<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.00-20081231.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="ECRCJ2000NLA.0600474701.case.xml"><NO.CASE>C-65/98</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61998C0065</NO.CELEX><NO.SEQ>0021.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>4749</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>4764</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>16</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><LEFT>CONCLUSIE VAN ADV.-GEN. LA PERGOLA — ZAAK C-65/98</LEFT><RIGHT>EYÜP</RIGHT></CURR.TITLE><CONTENTS.CONCLUSION><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">A. La Pergola</HT></P><P>van <DATE ISO="19991118">18 november 1999</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING="STAR"><P>Oorspronkelijke taal: Italiaans.</P></NOTE></P></TI></TITLE><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>In deze zaak vraagt het Verwaltungsgerichtshof Wenen om uitlegging van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van <DATE ISO="19800919">19 september 1980</DATE> betreffende de ontwikkeling van de associatie (hierna respectievelijk <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>besluit<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/> en <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>Associatieraad<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>)<NOTE NOTE.ID="E0002" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Het besluit is niet gepubliceerd.</P></NOTE>, dat gaat over het recht van gezinsleden van Turkse werknemers op het verrichten van arbeid.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>I —</NO.P><TXT>Relevant gemeenschapsrecht</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>De Associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije (hierna: <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>Associatieovereenkomst<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>)<NOTE NOTE.ID="E0003" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, ondertekend te Ankara op <DATE ISO="19630912">12 september 1963</DATE> en namens de Gemeenschap gesloten bij besluit 64/732/EEG van de Raad van <DATE ISO="19631223">23 december 1963</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="P" NO.OJ="217" DATE.PUB="1964" PAGE.FIRST="3685">PB 1964, 217, blz. 3685</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> heeft ten <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>doel de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de partijen te bevorderen, met volledige inachtneming van de noodzaak de versnelde ontwikkeling van de economie van Turkije en de verruiming van de werkgelegenheid en de verbetering der levensomstandigheden van het Turkse volk te verzekeren<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/> (artikel 2, lid 1).</TXT><P>In artikel 12 van de Associatieovereenkomst komen partijen overeen <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>zich te laten leiden door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap [thans, na wijziging van de eerste twee, respectievelijk artikel 39 EG, 40 EG en 41 EG] teneinde onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/>.</P><P>Volgens artikel 36 van het aanvullend protocol bij de Associatieovereenkomst, van <DATE ISO="19701123">23 november 1970</DATE><NOTE NOTE.ID="E0004" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P><REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="293" DATE.PUB="1972" PAGE.FIRST="4">PB 1972, L 293, blz 4</REF.DOC.OJ>.</P></NOTE>, stelt de Associatieraad de nodige regels vast voor de geleidelijke totstandbrenging van het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije, overeenkomstig de in artikel 12 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginselen.</P></NP><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>Op basis van deze bepaling heeft de Associatieraad het besluit vastgesteld, dat op <DATE ISO="19800701">1 juli 1980</DATE> in werking is getreden. Op grond van artikel 7, eerste alinea, van het<?PAGE NO="I-4750"?> besluit, de bepaling waar het hier om gaat, hebben</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:</P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>(...) het recht om — onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang — te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste 3 jaar aldaar legaal wonen;</P></ITEM><ITEM><P>(...) vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste 5 jaar aldaar legaal wonen<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/>.</P></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>II —</NO.P><TXT>De feiten</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19830923">23 september 1983</DATE> trad mevrouw Eyüp, van Turkse nationaliteit, te Lauterach (Oostenrijk) in het huwelijk met een landgenoot die tot de legale arbeidsmarkt van Oostenrijk behoorde; hierdoor verkreeg zij een verblijfsvergunning voor die lidstaat. Bij vonnis van een Turkse rechter van <DATE ISO="19851113">13 november 1985</DATE> werd de echtscheiding uitgesproken. Niettemin bleven de heer en mevrouw Eyüp als man en vrouw samenwonen en behielden zij dezelfde woonplaats in Oostenrijk. Van hun zeven kinderen zijn er vier geboren in de periode waarin de heer en mevrouw Eyüp ongehuwd samenwoonden. Deze periode duurde voort tot <DATE ISO="19930507">7 mei 1993</DATE>, toen mevrouw Eyüp in Egg (eveneens Oostenrijk ) opnieuw met haar ex-man in het huwelijk trad. Bij dit tweede huwelijk erkende de heer Eyüp de kinderen (wettiging door navolgend huwelijk).</TXT></NP><NP><NO.P>5.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19970423">23 april 1997</DATE> verzocht mevrouw Eyüp, appellante in het hoofdgeding, de Oostenrijkse instanties om afgifte van een attest, dat zij voldeed aan de voorwaarden van artikel 7, eerste alinea, <HT TYPE="ITALIC">tweede streepje,</HT> van het besluit. Dit verzoek werd bij beschikking van <DATE ISO="19970924">24 september 1997</DATE> afgewezen om diverse redenen: Niet zou zijn voldaan aan de minimumverblijfsduur die het besluit voor verkrijging van het betrokken recht verlangt; een <QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201E"/>concubine<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="201D"/> was noch een <QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201E"/>echtgenoot<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="201D"/> noch een <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>gezinslid<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/> van een Turks werknemer; met het tijdvak van meer dan zeven jaar tussen de echtscheiding en het tweede huwelijk kon dus geen rekening worden gehouden; de echtscheiding had een einde gemaakt aan het tijdvak van verblijf van omstreeks twee jaar, dat tijdens het eerste huwelijk was opgebouwd, met het gevolg dat dit niet kon worden samengeteld met het tweede tijdvak (van ongeveer vier jaar) dat sinds de voltrekking van het tweede huwelijk was opgebouwd.</TXT></NP><NP><NO.P>6.</NO.P><TXT>In haar beroep tegen de afwijzende beschikking heeft mevrouw Eyüp het Verwaltungsgerichtshof ook verzocht om bij voorlopige voorziening te verklaren, dat zij<?PAGE NO="I-4751"?> tot aan de definitieve beslissing gerechtigd is arbeid te verrichten.</TXT></NP><NP><NO.P>7.</NO.P><TXT>Na de inleiding van de onderhavige procedure heeft mevrouw Eyüp op <DATE ISO="19981105">5 november 1998</DATE> de in artikel 7, eerste alinea, <HT TYPE="ITALIC">tweede streepje,</HT> van het besluit bedoelde arbeidsvergunning verkregen, nadat zij na de tweede huwelijkssluiting meer dan vijf jaar legaal met haar echtgenoot in Oostenrijk had gewoond.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>III —</NO.P><TXT>De prejudiciële vragen</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>8.</NO.P><TXT>De verwijzende rechter legt het Hof de volgende vragen voor:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201E"/>1)</NO.P><TXT>Moet het begrip gezinsleden in artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van <DATE ISO="19800919">19 september 1980</DATE> betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, aldus worden uitgelegd, dat ook de concubant (in een op een huwelijk gelijkende gemeenschap zonder formele huwelijksband) van een Turkse werknemer aan die feitelijke voorwaarden voldoet?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Indien een concubant niet als gezinslid is te beschouwen:</TXT><P>Moet artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd, dat om te voldoen aan de feitelijke voorwaarden, tussen de Turkse werknemer en het gezinslid gedurende vijf jaar ononderbroken de formele huwelijksband moet bestaan, of is het ook toelaatbaar, dat een periode waarin een bestendige formele huwelijksband met dezelfde huwelijkspartner bestond, is onderbroken door een periode van meerdere jaren ongehuwd samenwonen?</P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>Moet artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd, dat de formele ontbinding van het huwelijk met de Turkse werknemer (bijvoorbeeld door echtscheiding) de tot dan toe vervulde tijdvakken als gezinslid doet vervallen?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>4)</NO.P><TXT>Verlangt het gemeenschapsrecht, dat de uit de artikelen 6 en 7 van besluit nr. 1/80 in een lidstaat (met rechtstreekse werking) voortvloeiende rechten van de daarin omschreven groep personen in een concreet geval door verlening van voorlopige rechtsbescherming in de vorm van positieve (constitutieve) voorlopige maatregelen veilig worden gesteld?</TXT></NP></ITEM><?PAGE NO="I-4752"?><ITEM><NP><NO.P>5)</NO.P><TXT>Ingeval vraag 4 bevestigend wordt beantwoord:</TXT><P>Zijn op het gemeenschapsrecht gebaseerde positieve (constitutieve) voorlopige maatregelen, waarbij in het concrete geval (van een verzoeker die zich op rechten krachtens de artikelen 6 en 7 van besluit nr. 1/80 beroept) het bestaan van het gevorderde vrije verkeer op grond van de associatie, voor de duur van de procedure voor de bevoegde administratieve autoriteiten, de procedure voor de rechterlijke instantie die het besluit van deze autoriteiten controleert, of de prejudiciële procedure voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, in afwachting van de definitieve rechtsbescherming voorlopig wordt vastgesteld, noodzakelijk ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade, en is het als een dergelijke schade te beschouwen wanneer een bindende beslissing over het bestaan van de feitelijke voorwaarden voor het vrije verkeer op grond van de associatie in het concrete geval niet onmiddellijk, maar pas op een later tijdstip wordt gegeven?<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="201D"/></P></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>IV —</NO.P><TXT>Juridische beoordeling</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>9.</NO.P><TXT>Allereerst een opmerking vooraf, die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: <QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201E"/>Commissie<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="201D"/>) is opgeworpen en die tot de conclusie zou kunnen leiden dat de vragen irrelevant zijn: Op de datum waarop het prejudiciële verzoek werd gedaan, woonde mevrouw Eyüp hoe dan ook al meer dan drie jaar samen met haar echtgenoot. Zij voldeed dus aan de tijdvoorwaarde van artikel 7, eerste alinea, <HT TYPE="ITALIC">eerste streepje,</HT> zodat zij hoe dan ook aanspraak had op het door haar gevorderde recht, los van de vragen van de verwijzende rechter. Uit het dossier blijkt echter dat mevrouw Eyüp afgifte vorderde van een attest, dat zij een <QUOT.START ID="QS0012" REF.END="QE0012" CODE="201E"/>onbeperkt<QUOT.END ID="QE0012" REF.START="QS0012" CODE="201D"/> recht had op toegang tot iedere arbeid in loondienst van haar keuze, in de zin van het <HT TYPE="ITALIC">tweede streepje</HT> van die bepaling. Zij wenste dus niet slechts om — onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang — <HT TYPE="ITALIC">te kunnen reageren</HT> op een arbeidsaanbod, in de zin van het <HT TYPE="ITALIC">eerste streepje</HT> van artikel 7, eerste alinea. Daarin ligt de relevantie van de prejudiciële vragen, die ik nu zal behandelen.</TXT></NP><NP><NO.P>10.</NO.P><TXT>De Commissie heeft in een andere opmerking vooraf haar twijfel geuit aan de relevantie van de eerste drie prejudiciële vragen, gezien het feit dat tussen de datum van de voltrekking van het tweede huwelijk en die waarop het verzoek van het Verwaltungsgerichtshof om een prejudiciële beslissing ter griffie van het Hof is binnengekomen, reeds bijna vijf jaar waren verlopen, dat wil zeggen de minimumperiode van artikel 7, eerste alinea, <HT TYPE="ITALIC">tweede streepje.</HT> De facto zou Eyüp het recht op een arbeidsvergunning reeds hebben verworven, en ter terechtzitting is inderdaad naar voren gekomen dat zij enkele maanden nadat deze zaak ter griffie van het Hof was ingeschreven, de verwachte arbeidsvergunning inderdaad heeft gekregen. Zoals de Oostenrijkse regering echter terecht stelt, kan een antwoord op de eerste drie vragen<?PAGE NO="I-4753"?> desondanks van nut zijn met het oog op mogelijke schadevergoedingsacties van Eyüp tegen de Oostenrijkse instanties.<NOTE NOTE.ID="E0005" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Gelet op de opmerkingen van Eyüp met betrekking tot de strafrechtelijke repercussies voor degene die een Turks onderdaan zonder arbeidsvergunning werk aanbiedt (zie hieronder in punt 36), kan een antwoord op de eerste drie vragen mijns inziens bovendien beslissend zijn in het kader van eventuele strafvervolgingen tegen degenen die Eyüp tussen april 1997 (datum van verzoek om afgifte van een arbeidsvergunning) en juni 1999 (datum van afgifte daarvan) in dienst hebben gehad.</P></NOTE></TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>De eerste vraag</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>11.</NO.P><TXT>Met de eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen of onder <QUOT.START ID="QS0013" REF.END="QE0013" CODE="201E"/>gezinsleden<QUOT.END ID="QE0013" REF.START="QS0013" CODE="201D"/> in de zin van artikel 7, eerste alinea, van het besluit ook de levensgezel valt die met een Turkse werknemer samenleeft als ware hij met deze gehuwd. Zou dit zo zijn, dan zou dit voor de berekening van de tijdvoorwaarden van die bepaling neerkomen op een gelijkstelling van de levensgezel met degene met wie de Turkse werknemer door een werkelijke huwelijksband is verbonden. In casu zou dan rekening kunnen worden gehouden met de <HT TYPE="ITALIC">gehele</HT> periode — van 1983 (jaar van eerste huwelijksvoltrekking) tot 1997 (jaar van aanvraag van de arbeidsvergunning) — waarin de heer en mevrouw Eyüp hebben samengeleefd.</TXT></NP><NP><NO.P>12.</NO.P><TXT>Zoals de Oostenrijkse, de Britse en de Duitse regering en de Commissie hebben beklemtoond, moet voor de uitlegging van artikel 7, eerste alinea, van het besluit in beginsel rekening worden gehouden met de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers. Dit wordt met zoveel woorden bepaald in artikel 12 van de Associatieovereenkomst, waarnaar het Hof meermaals heeft verwezen bij de uitlegging van de sociale bepalingen van het besluit, waaronder de bepaling waarop de eerste drie vragen betrekking hebben.<NOTE NOTE.ID="E0006" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie arresten van <DATE ISO="19950606">6 juni 1995</DATE>, Bozkurt (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-434/93" YEAR="1995" PAGE.ECR="I-1475">C-434/93, Jurispr. blz. I-1475, punten 19 en 20</REF.DOC.ECR>); <DATE ISO="19970123">23 januari 1997</DATE>, Tetik (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-171/95" YEAR="1997" PAGE.ECR="I-329">C-171/95, Jurispr. blz. I-329, punt 20</REF.DOC.ECR>) en <DATE ISO="19970417">17 april 1997</DATE>, Kadiman (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-351/95" YEAR="1997" PAGE.ECR="I-2133">C-351/95, Jurispr. blz. I-2133, punt 30</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Uiteraard is ook de secundaire regelgeving van belang die ter uitvoering van de relevante verdragsbepalingen is vastgesteld, dat wil zeggen verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van <DATE ISO="19681015">15 oktober 1968</DATE> betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (hierna: <QUOT.START ID="QS0014" REF.END="QE0014" CODE="201E"/>verordening<QUOT.END ID="QE0014" REF.START="QS0014" CODE="201D"/>).<NOTE NOTE.ID="E0007" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P><REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="257" DATE.PUB="1968" PAGE.FIRST="2">PB L 257, blz. 2</REF.DOC.OJ>.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>13.</NO.P><TXT>Artikel 10 van de verordening noemt als een van de gezinsleden van de migrerende werknemer die het recht hebben om zich met hem in de ontvangende lidstaat te vestigen, de <QUOT.START ID="QS0015" REF.END="QE0015" CODE="201E"/>echtgenoot<QUOT.END ID="QE0015" REF.START="QS0015" CODE="201D"/> (artikel 10, lid 1, sub a). In het arrest Reed<NOTE NOTE.ID="E0008" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19860417">17 april 1986</DATE> (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="59/85" YEAR="1986" PAGE.ECR="1283">59/85, Jurispr. blz. 1283</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> van 1986 preciseerde het Hof, dat <QUOT.START ID="QS0016" REF.END="QE0016" CODE="201E"/><HT TYPE="ITALIC">bij gebreke van enige aanwijzing omtrent een algemene maatschappelijke ontwikkeling</HT> [in de lidstaten] die een extensieve interpretatie zou rechtvaardigen, en bij gebreke van enige tegengestelde aanwijzing in de verordening, moet worden vastgesteld dat het woord <QUOT.START ID="QS0017" REF.END="QE0017" CODE="201A"/>echtgenoot<QUOT.END ID="QE0017" REF.START="QS0017" CODE="2019"/> in artikel 10 van de verordening<?PAGE NO="I-4754"?> enkel doelt op een op het huwelijk gebaseerde relatie<QUOT.END ID="QE0016" REF.START="QS0016" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0009" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Punt 15 (cursivering van mij). In de zaak Reed deed het Hof uitspraak over het begrip <QUOT.START ID="QS0018" REF.END="QE0018" CODE="201E"/>echtgenoot<QUOT.END ID="QE0018" REF.START="QS0018" CODE="201D"/> in de zin van artikel 10 van de verordening, dat wil zeggen in verband met de verblijfsrechten van de gezinsleden van een migrerende werknemer. In de onderhavige zaak zijn wij echter geïnteresseerd in hun recht om in de ontvangende lidstaat te werken. Dit onderscheid staat mijns inziens echter niet aan een analoge oplossing in de weg. Want de verordening bevat een tweede bepaling, die een aanvulling vormt op artikel 10 en analoog is aan artikel 7 van het besluit; dit is artikel 11. Dit voorziet in een recht voor de gezinsleden van een migrerende werknemer om in de ontvangende lidstaat arbeid in loondienst te verrichten, en noemt onder de gezinsleden met zoveel woorden de <QUOT.START ID="QS0019" REF.END="QE0019" CODE="201E"/>echtgenoot<QUOT.END ID="QE0019" REF.START="QS0019" CODE="201D"/> (zie verder punt 17).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>14.</NO.P><TXT>Gelet op het huidige ontwikkelingsstadium van het gemeenschapsrecht betreffende het vrije verkeer van communautaire werknemers hebben de regeringen die opmerkingen hebben gemaakt en de Commissie geconcludeerd, dat onder <QUOT.START ID="QS0020" REF.END="QE0020" CODE="201E"/>gezinslid<QUOT.END ID="QE0020" REF.START="QS0020" CODE="201D"/> in de zin van artikel 7, eerste alinea, van het besluit enkel de echtgenoot van de Turkse werknemer valt, dat wil zeggen degene met wie. deze door huwelijk is verbonden.</TXT></NP><NP><NO.P>15.</NO.P><TXT>Eyüp heeft eerlijk gezegd niets concreets gesteld over een algemene maatschappelijke ontwikkeling binnen de Gemeenschap die steun zou kunnen bieden aan een ruimere uitlegging van het begrip <QUOT.START ID="QS0021" REF.END="QE0021" CODE="201E"/>gezinslid<QUOT.END ID="QE0021" REF.START="QS0021" CODE="201D"/> en dus van het begrip <QUOT.START ID="QS0022" REF.END="QE0022" CODE="201E"/>echtgenoot<QUOT.END ID="QE0022" REF.START="QS0022" CODE="201D"/> dan die het Hof in de zaak Reed heeft gegeven. Zij stelt echter voor om artikel 7, eerste alinea, <QUOT.START ID="QS0023" REF.END="QE0023" CODE="201E"/>evolutief<QUOT.END ID="QE0023" REF.START="QS0023" CODE="201D"/> te lezen, in die zin dat het gezin van de migrerende Turkse werknemer ook de levensgezel omvat met wie hij ongehuwd samenleeft. Eyüp heeft in het bijzonder gewezen op het feit, dat er sinds de vaststelling van de verordening en de uitspraak in de zaak Reed een aantal jaren is verstreken. Bovendien heeft zij een beroep gedaan op artikel 8, lid 1, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat op <DATE ISO="19501104">4 november 1950</DATE> in Rome is ondertekend (hierna: <QUOT.START ID="QS0024" REF.END="QE0024" CODE="201E"/>EVRM<QUOT.END ID="QE0024" REF.START="QS0024" CODE="201D"/>): <QUOT.START ID="QS0025" REF.END="QE0025" CODE="201E"/>eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling<QUOT.END ID="QE0025" REF.START="QS0025" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>16.</NO.P><TXT>Dat het EVRM kan worden ingeroepen als hulpmiddel bij de uitlegging van artikel 7, eerste alinea van het besluit, is in de rechtspraak van het Hof bevestigd. Bij een analyse van artikel 10, lid 3, van de verordening<NOTE NOTE.ID="E0010" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Bepalende: <QUOT.START ID="QS0026" REF.END="QE0026" CODE="201E"/>Voor de toepassing van de leden 1 en 2 moet de werknemer de beschikking hebben over een woning voor zijn familie, die in het gebied waar hij werkt voor de nationale werknemers als normaal wordt beschouwd (...).<QUOT.END ID="QE0026" REF.START="QS0026" CODE="201D"/></P></NOTE>, dat nauw aansluit bij lid 1 van die bepaling<NOTE NOTE.ID="E0011" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zoals ik reeds opmerkte, moet artikel 10, zoals overigens alle andere bepalingen van de verordening, als inspiratie dienen voor de uitlegging van de sociale bepalingen van het besluit [zie artikell 2 van de associatieovereenkomst (besproken in punt 12 van deze conclusie) en de in voetnoot 5 vermelde rechtspraak],</P></NOTE>, overwoog het voltallige Hof dat <QUOT.START ID="QS0027" REF.END="QE0027" CODE="201E"/>verordening nr. 1612/68 [moet] worden uitgelegd met inachtneming van het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden genoemde recht op eerbiediging van het gezinsleven<QUOT.END ID="QE0027" REF.START="QS0027" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0012" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19890518">18 mei 1989</DATE>, Commissie/Duitsland, (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="249/86" YEAR="1989" PAGE.ECR="1263">249/86, Jurispr. blz. 1263, punt 10</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Het hiermee aangegeven uitleggingscriterium ligt in de lijn van de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke <QUOT.START ID="QS0028" REF.END="QE0028" CODE="201E"/>de fundamentele rechten tot de algemene rechtsbeginselen<?PAGE NO="I-4755"?> [behoren] welker eerbiediging het Hof verzekert<QUOT.END ID="QE0028" REF.START="QS0028" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0013" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Advies <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="2/94" YEAR="1996" PAGE.ECR="I-1759">2/94 van <DATE ISO="19960328">28 maart 1996</DATE> (Jurispr. blz. I-1759, punt 33)</REF.DOC.ECR>. Zie van de talrijke uitspraken van het Hof, bijvoorbeeld de arresten van <DATE ISO="19791213">13 december 1979</DATE>, Hauer (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="44/79" YEAR="1979" PAGE.ECR="3727">44/79, Jurispr. blz. 3727, punt 17</REF.DOC.ECR>); <DATE ISO="19840710">10 juli 1984</DATE>, Kirk (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="63/83" YEAR="1984" PAGE.ECR="2689">63/83, Jurispr. blz. 2689, punt 22</REF.DOC.ECR>); <DATE ISO="19941005">5 oktober 1994</DATE>, XI Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-404/92 P" YEAR="1994" PAGE.ECR="I-4737">C-404/92 P, Jurispr. blz. I-4737, punt 17</REF.DOC.ECR>); <DATE ISO="19951215">15 december 1995</DATE>, Bosman (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-415/93" YEAR="1995" PAGE.ECR="I-4921">C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 79</REF.DOC.ECR>); <DATE ISO="19990708">8 juli 1999</DATE>, HUls/Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-199/92 P" YEAR="1999" PAGE.ECR="I-4287">C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punten 149 en 150</REF.DOC.ECR>) en <DATE ISO="19990708">8 juli 1999</DATE>, Montecatini/Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-235/92 P" YEAR="1999" PAGE.ECR="I-4539">C-235/92 P, Jurispr. blz. I-4539, punt 37</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> In die context preciseerde het Hof, dat aan het EVRM in dit opzicht bijzondere betekenis toekomt.<NOTE NOTE.ID="E0014" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Advies 2/94, punt 33.</P></NOTE> In de ogen van het Hof is de eerbiediging van de mensenrechten zo belangrijk, dat het een <HT TYPE="ITALIC">voorwaarde is voor de wettigheid van gemeenschapshandelingen.</HT><NOTE NOTE.ID="E0015" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Advies 2/94, punt 34.</P></NOTE> Deze gedachte is weer overgenomen in de preambule van de Europese Akte en in artikel F, lid 2, EU-Verdrag (thans artikel 6, lid 2, EU-Verdrag) volgens hetwelk <QUOT.START ID="QS0029" REF.END="QE0029" CODE="201E"/>de Unie (...) de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het (...) Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (...) als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht <HT TYPE="ITALIC">[eerbiedigt]</HT><QUOT.END ID="QE0029" REF.START="QS0029" CODE="201D"/> (cursivering van mij).</TXT></NP><NP><NO.P>17.</NO.P><TXT>Tegenover Eyüps beroep op het EVRM voert de regering van het Verenigd Koninkrijk aan, dat dat verdrag zich bezighoudt met <QUOT.START ID="QS0030" REF.END="QE0030" CODE="201E"/>burger<QUOT.END ID="QE0030" REF.START="QS0030" CODE="201D"/>rechten, terwijl artikel 7, eerste alinea, van het besluit gaat over een recht van <QUOT.START ID="QS0031" REF.END="QE0031" CODE="201E"/>economische<QUOT.END ID="QE0031" REF.START="QS0031" CODE="201D"/> aard. Zelfs indien deze opmerking juist is, kan zij niet leiden tot verwerping van de stelling van verzoekster. Immers, dit <QUOT.START ID="QS0032" REF.END="QE0032" CODE="201E"/>economische<QUOT.END ID="QE0032" REF.START="QS0032" CODE="201D"/> recht verschaft een <QUOT.START ID="QS0033" REF.END="QE0033" CODE="201E"/><HT TYPE="ITALIC">toegevoegde waarde</HT><QUOT.END ID="QE0033" REF.START="QS0033" CODE="201D"/> aan de civiele en sociale bescherming van het in artikel 8 EVRM bedoelde gezin. Volgens het Hof in het arrest Kadiman wil artikel 7, eerste alinea, <QUOT.START ID="QS0034" REF.END="QE0034" CODE="201E"/><HT TYPE="ITALIC">gunstige voorwaarden voor de gezinshereniging</HT> in de lidstaat van ontvangst scheppen door eerst de aanwezigheid van de gezinsleden bij de migrerende werknemer mogelijk te maken en vervolgens hun positie daar te consolideren door hun het recht te verlenen in die staat arbeid te verrichten<QUOT.END ID="QE0034" REF.START="QS0034" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0016" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Punt 36 (cursivering van mij). In het arrest Kadiman wordt ook overwogen, dat artikel 7, eerste alinea, <QUOT.START ID="QS0035" REF.END="QE0035" CODE="201E"/>tot doel [heeft] de tewerkstelling en het verblijf van de tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer te bevorderen, door te waarborgen dat hij zijn familiebanden kan behouden<QUOT.END ID="QE0035" REF.START="QS0035" CODE="201D"/>, (punt 34; cursivering van mij). In de zaak Commissie/Duitsland (zie voetnoot 11) merkt het Hof vervolgens op, dat <QUOT.START ID="QS0036" REF.END="QE0036" CODE="201E"/>uit [de] gehele samenhang (van de verordening] volgt, dat de Raad ter bevordering van het vrije verkeer van de familieleden van de werknemer, enerzijds in aanmerking heeft genomen, dat het voor de werknemer uit menselijk oogpunt van belang is om samen te wonen met zijn familie (...)<QUOT.END ID="QE0036" REF.START="QS0036" CODE="201D"/> (punt 11; cursivering van mij). Zoals reeds opgemerkt (zie voetnoot 8), omvat deze gehele wettelijke samenhang niet alleen een bepaling die de gezinshereniging van de werknemer in de ontvangende staat verzekert, maar ook een bepaling die voorziet in het recht van de gezinsleden om arbeid in loondienst te verrichten (artikel 11 van de verordening).</P></NOTE> Volgens advocaatgeneraal Léger is <QUOT.START ID="QS0037" REF.END="QE0037" CODE="201E"/>sinds het arrest Kadiman duidelijk, dat [artikel 7, eerste alinea van besluit nr. 1/80] (...) gunstige voorwaarden voor de gezinshereniging wil creëren<QUOT.END ID="QE0037" REF.START="QS0037" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0017" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Conclusie van <DATE ISO="19980709">9 juli 1998</DATE> in de zaak Akman (arrest van <DATE ISO="19981119">19 november 1998</DATE>, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-210/97" YEAR="1998" PAGE.ECR="I-7519">C-210/97, Jurispr. blz. I-7519</REF.DOC.ECR>, waar het Hof deze opvatting volgt in de punten 37 en 43). Zie ook arrest van <DATE ISO="19941005">5 oktober 1994</DATE>, Eroglu (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-355/93" YEAR="1994" PAGE.ECR="I-5113">C-355/93, lurispr. blz. I-5113, punt 22</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> In het licht van deze overwegingen is het mijns inziens volstrekt gerechtvaardigd dat voor de uitlegging van artikel 7, eerste alinea, een bepaling die een fundamenteel recht raakt, namelijk het recht op een gezinsleven zonder overheidsinmenging, een beroep wordt gedaan op de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: <QUOT.START ID="QS0038" REF.END="QE0038" CODE="201E"/>EHRM<QUOT.END ID="QE0038" REF.START="QS0038" CODE="201D"/>) betreffende artikel 8, lid 1, EVRM.</TXT></NP><NP><NO.P>18.</NO.P><TXT>Volgens de inmiddels vaste rechtspraak van het EHRM<NOTE NOTE.ID="E0018" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie in die zin bijvoorbeeld G. Cohen-Jonathan, Respect for Private Life and Family life, in R.S.J. Macdonald, F. Matscher, H. Petzold, The European System for the Protection of Human Rights, Dordrecht, 1993, blz. 405, in het bijzonder op blz. 434-436, en M.W. Janis, R.S. Kay, A.W. Bradley, European Human Rights: text and materials, Oxford 1996, blz. 240-243.</P></NOTE> moet onder <QUOT.START ID="QS0039" REF.END="QE0039" CODE="201E"/>gezin<QUOT.END ID="QE0039" REF.START="QS0039" CODE="201D"/> in de<?PAGE NO="I-4756"?> zin van die bepaling niet enkel worden verstaan de groep personen die door een formeel erkende band met elkaar zijn verbonden (bijvoorbeeld door huwelijk of de status van wettig kind).<NOTE NOTE.ID="E0019" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie arresten van <DATE ISO="19790613">13 juni 1979</DATE>, Marckx, serie A, nr. 31, punt 31 (waarin het Hof overweegt dat een moeder en naar buitenechtelijke dochter een gezin vormen, dat recht heeft op de bescherming van artikel 8 EVRM); <DATE ISO="19861218">18 december 1986</DATE>, Johnston, serie A, nr. 112, punten 55 en 56 (waarin artikel 8 EVRM van toepassing wordt verklaard op een gezin bestaande uit een kind en zijn ongehuwde ouders, die sinds 15 jaar samenwoonden en waarvan er een nog getrouwd was met een derde bij wie hij drie kinderen had; <DATE ISO="19880621">21 juni 1988</DATE>, Berrehab, serie A, nr. 138, punt 21 (waarin het EHRM het bestaan van een gezinsband heeft erkend tussen vader en dochter op grond van de frequente contacten tussen beiden, ondanks het feit dat de dochter na de echtscheiding van haar ouders was geboren); <DATE ISO="19940526">26 mei 1994</DATE>, Keegan, serie A, nr. 290, punt 44, en <DATE ISO="19940920">20 september 1994</DATE>, Kroon, serie A, nr. 297-C, punt 30 (waarin het EHRM met een beroep op de in deze voetnoot vermelde rechtspraak bevestigde dat een paar dat door een huwelijksband of feitelijke band verbonden is, een gezin vormt in de zin van artikel 8 EVRM).</P></NOTE> Volgens de rechters in Straatsburg maakt artikel 8, lid 1, geen onderscheid tussen een <QUOT.START ID="QS0040" REF.END="QE0040" CODE="201E"/>natuurlijk<QUOT.END ID="QE0040" REF.START="QS0040" CODE="201D"/> gezin en een <QUOT.START ID="QS0041" REF.END="QE0041" CODE="201E"/>wettig<QUOT.END ID="QE0041" REF.START="QS0041" CODE="201D"/> gezin. Zij hebben herhaaldelijk relaties die de facto gezinsrelaties waren, onder het begrip <QUOT.START ID="QS0042" REF.END="QE0042" CODE="201E"/>gezin<QUOT.END ID="QE0042" REF.START="QS0042" CODE="201D"/> en de status van gezinsleden gebracht. Het EHRM kent bijzonder belang toe aan factoren die de zekerheid geven dat de band die de verschillende leden van het gezin met elkaar verbindt, reëel en concreet is. Dit zijn onder meer de stabiliteit van de relatie, samenleving gedurende langere tijd<NOTE NOTE.ID="E0020" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>In de zaak Johnston was een ongeveer vijftienjarige samenleving beslissend (punt 56).</P></NOTE>, geboorte van kinderen uit de verhouding<NOTE NOTE.ID="E0021" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>In de zaak Kroon achtte het EHRM voor het bestaan van een <QUOT.START ID="QS0043" REF.END="QE0043" CODE="201E"/>gezin<QUOT.END ID="QE0043" REF.START="QS0043" CODE="201D"/> beslissend, dat uit de relatie vier kinderen waren geboren, hoewel de vader niet met zijn <QUOT.START ID="QS0044" REF.END="QE0044" CODE="201E"/>panner<QUOT.END ID="QE0044" REF.START="QS0044" CODE="201D"/> en moeder van zijn kinderen samenleefde (punt 30).</P></NOTE> en de onderlinge economische afhankelijkheid.</TXT></NP><NP><NO.P>19.</NO.P><TXT>Met betrekking tot de mogelijkheid dat de personele werkingssfeer van artikel 7, eerste alinea, van het besluit op grond van het EVRM wordt uitgebreid tot de concubant van de migrerende werknemer, waarschuwt de regering van het Verenigd Koninkrijk dat behoedzaamheid geboden is en de nodige aandacht moet worden besteed aan de afweging van de belangen van de Turkse werknemer en zijn gezinsleden tegen die van de bevolking in de lidstaat van ontvangst. In dit verband ligt een beroep op artikel 8, lid 2, EVRM mijns inziens voor de hand. Deze bepaling bevat een aantal uitzonderingen op het verbod van inmenging van het openbaar gezag in het gezinsleven van wie dan ook. Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk opmerkt, vallen hieronder maatregelen die nodig zijn in het belang van het economisch welzijn van het land. Deze uitzondering is hier uiteraard van belang, omdat het recht van artikel 7, eerste alinea, van het besluit <QUOT.START ID="QS0045" REF.END="QE0045" CODE="201E"/>economisch<QUOT.END ID="QE0045" REF.START="QS0045" CODE="201D"/> van aard is. Openstelling van de arbeidsmarkt van de lidstaten voor een <HT TYPE="ITALIC">ruime</HT> kring gezinsleden van de aldaar wonende Turkse migrerende werknemers zou in tegenspraak kunnen komen met de belangen van de gemeenschapsonderdanen die op diezelfde markt werk zoeken.</TXT></NP><NP><NO.P>20.</NO.P><TXT>De regering van het Verenigd Koninkrijk wijst op de behoedzaamheid waarvan het EHRM blijk geeft bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde overheidsmaatregel een schending vormt van het in artikel 8, lid 1, beschermde fundamentele recht, dit om te verhinderen dat artikel 7, eerste alinea, van het besluit ruimer wordt uitgelegd dan het Hof in de zaak Reed heeft gedaan (zie punt 13 van deze conclusie). Ik herinner er in dit verband aan, dat het Straatsburgse Hof uitgebreid nagaat of de maatregel waarvan wordt gesteld dat hij het recht op een ongestoord gezinsleven<?PAGE NO="I-4757"?> schendt, evenredig is.<NOTE NOTE.ID="E0022" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie onder meer, Keegan, punt 49, en Kroon, punt 31, en ook het arrest van <DATE ISO="19850528">28 mei 1985</DATE>, Abdulaziz, Cabales en Balkandali, serie A, nr. 94, punten 67 en 68.</P></NOTE> De evenredigheidstoetsing wordt verricht in het licht van de tegengestelde belangen die in het concrete geval aan de orde zijn.</TXT></NP><NP><NO.P>21.</NO.P><TXT>In casu is deze belangenafweging al in zekere zin verricht door de gemeenschapswetgever, die in een voor de gezinsleden van de Turkse werknemer gunstige zin heeft beslist. Immers, artikel 7, eerste alinea, van het besluit verleent deze gezinsleden het recht om in de ontvangende staat arbeid te aanvaarden. Bij de verlening van dat recht heeft de wetgever zeker rekening gehouden met de economische belangen van de gemeenschapsonderdanen. Volgens het eerste streepje van de bepaling moet de betrokkene ten minste drie jaar met de Turkse werknemer hebben samengewoond; hierna blijft het recht van het gezinslid om arbeid te aanvaarden echter nog onderworpen aan de voorwaarde, dat voorrang wordt verleend aan gemeenschapswerknemers; in het tweede streepje is de samenwoningsduur op vijf jaar gesteld.</TXT></NP><NP><NO.P>22.</NO.P><TXT>De afweging van de tegengestelde belangen van het betrokken gezin en de bevolking van de ontvangende staat is ook relevant vanuit een tweede gezichtspunt dat complementair is aan het eerste. Met artikel 7, eerste alinea, heeft de wetgever, zoals gezegd, de <QUOT.START ID="QS0046" REF.END="QE0046" CODE="201E"/>gezinsleden<QUOT.END ID="QE0046" REF.START="QS0046" CODE="201D"/> van de Turkse werknemer het recht willen geven om in de ontvangende staat arbeid te aanvaarden. Nu moet worden nagegaan of onder omstandigheden als de onderhavige het feit dat dit <QUOT.START ID="QS0047" REF.END="QE0047" CODE="201E"/>economische<QUOT.END ID="QE0047" REF.START="QS0047" CODE="201D"/> recht niet wordt uitgebreid tot de concubant, schending oplevert van het (burger)recht op gezinshereniging, waarvoor artikel 7, eerste alinea, gunstige voorwaarde beoogt te scheppen.<NOTE NOTE.ID="E0023" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie de in punt 17 geciteerde passage uit het arrest Kadiman.</P></NOTE> In essentie moet worden vastgesteld of de belangen van de bevolking van de lidstaten — zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft gesteld — moeten wijken voor de belangen die aan de vordering van mevrouw Eyüp ten grondslag liggen. Volgens het criterium van het EHRM moet een dergelijke toetsing in een geval als het onderhavige worden verricht aan de hand van het evenredigheidsbeginsel: het begrip <QUOT.START ID="QS0048" REF.END="QE0048" CODE="201E"/>gezinslid<QUOT.END ID="QE0048" REF.START="QS0048" CODE="201D"/> in artikel 7, eerste alinea, van het besluit mag niet zo ruim worden opgevat, dat onnodig afbreuk wordt gedaan aan de belangen, met inbegrip van de economische, van de lidstaten en de aldaar wonende gemeenschapsonderdanen.</TXT></NP><NP><NO.P>23.</NO.P><TXT>In de gevallen waarin het EHRM <QUOT.START ID="QS0049" REF.END="QE0049" CODE="201E"/>natuurlijke gezinnen<QUOT.END ID="QE0049" REF.START="QS0049" CODE="201D"/> onder het in artikel 8 van het EVRM genoemde begrip <QUOT.START ID="QS0050" REF.END="QE0050" CODE="201E"/>gezin<QUOT.END ID="QE0050" REF.START="QS0050" CODE="201D"/> heeft gebracht, heeft het zich altijd gebaseerd op de serieuze en stabiele aard van de band tussen de betrokkenen in de voorgelegde concrete gevallen (zie punt 18).<NOTE NOTE.ID="E0024" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>In de zaak Kadiman lijkt het Hof eenzelfde standpunt te hebben ingenomen: <QUOT.START ID="QS0051" REF.END="QE0051" CODE="201E"/>de nuttige werking van (...) artikel 7 [van het besluit] [vereist] (...) dat de gezinshereniging (...) gedurende een bepaalde tijd tot uiting komt door een werkelijk samenwonen [van de betrokkene) in gezinsverband met de werknemer<QUOT.END ID="QE0051" REF.START="QS0051" CODE="201D"/> (punt 40, cursivering van mij).</P></NOTE> Voor het onderhavige geval valt het mij niet zwaar te erkennen, dat de<?PAGE NO="I-4758"?> heer en mevrouw Eyüp gedurende de hele periode waarin zij samenleefden, blijk hebben gegeven van een affectieve verbondenheid die werd gekenmerkt door een grote stabiliteit: voor zover mij bekend, zijn ze namelijk zonder enige onderbreking onder hetzelfde dak blijven wonen. Deze stabiliteit is bezegeld doordat zij vervolgens opnieuw zijn getrouwd (in 1997 bedroeg de duur van hun samenleven in totaal meer dan 13 jaar). Maar dat niet alleen. Gedurende die zeven en een half jaar werden vier van hun zeven kinderen geboren. Deze zijn vervolgens bij de sluiting van het tweede huwelijk erkend als wettige kinderen. De vader voorzag, behalve in het levensonderhoud van de kinderen, ook in dat van hun moeder (zijn levensgezel), die zich blijkens het dossier voornamelijk met de kinderen bezighield in de gezinswoning. Het EHRM heeft overigens reeds bij aanwijzingen die op een minder grote stabiliteit wezen, het bestaan van een <QUOT.START ID="QS0052" REF.END="QE0052" CODE="201E"/>gezin<QUOT.END ID="QE0052" REF.START="QS0052" CODE="201D"/> (uiteraard in de zin van het EVRM) aangenomen. In de zaak Kroon (voetnoot 18) bijvoorbeeld werd het feit dat er vier kinderen waren geboren, reeds beslissend geacht, hoewel de vader <HT TYPE="ITALIC">niet</HT> samenleefde met zijn <QUOT.START ID="QS0053" REF.END="QE0053" CODE="201E"/>partner<QUOT.END ID="QE0053" REF.START="QS0053" CODE="201D"/>, met wie hij bovendien ook nooit door huwelijk verbonden was geweest.<NOTE NOTE.ID="E0025" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Punt 30.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>24.</NO.P><TXT>Dit leidt tot de conclusie, dat het niet in tegenspraak is met de geest en het doel van artikel 7, eerste alinea, van het besluit om de kring van <QUOT.START ID="QS0054" REF.END="QE0054" CODE="201E"/>gezinsleden<QUOT.END ID="QE0054" REF.START="QS0054" CODE="201D"/> van de Turkse werknemer die in de ontvangende staat recht hebben om arbeid in loondienst te aanvaarden, uit te breiden tot de concubant van die werknemer. Dat wil zeggen in beginsel. Wel moeten echter de vaststaande feiten en bijzonderheden van dit geval goed voor ogen worden gehouden. Als wij bij onze redenering de criteria van het EHRM aanhouden — de oplossing waartoe ik, zoals gezegd, geneigd ben — kan de uitsluiting van mevrouw Eyüp (voor de zeven jaar in kwestie) van de kring van <QUOT.START ID="QS0055" REF.END="QE0055" CODE="201E"/>gezinsleden<QUOT.END ID="QE0055" REF.START="QS0055" CODE="201D"/> van degene die, ten tijde van de aanvraag van de arbeidsvergunning, <HT TYPE="ITALIC">wederom</HT> haar wettige echtgenoot was geworden, neerkomen op een schending van een fundamenteel recht van de betrokkene. De gelijkstelling van mevrouw Eyüp met een <QUOT.START ID="QS0056" REF.END="QE0056" CODE="201E"/>gezinslid<QUOT.END ID="QE0056" REF.START="QS0056" CODE="201D"/> (echtgenoot) van een Turks werknemer voor het tijdvak waarin zij met haar ex-echtgenoot samenleefde, doet mijns inziens niet op onevenredige wijze afbreuk aan het <QUOT.START ID="QS0057" REF.END="QE0057" CODE="201E"/>economisch welzijn<QUOT.END ID="QE0057" REF.START="QS0057" CODE="201D"/> van de in Oostenrijk wonende gemeenschapsonderdanen. Deze oplossing komt mijns inziens op redelijke wijze tegemoet aan zowel degenen die het begrip <QUOT.START ID="QS0058" REF.END="QE0058" CODE="201E"/>gezinslid<QUOT.END ID="QE0058" REF.START="QS0058" CODE="201D"/> willen beperken tot de echtgenoot met wie de Turkse werknemer door huwelijk is verbonden, als de eis die ten grondslag ligt aan de stellingen van de regeringen die opmerkingen hebben gemaakt, dat het recht van artikel 7, eerste alinea, niet zonder onderscheid wordt verleend aan eenieder die alleen maar stelt dat hij <QUOT.START ID="QS0059" REF.END="QE0059" CODE="201E"/>samenleeft<QUOT.END ID="QE0059" REF.START="QS0059" CODE="201D"/> met een Turkse werknemer die in een lidstaat woont.</TXT></NP><NP><NO.P>25.</NO.P><TXT>Hier aangekomen, moet ik echter nog een laatste overweging en precisering toevoegen.<?PAGE NO="I-4759"?> Het antwoord dat ik op de eerste vraag voorstel, raakt niet de vraag of mevrouw Eyüp gedurende de zeven jaar waarin zij met haar ex-echtgenoot samenleefde, moest worden aangemerkt als iemand die <QUOT.START ID="QS0060" REF.END="QE0060" CODE="201E"/>toestemming [had] gekregen om zich bij een tot de legale arbeidsmarkt van [Oostenrijk] behorende Turkse werknemer te voegen<QUOT.END ID="QE0060" REF.START="QS0060" CODE="201D"/>. Toch rijst deze vraag onvermijdelijk bij lezing van de bepaling die in de verwijzingsbeschikking wordt vermeld. Zij kan niet onbeantwoord blijven. Nagegaan moet worden of mevrouw Eyüp — ook indien zij moet worden aangemerkt als <QUOT.START ID="QS0061" REF.END="QE0061" CODE="201E"/>gezinslid<QUOT.END ID="QE0061" REF.START="QS0061" CODE="201D"/> in de zin van het gemeenschapsrecht, wat volgens mij het geval is — voldoet aan de overige voorwaarden van artikel 7, eerste alinea, van het besluit. In dit verband herinner ik eraan, dat artikel 7, eerste alinea, van het besluit geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten met betrekking tot de <QUOT.START ID="QS0062" REF.END="QE0062" CODE="201E"/>mogelijkheid<QUOT.END ID="QE0062" REF.START="QS0062" CODE="201D"/> (niet het <QUOT.START ID="QS0063" REF.END="QE0063" CODE="201E"/>recht<QUOT.END ID="QE0063" REF.START="QS0063" CODE="201D"/>) van gezinsleden van een Turkse werknemer om toestemming te krijgen om zich in de ontvangende staat bij hem te voegen.<NOTE NOTE.ID="E0026" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie arrest Kadiman, punten 32 en 35.</P></NOTE> De verwijzende rechter deelt ons enkel mee, dat mevrouw Eyüp op grond van het eerste (in Lauterach gesloten) huwelijk toestemming heeft gekregen tot verblijf in Oostenrijk in haar hoedanigheid van echtgenote van een tot de legale arbeidsmarkt van dat land behorende Turkse werknemer. Wat wij niet weten, is welke gevolgen het Oostenrijkse recht aan het verlies van die status verbindt. Met andere woorden, uit het dossier blijkt niet of de echtscheiding, twee jaar later, voor Eyüp heeft geleid tot het verlies van de door huwelijk verkregen status van persoon die <QUOT.START ID="QS0064" REF.END="QE0064" CODE="201E"/>toestemming heeft gekregen om zich bij een tot de legale arbeidsmarkt van [de betrokken lidstaat] behorende Turkse werknemer te voegen<QUOT.END ID="QE0064" REF.START="QS0064" CODE="201D"/>. Als dat het geval is, dan verliest het antwoord op de eerste vraag (hoe het ook zou luiden) iedere betekenis, daar Eyüp dan voor de duur van het samenleven hoe dan ook niet in staat is om volledig aan de eisen van artikel 7, eerste alinea, van het besluit te voldoen.</TXT></NP><NP><NO.P>26.</NO.P><TXT>Wat de mogelijkheid betreft dat het Oostenrijkse recht het voortbestaan van de huwelijksband als voorwaarde stelt voor een aanvankelijk met het oog op de gezinshereniging van een Turkse werknemer afgegeven verblijfsvergunning (zie vorige paragraaf), merk ik op, dat uit de verwijzingsbeschikking ook niet naar voren komt wanneer het in november 1985 door een Turkse rechtbank uitgesproken echtscheidingsvonnis in het Oostenrijkse recht rechtskracht heeft gekregen. Indien dit vonnis pas aan de vooravond van het tweede huwelijk in Oostenrijk uitvoerbaar is verklaard of is ingeschreven, dan zou de verblijfsvergunning die op de dag na het eerste huwelijk aan mevrouw Eyüp was afgegeven, ook na de uitspraak van de echtscheiding van kracht kunnen zijn gebleven. De Oostenrijkse regering heeft ter terechtzitting uitgelegd, dat mevrouw Eyüps verblijf in Oostenrijk na de echtscheiding niet berustte op haar status van gezinslid dat toestemming heeft gekregen om zich bij een Turkse werknemer te voegen, in de zin van artikel 7, eerste alinea, van het besluit, maar op haar hoedanigheid van werknemer van buiten de EG die over voldoende middelen van bestaan beschikt, ongeacht de oorsprong daarvan.</TXT></NP><NP><NO.P>27.</NO.P><TXT>Uiteraard is het aan de verwijzende rechter om de in punt 25 en 26 aangestipte vragen te behandelen. Enkel indien deze in een voor de betrokkene gunstige zin worden beantwoord, kan de oplossing die ik in<?PAGE NO="I-4760"?> mijn antwoord op de eerste vraag suggereer, op de onderhavige casus worden toegepast.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>De tweede en de derde vraag</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>28.</NO.P><TXT>Voor het geval het Hof de eerste vraag ontkennend mocht beantwoorden, vraagt het Verwaltungsgerichshof in de twee volgende vragen subsidiair, of huwelij kstijdvakken vóór en na een periode waarin <HT TYPE="ITALIC">dezelfde personen</HT> ongehuwd als man en vrouw hebben samengeleefd, voor de voldoening aan het tijdvereiste van artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van het besluit kunnen worden samengeteld. In wezen wordt gevraagd of de echtscheiding, gevolgd door een ononderbroken samenleving tot aan het tweede huwelijk, stuiting dan wel slechts schorsing tot gevolg heeft van de vijfjaarstermijn voorzien voor het ontstaan van het recht van de gezinsleden van de Turkse migrerende werknemer om in de ontvangende staat te werken.</TXT></NP><NP><NO.P>29.</NO.P><TXT>Als de status van echtgenoot essentieel is voor de vervulling van het in artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van het besluit genoemde tijdvak en de eerste vraag dus ontkennend moet worden beantwoord, moet volgens de regeringen die opmerkingen hebben gemaakt en volgens de Commissie noodzakelijkerwijs worden geconcludeerd, dat het verlies van die status door echtscheiding automatisch leidt tot verval van het huwelijkstijdvak vóór de echtscheiding. Met andere woorden, indien de echtgenoten besluiten tot ontbinding van hun huwelijk — ook indien dit, zoals hier, wordt gevolgd door een ononderbroken samenleving en een tweede huwelijk tussen dezelfde personen — heeft dit tot gevolg dat de in de betrokken bepaling genoemde termijn wordt gestuit en niet eenvoudigweg wordt geschorst. De regeringen die opmerkingen hebben gemaakt en de Commissie baseren zich voornamelijk op het arrest Kadiman, waarin het Hof overwoog, dat — behoudens gevallen van kort verblijf (bijvoorbeeld voor vakantie of familiebezoek in het land van oorsprong) of onvrijwillig verblijf in zijn land van oorsprong — het gezinslid van de Turkse werknemer voor de toepassing van artikel 7, eerste alinea, van het besluit gedurende de daar vermelde minimumtermijn <HT TYPE="ITALIC">onafgebroken</HT> in de lidstaat van ontvangst dient te wonen.</TXT></NP><NP><NO.P>30.</NO.P><TXT>Artikel 7, eerste alinea, van het besluit beoogt gunstige voorwaarden te scheppen voor de <HT TYPE="ITALIC">gezinshereniging</HT> in de lidstaat van ontvangst, door toe te staan dat de gezinsleden van de migrerende werknemer zich bij hem voegen. Is dit eenmaal gebeurd, dan wordt de gezinshereniging geconsolideerd door het recht om arbeid te verrichten, welk recht aan de gezinsleden zelf is toegekend <QUOT.START ID="QS0065" REF.END="QE0065" CODE="201E"/>teneinde de duurzame integratie van het gezin van de Turkse migrerende werknemer in de lidstaat van ontvangst te versterken<QUOT.END ID="QE0065" REF.START="QS0065" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0027" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest Kadiman, punt 35. In dezelfde zin arrest Commissie/Duitsland, punt 11, in fine.</P></NOTE> Deze <QUOT.START ID="QS0066" REF.END="QE0066" CODE="201E"/>consolidering<QUOT.END ID="QE0066" REF.START="QS0066" CODE="201D"/> van de gezinshereniging is een uitvloeisel van,<?PAGE NO="I-4761"?> of liever gezegd, verleent toegevoegde waarde aan een fundamenteel recht, het recht op een gezinsleven vrij van overheidsinmenging (artikel 8, lid 1, EVRM).</TXT></NP><NP><NO.P>31.</NO.P><TXT>Wat volgens mevrouw Eyüp naast de geest en het doel van de litigieuze bepaling telt, is dat de tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer <QUOT.START ID="QS0067" REF.END="QE0067" CODE="201E"/>vanuit menselijk oogpunt<QUOT.END ID="QE0067" REF.START="QS0067" CODE="201D"/> wordt beschouwd. Dit standpunt lijkt mij juist en het lijkt ook steun te vinden in de geciteerde rechtspraak van het EHRM over artikel 8 van het EVRM (zie voetnoot 18) waarin de Straatsburgse rechters rechtsgevolgen hebben verbonden — te weten het genot van een ongestoord gezinsleven — aan <QUOT.START ID="QS0068" REF.END="QE0068" CODE="201E"/>gezins<QUOT.END ID="QE0068" REF.START="QS0068" CODE="201D"/>-banden van een bijzonder serieuze en stabiele aard. Ook ik ben van oordeel, dat de uitzonderlijkheid van dit geval een speciale oplossing verdient. Mevrouw Eyüp heeft de samenleving met haar ex-echtgenoot nooit opgegeven en deze samenleving was ook niet een typisch geval van <QUOT.START ID="QS0069" REF.END="QE0069" CODE="201E"/>gescheiden onder één kap leven<QUOT.END ID="QE0069" REF.START="QS0069" CODE="201D"/>, want tijdens de buitenhuwelijkse periode zijn er vier kinderen geboren. Uit het dossier blijkt niet, dat er zelfs maar korte onderbrekingen van de samenleving zijn geweest. Gezien het feit dat artikel 7, eerste alinea, van het besluit de <QUOT.START ID="QS0070" REF.END="QE0070" CODE="201E"/>werkelijke gezinshereniging<QUOT.END ID="QE0070" REF.START="QS0070" CODE="201D"/> van de Turkse werknemer en zijn gezin in de lidstaat van ontvangst wil bevorderen<NOTE NOTE.ID="E0028" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest Kadiman, punt 46.</P></NOTE>, leent dit geval zich voor een andere oplossing dan de regeringen die opmerkingen hebben gemaakt en de Commissie hebben voorgesteld.</TXT></NP><NP><NO.P>32.</NO.P><TXT>Ik zou mij bij hun opvatting kunnen aansluiten, indien de heer Eyüp met <HT TYPE="ITALIC">een ander</HT> was hertrouwd en dus een <HT TYPE="ITALIC">nieuw</HT> gezin en andere affectieve banden had gecreëerd. In dat geval zouden de tijdvakken van wonen van beide gezinnen niet kunnen worden samengeteld. Aldus zou ook kunnen worden gedacht indien de heer Eyüp weliswaar na verloop van tijd met dezelfde vrouw was hertrouwd, maar in de tussentijd met een andere had samengeleefd en wellicht ook met deze was getrouwd (om daarna ook weer van haar te scheiden). Ook zou zich het omgekeerde geval kunnen voordoen, dat ter terechtzitting door de vertegenwoordiger van verzoekster is aangestipt, waarin mevrouw Eyüp, na scheiding van haar eerste echtgenoot, met een ander zou zijn hertrouwd en deze wellicht ook kinderen zou hebben geschonken, om vervolgens weer opnieuw met haar eerste echtgenoot te trouwen. In beide gevallen zou er — ook volgens de vertegenwoordiger van mevrouw Eyüp — sprake zijn geweest van een echte <QUOT.START ID="QS0071" REF.END="QE0071" CODE="201E"/>onderbreking<QUOT.END ID="QE0071" REF.START="QS0071" CODE="201D"/> van de samenleving van het paar, dus een situatie waarin de heer en mevrouw Eyüp gedurende zekere tijd zelfs niet de facto uitsluitend in het gezin leefden dat zij aanvankelijk hadden gesticht.</TXT></NP><NP><NO.P>33.</NO.P><TXT>Ik behoef nauwelijks te zeggen, dat de onderhavige casus anders ligt. De zaak ligt immers zodanig dat — als het Hof de eerste prejudiciële vraag ontkennend zou beantwoorden — het tijdvak van ongehuwd samenleven tussen twee personen die met elkaar getrouwd zijn geweest en later weer met elkaar trouwen, tot andere rechtsgevolgen moet leiden dan waarschijnlijk voortvloeien uit situaties als de in de voorgaande paragraaf genoemde theoretisehe<?PAGE NO="I-4762"?> gevallen. Een dergelijk tijdvak levert <QUOT.START ID="QS0072" REF.END="QE0072" CODE="201E"/>schorsing<QUOT.END ID="QE0072" REF.START="QS0072" CODE="201D"/> en niet <QUOT.START ID="QS0073" REF.END="QE0073" CODE="201E"/>stuiting<QUOT.END ID="QE0073" REF.START="QS0073" CODE="201D"/> op van de in de onderhavige bepaling genoemde termijn van vijf jaar. Het antwoord dat ik op de tweede en de derde vraag voorstel, is welbeschouwd een afgezwakte versie van mijn antwoord op de eerste vraag. Het is een oplossing die de mogelijkheid biedt de betrokken belangen tegen elkaar af te wegen, maar tegelijk meer aandacht te besteden aan de belangen van de gemeenschapswerknemers. Daarom zou ik dit als minimumoplossing voorstellen. Als men deze oplossing niet aanvaardt, bestaat mijns inziens het risico van uitholling van het recht dat artikel 7, eerste alinea, de betrokkene verleent, uiteraard vooropgesteld dat aan de overige vereisten van die bepaling voldoet. Tevens is dan de dreiging reëel van een schending van het door artikel 8 EVRM beschermde fundamentele recht.</TXT></NP><NP><NO.P>34.</NO.P><TXT>Bovendien wijkt de voorgestelde oplossing mijns inziens niet af van die waartoe het Hof is gekomen in de zaak Kadiman waarnaar de regeringen die opmerkingen hebben gemaakt en de Commissie hebben verwezen. Mevrouw Kadiman, van Turkse nationaliteit, was gedwongen geweest om ongeveer vier maanden in Turkije te blijven waar zij met haar man voor vakantie naartoe was gegaan, omdat hij haar paspoort had ontvreemd en hij alleen naar Duitsland was teruggekeerd, waar zij beiden woonden. Het Hof overwoog, dat deze onvrijwillige onderbreking van het samenleven moest worden <HT TYPE="ITALIC">gelijkgesteld</HT> met een periode gedurende welke het betrokken gezinslid werkelijk met de Turkse werknemer heeft samengeleefd.<NOTE NOTE.ID="E0029" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest Kadiman, punten 46-49.</P></NOTE> Hieruit blijkt de bereidheid van het Hof om volstrekt uitzonderlijke situaties in aanmerking te nemen teneinde tot resultaten te komen die de geest van artikel 7, eerste alinea, van het besluit niet verraden. Indien — in tegenstelling tot wat ik primair als antwoord op de eerste vraag voorstel — het tijdvak van ongehuwd samenleven niet kan worden <QUOT.START ID="QS0074" REF.END="QE0074" CODE="201E"/>gelijkgesteld<QUOT.END ID="QE0074" REF.START="QS0074" CODE="201D"/> met een tijdvak van echtelijke samenleving, ben ik, in de lijn van wat mijns inziens uit het arrest Kadiman kan worden afgeleid, met betrekking tot de tweede en de derde vraag van oordeel dat (in de reeds beschreven bijzondere omstandigheden) rekening moet worden gehouden met het feit dat de heer en mevrouw Eyüp als man en vrouw hebben samengeleefd, zodat het eerste tijdvak van echtelijke samenleving bij het tweede kan worden opgeteld.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>De vierde en de vijfde vraag</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>35.</NO.P><TXT>De laatste twee vragen van de verwijzende rechter gaan over de vorm en omvang van de voorlopige maatregelen die hij kan treffen om de rechten die in het bijzonder uit artikel 7 van het besluit voortvloeien, voorlopig te beschermen.</TXT></NP><NP><NO.P>36.</NO.P><TXT>Om het nut van een antwoord op deze vragen te illustreren, heeft mevrouw Eyüp<?PAGE NO="I-4763"?> gewezen op de noodzaak van een spoedmaatregel van de verwijzende rechter waarbij haar, althans voorlopig, recht op een arbeidsvergunning wordt verleend. Tot aan de uitspraak in het hoofdgeding zou zij anders de facto geen enkele mogelijkheid hebben om te gaan werken, omdat het in Oostenrijk strafbaar is om een onderdaan van een derde land illegaal in dienst te nemen.</TXT></NP><NP><NO.P>37.</NO.P><TXT>Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie is beantwoording van de laatste twee vragen overbodig na hetgeen er onmiddellijk na de indiening van de verwijzingsbeschikking ter griffie van het Hof (op <DATE ISO="19980305">5 maart 1998</DATE>) is gebeurd. In de eerste plaats had het echtpaar Eyüp op <DATE ISO="19980507">7 mei 1998</DATE> een ononderbroken huwelijkstijdvak van vijf jaar doorlopen. En in de tweede plaats heeft verzoekster op <DATE ISO="19981105">5 november 1998</DATE> ten slotte de langverwachte arbeidsvergunning gekregen, vermoedelijk omdat zij voldeed aan de tijdvoorwaarden van artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van het besluit.</TXT></NP><NP><NO.P>38.</NO.P><TXT>Met de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie acht ik het nuttig noch noodzakelijk om de vierde en de vijfde vraag te behandelen, die gaan over de spoedmaatregelen die de nationale rechter — voorlopig — zou kunnen treffen ter bescherming van een recht dat in het gemeenschapsrecht is voorzien, aangezien mevrouw Eyüp hierop inmiddels ontegenzeglijk <HT TYPE="ITALIC">definitief</HT> aanspraak heeft gekregen. Met de afgifte van de arbeidsvergunning in november 1998 hebben zelfs de Oostenrijkse instanties dat erkend.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>V —</NO.P><TXT>Conclusie</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>39.</NO.P><TXT>De prejudiciële vragen van het Verwaltungsgerichtshof te Wenen moeten daarom mijns inziens worden beantwoord als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START ID="QS0075" REF.END="QE0075" CODE="201E"/>1)</NO.P><TXT>Het begrip gezinslid als bedoeld in artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van <DATE ISO="19800919">19 september 1980</DATE> betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, omvat mede de concubant van een Turkse werknemer, mits tussen beiden een<?PAGE NO="I-4764"?> serieuze, stabiele gezinsband bestaat, zoals de band die ontstaat wanneer zij na de echtscheiding ononderbroken hebben samengeleefd en vervolgens opnieuw met elkaar zijn gehuwd.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Aan het in artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit 1/80 gestelde vereiste, dat betrokkenen minimaal vijf jaar hebben samengewoond, is voldaan wanneer een Turkse werknemer is gehuwd, gescheiden en vervolgens hertrouwd met dezelfde persoon, de echtgenoten tussen de twee huwelijken in daadwerkelijk zijn blijven samenwonen en de duur van de tijdvakken van echtelijke samenleving tezamen ten minste vijf jaar bedraagt.<QUOT.END ID="QE0075" REF.START="QS0075" CODE="201D"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>