks zie ik niet in waarom er in beginsel geen parallellen zouden kunnen worden getrokken tussen de overeenkomstige bepalingen van het Lugano II-verdrag en van de verordeningen nr. 44/2001 en nr. 1215/2012, aangezien de ratio en het voorwerp van het Lugano II-verdrag duidelijk overeenkomen met die van de regeling van Brussel.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0014"><P>Bovendien zijn de drie niet-EU-landen die door dit verdrag zijn gebonden, ofwel als leden van de Europese Economische Ruimte (IJsland en Noorwegen) ofwel via uitgebreide bilaterale overeenkomsten (Zwitserland) nauw met de interne markt van de Unie verbonden.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0027"><NO.P>27.</NO.P><TXT>Bovendien wordt in artikel 1 van protocol 2 bij het Lugano II-verdrag, betreffende de eenheid in de uitlegging van dit verdrag en betreffende het permanent comité<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0015"><P><REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="339" PAGE.FIRST="27" DATE.PUB="2007">PB 2007, L 339, blz. 27</REF.DOC.OJ>.</P></NOTE>, bepaald dat elk gerecht bij de toepassing en de uitlegging van dit verdrag naar behoren rekening moet houden met de beginselen vervat in alle relevante beslissingen van de gerechten van de door dit verdrag gebonden staten en van het Hof van Justitie met betrekking tot de desbetreffende bepalingen en/of soortgelijke bepalingen van het verdrag van Lugano van 1988 en de in artikel 64, lid 1, van het Lugano II-verdrag vermelde instrumenten. Artikel 64, lid 1, van het Lugano II-verdrag verwijst naar verordening nr. 44/2001. Hieruit maak ik op dat de betrokken gerechten, waaronder het Hof van Justitie, juridisch verplicht zijn om soortgelijke bepalingen eenvormig uit te leggen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0016"><P>Dit komt ook tot uitdrukking in de laatste overweging van protocol 2, waarin staat dat de Hoge Verdragsluitende Partijen verlangen om verschillen in uitlegging te voorkomen en een zo groot mogelijke eenheid te bereiken in de uitlegging van de bepalingen van het Lugano II-verdrag en van verordening nr. 44/2001 die in hoofdzaak in het Lugano II-verdrag zijn overgenomen.</P></NOTE></TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Toepasselijkheid van het Lugano II-verdrag</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0028"><NO.P>28.</NO.P><TXT>Volgens artikel 64, lid 2, onder b), van het Lugano II-verdrag is dit verdrag in elk geval van toepassing ten aanzien van aanhangigheid of samenhang zoals bedoeld in de artikelen 27 en 28, wanneer procedures zijn aangespannen in een staat waar wel dit verdrag doch geen van de in artikel 64, lid 1, van dit verdrag genoemde instrumenten van toepassing is en in een staat waar zowel dit verdrag als een in artikel 64, lid 1, genoemd instrument van toepassing is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0029"><NO.P>29.</NO.P><TXT>Artikel 64, lid 1, van het Lugano II-verdrag verwijst op zijn beurt naar verordening nr. 44/2001 en naar wijzigingen daarvan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0030"><NO.P>30.</NO.P><TXT>Ten tijde van de opstelling en de daaropvolgende goedkeuring van het Lugano II-verdrag dekte verordening nr. 44/2001 onderhoudsverplichtingen. Het feit dat de daarna goedgekeurde verordening nr. 4/2009<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0017"><P>Ingevolge artikel 3, aanhef onder a), van verordening nr. 4/2009 is in de lidstaten op het gebied van onderhoudsverplichtingen het gerecht bevoegd van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft.</P></NOTE> niet in artikel 64, lid 1, van het Lugano II-verdrag wordt vermeld, is daarom niet van belang.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0018"><P>De verwijzing naar verordening nr. 44/2001 dient daarom aldus te worden begrepen dat zij ook ziet op verordening nr. 4/2009, aangezien in artikel 68, lid 1, van verordening nr. 4/2009 wordt bepaald dat deze verordening verordening nr. 44/2001 wijzigt door de bepalingen inzake onderhoudsverplichtingen van laatstgenoemde verordening te vervangen. Dit komt ook tot uitdrukking in overweging 44 van verordening nr. 4/2009, waarin staat dat verordening nr. 4/2009 verordening nr. 44/2001 dient te wijzigen door in de plaats te treden van de bepalingen daarvan die betrekking hebben op onderhoudsverplichtingen en dat onder voorbehoud van de overgangsbepalingen van verordening nr. 4/2009, de lidstaten vanaf de datum waarop verordening nr. 4/2009 van kracht wordt, op onderhoudsverplichtingen de bepalingen van verordening nr. 4/2009 over bevoegdheid, erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen, en over rechtsbijstand, dienen toe te passen in plaats van die van verordening nr. 44/2001.</P></NOTE></TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="7"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Aanhangigheid</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0031"><NO.P>31.</NO.P><TXT>Zoals uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt, zijn de twee procedures gelijk wat de oorzaak en het onderwerp van de vordering tussen de twee partijen betreft. De oorzaak van de vordering omvat de feiten en de rechtsregel die tot staving van de vordering worden aangevoerd<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0019"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19941206">6 december 1994</DATE>, <NAME.CASE>Tatry</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑406/92</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1994:400">EU:C:1994:400</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Opgemerkt zij dat, anders dan in sommige andere taalversies, de Engelse noch de Duitse taalversie van artikel 27 van het Lugano II-verdrag een onderscheid maakt tussen de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0033" REF.END="QE0033"/>grondslag<QUOT.END REF.START="QS0033" CODE="201D" ID="QE0033"/> en het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0034" REF.END="QE0034"/>onderwerp<QUOT.END REF.START="QS0034" CODE="201D" ID="QE0034"/> van een vordering. In de Engelse taalversie wordt alleen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0035" REF.END="QE0035"/>grondslag<QUOT.END REF.START="QS0035" CODE="201D" ID="QE0035"/> gebruikt, terwijl in de Duitse taalversie <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0036" REF.END="QE0036"/>Anspruch<QUOT.END REF.START="QS0036" CODE="201D" ID="QE0036"/> wordt gebruikt.</P></NOTE>, en onder het onderwerp wordt het doel van de vordering verstaan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0020"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19941206">6 december 1994</DATE>, <NAME.CASE>Tatry</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑406/92</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1994:400">EU:C:1994:400</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Het volstaat dat de vorderingen in wezen hetzelfde onderwerp hebben; de vorderingen hoeven niet formeel identiek te zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0021"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19871208">8 december 1987</DATE>, <NAME.CASE>Gubisch Maschinenfabrik</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑144/86</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1987:528">EU:C:1987:528</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0017">17</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Aan de hand van deze criteria heeft het Hof daarom geoordeeld dat twee vorderingen identiek zijn wanneer de eerste vordering strekt tot uitvoering van een overeenkomst en de tweede vordering strekt tot nietigverklaring of ontbinding van deze overeenkomst; zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19871208">8 december 1987</DATE>, <NAME.CASE>Gubisch Maschinenfabrik</NAME.CASE> ( <NO.CASE>C‑144/86</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1987:528">EU:C:1987:528</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0016">16</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Het Hof heeft ook uitspraak gedaan over een omgekeerd geval, waarin eerst een vordering tot vaststelling van het ontbreken van aansprakelijkheid en vervolgens een vordering tot schadevergoeding werd ingesteld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0022"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19941206">6 december 1994</DATE>, <NAME.CASE>Tatry</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑406/92</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1994:400">EU:C:1994:400</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0043">43</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> In dat verband heeft de tweede vordering hetzelfde onderwerp als de eerste, aangezien de kern van de procedure de vraag betreft, of er al dan niet sprake is van aansprakelijkheid. Het feit dat het hoofdpunt van de vorderingen verschilt, heeft niet tot gevolg dat het gaat om juridische vorderingen met een verschillend onderwerp.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0023"><P>Ibid.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0032"><NO.P>32.</NO.P><TXT>Zowel aan de in Zwitserland ingestelde vordering tot betaling van een geldsom en tot het verstrekken van inlichtingen als aan de in Duitsland ingestelde vordering tot verklaring dat er geen sprake van een verplichting tot onderhoud, ligt namelijk hetzelfde feitencomplex ten grondslag, te weten dezelfde, uit een concrete familierechtelijke betrekking voortvloeiende onderhoudsverhouding, waarbij het gaat om de vraag of en in hoeverre op Schlömp een onderhoudsverplichting rust waarvan krachtens subrogatie de nakoming kan worden gevorderd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0033"><NO.P>33.</NO.P><TXT>Los van het Lugano II-verdrag is naar Zwitsers recht in de onderhavige zaak een gerecht aangezocht en is er dus duidelijk sprake van aanhangigheid. Volgens artikel 62, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt een zaak onder meer aanhangig door indiening van een bemiddelingsverzoek of van een vordering. Artikel 9, lid 2, van het Zwitserse wetboek van internationaal privaatrecht bepaalt voorts dat voor de vaststelling van het tijdstip waarop bij een gerecht in Zwitserland een zaak is aangebracht, bepalend is de datum van de eerste handeling die nodig is voor het inleiden van de procedure, en dat inleiding van de bemiddelingsprocedure voldoende is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0034"><NO.P>34.</NO.P><TXT>Maar hoe zit het met de bepalingen over aanhangigheid uit het Lugano II-verdrag?</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0035"><NO.P>35.</NO.P><TXT>De ratio legis van deze bepalingen is het vermijden van onverenigbare beslissingen afkomstig uit verschillende verdragsluitende staten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0024"><P>Zie Mabillard, R., in Oetiker, Chr., Weibel, Th. (red.), <HT TYPE="ITALIC">Basler Kommentar Lugano-Übereinkommen</HT>, 2e druk, Helbing Lichtenhahn Verlag, Bazel, 2016, Artikel 27, punt 1.</P></NOTE> Hiertoe is in het Lugano II-verdrag een regeling ingevoerd die is gericht op het beperken van het risico van parallelle procedures in verschillende verdragsluitende staten.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="8"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0036"><NO.P>36.</NO.P><TXT>Artikel 27, lid 1, van het Lugano II-verdrag bepaalt dat wanneer voor gerechten van verschillende door dit verdrag gebonden staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat. Artikel 27, lid 2, van het Lugano II-verdrag bepaalt dat wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd verklaart.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0037"><NO.P>37.</NO.P><TXT>Artikel 27 van het Lugano II-verdrag bevat dus een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0037" REF.END="QE0037"/>eerst komt, eerst maalt<QUOT.END REF.START="QS0037" CODE="201D" ID="QE0037"/>-regeling ten gunste van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht. Die bepaling gelast het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aan te houden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0038"><NO.P>38.</NO.P><TXT>De vraag <HT TYPE="ITALIC">op welk tijdstip</HT> een zaak bij het gerecht is aangebracht, komt aan de orde in artikel 30 van het Lugano II-verdrag.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0039"><NO.P>39.</NO.P><TXT>Onder punt 1 van dit artikel wordt bepaald dat op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, de zaak wordt geacht bij een gerecht te zijn aangebracht, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0040"><NO.P>40.</NO.P><TXT>De vorige, in het verdrag van Lugano van 1988 vervatte regeling voor de vaststelling van de aanhangigheid bevatte geen bepaling die vergelijkbaar was met artikel 30 van het Lugano II-verdrag. Een autonome definitie van het tijdstip waarop een zaak werd geacht bij een gerecht aanhangig te zijn, ontbrak. Als gevolg daarvan moest naar nationaal recht worden uitgemaakt op welke datum een zaak werd geacht bij een gerecht te zijn aangebracht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0025"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19840607">7 juni 1984</DATE>, <NAME.CASE>Zelger</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑129/83</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1984:215">EU:C:1984:215</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0015">15</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0041"><NO.P>41.</NO.P><TXT>Het Lugano II-verdrag<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0026"><P>Waarin in dit verband overigens artikel 30 van verordening nr. 44/2001 is overgenomen. Zie over deze bepaling arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20170504">4 mei 2017</DATE>, <NAME.CASE>HanseYachts</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑29/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:343">EU:C:2017:343</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0030">30</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), waarin het Hof oordeelt dat deze bepaling tot doel heeft, de problemen en juridische onzekerheden ten gevolge van de grote verscheidenheid van de in de lidstaten bestaande instrumenten ter bepaling van het tijdstip waarop een gerecht is aangezocht, te beperken door middel van een materiële regel aan de hand waarvan dit tijdstip op eenvoudige en eenvormige wijze kan worden bepaald.</P></NOTE> bevat daarom nu een autonome definitie van het tijdstip waarop een zaak bij een gerecht is aangebracht.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Bemiddelingsprocedure</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0042"><NO.P>42.</NO.P><TXT>In artikel 27 noch in artikel 30 van het Lugano II-verdrag wordt echter aangegeven, hoe moet worden gehandeld wanneer op grond van het nationale recht aan een gerechtelijke procedure een bemiddelingsprocedure moet voorafgaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0043"><NO.P>43.</NO.P><TXT>Ook al lijkt de formulering van die bepalingen (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0038" REF.END="QE0038"/>het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht<QUOT.END REF.START="QS0038" CODE="201D" ID="QE0038"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0039" REF.END="QE0039"/>bij het gerecht wordt ingediend<QUOT.END REF.START="QS0039" CODE="201D" ID="QE0039"/>) duidelijk, toch ben ik van mening dat het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0040" REF.END="QE0040"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0040" CODE="201D" ID="QE0040"/> niet systematisch als uitgangspunt moet worden genomen, maar dat de procedure waarin deze bepalingen voorzien, eerder functioneel moet worden uitgelegd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0044"><NO.P>44.</NO.P><TXT>In een dergelijke situatie kan volgens mij niet worden geoordeeld dat alleen op grond van het nationale recht moet worden vastgesteld of er sprake is van aanhangigheid. Zoals bij de invoering van artikel 30 van het Lugano II-verdrag is vastgesteld, worden de bepalingen over aanhangigheid steeds verder <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0041" REF.END="QE0041"/>geautonomiseerd<QUOT.END REF.START="QS0041" CODE="201D" ID="QE0041"/>. Terugvallen op het nationale recht ter beantwoording van enkele nog openstaande vragen, zou indruisen tegen een dergelijke ontwikkeling.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="9"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0045"><NO.P>45.</NO.P><TXT>Ik denk evenmin dat het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0042" REF.END="QE0042"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0042" CODE="201D" ID="QE0042"/> in de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag formalistisch en statisch mag worden uitgelegd zodat procedures voor autoriteiten die niet als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0043" REF.END="QE0043"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0043" CODE="201D" ID="QE0043"/> in de abstracte zin van het woord kunnen worden aangemerkt, automatisch zouden worden uitgesloten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0046"><NO.P>46.</NO.P><TXT>De oplossing van het probleem ligt mijns inziens in het midden van de twee zojuist beschreven mogelijke uitersten. Er moet worden gekozen voor een functionele uitlegging.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0047"><NO.P>47.</NO.P><TXT>Wanneer, zoals in de onderhavige zaak, een zaak pas bij een gerecht kan worden aangebracht nadat eerst een bemiddelingsprocedure is doorlopen en de bemiddelingsprocedure en de daaropvolgende procedure voor een gerecht als twee afzonderlijke (en aanvullende) delen van de gerechtelijke procedure worden beschouwd, moet worden erkend dat er sprake is van aanhangigheid. Dit is naar mijn mening de enige manier waarop de ratio legis van de bepalingen van het Lugano II-verdrag inzake aanhangigheid, namelijk dat de zaak wordt behandeld door het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, kan worden geëerbiedigd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0048"><NO.P>48.</NO.P><TXT>Om die reden ben ik van mening dat het niet van belang is of een Schlichtungsbehörde op zichzelf een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0044" REF.END="QE0044"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0044" CODE="201D" ID="QE0044"/> in de abstracte zin van het woord is. In een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin deze autoriteit machtiging verleent om de zaak bij een gerecht aanhangig te maken, is essentieel dat de aanhangige procedure onlosmakelijk is verbonden met de procedure voor een (gewoon) gerecht. Dit betekent dus dat het aanbrengen van een zaak bij de Schlichtungsbehörde hetzelfde is als het aanbrengen van een zaak bij een gerecht in de zin van de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0049"><NO.P>49.</NO.P><TXT>In de lijn van de opmerkingen van de Commissie wil ik er echter nog een voorwaarde aan toevoegen: indien bij de Schlichtungsbehörde geen overeenstemming wordt bereikt en deze autoriteit aan de eiser machtiging verleent om de zaak bij een gerecht aanhangig te maken zodat deze hij binnen drie maanden de vordering bij een gerecht kan instellen, is er alleen sprake van aanhangigheid als de eiser alles heeft gedaan wat hij moest doen met het oog op de voortzetting van de procedure voor een gerecht.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0050"><NO.P>50.</NO.P><TXT>Ik wil daar nog aan toevoegen dat in de Zwitserse praktijk en rechtsleer meestal de voorgestelde functionele methode wordt toegepast, waarbij het tijdstip waarop de Schlichtungsbehörde wordt aangezocht, bepalend is in de zin van de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0027"><P>Zie Kren Kostkiewicz, J., <HT TYPE="ITALIC">LugÜ (Kommentar)</HT>, orell füssli Verlag, Zürich, 2015, artikel 30, punt 3; Bucher, A., in Bucher, A. (red.), <HT TYPE="ITALIC">Convention de Lugano</HT>, Bazel, 2011, artikel 30, punt 4; Dasser, F., in Dasser, F., Oberhammer, P. (red.), <HT TYPE="ITALIC">Lugano-Übereinkommen (LugÜ)</HT>, 2e druk, Stämpfli Verlag AG, Bern, 2011, artikel 27, punt 21; Mabillard, R., reeds aangehaald, artikel 30, punt 11. Zie in verband met de functionele tegenhanger in verordening nr. 1215/2012, Fentiman, R., in Magnus, U., Mankowski, P. (red.), <HT TYPE="ITALIC">Brussels I bis Regulation</HT>, Verlag Otto Schmidt, Keulen, 2016, artikel 32, punt 6. De betrokken vraag wordt niet beantwoord door Leible, S., in Rauscher, Th. (red.), <HT TYPE="ITALIC">Brüssel Ia-VO</HT>, 4e druk, Verlag Otto Schmidt, Keulen, 2016, artikel 29, punt 6.</P></NOTE> Bovendien heeft ook de High Court of Justice of England and Wales (Chancery Division) deze methode toegepast in een zaak waarin een Schlichtungsbehörde was betrokken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0028"><P>Arrest van <DATE ISO="20140806">6 augustus 2014</DATE>, Lehman Brothers Finance AG v Klaus Tschira Stiftung GmbH &amp; Anor [2014] EWHC 2782 (Ch).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0051"><NO.P>51.</NO.P><TXT>Kortom een zaak wordt aangebracht bij een gerecht in de zin van de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag wanneer in omstandigheden zoals in aan de orde het hoofdgeding de Schlichtungsbehörde is aangezocht. Met een andere aanpak zou een partij die een procedure wenst in te leiden in een land met een regeling zoals die in de onderhavige zaak systematisch worden benadeeld. Hierdoor zou een probleem kunnen ontstaan met betrekking tot de equality of arms tussen de twee partijen.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="10"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0052"><NO.P>52.</NO.P><TXT>Daarom stel ik voor de vraag van de verwijzende rechterlijke instantie aldus te beantwoorden dat wanneer, zoals in de onderhavige zaak, een zaak pas bij een gerecht kan worden aangebracht nadat een bemiddelingsprocedure is doorlopen en de bemiddelingsprocedure en de daaropvolgende procedure voor een gerecht als twee afzonderlijke delen van de gerechtelijke procedure worden beschouwd, een zaak bij een gerecht is aangebracht in de zin de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag op het moment waarop de bemiddelingsinstantie is aangezocht, mits de eiser alles heeft gedaan wat hij moest doen met het oog op de voortzetting van de procedure voor een gerecht.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Is een Schlichtungsbehörde een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0045" REF.END="QE0045"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0045" CODE="201D" ID="QE0045"/>?</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0053"><NO.P>53.</NO.P><TXT>Bijgevolg hoeft niet te worden onderzocht of, in abstracto, een Schlichtungsbehörde, zoals die waarin het Zwitserse wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorziet, een gerecht is in de zin van de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag. De analyse hieronder is daarom louter hypothetisch.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0054"><NO.P>54.</NO.P><TXT>Terwijl Schlömp van mening is dat de Schlichtungsbehörde geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0046" REF.END="QE0046"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0046" CODE="201D" ID="QE0046"/> in de zin van de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag is, vindt de Zwitserse regering dat dit wel geval is. De Commissie beantwoordt deze vraag niet in abstracto zin aangezien zij haar betoog toespitst op de vraag of er sprake is van aanhangigheid.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0055"><NO.P>55.</NO.P><TXT>In dit stadium moet nader worden ingegaan op de bevoegdheden van de Schlichtungsbehörde en op het soort beslissingen dat deze neemt. Volgens de relevante bepalingen van het Zwitserse wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan een bemiddelingsprocedure op vier manieren worden beëindigd<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0029"><P>Zie de artikelen 208‑212 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.</P></NOTE>: ten eerste heeft overeenstemming tussen de partijen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0030"><P>In de vorm van een schikking, aanvaarding of onvoorwaardelijke intrekking van de vordering; zie artikel 208, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.</P></NOTE> bindende werking.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0031"><P>Zie artikel 208, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.</P></NOTE> Ten tweede maakt de Schlichtungsbehörde, zoals in de onderhavige zaak, melding van het feit dat er geen overeenstemming is bereikt, en verleent zij machtiging om de zaak bij een gerecht aanhangig te maken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0032"><P>Zie artikel 209 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.</P></NOTE> Ten derde geeft de Schlichtungsbehörde voor vorderingen van ten hoogste <FT TYPE="NUMBER">2000</FT> Zwitserse frank (CHF) een bindende beslissing in eerste aanleg.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0033"><P>Zie artikel 212, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.</P></NOTE> En ten vierde doet de Schlichtungsbehörde voor vorderingen van ten hoogste <FT TYPE="NUMBER">5000</FT> CHF (dit is voor zaken zoals de onderhavige) aan de partijen een voorstel voor een beslissing, die bindende werking krijgt wanneer de partijen niet binnen 20 dagen daartegen opkomen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0056"><NO.P>56.</NO.P><TXT>Zonder dat een abstracte definitie van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0047" REF.END="QE0047"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0047" CODE="201D" ID="QE0047"/> in de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag hoeft te worden gegeven, kan mijns inziens moeilijk worden ontkend dat een autoriteit zoals de Schlichtungsbehörde als zodanig kan worden aangemerkt, om de eenvoudige reden dat een dergelijke autoriteit, die volledig wordt beheerst door het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, bindende beslissingen geeft.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0034"><P>Met name in de eerste en de derde in het vorige punt zijn beschreven situatie, dat wil zeggen (1) wanneer overeenstemming wordt bereikt: schikking, aanvaarding of onvoorwaardelijke intrekking van de vordering, die volgens artikel 208, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bindend zijn, of (2) bij vorderingen van ten hoogste <FT TYPE="NUMBER">2000</FT> CHF.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0057"><NO.P>57.</NO.P><TXT>Het Lugano II-verdrag bevat geen positieve definitie van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0048" REF.END="QE0048"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0048" CODE="201D" ID="QE0048"/>, mijns inziens omdat het nagenoeg onmogelijk is om daarvoor een bondige wetstekst op te stellen. Verordening nr. 44/2001 en verordening nr. 1215/2012 bevatten evenmin een dergelijke definitie.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0058"><NO.P>58.</NO.P><TXT>Het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0049" REF.END="QE0049"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0049" CODE="201D" ID="QE0049"/> in het Lugano II-verdrag wijkt echter af van dat in verordening nr. 44/2001 en in verordening nr. 1215/2012, aangezien dit verdrag een artikel bevat dat geen equivalent heeft in de laatste twee genoemde instrumenten: artikel 62 van het Lugano II-verdrag bepaalt dat het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0050" REF.END="QE0050"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0050" CODE="201D" ID="QE0050"/> alle autoriteiten omvat die door een door dit verdrag gebonden staat bevoegd zijn verklaard<?PAGE NO="11"?> om uitspraak te doen over zaken die onder het toepassingsgebied van dit verdrag vallen. Volgens het toelichtend rapport van professor Pocar bij het Lugano II-verdrag<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0035"><P>Uiteraard is dit rapport een toelichting en juridisch niet bindend. Het Hof heeft echter naar dit rapport verwezen ter motivering van een aantal beslissingen; zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20150521">21 mei 2015</DATE>, <NAME.CASE>El Majdoub</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑322/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:334">EU:C:2015:334</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0034">34</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); ook de advocaten-generaal hebben naar dit rapport verwezen, zie bijvoorbeeld conclusie van advocaat-generaal N. Jääskinen in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>CDC Hydrogen Peroxide</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑352/13</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2443">EU:C:2014:2443</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, voetnoot 115).</P></NOTE> kent de formulering van artikel 62 van het Lugano II-verdrag een ruimere betekenis toe aan het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0051" REF.END="QE0051"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0051" CODE="201D" ID="QE0051"/> dan de overeenkomstige bepaling van het verdrag van Lugano van 1988.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0036"><P>Zie toelichtend rapport door professor Pocar bij het op <DATE ISO="20071030">30 oktober 2007</DATE> te Lugano ondertekende verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="319" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2009">PB 2009, C 319, blz. 1</REF.DOC.OJ>, punt 175).</P></NOTE> In feite had artikel V bis van protocol nr. 1<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0037"><P>Betreffende enkele onderwerpen van bevoegdheid, wijze van procederen en tenuitvoerlegging.</P></NOTE> bij het verdrag van Lugano van 1988 de Deense, IJslandse en Noorse administratieve autoriteiten uitdrukkelijk onder de termen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0052" REF.END="QE0052"/>rechter<QUOT.END REF.START="QS0052" CODE="201D" ID="QE0052"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0053" REF.END="QE0053"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0053" CODE="201D" ID="QE0053"/> begrepen. Zoals in het toelichtende rapport van professor Pocar over het Lugano II-verdrag wordt verklaard, heeft <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0054" REF.END="QE0054"/>[a]nders dan de specifieke bepaling [van] artikel V bis van protocol nr. 1 – en de parallelle bepaling artikel 62 van de verordening Brussel I […] – […] het nieuwe artikel 62 een algemeen karakter, en kan het nog andere administratieve autoriteiten bestrijken dan die welke thans in de verdragsstaten bestaan<QUOT.END REF.START="QS0054" CODE="201D" ID="QE0054"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0038"><P>Zie toelichtend rapport van professor Pocar, reeds aangehaald.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0059"><NO.P>59.</NO.P><TXT>Bijgevolg worden thans, onder vigeur van het Lugano II-verdrag, de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0055" REF.END="QE0055"/>gerechten<QUOT.END REF.START="QS0055" CODE="201D" ID="QE0055"/> die het verdrag moeten toepassen, bepaald door de functie die zij vervullen, en niet door de formele indeling ervan in het nationale recht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0039"><P>Ibid.</P></NOTE> Hoewel ik de indruk heb dat de ratio legis van artikel 62 van het Lugano II-verdrag is dat het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0056" REF.END="QE0056"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0056" CODE="201D" ID="QE0056"/> ook organen omvat die in sommige staten volledig buiten het gerechtelijk apparaat vallen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0040"><P>En die niet, zoals een Schlichtungsbehörde, op een of andere wijze in het gerechtelijk apparaat zijn geïntegreerd.</P></NOTE>, kan niet worden ontkend dat deze bepaling was bedoeld om ruim te worden uitgelegd, en dat lidstaten autoriteiten bevoegd kunnen verklaren om uitspraak te doen over zaken die onder het toepassingsgebied van het Lugano II-verdrag vallen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0041"><P>Daardoor is het niet onmogelijk dat een autoriteit die volgens de regeling van Brussel niet als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0057" REF.END="QE0057"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0057" CODE="201D" ID="QE0057"/> wordt aangemerkt, volgens het Lugano II-verdrag wel als zodanig wordt aangemerkt. Zie over het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0058" REF.END="QE0058"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0058" CODE="201D" ID="QE0058"/> in de zin van verordening nr. 1215/2012, arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20170309">9 maart 2017</DATE>, <NAME.CASE>Pula Parking</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑551/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:193">EU:C:2017:193</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>), en conclusie van advocaat-generaal M. Bobek in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Pula Parking</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑551/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:825">EU:C:2016:825</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0068">68</REF.NP.ECR> </REF.DOC.ECR>e.v.).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0060"><NO.P>60.</NO.P><TXT>Mitsdien ben ik van mening dat een autoriteit waaraan de bevoegdheden van een Schlichtungsbehörde zijn toegekend en die door een lidstaat is aangewezen om gerechtelijke taken te verrichten, een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0059" REF.END="QE0059"/>gerecht<QUOT.END REF.START="QS0059" CODE="201D" ID="QE0059"/> in de zin van de artikelen 27 en 30 van het Lugano II-verdrag is.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Conclusie</P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0061"><NO.P>61.</NO.P><TXT>Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Amtsgericht Stuttgart te beantwoorden als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0060" REF.END="QE0060"/>Wanneer in een situatie zoals die in het hoofdgeding een zaak pas bij een gerecht kan worden aangebracht nadat een bemiddelingsprocedure is doorlopen en de bemiddelingsprocedure en de daaropvolgende procedure voor een gerecht als twee afzonderlijke delen van de gerechtelijke procedure worden beschouwd, is een zaak bij een gerecht aangebracht in de zin van de artikelen 27 en 30 van het van het op <DATE ISO="20071030">30 oktober 2007</DATE> ondertekende verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van <DATE ISO="20081127">27 november 2008</DATE>, op het moment waarop de bemiddelingsinstantie is aangezocht, mits de eiser alles heeft gedaan wat hij moest doen om de procedure voort te zetten bij een gerecht.<QUOT.END REF.START="QS0060" CODE="201D" ID="QE0060"/></P></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>