<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.58-20161101.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>C-682/18</NO.CASE><NO.CASE>C-683/18</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62018CC0682</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:586">EU:C:2020:586</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>68</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>68</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P><HT TYPE="SC">Conclusie van adv.-gen. Saugmandsgaard Øe – Gevoegde zaken C‑682/18 en C‑683/18</HT></P><P><HT TYPE="SC">YouTube e.a.</HT></P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">H. Saugmandsgaard Øe</HT></P><P>van <DATE ISO="20200716">16 juli 2020</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0001"><P>Oorspronkelijke taal: Frans.</P></NOTE></P></TI><STI><P>Gevoegde zaken C‑682/18 en C‑683/18</P><P>Frank Peterson</P><P>tegen</P><P>Google LLC,</P><P>YouTube LLC,</P><P>YouTube Inc.,</P><P>Google Germany GmbH (C‑682/18)</P><P>en</P><P>Elsevier Inc.</P><P>tegen</P><P>Cyando AG (C‑683/18)</P><P><HT TYPE="NORMAL">[verzoeken van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]</HT></P></STI></TITLE><INTERMEDIATE><INDEX IDX.CLOSE="”" SEPARATOR=" – " IDX.OPEN="„"><KEYWORD>Prejudiciële verwijzing</KEYWORD><KEYWORD>Intellectuele eigendom</KEYWORD><KEYWORD>Auteursrecht en naburige rechten</KEYWORD><KEYWORD>Richtlijn 2001/29/EG</KEYWORD><KEYWORD>Artikel 3</KEYWORD><KEYWORD>Mededeling aan het publiek</KEYWORD><KEYWORD>Begrip</KEYWORD><KEYWORD>Upload naar onlineplatformen van beschermde werken door gebruikers van die platformen zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbenden</KEYWORD><KEYWORD>Geen primaire aansprakelijkheid van de exploitanten van die platformen</KEYWORD><KEYWORD>Secundaire aansprakelijkheid van die exploitanten voor de door de gebruikers van hun platformen gepleegde inbreuken op het auteursrecht</KEYWORD><KEYWORD>Kwestie die niet valt binnen de werkingssfeer van artikel 3 van richtlijn 2001/29/EG</KEYWORD><KEYWORD>Richtlijn 2000/31/EG</KEYWORD><KEYWORD>Artikel 14</KEYWORD><KEYWORD>Vrijstelling van aansprakelijkheid voor dienstverleners die een <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0001" REF.END="QE0001"/>dienst van de informatiemaatschappij bestaande in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="2019" ID="QE0001"/> verlenen</KEYWORD><KEYWORD>Begrip</KEYWORD><KEYWORD>Mogelijkheid voor die exploitanten om te worden vrijgesteld van de aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit informatie die zij op verzoek van de gebruikers van hun platformen opslaan</KEYWORD><KEYWORD>Voorwaarden om van die vrijstelling van aansprakelijkheid gebruik te kunnen maken</KEYWORD><KEYWORD>Artikel 14, lid 1, onder a)</KEYWORD><KEYWORD>Begrippen <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0002" REF.END="QE0002"/>daadwerkelijk kennis hebben van de onwettige activiteit of informatie<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="2019" ID="QE0002"/> en <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0003" REF.END="QE0003"/>kennis hebben van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="2019" ID="QE0003"/></KEYWORD><KEYWORD>Concrete onwettige informatie</KEYWORD><KEYWORD>Artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG</KEYWORD><KEYWORD>Bevelen tegen tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten</KEYWORD><KEYWORD>Voorwaarden voor het verzoek om een dergelijk bevel</KEYWORD></INDEX><?PAGE NO="2"?><TOC><TITLE><TI><P>Inhoud</P></TI></TITLE><TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>I.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Inleiding</ITEM.CONT><ITEM.REF>3</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>II.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Toepasselijke bepalingen</ITEM.CONT><ITEM.REF>4</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>A.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Richtlijn 2000/31</ITEM.CONT><ITEM.REF>4</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>B.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Richtlijn 2001/29</ITEM.CONT><ITEM.REF>5</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>III.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Hoofdgedingen</ITEM.CONT><ITEM.REF>6</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>A.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Zaak C‑682/18</ITEM.CONT><ITEM.REF>6</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>1.</NO.ITEM><ITEM.CONT>YouTube</ITEM.CONT><ITEM.REF>6</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>2.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Beroep van Peterson</ITEM.CONT><ITEM.REF>8</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>B.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Zaak C‑683/18</ITEM.CONT><ITEM.REF>9</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>1.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Uploaded</ITEM.CONT><ITEM.REF>9</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>2.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Beroep van Elsevier</ITEM.CONT><ITEM.REF>10</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>IV.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Prejudiciële vragen en procedure bij het Hof</ITEM.CONT><ITEM.REF>10</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>V.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Analyse</ITEM.CONT><ITEM.REF>13</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>A.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0004" REF.END="QE0004"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 (eerste vragen)</ITEM.CONT><ITEM.REF>16</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>1.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Platformexploitanten als YouTube en Cyando verrichten in beginsel geen handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0005" REF.END="QE0005"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0005" CODE="201D" ID="QE0005"/></ITEM.CONT><ITEM.REF>19</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>2.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 voorziet niet in een regeling voor de secundaire aansprakelijkheid van personen die onwettige handelingen van derden bestaande in een mededeling aan het publiek faciliteren</ITEM.CONT><ITEM.REF>28</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>3.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Subsidiair: faciliteren exploitanten als YouTube en Cyando welbewust onwettige handelingen van derden?</ITEM.CONT><ITEM.REF>32</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>B.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Werkingssfeer van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid (tweede vragen)</ITEM.CONT><ITEM.REF>38</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>C.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Vrijstellingsvoorwaarde in artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 met betrekking tot het ontbreken van kennis of besef van onwettige informatie (derde vragen)</ITEM.CONT><ITEM.REF>47</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>D.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Voorwaarden waaronder overeenkomstig artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 om een bevel tegen een tussenpersoon kan worden verzocht (vierde vragen)</ITEM.CONT><ITEM.REF>53</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><?PAGE NO="3"?><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>E.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Subsidiair – begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0006" REF.END="QE0006"/>inbreukmaker<QUOT.END REF.START="QS0006" CODE="201D" ID="QE0006"/> in de zin van artikel 13 van richtlijn 2004/48 (vijfde en zesde vragen)</ITEM.CONT><ITEM.REF>59</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>F.</NO.ITEM><ITEM.CONT>De doelstelling van een hoge mate van bescherming van het auteursrecht levert geen grond op voor een andere uitlegging van de richtlijnen 2000/31 en 2001/29</ITEM.CONT><ITEM.REF>61</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>VI.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Conclusie</ITEM.CONT><ITEM.REF>68</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC></INTERMEDIATE><CONTENTS.CONCLUSION><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">I.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Inleiding</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0001"><NO.P>1.</NO.P><TXT>De onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland). Zij zien op de uitlegging van richtlijn 2000/31/EG betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0007" REF.END="QE0007"/>richtlijn inzake elektronische handel<QUOT.END REF.START="QS0007" CODE="201D" ID="QE0007"/>)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0002"><P>Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20000608">8 juni 2000</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="178" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2000">PB 2000, L 178, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>, richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0003"><P>Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20010522">22 mei 2001</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="167" PAGE.FIRST="10" DATE.PUB="2001">PB 2001, L 167, blz. 10</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> en richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0004"><P>Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20040429">29 april 2004</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="157" PAGE.FIRST="45" DATE.PUB="2004">PB 2004, L 157, blz. 45</REF.DOC.OJ>, met rectificatie in <REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="195" PAGE.FIRST="16" DATE.PUB="2004">PB 2004, L 195, blz. 16</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0002"><NO.P>2.</NO.P><TXT>De verzoeken zijn gedaan in het kader van twee gedingen. In het eerste geding vervolgt Frank Peterson, een muziekproducent, YouTube LLC en haar moedermaatschappij Google LLC omdat gebruikers van het videodeelplatform YouTube meerdere fonogrammen waarop hij rechten stelt te hebben zonder zijn toestemming naar dat platform hebben geüpload. In het tweede geding vervolgt Elsevier Inc., een uitgeversgroep, Cyando AG omdat gebruikers van het host- en deelplatform voor bestanden Uploaded, dat door die vennootschap wordt beheerd, verschillende publicaties waarop Elsevier de uitsluitende rechten heeft zonder haar toestemming naar dat platform hebben geüpload.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0003"><NO.P>3.</NO.P><TXT>De zes vragen die de verwijzende rechter in het kader van elk van die verzoeken om een prejudiciële beslissing voorlegt, draaien om de uiterst delicate problematiek van de aansprakelijkheid van onlineplatformexploitanten met betrekking tot auteursrechtelijk beschermde werken die door de gebruikers van die platformen illegaal worden geüpload.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0004"><NO.P>4.</NO.P><TXT>De aard en de omvang van die aansprakelijkheid hangen met name af van de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 2001/29, op grond waarvan aan auteurs het uitsluitende recht wordt toegekend om hun werken aan het publiek mee te delen, en van artikel 14 van richtlijn 2000/31, op grond waarvan aan als tussenpersoon optredende dienstverleners een zekere vrijstelling van aansprakelijkheid wordt toegekend voor de informatie die zij op verzoek van de gebruikers van hun diensten opslaan. Met de onderhavige zaken wordt het Hof aldus verzocht om met name te verduidelijken of de eerste bepaling aan die platformexploitanten kan worden tegengeworpen, of zij zich op de tweede bepaling kunnen beroepen en op welke manier die bepalingen zich onderling verhouden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0005"><NO.P>5.</NO.P><TXT>Die problematiek wordt gekenmerkt door diepgaande tegenstellingen. Voor sommigen maken de betrokken onlineplatformen inbreuken op grote schaal mogelijk waaruit de exploitanten van die platformen ten koste van de rechthebbenden voordeel halen, zodat het geoorloofd is om hun aanzienlijke verplichtingen op te leggen om de door de gebruikers naar hun platformen geüploade<?PAGE NO="4"?> content te controleren. Voor anderen zouden door het opleggen van dergelijke controleverplichtingen aan die exploitanten hun activiteit en de rechten van die gebruikers aanzienlijk worden aangetast en zou de vrijheid van meningsuiting en van onlinecreatie daardoor worden belemmerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0006"><NO.P>6.</NO.P><TXT>Die tegenstellingen hebben hun hoogtepunt bereikt tijdens de debatten over de vaststelling door de Uniewetgever van richtlijn (EU) 2019/790 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0005"><P>Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20190417">17 april 2019</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="130" PAGE.FIRST="92" DATE.PUB="2019">PB 2019, L 130, blz. 92</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>. Artikel 17 van die nieuwe richtlijn voorziet voor exploitanten als YouTube in een specifieke aansprakelijkheidsregeling voor door de gebruikers van hun platformen illegaal geüploade werken. Ik wijs er evenwel op dat die richtlijn, die tijdens de onderhavige prejudiciële procedures in werking is getreden, niet op de hoofdgedingen van toepassing is. Het is dus vanuit het oogpunt van het daaraan voorafgaande rechtskader dat die zaken zullen moeten worden beslecht, los van de maatregelen die de Uniewetgever onlangs heeft vastgesteld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0007"><NO.P>7.</NO.P><TXT>In de onderhavige conclusie zal ik het Hof in overweging geven te oordelen dat platformexploitanten als YouTube en Cyando in beginsel geen handelingen verrichten bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0008" REF.END="QE0008"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0008" CODE="201D" ID="QE0008"/> in de zin van artikel 3 van richtlijn 2001/29 en derhalve niet rechtstreeks aansprakelijk zijn voor het schenden van die bepaling wanneer hun gebruikers beschermde werken illegaal uploaden. Ik zal eveneens toelichten waarom die exploitanten in beginsel, onder voorbehoud van voorwaarden waarvan ik de contouren zal preciseren, kunnen gebruikmaken van de in artikel 14 van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid. Ten slotte zal ik verduidelijken dat rechthebbenden op grond van het Unierecht rechterlijke bevelen tegen die exploitanten kunnen verkrijgen waarbij aan die exploitanten nieuwe verplichtingen kunnen worden opgelegd waarvan ik de voorwaarden zal preciseren.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">II.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Toepasselijke bepalingen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">A.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Richtlijn 2000/31</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0008"><NO.P>8.</NO.P><TXT>Afdeling 4 van richtlijn 2000/31, met als opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0009" REF.END="QE0009"/>Aansprakelijkheid van dienstverleners die als tussenpersoon optreden<QUOT.END REF.START="QS0009" CODE="201D" ID="QE0009"/>, omvat de artikelen 12 tot en met 15 van die richtlijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0009"><NO.P>9.</NO.P><TXT>Artikel 14 van die richtlijn, met als opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0010" REF.END="QE0010"/><QUOT.START CODE="201A" ID="QS0011" REF.END="QE0011"/>Hosting<QUOT.END REF.START="QS0011" CODE="2019" ID="QE0011"/> (<QUOT.START CODE="201A" ID="QS0012" REF.END="QE0012"/>host<QUOT.END REF.START="QS0012" CODE="2019" ID="QE0012"/>-diensten)<QUOT.END REF.START="QS0010" CODE="201D" ID="QE0010"/>, luidt als volgt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><PARAG IDENTIFIER="014.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0013" REF.END="QE0013"/>1.</NO.PARAG><ALINEA><P>De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de dienstverlener niet aansprakelijk is voor de op verzoek van de afnemer van de dienst opgeslagen informatie, op voorwaarde dat:</P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>de dienstverlener niet daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt, of</TXT></NP></ITEM><?PAGE NO="5"?><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>de dienstverlener, zodra hij van het bovenbedoelde daadwerkelijk kennis heeft of besef krijgt, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.</TXT></NP></ITEM></LIST></ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="014.002"><NO.PARAG>2.</NO.PARAG><ALINEA>Lid 1 is niet van toepassing wanneer de afnemer van de dienst op gezag of onder toezicht van de dienstverlener handelt.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="014.003"><NO.PARAG>3.</NO.PARAG><ALINEA>Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een rechtbank of een administratieve autoriteit om in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaat te eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of voorkomt. Het doet evenmin afbreuk aan de mogelijkheid voor lidstaten om procedures vast te stellen om informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.<QUOT.END REF.START="QS0013" CODE="201D" ID="QE0013"/></ALINEA></PARAG></P></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0010"><NO.P>10.</NO.P><TXT>Artikel 15 van die richtlijn, met als opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0014" REF.END="QE0014"/>Geen algemene toezichtverplichting<QUOT.END REF.START="QS0014" CODE="201D" ID="QE0014"/>, bepaalt in lid 1 ervan het volgende:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0015" REF.END="QE0015"/>Met betrekking tot de levering van de in de artikelen 12, 13 en 14 bedoelde diensten leggen de lidstaten de dienstverleners geen algemene verplichting op om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.<QUOT.END REF.START="QS0015" CODE="201D" ID="QE0015"/></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">B.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Richtlijn 2001/29</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0011"><NO.P>11.</NO.P><TXT>Overweging 27 van richtlijn 2001/29 luidt dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0016" REF.END="QE0016"/>[d]e [eenvoudige] beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten [...] op zich geen mededeling in de zin van deze richtlijn [is]<QUOT.END REF.START="QS0016" CODE="201D" ID="QE0016"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0012"><NO.P>12.</NO.P><TXT>In artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0017" REF.END="QE0017"/>Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek<QUOT.END REF.START="QS0017" CODE="201D" ID="QE0017"/>, wordt het volgende bepaald:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="003.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0018" REF.END="QE0018"/>1.</NO.PARAG><ALINEA>De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="003.002"><NO.PARAG>2.</NO.PARAG><ALINEA><P>De lidstaten voorzien ten behoeve van:</P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen;</TXT></NP></ITEM></LIST><P>[...]</P><P>in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd er toegang toe hebben, toe te staan of te verbieden.</P></ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="003.003"><NO.PARAG>3.</NO.PARAG><ALINEA>De in de leden 1 en 2 bedoelde rechten worden niet uitgeput door enige handeling, bestaande in een mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling aan het publiek overeenkomstig dit artikel.<QUOT.END REF.START="QS0018" CODE="201D" ID="QE0018"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><?PAGE NO="6"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0013"><NO.P>13.</NO.P><TXT>Artikel 8 van die richtlijn, met als opschrift <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0019" REF.END="QE0019"/>Sancties en rechtsmiddelen<QUOT.END REF.START="QS0019" CODE="201D" ID="QE0019"/>, bepaalt in lid 3 ervan dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0020" REF.END="QE0020"/>[d]e lidstaten [...] ervoor [zorgen] dat de rechthebbenden kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten<QUOT.END REF.START="QS0020" CODE="201D" ID="QE0020"/>.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">III.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Hoofdgedingen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">A.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Zaak C‑682/18</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">1.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">YouTube</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0014"><NO.P>14.</NO.P><TXT>YouTube is een internetplatform dat wordt beheerd door de gelijknamige vennootschap, waarvan Google de enige vennoot en wettelijke vertegenwoordiger is. Via dat platform, dat verschillende websites en apps voor slimme apparaten omvat, kunnen gebruikers video’s online delen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0015"><NO.P>15.</NO.P><TXT>Voor het uploaden van een video naar YouTube dient een account te worden aangemaakt, met een gebruikersnaam en wachtwoord, en dienen de algemene gebruiksvoorwaarden van dat platform te worden aanvaard. Gebruikers die, nadat zij zich op die manier hebben geregistreerd, een video uploaden, hebben de keuze om deze <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0021" REF.END="QE0021"/>privé<QUOT.END REF.START="QS0021" CODE="201D" ID="QE0021"/> te houden of op het platform te plaatsen. In het tweede geval kan de betrokken video onafgebroken via dat platform worden bekeken (<HT TYPE="ITALIC">streaming</HT>) en door elke internetgebruiker worden gedeeld, en door de andere geregistreerde gebruikers van commentaar worden voorzien. Geregistreerde gebruikers kunnen ook <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0022" REF.END="QE0022"/>kanalen<QUOT.END REF.START="QS0022" CODE="201D" ID="QE0022"/> aanmaken om hun video’s te groeperen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0016"><NO.P>16.</NO.P><TXT>Het plaatsen van een video op dat platform geschiedt automatisch, zonder voorafgaande inzage of controle door Google of YouTube. Op die manier zouden bijna 35 uren aan videomateriaal per minuut<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0006"><P>Het betreft het door de appelrechter in de hoofdzaak vastgestelde aantal uren. Google vermeldt 400 uren aan videomateriaal per minuut.</P></NOTE> op dat platform worden geplaatst, hetgeen meerdere honderdduizenden video’s per dag vertegenwoordigt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0017"><NO.P>17.</NO.P><TXT>YouTube heeft een ingebouwde zoekfunctie en bij de verwerking van de zoekresultaten wordt met name beoordeeld of de video’s specifiek voor de regio van de gebruiker relevant zijn. Het resultaat van die beoordeling wordt op de homepage samengevat in de vorm van de rubrieken <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0023" REF.END="QE0023"/>momenteel bekeken video’s<QUOT.END REF.START="QS0023" CODE="201D" ID="QE0023"/>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0024" REF.END="QE0024"/>gepromote video’s<QUOT.END REF.START="QS0024" CODE="201D" ID="QE0024"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0025" REF.END="QE0025"/>trendy video’s<QUOT.END REF.START="QS0025" CODE="201D" ID="QE0025"/>. YouTube indexeert de beschikbare video’s en kanalen in rubrieken als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0026" REF.END="QE0026"/>amusement<QUOT.END REF.START="QS0026" CODE="201D" ID="QE0026"/>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0027" REF.END="QE0027"/>muziek<QUOT.END REF.START="QS0027" CODE="201D" ID="QE0027"/> of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0028" REF.END="QE0028"/>film en animatie<QUOT.END REF.START="QS0028" CODE="201D" ID="QE0028"/>. Aan een geregistreerde gebruiker die gebruikmaakt van het platform, wordt voorts een overzicht getoond met <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0029" REF.END="QE0029"/>aanbevolen video’s<QUOT.END REF.START="QS0029" CODE="201D" ID="QE0029"/>, dat met name op eerder door die gebruiker bekeken video’s is gebaseerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0018"><NO.P>18.</NO.P><TXT>Met haar platform verwerft YouTube onder meer reclame-inkomsten. Aldus verschijnen aan de rand van de homepage van het platform reclamebanners van externe adverteerders. Voorts worden aan sommige video’s reclameboodschappen toegevoegd, waarvoor tussen de betrokken gebruikers en YouTube een specifieke overeenkomst moet worden gesloten.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="7"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0019"><NO.P>19.</NO.P><TXT>Volgens de algemene gebruiksvoorwaarden van YouTube verleent elke gebruiker op de door hem geüploade video’s, totdat deze van het platform worden verwijderd, een wereldwijde, niet-exclusieve en kosteloze licentie aan YouTube voor gebruik, reproductie, verspreiding, creatie van afgeleide werken, tentoonstelling, praktische beschikbaarstelling van het platform en uitoefening van de activiteiten van YouTube, waaronder die op het vlak van reclame.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0020"><NO.P>20.</NO.P><TXT>Door die algemene voorwaarden te aanvaarden, bevestigen de gebruikers dat zij beschikken over alle nodige rechten, akkoorden, toelatingen en licenties met betrekking tot de door hen geüploade video’s. In de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0030" REF.END="QE0030"/>richtsnoeren van de community<QUOT.END REF.START="QS0030" CODE="201D" ID="QE0030"/> roept YouTube de gebruikers van haar platform bovendien op om het auteursrecht te eerbiedigen. Voorts worden die gebruikers er bij elke upload op gewezen dat geen enkele video die op het auteursrecht inbreuk maakt op het platform mag worden geplaatst.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0021"><NO.P>21.</NO.P><TXT>YouTube heeft verschillende technische voorzieningen getroffen om inbreuken op haar platform te beëindigen en te voorkomen. Iedereen kan haar per brief, telefax of e-mail of via het webformulier de aanwezigheid van een onwettige video melden. Met behulp van een meldknop kan aanstootgevende of inbreukmakende content worden gesignaleerd. Rechthebbenden kunnen eveneens via een speciale alarmprocedure maximaal tien video’s die zij concreet betwisten, met vermelding van de corresponderende internetadressen (URL’s) van het platform doen verwijderen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0022"><NO.P>22.</NO.P><TXT>YouTube heeft voorts een programma opgezet om content te controleren (Content Verification Program). Dat programma staat open voor ondernemingen die zich daarvoor hebben aangemeld, niet voor gewone particulieren. Het biedt de betrokken rechthebbenden verschillende hulpmiddelen aan om het gebruik van hun werken op het platform gemakkelijker te kunnen controleren. Zij kunnen met name rechtstreeks in een lijst met video’s aanvinken welke daarvan volgens hen inbreuk maken op hun rechten. Wanneer een video op grond van een dergelijke melding wordt geblokkeerd, wordt de gebruiker die deze heeft geüpload, gewaarschuwd dat zijn account zal worden vergrendeld indien er een nieuwe inbreuk plaatsvindt. Daarnaast stelt YouTube de rechthebbenden die aan dat programma deelnemen, de door Google ontwikkelde software voor contentherkenning <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0031" REF.END="QE0031"/>Content ID<QUOT.END REF.START="QS0031" CODE="201D" ID="QE0031"/> ter beschikking, die is bedoeld om video’s die van hun werken gebruikmaken automatisch te detecteren. Volgens de uitleg van Google dienen de rechthebbenden ter identificatie van de betrokken werken referentiebestanden voor audio of video aan YouTube te verstrekken. Content ID maakt van die bestanden <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0032" REF.END="QE0032"/>vingerafdrukken<QUOT.END REF.START="QS0032" CODE="201D" ID="QE0032"/>, die worden bewaard in een databank. Content ID scant automatisch elk naar YouTube geüpload videobestand en vergelijkt dit met die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0033" REF.END="QE0033"/>afdrukken<QUOT.END REF.START="QS0033" CODE="201D" ID="QE0033"/>. De software is daarbij in staat de beeld- en geluidsopnamen te herkennen, met inbegrip van de melodieën die zijn overgenomen of geïmiteerd. De betrokken rechthebbenden worden automatisch in kennis gesteld van een eventuele match. Zij kunnen de betrokken video’s blokkeren. Als alternatief kunnen zij ervoor opteren om het gebruik van die video’s op YouTube te volgen aan de hand van bezoekersstatistieken. Voorts hebben zij nog de keuze om geld met die video’s te verdienen door er reclameboodschappen aan toe te voegen of door een deel van de inkomsten te innen die voortkomen uit de reclameboodschappen die voordien op verzoek van de gebruikers die deze video’s hadden geüpload, waren toegevoegd.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="8"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">2.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Beroep van Peterson</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0023"><NO.P>23.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20081106">6</DATE> en <DATE ISO="20081107">7 november 2008</DATE> hebben gebruikers van YouTube muziekstukken naar dat platform geüpload die afkomstig waren van het album <HT TYPE="ITALIC">A Winter Symphony</HT> van de artieste Sarah Brightman, alsook van particuliere audio-opnamen van concerten in het kader van haar <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0034" REF.END="QE0034"/>Symphony Tour<QUOT.END REF.START="QS0034" CODE="201D" ID="QE0034"/>, en die waren gekoppeld aan stilstaande of bewegende beelden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0024"><NO.P>24.</NO.P><TXT>Bij brief van <DATE ISO="20081107">7 november 2008</DATE> heeft Peterson, die zich beroept op het auteursrecht en naburige rechten op de betrokken muziekstukken en opname<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0007"><P>Peterson beroept zich meer bepaald op eigen rechten als producent van het album <HT TYPE="ITALIC">A Winter Symphony</HT>, alsook op eigen en van de artieste afgeleide rechten ten aanzien van de uitvoering van muziekstukken van dat album die zijn tot stand gebracht met zijn artistieke bijdrage als producent en achtergrondzanger. Voorts stelt hij met betrekking tot de concertopnamen van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0035" REF.END="QE0035"/>Symphony Tour<QUOT.END REF.START="QS0035" CODE="201D" ID="QE0035"/> componist en tekstschrijver te zijn van verschillende muziekstukken van dat album. Daarnaast zou hij als editor van meerdere muziekstukken van de auteurs afgeleide rechten hebben.</P></NOTE>, zich gewend tot Google Germany GmbH, en die vennootschap en Google in wezen gelast om de litigieuze video’s te verwijderen op straffe van sancties. Hiervoor heeft Peterson screenshots van die video’s overgelegd. YouTube heeft handmatig, aan de hand van die screenshots, een onderzoek ingesteld naar de internetadressen (URL) van die video’s en heeft deze URL’s geblokkeerd. Partijen in het hoofdgeding verschillen evenwel van mening wat de omvang van die blokkeringsmaatregelen betreft.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0025"><NO.P>25.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20081119">19 november 2008</DATE> waren geluidsopnamen van concerten van Sarah Brightman, gekoppeld aan stilstaande of bewegende beelden, wederom op YouTube toegankelijk.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0026"><NO.P>26.</NO.P><TXT>Daarop heeft Peterson bij het Landgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) beroep ingesteld tegen met name<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0008"><P>Peterson had daarnaast YouTube Inc. en Google Germany gedagvaard, maar volgens de verwijzende rechter zijn die vennootschappen niet langer partijen in het hoofdgeding.</P></NOTE> Google en YouTube. In het kader daarvan heeft Peterson in essentie verzocht om die vennootschappen een verbod op te leggen om twaalf audio-opnamen of uitvoeringen van het album <HT TYPE="ITALIC">A Winter Symphony</HT> en twaalf werken of uitvoeringen van de concerten van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0036" REF.END="QE0036"/>Symphony Tour<QUOT.END REF.START="QS0036" CODE="201D" ID="QE0036"/> beschikbaar te stellen voor het publiek dan wel, subsidiair, om derden daartoe de mogelijkheid te geven. Peterson heeft eveneens verzocht om gegevens te verkrijgen over de betrokken inbreuken en over de inkomsten of winst die YouTube met die activiteiten heeft gerealiseerd. Voorts heeft hij verzocht om in rechte vast te stellen dat die vennootschap hem met name een schadevergoeding moet betalen voor de beschikbaarstelling voor het publiek van de litigieuze video’s. Ten slotte heeft Peterson subsidiair verzocht om gegevens te verkrijgen over de gebruikers die deze video’s hebben geüpload.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0027"><NO.P>27.</NO.P><TXT>Bij vonnis van <DATE ISO="20100903">3 september 2010</DATE> heeft het Landgericht Hamburg het beroep toegewezen met betrekking tot drie muziekstukken en het verworpen voor het overige. Zowel Peterson als YouTube en Google hebben tegen die beslissing hoger beroep ingesteld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0028"><NO.P>28.</NO.P><TXT>Bij arrest van <DATE ISO="20150701">1 juli 2015</DATE> heeft het Oberlandesgericht Hamburg (hoogste rechter van de deelstaat Hamburg, Hamburg, Duitsland) het in eerste aanleg gewezen vonnis gedeeltelijk vernietigd. Die rechter heeft YouTube en Google verboden, op straffe van een dwangsom, om derden de mogelijkheid te bieden audio-opnamen of uitvoeringen van zeven van de muziekstukken van het album <HT TYPE="ITALIC">A Winter Symphony</HT> beschikbaar te stellen voor het publiek. Boven heeft die rechter die vennootschappen ertoe veroordeeld Peterson verschillende gegevens te verstrekken over de gebruikers die de litigieuze video’s hebben geüpload. Die rechter heeft het hoger beroep van Peterson verworpen voor het overige.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="9"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0029"><NO.P>29.</NO.P><TXT>Peterson heeft beroep in <HT TYPE="ITALIC">Revision</HT> ingesteld bij het Bundesgerichtshof. In die omstandigheden heeft die rechter bij beslissing van <DATE ISO="20180913">13 september 2018</DATE>, ingekomen bij het Hof op <DATE ISO="20181106">6 november 2018</DATE>, de behandeling van de zaak geschorst en zich gewend tot het Hof.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">B.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Zaak C‑683/18</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">1.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Uploaded</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0030"><NO.P>30.</NO.P><TXT>Uploaded is een host- en deelplatform voor bestanden – doorgaans aangeduid als een <HT TYPE="ITALIC">sharehoster</HT> of <HT TYPE="ITALIC">cyberlocker</HT> – dat wordt beheerd door Cyando. Dat platform, dat toegankelijk is via verschillende websites, biedt opslagruimte aan waarmee iedereen kosteloos bestanden met om het even welke content online kan plaatsen. Om van Uploaded te kunnen gebruikmaken, dient een account te worden aangemaakt – met een gebruikersnaam en wachtwoord – door met name een e-mailadres te verstrekken. Het plaatsen van een bestand op het platform geschiedt automatisch en zonder voorafgaande inzage of controle door Cyando. Telkens wanneer een bestand door een gebruiker wordt geüpload, wordt er automatisch een hyperlink voor het downloaden ervan, een zogenaamde <HT TYPE="ITALIC">download link</HT>, gegenereerd en aan die gebruiker meegedeeld. Uploaded bevat geen index van de gehoste bestanden, noch een zoekfunctie waarmee deze kunnen worden teruggevonden. Gebruikers kunnen de <HT TYPE="ITALIC">download links</HT> evenwel vrij delen op bijvoorbeeld internet, blogs of fora, maar ook op <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0037" REF.END="QE0037"/>linkverzamelingen<QUOT.END REF.START="QS0037" CODE="201D" ID="QE0037"/>; dit zijn websites die deze links indexeren, informatie verschaffen met betrekking tot de bestanden waarnaar zij verwijzen en internetgebruikers in staat stellen de bestanden te vinden die zij willen downloaden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0031"><NO.P>31.</NO.P><TXT>Voor zover internetgebruikers over een account en de juiste links beschikken, kunnen de op Uploaded gehoste bestanden kosteloos worden gedownload. Voor gebruikers met gewoon gratis toegang tot het platform zijn de mogelijkheden om bestanden te downloaden evenwel beperkt (met name in termen van maximumhoeveelheid downloadbare gegevens, downloadsnelheid, aantal gelijktijdige downloads enz.). Gebruikers kunnen evenwel ook een betaald abonnement nemen om gebruik te maken van een veel groter dagelijks downloadvolume, zonder beperking van de downloadsnelheid of het aantal gelijktijdige downloads en zonder wachttijd tussen downloads. Voorts heeft Cyando een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0038" REF.END="QE0038"/>partnerschapsprogramma<QUOT.END REF.START="QS0038" CODE="201D" ID="QE0038"/> opgezet in het kader waarvan zij aan bepaalde gebruikers die bestanden naar Uploaded uploaden, een vergoeding betaalt die is gebaseerd op het aantal downloads van de betrokken bestanden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0032"><NO.P>32.</NO.P><TXT>Volgens de algemene gebruiksvoorwaarden van Uploaded mag dit platform niet worden gebruikt om inbreuk te maken op het auteursrecht. Dat neemt niet weg dat dit platform in de praktijk niet alleen wordt gebruikt voor legale toepassingen, maar tevens <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0039" REF.END="QE0039"/>in belangrijke mate<QUOT.END REF.START="QS0039" CODE="201D" ID="QE0039"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0009"><P>Over de precieze omvang ervan zijn partijen in het hoofdgeding het niet eens en de nationale rechters hebben ter zake geen vaststellingen gedaan.</P></NOTE> voor toepassingen die inbreuk maken op het auteursrecht, en waarvan Cyando besef heeft. Dienaangaande is Cyando in kennis gesteld van meer dan <FT TYPE="NUMBER">9500</FT> beschermde werken op haar servers die zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbenden waren geüpload en waarvoor <HT TYPE="ITALIC">download links</HT> zijn gedeeld op ongeveer 800 websites (linkverzamelingen, blogs en fora), die haar bekend zijn.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="10"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">2.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Beroep van Elsevier</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0033"><NO.P>33.</NO.P><TXT>Uit de verwijzingsbeslissing in zaak C‑683/18 blijkt dat een aantal beschermde werken, waarop Elsevier exclusieve licentierechten heeft, zonder de toestemming van die vennootschap zijn gehost op het platform Uploaded en beschikbaar zijn gesteld voor het publiek via linkverzamelingen, blogs en andere fora. Met name op basis van onderzoek dat is uitgevoerd van 11 tot en met <DATE ISO="20131213">13 december 2013</DATE> heeft die onderneming bij twee brieven, die zijn verstuurd op <DATE ISO="20140110">10</DATE> en <DATE ISO="20140117">17 januari 2014</DATE>, Cyando in kennis gesteld van het feit dat bestanden met drie van die werken, te weten <HT TYPE="ITALIC">Gray’s Anatomy for Students</HT>, <HT TYPE="ITALIC">Atlas of Human Anatomy</HT> en <HT TYPE="ITALIC">Campbell-Walsh Urology</HT>, op haar servers waren opgeslagen en vrij konden worden opgevraagd met behulp van de linkverzamelingen rehabgate.com, avaxhome.ws en bookarchive.ws.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0034"><NO.P>34.</NO.P><TXT>Elsevier heeft tegen Cyando een zaak aanhangig gemaakt bij het Landgericht München (rechter in eerste aanleg München, Duitsland), waarvan kennis is gegeven op <DATE ISO="20140717">17 juli 2014</DATE>. In dat kader heeft Elsevier met name verzocht om Cyando te veroordelen tot staking, primair, als inbreukmaker op het auteursrecht met betrekking tot de litigieuze werken, subsidiair, als medeplichtige aan die inbreuken, en, uiterst subsidiair, als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0040" REF.END="QE0040"/>verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0040" CODE="201D" ID="QE0040"/> (<HT TYPE="ITALIC">Störer</HT>). Elsevier heeft eveneens verzocht om Cyando te veroordelen haar bepaalde gegevens te verstrekken. Voorts heeft Elsevier die rechter verzocht om vast te stellen dat Cyando haar een schadevergoeding voor die inbreuken dient te betalen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0035"><NO.P>35.</NO.P><TXT>Bij vonnis van <DATE ISO="20160318">18 maart 2016</DATE> heeft het Landgericht München Cyando veroordeeld tot staking op grond van haar betrokkenheid bij inbreuken op het auteursrecht met betrekking tot de drie in de brieven van <DATE ISO="20140110">10</DATE> en <DATE ISO="20140117">17 januari 2014</DATE> genoemde werken, en heeft het de verzoeken toegewezen die door Elsevier subsidiair waren geformuleerd. Die rechter heeft het beroep verworpen voor het overige.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0036"><NO.P>36.</NO.P><TXT>Zowel Elsevier als Cyando hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij arrest van <DATE ISO="20170302">2 maart 2017</DATE> heeft het Oberlandesgericht München (hoogste rechter van de deelstaat Beieren, München, Duitsland) het in eerste aanleg gewezen arrest vernietigd. Die rechter heeft Cyando overeenkomstig het door Elsevier uiterst subsidiair geformuleerde verzoek veroordeeld tot staking in haar hoedanigheid van <HT TYPE="ITALIC">Störer</HT> met betrekking tot de inbreuken aangaande de drie in de brieven van <DATE ISO="20140110">10</DATE> en <DATE ISO="20140117">17 januari 2014</DATE> genoemde werken. De appelrechter heeft het hoger beroep verworpen voor het overige.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0037"><NO.P>37.</NO.P><TXT>Elsevier heeft beroep in <HT TYPE="ITALIC">Revision</HT> ingesteld bij het Bundesgerichtshof. Daarop heeft die rechter bij beslissing van <DATE ISO="20180920">20 september 2018</DATE>, ingekomen bij het Hof op <DATE ISO="20181106">6 november 2018</DATE>, de behandeling van de zaak geschorst en zich gewend tot het Hof.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">IV.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Prejudiciële vragen en procedure bij het Hof</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0038"><NO.P>38.</NO.P><TXT>In zaak C‑682/18 heeft het Bundesgerichtshof het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0041" REF.END="QE0041"/>1)</NO.P><TXT>Verricht de exploitant van een internetvideoplatform, waar gebruikers video’s met auteursrechtelijk beschermde content zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar stellen voor het publiek, een handeling bestaande in een mededeling in de zin van artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2001/29], wanneer:</TXT><?PAGE NO="11"?><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>hij met het platform reclame-inkomsten verwerft,</P></ITEM><ITEM><P>het [online plaatsen van video’s] automatisch en zonder voorafgaande inzage of controle door de exploitant verloopt,</P></ITEM><ITEM><P>de exploitant volgens de gebruiksvoorwaarden voor de duur van de plaatsing van de video’s een wereldwijde, niet-exclusieve en kosteloze licentie verkrijgt,</P></ITEM><ITEM><P>de exploitant er in de gebruiksvoorwaarden en in het kader van het [online plaatsen] op wijst dat er geen inbreukmakende content mag worden geplaatst,</P></ITEM><ITEM><P>de exploitant hulpmiddelen ter beschikking stelt waarmee rechthebbenden inbreukmakende video’s kunnen blokkeren,</P></ITEM><ITEM><P>de exploitant op het platform een analyse van de zoekresultaten verricht in de vorm van ranglijsten en inhoudelijke rubrieken, en geregistreerde gebruikers een overzicht toont met aanbevolen video’s, dat is gebaseerd op door deze gebruikers reeds bekeken video’s,</P></ITEM></LIST></P><P>indien hij niet concreet kennis heeft van het feit dat content die inbreuk maakt op het auteursrecht beschikbaar is of hij, nadat hij deze kennis heeft verkregen, deze content onverwijld verwijdert of onmiddellijk de toegang daartoe blokkeert?</P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:</TXT><P>Valt de activiteit van de exploitant van een internetvideoplatform onder de in de eerste vraag beschreven omstandigheden binnen het toepassingsgebied van artikel 14, lid 1, van [richtlijn 2000/31]?</P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>Voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:</TXT><P>Moet de daadwerkelijke kennis van de onwettige activiteit of informatie en het besef van de feiten of omstandigheden waaruit de onwettige aard van de activiteiten of informatie blijkt, overeenkomstig artikel 14, lid 1, van [richtlijn 2000/31] betrekking hebben op concrete onwettige activiteiten of informatie?</P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>4)</NO.P><TXT>Daarenboven, voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:</TXT><P>Is het verenigbaar met artikel 8, lid 3, van [richtlijn 2001/29], wanneer de rechthebbende ten aanzien van een dienstverlener wiens dienst bestaat in de opslag van door een gebruiker van de dienst ingevoerde informatie en wiens dienst door een gebruiker is gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten, pas om een verbod kan verzoeken wanneer er na de melding van een duidelijke inbreuk op het recht opnieuw een dergelijke inbreuk heeft plaatsgevonden?</P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>5)</NO.P><TXT>Voor het geval dat de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord:</TXT><P>Is de exploitant van een internetvideoplatform onder de in de eerste vraag beschreven omstandigheden te beschouwen als inbreukmaker in de zin van artikel 11, eerste volzin, en artikel 13 van [richtlijn 2004/48]?</P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>6)</NO.P><TXT>Voor het geval dat de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord:</TXT><?PAGE NO="12"?><P>Mag de verplichting van een dergelijke inbreukmaker tot betaling van een schadevergoeding krachtens artikel 13, lid 1, van [richtlijn 2004/48] afhankelijk worden gesteld van het feit dat de inbreukmaker zowel met betrekking tot zijn eigen inbreuk alsook met betrekking tot de inbreuk van de derde opzettelijk heeft gehandeld en wist of redelijkerwijs had moeten weten dat gebruikers het platform voor concrete inbreuken gebruiken?<QUOT.END REF.START="QS0041" CODE="201D" ID="QE0041"/></P></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0039"><NO.P>39.</NO.P><TXT>In zaak C‑683/18 heeft die rechter eveneens zes prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd, waarbij de tweede tot en met de zesde vraag in wezen dezelfde zijn als die in zaak C‑682/18. Enkel de eerste vraag, die hieronder is weergegeven, verschilt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0042" REF.END="QE0042"/>1)</NO.P><TXT><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>Verricht de exploitant van een host- en sharedienst waarmee gebruikers bestanden met auteursrechtelijk beschermde content zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar stellen voor het publiek, een handeling bestaande in een mededeling in de zin van artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2001/29], wanneer:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>het [online plaatsen van bestanden] automatisch en zonder voorafgaande inzage of controle door de exploitant verloopt,</P></ITEM><ITEM><P>de exploitant er in de gebruiksvoorwaarden op wijst dat geen inbreukmakende content mag worden geplaatst,</P></ITEM><ITEM><P>hij met het beheer van de dienst inkomsten verwerft,</P></ITEM><ITEM><P>de dienst wordt gebruikt voor legale toepassingen, maar de exploitant zich ervan bewust is dat ook zeer veel content (meer dan <FT TYPE="NUMBER">9500</FT> werken) beschikbaar is die inbreuk maakt op het auteursrecht,</P></ITEM><ITEM><P>de exploitant geen index en geen zoekfunctie aanbiedt, maar de door hem beschikbaar gestelde onbeperkte <HT TYPE="ITALIC">download links</HT> door derden op internet worden geplaatst in de vorm van linkverzamelingen, die informatie betreffende de content van de bestanden bevatten en het zoeken naar bepaalde content mogelijk maken,</P></ITEM><ITEM><P>hij door de regeling van de door hem afhankelijk van de vraag betaalde vergoeding voor downloads, ertoe aanzet auteursrechtelijk beschermde content te uploaden, die voor gebruikers verder alleen is te verkrijgen tegen betaling,</P></ITEM></LIST><P>en</P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>hij het, door het bieden van de mogelijkheid om bestanden anoniem te uploaden, waarschijnlijker maakt dat gebruikers niet ter verantwoording worden geroepen voor inbreuken op het auteursrecht?</P></ITEM></LIST></P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>Verandert deze beoordeling wanneer het inbreukmakend aanbod 90 tot 96 % uitmaakt van het totale gebruik van de host- en sharedienst?<QUOT.END REF.START="QS0042" CODE="201D" ID="QE0042"/></TXT></NP></ITEM></LIST></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0040"><NO.P>40.</NO.P><TXT>Bij beslissing van de president van het Hof van <DATE ISO="20181218">18 december 2018</DATE> zijn de zaken C‑682/18 en C‑683/18 wegens hun verknochtheid gevoegd voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en voor het arrest.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="13"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0041"><NO.P>41.</NO.P><TXT>Peterson, Elsevier, Google, Cyando, de Duitse regering, de Franse regering, de Finse regering, en de Europese Commissie hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend. Diezelfde partijen en belanghebbenden, met uitzondering van de Finse regering, werden vertegenwoordigd tijdens de pleitzitting van <DATE ISO="20191126">26 november 2019</DATE>.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">V.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Analyse</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0042"><NO.P>42.</NO.P><TXT>De achtergrond van de onderhavige zaken wordt gevormd door de diensten van het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0043" REF.END="QE0043"/>web 2.0<QUOT.END REF.START="QS0043" CODE="201D" ID="QE0043"/>. Ik breng in herinnering dat vanaf het midden van het eerste decennium van deze eeuw diverse veranderingen op technologisch vlak (gaande van de toename van de mondiale bandbreedte tot de democratisering van snelle internetverbindingen) en op maatschappelijk vlak (zowel de veranderde attitudes van internetgebruikers ten aanzien van het privéleven als het verlangen om te delen, bij te dragen en onlinecommunity’s tot stand te brengen) hebben geleid tot de ontwikkeling van dynamische en interactieve internetdiensten als blogs, sociale netwerken en deelplatformen, die allemaal hulpmiddelen vormen waarmee de gebruikers van die diensten allerlei content, die dan wordt aangeduid als <HT TYPE="ITALIC">user-created content</HT> of <HT TYPE="ITALIC">user-generated content</HT>, online kunnen delen. De aanbieders van die diensten maken aanspraak op het feit dat zij internetgebruikers in staat stellen niet langer alleen passief vermakelijkheden, standpunten of informatie te consumeren maar actief betrokken te worden bij de totstandbrenging en uitwisseling van die onlinecontent. Dankzij het netwerkeffect dat inherent is aan het succes van een dergelijke dienst, hebben een klein aantal van die dienstverleners snel de stap kunnen zetten van start-up naar dominante onderneming.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0010"><P>Zie voor meer informatie Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0044" REF.END="QE0044"/>Participative Web: User-Created Content<QUOT.END REF.START="QS0044" CODE="201D" ID="QE0044"/>, <HT TYPE="ITALIC">Working Party on the Information Economy</HT>, DSTI/ICCP/IE(2006)7/Final, <DATE ISO="20070412">12 april 2007</DATE>.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0043"><NO.P>43.</NO.P><TXT>Het platform YouTube, dat in zaak C‑682/18 aan de orde is, is in dat verband representatief. Dat platform biedt de gebruikers ervan (die met meer dan 1,9 miljard zijn volgens Google) de mogelijkheid content, en met name hun creaties, online te delen. Aldus worden elke dag tal van video’s online geplaatst, waaronder culturele content en vermaak, zoals muziekstukken van opkomende artiesten die zo een breed publiek kunnen bereiken, informatieve content over uiteenlopende onderwerpen als politiek, sport en religie, en <HT TYPE="ITALIC">tutorials</HT> waarmee wordt beoogd iedereen de kans te geven om te leren koken, gitaar te spelen, een fiets te herstellen enz. Niet alleen particulieren, maar ook overheidsinstanties en beroepsbeoefenaars, waaronder gevestigde mediabedrijven zoals televisiestations of platenmaatschappijen, plaatsen content op YouTube. YouTube heeft een ingewikkeld bedrijfsmodel dat met name de verkoop van reclameruimte op haar platform omvat.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0011"><P>Zoals de Duitse regering heeft benadrukt, vergaart YouTube een aanzienlijk aantal persoonsgegevens over de internetgebruikers die haar platform bezoeken, over de manier waarop zij van dat platform gebruikmaken, over hun inhoudelijke voorkeuren enz., en zijn die gegevens met name bedoeld om reclame via dat platform af te stemmen op de gebruiker. De vragen die deze veralgemeende gegevensinzameling en de behandeling ervan oproepen, vallen evenwel buiten het bestek van de onderhavige conclusie.</P></NOTE> Voorts heeft YouTube een regeling ingevoerd op grond waarvan zij een percentage van haar reclame-inkomsten deelt met bepaalde gebruikers die content verstrekken, waardoor deze via het platform inkomsten kunnen verwerven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0012"><P>Zie voor meer informatie Fontaine, G., Grece, C., en Jimenez Pumares, M., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0045" REF.END="QE0045"/>Online video sharing: Offerings, audiences, economic aspects<QUOT.END REF.START="QS0045" CODE="201D" ID="QE0045"/>, <HT TYPE="ITALIC">European Audiovisual Observatory</HT>, Straatsburg, 2018.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0044"><NO.P>44.</NO.P><TXT>Het platform Uploaded, dat in zaak C‑683/18 aan de orde is, betreft een aangelegenheid die weliswaar daarmee verband houdt, maar toch ervan verschilt. Over het algemeen biedt een <HT TYPE="ITALIC">cyberlocker</HT> gebruikers onlineopslagruimte waar deze met name <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0046" REF.END="QE0046"/>in de cloud<QUOT.END REF.START="QS0046" CODE="201D" ID="QE0046"/> allerlei bestanden kunnen bewaren die op elk ogenblik, vanop de plaats die zij willen en met om het even welk toestel kunnen worden opgevraagd. Als <HT TYPE="ITALIC">sharehoster</HT> heeft Uploaded eveneens een ingebouwde<?PAGE NO="14"?> functie voor het delen van op dat platform gehoste bestanden. Gebruikers kunnen dus de <HT TYPE="ITALIC">download links</HT> die voor elk geüpload bestand worden gegenereerd, meedelen aan derden. Die functie is volgens Cyando bedoeld om ervoor te zorgen dat iedereen gemakkelijk omvangrijke bestanden kan overdragen aan familieleden, vrienden of zakenpartners. Voorts kunnen gebruikers met die functie content die vrij van rechten is, of eigen werken, online delen. <HT TYPE="ITALIC">Cyberlockers</HT> hanteren uiteenlopende bedrijfsmodellen. Uploaded haalt van haar kant inkomsten uit de verkoop van abonnementen die bepalen welk volume gehoste bestanden kan worden gedownload.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0045"><NO.P>45.</NO.P><TXT>Ofschoon platformen als YouTube en Uploaded aldus voor uiteenlopende legale toepassingen kunnen worden gebruikt, is er op die platformen ook sprake van onrechtmatig gebruik. In het bijzonder bevatten op YouTube gedeelde video’s mogelijk beschermde werken en kunnen ze inbreuk maken op de rechten van hun auteurs. Bovendien vormt een <HT TYPE="ITALIC">sharehoster</HT> als Uploaded, specifiek door zijn vermogen om omvangrijke bestanden op te slagen en over te dragen, een praktisch hulpmiddel om illegaal kopieën van met name cinematografische en muzikale werken uit te wisselen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0046"><NO.P>46.</NO.P><TXT>Rechthebbenden als Peterson en Elsevier, die in het onderhavige geval worden ondersteund door de Franse regering, schetsen een negatief beeld van de betrokken platformen en hun exploitanten. Door om het even welke internetgebruiker via die platformen in staat te stellen gedecentraliseerd en ongecontroleerd content aan te bieden, zorgen die exploitanten voor een aanzienlijk risico op inbreuken op het auteursrecht. Dat risico is vele malen groter doordat de op die platformen geplaatste content overal beschikbaar is en ogenblikkelijk kan worden opgevraagd door een onbepaald aantal internetgebruikers, waar ook ter wereld zij zich bevinden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0013"><P>Zie naar analogie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140513">13 mei 2014</DATE>, <NAME.CASE>Google Spain en Google</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑131/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:317">EU:C:2014:317</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0080">80</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> Daarnaast beroepen de rechthebbenden zich op het feit dat het gerechtelijk vervolgen van gebruikers die via die platformen dergelijke inbreuken plegen, wordt bemoeilijkt door de insolvabiliteit, anonimiteit of ook de locatie van die gebruikers.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0047"><NO.P>47.</NO.P><TXT>De argumenten van de rechthebbenden hebben niet alleen betrekking op het gevaar van inbreuken als gevolg van de activiteit van exploitanten als YouTube of Cyando. Meer in het algemeen verwijten zij die exploitanten – en vooral YouTube – ten koste van hen de waardeketen in de cultuureconomie ingrijpend te hebben gewijzigd. In wezen betogen de rechthebbenden dat genoemde exploitanten gebruikers van hun platformen ertoe aanzetten om aantrekkelijke content online te plaatsen, die in de meeste gevallen auteursrechtelijk beschermd is. Die exploitanten verwerven met die content eigen inkomsten, met name door middel van reclame (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0047" REF.END="QE0047"/>YouTube<QUOT.END REF.START="QS0047" CODE="201D" ID="QE0047"/>-model) dan wel abonnementen (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0048" REF.END="QE0048"/>Cyando<QUOT.END REF.START="QS0048" CODE="201D" ID="QE0048"/>-model), en maken op die manier aanzienlijke winsten zonder evenwel van de rechthebbenden licenties te kopen en dus zonder hun een vergoeding te betalen. De platformexploitanten leggen aldus beslag op het grootste deel van de met die content gecreëerde waarde, wat ten koste gaat van de rechthebbenden – dit is het argument van de <HT TYPE="ITALIC">value gap</HT> (waardekloof), dat in het kader van de vaststelling van richtlijn 2019/790 is besproken. Voorts vormen platformen als YouTube een belemmering voor de rechthebbenden om hun werken op een normale manier te exploiteren. Die platformen maken zich immers schuldig aan oneerlijke mededinging ten aanzien van de traditionele media (radio- en televisiestations enz.) en de aanbieders van digitale content (Spotify, Netflix enz.), die zelf de door hen uitgezonden content tegen betaling aan de rechthebbenden verwerven en die, als gevolg van die oneerlijke mededinging, hun een lagere vergoeding willen betalen om hun<?PAGE NO="15"?> concurrentievermogen te behouden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0014"><P>Zie voor meer informatie International Federation of the Phonographic Industry, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0049" REF.END="QE0049"/>Rewarding creativity: Fixing the value gap<QUOT.END REF.START="QS0049" CODE="201D" ID="QE0049"/>, <HT TYPE="ITALIC">Global music report</HT> <HT TYPE="ITALIC">2017</HT>, en Bensamoun, A., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0050" REF.END="QE0050"/>Le value gap ou le partage de la valeur dans la proposition de directive sur le droit d’auteur dans le marché unique numérique<QUOT.END REF.START="QS0050" CODE="201D" ID="QE0050"/>, <HT TYPE="ITALIC">Entertainment</HT>, Bruylant, nr. 2018‑4, blz. 278‑287.</P></NOTE> Om te komen tot de hoge mate van bescherming van hun intellectuele eigendom dat het Unierecht hun wil waarborgen, en een passende beloning voor het gebruik van hun werk te verkrijgen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0015"><P>Zie de overwegingen 4, 9 en 10 van richtlijn 2001/29.</P></NOTE>, moeten de rechthebbenden zich kunnen wenden tot de platformexploitanten zelf.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0048"><NO.P>48.</NO.P><TXT>In dit stadium is het nuttig om eraan te herinneren dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 ten behoeve van auteurs voorziet in het uitsluitende recht de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0051" REF.END="QE0051"/>mededeling van hun werken aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0051" CODE="201D" ID="QE0051"/>, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0016"><P>Ik zal het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0052" REF.END="QE0052"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0052" CODE="201D" ID="QE0052"/> hanteren om in het algemeen te verwijzen naar handelingen die bestaan in een mededeling aan het publiek in de strikte betekenis en naar handelingen die bestaan in beschikbaarstelling voor het publiek. Indien nodig zal ik specifieker naar de ene of de andere van die categorieën verwijzen. Voorts wordt in artikel 3, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2001/29 een recht van beschikbaarstelling voor het publiek – maar geen recht van mededeling aan het publiek in de strikte betekenis – als naburig recht van het auteursrecht toegekend aan respectievelijk uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen, en producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen. Die bepaling is eveneens van belang in zaak C‑682/18 aangezien Peterson met betrekking tot bepaalde fonogrammen die zonder zijn toestemming zijn geüpload, beschikt over naburige rechten als uitvoerend kunstenaar en/of producent (zie voetnoot 7 van de onderhavige conclusie). Omdat de zaken in de hoofdgedingen zien op handelingen die bestaan in <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0053" REF.END="QE0053"/>beschikbaarstelling voor het publiek<QUOT.END REF.START="QS0053" CODE="201D" ID="QE0053"/>, zoals ik later zal verduidelijken, en dat begrip dezelfde betekenis heeft in lid 1 en lid 2 van dat artikel 3, zal ik mij gemakshalve beperken tot de vermelding van het in lid 1 bedoelde auteursrecht, hoewel mijn analyse eveneens op de in lid 2 opgenomen naburige rechten kan worden toegepast.</P></NOTE> Op dat uitsluitende recht wordt inbreuk gemaakt wanneer beschermd werk door een derde aan het publiek wordt meegedeeld zonder voorafgaande toestemming van de auteur<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0017"><P>Of meer in het algemeen van de houder van het auteursrecht op het betrokken werk, die niet noodzakelijkerwijs de auteur is. In de onderhavige conclusie gebruik ik de begrippen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0054" REF.END="QE0054"/>auteur<QUOT.END REF.START="QS0054" CODE="201D" ID="QE0054"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0055" REF.END="QE0055"/>rechthebbende<QUOT.END REF.START="QS0055" CODE="201D" ID="QE0055"/> door elkaar.</P></NOTE>, tenzij die mededeling valt onder een van de beperkingen en restricties die in artikel 5 van die richtlijn uitputtend zijn bepaald<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0018"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191114">14 november 2019</DATE>, <NAME.CASE>Spedidam</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑484/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:970">EU:C:2019:970</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0049"><NO.P>49.</NO.P><TXT>De rechthebbenden stellen zich op het standpunt dat de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0056" REF.END="QE0056"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0056" CODE="201D" ID="QE0056"/> van werken die gebruikers online plaatsen, wordt verricht door exploitanten als YouTube en Cyando samen met de gebruikers van hun platformen. Voor alle bestanden die deze gebruikers op het platform willen delen, dienen die exploitanten dan ook – alvorens die bestanden online worden geplaatst – na te gaan of deze beschermde werken bevatten, dienen zij vast te stellen wat de bestaande rechten op die werken zijn en zelf een licentie van de houders van die rechten te verkrijgen, over het algemeen tegen betaling, of anders te beletten dat die bestanden online worden geplaatst. Telkens wanneer die exploitanten deze verplichtingen niet nakomen en er, als gevolg daarvan, werken via hun platformen illegaal online worden geplaatst, zijn zij <HT TYPE="ITALIC">rechtstreeks aansprakelijk</HT> overeenkomstig artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29. Als zodanig zijn die exploitanten er met name toe gehouden om overeenkomstig artikel 13 van richtlijn 2004/48 de houders van de betrokken rechten een schadevergoeding te betalen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0050"><NO.P>50.</NO.P><TXT>YouTube en Cyando, die in het onderhavige geval worden ondersteund door de Finse regering en de Commissie, brengen daartegen in dat zij louter <HT TYPE="ITALIC">tussenpersonen</HT> zijn die hulpmiddelen aanbieden waarmee gebruikers van hun platformen werken kunnen meedelen aan het publiek. Derhalve zijn het niet die exploitanten, maar de betrokken gebruikers die de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0057" REF.END="QE0057"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0057" CODE="201D" ID="QE0057"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verrichten, wanneer zij via die platformen bestanden met beschermde werken online delen. Het zijn dus de gebruikers die rechtstreeks aansprakelijk zijn voor een onwettige <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0058" REF.END="QE0058"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0058" CODE="201D" ID="QE0058"/>. Volgens die exploitanten kunnen zij hoe dan ook gebruikmaken van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31. Op grond van<?PAGE NO="16"?> die bepaling dragen zij geen enkele aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit onwettige bestanden die zij op verzoek van gebruikers van hun platformen hebben opgeslagen, op voorwaarde – in essentie – dat zij geen kennis daarvan hebben of die informatie in voorkomend geval prompt hebben verwijderd. Voorts kan overeenkomstig artikel 15, lid 1, van die richtlijn aan die exploitanten geen algemene verplichting worden opgelegd om toe te zien op de bestanden die zij opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden. YouTube en Cyando stellen zich dus op het standpunt dat zij op grond van die bepalingen niet alle door de gebruikers van hun platformen verstrekte bestanden, alvorens deze online worden geplaatst, moeten controleren, maar in essentie snel genoeg moeten reageren op meldingen van rechthebbenden die aangeven dat bepaalde van die bestanden onwettig zijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0051"><NO.P>51.</NO.P><TXT>In dat verband beoogt het Bundesgerichtshof met de <HT TYPE="ITALIC">eerste vragen</HT> te achterhalen of de activiteit van platformexploitanten als YouTube en Cyando valt onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0059" REF.END="QE0059"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0059" CODE="201D" ID="QE0059"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29. Met de <HT TYPE="ITALIC">tweede vragen</HT> wenst die rechter te vernemen of die exploitanten kunnen gebruikmaken van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid voor de bestanden die zij opslaan op verzoek van hun gebruikers. Die vragen hangen nauw met elkaar samen. De Uniewetgever heeft met de richtlijnen 2001/29 en 2000/31 immers op het niveau van de Unie een duidelijk regelgevend kader willen scheppen met betrekking tot de aansprakelijkheid van als tussenpersoon optredende dienstverleners voor inbreuken op het auteursrecht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0019"><P>Zie overweging 50 van richtlijn 2000/31 en overweging 16 van richtlijn 2001/29.</P></NOTE> Artikel 3, lid 1, van eerstgenoemde richtlijn en artikel 14, lid 1, van laatstgenoemde richtlijn dienen dus op samenhangende wijze te worden uitgelegd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0020"><P>Met name dient in de mate van het mogelijke te worden voorkomen dat er een situatie ontstaat waarin een dienstverlener aansprakelijk is op grond van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 en tegelijkertijd is vrijgesteld van die aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31. Zie voor meer informatie de punten 137‑139 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0052"><NO.P>52.</NO.P><TXT>Ik zal die twee bepalingen achtereenvolgens onderzoeken in de delen A en B.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0021"><P>Ik zal in de onderhavige conclusie niet ingaan op de problematiek van kopieën die worden verspreid doordat een werk wordt geüpload naar platformen als YouTube of Uploaded en wordt opgevraagd of gedownload door het publiek. Die problematiek valt immers onder de uitlegging van het in artikel 2 van richtlijn 2001/29 opgenomen reproductierecht en de in artikel 5 van die richtlijn opgenomen beperkingen en restricties met betrekking tot dat recht, waarover aan het Hof geen vragen zijn voorgelegd. Afgezien van Cyando, die zich heeft beroepen op de in artikel 5, lid 2, onder b), van die richtlijn opgenomen beperking voor het kopiëren voor privégebruik, heeft voor het Hof overigens geen discussie over die problematiek plaatsgevonden.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">A.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0060" REF.END="QE0060"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0060" CODE="201D" ID="QE0060"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 (eerste vragen)</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0053"><NO.P>53.</NO.P><TXT>Met zijn eerste vragen wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de exploitant van een videodeelplatform en de exploitant van een host- en deelplatform voor bestanden een handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0061" REF.END="QE0061"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0061" CODE="201D" ID="QE0061"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verrichten wanneer een gebruiker van hun platformen daarop een beschermd werk online plaatst.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0054"><NO.P>54.</NO.P><TXT>Volgens vaste rechtspraak van het Hof vormt het in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 opgenomen begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0062" REF.END="QE0062"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0062" CODE="201D" ID="QE0062"/> een autonoom Unierechtelijk begrip, waarvan de betekenis en de draagwijdte dienen te worden bepaald in het licht van de bewoordingen van die<?PAGE NO="17"?> bepaling, de context ervan en de door die richtlijn nagestreefde doelstellingen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0022"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20180807">7 augustus 2018</DATE>, <NAME.CASE>Renckhoff</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑161/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:634">EU:C:2018:634</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0017">17</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> Verder moet dat begrip in de mate van het mogelijke worden uitgelegd tegen de achtergrond van de overeenstemmende begrippen in de voor de Unie bindende regelingen van internationaal recht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0023"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200402">2 april 2020</DATE>, <NAME.CASE>Stim en SAMI</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑753/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:268">EU:C:2020:268</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0029">29</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak). Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 dient met name te worden uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 8 van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake het auteursrecht, ondertekend op <DATE ISO="19961220">20 december 1996</DATE> te Genève en goedgekeurd namens de Europese Unie bij besluit 2000/278/EG van de Raad van <DATE ISO="20000316">16 maart 2000</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="089" PAGE.FIRST="6" DATE.PUB="2000">PB 2000, L 89, blz. 6</REF.DOC.OJ>) (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0063" REF.END="QE0063"/>WCT<QUOT.END REF.START="QS0063" CODE="201D" ID="QE0063"/>). Bovengenoemde bepaling van richtlijn 2001/29 is bedoeld om uitvoering te geven aan dat artikel 8 (zie overweging 15 van richtlijn 2001/29).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0055"><NO.P>55.</NO.P><TXT>Overeenkomstig die rechtspraak verbindt het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0064" REF.END="QE0064"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0064" CODE="201D" ID="QE0064"/> twee cumulatieve voorwaarden met elkaar, namelijk een handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0065" REF.END="QE0065"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0065" CODE="201D" ID="QE0065"/> van een werk en een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0066" REF.END="QE0066"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0066" CODE="201D" ID="QE0066"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0024"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑263/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1111">EU:C:2019:1111</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0061">61</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0056"><NO.P>56.</NO.P><TXT>Dienaangaande doelt enerzijds het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0067" REF.END="QE0067"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0067" CODE="201D" ID="QE0067"/>, zoals in overweging 23 van richtlijn 2001/29 wordt gepreciseerd, op elke <HT TYPE="ITALIC">doorgifte</HT> (of wederdoorgifte) van een werk aan een niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek, ongeacht het technische procedé dat wordt toegepast.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0025"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑263/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1111">EU:C:2019:1111</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0049">49</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0062">62</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> Anders gezegd, een persoon verricht een handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0068" REF.END="QE0068"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0068" CODE="201D" ID="QE0068"/> wanneer hij een werk doorgeeft en aldus ervoor zorgt dat het kan worden waargenomen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0026"><P>Meer bepaald dienen de personen tot wie die werken zijn gericht, op gepaste wijze (auditief voor een fonogram enz.) de mogelijkheid te krijgen alle of een deel van de onderdelen waar te nemen waaruit het werk bestaat en die de uitdrukking vormen van de eigen intellectuele creatie van de auteur van dat werk. Zie naar analogie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20090716">16 juli 2009</DATE>, <NAME.CASE>Infopaq International</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑5/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:465">EU:C:2009:465</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0047">47</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> op afstand<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0027"><P>De <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0069" REF.END="QE0069"/>traditionele<QUOT.END REF.START="QS0069" CODE="201D" ID="QE0069"/> vormen van mededeling aan het publiek, zoals rechtstreekse opvoering of uitvoering, bijvoorbeeld live-voorstellingen voor een publiek dat direct fysiek contact heeft met de persoon die het werk uitvoert, vallen niet onder artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29. Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111124">24 november 2011</DATE>, <NAME.CASE>Circul Globus Bucureşti</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑283/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:772">EU:C:2011:772</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0035">35</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>. Zoals aangegeven in die overweging, is het schoolvoorbeeld van een dergelijke doorgifte de uitzending van een radioprogramma, terwijl het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0070" REF.END="QE0070"/>wederdoorgifte<QUOT.END REF.START="QS0070" CODE="201D" ID="QE0070"/> met name doelt op de gelijktijdige doorgifte van een radio-uitzending via kabel, satelliet, maar ook internet.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0057"><NO.P>57.</NO.P><TXT>Zoals ik in punt 48 van de onderhavige conclusie in herinnering heb gebracht, omvat het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0071" REF.END="QE0071"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0071" CODE="201D" ID="QE0071"/> voorts het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0072" REF.END="QE0072"/>beschikbaarstelling<QUOT.END REF.START="QS0072" CODE="201D" ID="QE0072"/>. Zoals wordt aangegeven in overweging 25 en in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, doelt die laatste categorie op <HT TYPE="ITALIC">interactieve doorgiften op aanvraag</HT>, die worden gekenmerkt door het feit dat zij voor leden van het publiek op de door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn. Onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0073" REF.END="QE0073"/>beschikbaarstelling<QUOT.END REF.START="QS0073" CODE="201D" ID="QE0073"/> valt aldus het feit dat een persoon aan een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0074" REF.END="QE0074"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0074" CODE="201D" ID="QE0074"/> de mogelijkheid biedt om een bepaald werk in die omstandigheden te verkrijgen, doorgaans door het op een website online te plaatsen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0028"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑263/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1111">EU:C:2019:1111</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0044">44</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en 63).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0058"><NO.P>58.</NO.P><TXT>Het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0075" REF.END="QE0075"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0075" CODE="201D" ID="QE0075"/>, anderzijds, verwijst naar een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0076" REF.END="QE0076"/>onbepaald<QUOT.END REF.START="QS0076" CODE="201D" ID="QE0076"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0077" REF.END="QE0077"/>vrij groot<QUOT.END REF.START="QS0077" CODE="201D" ID="QE0077"/> aantal personen. Dat begrip doelt dus op personen in het algemeen en niet op bepaalde personen die tot een privégroep behoren, en houdt een bepaalde de-minimisdrempel in.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0029"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑263/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1111">EU:C:2019:1111</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0066">66</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="18"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0059"><NO.P>59.</NO.P><TXT>Gelet op het voorgaande lijdt het in casu geen twijfel dat wanneer beschermd werk via een platform als YouTube of Uploaded online wordt gedeeld, dat werk <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0078" REF.END="QE0078"/>beschikbaar [wordt gesteld] voor het publiek<QUOT.END REF.START="QS0078" CODE="201D" ID="QE0078"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0060"><NO.P>60.</NO.P><TXT>Wanneer een video met beschermd werk op YouTube wordt geplaatst, kunnen leden van het publiek deze vanaf dat platform streamen op de door hen individueel gekozen plaats en tijd. Dat is eveneens het geval wanneer een bestand met een werk wordt gehost op Uploaded en de erop betrekking hebbende <HT TYPE="ITALIC">download link</HT> op internet vrij wordt gedeeld in linkverzamelingen, in blogs of op fora.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0030"><P>Het feit dat werken vanaf een platform als YouTube worden gestreamd en dat het betrokken lid van het publiek daardoor dus geen duurzame kopie verkrijgt, is niet relevant voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 (zie met name Walter, M. M., en von Lewinski, S., <HT TYPE="ITALIC">European Copyright Law – A Commentary</HT>, Oxford University Press, Oxford, 2010, blz. 983). Voorts sluit het feit dat een werk van Uploaded kan worden gedownload en leden van het publiek dus wel een dergelijke kopie kunnen verkrijgen, niet uit dat die bepaling in plaats van het in artikel 4, lid 1, van die richtlijn opgenomen distributierecht kan worden toegepast (zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑263/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1111">EU:C:2019:1111</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0040">40</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0045">45</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en 51).</P></NOTE> In beide gevallen wordt het werk beschikbaar gesteld voor een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0079" REF.END="QE0079"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0079" CODE="201D" ID="QE0079"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0031"><P>Daarentegen is er geen sprake van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0080" REF.END="QE0080"/>beschikbaarstelling [...] voor het publiek<QUOT.END REF.START="QS0080" CODE="201D" ID="QE0080"/> wanneer een gebruiker een werk naar YouTube uploadt, hij het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0081" REF.END="QE0081"/>privé<QUOT.END REF.START="QS0081" CODE="201D" ID="QE0081"/> houdt en in voorkomend geval enkel deelt met zijn familie en vrienden. Dat is ook het geval wanneer een gebruiker van Uploaded een werk naar dat platform uploadt en zijn <HT TYPE="ITALIC">download link</HT> niet dan wel enkel met voornoemde personen deelt. In dat geval gaat het immers niet om een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0082" REF.END="QE0082"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0082" CODE="201D" ID="QE0082"/>, maar om een privégroep (zie punt 58 van de onderhavige conclusie).</P></NOTE>, ongeacht of dat werk wordt opgevraagd of gedownload op verzoek van individuele personen in het kader van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0083" REF.END="QE0083"/>één op één<QUOT.END REF.START="QS0083" CODE="201D" ID="QE0083"/>-doorgifte. Daarbij moet immers rekening worden gehouden met het aantal personen dat er gelijktijdig en achtereenvolgens toegang toe kan krijgen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0032"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑263/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1111">EU:C:2019:1111</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0044">44</REF.NP.ECR>, <REF.NP.ECR REF="NP0067">67</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> In het genoemde geval kan het werk worden opgevraagd of gedownload, naargelang het geval, door alle huidige en potentiële bezoekers van YouTube of de website waarop die link wordt gedeeld – dus duidelijk een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0084" REF.END="QE0084"/>onbepaald<QUOT.END REF.START="QS0084" CODE="201D" ID="QE0084"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0085" REF.END="QE0085"/>vrij groot<QUOT.END REF.START="QS0085" CODE="201D" ID="QE0085"/> aantal personen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0033"><P>Zie naar analogie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20180807">7 augustus 2018</DATE>, <NAME.CASE>Renckhoff</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑161/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:634">EU:C:2018:634</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0045">45</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Het spreekt voor zich dat zowel in het ene als in het andere geval het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0086" REF.END="QE0086"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0086" CODE="201D" ID="QE0086"/> niet aanwezig is op de plaats van oorsprong van de mededeling. Het is trouwens niet van belang of dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0087" REF.END="QE0087"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0087" CODE="201D" ID="QE0087"/> het werk daadwerkelijk opvraagt of downloadt. De beslissende handeling is immers het voor het publiek beschikbaar stellen van het werk, d.w.z. het aanbieden van het werk op een openbaar toegankelijke site (zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑263/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1111">EU:C:2019:1111</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0063">63</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0064">64</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0061"><NO.P>61.</NO.P><TXT>Hieruit volgt dat wanneer een derde een beschermd werk, zonder voorafgaande toestemming van de auteur ervan, via een platform als YouTube of Uploaded op internet plaatst en die plaatsing niet onder de in artikel 5 van richtlijn 2001/29 opgenomen beperkingen en restricties valt, hij inbreuk maakt op het uitsluitende recht van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0088" REF.END="QE0088"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0088" CODE="201D" ID="QE0088"/> dat door artikel 3, lid 1, van die richtlijn aan die auteur wordt toegekend.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0062"><NO.P>62.</NO.P><TXT>De grote vraag is echter wie die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0089" REF.END="QE0089"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0089" CODE="201D" ID="QE0089"/> verricht en in voorkomend geval ter verantwoording kan worden geroepen: de gebruiker die het betrokken werk online plaatst, de platformexploitant of die twee personen tezamen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0063"><NO.P>63.</NO.P><TXT>In dit stadium dient te worden gepreciseerd dat Peterson en Elsevier met betrekking tot die kwestie argumenten hebben aangevoerd die een uiteenlopende logica volgen. Volgens hen zijn exploitanten als YouTube en Cyando om te beginnen uit hoofde van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aansprakelijk omdat zij <HT TYPE="ITALIC">actief betrokken zijn</HT> bij de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0090" REF.END="QE0090"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0090" CODE="201D" ID="QE0090"/> van de werken die door de gebruikers van hun platformen worden geüpload, waardoor zij die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0091" REF.END="QE0091"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0091" CODE="201D" ID="QE0091"/> zelf verrichten, vervolgens omdat zij <HT TYPE="ITALIC">kennis</HT> hebben van het feit dat die gebruikers beschermde werken illegaal delen en hen bovendien <HT TYPE="ITALIC">weloverwogen</HT> daartoe <HT TYPE="ITALIC">aanzetten</HT>, en ten<?PAGE NO="19"?> slotte omdat zij daarbij <HT TYPE="ITALIC">nalatig</HT> zijn door niet aan bepaalde zorgvuldigheidseisen te voldoen die hun worden opgelegd als tegengewicht voor het risico op inbreuken dat hun activiteit met zich meebrengt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0034"><P>Zie de punten 46 en 47 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0064"><NO.P>64.</NO.P><TXT>Bij dat betoog worden mijns inziens twee problematieken op één hoop gegooid. Enerzijds zouden exploitanten als YouTube en Cyando, indien zij de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0092" REF.END="QE0092"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0092" CODE="201D" ID="QE0092"/> verrichten van de werken die de gebruikers van hun platformen uploaden, potentieel rechtstreeks (of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0093" REF.END="QE0093"/>primair<QUOT.END REF.START="QS0093" CODE="201D" ID="QE0093"/>) aansprakelijk zijn uit hoofde van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29. De vraag of dat het geval is, is een objectieve vraag die losstaat van overwegingen inzake kennis of nalatigheid. Het antwoord op die vraag hangt in beginsel immers enkel af van de vraag of die exploitanten de handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0094" REF.END="QE0094"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0094" CODE="201D" ID="QE0094"/> verrichten, en of die handelingen worden verricht zonder toestemming van de auteurs van de betrokken werken. In deel 1 zal ik – dat analysekader volgend en op grond van een beoordeling van enkel de relevante argumenten – uiteenzetten waarom in beginsel uitsluitend de gebruikers die beschermde werken online plaatsen, de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0095" REF.END="QE0095"/>mededeling [van die werken] aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0095" CODE="201D" ID="QE0095"/> verrichten. Bijgevolg rust de primaire aansprakelijkheid die uit die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0096" REF.END="QE0096"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0096" CODE="201D" ID="QE0096"/> kan voortvloeien in de regel uitsluitend bij deze gebruikers.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0065"><NO.P>65.</NO.P><TXT>Anderzijds valt de vraag of exploitanten als YouTube en Cyando aansprakelijk zijn voor de door de gebruikers van hun platformen gepleegde inbreuken op het auteursrecht op grond dat die exploitanten er bijvoorbeeld kennis van hadden en weloverwogen niet hebben opgetreden, die gebruikers ertoe hebben aangezet om dergelijke inbreuken te plegen, of in dat verband nalatig zijn geweest, mijns inziens niet onder artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29. Zoals ik in deel 2 zal verduidelijken, lijkt het Hof die bepaling in de arresten GS Media<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0035"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160908">8 september 2016</DATE> (<NO.CASE>C‑160/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:644">EU:C:2016:644</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0097" REF.END="QE0097"/>arrest GS Media<QUOT.END REF.START="QS0097" CODE="201D" ID="QE0097"/>).</P></NOTE>, Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0098" REF.END="QE0098"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0098" CODE="201D" ID="QE0098"/>)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0036"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20170426">26 april 2017</DATE> [<NO.CASE>C‑527/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:300">EU:C:2017:300</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0099" REF.END="QE0099"/>arrest Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201A" ID="QS0100" REF.END="QE0100"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0100" CODE="2019" ID="QE0100"/>)<QUOT.END REF.START="QS0099" CODE="201D" ID="QE0099"/>].</P></NOTE> en Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0101" REF.END="QE0101"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0101" CODE="201D" ID="QE0101"/>)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0037"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20170614">14 juni 2017</DATE> [<NO.CASE>C‑610/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:456">EU:C:2017:456</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0102" REF.END="QE0102"/>arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201A" ID="QS0103" REF.END="QE0103"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0103" CODE="2019" ID="QE0103"/>)<QUOT.END REF.START="QS0102" CODE="201D" ID="QE0102"/>].</P></NOTE> weliswaar aldus te hebben uitgelegd dat zij derdenaansprakelijkheid (de zogenaamde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0104" REF.END="QE0104"/>accessoire<QUOT.END REF.START="QS0104" CODE="201D" ID="QE0104"/>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0105" REF.END="QE0105"/>subsidiaire<QUOT.END REF.START="QS0105" CODE="201D" ID="QE0105"/>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0106" REF.END="QE0106"/>secundaire<QUOT.END REF.START="QS0106" CODE="201D" ID="QE0106"/> of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0107" REF.END="QE0107"/>indirecte<QUOT.END REF.START="QS0107" CODE="201D" ID="QE0107"/> aansprakelijkheid) kan omvatten, maar is die aansprakelijkheid naar mijn mening in het Unierecht eigenlijk niet geharmoniseerd. Zij valt derhalve onder de in het recht van de lidstaten opgenomen civielrechtelijke aansprakelijkheidsregels. Subsidiair zal ik in deel 3 de activiteit van die exploitanten onderzoeken in het licht van het analysekader dat uit die arresten en de daarmee verband houdende argumenten voortvloeit.</TXT></NP.ECR><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">1.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Platformexploitanten als YouTube en Cyando verrichten in beginsel geen handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0108" REF.END="QE0108"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0108" CODE="201D" ID="QE0108"/></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0066"><NO.P>66.</NO.P><TXT>Zoals ik in de punten 55 tot en met 58 van de onderhavige conclusie heb verduidelijkt, komt een handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0109" REF.END="QE0109"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0109" CODE="201D" ID="QE0109"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 overeen met de doorgifte van een beschermd werk aan een publiek. In dat kader houdt een handeling bestaande in <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0110" REF.END="QE0110"/>beschikbaarstelling<QUOT.END REF.START="QS0110" CODE="201D" ID="QE0110"/> in dat aan leden van het publiek de mogelijkheid van een dergelijke doorgifte wordt geboden, die op hun aanvraag kan plaatsvinden op de door hen individueel gekozen plaats en tijd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0067"><NO.P>67.</NO.P><TXT>Dit gezegd zijnde, veronderstelt elke doorgifte van een werk aan een publiek in de regel een keten van interventies van tal van personen die op verschillende manieren en in min of meerdere mate bij die doorgifte betrokken zijn. Zo is de mogelijkheid voor televisiekijkers om een<?PAGE NO="20"?> uitzending op hun televisietoestel te bekijken, het resultaat van gezamenlijke inspanningen van met name een omroeporganisatie, een of meerdere zenders, de zendnetexploitant en de personen die de antennes en de televisietoestellen van die televisiekijkers hebben geleverd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0068"><NO.P>68.</NO.P><TXT>Al die interventies kunnen niet als handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0111" REF.END="QE0111"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0111" CODE="201D" ID="QE0111"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 worden beschouwd. Anders zou om het even welke schakel in de keten, ongeacht de aard van de betrokken activiteit, ten aanzien van de auteurs aansprakelijk zijn. Om te voorkomen dat die bepaling zo ruim zou worden uitgelegd, heeft de Uniewetgever in overweging 27 van die richtlijn gepreciseerd dat de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0112" REF.END="QE0112"/>[eenvoudige] beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten [...] op zich geen mededeling in de zin van deze richtlijn [is]<QUOT.END REF.START="QS0112" CODE="201D" ID="QE0112"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0038"><P>In die overweging wordt de gemeenschappelijke verklaring met betrekking tot artikel 8 WCT overgenomen die is goedgekeurd door de diplomatieke conferentie van <DATE ISO="19961220">20 december 1996</DATE>.</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0069"><NO.P>69.</NO.P><TXT>Het is dus nodig om binnen de keten van interventies die inherent is aan elke doorgifte van een werk aan een publiek, een onderscheid te maken tussen de persoon<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0039"><P>Het kan gaan om een of meerdere personen. Ik hanteer gemakshalve het enkelvoud.</P></NOTE> die de handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0113" REF.END="QE0113"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0113" CODE="201D" ID="QE0113"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verricht, en dienstverleners die door de beschikbaarstelling van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0114" REF.END="QE0114"/>fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0114" CODE="201D" ID="QE0114"/> waarmee die doorgifte mogelijk wordt gemaakt, fungeren als <HT TYPE="ITALIC">tussenpersoon</HT> tussen die persoon en het publiek.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0040"><P>Artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 voldoet aan die logica door te verwijzen naar de mogelijkheid voor de rechthebbenden om te verkrijgen dat een verbod wordt uitgevaardigd ten aanzien van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0115" REF.END="QE0115"/>tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten<QUOT.END REF.START="QS0115" CODE="201D" ID="QE0115"/>. Zie ook overweging 59 van die richtlijn.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0070"><NO.P>70.</NO.P><TXT>In het onderhavige geval ben ik, net zoals Google, Cyando, de Finse regering en de Commissie, van mening dat exploitanten als YouTube en Cyando in het kader van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0116" REF.END="QE0116"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0116" CODE="201D" ID="QE0116"/> van door de gebruikers van hun platformen online geplaatste werken in beginsel de rol hebben van een dergelijke <HT TYPE="ITALIC">tussenpersoon</HT>. De tegenwerping van Peterson, Elsevier en ook de Duitse en Franse regering dat die exploitanten die rol overstijgen, geeft mijns inziens blijk van een verkeerde opvatting van het onderscheid tussen de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0117" REF.END="QE0117"/>[eenvoudige] beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0117" CODE="201D" ID="QE0117"/> en een handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0118" REF.END="QE0118"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0118" CODE="201D" ID="QE0118"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0071"><NO.P>71.</NO.P><TXT>Ik wens in herinnering te brengen dat de beginselen die aan dat onderscheid ten grondslag liggen, reeds in het eerste arrest dat het Hof met betrekking tot artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 heeft gewezen, te weten het arrest SGAE<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0041"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20061207">7 december 2006</DATE> (<NO.CASE>C‑306/05</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:764">EU:C:2006:764</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, zijn vastgelegd. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat een hotelhouder een televisie-uitzending ontvangt en door middel van televisietoestellen doorgeeft aan de gasten die in zijn hotelkamers verblijven, een handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0119" REF.END="QE0119"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0119" CODE="201D" ID="QE0119"/> van de in die uitzending gebruikte werken vormt. De installatie van die televisietoestellen in de kamers vormde op zich weliswaar een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0120" REF.END="QE0120"/>beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0120" CODE="201D" ID="QE0120"/>, maar de interventie van de hotelhouder beperkte zich niet tot die beschikbaarstelling. Door te zorgen voor de distributie van de uitzending naar die televisietoestellen, gaf de hotelhouder immers de in die uitzending opgenomen werken weloverwogen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0042"><P>Het Hof heeft met name aangegeven dat de hotelhouder is tussengekomen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0121" REF.END="QE0121"/>met volledige kennis van de gevolgen van zijn gedrag<QUOT.END REF.START="QS0121" CODE="201D" ID="QE0121"/> (zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20061207">7 december 2006</DATE>, <NAME.CASE>SGAE</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑306/05</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:764">EU:C:2006:764</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Die uitdrukking is mijns inziens synoniem voor een vrijwillige interventie (zie punt 100 van de onderhavige conclusie).</P></NOTE> door aan zijn klanten – die niet enkel een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0122" REF.END="QE0122"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0122" CODE="201D" ID="QE0122"/> vormden, maar ook een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0123" REF.END="QE0123"/>nieuw publiek<QUOT.END REF.START="QS0123" CODE="201D" ID="QE0123"/>, dat wil zeggen personen met wie de auteurs van die werken bij de toestemming<?PAGE NO="21"?> voor de uitzending ervan geen rekening hadden gehouden<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0043"><P>Volgens het Hof worden auteurs die toestemming geven voor de uitzending van hun werken, immers geacht slechts het oog te hebben op de bezitters van televisietoestellen die individueel of in hun privé- of gezinssfeer de uitzendingen ontvangen. Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20061207">7 december 2006</DATE>, <NAME.CASE>SGAE</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑306/05</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:764">EU:C:2006:764</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> –, die, ondanks dat zij zich fysiek in die zone van ontvangst van de uitzending bevonden, in beginsel geen toegang tot die werken zouden hebben kunnen hebben zonder diens interventie.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0044"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20061207">7 december 2006</DATE>, <NAME.CASE>SGAE</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑306/05</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:764">EU:C:2006:764</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0044">44</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Het Hof heeft dezelfde redenering gevolgd in een context die daarmee verband houdt. Zie met name arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111004">4 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Football Association Premier League e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑403/08 en C‑429/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:631">EU:C:2011:631</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0183">183</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0207">207</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140227">27 februari 2014</DATE>, <NAME.CASE>OSA</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑351/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:110">EU:C:2014:110</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0022">22</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160531">31 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Reha Training</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑117/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:379">EU:C:2016:379</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0035">35</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0065">65</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0072"><NO.P>72.</NO.P><TXT>Uit dat arrest blijkt dat bij de doorgifte van een werk aan een publiek de persoon die de handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0124" REF.END="QE0124"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0124" CODE="201D" ID="QE0124"/> verricht, niet de dienstverlener is die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0125" REF.END="QE0125"/>fysieke faciliteiten beschikbaar stelt<QUOT.END REF.START="QS0125" CODE="201D" ID="QE0125"/>, maar wel degene die vrijwillig intervenieert om dat werk aan een publiek door te geven, en zonder wiens interventie dat publiek er dus geen toegang toe zou kunnen hebben. Door aldus te handelen speelt die persoon overeenkomstig het door het Hof in zijn daaropvolgende rechtspraak gehanteerde begrip een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0126" REF.END="QE0126"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0126" CODE="201D" ID="QE0126"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0045"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160531">31 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Reha Training</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑117/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:379">EU:C:2016:379</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0046">46</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). In bepaalde arresten wordt geredeneerd in termen van twee criteria: de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0127" REF.END="QE0127"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0127" CODE="201D" ID="QE0127"/> van de persoon die de handeling bestaande in een mededeling verricht en het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0128" REF.END="QE0128"/>weloverwogen karakter van zijn interventie<QUOT.END REF.START="QS0128" CODE="201D" ID="QE0128"/> [zie met name arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0129" REF.END="QE0129"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0129" CODE="201D" ID="QE0129"/>), punt 26]. Zoals ik hieronder zal toelichten, zijn die criteria in werkelijkheid onlosmakelijk met elkaar verbonden (zie voetnoot 88 van de onderhavige conclusie).</P></NOTE> bij die doorgifte.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0073"><NO.P>73.</NO.P><TXT>Die uitleg kan verkeerd worden begrepen. Als een van de schakels van de keten die de doorgifte mogelijk maakt, heeft in theorie om het even welke tussenpersoon een belangrijke, zelfs essentiële, rol bij die doorgifte. De rol van de persoon waarover het gaat is evenwel fundamenteler. Hij heeft een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0130" REF.END="QE0130"/>centrale<QUOT.END REF.START="QS0130" CODE="201D" ID="QE0130"/> rol, gelet op het feit dat hij beslist om een bepaald werk aan een publiek door te geven en die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0131" REF.END="QE0131"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0131" CODE="201D" ID="QE0131"/> actief initieert.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0074"><NO.P>74.</NO.P><TXT>Daartegenover staat dat als tussenpersoon optredende dienstverleners wier diensten worden gebruikt om een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0132" REF.END="QE0132"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0132" CODE="201D" ID="QE0132"/> mogelijk te maken of te verrichten, niet zelf beslissen om werken aan een publiek door te geven. Dienaangaande volgen zij de door de gebruikers van hun diensten gegeven instructies. Het zijn de gebruikers van die diensten die beslissen om bepaalde content door te geven en de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0133" REF.END="QE0133"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0133" CODE="201D" ID="QE0133"/> actief initiëren door die content aan de tussenpersonen te verstrekken en aldus in een proces op te nemen waardoor deze aan een publiek wordt doorgegeven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0046"><P>Zie de toelichting bij het voorstel voor het WCT, nr. 10.10, waarin wordt verduidelijkt dat inzake <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0134" REF.END="QE0134"/>beschikbaarstelling<QUOT.END REF.START="QS0134" CODE="201D" ID="QE0134"/> niet het aanbieden van opslagruimte of het verrichten van een elektronischecommunicatiedienst de beslissende handeling vormt, maar wel de <HT TYPE="ITALIC">initiële beschikbaarstelling</HT>. Zie ook Koo, J., <HT TYPE="ITALIC">The Right of Communication to the Public in EU Copyright Law</HT>, Hart publishing, Oxford, 2019, blz. 161‑162.</P></NOTE> Enkel die gebruikers hebben dus in beginsel de door het Hof beoogde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0135" REF.END="QE0135"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0135" CODE="201D" ID="QE0135"/> en verrichten de handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0136" REF.END="QE0136"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0136" CODE="201D" ID="QE0136"/>. Zonder hun interventie zouden de tussenpersonen niets hebben om door te geven en zou het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0137" REF.END="QE0137"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0137" CODE="201D" ID="QE0137"/> geen toegang tot de betrokken werken hebben.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0047"><P>Op het gebied van uitzendingen bijvoorbeeld wordt de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0138" REF.END="QE0138"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0138" CODE="201D" ID="QE0138"/> gedaan door de omroeporganisatie die beslist over de werken die worden doorgegeven en de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0139" REF.END="QE0139"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0139" CODE="201D" ID="QE0139"/> ervan actief initieert door deze op te nemen in het technische proces waarmee ze aan een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0140" REF.END="QE0140"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0140" CODE="201D" ID="QE0140"/> kunnen worden doorgegeven [zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Stim en SAMI</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑753/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:4">EU:C:2020:4</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0023">23</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>) en artikel 1, lid 2, onder a), van richtlijn 93/83/EEG van de Raad van <DATE ISO="19930927">27 september 1993</DATE> tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="248" PAGE.FIRST="15" DATE.PUB="1993">PB 1993, L 248, blz. 15</REF.DOC.OJ>)]. De zenders die de instructies van die omroeporganisatie volgen, zorgen daarentegen voor de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0141" REF.END="QE0141"/>[eenvoudige] beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0141" CODE="201D" ID="QE0141"/>.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0075"><NO.P>75.</NO.P><TXT>Een dienstverlener overstijgt daarentegen de rol van tussenpersoon wanneer hij <HT TYPE="ITALIC">actief intervenieert in de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0142" REF.END="QE0142"/>mededeling</HT> [van werken] <HT TYPE="ITALIC">aan het publiek</HT><QUOT.END REF.START="QS0142" CODE="201D" ID="QE0142"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0048"><P>Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Stim en SAMI</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑753/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:4">EU:C:2020:4</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0032">32</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Dat is het geval wanneer die dienstverlener de doorgegeven content selecteert, deze op een andere manier bepaalt of in de<?PAGE NO="22"?> ogen van het publiek op een zodanige manier presenteert dat deze van hem lijkt te komen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0049"><P>Zie, in Duitsland, de rechtspraak van het Bundesgerichtshof op het gebied van het mediarecht, volgens welke een dienstverlener de verklaring van een derde overneemt wanneer hij zich ermee identificeert en deze in zijn eigen gedachtegang opneemt op een manier dat deze van hem lijkt te komen (zie met name Bundesgerichtshof, <DATE ISO="20131217">17 december 2013</DATE>, VI ZR 211/12, § 19). Die benadering wordt op het gebied van intellectuele eigendom gevolgd (zie Bundesgerichtshof, <DATE ISO="20080430">30 april 2008</DATE>, I ZR 73/05).</P></NOTE> In die situaties is het die dienstverlener, tezamen met de derde die de content initieel heeft verstrekt, die de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0143" REF.END="QE0143"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0143" CODE="201D" ID="QE0143"/> verricht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0050"><P>Zie naar analogie, in het Verenigd Koninkrijk, section 6, lid 3, van de Copyright, Designs and Patents Act 1988 (wet op het auteursrecht, tekeningen en modellen en octrooien van 1988), waarin is bepaald dat inzake radio-uitzendingen de persoon of personen die de handelingen van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0144" REF.END="QE0144"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0144" CODE="201D" ID="QE0144"/> verrichten, zijn: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0145" REF.END="QE0145"/>(a) [...] the person transmitting the programme, if he has responsibility to any extent for its contents, and (b) [...] any person providing the programme who makes with the person transmitting it the arrangements necessary for its transmission<QUOT.END REF.START="QS0145" CODE="201D" ID="QE0145"/>.</P></NOTE> Voorts is dat het geval wanneer die dienstverlener op eigen initiatief van die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0146" REF.END="QE0146"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0146" CODE="201D" ID="QE0146"/> een daaropvolgend gebruik maakt door de wederdoorgifte ervan aan een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0147" REF.END="QE0147"/>nieuw publiek<QUOT.END REF.START="QS0147" CODE="201D" ID="QE0147"/> of volgens een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0148" REF.END="QE0148"/>andere technische werkwijze<QUOT.END REF.START="QS0148" CODE="201D" ID="QE0148"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0051"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20130307">7 maart 2013</DATE>, <NAME.CASE>ITV Broadcasting e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:147">EU:C:2013:147</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>). Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat een organisatie een televisie-uitzending ontvangt en deze gelijktijdig, ongewijzigd en integraal doorgeeft via <HT TYPE="ITALIC">live streaming</HT> op internet, een daaropvolgend gebruik van die uitzending vormt dat met een autonome handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0149" REF.END="QE0149"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0149" CODE="201D" ID="QE0149"/> overeenkomt, omdat bij die wederdoorgifte wordt gebruikgemaakt van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0150" REF.END="QE0150"/>specifieke technische werkwijze<QUOT.END REF.START="QS0150" CODE="201D" ID="QE0150"/> die verschilt van de televisie-uitzending.</P></NOTE> In al die gevallen beperkt de dienstverlener zich niet tot de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0151" REF.END="QE0151"/>beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0151" CODE="201D" ID="QE0151"/> in de zin van overweging 27 van richtlijn 2001/29. Hij heeft in werkelijkheid een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0152" REF.END="QE0152"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0152" CODE="201D" ID="QE0152"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0052"><P>Zoals ik in mijn analyse van de tweede prejudiciële vragen zal uiteenzetten, legt het Hof de artikelen 12‑14 van richtlijn 2000/31 aldus uit dat een als tussenpersoon optredende dienstverlener zich niet kan beroepen op de erin opgenomen vrijstellingen van aansprakelijkheid wanneer hij een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0153" REF.END="QE0153"/>actieve rol heeft [...] waardoor hij kennis heeft van of controle heeft over<QUOT.END REF.START="QS0153" CODE="201D" ID="QE0153"/> de door de gebruikers van zijn dienst verstrekte gegevens [zie arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20100323">23 maart 2010</DATE>, <NO.CASE>C‑236/08–C‑238/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:159">EU:C:2010:159</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0112">112</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0114">114</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0154" REF.END="QE0154"/>arrest Google France<QUOT.END REF.START="QS0154" CODE="201D" ID="QE0154"/>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20110712">12 juli 2011</DATE>, <NO.CASE>C‑324/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:474">EU:C:2011:474</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0113">113</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0155" REF.END="QE0155"/>arrest L’Oréal/eBay<QUOT.END REF.START="QS0155" CODE="201D" ID="QE0155"/>)]. De door mij gesuggereerde benadering om onderscheid te maken tussen de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0156" REF.END="QE0156"/>handeling bestaande in een mededeling<QUOT.END REF.START="QS0156" CODE="201D" ID="QE0156"/> en de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0157" REF.END="QE0157"/>[eenvoudige] beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0157" CODE="201D" ID="QE0157"/> sluit nauw aan bij die redenering en maakt het mogelijk artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 op samenhangende wijze uit te leggen. Zie in dezelfde zin Husovec, M., <HT TYPE="ITALIC">Injunctions Against Intermediaries in the European Union – Accountable But Not Liable</HT>?, Cambridge University Press, Cambridge, 2017, blz. 55‑57.</P></NOTE> aangezien hij weloverwogen beslist om een bepaald werk mee te delen aan een publiek.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0053"><P>In de zaak die heeft geleid tot het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20061207">7 december 2006</DATE>, <NAME.CASE>SGAE</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑306/05</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:764">EU:C:2006:764</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>), bijvoorbeeld, was de interventie van de hotelhouder in de door de omroeporganisatie besliste doorgifte niet louter passief. Door de uitzending aan zijn klanten door te geven had hij op eigen initiatief beslist om ervan een daaropvolgend, door de omroeporganisatie niet beoogd, gebruik te maken. Zoals het Hof heeft geoordeeld in het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111013">13 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Airfield en Canal Digitaal</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑431/09 en C‑432/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:648">EU:C:2011:648</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0074">74</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0082">82</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), beperkt ook een aanbieder van een satellietpakket die verschillende uitzendingen van verschillende omroeporganisaties voor zijn klanten bundelt, zich niet tot de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0158" REF.END="QE0158"/>beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0158" CODE="201D" ID="QE0158"/> aangezien hij zich actief inzet om aan een publiek dat hij zelf heeft bepaald, een assortiment van door hem geselecteerde televisiezenders aan te bieden. Zoals het Hof heeft geoordeeld in het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20171129">29 november 2017</DATE>, <NAME.CASE>VCAST</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑265/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:913">EU:C:2017:913</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0051">51</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), beperkt een dienstverlener die uitzendingen ontvangt en het de gebruikers van zijn dienst mogelijk maakt om <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0159" REF.END="QE0159"/>in de cloud<QUOT.END REF.START="QS0159" CODE="201D" ID="QE0159"/> de door hen gewenste uitzendingen op te nemen, zich evenmin tot een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0160" REF.END="QE0160"/>beschikbaarstelling<QUOT.END REF.START="QS0160" CODE="201D" ID="QE0160"/>. Die dienstverlener intervenieert immers actief in de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0161" REF.END="QE0161"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0161" CODE="201D" ID="QE0161"/> aangezien hij met name de zenders selecteert die onder zijn diensten vallen.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0076"><NO.P>76.</NO.P><TXT>Blijkens de voorgaande overwegingen houdt het loutere feit dat het publiek via platformen als YouTube of Uploaded toegang tot beschermde werken kan krijgen, in tegenstelling tot hetgeen Peterson en de Duitse regering aanvoeren, niet in dat de exploitanten ervan de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0162" REF.END="QE0162"/>mededeling [van die werken] aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0162" CODE="201D" ID="QE0162"/> als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verrichten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0054"><P>Evenmin is het van belang dat exploitanten als YouTube en Cyando de beschermde werken op hun servers hosten en deze doorgeven wanneer zij een verzoek in die zin van een lid van het publiek ontvangen.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0077"><NO.P>77.</NO.P><TXT>Zoals Google en de Finse regering aanvoeren, hebben de gebruikers van die platformen, voor zover de betrokken werken door hen online zijn geplaatst<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0055"><P>YouTube beschikt ook over een kanaal waarop zij haar <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0163" REF.END="QE0163"/>eigen<QUOT.END REF.START="QS0163" CODE="201D" ID="QE0163"/> content uitzendt. Wat die content betreft, verricht zij de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0164" REF.END="QE0164"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0164" CODE="201D" ID="QE0164"/> aangezien zij die content heeft geproduceerd en/of geselecteerd.</P></NOTE>, <HT TYPE="ITALIC">om te beginnen</HT> immers een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0165" REF.END="QE0165"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0165" CODE="201D" ID="QE0165"/> bij de beschikbaarstelling ervan voor het publiek. Die gebruikers beslissen om die werken via die platformen mee te delen door, in het geval van YouTube, de juiste optie te kiezen en, in het<?PAGE NO="23"?> geval van Uploaded, de overeenkomstige <HT TYPE="ITALIC">download links</HT> te delen op internet.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0056"><P>Zie conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>VCAST</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑265/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:649">EU:C:2017:649</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0027">27</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Zonder hun interventie hebben de exploitanten van die platformen niets om door te geven en krijgt het publiek geen toegang tot die werken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0078"><NO.P>78.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Vervolgens</HT> wens ik in herinnering te brengen dat het proces waarbij een bestand op een platform als YouTube of Uploaded online wordt geplaatst, eenmaal het door de gebruiker is geïnitieerd, automatisch verloopt<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0057"><P>Zie de punten 16 en 30 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE>, zonder dat de exploitant de naar dat platform geüploade content selecteert dan wel deze op een andere manier bepaalt. Ik wijs erop dat een eventuele voorafgaande controle door die beheerder, die al dan niet automatisch verloopt, mijns inziens geen selectie inhoudt<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0058"><P>De controle die deze exploitanten naderhand uitvoeren om met name prompt te reageren op de kennisgevingen die zij van de rechthebbenden ontvangen, kan a fortiori niet als een dergelijke selectie worden beschouwd.</P></NOTE> mits die controle beperkt blijft tot het detecteren van onwettige content en dus niet de uitdrukking vormt van de wens van die exploitant om bepaalde content (en geen andere) aan het publiek mee te delen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0059"><P>YouTube voert een dergelijke controle uit via Content ID (zie punt 22 van de onderhavige conclusie). Ik wens te benadrukken dat het feit dat een voorafgaande controle <HT TYPE="ITALIC">automatisch</HT> wordt uitgevoerd, mijns inziens niet bepalend is. In theorie is het immers mogelijk om zich een proces voor te stellen waarbij content wordt geselecteerd door software die algoritmisch bepaalt welke content het best aansluit bij hetgeen waarover de exploitant op zijn platform wenst te beschikken. Dat is evenwel niet het geval bij een eenvoudige wettigheidstoetsing.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0079"><NO.P>79.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten slotte</HT> maken die exploitanten van de door hun gebruikers geïnitieerde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0166" REF.END="QE0166"/>mededelingen aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0166" CODE="201D" ID="QE0166"/> geen daaropvolgend gebruik aangezien zij de betrokken werken niet aan een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0167" REF.END="QE0167"/>nieuw publiek<QUOT.END REF.START="QS0167" CODE="201D" ID="QE0167"/> of volgens een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0168" REF.END="QE0168"/>andere technische werkwijze<QUOT.END REF.START="QS0168" CODE="201D" ID="QE0168"/> doorgeven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0060"><P>Ik wens te benadrukken dat de criteria <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0169" REF.END="QE0169"/>nieuw publiek<QUOT.END REF.START="QS0169" CODE="201D" ID="QE0169"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0170" REF.END="QE0170"/>specifieke technische werkwijze<QUOT.END REF.START="QS0170" CODE="201D" ID="QE0170"/> maar van belang zijn in het kader van daaropvolgend gebruik van een oorspronkelijke mededeling. Aan de hand van die criteria kan het daaropvolgend gebruik worden aangewezen dat als een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0171" REF.END="QE0171"/>secundaire mededeling<QUOT.END REF.START="QS0171" CODE="201D" ID="QE0171"/> (of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0172" REF.END="QE0172"/>wederdoorgifte<QUOT.END REF.START="QS0172" CODE="201D" ID="QE0172"/>) dient te worden beschouwd, waarvoor een specifieke toestemming is vereist (bijvoorbeeld doorgifte via de kabel van een uitzending). Die gevallen mogen niet worden verward met het geval waarin een werk dat eerder aan het publiek is meegedeeld, los van die voorgaande mededeling, opnieuw aan het publiek wordt meegedeeld. Dienaangaande moet overeenkomstig artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/29 toestemming worden gegeven voor elk van die mededelingen aan het publiek, ook al zijn beide mededelingen gericht tot hetzelfde publiek of volgen zij dezelfde technische werkwijze. Het is dan ook niet van belang of de op YouTube of Uploaded online geplaatste werken legaal beschikbaar zijn op een andere website. Beide uploads staan los van elkaar en voor elk ervan dient toestemming te worden gegeven. Zie in die zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20180807">7 augustus 2018</DATE>, <NAME.CASE>Renckhoff</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑161/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:634">EU:C:2018:634</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> In beginsel is er slechts sprake van één enkele <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0173" REF.END="QE0173"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0173" CODE="201D" ID="QE0173"/>, namelijk die waartoe door de betrokken gebruikers is besloten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0080"><NO.P>80.</NO.P><TXT>Mijns inziens volgt hieruit dat exploitanten als YouTube en Cyando zich in beginsel beperken tot de beschikbaarstelling van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0174" REF.END="QE0174"/>fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0174" CODE="201D" ID="QE0174"/>, zoals bedoeld in overweging 27 van richtlijn 2001/29, om de gebruikers van hun platformen in staat te stellen de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0175" REF.END="QE0175"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0175" CODE="201D" ID="QE0175"/>, in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn, te verrichten van de door hen bepaalde werken. Mijns inziens doen geen van de voor het Hof aangevoerde argumenten af aan die uitlegging.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0081"><NO.P>81.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten eerste</HT> ben ik, anders dan Peterson, Elsevier en de Duitse en de Franse regering, van mening dat geen belang dient te worden gehecht aan het feit dat een exploitant als YouTube structuur aanbrengt in de wijze waarop de door de gebruikers geüploade video’s op het platform worden gepresenteerd door ze in een gestandaardiseerde visualiseringsinterface op te nemen en<?PAGE NO="24"?> in verschillende rubrieken te indexeren, noch aan het feit dat die exploitant een zoekfunctie biedt en de zoekresultaten verwerkt, die in de vorm van een indeling van de video’s in diverse categorieën op de homepage worden samengevat.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0061"><P>Met betrekking tot een platform als Uploaded, dat geen zoekfuncties noch een index van de gehoste bestanden bevat, is die kwestie niet aan de orde. In die context ben ik niet overtuigd van het door Elsevier en de Duitse regering aangevoerde argument dat het ontbreken van die functies niet bepalend is omdat de leden van het publiek via websites van derden die fungeren als linkverzamelingen, tussen de aldus gehoste content de werken kunnen terugvinden die zij willen downloaden. Naast het feit dat die functies in mijn ogen hoe dan ook niet relevant zijn om te weten of een dienstverlener een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0176" REF.END="QE0176"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0176" CODE="201D" ID="QE0176"/> verricht, dient mijns inziens daarbij te worden gekeken naar de <HT TYPE="ITALIC">handelingen van die dienstverlener</HT> en niet naar de handelingen van derden waarmee hij geen enkele relatie onderhoudt.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0082"><NO.P>82.</NO.P><TXT>Dienaangaande merk ik op dat die presentatiestructuur en die verschillende functies erop gericht zijn de organisatie van het platform te rationaliseren, het gebruik ervan te faciliteren en op die manier de toegang tot de gehoste video’s te optimaliseren. Het in overweging 27 van richtlijn 2001/29 besloten liggende vereiste dat een dienstverlener geen handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0177" REF.END="QE0177"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0177" CODE="201D" ID="QE0177"/> verricht op voorwaarde dat hij zich beperkt tot een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0178" REF.END="QE0178"/>eenvoudige<QUOT.END REF.START="QS0178" CODE="201D" ID="QE0178"/> beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten, betekent mijns inziens evenwel niet dat die dienstverlener de toegang tot de doorgegeven content niet mag optimaliseren door zijn dienst te organiseren.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0062"><P>Wel integendeel, het bevorderen van contacten tussen derden die content willen meedelen en het publiek is kenmerkend voor een tussenpersoon. Zie OESO, <HT TYPE="ITALIC">The Economic and Social Role of Internet Intermediaries</HT>, april 2010, blz. 15.</P></NOTE> Er is immers niets dat maakt dat de fysieke faciliteiten op zich <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0179" REF.END="QE0179"/>eenvoudig<QUOT.END REF.START="QS0179" CODE="201D" ID="QE0179"/> moeten zijn. De omstandigheid dat een onlineplatform voor het gebruiksgemak in zekere mate gesofisticeerd is, doet er in mijn ogen dus niet toe. De grens die de dienstverlener volgens mij niet mag overschrijden, is die van de actieve interventie in de mededeling van de werken aan het publiek, zoals bedoeld in punt 75 van de onderhavige conclusie.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0083"><NO.P>83.</NO.P><TXT>Een bepaalde presentatiestructuur en dat soort functies volstaan mijns inziens evenwel niet om aan te tonen dat de exploitant die grens overschrijdt. Die elementen wijzen er met name niet op dat hij de content bepaalt die de gebruikers op het platform online plaatsen. Het feit dat de toegang tot de content wordt geoptimaliseerd, mag met name niet worden verward met het feit dat de content op zich wordt geoptimaliseerd. De exploitant bepaalt enkel in het tweede geval de inhoud ervan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0063"><P>Voorts is, anders dan Elsevier betoogt, het feit dat een exploitant als YouTube de geüploade video’s naar verschillende formats converteert om ze aan te passen aan verschillende readers en internetsnelheden, mijns inziens niet relevant. Daarbij gaat het immers om technische interventies die erop gericht zijn de doorgifte van gegevens mogelijk te maken en te bevorderen en derhalve op het feit dat de leden van het publiek die video’s zouden kunnen afspelen op hun browsers (of via een speciale app). Dergelijke technische interventies kunnen niet worden gelijkgesteld met een aanpassing van de content door de dienstverlener. Zie naar analogie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111013">13 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Airfield en Canal Digitaal</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑431/09 en C‑432/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:648">EU:C:2011:648</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0060">60</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0061">61</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Voorts kan uit het feit dat een platform als YouTube een gestandaardiseerde visualiseringsinterface bevat, mijns inziens niet de conclusie worden getrokken dat de exploitant ervan de content in de ogen van het publiek op een zodanige manier presenteert dat deze van hem lijkt te komen, op voorwaarde dat die interface telkens aangeeft welke gebruiker de betrokken video online heeft geplaatst.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0084"><NO.P>84.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten tweede</HT> is de omstandigheid dat de geregistreerde gebruikers op een platform als YouTube een overzicht krijgen aangeboden van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0180" REF.END="QE0180"/>aanbevolen video’s<QUOT.END REF.START="QS0180" CODE="201D" ID="QE0180"/> mijns inziens evenmin bepalend. Niemand betwist dat die aanbevelingen van invloed zijn op de door die gebruikers opgevraagde content. Aangezien die aanbevelingen automatisch worden gegenereerd op basis van eerder door de betrokken gebruiker bekeken video’s en uitsluitend beogen de toegang van die gebruiker tot soortgelijke video’s te faciliteren, vormen zij evenwel niet de uitdrukking van de beslissing van de exploitant om een bepaald werk mee te delen aan een publiek. In elk geval blijft het een feit dat die exploitant niet op voorhand bepaalt welke werken beschikbaar zijn op zijn platform.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="25"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0085"><NO.P>85.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten derde</HT> doet het feit dat een exploitant als YouTube in de algemene gebruiksvoorwaarden van haar platform stipuleert dat elke gebruiker haar een wereldwijde niet-exclusieve en kosteloze gebruikslicentie op de door die gebruiker online geplaatste video’s toekent, anders dan Peterson en Elsevier aanvoeren, niet af aan de door mij gesuggereerde uitlegging. Uit dat soort beding<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0064"><P>Blijkens mijn opzoekingen komt een dergelijk beding vaak voor in de algemene gebruiksvoorwaarden van onlineplatformen. Zie met name de gebruiksvoorwaarden van Facebook (versie van <DATE ISO="20190731">31 juli 2019</DATE>, punt 3.3, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0181" REF.END="QE0181"/>De toestemmingen die je ons verleent<QUOT.END REF.START="QS0181" CODE="201D" ID="QE0181"/>, beschikbaar op https://nl-nl.facebook.com/legal/terms).</P></NOTE>, op grond waarvan de platformexploitant toestemming krijgt om de door zijn gebruikers online geplaatste content te verspreiden en op grond waarvan hij bovendien claimt automatisch en systematisch rechten op al die content te verkrijgen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0065"><P>De vraag rijst of een dergelijk beding en de ruime gebruikslicentie waarin dat beding voorziet, strookt met andere bepalingen van het intellectuele-eigendomsrecht en, wat niet-zakelijke gebruikers betreft, met het consumentenrecht van de Unie. Die vraag valt evenwel buiten het bestek van de onderhavige conclusie. Ik wijs er enkel op dat er met betrekking tot zakelijke gebruikers inmiddels regels ter zake zijn opgenomen in artikel 3, lid 1, onder e), van verordening (EU) 2019/1150 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20190620">20 juni 2019</DATE> ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="186" PAGE.FIRST="57" DATE.PUB="2019">PB 2019, L 186, blz. 57</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>, blijkt immers niet dat die exploitant actief intervenieert in de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0182" REF.END="QE0182"/>mededeling [van de werken] aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0182" CODE="201D" ID="QE0182"/>, zoals bedoeld in punt 75 van de onderhavige conclusie. Net omdat dat beding systematisch en automatisch voor om het even welke online geplaatste content geldt, vormt het immers geen aanwijzing dat die exploitant de doorgegeven content bepaalt. Wanneer diezelfde exploitant daarentegen op grond van die licentie de door de gebruikers van het platform online geplaatste content opnieuw gebruikt<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0066"><P>Ik denk met name aan compilaties in de trant van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0183" REF.END="QE0183"/>YouTube Rewind<QUOT.END REF.START="QS0183" CODE="201D" ID="QE0183"/>.</P></NOTE>, verricht hij in zoverre handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0184" REF.END="QE0184"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0184" CODE="201D" ID="QE0184"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0086"><NO.P>86.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten vierde</HT> ben ik evenmin overtuigd van het argument van Peterson en Elsevier dat uit het door exploitanten als YouTube of Cyando toegepaste bedrijfsmodel blijkt dat zij zich niet beperken tot de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0185" REF.END="QE0185"/>beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0185" CODE="201D" ID="QE0185"/> in de zin van overweging 27 van richtlijn 2001/29, maar de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0186" REF.END="QE0186"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0186" CODE="201D" ID="QE0186"/> van de door de gebruikers van hun platformen online geplaatste werken verrichten. Dienaangaande voeren verzoekers in de hoofdgedingen aan dat de door die exploitanten ontvangen vergoeding, die met name voortvloeit uit de verkoop van reclameruimte (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0187" REF.END="QE0187"/>YouTube<QUOT.END REF.START="QS0187" CODE="201D" ID="QE0187"/>-model) dan wel abonnementen (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0188" REF.END="QE0188"/>Cyando<QUOT.END REF.START="QS0188" CODE="201D" ID="QE0188"/>-model), geen tegenprestatie voor een technische dienst vormt – die exploitanten laten de gebruikers met name niet betalen voor de opslagruimte als dusdanig – maar afhangt van de aantrekkelijkheid van de op hun platformen online geplaatste content. In het geval van YouTube hangen de behaalde reclame-inkomsten immers af van hoe druk het platform wordt bezocht en in het geval van Cyando zet het vooruitzicht om op een eenvoudige wijze veelvuldig aantrekkelijke content te kunnen downloaden, internetgebruikers ertoe aan een abonnement te nemen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0087"><NO.P>87.</NO.P><TXT>In het algemeen is het winstoogmerk dat een dienstverlener heeft, volgens mij niet erg nuttig om het onderscheid te maken tussen handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0189" REF.END="QE0189"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0189" CODE="201D" ID="QE0189"/> en een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0190" REF.END="QE0190"/>beschikbaarstelling<QUOT.END REF.START="QS0190" CODE="201D" ID="QE0190"/>. Ik herinner eraan dat het Hof – na reflectie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0067"><P>Het Hof had achtereenvolgens ten eerste de vraag opengelaten of het bestaan van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0191" REF.END="QE0191"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0191" CODE="201D" ID="QE0191"/> afhangt van de vraag of zij een winstoogmerk dient (zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20061207">7 december 2006</DATE>, <NAME.CASE>SGAE,</NAME.CASE> <NO.CASE>C‑306/05</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:764">EU:C:2006:764</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0044">44</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), ten tweede met de nodige omzichtigheid geoordeeld dat het een element betreft dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0192" REF.END="QE0192"/>niet irrelevant is<QUOT.END REF.START="QS0192" CODE="201D" ID="QE0192"/> (zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111004">4 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Football Association Premier League e.a.,</NAME.CASE> <NO.CASE>C‑403/08 en C‑429/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:631">EU:C:2011:631</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0204">204</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0206">206</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), ten derde duidelijk geoordeeld dat het winstoogmerk een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0193" REF.END="QE0193"/>criterium<QUOT.END REF.START="QS0193" CODE="201D" ID="QE0193"/> is waaraan het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0194" REF.END="QE0194"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0194" CODE="201D" ID="QE0194"/> dient te voldoen en dat er zonder dat winstoogmerk van een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0195" REF.END="QE0195"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0195" CODE="201D" ID="QE0195"/> geen sprake is (zie in die zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120315">15 maart 2012</DATE>, <NAME.CASE>SCF,</NAME.CASE> <NO.CASE>C‑135/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:140">EU:C:2012:140</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0097">97</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0099">99</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), alvorens ten vierde te verklaren dat het winstoogmerk <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0196" REF.END="QE0196"/>niet absoluut een noodzakelijke voorwaarde is<QUOT.END REF.START="QS0196" CODE="201D" ID="QE0196"/> en dienaangaande <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0197" REF.END="QE0197"/>niet bepalend<QUOT.END REF.START="QS0197" CODE="201D" ID="QE0197"/> is (arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20130307">7 maart 2013</DATE>, <NAME.CASE>ITV Broadcasting e.a.</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑607/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:147">EU:C:2013:147</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0043">43</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> – in het arrest Reha Training<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0068"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160531">31 mei 2016</DATE> (<NO.CASE>C‑117/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:379">EU:C:2016:379</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0049">49</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0062">62</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0064">64</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> mijns inziens terecht heeft geoordeeld dat het winstoogmerk <HT TYPE="ITALIC">geen criterium vormt</HT> van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0198" REF.END="QE0198"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0198" CODE="201D" ID="QE0198"/>, maar in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van de eventuele vergoeding of schadeloosstelling die uit hoofde<?PAGE NO="26"?> van een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0199" REF.END="QE0199"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0199" CODE="201D" ID="QE0199"/> aan de auteur is verschuldigd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0069"><P>Voor artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 maakt het immers geen verschil of de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0200" REF.END="QE0200"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0200" CODE="201D" ID="QE0200"/> al dan niet een winstoogmerk dient. Zoals ik heb aangegeven, vormt het bestaan van een dergelijke mededeling een objectief feit. Aangezien de auteur op grond van die bepaling een uitsluitend recht wordt toegekend, doet bovendien elke door een derde verrichte <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0201" REF.END="QE0201"/>mededeling [van een werk] aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0201" CODE="201D" ID="QE0201"/> zonder diens toestemming in beginsel afbreuk aan dat recht – ongeacht of die derde al dan niet een winstoogmerk heeft. Artikel 5, lid 3, onder a), b), en j), van die richtlijn biedt de lidstaten evenwel de mogelijkheid om voor bepaalde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0202" REF.END="QE0202"/>mededelingen<QUOT.END REF.START="QS0202" CODE="201D" ID="QE0202"/> die geen winstoogmerk dienen, in beperkingen te voorzien.</P></NOTE> Aldus kan het winstoogmerk hooguit een <HT TYPE="ITALIC">aanwijzing</HT> vormen voor het bestaan van een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0203" REF.END="QE0203"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0203" CODE="201D" ID="QE0203"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0070"><P>Bijvoorbeeld wijst het feit dat een persoon werken met winstoogmerk verspreidt, er veeleer op dat hij zich daarbij niet richt tot een privégroep, maar tot personen in het algemeen, dat wil zeggen een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0204" REF.END="QE0204"/>publiek<QUOT.END REF.START="QS0204" CODE="201D" ID="QE0204"/>. De omstandigheid dat het slechts om een aanwijzing gaat, verklaart mijns inziens waarom het Hof in verschillende arresten bepaalde handelingen als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0205" REF.END="QE0205"/>mededelingen aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0205" CODE="201D" ID="QE0205"/> heeft aangemerkt zonder in te gaan op de kwestie van het winstoogmerk. Zie arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140213">13 februari 2014</DATE>, <NAME.CASE>Svensson e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑466/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:76">EU:C:2014:76</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140227">27 februari 2014</DATE>, <NAME.CASE>OSA</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑351/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:110">EU:C:2014:110</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20171129">29 november 2017</DATE>, <NAME.CASE>VCAST</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑265/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:913">EU:C:2017:913</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20180807">7 augustus 2018</DATE>, <NAME.CASE>Renckhoff</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑161/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:634">EU:C:2018:634</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑263/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1111">EU:C:2019:1111</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Daarnaast is het winstoogmerk van een dienstverlener des te minder bruikbaar als aanwijzing om een dergelijk onderscheid te maken doordat de beschikbaarstelling van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0206" REF.END="QE0206"/>fysieke faciliteit<QUOT.END REF.START="QS0206" CODE="201D" ID="QE0206"/> waarmee een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0207" REF.END="QE0207"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0207" CODE="201D" ID="QE0207"/> kan worden verricht, over het algemeen een dergelijk winstoogmerk dient.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0071"><P>Zie conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Stim en SAMI</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑753/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:4">EU:C:2020:4</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0043">43</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0044">44</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> De grote meerderheid van onlinetussenpersonen verlenen hun diensten met name tegen betaling.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0088"><NO.P>88.</NO.P><TXT>Meer specifiek kan uit de omstandigheid dat de door exploitanten als YouTube en Cyando ontvangen vergoeding afhangt van de aantrekkelijkheid van de content die de gebruikers via hun platformen online plaatsten, niet worden afgeleid dat die exploitanten zelf de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0208" REF.END="QE0208"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0208" CODE="201D" ID="QE0208"/> van de eventuele werken op hun platformen verrichten. Ik herinner eraan dat het beslissende criterium mijns inziens is of de dienstverlener actief in die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0209" REF.END="QE0209"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0209" CODE="201D" ID="QE0209"/> intervenieert, zoals verduidelijkt in punt 75 van de onderhavige conclusie. Op grond van die enkele omstandigheid kan dat mijns inziens evenwel niet worden aangetoond.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0072"><P>Overigens hangen de door een platform als YouTube ontvangen reclame-inkomsten af van de populariteit van het platform voor elk mogelijk gebruik ervan. Evenzo bieden abonnementen als die van Cyando verschillende voordelen op het gebied van content die kan worden gedownload, maar kennelijk ook op het gebied van opslagcapaciteit. In een dergelijke context is de grens tussen de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0210" REF.END="QE0210"/>tegenprestatie voor de dienst<QUOT.END REF.START="QS0210" CODE="201D" ID="QE0210"/> en de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0211" REF.END="QE0211"/>tegenprestatie voor de content<QUOT.END REF.START="QS0211" CODE="201D" ID="QE0211"/> erg dun. Zoals het Hof in het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111013">13 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Airfield en Canal Digitaal</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑431/09 en C‑432/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:648">EU:C:2011:648</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0080">80</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), heeft geoordeeld, vormt de abonnementsprijs die het publiek aan een aanbieder van een satellietpakket betaalt, daarentegen (onmiskenbaar) de tegenprestatie voor de toegang tot de per satelliet meegedeelde werken.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0089"><NO.P>89.</NO.P><TXT>De door mij gesuggereerde uitlegging wordt mijns inziens bevestigd door de rechtspraak van het Hof op het gebied van het merkenrecht. Dienaangaande wijs ik erop dat het Hof (Grote kamer) in het arrest Google France heeft geoordeeld dat het gebruik van tekens die identiek of vergelijkbaar zijn met merken, als trefwoorden in het kader van een zoekmachineadvertentiedienst op internet, zoals de dienst AdWords van Google, zonder dat de houders van die merken daarmee hebben ingestemd, een verboden gebruik van die merken in de zin van het Unierecht inhoudt. Die tekens worden evenwel gebruikt door de gebruiker van de zoekmachineadvertentiedienst, die deze tekens als trefwoorden heeft gekozen, en niet door de dienstverlener, die hem alleen maar de middelen daarvoor aanreikt. Het feit dat die dienstverlener door zijn klanten wordt vergoed voor het gebruik van dergelijke tekens, is niet relevant. <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0212" REF.END="QE0212"/>[H]et feit dat iemand zorgt voor de technische voorzieningen die nodig zijn voor het gebruik van een teken, en daarvoor wordt vergoed, betekent [volgens het Hof] immers niet dat degene die deze dienst verleent, zelf het teken gebruikt.<QUOT.END REF.START="QS0212" CODE="201D" ID="QE0212"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0073"><P>Zie arrest Google France, punten 50‑57 en 104.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0090"><NO.P>90.</NO.P><TXT>Op vergelijkbare wijze heeft het Hof, opnieuw in Grote kamer, in het arrest L’Oréal/eBay geoordeeld dat het gebruik in verkoopaanbiedingen die op een onlinemarktplaats worden gepost van tekens die met merken overeenkomen, zonder dat de houders van die merken daarmee<?PAGE NO="27"?> hebben ingestemd, een verboden gebruik van die merken inhoudt. Ook in dat geval worden die tekens echter niet door de exploitant van de marktplaats illegaal gebruikt, maar door de gebruikers die deze verkoopaanbiedingen hebben gepost. Voor zover die exploitant de gebruikers van zijn dienst alleen maar de mogelijkheid biedt dergelijke verkoopaanbiedingen online te plaatsen, en in voorkomend geval van dergelijke tekens op die marktplaats gebruik te maken, gebruikt die exploitant die tekens immers niet zelf.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0074"><P>Zie arrest L’Oréal/eBay, punten 98‑105. Of nog in dezelfde zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200402">2 april 2020</DATE>, <NAME.CASE>Coty Germany</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑567/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:267">EU:C:2020:267</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0034">34</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0091"><NO.P>91.</NO.P><TXT>Het staat vast dat met name eBay structuur aanbrengt in de algemene presentatie van de zoekertjes van haar gebruikers die als verkopers optreden, deze in verschillende rubrieken indexeert en een zoekfunctie heeft geïnstalleerd. Die exploitant beveelt gebruikers die als kopers optreden, automatisch soortgelijke aanbiedingen aan als die welke eerder door hen zijn opgevraagd. Voorts hangt de vergoeding van de betrokken exploitanten in de zaken die hebben geleid tot de arresten Google France en L’Oréal/eBay af van de aantrekkelijkheid van de door de gebruikers van hun diensten verstrekte content. Google wordt in het kader van de dienst AdWords vergoed op basis van het aantal kliks op de advertentielinks die gebruikmaken van de trefwoorden die zijn gekozen door de gebruikers die als adverteerders optreden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0075"><P>Zie arrest Google France, punt 25.</P></NOTE> EBay ontvangt een percentage over de transacties die op basis van de op haar marktplaats geposte verkoopaanbiedingen tot stand komen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0076"><P>Zie arrest L’Oréal/eBay, punten 28 en 110.</P></NOTE> Die verschillende omstandigheden zijn kennelijk niet beslissend, of zelfs relevant, gebleken in de ogen van het Hof, dat er in zijn redenering zelfs niet naar heeft verwezen. Ik vraag mij dan ook af waarom in de onderhavige zaken aan die omstandigheden het door verzoekers in de hoofdgedingen gestelde belang zou moeten worden gehecht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0077"><P>Overigens is het Hof in het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120216">16 februari 2012</DATE>, <NAME.CASE>SABAM</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑360/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:85">EU:C:2012:85</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, met name punten 27 en 40), naar analogie ervan uitgegaan dat een exploitant van een sociaalnetwerksite zich beperkt tot het aanbieden van een dienst op grond waarvan diens gebruikers werken aan het publiek kunnen meedelen in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29. Ik zie niet in waarom ik in het onderhavige geval van die benadering zou moeten afwijken.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0092"><NO.P>92.</NO.P><TXT>In het licht van een en ander geef ik het Hof in overweging om op de eerste vragen te antwoorden dat de exploitant van een videodeelplatform en de exploitant van een host- en deelplatform voor bestanden geen handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0213" REF.END="QE0213"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0213" CODE="201D" ID="QE0213"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verrichten wanneer een gebruiker van hun platformen daarop een beschermd werk online plaatst.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0093"><NO.P>93.</NO.P><TXT>Derhalve kunnen die exploitanten niet <HT TYPE="ITALIC">rechtstreeks aansprakelijk</HT> worden gesteld uit hoofde van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 wanneer derden beschermde werken via hun platformen beschikbaar stellen voor het publiek, zonder dat de rechthebbenden voorafgaandelijk hun toestemming daarvoor hebben verleend (en zonder dat een beperking of restrictie van toepassing is). Die slotsom sluit niet uit dat daaruit een vorm van <HT TYPE="ITALIC">secundaire aansprakelijkheid</HT> van die exploitanten kan voortvloeien. Die vraag dient evenwel te worden onderzocht in het licht van de civielrechtelijke aansprakelijkheidsregels van de lidstaten, welke regels de door de artikelen 14 en 15 van richtlijn 2000/31 opgelegde grenzen dienen te eerbiedigen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0078"><P>Zie naar analogie arrest Google France, punt 57; arrest L’Oréal/eBay, punt 104, en arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200402">2 april 2020</DATE>, <NAME.CASE>Coty Germany</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑567/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:267">EU:C:2020:267</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0049">49</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="28"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">2.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 voorziet niet in een regeling voor de secundaire aansprakelijkheid van personen die onwettige handelingen van derden bestaande in een mededeling aan het publiek faciliteren</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0094"><NO.P>94.</NO.P><TXT>Ter inleiding dient allereerst in herinnering te worden gebracht dat het Hof in het arrest GS Media, in lijn met zijn arrest Svensson e.a.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0079"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140213">13 februari 2014</DATE> (<NO.CASE>C‑466/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:76">EU:C:2014:76</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, heeft geoordeeld dat het op een website plaatsen van hyperlinks die illegaal verwijzen naar op een andere website gepubliceerde werken, een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0214" REF.END="QE0214"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0214" CODE="201D" ID="QE0214"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 kan vormen. Het Hof was in wezen van oordeel dat een persoon door dergelijke links op de website te plaatsen een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0215" REF.END="QE0215"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0215" CODE="201D" ID="QE0215"/> heeft aangezien hij het publiek <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0216" REF.END="QE0216"/>rechtstreeks toegang<QUOT.END REF.START="QS0216" CODE="201D" ID="QE0216"/> tot de betrokken werken verleent. Dat plaatsen van links vormt evenwel slechts een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0217" REF.END="QE0217"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0217" CODE="201D" ID="QE0217"/> op voorwaarde dat wordt aangetoond dat de daarvoor verantwoordelijke persoon <HT TYPE="ITALIC">wist, of moest weten</HT>, dat die links toegang verschaffen tot illegaal gepubliceerde werken, waarbij die kennis moet worden vermoed wanneer die persoon winst nastreeft.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0080"><P>Zie arrest GS Media, punten 40‑51.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0095"><NO.P>95.</NO.P><TXT>Vervolgens heeft het Hof in het arrest Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0218" REF.END="QE0218"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0218" CODE="201D" ID="QE0218"/>) geoordeeld dat de verkoop van een mediaspeler waarop vooraf add-ons zijn geïnstalleerd die hyperlinks bevatten naar websites waarop beschermde werken illegaal worden gestreamd, een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0219" REF.END="QE0219"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0219" CODE="201D" ID="QE0219"/> vormt. In die zaak was het Hof van oordeel dat de verkoper van die speler zich niet beperkte tot een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0220" REF.END="QE0220"/>beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0220" CODE="201D" ID="QE0220"/>, maar daarentegen een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0221" REF.END="QE0221"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0221" CODE="201D" ID="QE0221"/> bij de mededeling van werken had omdat de kopers van die speler zonder de add-ons die hij vooraf op die speler had geïnstalleerd, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0222" REF.END="QE0222"/>moeilijk zouden kunnen profiteren van de beschermde werken<QUOT.END REF.START="QS0222" CODE="201D" ID="QE0222"/> doordat de betrokken streamingwebsites voor het publiek niet eenvoudig te vinden zijn. Daarnaast was het voor het Hof van belang dat de verkoper van die speler <HT TYPE="ITALIC">kennis</HT> had van het feit dat met die add-ons toegang kon worden verkregen tot <HT TYPE="ITALIC">illegaal</HT> op internet verspreide werken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0081"><P>Zie arrest Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0223" REF.END="QE0223"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0223" CODE="201D" ID="QE0223"/>), punten 41‑51.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0096"><NO.P>96.</NO.P><TXT>Ten slotte heeft het Hof in het arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0224" REF.END="QE0224"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0224" CODE="201D" ID="QE0224"/>) geoordeeld dat het beschikbaar stellen en het beheren van een internetplatform waar door de gebruikers ervan geüploade torrentbestanden worden opgeslagen en geïndexeerd zodat zij beschermde werken kunnen delen en downloaden in het kader van een peer-to-peernetwerk, een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0225" REF.END="QE0225"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0225" CODE="201D" ID="QE0225"/> vormt. Volgens het Hof beperken de beheerders van dat platform zich niet tot de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0226" REF.END="QE0226"/>[eenvoudige] beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten<QUOT.END REF.START="QS0226" CODE="201D" ID="QE0226"/> maar hebben zij een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0227" REF.END="QE0227"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0227" CODE="201D" ID="QE0227"/> bij de beschikbaarstelling van werken omdat zij op het platform verschillende hulpmiddelen aanbieden, waaronder een zoekfunctie en een index van de gehoste torrentbestanden met behulp waarvan die bestanden gemakkelijker kunnen worden gevonden. Zonder hun interventie <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0228" REF.END="QE0228"/>zouden deze werken [dus] niet of moeilijker door de gebruikers kunnen worden gedeeld op internet<QUOT.END REF.START="QS0228" CODE="201D" ID="QE0228"/>. Het Hof heeft wederom benadrukt dat de beheerders van dat platform <HT TYPE="ITALIC">kennis</HT> hadden van het feit dat de werken over het algemeen illegaal via dat platform werden gedeeld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0082"><P>Zie arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0229" REF.END="QE0229"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0229" CODE="201D" ID="QE0229"/>), punten 35‑46.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0097"><NO.P>97.</NO.P><TXT>Zoals ik heb verduidelijkt in punt 56 van de onderhavige conclusie, komt een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0230" REF.END="QE0230"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0230" CODE="201D" ID="QE0230"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, overeenkomstig overweging 23 van die richtlijn en zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0083"><P>Zie met name arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111004">4 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Football Association Premier League e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑403/08 en C‑429/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:631">EU:C:2011:631</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0193">193</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160531">31 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Reha Training</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑117/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:379">EU:C:2016:379</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑263/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1111">EU:C:2019:1111</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0049">49</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0062">62</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). In het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111124">24 november 2011</DATE>, <NAME.CASE>Circul Globus Bucureşti</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑283/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:772">EU:C:2011:772</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0040">40</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), heeft het Hof eveneens geoordeeld dat onder artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 geen handelingen vallen die niet de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0231" REF.END="QE0231"/>doorgifte<QUOT.END REF.START="QS0231" CODE="201D" ID="QE0231"/> of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0232" REF.END="QE0232"/>wederdoorgifte<QUOT.END REF.START="QS0232" CODE="201D" ID="QE0232"/> van een werk inhouden.</P></NOTE>, in beginsel overeen met de <HT TYPE="ITALIC">doorgifte</HT><?PAGE NO="29"?> van een werk aan een publiek. In die overweging wordt voorts gepreciseerd dat die bepaling <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0233" REF.END="QE0233"/>geen betrekking [heeft] op enige andere handeling<QUOT.END REF.START="QS0233" CODE="201D" ID="QE0233"/>. Hoewel het in het kader van een beschikbaarstelling volstaat dat de betrokken persoon het publiek toegang tot het werk verleent, dient die toegang in te houden, zoals ik in punt 57 van de onderhavige conclusie heb verduidelijkt, dat dit werk op aanvraag van een lid van het publiek <HT TYPE="ITALIC">kan worden doorgegeven</HT>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0098"><NO.P>98.</NO.P><TXT>Geen enkele van de handelingen die in de drie in het onderhavige deel onderzochte arresten aan de orde waren, bestaan mijns inziens evenwel in de actuele of potentiële doorgifte van een werk aan een publiek. Het arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0234" REF.END="QE0234"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0234" CODE="201D" ID="QE0234"/>) vormt dienaangaande het meest representatieve voorbeeld. Aangezien de op het peer-to-peernetwerk gedeelde werken niet op het litigieuze platform openbaar waren gemaakt, waren de beheerders van dat platform praktisch gezien niet in staat om ze door te geven aan het publiek. In feite was dat platform slechts een <HT TYPE="ITALIC">facilitator</HT> voor doorgiften op dat netwerk door de gebruikers van dat platform.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0084"><P>Ik wijs erop dat de aansprakelijkheid van de gebruikers van een peer-to-peernetwerk op grond van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 het voorwerp uitmaakt van de aanhangige zaak C‑597/19, M.I.C.M.</P></NOTE> Dat was eveneens het geval in de arresten GS Media en Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0235" REF.END="QE0235"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0235" CODE="201D" ID="QE0235"/>). De plaatsing van hyperlinks en de verkoop van de litigieuze mediaspeler die in die arresten aan de orde waren, <HT TYPE="ITALIC">faciliteerden</HT> de toegang tot de werken die illegaal op de betrokken websites beschikbaar waren gesteld voor het publiek.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0085"><P>De kwestie van de hyperlinks gaat het bestek van de onderhavige conclusie te buiten. Het Hof krijgt de kans om die kwestie opnieuw te onderzoeken in de aanhangige zaak C‑392/19, VG Bild-Kunst.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0099"><NO.P>99.</NO.P><TXT>Kortom, in die arresten heeft het Hof mijns inziens in de werkingssfeer van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 handelingen binnengeloodst die, strikt genomen, geen actuele of potentiële doorgiften van werken uitmaken, maar dergelijke onwettige doorgiften door derden <HT TYPE="ITALIC">faciliteren</HT>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0086"><P>Zie in dat verband conclusie van advocaat-generaal Wathelet in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>GS Media</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑160/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:221">EU:C:2016:221</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0054">54</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0061">61</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). In punt 26 van het arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0236" REF.END="QE0236"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0236" CODE="201D" ID="QE0236"/>) heeft het Hof de oorspronkelijke omschrijving van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0237" REF.END="QE0237"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0237" CODE="201D" ID="QE0237"/> overigens gewijzigd. Daaronder dient thans te worden verstaan dat een persoon, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0238" REF.END="QE0238"/>met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze, intervenieert om zijn klanten toegang te verlenen tot beschermd werk, met name wanneer deze klanten zonder een dergelijke interventie geen, <HT TYPE="ITALIC">of slechts moeilijk</HT>, toegang zouden hebben tot het verspreide werk<QUOT.END REF.START="QS0238" CODE="201D" ID="QE0238"/> (cursivering van mij).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0100"><NO.P>100.</NO.P><TXT>Voorts heeft het Hof in diezelfde arresten een criterium inzake <HT TYPE="ITALIC">kennis van de onwettigheid</HT> aan het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0239" REF.END="QE0239"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0239" CODE="201D" ID="QE0239"/> toegevoegd. Zoals Elsevier en de Franse regering aanvoeren, houdt dat begrip in beginsel evenwel geen dergelijk criterium in. Het Hof oordeelt weliswaar steevast dat het bestaan van een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0240" REF.END="QE0240"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0240" CODE="201D" ID="QE0240"/> veronderstelt dat de betrokken persoon <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0241" REF.END="QE0241"/>met volledige kennis van de gevolgen van zijn gedrag<QUOT.END REF.START="QS0241" CODE="201D" ID="QE0241"/>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0242" REF.END="QE0242"/>(wel)bewust<QUOT.END REF.START="QS0242" CODE="201D" ID="QE0242"/>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0243" REF.END="QE0243"/>vrijwillig<QUOT.END REF.START="QS0243" CODE="201D" ID="QE0243"/> of ook <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0244" REF.END="QE0244"/>doelgericht<QUOT.END REF.START="QS0244" CODE="201D" ID="QE0244"/> intervenieert<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0087"><P>Zie met name arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20061207">7 december 2006</DATE>, <NAME.CASE>SGAE</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑306/05</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:764">EU:C:2006:764</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111004">4 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Football Association Premier League e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑403/08 en C‑429/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:631">EU:C:2011:631</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0194">194</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120315">15 maart 2012</DATE>, <NAME.CASE>SCF</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑135/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:140">EU:C:2012:140</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0091">91</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0094">94</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140227">27 februari 2014</DATE>, <NAME.CASE>OSA</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑351/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:110">EU:C:2014:110</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0026">26</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, maar die verschillende begrippen zijn mijns inziens in beginsel bedoeld om aan te geven, zoals ik in punt 72 van de onderhavige conclusie heb verduidelijkt, dat dit begrip <HT TYPE="ITALIC">de wil</HT> inhoudt om een werk aan een publiek <HT TYPE="ITALIC">door te geven</HT>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0088"><P>De toevallige doorgifte van een werk aan een publiek – bijvoorbeeld muziek in een privéwoning die via luidsprekers die op een hoog volume staan wordt weergegeven en door voorbijgangers vanaf de straat wordt gehoord – vormt derhalve geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0245" REF.END="QE0245"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0245" CODE="201D" ID="QE0245"/>. Het vrijwillige karakter van een mededeling kan worden afgeleid uit objectieve elementen die betrekking hebben op de aard zelf van de interventie van de betrokken persoon. Dat verklaart waarom het Hof die kwestie, behalve in de arresten GS Media, Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0246" REF.END="QE0246"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0246" CODE="201D" ID="QE0246"/>) en Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0247" REF.END="QE0247"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0247" CODE="201D" ID="QE0247"/>), nooit afzonderlijk heeft onderzocht en terecht heeft voorgesteld als een kwestie die onlosmakelijk is verbonden met die van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0248" REF.END="QE0248"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0248" CODE="201D" ID="QE0248"/> van de betrokken persoon.</P></NOTE> Die kwestie verschilt a priori van de vraag of de persoon die zonder toestemming van de auteur van een werk de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0249" REF.END="QE0249"/>mededeling [van dat werk] aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0249" CODE="201D" ID="QE0249"/> verricht, kennis heeft van het feit dat een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0250" REF.END="QE0250"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0250" CODE="201D" ID="QE0250"/> in beginsel onwettig is.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="30"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0101"><NO.P>101.</NO.P><TXT>Zoals ik in punt 64 van de onderhavige conclusie heb verduidelijkt, wordt het bestaan van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0251" REF.END="QE0251"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0251" CODE="201D" ID="QE0251"/> overeenkomstig artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 daarbij over het algemeen beschouwd – onder voorbehoud van de nuancering in het vorige punt – als een <HT TYPE="ITALIC">objectief feit</HT>. Het wettige of onwettige karakter van die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0252" REF.END="QE0252"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0252" CODE="201D" ID="QE0252"/> hangt in beginsel evenmin af van de kennis van de persoon die die mededeling verricht, maar in essentie van de vraag of de auteur zijn toestemming voor die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0253" REF.END="QE0253"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0253" CODE="201D" ID="QE0253"/> heeft verleend.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0089"><P>Zie naar analogie conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Stichting Brein</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑527/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:938">EU:C:2016:938</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0071">71</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Met de kennis van die persoon wordt evenwel rekening gehouden in het stadium van de sancties en schadevergoeding waartoe deze eventueel wordt veroordeeld. Met name blijkt uit artikel 13 van richtlijn 2004/48 dat op een persoon die inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht heeft gepleegd terwijl hij <HT TYPE="ITALIC">wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde</HT>, de verplichting rust om de rechthebbende een passende vergoeding te betalen tot herstel van de schade die deze wegens die inbreuk heeft geleden. Omgekeerd, wanneer een persoon een dergelijke inbreuk pleegt <HT TYPE="ITALIC">zonder dat hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde</HT>, kan daarentegen een minder zware veroordeling worden uitgesproken in de vorm van invordering van door die persoon behaalde winsten of betaling van een vooraf vastgestelde schadevergoeding.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0090"><P>Overigens zijn bepaalde van de bij richtlijn 2004/48 ingestelde maatregelen uitsluitend van toepassing op handelingen die op commerciële schaal worden verricht en niet op handelingen van eindgebruikers te goeder trouw. Zie overweging 14 en artikel 6, lid 2, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 2, van die richtlijn.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0102"><NO.P>102.</NO.P><TXT>Dit gezegd zijnde, vormt het feit dat een persoon – met name een als tussenpersoon optredende dienstverlener – door derden verrichte onwettige handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0254" REF.END="QE0254"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0254" CODE="201D" ID="QE0254"/> bewust faciliteert, uiteraard laakbaar gedrag. Over het algemeen wordt evenwel aangenomen dat het in dat geval een kwestie van <HT TYPE="ITALIC">secundaire aansprakelijkheid</HT> betreft die onder de civielrechtelijke aansprakelijkheidsregels van de lidstaten valt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0091"><P>In Duitsland is de aansprakelijkheid wegens medeplichtigheid opgenomen in § 830 van het Bürgerliches Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0255" REF.END="QE0255"/>BGB<QUOT.END REF.START="QS0255" CODE="201D" ID="QE0255"/>) (zie over dit onderwerp mijn analyse van de vijfde en de zesde prejudiciële vragen). In het Verenigd Koninkrijk maakt de instemming met, de hulp bij en de uitlokking van inbreuken, een onrechtmatige daad (<HT TYPE="ITALIC">tort</HT>) uit (zie Arnold, R., en Davies, P. S., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0256" REF.END="QE0256"/>Accessory liability for intellectual property infringement: the case of authorisation<QUOT.END REF.START="QS0256" CODE="201D" ID="QE0256"/>, <HT TYPE="ITALIC">Law Quarterly Review</HT>, nr. 133, 2017, blz. 442‑468). Zie eveneens naar analogie in de Verenigde Staten de regels inzake <HT TYPE="ITALIC">contributory infringement</HT> (zie Ginsburg, J. C., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0257" REF.END="QE0257"/>Separating the <HT TYPE="ITALIC">Sony</HT> Sheep from the <HT TYPE="ITALIC">Grokster</HT> Goats: Reckoning the Future Business Plans of Copyright-Dependent Technology Entrepreneurs<QUOT.END REF.START="QS0257" CODE="201D" ID="QE0257"/>, <HT TYPE="ITALIC">Arizona Law Review</HT>, deel 50, 2008, blz. 577‑609).</P></NOTE> Die secundaire aansprakelijkheid voor door derden gepleegde inbreuken op het auteursrecht vereist over het algemeen overigens een moreel element als kennis van de onwettigheid of opzet.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0092"><P>Zie met name Leistner, M., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0258" REF.END="QE0258"/>Copyright law on the internet in need of reform: hyperlinks, online platforms and aggregators<QUOT.END REF.START="QS0258" CODE="201D" ID="QE0258"/>, <HT TYPE="ITALIC">Journal of Intellectual Property Law &amp; Practice</HT>, 2017, deel 12, nr. 2, blz. 136‑149; Angelopoulos, C., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0259" REF.END="QE0259"/>Communication to the public and accessory copyright infringement<QUOT.END REF.START="QS0259" CODE="201D" ID="QE0259"/>, <HT TYPE="ITALIC">Cambridge Law Journal</HT>, 2017, deel 76, nr. 3, blz. 496‑499; Koo, J., op. cit., blz. 117, en Ohly, A., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0260" REF.END="QE0260"/>The broad concept of <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0261" REF.END="QE0261"/>communication to the public<QUOT.END REF.START="QS0261" CODE="2019" ID="QE0261"/> in recent CJEU judgments and the liability of intermediaries: primary, secondary or unitary liability?<QUOT.END REF.START="QS0260" CODE="201D" ID="QE0260"/>, <HT TYPE="ITALIC">Journal of Intellectual Property Law &amp; Practice</HT>, 2018, deel 13, nr. 8, blz. 664‑675.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0103"><NO.P>103.</NO.P><TXT>Aangezien artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 de materiële inhoud van het recht van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0262" REF.END="QE0262"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0262" CODE="201D" ID="QE0262"/> harmoniseert, bepaalt dat voorschrift mijns inziens welke handelingen onder dat uitsluitend recht vallen, en in die mate wat de <HT TYPE="ITALIC">primaire aansprakelijkheid</HT> is van degenen die dergelijke handelingen illegaal verrichten. Daarentegen wijst geen enkel element in de bewoordingen van die bepaling noch in de andere bepalingen van die richtlijn erop<?PAGE NO="31"?> dat zij is bedoeld om kwesties van <HT TYPE="ITALIC">secundaire aansprakelijkheid</HT> te regelen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0093"><P>Met uitzondering evenwel van de regels betreffende het in artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 opgenomen verbod ten aanzien van tussenpersonen (zie mijn analyse van de vierde prejudiciële vragen).</P></NOTE> Dat is des te opmerkelijker omdat de Uniewetgever, wanneer hij wil dat die kwesties onder de door hem vastgestelde handelingen vallen, niet nalaat om dat te preciseren.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0094"><P>In heel wat richtlijnen is een bepaling opgenomen op grond waarvan de lidstaten worden verplicht om de uitlokking van alsook de deelname en de medeplichtigheid aan handelingen die primair met die richtlijnen worden bestreden, strafbaar te stellen. Zie met name artikel 7 van richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20111213">13 december 2011</DATE> ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="335" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2011">PB 2011, L 335, blz. 1</REF.DOC.OJ>); artikel 8 van richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20130812">12 augustus 2013</DATE> over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="218" PAGE.FIRST="8" DATE.PUB="2013">PB 2013, L 218, blz. 8</REF.DOC.OJ>); artikel 6 van richtlijn 2014/57/EU van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20140416">16 april 2014</DATE> betreffende strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (richtlijn marktmisbruik) (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="173" PAGE.FIRST="179" DATE.PUB="2014">PB 2014, L 173, blz. 179</REF.DOC.OJ>); artikel 5 van richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20170705">5 juli 2017</DATE> betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="198" PAGE.FIRST="29" DATE.PUB="2017">PB 2017, L 198, blz. 29</REF.DOC.OJ>), en artikel 4 van richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20181023">23 oktober 2018</DATE> inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="284" PAGE.FIRST="22" DATE.PUB="2018">PB 2018, L 284, blz. 22</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0104"><NO.P>104.</NO.P><TXT>Om die reden plaats ik vraagtekens bij de door het Hof in de arresten GS Media, Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0263" REF.END="QE0263"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0263" CODE="201D" ID="QE0263"/>) en Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0264" REF.END="QE0264"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0264" CODE="201D" ID="QE0264"/>) gevolgde redenering. Los van de vraag naar de wenselijkheid van een uniforme Unierechtelijke regeling voor praktijken van personen die de onwettige handelingen van derden welbewust faciliteren, en hoewel een dergelijke uniformiteit mede zou kunnen zorgen voor een hoge mate van bescherming van het auteursrecht, is het mijns inziens een feit dat het Unierecht volgens de huidige stand van zaken niet in een dergelijke regeling voorziet.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0095"><P>Zie conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de gevoegde zaken <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Google France en Google</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑236/08–C‑238/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:569">EU:C:2009:569</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>L’Oréal e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑324/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:757">EU:C:2010:757</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0055">55</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0056">56</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Stichting Brein</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑610/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:99">EU:C:2017:99</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0003">3</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Het staat aan de Uniewetgever om een regeling voor de secundaire aansprakelijkheid in het Unierecht op te nemen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0105"><NO.P>105.</NO.P><TXT>Ik wens te benadrukken dat het plaatsen van hyperlinks naar illegaal op een website geplaatste werken, met volledige kennis van het onwettige karakter ervan, de verkoop van een speler als de Filmspeler en het beheer van een platform als The Pirate Bay uiteraard dienen te worden beteugeld. Daartoe is het evenwel niet nodig om dergelijke praktijken onder de werkingssfeer van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 te doen vallen. Voor die praktijken kan en moet volgens mij een oplossing worden gevonden in het civiele recht – of zelfs in het strafrecht – van de lidstaten. Het is dus niet zo dat de door mij gesuggereerde uitlegging de auteurs wat dat betreft aan hun lot overlaat.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0106"><NO.P>106.</NO.P><TXT>Overigens herinner ik eraan dat het Hof er in de arresten Google France en L’Oréal/eBay voor heeft gekozen om de werkingssfeer van de primaire aansprakelijkheid op het gebied van het merkenrecht niet uit te breiden naar praktijken van tussenpersonen die mogelijk tot inbreuken op de merken door de gebruikers van hun diensten bijdragen. Het Hof heeft voor die vraag terecht verwezen naar de civielrechtelijke aansprakelijkheidsregels van de lidstaten en naar de door richtlijn 2000/31 gestelde grenzen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0096"><P>Zie arrest Google France, punt 57, en arrest L’Oréal/eBay, punt 104.</P></NOTE> Ik vraag mij dan ook af of op het gebied van het auteursrecht van een dergelijke benadering dient te worden afgeweken, gelet op het feit dat de Uniewetgeving op die twee gebieden in vergelijkbare mate is geharmoniseerd en dezelfde doelstelling van een hoge mate van bescherming van de intellectuele eigendom nastreeft.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="32"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">3.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Subsidiair: faciliteren exploitanten als YouTube en Cyando welbewust onwettige handelingen van derden?</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0107"><NO.P>107.</NO.P><TXT>Voor het geval het Hof het wenselijk zou achten om het in de arresten GS Media, Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0265" REF.END="QE0265"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0265" CODE="201D" ID="QE0265"/>) en Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0266" REF.END="QE0266"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0266" CODE="201D" ID="QE0266"/>) gevolgde analysekader, ondanks de door mij in het vorige deel geformuleerde voorbehouden, op de onderhavige zaken toe te passen, zal ik deze zaken subsidiair vanuit het oogpunt van dat analysekader onderzoeken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0108"><NO.P>108.</NO.P><TXT>Volgens mijn begrip van die arresten dient de interventie in de doorgifte van een werk aan een publiek door een andere persoon dan de persoon die door zijn beslissing om die doorgifte te verrichten, de eigenlijke handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0267" REF.END="QE0267"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0267" CODE="201D" ID="QE0267"/> verricht, met een dergelijke handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0268" REF.END="QE0268"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0268" CODE="201D" ID="QE0268"/> te worden gelijkgesteld indien aan twee criteria is voldaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0109"><NO.P>109.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten eerste</HT> dient de betrokken persoon bij die doorgifte een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0269" REF.END="QE0269"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0269" CODE="201D" ID="QE0269"/> te hebben. Overeenkomstig de betekenis die in die arresten daaraan is gegeven, is er sprake van een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0270" REF.END="QE0270"/>rol<QUOT.END REF.START="QS0270" CODE="201D" ID="QE0270"/> zodra die persoon die doorgifte faciliteert.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0097"><P>Zie in die zin arrest Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0271" REF.END="QE0271"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0271" CODE="201D" ID="QE0271"/>), punten 41 en 42, en arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0272" REF.END="QE0272"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0272" CODE="201D" ID="QE0272"/>), punten 26, 34, 36 en 37. Zie met betrekking tot het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0273" REF.END="QE0273"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0273" CODE="201D" ID="QE0273"/>, zoals dat mijns inziens in de andere arresten van het Hof wordt opgevat, punt 72 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE> In het onderhavige geval voldoen exploitanten als YouTube en Cyando duidelijk aan dat criterium.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0110"><NO.P>110.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten tweede</HT> dient de interventie van die persoon <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0274" REF.END="QE0274"/>welbewust<QUOT.END REF.START="QS0274" CODE="201D" ID="QE0274"/> plaats te vinden, in die zin dat hij kennis dient te hebben van het onwettige karakter van de door hem gefaciliteerde mededeling. De manier waarop dat criterium in de onderhavige zaken dient te worden uitgelegd, is veel minder vanzelfsprekend. Het hele probleem vloeit voort uit het feit dat er met betrekking tot dat morele element geen Unierechtelijk kader bestaat. Ik kan dan ook enkel speculeren, waarbij ik mij laat leiden door de aanwijzingen die voortvloeien uit de arresten GS Media, Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0275" REF.END="QE0275"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0275" CODE="201D" ID="QE0275"/>) en Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0276" REF.END="QE0276"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0276" CODE="201D" ID="QE0276"/>), nationale rechtspraak inzake secundaire aansprakelijkheid en de logica achter de voorwaarden waaraan dienstverleners die als tussenpersoon optreden overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2000/31 moeten voldoen om voor de in die bepaling opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid in aanmerking te komen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0098"><P>Indien het Hof wenst vast te houden aan een criterium inzake kennis van de onwettigheid in het kader van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0277" REF.END="QE0277"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0277" CODE="201D" ID="QE0277"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, zal het zich immers aan de uit artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 voortvloeiende beginselen dienen te houden, omdat anders het gevaat bestaat dat de in voetnoot 20 van de onderhavige conclusie aangehaalde situatie zich voordoet waarin een dienstverlener aansprakelijk is op grond van de eerste bepaling, maar is vrijgesteld uit hoofde van de tweede bepaling.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0111"><NO.P>111.</NO.P><TXT>Dienaangaande lijkt mij zonder al te veel moeilijkheden te kunnen worden aangenomen, zoals de verwijzende rechter verklaart en de Commissie aanvoert, dat een exploitant als YouTube of Cyando in de via zijn platform verrichte onwettige <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0278" REF.END="QE0278"/>mededeling [van een bepaald werk] aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0278" CODE="201D" ID="QE0278"/> <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0279" REF.END="QE0279"/>welbewust<QUOT.END REF.START="QS0279" CODE="201D" ID="QE0279"/> heeft geïntervenieerd, wanneer hij kennis of besef had van het bestaan van het bestand met het betrokken werk – met name wanneer dat bestand hem was gemeld – en wanneer hij, zodra hij van het bovenbedoelde daadwerkelijk kennis of besef heeft gekregen, niet prompt heeft gehandeld om dat bestand te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0099"><P>Zie conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Stichting Brein</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑610/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:99">EU:C:2017:99</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0051">51</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0052">52</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en naar analogie arrest GS Media, punt 49.</P></NOTE> In een dergelijk geval kan immers redelijkerwijs worden aangenomen dat de beheerder, door niet te handelen terwijl hij daartoe de mogelijkheid had, die onwettige <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0280" REF.END="QE0280"/>mededeling<QUOT.END REF.START="QS0280" CODE="201D" ID="QE0280"/> goedkeurt dan wel blijk geeft van kennelijke nalatigheid ten aanzien van die mededeling. De vraag in welke omstandigheden een exploitant dat soort kennis of besef krijgt, en de vraag of die<?PAGE NO="33"?> exploitant in voorkomend geval <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0281" REF.END="QE0281"/>prompt<QUOT.END REF.START="QS0281" CODE="201D" ID="QE0281"/> heeft gehandeld, dienen mijns inziens te worden beantwoord in het licht van dezelfde beginselen als die welke zijn toegepast in het kader van de in artikel 14, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2000/31 opgenomen voorwaarden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0100"><P>Wat die punten betreft, verwijs ik dus naar mijn analyse van de derde prejudiciële vragen. Ik preciseer evenwel dat de idee van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0282" REF.END="QE0282"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0282" CODE="201D" ID="QE0282"/> [die verwijst naar de passage in artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31, volgens welke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0283" REF.END="QE0283"/>de dienstverlener [...] kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt<QUOT.END REF.START="QS0283" CODE="201D" ID="QE0283"/>] overeenkomt met de in punt 49 van het arrest GS Media aangehaalde idee dat een persoon aansprakelijk is wanneer hij <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0284" REF.END="QE0284"/>had moeten weten<QUOT.END REF.START="QS0284" CODE="201D" ID="QE0284"/> dat hij een onwettige mededeling faciliteerde.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0112"><NO.P>112.</NO.P><TXT>Daarentegen ben ik samen met de Commissie, en anders dan Peterson, Elsevier en de Duitse en de Franse regering, van mening dat de kennis van de onwettigheid niet kan worden <HT TYPE="ITALIC">vermoed</HT> op grond van het feit dat de betrokken exploitant een winstoogmerk heeft.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0113"><NO.P>113.</NO.P><TXT>In het arrest GS Media heeft het Hof inderdaad geoordeeld dat er, wanneer een persoon met een winstoogmerk op een website hyperlinks plaatst naar beschermde werken die zonder toestemming van de auteur ervan op een andere website zijn gepubliceerd, dan (weerlegbaar) dient te worden vermoed dat hij kennis heeft van de beschermde aard van die werken en van het feit dat die toestemming ontbreekt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0101"><P>Zie arrest GS Media, punt 51.</P></NOTE> Naast het feit dat het Hof die oplossing in zijn latere rechtspraak tot de kwestie van hyperlinks lijkt te hebben beperkt<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0102"><P>In punt 49 van het arrest Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0285" REF.END="QE0285"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0285" CODE="201D" ID="QE0285"/>) heeft het Hof verwezen naar het in het arrest GS Media neergelegde vermoeden. Ondanks dat de betrokken mediaspeler met winstoogmerk werd verkocht, heeft het Hof dat vermoeden toch niet echt toegepast. Bovendien heeft het Hof dat vermoeden in het arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0286" REF.END="QE0286"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0286" CODE="201D" ID="QE0286"/>) zelfs niet aangehaald.</P></NOTE>, ben ik echter van mening dat een dergelijk vermoeden in het onderhavige geval hoe dan ook niet kan worden toegepast.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0114"><NO.P>114.</NO.P><TXT>In de zaak die tot het arrest GS Media heeft geleid, had de exploitant van de betrokken website de litigieuze links zelf geplaatst. Hij had dus kennis van de content waarnaar die links verwezen. Zoals Cyando heeft aangevoerd, vormde die omstandigheid een grondslag voor een feitelijk vermoeden. Op basis daarvan kon het Hof van die exploitant verwachten dat hij, alvorens tot die plaatsing over te gaan, de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0287" REF.END="QE0287"/>nodige verificaties<QUOT.END REF.START="QS0287" CODE="201D" ID="QE0287"/> zou verrichten om zich ervan te vergewissen dat het niet ging om beschermde werken die illegaal waren gepost op de website waarnaar die links verwezen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0103"><P>Zie arrest GS Media, punt 51.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0115"><NO.P>115.</NO.P><TXT>Ik wens eraan te herinneren dat de exploitant van een platform in beginsel evenwel niet degene is die de content online plaatst. De toepassing in die context van de in het arrest GS Media ontwikkelde oplossing komt erop neer dat die beheerder, doordat hij doorgaans een winstoogmerk nastreeft, wordt vermoed kennis te hebben van alle bestanden op zijn servers maar ook van het eventuele onwettige karakter ervan, en dat vermoeden dient te weerleggen door aan te tonen dat hij de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0288" REF.END="QE0288"/>nodige verificaties<QUOT.END REF.START="QS0288" CODE="201D" ID="QE0288"/> heeft verricht. Dat soort oplossing zou er mijns inziens evenwel op neerkomen dat een dergelijke exploitant een algemene verplichting wordt opgelegd om toe te zien op de informatie die hij opslaat en actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden, wat indruist tegen het verbod dat in dat verband in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 is neergelegd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0104"><P>Zie conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Stichting Brein</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑610/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:99">EU:C:2017:99</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0052">52</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Tot dusver heeft het Hof de in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 neergelegde grenzen verduidelijkt in het kader van de rechterlijke bevelen die kunnen worden uitgevaardigd tegen een dienstverlener die door de gebruikers van zijn dienst verstrekte informatie opslaat (zie met name arrest L’Oréal/eBay, punt 139). Mijns inziens moet ook buiten de vraag van die rechterlijke bevelen om met die bepaling rekening worden gehouden. Het Unierecht kan immers niet aldus worden uitgelegd dat een dergelijke dienstverlener <HT TYPE="ITALIC">vooraf</HT> dat soort verplichting <HT TYPE="ITALIC">wordt opgelegd</HT>. Overigens zouden een algemene toezichtverplichting en een verplichting om actief te zoeken, zelfs in de veronderstelling dat het Hof in het kader van de tweede prejudiciële vragen oordeelt dat exploitanten als YouTube of Cyando niet binnen de werkingssfeer van de artikelen 14 en 15 van die richtlijn vallen, met andere bepalingen van het Unierecht onverenigbaar zijn (zie deel F van de onderhavige conclusie).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="34"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0116"><NO.P>116.</NO.P><TXT>Blijft nog het onderzoek van de vraag of exploitanten als YouTube en Cyando, zoals Peterson, Elsevier en de Franse regering aanvoeren, aansprakelijk kunnen worden gesteld aangezien zij <HT TYPE="ITALIC">in algemene en abstracte zin kennis</HT> hadden van het feit dat hun platformen (onder meer) door derden worden gebruikt om illegaal beschermde werken online te delen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0117"><NO.P>117.</NO.P><TXT>Die vraag is uitermate ingewikkeld. Tal van producten of diensten kunnen net als de platformen YouTube en Uploaded voor zowel rechtmatige, zelfs sociaal wenselijke, doeleinden worden gebruikt als voor onrechtmatige doeleinden. Mijns inziens kan de aanbieder van een dergelijk product of dienst niet aansprakelijk worden gesteld voor het onrechtmatige gebruik dat derden ervan maken, louter op grond van het feit dat hij kennis of vermoedens van een dergelijk gebruik heeft. Een zo lage aansprakelijkheidsnorm kan het vervaardigen en op de markt brengen van dergelijke producten of diensten ten koste van het rechtmatige gebruik ervan ontmoedigen – en, in het verlengde daarvan, de ontwikkeling van soortgelijke of innovatieve producten of diensten afremmen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0105"><P>Zie het arrest van de Supreme Court of the United States (hoogste rechterlijke instantie, Verenigde Staten), <HT TYPE="ITALIC">Sony Corp. of America v. Universal City Studios Inc</HT>., 464 US 417 (1984). In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, wensten de rechthebbenden de secundaire aansprakelijkheid van Sony voor het vervaardigen en op de markt brengen van de videorecorder Betamax in te roepen, op grond dat die onderneming via die videorecorder derden in staat stelde om inbreuken op het auteursrecht te plegen (met name het illegaal kopiëren van televisieprogramma’s) en redelijkerwijs kon weten dat dergelijke inbreuken zich zouden voordoen. Hun beroep is evenwel verworpen op grond dat die videorecorder weliswaar illegaal kon worden gebruikt, maar eveneens een aanzienlijk aantal legale toepassingen had.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0118"><NO.P>118.</NO.P><TXT>Het loutere feit dat een aanbieder winsten uit dat onrechtmatige gebruik haalt, mag evenmin bepalend zijn. Dienaangaande hebben Peterson, Elsevier en de Franse regering benadrukt dat YouTube zich met name financiert door middel van op het platform geplaatste reclameboodschappen, dat de omvang van de door haar behaalde reclame-inkomsten afhangt van de aantrekkelijkheid van de op dat platform geposte content, en dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0289" REF.END="QE0289"/>algemeen wordt aangenomen<QUOT.END REF.START="QS0289" CODE="201D" ID="QE0289"/> dat het in de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0290" REF.END="QE0290"/>ruime meerderheid van de gevallen<QUOT.END REF.START="QS0290" CODE="201D" ID="QE0290"/> gaat om beschermde werken die zonder toestemming van de auteurs ervan naar dat platform zijn geüpload. Behalve dat die logica mij voor een platform als YouTube<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0106"><P>Dienaangaande merk ik op dat ofschoon YouTube zeer zeker baat heeft bij het feit dat haar platform populaire werken als televisie-uitzendingen, films of muziekclips van grote artiesten host, die werken zich vaak helemaal niet illegaal op dat platform bevinden. Zoals Google onweersproken heeft betoogd, wordt immers door tal van aanbieders en rechthebbenden content op YouTube geplaatst. Bovendien heeft Google, wederom onweersproken, aangevoerd dat YouTube toegang verleent tot door de gebruikers gecreëerde culturele, informatieve en educatieve content, die op zich aantrekkelijk is (zie punt 43 van de onderhavige conclusie).</P></NOTE> wat simplistisch lijkt, merk ik op dat de inkomsten uit reclameboodschappen, die zonder onderscheid op dat platform worden geplaatst, afhangen van het bezoek in het algemeen – en dus zowel van het rechtmatige gebruik als van het onrechtmatige gebruik ervan. Om het even welke aanbieder van een product dat of dienst die op die twee manieren kan worden gebruikt, zal een deel van zijn winsten noodzakelijkerwijze behalen uit gebruikers die dat product of die dienst aankopen of aanwenden voor onrechtmatige doeleinden. Dus moeten er andere omstandigheden worden aangetoond.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0119"><NO.P>119.</NO.P><TXT>Dienaangaande mag de doelstelling van een regeling voor secundaire aansprakelijkheid niet uit het oog worden verloren. Zoals uit punt 117 van de onderhavige conclusie blijkt, dient een dergelijke regeling er volgens mij voor te zorgen dat gedrag dat inbreuken op het auteursrecht faciliteert, wordt ontraden zonder evenwel innovatie te ontmoedigen of de mogelijkheden van rechtmatig gebruik te belemmeren van producten of diensten die ook voor onrechtmatige doeleinden kunnen worden gebruikt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0120"><NO.P>120.</NO.P><TXT>Zoals de Finse regering aanvoert, kan in dat kader de aansprakelijkheid van een dienstverlener mijns inziens worden ingeroepen, zonder dat het bewijs van diens kennis of besef van concrete inbreuken op het auteursrecht moet worden geleverd, wanneer wordt aangetoond<?PAGE NO="35"?> dat die dienstverlener bij het aanbieden van zijn dienst <HT TYPE="ITALIC">de bedoeling</HT> had om dergelijke door derden gepleegde inbreuken te faciliteren. De arresten Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0291" REF.END="QE0291"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0291" CODE="201D" ID="QE0291"/>) en Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0292" REF.END="QE0292"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0292" CODE="201D" ID="QE0292"/>) moeten volgens mij op die manier worden opgevat. In het eerste arrest heeft het Hof benadrukt dat de verkoper van de Filmspeler algemene kennis had van het feit dat die speler voor onrechtmatige doeleinden kon worden gebruikt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0107"><P>Zie in die zin arrest Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0293" REF.END="QE0293"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0293" CODE="201D" ID="QE0293"/>), punt 50.</P></NOTE> In het tweede arrest heeft het Hof erop gewezen dat de exploitanten van het platform The Pirate Bay in het algemeen wisten dat het platform de toegang faciliteerde tot werken die zonder voorafgaande toestemming van de auteurs ervan werden gedeeld, en dat zij het hoe dan ook wel moesten weten gelet op de omstandigheid dat een zeer groot deel van de torrentbestanden op dat platform naar dergelijke werken verwees.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0108"><P>Zie arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0294" REF.END="QE0294"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0294" CODE="201D" ID="QE0294"/>), punt 45.</P></NOTE> In de zaken die tot die arresten hebben geleid, gaven die personen <HT TYPE="ITALIC">openlijk te kennen</HT> dat zij <HT TYPE="ITALIC">de bedoeling hadden</HT> met hun speler of platform door derden verrichte onwettige handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0295" REF.END="QE0295"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0295" CODE="201D" ID="QE0295"/> te faciliteren.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0109"><P>Zie arrest Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0296" REF.END="QE0296"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0296" CODE="201D" ID="QE0296"/>), punten 18 en 50, en arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0297" REF.END="QE0297"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0297" CODE="201D" ID="QE0297"/>), punt 45. Zoals ik in het kader van mijn analyse van de derde prejudiciële vragen zal verduidelijken, komt een onlinedienstverlener die van een dergelijke bedoeling blijk geeft, mijns inziens ook niet langer in aanmerking voor de in de artikelen 12‑14 van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid. Zie naar analogie het arrest van de Supreme Court of the United States, <HT TYPE="ITALIC">MGM Studios Inc. v. Grokster Ltd</HT>., 545 US 913, 2005. Bij dat arrest zijn twee ondernemingen die software voor het delen van bestanden op een peer-to-peernetwerk aanboden, voor de door de gebruikers van die software gepleegde inbreuken op het auteursrecht aansprakelijk gesteld omdat zij het mogelijke onrechtmatige gebruik ervan openlijk hadden gepromoot.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0121"><NO.P>121.</NO.P><TXT>In casu maakt noch YouTube noch Cyando openlijk reclame voor het onrechtmatige gebruik van hun platformen. Peterson en Elsevier stellen niettemin dat die exploitanten aansprakelijk dienen te worden gesteld <HT TYPE="ITALIC">gelet op de manier waarop zij hun diensten hebben georganiseerd</HT>. Ik herinner eraan dat verzoekers in de hoofdgedingen op dat punt uiteenlopende logica’s toepassen: ten eerste zouden die exploitanten blijk hebben gegeven van bewuste blindheid ten aanzien van het onrechtmatige gebruik van hun platformen (door hun gebruikers in staat te stellen automatisch en zonder voorafgaande controle content op het platform te posten), ten tweede zouden zij hen tot dat soort onrechtmatige gebruik aanzetten en ten derde zouden zij ten aanzien van dat gebruik nalatig zijn geweest (aangezien zij niet aan de zorgvuldigheidseisen hebben voldaan, wederom door de online geplaatste content niet vooraf te controleren).<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0110"><P>Zie punt 63 van de onderhavige conclusie</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0122"><NO.P>122.</NO.P><TXT>Een aantal zaken dienen meteen te worden gepreciseerd. Mijns inziens kan een exploitant niet uit hoofde van bewuste blindheid dan wel nalatigheid aansprakelijk worden gesteld louter omdat hij de gebruikers van zijn platform in staat stelt automatisch content naar dat platform te uploaden en die content doorgaans niet controleert alvorens deze online wordt geplaatst. Ten eerste kan niet redelijkerwijs worden betoogd – hetgeen Elsevier toch doet – dat die exploitant door zijn platform op die manier te organiseren alleen maar alle verantwoordelijkheid wil ontlopen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0111"><P>Daarbij doelt Elsevier in feite op de verantwoordelijkheid van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0298" REF.END="QE0298"/>traditionele<QUOT.END REF.START="QS0298" CODE="201D" ID="QE0298"/> aanbieders van content, die de door hen doorgegeven content selecteren. Zoals ik heb trachten aan te tonen, hebben platformen evenwel niet dezelfde rol.</P></NOTE> Ten tweede belet artikel 15 van richtlijn 2000/31 dat van een dergelijke dienstverlener kan worden verwacht dat hij in algemene en abstracte zin toeziet op de content die hij opslaat en actief zoekt naar onwettige activiteiten op zijn servers. Bijgevolg kan het feit dat hij niet tot een dergelijk veralgemeend toezicht overgaat, niet als bewuste blindheid of nalatigheid worden beschouwd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0112"><P>Ik herhaal dat zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat exploitanten als YouTube of Cyando niet onder de werkingssfeer van de artikelen 14 en 15 van richtlijn 2000/31 vallen, andere Unierechtelijke bepalingen zich tegen een dergelijke oplossing verzetten.</P></NOTE> Algemener gesproken kan bovendien de loutere nalatigheid van een dienstverlener per definitie niet volstaan, onder voorbehoud van de in punt 111 van de onderhavige conclusie bedoelde situatie, om aan te tonen dat hij <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0299" REF.END="QE0299"/>welbewust<QUOT.END REF.START="QS0299" CODE="201D" ID="QE0299"/> intervenieert om de door de gebruikers van zijn dienst gepleegde inbreuken op het auteursrecht te faciliteren.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="36"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0123"><NO.P>123.</NO.P><TXT>Dit gezegd zijnde, ben ik van mening dat uit de manier waarop een dienstverlener zijn dienst organiseert, in bepaalde omstandigheden wel degelijk het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0300" REF.END="QE0300"/>welbewuste<QUOT.END REF.START="QS0300" CODE="201D" ID="QE0300"/> karakter kan blijken van diens interventie in de door de gebruikers van die dienst verrichte onwettige handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0301" REF.END="QE0301"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0301" CODE="201D" ID="QE0301"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, zoals uitgelegd door het Hof in de arresten GS Media, Stichting Brein I (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0302" REF.END="QE0302"/>Filmspeler<QUOT.END REF.START="QS0302" CODE="201D" ID="QE0302"/>) en Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0303" REF.END="QE0303"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0303" CODE="201D" ID="QE0303"/>). Dat is het geval wanneer uit de kenmerken van die dienst blijkt dat de betrokken dienstverlener te kwader trouw is, wat zich kan vertalen in het welbewust aanzetten tot of in bewuste blindheid vertonen ten aanzien van dergelijke inbreuken op het auteursrecht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0113"><P>Door aldus te handelen, verliest een dienstverlener mijns inziens bovendien het voordeel van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0124"><NO.P>124.</NO.P><TXT>Dienaangaande moet volgens mij ten eerste worden nagegaan of de kenmerken van die dienst objectief kunnen worden verklaard en toegevoegde waarde bieden voor het rechtmatige gebruik van die dienst en ten tweede of de dienstverlener redelijke maatregelen heeft getroffen om onrechtmatig gebruik ervan te voorkomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0114"><P>Zie in dezelfde zin Stallings, E., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0304" REF.END="QE0304"/>Improving Secondary Liability Standards in Copyrights by Examining Intent: Why Courts Should Consider Creating a Good-Faith Standard for Secondary Liability<QUOT.END REF.START="QS0304" CODE="201D" ID="QE0304"/>, <HT TYPE="ITALIC">Journal of the Copyright Society of the U.S.A</HT>., deel 57, nr. 4, 2010, blz. 1017‑1038.</P></NOTE> Wat dat laatste punt betreft, mag van de dienstverlener wederom niet worden verwacht dat hij alle bestanden die de gebruikers van zijn dienst willen posten, op algemene wijze controleert alvorens deze online te plaatsen – artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 is bindend. Het tweede deel van die test is mijns inziens bedoeld als verweer voor de dienstverleners. Dienaangaande zal de goede trouw van de dienstverlener kunnen blijken uit het feit dat hij doorgaans prompt voldoet aan de uit artikel 14, lid 1, onder b), van die richtlijn voorvloeiende verwijderingsverplichting of aan eventuele verplichtingen die hem in voorkomend geval door middel van rechterlijke bevelen zijn opgelegd, of uit het feit dat hij andere maatregelen vrijwillig heeft uitgevoerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0125"><NO.P>125.</NO.P><TXT>In casu staat het aan de nationale rechter om die test toe te passen op exploitanten als YouTube en Cyando. Het lijkt mij evenwel zinvol om hem enkele aanwijzingen te geven.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0126"><NO.P>126.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">In de eerste plaats</HT> lijkt het mij, gelet op de kenmerken van een platform als YouTube, moeilijk om aan te nemen dat de exploitant van dat platform het onrechtmatige gebruik ervan wil faciliteren. Het feit dat de zoek- en de indexfunctie van dat platform de toegang tot onwettige content in voorkomend geval faciliteren, kan met name geen aanwijzing in dat verband vormen. Die functies kunnen objectief worden verklaard en bieden een toegevoegde waarde voor het rechtmatige gebruik van dat platform. In het arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0305" REF.END="QE0305"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0305" CODE="201D" ID="QE0305"/>) heeft het Hof het feit dat de exploitanten van het litigieuze platform een zoekmachine hadden ontwikkeld en de gehoste bestanden indexeerden, weliswaar voorgesteld als een aanwijzing van het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0306" REF.END="QE0306"/>welbewuste karakter<QUOT.END REF.START="QS0306" CODE="201D" ID="QE0306"/> van hun interventie in het illegaal delen van beschermde werken<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0115"><P>Zie arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0307" REF.END="QE0307"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0307" CODE="201D" ID="QE0307"/>), punten 36 en 38.</P></NOTE>, maar die beoordeling kan niet los worden gezien van de bijzondere context van die zaak, die wordt gekenmerkt door het feit dat die exploitanten te koop liepen met hun bedoeling inbreuken op het auteursrecht te faciliteren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0127"><NO.P>127.</NO.P><TXT>Anders dan Elsevier aanvoert, blijkt voorts uit het feit dat een platformexploitant als YouTube bepaalde gebruikers de mogelijkheid biedt reclameboodschappen aan hun video’s toe te voegen en een deel van de gegenereerde inkomsten aan hen uitkeert<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0116"><P>Ik herinner eraan dat de video’s die in zaak C‑682/18 aan de orde zijn, volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter in beginsel geen dergelijke reclameboodschappen bevatten.</P></NOTE>, mijns inziens niet afdoende dat hij de bedoeling heeft die gebruikers tot het online plaatsen van beschermde werken aan te zetten zonder toestemming van de auteurs ervan. Wel integendeel, in het geval<?PAGE NO="37"?> van YouTube staat het vast dat die reclameboodschappen worden toegevoegd via Content ID, om ervoor te zorgen dat enkel de rechthebbenden van die mogelijkheid kunnen gebruikmaken doordat die software automatisch door derden online geplaatste video’s met beschermde werken detecteert en die rechthebbenden, in voorkomend geval, in staat stelt om zelf reclameboodschappen aan de betrokken video toe te voegen en de reclame-inkomsten eruit te innen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0117"><P>Zie punt 22 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0128"><NO.P>128.</NO.P><TXT>Dat brengt mij bij het feit dat YouTube daarnaast heeft voorzien in hulpmiddelen, in het bijzonder voornoemde software, om inbreuken op het auteursrecht via haar platform tegen te gaan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0118"><P>Zie de punten 21 en 22 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE> Zoals ik heb aangegeven in punt 124 van de onderhavige conclusie, vormt die omstandigheid een aanwijzing van de goede trouw van de exploitant ten aanzien van onrechtmatig gebruik van zijn platform.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0119"><P>Ik benadruk dat die uitlegging niet betekent dat om het even welke dienstverlener moet voorzien in dat soort software en anders moet worden geacht zich schuldig te maken aan bewuste blindheid. In de huidige stand van het Unierecht is er niets dat hem daartoe verplicht – onverminderd evenwel de mogelijkheid om een dienstverlener in duidelijk omschreven omstandigheden, naargelang diens financiële middelen, bij wijze van bevel het gebruik op te leggen van een filterprogramma (zie mijn analyse van de vierde prejudiciële vragen).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0129"><NO.P>129.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">In de tweede plaats</HT> vrees ik daarentegen dat de zaken minder voor de hand liggen wat Uploaded betreft. Dienaangaande ben ik anders dan Elsevier van mening dat uit het feit dat een exploitant de gebruikers van zijn platform de mogelijkheid biedt bestanden <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0308" REF.END="QE0308"/>anoniem<QUOT.END REF.START="QS0308" CODE="201D" ID="QE0308"/> online te plaatsen, niet blijkt dat deze de bedoelding heeft inbreuken te faciliteren. Ik wijs erop dat uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat voor het uploaden van een bestand naar Uploaded een account dient te worden aangemaakt met vermelding van naam, voornaam en e‑mailadres. Elsevier bekritiseert dus het feit dat Cyando de juistheid van de door de gebruiker verstrekte gegevens niet via een systeem voor identiteitscontrole of authenticatie controleert. Hoewel de mogelijkheid voor iedereen om zonder identiteitscontrole gebruik te maken van het internet en onlinediensten, daadwerkelijk door personen met slechte bedoelingen voor laakbare activiteiten kan worden misbruikt, meen ik dat die mogelijkheid evenwel wordt gewaarborgd door zeer fundamentele normen als het recht op privéleven, de vrijheid van meningsuiting en geweten en de bescherming van persoonsgegevens, die met name zijn neergelegd in het Unierecht<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0120"><P>Behalve de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0309" REF.END="QE0309"/>Handvest<QUOT.END REF.START="QS0309" CODE="201D" ID="QE0309"/>) met betrekking tot de betrokken rechten, zie op een aanverwant gebied de overwegingen 9, 33 en 34, artikel 6, lid 1, en artikel 9, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20020712">12 juli 2002</DATE> betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="201" PAGE.FIRST="37" DATE.PUB="2002">PB 2002, L 201, blz. 37</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> en het internationale recht<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0121"><P>Zie Raad van Europa, Verklaring inzake de vrijheid van communicatie via internet, aangenomen door het Comité van ministers op <DATE ISO="20030528">28 mei 2003</DATE> tijdens de 840e vergadering van de afgevaardigden van de ministers, beginsel 7; Office of the Special Rapporteur for Freedom of Expression, Inter-American Commission on Human Rights, <HT TYPE="ITALIC">Freedom of expression and the Internet</HT>, punten 130‑136, en Verenigde Naties, Algemene vergadering, rapport van de speciale rapporteur inzake het bevorderen van de bescherming van de vrijheid van mening en meningsuiting, A/HRC/29/32, <DATE ISO="20150529">29 mei 2015</DATE>, blz. 12, 16 en 56.</P></NOTE>. Systemen voor identiteitscontrole of authenticatie kunnen mijns inziens slechts voor specifieke diensten worden toegepast onder de voorwaarden die de wet bepaalt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0130"><NO.P>130.</NO.P><TXT>Uit het loutere feit dat een <HT TYPE="ITALIC">sharehoster</HT> als Uploaded <HT TYPE="ITALIC">download links</HT> voor gehoste bestanden genereert en gebruikers de mogelijkheid biedt om deze vrij te delen, blijkt mijns inziens evenmin de bedoeling om inbreuken op het auteursrecht te faciliteren. Die links kunnen objectief worden verklaard en bieden toegevoegde waarde voor het rechtmatige gebruik van de dienst. Zelfs de verhouding rechtmatig/onrechtmatig gebruik van Uploaded – waarvoor partijen in het<?PAGE NO="38"?> hoofdgeding schattingen geven die op zijn minst contrasteren<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0122"><P>Elsevier verklaart dat de op het auteursrecht inbreukmakende content tussen 90 en 96 % van de op Uploaded gehoste bestanden vertegenwoordigt en om die reden wenst het Bundesgerichtshof met zijn eerste vraag, onder b), in zaak C‑683/18 van het Hof te vernemen wat de relevantie van een dergelijke omstandigheid is. Die rechter verduidelijkt bovendien dat voor het geval het inderdaad een relevant element betreft, Elsevier die verklaring moet staven in het kader van de heropening van de procedure in hoger beroep. Cyando betoogt van haar kant dat slechts een zeer klein percentage (ongeveer 1,1 %) van alle daadwerkelijk opgevraagde bestanden betrekking heeft op de beschikbaarstelling voor het publiek van auteursrechtelijk beschermde content, wat overeenkomt met 0,3 % van de totale hoeveelheid opgeslagen gegevens.</P></NOTE> – volstaat mijns inziens op zich niet om een dergelijke bedoeling van de exploitant aan te tonen, zeker indien deze redelijke maatregelen heeft getroffen om dat soort gebruik tegen te gaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0131"><NO.P>131.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Aan de andere kant</HT> zet ik evenwel vraagtekens bij een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0310" REF.END="QE0310"/>partnerschapsprogramma<QUOT.END REF.START="QS0310" CODE="201D" ID="QE0310"/> als dat van Cyando. Ik herinner eraan dat Cyando bepaalde gebruikers in het kader van dat programma een vergoeding betaalt op basis van het aantal downloads van door hen online geplaatste bestanden<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0123"><P>In de orde van verscheidene tientallen euro’s per duizend downloads. Zie punt 31 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE>. Ik heb mijn twijfels over het feit dat een dergelijk programma objectief kan worden verklaard en wat de toegevoegde waarde ervan is voor het rechtmatige gebruik van de dienst. Voor de nationale rechters is evenwel aangetoond dat dit programma ertoe leidt dat de gebruikers worden aangezet om populaire werken online te plaatsen met het oog op illegale downloads ervan. Ik sluit dus niet uit dat uit de invoering van dat programma kan worden afgeleid dat de interventie van de dienstverlener in de door diens gebruikers verrichte onwettige handelingen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0311" REF.END="QE0311"/>welbewust<QUOT.END REF.START="QS0311" CODE="201D" ID="QE0311"/> plaatsvindt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0124"><P>Zie naar analogie Bundesgerichtshof, <DATE ISO="20130815">15 augustus 2013</DATE>, I ZR 80/12 (<HT TYPE="ITALIC">File-Hosting Service</HT>), GRUR 1030, § 38. Een dergelijk programma verschilt aanzienlijk van de verdeling van reclame-inkomsten door een videodeelplatform als YouTube. Terwijl inkomstenverdeling in het kader van een dergelijk platform kan worden verklaard, komt een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0312" REF.END="QE0312"/>partnerschapsprogramma<QUOT.END REF.START="QS0312" CODE="201D" ID="QE0312"/> in het kader van een hostplatform voor bestanden vreemder over. Daarnaast wijs ik erop dat die inkomstenverdeling in het kader van YouTube op een beveiligde manier is geïmplementeerd.</P></NOTE> Het staat in voorkomend geval aan de nationale rechter om dat na te gaan.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">B.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Werkingssfeer van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid (tweede vragen)</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0132"><NO.P>132.</NO.P><TXT>Zoals ik heb aangegeven, bevat afdeling 4 van richtlijn 2000/31 verschillende bepalingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van als tussenpersoon optredende dienstverleners. Binnen die afdeling bevat elk van de artikelen 12, 13 en 14 van die richtlijn in lid 1 een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0313" REF.END="QE0313"/>veilige haven<QUOT.END REF.START="QS0313" CODE="201D" ID="QE0313"/> (<HT TYPE="ITALIC">safe harbour</HT>) voor de activiteiten die respectievelijk bestaan in een rol als <HT TYPE="ITALIC">mere conduit</HT> (doorgeefluik), <HT TYPE="ITALIC">caching</HT> (wijze van opslag) en <HT TYPE="ITALIC">hosting</HT> (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0314" REF.END="QE0314"/>host<QUOT.END REF.START="QS0314" CODE="201D" ID="QE0314"/>-diensten).<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0125"><P>De inspiratie voor de artikelen 12‑15 van richtlijn 2000/31 werd gevonden in de door de Amerikaanse federale wetgever in 1998 aangenomen Digital Millennium Copyright Act (DMCA) (millenniumwet betreffende het digitale auteursrecht), die specifiek met betrekking tot het auteursrecht soortgelijke vrijstellingen van aansprakelijkheid heeft ingevoerd [(die zijn vervat in titel 17, hoofdstuk 5, afdeling 512, van de United States Code (wetboek van de Verenigde Staten)].</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0133"><NO.P>133.</NO.P><TXT>Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 is meer bepaald van toepassing <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0315" REF.END="QE0315"/>wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie<QUOT.END REF.START="QS0315" CODE="201D" ID="QE0315"/>. Dit voorschrift bepaalt in wezen dat de persoon die een dergelijke dienst verleent, <HT TYPE="ITALIC">niet aansprakelijk kan worden gesteld</HT> voor de op verzoek van zijn gebruikers opgeslagen informatie, tenzij deze dienstverlener, na kennis of besef te hebben gekregen van het onwettige karakter van die informatie, deze niet prompt heeft verwijderd of ontoegankelijk gemaakt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0134"><NO.P>134.</NO.P><TXT>Ik benadruk dat die bepaling niet bedoeld is om de aansprakelijkheid van een dergelijke dienstverlener <HT TYPE="ITALIC">op positieve wijze</HT> vast te stellen. In die bepaling worden enkel <HT TYPE="ITALIC">op negatieve wijze</HT> de situaties afgebakend waarin zijn aansprakelijkheid kan worden ingeroepen. Voorts betreft de<?PAGE NO="39"?> in die bepaling opgenomen vrijstelling <HT TYPE="ITALIC">uitsluitend de aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit informatie</HT> die door de gebruikers van zijn dienst is verstrekt. Onder die vrijstelling valt <HT TYPE="ITALIC">geen enkel ander aspect</HT> van de activiteit van die dienstverlener.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0126"><P>Zie conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>L’Oréal e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑324/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:757">EU:C:2010:757</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0153">153</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0135"><NO.P>135.</NO.P><TXT>Met zijn tweede vragen wenst het Bundesgerichtshof in essentie te vernemen of exploitanten als YouTube en Cyando kunnen gebruikmaken van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 voor de bestanden die zij op verzoek van de gebruikers van hun platformen opslaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0136"><NO.P>136.</NO.P><TXT>Mijns inziens is dat doorgaans het geval. Ik acht het evenwel nodig om, alvorens mijn standpunt toe te lichten, een punt te verduidelijken dat ziet op het verband tussen die bepaling en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0137"><NO.P>137.</NO.P><TXT>Ik merk immers op dat de verwijzende rechter zijn tweede vragen uitsluitend heeft geformuleerd voor het geval het Hof – zoals ik heb gesuggereerd – de eerste vragen ontkennend zou beantwoorden, in die zin dat exploitanten als YouTube en Cyando geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0316" REF.END="QE0316"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0316" CODE="201D" ID="QE0316"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verrichten van door de gebruikers van hun platformen eventueel illegaal online geplaatste werken. Die rechter lijkt er dus van uit te gaan dat indien, omgekeerd, die exploitanten uit hoofde van dat artikel 3, lid 1, rechtstreeks voor die onwettige <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0317" REF.END="QE0317"/>mededelingen<QUOT.END REF.START="QS0317" CODE="201D" ID="QE0317"/> aansprakelijk zouden zijn, zij zich <HT TYPE="ITALIC">principieel</HT> niet op de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling kunnen beroepen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0127"><P>Ik merk op dat die vraag uitdrukkelijk aan het Hof is voorgelegd in de aanhangige zaken C‑442/19, Stichting Brein, en C‑500/19, Puls 4 TV.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0138"><NO.P>138.</NO.P><TXT>Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 is evenwel horizontaal van toepassing op <HT TYPE="ITALIC">elke vorm van aansprakelijkheid</HT> die voor de bedoelde dienstverleners kan voortvloeien uit om het even welke soort informatie die zij op verzoek van de gebruikers van hun diensten opslaan, ongeacht de oorsprong van die aansprakelijkheid, het betrokken rechtsgebied en de precieze kwalificatie of aard van die aansprakelijkheid. Naar mijn mening valt onder die bepaling dus <HT TYPE="ITALIC">zowel de primaire als de secundaire</HT> aansprakelijkheid voor de door die gebruikers verstrekte informatie en de door hen geïnitieerde activiteiten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0128"><P>Zie overweging 16 van richtlijn 2001/29; conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Mc Fadden</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑484/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:170">EU:C:2016:170</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0064">64</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel in de interne markt [COM(1998) 586 def., <REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="030" PAGE.FIRST="4" DATE.PUB="1999">PB 1999, C 30, blz. 4</REF.DOC.OJ>], blz. 27 en 29, en verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van <DATE ISO="20031121">21 november 2003</DATE>, Eerste verslag over de toepassing van [richtlijn 2000/31] [COM(2003) 702 definitief], blz. 14. De in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid is evenwel van toepassing onverminderd de in lid 3 van dat artikel voorbehouden mogelijkheid om een bevel tegen een dienstverlener te verkrijgen (zie mijn analyse van de vierde prejudiciële vragen).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0139"><NO.P>139.</NO.P><TXT>Bijgevolg is artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 volgens mij in beginsel weliswaar niet van toepassing wanneer een dienstverlener zijn <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0318" REF.END="QE0318"/>eigen<QUOT.END REF.START="QS0318" CODE="201D" ID="QE0318"/> content aan het publiek meedeelt, maar kan die bepaling daarentegen wel toepasselijk zijn wanneer de meegedeelde content is verstrekt door de gebruikers van zijn dienst<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0129"><P>De toepassing van die bepaling is eveneens principieel uitgesloten wanneer de gebruiker die de betrokken content heeft verstrekt, op gezag of onder toezicht van de dienstverlener handelde (zie artikel 14, lid 2, van richtlijn 2000/31).</P></NOTE>, zoals in casu het geval is. Die uitlegging vindt in mijn ogen steun in het feit dat noch in die bepaling, noch in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 een uitzondering is opgenomen voor dienstverleners die de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0319" REF.END="QE0319"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0319" CODE="201D" ID="QE0319"/> van door de gebruikers van hun diensten verstrekte werken verrichten. Wel integendeel, in overweging 16 van die laatste richtlijn wordt erop gewezen dat zij van toepassing is <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0320" REF.END="QE0320"/>[zonder] afbreuk [te doen] aan de voorschriften inzake aansprakelijkheid in [richtlijn 2000/31]<QUOT.END REF.START="QS0320" CODE="201D" ID="QE0320"/>.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="40"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0140"><NO.P>140.</NO.P><TXT>Hieruit volgt dat indien het Hof, anders dan ik in overweging geef, op de eerste vragen bevestigend zou antwoorden, het hoe dan ook de tweede vragen dient te beantwoorden teneinde de verwijzende rechter een dienstig antwoord te verschaffen. Niettemin kunnen de criteria van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0321" REF.END="QE0321"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0321" CODE="201D" ID="QE0321"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 en de voorwaarden voor de toepassing van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31, zoals ik zal aantonen, op een samenhangende manier worden uitgelegd, zodat overlappingen tussen die twee bepalingen in de praktijk worden voorkomen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0141"><NO.P>141.</NO.P><TXT>Na deze verduidelijking blijkt uit artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 dat die bepaling kan worden toegepast wanneer aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: er moet ten eerste sprake zijn van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0322" REF.END="QE0322"/>dienst van de informatiemaatschappij<QUOT.END REF.START="QS0322" CODE="201D" ID="QE0322"/> en ten tweede moet die dienst <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0323" REF.END="QE0323"/>bestaa[n] in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie [...] op [diens] verzoek<QUOT.END REF.START="QS0323" CODE="201D" ID="QE0323"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0142"><NO.P>142.</NO.P><TXT>De uitlegging van de <HT TYPE="ITALIC">eerste voorwaarde</HT> levert in de onderhavige zaken geen moeilijkheden op. Dienaangaande herinner ik eraan dat het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0324" REF.END="QE0324"/>dienst van de informatiemaatschappij<QUOT.END REF.START="QS0324" CODE="201D" ID="QE0324"/> doelt op <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0325" REF.END="QE0325"/>elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt verricht<QUOT.END REF.START="QS0325" CODE="201D" ID="QE0325"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0130"><P>Meer bepaald definieert artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31 het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0326" REF.END="QE0326"/>diensten van de informatiemaatschappij<QUOT.END REF.START="QS0326" CODE="201D" ID="QE0326"/> onder verwijzing naar artikel 1, lid 2, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="19980622">22 juni 1998</DATE> betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="204" PAGE.FIRST="37" DATE.PUB="1998">PB 1998, L 204, blz. 37</REF.DOC.OJ>), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="19980720">20 juli 1998</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="217" PAGE.FIRST="18" DATE.PUB="1998">PB 1998, L 217, blz. 18</REF.DOC.OJ>). Richtlijn 98/34 is vervangen door richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20150909">9 september 2015</DATE> betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="241" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2015">PB 2015, L 241, blz. 1</REF.DOC.OJ>), waarvan artikel 1, lid 1, onder b), dezelfde definitie overneemt.</P></NOTE>. De diensten van exploitanten als YouTube en Cyando zijn duidelijk verricht <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0327" REF.END="QE0327"/>op afstand<QUOT.END REF.START="QS0327" CODE="201D" ID="QE0327"/>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0328" REF.END="QE0328"/>langs elektronische weg<QUOT.END REF.START="QS0328" CODE="201D" ID="QE0328"/>, en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0329" REF.END="QE0329"/>op individueel verzoek van een afnemer van diensten<QUOT.END REF.START="QS0329" CODE="201D" ID="QE0329"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0131"><P>Zie naar analogie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191219">19 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Airbnb Ireland</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑390/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:1112">EU:C:2019:1112</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0047">47</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Overeenkomstig artikel 2, onder d), van richtlijn 2000/31 is de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0330" REF.END="QE0330"/>afnemer van de dienst<QUOT.END REF.START="QS0330" CODE="201D" ID="QE0330"/> in dat verband <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0331" REF.END="QE0331"/>iedere natuurlijke of rechtspersoon die, al dan niet voor beroepsdoeleinden, gebruikmaakt van een dienst van de informatiemaatschappij, in het bijzonder om informatie te verkrijgen of toegankelijk te maken<QUOT.END REF.START="QS0331" CODE="201D" ID="QE0331"/>. Onder dat begrip valt dus zowel de gebruiker die een bestand online plaatst als degene die het opvraagt of downloadt.</P></NOTE> Die diensten worden bovendien <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0332" REF.END="QE0332"/>tegen vergoeding<QUOT.END REF.START="QS0332" CODE="201D" ID="QE0332"/> verricht. Het feit dat een exploitant als YouTube met name inkomsten verwerft via reclame en geen rechtstreekse vergoeding vraagt aan de gebruikers van zijn platform<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0132"><P>Toch kan niet gesteld worden dat de dienst voor de gebruikers <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0333" REF.END="QE0333"/>gratis<QUOT.END REF.START="QS0333" CODE="201D" ID="QE0333"/> is. Zoals ik in voetnoot 11 van de onderhavige conclusie heb aangegeven, vergaart YouTube met betrekking tot haar gebruikers een aanzienlijk aantal persoonsgegevens die op zich een prijs vertegenwoordigen. Zie in dat verband overweging 24, artikel 2, punt 7, en artikel 3 van richtlijn (EU) 2019/770 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20190520">20 mei 2019</DATE> betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="136" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2019">PB 2019, L 136, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> doet aan die uitlegging niet af.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0133"><P>Zie overweging 18 van richtlijn 2000/31 en arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140911">11 september 2014</DATE>, <NAME.CASE>Papasavvas</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑291/13</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2209">EU:C:2014:2209</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0026">26</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0030">30</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0143"><NO.P>143.</NO.P><TXT>Wat de <HT TYPE="ITALIC">tweede voorwaarde</HT> betreft, liggen de zaken op het eerste gezicht minder voor de hand. Enerzijds lijkt het duidelijk dat een exploitant als Cyando in het kader van Uploaded een dienst verleent die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0334" REF.END="QE0334"/>bestaat in de opslag<QUOT.END REF.START="QS0334" CODE="201D" ID="QE0334"/> op haar servers van bestanden, dus van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0335" REF.END="QE0335"/>informatie<QUOT.END REF.START="QS0335" CODE="201D" ID="QE0335"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0134"><P>Het in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 beoogde begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0336" REF.END="QE0336"/>informatie<QUOT.END REF.START="QS0336" CODE="201D" ID="QE0336"/> dient ruim te worden opgevat (zie voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel in de interne markt, blz. 27).</P></NOTE>, die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0337" REF.END="QE0337"/>door een afnemer van de dienst [wordt verstrekt]<QUOT.END REF.START="QS0337" CODE="201D" ID="QE0337"/>, te weten de gebruiker die deze bestanden uploadt, en dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0338" REF.END="QE0338"/>op verzoek<QUOT.END REF.START="QS0338" CODE="201D" ID="QE0338"/> van die gebruiker aangezien hij beslist om welke bestanden het gaat.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="41"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0144"><NO.P>144.</NO.P><TXT>Anderzijds is het evenwel zo dat, ofschoon het vaststaat dat een exploitant als YouTube de door de gebruikers van zijn platform geüploade video’s opslaat, dit slechts een van de vele aspecten van diens activiteit vormt. Derhalve dient te worden vastgesteld of die omstandigheid die exploitant belet om gebruik te maken van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0145"><NO.P>145.</NO.P><TXT>Mijns inziens is dat niet het geval. Hoewel die bepaling vereist dat de dienst van de dienstverlener <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0339" REF.END="QE0339"/>bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie<QUOT.END REF.START="QS0339" CODE="201D" ID="QE0339"/>, moet die opslag volgens die bepaling immers niet <HT TYPE="ITALIC">het enige of zelfs belangrijkste aspect</HT> van die dienst zijn. Die voorwaarde is integendeel ruim geformuleerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0146"><NO.P>146.</NO.P><TXT>Hieruit volgt mijns inziens dat onder artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 in beginsel elke verlener van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0340" REF.END="QE0340"/>dienst van de informatiemaatschappij<QUOT.END REF.START="QS0340" CODE="201D" ID="QE0340"/> kan vallen die – net als YouTube of Cyando – in het kader van die dienst de door zijn gebruikers verstrekte informatie opslaat op verzoek van die gebruikers.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0135"><P>Zie in die zin Montero, E., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0341" REF.END="QE0341"/>Les responsabilités liées au web 2.0.<QUOT.END REF.START="QS0341" CODE="201D" ID="QE0341"/>, <HT TYPE="ITALIC">Revue du droit des technologies de l’information</HT>, 2008, nr. 32, blz. 368, en Van Eecke, P., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0342" REF.END="QE0342"/>Online Service Providers and Liability: A Plea for a Balances Approach<QUOT.END REF.START="QS0342" CODE="201D" ID="QE0342"/>, <HT TYPE="ITALIC">Common Market Law Review</HT>, 2011, deel 47, blz. 1473. Die uitlegging vindt steun in het verslag over de toepassing van die richtlijn, blz. 14, dat in ruime zin verwijst naar <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0343" REF.END="QE0343"/>verschillende scenario’s waarin inhoud van derden wordt opgeslagen<QUOT.END REF.START="QS0343" CODE="201D" ID="QE0343"/>.</P></NOTE> Zoals gezegd is de in die bepaling opgenomen vrijstelling evenwel hoe dan ook beperkt tot de aansprakelijkheid die uit die informatie kan voortvloeien en strekt zij zich niet uit tot de andere aspecten van de activiteit van de betrokken dienstverlener.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0147"><NO.P>147.</NO.P><TXT>In de arresten die het Hof tot dusver heeft gewezen, wordt die benadering gevolgd. Dienaangaande heeft het Hof in het arrest Google France geoordeeld dat de verlener van een zoekmachineadvertentiedienst, zoals Google met de dienst AdWords, kan gebruikmaken van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31. Het Hof was immers van oordeel dat die dienst <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0344" REF.END="QE0344"/>bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie<QUOT.END REF.START="QS0344" CODE="201D" ID="QE0344"/> in de zin van die bepaling, aangezien die dienstverlener in het kader van die dienst bepaalde informatie opslaat, zoals de trefwoorden die worden geselecteerd door de gebruikers die als adverteerder optreden de advertentielinks en de begeleidende reclameboodschappen alsook de websiteadressen van die adverteerders.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0136"><P>Zie arrest Google France, punten 110 en 111.</P></NOTE> Klaarblijkelijk heeft het Hof het feit dat de opslag van die informatie paste in het kader van een ruimere activiteit, niet als een probleem beschouwd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0148"><NO.P>148.</NO.P><TXT>Het Hof heeft evenwel een voorbehoud geformuleerd. Volgens het Hof kan een dienstverlener enkel van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid voor op verzoek van zijn gebruikers opgeslagen informatie gebruikmaken wanneer zijn optreden binnen de perken blijft van dat van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0345" REF.END="QE0345"/>als tussenpersoon optredende dienstverlener<QUOT.END REF.START="QS0345" CODE="201D" ID="QE0345"/> in de zin die de Uniewetgever in afdeling 4 van die richtlijn daaraan heeft willen geven. Het Hof heeft in het licht van overweging 42 van die richtlijn geoordeeld dat dienaangaande moet worden onderzocht <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0346" REF.END="QE0346"/>of de rol van deze dienstverlener in die zin neutraal is dat zijn handelingen louter technisch, automatisch en passief zijn, wat impliceert dat hij geen kennis heeft van of controle heeft over de gegevens die hij opslaat<QUOT.END REF.START="QS0346" CODE="201D" ID="QE0346"/>, dan wel of hij integendeel een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0347" REF.END="QE0347"/><HT TYPE="ITALIC">actieve rol</HT> heeft [...] waardoor hij kennis heeft van of controle heeft over de opgeslagen gegevens<QUOT.END REF.START="QS0347" CODE="201D" ID="QE0347"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0137"><P>Zie arrest Google France, punten 112‑114 en 120 (cursivering van mij).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0149"><NO.P>149.</NO.P><TXT>Op een gelijksoortige manier heeft het Hof in het arrest L’Oréal/eBay geoordeeld dat de exploitant van een onlinemarktplaats als eBay kan gebruikmaken van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31. Ook in die zaak heeft het Hof er enerzijds op gewezen dat de dienst van die exploitant met name bestaat in de opslag van door de gebruikers van de marktplaats verstrekte informatie.<?PAGE NO="42"?> Het ging met name om de gegevens van hun verkoopaanbiedingen. Anderzijds heeft het in herinnering gebracht dat een dienstverlener slechts van de in die bepaling opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid voor die informatie kan gebruikmaken indien die dienstverlener <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0348" REF.END="QE0348"/>als tussenpersoon<QUOT.END REF.START="QS0348" CODE="201D" ID="QE0348"/> optreedt. Dat is niet het geval wanneer <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0349" REF.END="QE0349"/>de dienstverlener, in plaats van zich te beperken tot een neutrale levering van die dienst met behulp van een louter technische en automatische verwerking van de gegevens die hem door zijn klanten zijn verstrekt, een actieve rol heeft waardoor hij kennis heeft van of controle heeft over die gegevens<QUOT.END REF.START="QS0349" CODE="201D" ID="QE0349"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0138"><P>Zie arrest L’Oréal/eBay, punten 110, 112 en 113.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0150"><NO.P>150.</NO.P><TXT>Uit die arresten blijkt dat exploitanten als YouTube en Cyando, die door de gebruikers van hun platformen verstrekte informatie opslaan in het kader van hun activiteiten, met betrekking tot de aansprakelijkheid die uit het onwettige karakter van bepaalde van die informatie kan voortvloeien, kunnen gebruikmaken van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling, op voorwaarde dat zij geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0350" REF.END="QE0350"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0350" CODE="201D" ID="QE0350"/> hebben gespeeld waardoor zij <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0351" REF.END="QE0351"/>kennis van of controle over<QUOT.END REF.START="QS0351" CODE="201D" ID="QE0351"/> de betrokken informatie hebben verkregen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0151"><NO.P>151.</NO.P><TXT>Daarbij wens ik te preciseren dat, zoals de Commissie benadrukt, elke dienstverlener die door zijn gebruikers verstrekte informatie opslaat, noodzakelijkerwijs een zekere controle daarover heeft. Hij beschikt met name over de technische mogelijkheden om die informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk maken. Dat is juist de reden waarom op grond van artikel 14, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2000/31 van hem wordt verwacht dat hij dit doet wanneer hij van onwettige informatie in kennis wordt gesteld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0139"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160915">15 september 2016</DATE>, <NAME.CASE>Mc Fadden</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑484/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:689">EU:C:2016:689</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0061">61</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0064">64</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Die vaststelling had advocaat-generaal Jääskinen er in zijn conclusie in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>L’Oréal e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑324/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:757">EU:C:2010:757</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0139">139</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0142">142</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>) toe gebracht om te concluderen dat volgens hem overweging 42 van richtlijn 2000/31, waaruit het Hof in het arrest Google France inspiratie heeft geput om het vereiste te formuleren van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0352" REF.END="QE0352"/>neutrale rol<QUOT.END REF.START="QS0352" CODE="201D" ID="QE0352"/> van de dienstverlener met betrekking tot de door de gebruikers van zijn dienst verstrekte informatie, niet ziet op <HT TYPE="ITALIC">hosting</HT>, maar uitsluitend op de rol van <HT TYPE="ITALIC">mere conduit</HT> en <HT TYPE="ITALIC">caching</HT>.</P></NOTE> Uit die controlemogelijkheid op zich kan niet worden afgeleid dat een dienstverlener een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0353" REF.END="QE0353"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0353" CODE="201D" ID="QE0353"/> speelt – omdat artikel 14, lid 1, anders elke nuttige werking zou worden ontnomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0140"><P>Zie in die zin arrest L’Oréal/eBay, punt 115.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0152"><NO.P>152.</NO.P><TXT>In werkelijkheid ziet de door het Hof beoogde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0354" REF.END="QE0354"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0354" CODE="201D" ID="QE0354"/> terecht <HT TYPE="ITALIC">op de inhoud</HT> zelf van de door de gebruikers verstrekte informatie. Ik vat de rechtspraak van het Hof aldus op dat de dienstverlener een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0355" REF.END="QE0355"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0355" CODE="201D" ID="QE0355"/> speelt waardoor hij <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0356" REF.END="QE0356"/>kennis van of controle over<QUOT.END REF.START="QS0356" CODE="201D" ID="QE0356"/> de informatie krijgt die hij op verzoek van de gebruikers van zijn dienst opslaat, wanneer hij die informatie niet uitsluitend verwerkt op een manier die neutraal is naar de inhoud ervan, maar door de aard van zijn activiteiten wordt geacht <HT TYPE="ITALIC">intellectuele zeggenschap over die inhoud</HT> te verwerven. Dat is het geval wanneer de dienstverlener de opgeslagen informatie selecteert<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0141"><P>In het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140911">11 september 2014</DATE>, <NAME.CASE>Papasavvas</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑291/13</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2209">EU:C:2014:2209</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0045">45</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0046">46</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), heeft het Hof in die zin geoordeeld dat een krantenuitgever die de elektronische versie van een krant op zijn website publiceert, kennis heeft van en controle heeft over de informatie die hij publiceert – aangezien hij die selecteert – zodat die uitgever niet als een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0357" REF.END="QE0357"/>als tussenpersoon optredende dienstverlener<QUOT.END REF.START="QS0357" CODE="201D" ID="QE0357"/> in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 kan worden beschouwd.</P></NOTE>, op een andere manier actief betrokken is bij de inhoud ervan of die informatie in de ogen van het publiek op een zodanige manier presenteert dat deze van hem lijkt te komen. In die gevallen gaat hij zijn rol van tussenpersoon voor de door de gebruikers van zijn dienst verstrekte informatie te buiten: hij eigent zich die informatie toe.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0142"><P>Zie in dezelfde zin Husovec, op. cit., blz. 56 en 57.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0153"><NO.P>153.</NO.P><TXT>Mijns inziens spelen exploitanten als YouTube en Cyando ten aanzien van de informatie die zij op verzoek van de gebruikers van hun platformen opslaan, in beginsel echter geen dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0358" REF.END="QE0358"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0358" CODE="201D" ID="QE0358"/>.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="43"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0154"><NO.P>154.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten eerste</HT> wijs ik erop dat het online plaatsen van bestanden op dergelijke platformen immers automatisch geschiedt, zonder voorafgaande inzage of selectie door de exploitanten ervan. Zoals de Finse regering en de Commissie in wezen betogen, verwerven die exploitanten derhalve geen zeggenschap over die informatie op het moment dat deze online wordt geplaatst.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0155"><NO.P>155.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten tweede</HT> wijst het feit dat de opgeslagen informatie rechtstreeks via die platformen kan worden opgevraagd of gedownload, anders dan Elsevier stelt, niet op een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0359" REF.END="QE0359"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0359" CODE="201D" ID="QE0359"/> van de exploitanten van die platformen. In dat verband maakt het immers niet uit of een dienstverlener <HT TYPE="ITALIC">zeggenschap heeft over de toegang</HT> tot de informatie die hij op verzoek van de gebruikers van zijn dienst opslaat. Voor de toegang tot de reclameboodschappen die via AdWords online worden geplaatst, dient bijvoorbeeld de zoekmachine van Google te worden gebruikt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0143"><P>Zie arrest Google France, punt 117.</P></NOTE> Om toegang tot de op eBay geplaatste verkoopaanbiedingen te krijgen, dient haar marktplaats te worden bezocht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0144"><P>Elsevier voert nog aan dat op een onlinemarktplaats als eBay niet de exploitant maar de gebruiker die als verkoper optreedt aan het publiek toegang tot de te koop aangeboden producten geeft, daar die laatste die producten aan de kopers levert. Wat YouTube betreft, zou daarentegen de exploitant toegang tot de video’s geven. Dat argument berust mijns inziens op een misvatting. Bij de op verzoek van de gebruikers van een marktplaats opgeslagen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0360" REF.END="QE0360"/>informatie<QUOT.END REF.START="QS0360" CODE="201D" ID="QE0360"/> gaat het niet om de <HT TYPE="ITALIC">producten</HT> die te koop worden aangeboden, maar de <HT TYPE="ITALIC">verkoopaanbiedingen</HT> zelf. EBay geeft toegang tot die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0361" REF.END="QE0361"/>informatie<QUOT.END REF.START="QS0361" CODE="201D" ID="QE0361"/> op dezelfde manier als YouTube toegang geeft tot de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0362" REF.END="QE0362"/>informatie<QUOT.END REF.START="QS0362" CODE="201D" ID="QE0362"/> die bestaat in de door haar gebruikers geüploade video’s. In de twee gevallen wordt die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0363" REF.END="QE0363"/>informatie<QUOT.END REF.START="QS0363" CODE="201D" ID="QE0363"/> telkens verstrekt door de gebruikers.</P></NOTE> Het Hof heeft die omstandigheid in de arresten Google France en L’Oréal/eBay – terecht – niet als relevant beschouwd. Het enige wat ertoe doet is immers of de dienstverlener <HT TYPE="ITALIC">zeggenschap</HT> heeft <HT TYPE="ITALIC">over de inhoud</HT> van de opgeslagen informatie. De omstandigheid dat toegang tot die informatie kan worden verkregen via het platform of de website van de dienstverlener vormt daarvoor geen aanwijzing, aangezien het opvragen of downloaden ervan op individueel verzoek van een gebruiker geschiedt met behulp van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0364" REF.END="QE0364"/>louter technische en automatische<QUOT.END REF.START="QS0364" CODE="201D" ID="QE0364"/> procedés.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0156"><NO.P>156.</NO.P><TXT>Ondanks hetgeen Elsevier laat verstaan, ben ik er <HT TYPE="ITALIC">ten derde</HT> niet van overtuigd dat een exploitant als YouTube of Cyando de informatie die hij op verzoek van zijn gebruikers opslaat en waartoe hij via zijn platform toegang geeft, in de ogen van derden op een zodanige manier presenteert dat de content van hem lijkt te komen. Dat is niet het geval, aangezien een exploitant als YouTube voor elk op zijn platform gepubliceerd videobestand aangeeft welke gebruiker het online heeft geplaatst. Daarnaast weet een gemiddelde, redelijk oplettende internetgebruiker dat de bestanden die via een platform voor het hosten en delen van bestanden als Uploaded worden opgeslagen, doorgaans niet van de exploitant ervan afkomstig zijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0157"><NO.P>157.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten vierde</HT> ben ik van mening dat noch uit het feit dat een exploitant als YouTube<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0145"><P>Zoals ik heb aangegeven, is dat niet het geval voor het platform Uploaded.</P></NOTE> de wijze waarop de door de gebruikers aangeleverde video’s op het platform worden gepresenteerd, structureert door ze in een gestandaardiseerde visualiseringsinterface op te nemen en in verschillende rubrieken te indexeren, noch uit het feit dat dit platform een zoekfunctie biedt en de exploitant de zoekresultaten, die op de homepage in de vorm van een indeling van de video’s in diverse categorieën worden samengevat, verwerkt, blijkt dat die exploitant een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0365" REF.END="QE0365"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0365" CODE="201D" ID="QE0365"/> ten aanzien van die video’s speelt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0158"><NO.P>158.</NO.P><TXT>Om te beginnen is het feit dat een dienstverlener de wijze waarop de door de gebruikers van zijn dienst verstrekte informatie op zijn platform of website wordt gepresenteerd, structureert teneinde het gebruik ervan te faciliteren en derhalve de toegang tot die informatie te optimaliseren, mijns inziens niet relevant. Het tegenovergestelde standpunt van met name Peterson en de Franse regering berust volgens mij op een onjuist begrip van het arrest L’Oréal/eBay. Het Hof heeft in dat arrest weliswaar geoordeeld dat een dienstverlener als eBay een<?PAGE NO="44"?> <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0366" REF.END="QE0366"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0366" CODE="201D" ID="QE0366"/> speelt wanneer hij een aantal verkopers met betrekking tot bepaalde verkoopaanbiedingen bijstand verleent om <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0367" REF.END="QE0367"/>de wijze waarop [die aanbiedingen] worden getoond te optimaliseren<QUOT.END REF.START="QS0367" CODE="201D" ID="QE0367"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0146"><P>Zie arrest L’Oréal/eBay, punten 114 en 116.</P></NOTE>, maar het heeft daarmee het feit beoogd dat eBay soms <HT TYPE="ITALIC">individuele bijstand</HT> verleent met betrekking tot de manier waarop <HT TYPE="ITALIC">de inhoud van concrete aanbiedingen</HT> kan worden geoptimaliseerd, in de verf gezet of gestructureerd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0147"><P>Zie arrest L’Oréal/eBay, punt 31.</P></NOTE> Door voor dat soort bijstand te zorgen, raakt eBay immers actief betrokken bij de inhoud van de betrokken aanbiedingen, zoals bedoeld in punt 152 van de onderhavige conclusie.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0148"><P>Zie in dezelfde zin arrest Google France, punt 118, waar het Hof de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0368" REF.END="QE0368"/>rol van Google bij het schrijven van de reclameboodschap die de advertentielink begeleidt, of bij de vaststelling of de selectie van trefwoorden<QUOT.END REF.START="QS0368" CODE="201D" ID="QE0368"/> als relevant heeft beschouwd.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0159"><NO.P>159.</NO.P><TXT>Het Hof heeft daarentegen niet het oog gehad op het feit dat eBay de algemene presentatie van de op haar marktplaats online geplaatste verkoopaanbiedingen structureert.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0149"><P>Dat blijkt uit de aandacht die het Hof heeft besteed aan de idee van het optimaliseren van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0369" REF.END="QE0369"/>de wijze waarop <HT TYPE="ITALIC">de verkoopaanbiedingen</HT> worden getoond<QUOT.END REF.START="QS0369" CODE="201D" ID="QE0369"/> (arrest L’Oréal/eBay, punt 116) (cursivering van mij). Indien het Hof de algemene presentatiestructuur van de op de marktplaats getoonde verkoopaanbiedingen had bedoeld, zou het niet zo specifiek zijn geweest en evenmin hebben verwezen naar de nationale rechter om na te gaan of eBay een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0370" REF.END="QE0370"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0370" CODE="201D" ID="QE0370"/> had gespeeld <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0371" REF.END="QE0371"/>met betrekking tot de verkoopaanbiedingen die in het hoofdgeding aan de orde [waren]<QUOT.END REF.START="QS0371" CODE="201D" ID="QE0371"/> (punt 117 van dat arrest). In dat geval zou eBay immers een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0372" REF.END="QE0372"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0372" CODE="201D" ID="QE0372"/> hebben gehad ten aanzien van om het even welke verkoopaanbieding aangezien ze allemaal in die algemene structuur worden opgenomen.</P></NOTE> Uit het feit dat een dienstverlener zeggenschap heeft over de voorwaarden waaronder de door hem op verzoek van de gebruikers van zijn dienst opgeslagen informatie wordt gepresenteerd, blijkt niet dat hij zeggenschap heeft over de inhoud van die informatie. Mijns inziens is enkel individuele bijstand met betrekking tot concrete informatie daarbij relevant. Kortom, voor zover een exploitant als YouTube de gebruikers van zijn platform geen individuele bijstand verleent met betrekking tot de manier waarop hun video’s kunnen worden geoptimaliseerd<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0150"><P>Door bijvoorbeeld bepaalde passages van de betrokken video’s te wijzigen, door betere achtergrondmuziek te kiezen, door de montage ervan te verbeteren enz.</P></NOTE>, speelt hij geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0373" REF.END="QE0373"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0373" CODE="201D" ID="QE0373"/> ten aanzien van de gehoste video’s.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0160"><NO.P>160.</NO.P><TXT>Wat vervolgens de zoek- en indexfunctie betreft, breng ik in herinnering dat deze niet alleen onontbeerlijk zijn voor de gebruikers van het platform om de informatie die zij willen opvragen te kunnen terugvinden, maar dat zij ook geautomatiseerd zijn. Zij zorgen derhalve voor <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0374" REF.END="QE0374"/>louter technische en automatische verwerkingen<QUOT.END REF.START="QS0374" CODE="201D" ID="QE0374"/> van op verzoek van de gebruikers opgeslagen informatie, zoals het Hof in zijn rechtspraak heeft bedoeld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0151"><P>Zie naar analogie arrest L’Oréal/eBay, punt 113.</P></NOTE> Uit de omstandigheid dat de dienstverlener de hulpmiddelen en met name het algoritme voor die verwerkingen heeft ontwikkeld en daardoor met name zeggenschap heeft over <HT TYPE="ITALIC">de wijze waarop</HT> de zoekresultaten <HT TYPE="ITALIC">worden weergegeven</HT>, blijkt niet dat hij zeggenschap heeft over de <HT TYPE="ITALIC">inhoud</HT> van de opgezochte informatie.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0152"><P>Zie naar analogie arrest Google France, punten 115 en 117.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0161"><NO.P>161.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten vijfde</HT> blijkt, anders dan Peterson en de Franse regering aanvoeren, evenmin een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0375" REF.END="QE0375"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0375" CODE="201D" ID="QE0375"/> van een exploitant als YouTube uit het feit dat deze op zijn platform geregistreerde gebruikers een overzicht biedt van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0376" REF.END="QE0376"/>aanbevolen video’s<QUOT.END REF.START="QS0376" CODE="201D" ID="QE0376"/>. Ook dat standpunt berust op een onjuist begrip van het arrest L’Oréal/eBay. Met het oordeel in dat arrest dat een dienstverlener als eBay dat soort <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0377" REF.END="QE0377"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0377" CODE="201D" ID="QE0377"/> speelt wanneer hij een aantal verkopers met betrekking tot bepaalde verkoopaanbiedingen bijstand verleent die erin bestaat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0378" REF.END="QE0378"/>deze aanbiedingen te bevorderen<QUOT.END REF.START="QS0378" CODE="201D" ID="QE0378"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0153"><P>Arrest L’Oréal/eBay, punt 116.</P></NOTE>, verwees het Hof naar de omstandigheid dat eBay soms zelf <HT TYPE="ITALIC">bepaalde aanbiedingen bevordert buiten haar marktplaats</HT>, op internet, via met name de zoekmachineadvertentiedienst<?PAGE NO="45"?> AdWords.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0154"><P>Zie arrest L’Oréal/eBay, punten 38, 39 en 114.</P></NOTE> EBay verwerft intellectuele zeggenschap over die aanbiedingen daar zij ervan gebruikmaakt om reclame te maken voor haar marktplaats en zij zich deze aanbiedingen aldus toe-eigent.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0162"><NO.P>162.</NO.P><TXT>Het feit dat een exploitant als YouTube de gebruikers van zijn platform op geautomatiseerde wijze soortgelijke video’s aanbeveelt als die welke eerder door hen zijn bekeken, lijkt mij daarentegen niet bepalend te zijn. Het staat vast dat eBay de gebruikers van haar marktplaats eveneens op dezelfde manier soortgelijke aanbiedingen als die welke zij in het verleden hebben opgevraagd, aanbeveelt. Het Hof heeft in het arrest L’Oréal/eBay met die omstandigheid mijns inziens evenwel geen rekening gehouden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0155"><P>Wederom, indien het Hof dat soort aanbevelingen in gedachten zou hebben gehad, zou het niet naar de nationale rechter hebben verwezen om na te gaan of eBay een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0379" REF.END="QE0379"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0379" CODE="201D" ID="QE0379"/> had gespeeld <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0380" REF.END="QE0380"/>met betrekking tot de verkoopaanbiedingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn<QUOT.END REF.START="QS0380" CODE="201D" ID="QE0380"/> (arrest L’Oréal/eBay, punt 117). Van die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0381" REF.END="QE0381"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0381" CODE="201D" ID="QE0381"/> zou immers sprake zijn geweest ten aanzien van alle aanbiedingen op de marktplaats, aangezien volgens de programmering van het algoritme potentieel om het even welke van die aanbiedingen aan een bepaalde gebruiker kan worden aanbevolen.</P></NOTE> Ook in dat verband gaat het in beginsel om een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0382" REF.END="QE0382"/>louter technische en automatische verwerking<QUOT.END REF.START="QS0382" CODE="201D" ID="QE0382"/> van opgeslagen informatie. Uit het feit dat de dienstverlener de hulpmiddelen, en met name het algoritme voor die verwerking, heeft ontwikkeld en daardoor zeggenschap heeft <HT TYPE="ITALIC">over de wijze waarop</HT> de aanbevolen informatie <HT TYPE="ITALIC">wordt weergegeven</HT>, blijkt wederom niet dat hij zeggenschap heeft <HT TYPE="ITALIC">over de inhoud</HT> van die informatie.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0156"><P>Zie naar analogie arrest Google France, punt 115. Dat doet geen afbreuk aan het feit dat een dienstverlener, doordat hij zeggenschap over een dergelijk algoritme heeft, aansprakelijk kan worden gesteld voor <HT TYPE="ITALIC">schade veroorzaakt door de werking van het algoritme als zodanig</HT>. Dat zou met name het geval kunnen zijn wanneer dat algoritme op een onrechtmatige manier bepaalde content of bepaalde gebruikers zou discrimineren. Zoals gesteld ziet de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling enkel op de aansprakelijkheid die uit de opgeslagen informatie voortvloeit.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0163"><NO.P>163.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten zesde</HT> blijkt uit het door exploitanten als YouTube en Cyando gehanteerde bedrijfsmodel, in tegenstelling tot hetgeen Peterson en Elsevier aanvoeren, niet dat zij een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0383" REF.END="QE0383"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0383" CODE="201D" ID="QE0383"/> hebben met betrekking tot de informatie die zij op verzoek van de gebruikers van hun platformen opslaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0164"><NO.P>164.</NO.P><TXT>Dienaangaande vormt het feit dat een dienstverlener als tegenprestatie voor zijn dienst wordt vergoed, een van de voorwaarden voor een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0384" REF.END="QE0384"/>dienst van de informatiemaatschappij<QUOT.END REF.START="QS0384" CODE="201D" ID="QE0384"/>. In het verlengde daarvan gaat het dus om een eerste vereiste om onder artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 te vallen. Voorts is het feit dat die vergoeding met name bestaat in reclame-inkomsten, die niet afhangen van de verstrekte opslagruimte maar van de aantrekkelijkheid van de op verzoek van de gebruikers van het platform opgeslagen informatie, naar mijn mening niet relevant.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0157"><P>Zie naar analogie Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), eerste civiele kamer, arrest nr. 165 van <DATE ISO="20110217">17 februari 2011</DATE>, Carion tegen Société Dailymotion, nr. 09‑67.896.</P></NOTE> Dienaangaande wijs ik erop dat de Uniewetgever dienstverleners die met name inkomsten uit reclame halen, onder de werkingssfeer van die richtlijn heeft willen brengen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0158"><P>Zie overweging 18 van richtlijn 2000/31.</P></NOTE> Daarnaast wijst niets in de bewoordingen van artikel 14, lid 1, van die richtlijn erop dat een dergelijke dienstverlener van die bepaling zou moeten worden uitgesloten omdat hij op die manier wordt vergoed.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0165"><NO.P>165.</NO.P><TXT>Voor het overige herinner ik eraan dat het Hof in de arresten Google France en L’Oréal/eBay heeft geoordeeld dat uit het enkele feit dat voor een dienst moet worden betaald en dat de dienstverlener de wijze van vergoeding ervoor bepaalt, niet blijkt dat die dienstverlener een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0385" REF.END="QE0385"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0385" CODE="201D" ID="QE0385"/> heeft.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0159"><P>Zie arrest Google France, punt 116, en arrest L’Oréal/eBay, punt 115.</P></NOTE> De vergoeding die Google in het kader van de dienst <HT TYPE="ITALIC">AdWords</HT> ontvangt, hangt af van de aantrekkelijkheid van de opgeslagen informatie omdat zij met name afhangt van<?PAGE NO="46"?> het aantal keer dat wordt geklikt op die advertentielinks die gebruikmaken van de trefwoorden die door de gebruikers die als adverteerders optreden, zijn gekozen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0160"><P>Zie arrest Google France, punt 25.</P></NOTE> Op een vergelijkbare wijze hangt de vergoeding van eBay eveneens af van de opgeslagen informatie daar eBay een percentage int over de transacties die op basis van de verkoopaanbiedingen tot stand komen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0161"><P>Zie arrest L’Oréal/eBay, punten 28 en 110.</P></NOTE> Het Hof heeft in die arresten dus impliciet maar noodzakelijkerwijs erkend dat een dergelijke omstandigheid geen enkel belang heeft.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0162"><P>Dat is des te opmerkelijker omdat advocaat-generaal Poiares Maduro in zijn conclusie in de gevoegde zaken <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Google France en Google</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑236/08–C‑238/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:569">EU:C:2009:569</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0144">144</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0145">145</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>) de tegenovergestelde benadering had gesuggereerd aan het Hof.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0166"><NO.P>166.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten zevende</HT> kan een dienstverlener niet geacht worden een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0386" REF.END="QE0386"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0386" CODE="201D" ID="QE0386"/> ten aanzien van de informatie die hij opslaat te spelen enkel op grond dat hij, zoals YouTube via Content ID, proactief een aantal controles verricht teneinde onwettige informatie op zijn servers te detecteren. Zoals de Finse regering beklemtoont, blijkt uit overweging 40 van richtlijn 2000/31 immers dat de bepalingen van die richtlijn over aansprakelijkheid van de als tussenpersoon optredende dienstverleners <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0387" REF.END="QE0387"/>de ontwikkeling en daadwerkelijke uitvoering [...] van technische toezichtinstrumenten die de digitale technologie mogelijk heeft gemaakt, [...] niet in de weg [staan]<QUOT.END REF.START="QS0387" CODE="201D" ID="QE0387"/>. Overigens moet mijns inziens worden voorkomen dat de uitlegging van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0388" REF.END="QE0388"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0388" CODE="201D" ID="QE0388"/> het paradoxale resultaat oplevert dat een dienstverlener die uit eigen beweging in de door hem opgeslagen informatie bepaalde onderzoeken verricht, met name ter bestrijding in het belang van de rechthebbenden van inbreuken op het auteursrecht, het voordeel van de in artikel 14, lid 1, van die richtlijn opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid zou verliezen en aldus strenger zou worden behandeld dan een dienstverlener die deze onderzoeken niet verricht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0163"><P>Zie in die zin overweging 26 van aanbeveling (EU) 2018/334 van de Commissie van <DATE ISO="20180301">1 maart 2018</DATE> over maatregelen om illegale online-inhoud effectief te bestrijden (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="063" PAGE.FIRST="50" DATE.PUB="2018">PB 2018, L 63, blz. 50</REF.DOC.OJ>). Overigens blijkt uit het arrest L’Oréal/eBay impliciet maar noodzakelijkerwijs dat een dienstverlener zijn eigen onderzoek kan verrichten zonder om die reden zijn <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0389" REF.END="QE0389"/>neutrale rol<QUOT.END REF.START="QS0389" CODE="201D" ID="QE0389"/> te verliezen (zie de punten 46 en 122 van dat arrest).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0167"><NO.P>167.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten slotte</HT> herinner ik eraan dat het Hof er in de arresten SABAM<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0164"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120216">16 februari 2012</DATE> (<NO.CASE>C‑360/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:85">EU:C:2012:85</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0027">27</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> en Glawischnig-Piesczek<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0165"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191003">3 oktober 2019</DATE> (<NO.CASE>C‑18/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:821">EU:C:2019:821</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0022">22</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> naar analogie op heeft gewezen dat het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0390" REF.END="QE0390"/>vaststaat<QUOT.END REF.START="QS0390" CODE="201D" ID="QE0390"/> dat exploitanten van sociaalnetwerksites zich voor de informatie die zij op verzoek van hun gebruikers opslaan, kunnen beroepen op artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31. Hoewel de uitdrukking <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0391" REF.END="QE0391"/>vaststaan<QUOT.END REF.START="QS0391" CODE="201D" ID="QE0391"/> aangeeft dat het Hof zich in die arresten op een niet door de partijen of de verwijzende rechter betwist uitgangspunt heeft gebaseerd, zoals de Franse regering ter terechtzitting liet optekenen, wijs ik er evenwel op dat het Hof in het kader van prejudiciële beslissingen niet nalaat vraagtekens te plaatsen bij uitgangpunten met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht die naar zijn mening twijfelachtig zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0166"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20190729">29 juli 2019</DATE>, <NAME.CASE>Funke Medien NRW</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑469/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:623">EU:C:2019:623</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0016">16</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0026">26</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> In casu heeft het Hof dat evenwel niet gedaan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0167"><P>Bovendien lijkt de Uniewetgever zelf aan te nemen dat een platformexploitant als YouTube kan gebruikmaken van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 aangezien verschillende Unierechtelijke bepalingen rekening houden met het feit dat die bepaling op een dergelijke exploitant van toepassing is. Zie met name artikel 1, punt 23, van richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20181114">14 november 2018</DATE> tot wijziging van richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="303" PAGE.FIRST="69" DATE.PUB="2018">PB 2018, L 303, blz. 69</REF.DOC.OJ>), waarbij in richtlijn 2010/13 een artikel 28 bis, lid 5, wordt ingevoegd waarin wordt aangegeven dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0392" REF.END="QE0392"/>de artikelen 12 tot en met 15 van [richtlijn 2000/31] van toepassing [zijn] op aanbieders van videoplatforms die worden geacht in een lidstaat te zijn gevestigd<QUOT.END REF.START="QS0392" CODE="201D" ID="QE0392"/> (zie ook het bij datzelfde punt ingevoegde artikel 28 ter).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="47"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0168"><NO.P>168.</NO.P><TXT>In het licht van de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging op de tweede vragen te antwoorden dat de exploitant van een videodeelplatform als YouTube en de exploitant van een host- en deelplatform voor bestanden als Cyando in beginsel kunnen gebruikmaken van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling voor elke aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit de bestanden die zij op verzoek van de gebruikers van hun platformen opslaan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0168"><P>Onverminderd evenwel de in punt 146 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte beperking.</P></NOTE></TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">C.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Vrijstellingsvoorwaarde in artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 met betrekking tot het ontbreken van kennis of besef van onwettige informatie (derde vragen)</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0169"><NO.P>169.</NO.P><TXT>Zoals ik heb verduidelijkt in het kader van mijn analyse van de tweede prejudiciële vragen, kunnen exploitanten als YouTube of Cyando zich in beginsel beroepen op artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31. Overeenkomstig die bepaling kan een dienstverlener niet aansprakelijk worden gesteld voor informatie die hij op verzoek van de gebruikers van zijn dienst opslaat, op voorwaarde dat (a) hij niet <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0393" REF.END="QE0393"/>daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie<QUOT.END REF.START="QS0393" CODE="201D" ID="QE0393"/> en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0394" REF.END="QE0394"/>kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt<QUOT.END REF.START="QS0394" CODE="201D" ID="QE0394"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0169"><P>Gemakshalve gebruik ik in de onderhavige conclusie het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0395" REF.END="QE0395"/>daadwerkelijke kennis<QUOT.END REF.START="QS0395" CODE="201D" ID="QE0395"/> om het eerste in artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 bedoelde geval aan te duiden en het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0396" REF.END="QE0396"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0396" CODE="201D" ID="QE0396"/> om het tweede in die bepaling bedoelde geval aan te duiden.</P></NOTE> of dat (b) hij, na van het bovengenoemde daadwerkelijk kennis of besef te hebben gekregen, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0397" REF.END="QE0397"/>prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken<QUOT.END REF.START="QS0397" CODE="201D" ID="QE0397"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0170"><NO.P>170.</NO.P><TXT>Met zijn derde vragen wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen hoe de in dat artikel 14, lid 1, onder a), beschreven voorwaarde dient te worden uitgelegd. Hij vraagt in essentie of die voorwaarde betrekking heeft op concrete onwettige informatie.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0171"><NO.P>171.</NO.P><TXT>Het antwoord op die vraag heeft aanzienlijke gevolgen voor alle situaties waarin een dienstverlener ter verantwoording wordt geroepen voor de onwettige informatie die hij opslaat. Die vraag komt er in wezen op neer of de verzoeker, om de betrokken dienstverlener het voordeel van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling te doen verliezen, dient aan te tonen dat die dienstverlener <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0398" REF.END="QE0398"/>kennis<QUOT.END REF.START="QS0398" CODE="201D" ID="QE0398"/> of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0399" REF.END="QE0399"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0399" CODE="201D" ID="QE0399"/> had <HT TYPE="ITALIC">van die specifieke informatie</HT>, dan wel of hij alleen maar dient aan te tonen dat die dienstverlener een <HT TYPE="ITALIC">algemene en abstracte</HT> <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0400" REF.END="QE0400"/>kennis<QUOT.END REF.START="QS0400" CODE="201D" ID="QE0400"/> of een <HT TYPE="ITALIC">algemeen en abstract</HT> <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0401" REF.END="QE0401"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0401" CODE="201D" ID="QE0401"/> had van het feit dat hij onwettige informatie opsloeg en dat zijn diensten voor onwettige activiteiten werden gebruikt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0172"><NO.P>172.</NO.P><TXT>Mijns inziens hebben de in artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 bedoelde gevallen inderdaad betrekking op concrete onwettige informatie.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0173"><NO.P>173.</NO.P><TXT>Zoals de verwijzende rechter beklemtoont en zoals Google en de Duitse en de Franse regering hebben aangevoerd, blijkt die uitlegging uit de bewoordingen zelf van artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31, waarin bepaalde lidwoorden worden gebruikt (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0402" REF.END="QE0402"/><HT TYPE="ITALIC">de</HT> onwettige activiteit of informatie<QUOT.END REF.START="QS0402" CODE="201D" ID="QE0402"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0403" REF.END="QE0403"/>het onwettige karakter van <HT TYPE="ITALIC">de</HT> activiteiten of informatie<QUOT.END REF.START="QS0403" CODE="201D" ID="QE0403"/>) (cursivering van mij).<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0170"><P>Dat is eveneens het geval in de overgrote meerderheid van de andere taalversies van richtlijn 2000/31. Peterson en Elsevier brengen daartegen in dat in de Engelse taalversie van die richtlijn steun wordt gevonden voor de tegenovergestelde uitlegging. Ik ben daar niet van overtuigd. Het klopt dat in die taalversie het eerste deel van artikel 14, lid 1, onder a), van die richtlijn geen bepaald lidwoord bevat (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0404" REF.END="QE0404"/>[...] the provider does not have actual knowledge <HT TYPE="ITALIC">of illegal activity</HT> or information [...]<QUOT.END REF.START="QS0404" CODE="201D" ID="QE0404"/>). In het tweede deel wordt daarentegen wel een bepaald lidwoord gebruikt (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0405" REF.END="QE0405"/>[...] is not aware of facts or circumstances from which <HT TYPE="ITALIC">the</HT> illegal activity or information is apparent [...]<QUOT.END REF.START="QS0405" CODE="201D" ID="QE0405"/>) (cursivering van mij).</P></NOTE> Indien de Uniewetgever had willen verwijzen naar algemene kennis of algemeen besef van het feit dat er onwettige informatie op de servers van de dienstverlener staat of dat diens<?PAGE NO="48"?> diensten worden gebruikt voor onwettige activiteiten, zou hij een onbepaalde constructie hebben gekozen (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0406" REF.END="QE0406"/><HT TYPE="ITALIC">een</HT> onwettige activiteit of onwettige informatie<QUOT.END REF.START="QS0406" CODE="201D" ID="QE0406"/> of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0407" REF.END="QE0407"/>het onwettige karakter van <HT TYPE="ITALIC">[...]</HT> activiteiten of informatie<QUOT.END REF.START="QS0407" CODE="201D" ID="QE0407"/>). Ik wijs er nog op dat in artikel 14, lid 1, onder b), van die richtlijn ook een bepaald lidwoord wordt gebruikt (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0408" REF.END="QE0408"/>om <HT TYPE="ITALIC">de</HT> informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken<QUOT.END REF.START="QS0408" CODE="201D" ID="QE0408"/>) (cursivering van mij).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0174"><NO.P>174.</NO.P><TXT>Die uitlegging dringt zich eveneens op in het licht van de algemene context van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 en van de doelstelling die met die bepaling wordt nagestreefd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0175"><NO.P>175.</NO.P><TXT>Dienaangaande wijs ik erop dat de Uniewetgever met de invoering van de vrijstellingen van aansprakelijkheid waarin afdeling 4 van richtlijn 2000/31 voorziet, de bedoeling had om als tussenpersoon optredende dienstverleners in staat te stellen hun diensten aan te bieden zonder dat zij een onevenredig risico liepen op aansprakelijkheid voor de informatie die zij op verzoek van hun gebruikers verwerken. Artikel 14, lid 1, van die richtlijn heeft met name tot doel te voorkomen dat die dienstverleners in het algemeen aansprakelijk worden gesteld voor het onwettige karakter van de door hen opgeslagen informatie, die vaak een aanzienlijke omvang heeft en waarover zij als gevolg daarvan in beginsel geen intellectuele zeggenschap hebben. De Uniewetgever heeft daarbij beoogd een evenwicht tot stand te brengen tussen de verschillende betrokken belangen. Enerzijds mag overeenkomstig artikel 15, lid 1, van die richtlijn aan die dienstverleners geen algemene verplichting worden opgelegd om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden. Anderzijds dienen die dienstverleners, zodra zij daadwerkelijk kennis of besef van onwettige informatie krijgen, prompt te handelen om die informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken en dat met inachtneming van het beginsel van de vrijheid van meningsuiting en van daarvoor vastgestelde procedures op nationaal niveau.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0171"><P>Zie de overwegingen 40, 41 en 46 van richtlijn 2000/31.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0176"><NO.P>176.</NO.P><TXT>Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 is dus bedoeld als uitgangspunt voor de uitwerking op het niveau van de lidstaten van zogenoemde procedures voor kennisgeving en verwijdering (<HT TYPE="ITALIC">notice and take down</HT>)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0172"><P>Zie overweging 40 en artikel 14, lid 3, van richtlijn 2000/31. In tegenstelling tot de door de DMCA ingevoerde afdeling 512, voorziet richtlijn 2000/31 dus niet in een geharmoniseerde procedure voor kennisgeving en verwijdering.</P></NOTE>, en de onder a) en b) van die bepaling opgenomen voorwaarden weerspiegelen dan ook de logica van die procedures: wanneer <HT TYPE="ITALIC">concrete onwettige</HT> <HT TYPE="ITALIC">informatie</HT> onder de aandacht van een dienstverlener wordt gebracht<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0173"><P>Ik versta daaronder: onder de aandacht van een medewerker van de dienstverlener is gebracht. Een dienstverlener kan niet worden geacht <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0409" REF.END="QE0409"/>kennis<QUOT.END REF.START="QS0409" CODE="201D" ID="QE0409"/> of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0410" REF.END="QE0410"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0410" CODE="201D" ID="QE0410"/> van door hem opgeslagen onwettige informatie in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 te hebben bijvoorbeeld op grond van het feit dat hij die informatie automatisch heeft verwerkt. Een dergelijke uitlegging zou die bepaling elke nuttige werking ontnemen aangezien elke dienstverlener die informatie host, noodzakelijkerwijze informatie op die manier moet verwerken.</P></NOTE>, dient hij deze prompt te verwijderen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0177"><NO.P>177.</NO.P><TXT>Peterson en Elsevier brengen daar evenwel tegen in dat platformen als YouTube en Uploaded op grote schaal aanleiding geven tot onrechtmatig gebruik, waarvan de exploitanten van die platformen regelmatig in kennis worden gesteld. Derhalve voeren verzoekers in de hoofdgedingen wederom aan dat die exploitanten aan zorgvuldigheidseisen dienen te voldoen op grond waarvan zij de inbreuken op hun platformen dienen te voorkomen en actief ernaar dienen te zoeken. Derhalve kunnen zij zich niet beroepen op het feit dat zij van concrete onwettige informatie die zich op die platformen bevinden, geen kennis hebben. In dat verband dient hun <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0411" REF.END="QE0411"/>kennis<QUOT.END REF.START="QS0411" CODE="201D" ID="QE0411"/> of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0412" REF.END="QE0412"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0412" CODE="201D" ID="QE0412"/> te worden vermoed.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="49"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0178"><NO.P>178.</NO.P><TXT>Mijns inziens is de aldus door de rechthebbenden gesuggereerde uitlegging eenvoudigweg niet te verenigen met het Unierecht in zijn huidige stand.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0179"><NO.P>179.</NO.P><TXT>Een dergelijk betoog is om te beginnen niet in overeenstemming met het eerste deel van artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31, waarin het gaat over <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0413" REF.END="QE0413"/>daadwerkelijke kennis<QUOT.END REF.START="QS0413" CODE="201D" ID="QE0413"/>. Om een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0414" REF.END="QE0414"/>daadwerkelijke kennis<QUOT.END REF.START="QS0414" CODE="201D" ID="QE0414"/> aan te tonen, hoeft niet te worden gekeken naar hetgeen de dienstverlener zou hebben geweten als hij behoedzaam was geweest, maar naar hetgeen hij werkelijk wist.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0174"><P>Zie conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>L’Oréal e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑324/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:757">EU:C:2010:757</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0162">162</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0163">163</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0180"><NO.P>180.</NO.P><TXT>Meer uitleg is nodig voor het in het tweede deel van artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 bedoelde geval van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0415" REF.END="QE0415"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0415" CODE="201D" ID="QE0415"/>. Het Hof heeft ter zake een aantal punten gepreciseerd in het arrest L’Oréal/eBay. Ik herinner eraan dat eBay in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, ter verantwoording werd geroepen voor een aantal verkoopaanbiedingen die op haar marktplaats online waren geplaatst en inbreuk konden maken op merken van L’Oréal. In die context heeft het Hof gepreciseerd dat voor de vaststelling of de exploitant van een marktplaats van dergelijke aanbiedingen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0416" REF.END="QE0416"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0416" CODE="201D" ID="QE0416"/> in de zin van die bepaling heeft, dient te worden nagegaan of hij <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0417" REF.END="QE0417"/>kennis had van feiten of omstandigheden op grond waarvan een behoedzame marktdeelnemer de onwettigheid in kwestie had moeten vaststellen en overeenkomstig [artikel 14, lid 1, onder b), van die richtlijn] had moeten handelen<QUOT.END REF.START="QS0417" CODE="201D" ID="QE0417"/>. Dat kan het geval zijn in <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0418" REF.END="QE0418"/>elke situatie waarin de betrokken dienstverlener op enige wijze kennis verkrijgt van dergelijke feiten of omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0418" CODE="201D" ID="QE0418"/> en met name wanneer hij <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0419" REF.END="QE0419"/>een onwettige activiteit of informatie ontdekt na een op eigen initiatief verricht onderzoek<QUOT.END REF.START="QS0419" CODE="201D" ID="QE0419"/> of wanneer <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0420" REF.END="QE0420"/>het bestaan van een dergelijke activiteit of van dergelijke informatie hem ter kennis wordt gebracht<QUOT.END REF.START="QS0420" CODE="201D" ID="QE0420"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0175"><P>Arrest L’Oréal/eBay, respectievelijk de punten 120, 121 en 122.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0181"><NO.P>181.</NO.P><TXT>Uit dat arrest blijkt dat een dienstverlener op grond van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 inderdaad aan bepaalde zorgvuldigheidseisen dient te voldoen. Om die reden kan een dergelijke dienstverlener soms het voordeel van de in die bepaling opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid verliezen op grond dat hij had moeten weten dat bepaalde informatie onwettig was en dat hij deze desondanks niet heeft verwijderd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0182"><NO.P>182.</NO.P><TXT>Die zorgvuldigheidseisen zijn evenwel veel gerichter dan verzoekers in de hoofdgedingen suggereren. Volgens mij kan uit dat arrest niet worden afgeleid dat een dienstverlener zich slechts als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0421" REF.END="QE0421"/>behoedzame marktdeelnemer<QUOT.END REF.START="QS0421" CODE="201D" ID="QE0421"/> gedraagt wanneer hij, zodra hij abstracte kennis heeft van het feit dat op zijn servers onwettige informatie staat, actief en in algemene zin naar dergelijke onwettige informatie zoekt en dat hij derhalve wordt vermoed <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0422" REF.END="QE0422"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0422" CODE="201D" ID="QE0422"/> van al die informatie te hebben.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0183"><NO.P>183.</NO.P><TXT>In dat verband is het overduidelijk dat een exploitant van een marktplaats als eBay, gelet op het aantal verkoopaanbiedingen dat dagelijks op een dergelijke marktplaats wordt gepubliceerd, weet dat een aantal ervan mogelijk inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten. Het Hof heeft in het arrest L’Oréal/eBay evenwel niet geoordeeld dat een dergelijke exploitant wordt geacht <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0423" REF.END="QE0423"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0423" CODE="201D" ID="QE0423"/> te hebben van om het even welke van die inbreukmakende aanbiedingen. Het Hof was integendeel van oordeel dat moest worden nagegaan of feiten of omstandigheden <HT TYPE="ITALIC">met betrekking tot de betrokken verkoopaanbiedingen</HT> aan die dienstverlener ter kennis waren gebracht. Volgens het Hof moest met name worden nagegaan of de kennisgeving aan die dienstverlener <HT TYPE="ITALIC">met betrekking tot die aanbiedingen</HT> voldoende nauwkeurig en onderbouwd was.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0176"><P>Zie arrest L’Oréal/eBay, punt 122.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="50"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0184"><NO.P>184.</NO.P><TXT>Hieruit blijkt dat het in het tweede deel van artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 bedoelde geval, waarin een dienstverlener <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0424" REF.END="QE0424"/>kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt<QUOT.END REF.START="QS0424" CODE="201D" ID="QE0424"/>, verwijst naar het geval waarin de dienstverlener (daadwerkelijk) kennis heeft van objectieve elementen <HT TYPE="ITALIC">in verband met concrete informatie op zijn servers</HT>, die voor hem zou moeten volstaan, als hij blijk geeft van de vereiste behoedzaamheid, om te beseffen dat die informatie onwettig is en om ze te verwijderen overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder b), van die richtlijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0185"><NO.P>185.</NO.P><TXT>Kortom, een dienstverlener heeft de verplichting om behoedzaam om te gaan met de feiten en omstandigheden die hem – met name in het kader van kennisgevingen – met betrekking tot concrete onwettige informatie ter kennis worden gebracht. Die verplichting mag niet worden verward met een verplichting om actief en in algemene zin te zoeken naar dergelijke feiten en omstandigheden. Een dergelijke uitlegging zou de logica van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 omkeren en onverenigbaar zijn met artikel 15 van die richtlijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0177"><P>Zie in dezelfde zin Riordan, J., <HT TYPE="ITALIC">The Liability of Internet Intermediaries</HT>, Oxford University Press, Oxford, 2016, blz. 407 en 408. Het Hof heeft overigens in punt 139 van het arrest L’Oréal/eBay gepreciseerd dat de maatregelen die van een dienstverlener als eBay kunnen worden verlangd <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0425" REF.END="QE0425"/>niet kunnen bestaan in het actief surveilleren van alle gegevens van ieder van zijn klanten om elke toekomstige inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten via de site van de dienstverlener te voorkomen<QUOT.END REF.START="QS0425" CODE="201D" ID="QE0425"/>. Evenzo wil het Hof met de vermelding in punt 120 van dat arrest dat een dienstverlener in het kader van zijn eigen onderzoek feiten of omstandigheden kan ontdekken waaruit de onwettigheid duidelijk blijkt, gewoonweg aangeven dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 een dienstverlener <HT TYPE="ITALIC">toestaat</HT> om dergelijke onderzoeken te verrichten. In voorkomend geval moet die dienstverlener de onwettige informatie die hij ontdekt, uiteraard verwijderen. Dat wil niet zeggen dat hij in algemene zin <HT TYPE="ITALIC">verplicht</HT> is dergelijke onderzoeken te verrichten.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0186"><NO.P>186.</NO.P><TXT>Bovendien mag niet uit het oog worden verloren, zoals ik reeds heb aangegeven, dat de logica van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0426" REF.END="QE0426"/>kennisgeving en verwijdering<QUOT.END REF.START="QS0426" CODE="201D" ID="QE0426"/> die aan dat artikel 14, lid 1, ten grondslag ligt, een evenwicht beoogt tot stand te brengen tussen de verschillende betrokken belangen, en met name de vrijheid van meningsuiting van de gebruikers wenst te waarborgen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0187"><NO.P>187.</NO.P><TXT>In dat kader beoogt de logica achter de kennisgevingen niet alleen dienstverleners in staat te stellen het bestaan en de locatie van onwettige informatie op hun servers te ontdekken. Kennisgevingen zijn eveneens bedoeld om hun voldoende elementen te verschaffen om zich te vergewissen van het onwettige karakter van die informatie. Overeenkomstig datzelfde artikel 14, lid 1, dient een dienstverlener dergelijke informatie immers enkel te verwijderen wanneer het onwettige karakter ervan <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0427" REF.END="QE0427"/>duidelijk blijkt<QUOT.END REF.START="QS0427" CODE="201D" ID="QE0427"/>, dat wil zeggen wanneer er sprake is van <HT TYPE="ITALIC">kennelijke</HT> onwettigheid.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0178"><P>Zie Conseil constitutionnel (grondwettelijk hof, Frankrijk), beslissing nr. 2004‑496 van <DATE ISO="20040610">10 juni 2004</DATE>.</P></NOTE> Dat vereiste beoogt mijns inziens te voorkomen dat een dienstverlener zelf over ingewikkelde juridische kwesties moet beslissen en op die manier transformeert in een scheidsrechter voor de wettigheidsbeoordeling op internet.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0188"><NO.P>188.</NO.P><TXT>Ofschoon het onwettige karakter van bepaalde informatie meteen duidelijk is<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0179"><P>Ik verwijs bijvoorbeeld naar kinderpornografisch beeldmateriaal. Voor dat soort informatie, dat als zodanig kennelijk en ontegensprekelijk onwettig is, verzet richtlijn 2000/31 zich er mijns inziens niet tegen dat van de dienstverlener wordt verlangd proactief informatie te verwijderen. Zie in die zin overweging 48 van die richtlijn en, specifiek betreffende kinderpornografie, overweging 47 en artikel 25 van richtlijn 2011/93.</P></NOTE>, is dat echter doorgaans niet het geval inzake het auteursrecht. De beoordeling van het inbreukmakende karakter van een bestand is afhankelijk van tal van contextuele factoren en kan een diepgaande juridische analyse vergen. Om bijvoorbeeld te bepalen of een op een platform als YouTube online geplaatst videobestand inbreuk maakt op een auteursrecht, dient in beginsel ten eerste te worden nagegaan of dat videobestand een werk bevat, ten tweede of de derde die zich beklaagt, houder is van rechten op dat werk, en ten derde of diens rechten door dergelijk gebruik van het werk worden geschonden, waarvoor dan weer eerst moet worden beoordeeld of dat werk is gebruikt<?PAGE NO="51"?> met zijn toestemming, en vervolgens of er mogelijk een beperking geldt. De analyse wordt bovendien bemoeilijkt door het feit dat de eventuele rechten en licenties op het werk kunnen variëren per lidstaat, net als die beperkingen naargelang het toepasselijke recht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0180"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120216">16 februari 2012</DATE>, <NAME.CASE>SABAM</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑360/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:85">EU:C:2012:85</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0050">50</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0189"><NO.P>189.</NO.P><TXT>Wanneer een dienstverlener actief en zonder bijstand van rechthebbenden zou moeten zoeken naar de inbreukmakende informatie op zijn servers, zou hij gedwongen zijn om zelf in algemene zin en los van de nodige contextuele factoren te beoordelen wat onder <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0428" REF.END="QE0428"/>inbreukmakende informatie<QUOT.END REF.START="QS0428" CODE="201D" ID="QE0428"/> valt. Bepaalde situaties laten weliswaar weinig ruimte voor twijfel<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0181"><P>Bijvoorbeeld een obscure gebruiker die een met een camcorder opgenomen kopie, van erbarmelijke kwaliteit, van een recent in de zalen uitgebrachte film online plaatst.</P></NOTE>, maar tal van andere situaties zijn onduidelijk. Bijvoorbeeld is het zelden eenvoudig om te bepalen wie rechten op een bepaald werk heeft.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0182"><P>Uit de verwijzingsbeslissing in zaak C‑682/18 blijkt dat een aanzienlijk deel van het arrest in hoger beroep is gewijd aan de vraag of, en in welke mate, Peterson rechten op de betrokken werken heeft.</P></NOTE> Wanneer voorts een fragment van een beschermd werk is opgenomen in een door een derde gepost videobestand, kunnen er bijvoorbeeld bepaalde beperkingen, zoals het gebruik voor citaten of parodie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0183"><P>Zie artikel 5 van richtlijn 2001/29.</P></NOTE>, gelden. Het gevaar bestaat dat de dienstverlener in al die onduidelijke situaties neigt naar systematische verwijdering van de informatie op zijn servers om elk risico van aansprakelijkheid tegenover rechthebbenden te voorkomen. Het zal hem immers vaak eenvoudiger lijken om bepaalde informatie te verwijderen dan om zelf, bijvoorbeeld in het kader van een vordering wegens aansprakelijkheid, de toepassing van een dergelijke beperking te moeten bepleiten. Dit <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0429" REF.END="QE0429"/>onnodig verwijderen<QUOT.END REF.START="QS0429" CODE="201D" ID="QE0429"/> levert een duidelijk probleem inzake vrijheid van meningsuiting op.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0184"><P>Ik wijs er met name op dat richtlijn 2000/31 de gebruikers geen enkele waarborg biedt, zoals een procedure voor <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0430" REF.END="QE0430"/>tegenkennisgeving<QUOT.END REF.START="QS0430" CODE="201D" ID="QE0430"/>, om het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0431" REF.END="QE0431"/>onnodig verwijderen<QUOT.END REF.START="QS0431" CODE="201D" ID="QE0431"/> van hun informatie te betwisten. In overweging 46 van die richtlijn wordt enkel vermeld dat de lidstaten <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0432" REF.END="QE0432"/>specifieke eisen [kunnen] stellen waaraan onverwijld dient te worden voldaan eer er informatie wordt verwijderd of ontoegankelijk wordt gemaakt<QUOT.END REF.START="QS0432" CODE="201D" ID="QE0432"/>.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0190"><NO.P>190.</NO.P><TXT>Om die redenen kan, zoals de verwijzende rechter aanvoert, het inbreukmakende karakter van informatie slechts worden geacht <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0433" REF.END="QE0433"/>duidelijk te blijken<QUOT.END REF.START="QS0433" CODE="201D" ID="QE0433"/> in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 wanneer de betrokken dienstverlener een kennisgeving heeft ontvangen met daarin elementen op grond waarvan een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0434" REF.END="QE0434"/>behoedzame marktdeelnemer<QUOT.END REF.START="QS0434" CODE="201D" ID="QE0434"/> in zijn situatie dat inbreukmakende karakter gemakkelijk en zonder diepgaand juridisch en materieel onderzoek kan vaststellen. Meer specifiek dient die kennisgeving het beschermde werk te identificeren, de verweten inbreuk te omschrijven en voldoende duidelijke aanwijzingen te bevatten met betrekking tot de rechten die het slachtoffer stelt te hebben op het werk. Ik voeg daaraan toe dat wanneer niet meteen kan worden uitgesloten dat er een beperking geldt, de kennisgeving een redelijke uitleg dient te bevatten waarom er geen beperkingen kunnen worden toegepast. Mijns inziens kan het in de vorige punten genoemde risico dat de als tussenpersoon optredende dienstverleners transformeren in een scheidsrechter voor de wettigheidsbeoordeling op internet en dat informatie <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0435" REF.END="QE0435"/>onnodig wordt verwijderd<QUOT.END REF.START="QS0435" CODE="201D" ID="QE0435"/>, enkel bij een dergelijke uitlegging worden vermeden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0185"><P>Zie in die zin Riordan, J., op. cit., blz. 406. Over het algemeen hangt het antwoord op de vraag of de aan een dienstverlener ter kennis gebrachte <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0436" REF.END="QE0436"/>feiten en omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0436" CODE="201D" ID="QE0436"/> volstonden om hem <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0437" REF.END="QE0437"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0437" CODE="201D" ID="QE0437"/> te doen krijgen van onwettige informatie in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31, af van het geheel van omstandigheden van elk geval, met name van de nauwkeurigheid van de kennisgeving, de complexiteit van de analyse de nodig is om het onwettige karakter van die informatie te begrijpen en de middelen waarover die dienstverlener beschikt. Dat geldt ook met betrekking tot de vraag of de dienstverlener <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0438" REF.END="QE0438"/>prompt<QUOT.END REF.START="QS0438" CODE="201D" ID="QE0438"/> heeft gehandeld in de zin van artikel 14, lid 1, onder b), van die richtlijn.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0191"><NO.P>191.</NO.P><TXT>Nu dit duidelijk is, dienen ten slotte nog twee zaken te worden gepreciseerd. In de eerste plaats bestaat er volgens mij een geval waarin een dienstverlener zich niet kan verbergen achter het feit dat hij niet daadwerkelijk <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0439" REF.END="QE0439"/>kennis<QUOT.END REF.START="QS0439" CODE="201D" ID="QE0439"/> of <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0440" REF.END="QE0440"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0440" CODE="201D" ID="QE0440"/> had van concrete onwettige informatie<?PAGE NO="52"?> waarvoor hij ter verantwoording wordt geroepen, en waarin een algemene en abstracte kennis van het feit dat hij onwettige informatie opslaat en dat zijn servers voor onwettige activiteiten worden gebruikt, dient te volstaan. Het betreft het geval waarin die dienstverlener <HT TYPE="ITALIC">welbewust</HT> onwettige handelingen van de gebruikers van zijn dienst <HT TYPE="ITALIC">faciliteert</HT>. Wanneer uit objectieve elementen de kwade trouw van die dienstverlener blijkt<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0186"><P>Voor die vraag verwijs ik de lezer naar de punten 120‑131 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE>, verliest hij volgens mij het voordeel van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0187"><P>Mijns inziens is het immers ondenkbaar dat bijvoorbeeld de exploitanten van het platform The Pirate Bay zich op artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 kunnen beroepen om te ontsnappen aan hun secundaire aansprakelijkheid naar nationaal recht voor de op dat platform opgeslagen informatie. Zoals de Franse regering aanvoert, is die bepaling bedoeld om de dienstverleners te beschermen die in het algemeen te goeder trouw zijn, niet degenen die juist de intentie hebben inbreuken op het auteursrecht te faciliteren.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0192"><NO.P>192.</NO.P><TXT>In de tweede plaats betogen Peterson en Elsevier dat wanneer een dienstverlener een voldoende nauwkeurige en onderbouwde kennisgeving met betrekking tot onwettige informatie heeft ontvangen, artikel 14, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/31 van die dienstverlener niet alleen verlangt dat hij de informatie verwijdert of ontoegankelijk maakt, maar ook dat hij de nodige maatregelen treft om die informatie te <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0441" REF.END="QE0441"/>blokkeren<QUOT.END REF.START="QS0441" CODE="201D" ID="QE0441"/>, dat wil zeggen te verhinderen dat zij <HT TYPE="ITALIC">opnieuw online wordt geplaatst</HT>. Met andere woorden wordt een dienstverlener in het geval hij een dergelijke kennisgeving ontvangt, niet alleen geacht <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0442" REF.END="QE0442"/>besef<QUOT.END REF.START="QS0442" CODE="201D" ID="QE0442"/> te hebben van de informatie die op dat ogenblik op zijn servers staat, maar eveneens van alle potentiële toekomstige uploads van diezelfde informatie zonder dat een nieuwe kennisgeving voor elk van die uploads is vereist.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0193"><NO.P>193.</NO.P><TXT>Dienaangaande wijzen de rechthebbenden er regelmatig op dat informatie die ter kennis is gebracht en door een dienstverlener is verwijderd, vaak kort daarna opnieuw online wordt geplaatst. Zij zouden dan ook permanent moeten toezien op alle websites waarop mogelijkerwijze werken van hen worden gehost, en een veelvoud aan kennisgevingen moeten indienen. De door die rechthebbenden gesuggereerde oplossing voor het probleem is om artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 aldus uit te leggen dat het niet alleen de basis vormt voor een mechanisme van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0443" REF.END="QE0443"/>kennisgeving en verwijdering<QUOT.END REF.START="QS0443" CODE="201D" ID="QE0443"/> (<HT TYPE="ITALIC">notice and</HT> take <HT TYPE="ITALIC">down</HT>), maar ook voor een mechanisme van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0444" REF.END="QE0444"/>kennisgeving en blokkering<QUOT.END REF.START="QS0444" CODE="201D" ID="QE0444"/> (<HT TYPE="ITALIC">notice and</HT> stay <HT TYPE="ITALIC">down</HT>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0194"><NO.P>194.</NO.P><TXT>Mijns inziens zou de draagwijdte van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 aanzienlijk worden gewijzigd wanneer die bepaling een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0445" REF.END="QE0445"/><HT TYPE="ITALIC">stay down</HT>”-verplichting<QUOT.END REF.START="QS0445" CODE="201D" ID="QE0445"/> zou omvatten. De verwijdering van informatie behelst dat de dienstverlener (behoedzaam) dient te reageren op een kennisgeving. De blokkering van informatie vereist daarentegen dat technologie wordt ontwikkeld om de informatie die hij opslaat, te filteren. In dat kader dient niet alleen te worden verhinderd dat een bepaald computerbestand opnieuw online wordt geplaatst, maar geldt dat ook voor elk bestand <HT TYPE="ITALIC">met een overeenstemmende inhoud</HT>. Ongeacht het feit dat bepaalde dienstverleners, waaronder schijnbaar YouTube, over technologie beschikken die een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0446" REF.END="QE0446"/><HT TYPE="ITALIC">stay down</HT><QUOT.END REF.START="QS0446" CODE="201D" ID="QE0446"/>-aanpak mogelijk maakt en die technologie vrijwillig implementeren, lijkt het mij moeilijk om aan de hand van een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0447" REF.END="QE0447"/>dynamische<QUOT.END REF.START="QS0447" CODE="201D" ID="QE0447"/> uitlegging een dergelijke verplichting in die bepaling te lezen, en dus op te leggen aan om het even welke dienstverlener, met inbegrip van dienstverleners die niet over de nodige middelen beschikken om een dergelijke technologie te implementeren.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0188"><P>Artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 bevat wel een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0448" REF.END="QE0448"/><HT TYPE="ITALIC">stay down</HT><QUOT.END REF.START="QS0448" CODE="201D" ID="QE0448"/>-verplichting. Ik wijs er echter op dat de wetgever in een uitzondering heeft voorzien voor <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0449" REF.END="QE0449"/>kleine<QUOT.END REF.START="QS0449" CODE="201D" ID="QE0449"/> dienstverleners die niet over de nodige middelen of technologie beschikken om een dergelijke verplichting te implementeren.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="53"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0195"><NO.P>195.</NO.P><TXT>Daarentegen kan een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0450" REF.END="QE0450"/><HT TYPE="ITALIC">stay down</HT><QUOT.END REF.START="QS0450" CODE="201D" ID="QE0450"/>-verplichting mijns inziens onder de voorwaarden die ik in het kader van mijn analyse van de vierde vragen zal preciseren, aan bepaalde dienstverleners, met name afhankelijk van hun mogelijkheden, worden opgelegd in het kader van een rechterlijk bevel overeenkomstig artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0196"><NO.P>196.</NO.P><TXT>In het licht van een en ander geef ik het Hof in overweging op de derde vragen te antwoorden dat artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 aldus moet worden uitgelegd dat de erin bedoelde gevallen, te weten het geval waarin een dienstverlener <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0451" REF.END="QE0451"/>daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie<QUOT.END REF.START="QS0451" CODE="201D" ID="QE0451"/> en dat waarin een dergelijke dienstverlener <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0452" REF.END="QE0452"/>kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt<QUOT.END REF.START="QS0452" CODE="201D" ID="QE0452"/>, in beginsel verwijzen naar concrete onwettige informatie.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">D.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Voorwaarden waaronder overeenkomstig artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 om een bevel tegen een tussenpersoon kan worden verzocht (vierde vragen)</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0197"><NO.P>197.</NO.P><TXT>Indien het Hof zou oordelen dat platformexploitanten als YouTube en Cyando zich kunnen beroepen op artikel 14 van richtlijn 2000/31, zijn zij vrijgesteld van elke aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit bestanden die zij op verzoek van de gebruikers van hun platformen opslaan, mits zij voldoen aan de in lid 1 van dat artikel opgenomen voorwaarden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0198"><NO.P>198.</NO.P><TXT>Zoals in lid 3 ervan wordt gepreciseerd, doet dat artikel evenwel <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0453" REF.END="QE0453"/>geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een rechtbank of een administratieve autoriteit om in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaat te eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of voorkomt<QUOT.END REF.START="QS0453" CODE="201D" ID="QE0453"/>. Dat artikel belet met andere woorden niet dat een dienstverlener met name een <HT TYPE="ITALIC">rechterlijk bevel</HT> wordt opgelegd, zelfs indien hij aan die voorwaarden voldoet.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0189"><P>Zie ook overweging 45 van richtlijn 2000/31.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0199"><NO.P>199.</NO.P><TXT>Dienaangaande dienen de lidstaten op grond van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 ervoor te zorgen dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0454" REF.END="QE0454"/>de rechthebbenden kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten<QUOT.END REF.START="QS0454" CODE="201D" ID="QE0454"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0190"><P>Die verplichting is eveneens opgenomen in artikel 11, derde zin, van richtlijn 2004/48, die van toepassing is op inbreuken op verschillende intellectuele-eigendomsrechten, waaronder het auteursrecht (zie artikel 2, lid 1, van die richtlijn). Overeenkomstig die bepaling is zij evenwel van toepassing <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0455" REF.END="QE0455"/>onverminderd<QUOT.END REF.START="QS0455" CODE="201D" ID="QE0455"/> artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29. Aangezien artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 en artikel 11, derde zin, van richtlijn 2004/48 vrijwel identiek zijn geformuleerd en die richtlijnen dezelfde doelstelling van een hoge mate van bescherming van de intellectuele eigendom nastreven (zie overweging 9 van eerstgenoemde richtlijn en overweging 10 van laatstgenoemde richtlijn), dienen die bepalingen volgens mij hoe dan ook op dezelfde manier te worden uitgelegd.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0200"><NO.P>200.</NO.P><TXT>Met zijn <HT TYPE="ITALIC">vierde vragen</HT> verzoekt het Bundesgerichtshof het Hof de voorwaarden te preciseren waaronder de rechthebbenden om een dergelijk bevel kunnen verzoeken overeenkomstig artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0201"><NO.P>201.</NO.P><TXT>Die rechter vraagt zich meer bepaald af of zijn rechtspraak verenigbaar is met het Unierecht. Volgens die rechtspraak wordt aan dat artikel 8, lid 3, in het Duitse recht uitvoering gegeven via de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0456" REF.END="QE0456"/>aansprakelijkheid van de verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0456" CODE="201D" ID="QE0456"/> (<HT TYPE="ITALIC">Störerhaftung</HT>), een vorm van indirecte aansprakelijkheid die reeds lang bestaat. Dat instituut houdt in dat in het geval van een inbreuk op een absoluut recht als een intellectuele-eigendomsrecht degene die, zonder dat hij de inbreuk zelf begaat of daaraan medeplichtig is, op de een of andere manier welbewust aan die inbreuk bijdraagt, waarbij er tussen hem en die inbreuk sprake is van een adequaat causaal verband, kan worden vervolgd in zijn hoedanigheid van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0457" REF.END="QE0457"/>verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0457" CODE="201D" ID="QE0457"/> (<HT TYPE="ITALIC">Störer</HT>). In dat kader kan het volstaan dat de betrokken<?PAGE NO="54"?> persoon op eigen gezag het gedrag van de derde die de inbreuk pleegt, steunt of ervan gebruikmaakt indien die persoon juridisch en materieel de mogelijkheid had om deze inbreuk te voorkomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0191"><P>Op grond van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0458" REF.END="QE0458"/>aansprakelijkheid van de verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0458" CODE="201D" ID="QE0458"/> kan een rechterlijk bevel worden verkregen. Anders dan de primaire aansprakelijkheid van degene die een inbreuk begaat en de in § 830 BGB opgenomen aansprakelijkheid van degene die daaraan medeplichtig is, vormt zij derhalve geen grond voor de toekenning van schadevergoeding.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0202"><NO.P>202.</NO.P><TXT>Om de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0459" REF.END="QE0459"/>aansprakelijkheid van de verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0459" CODE="201D" ID="QE0459"/> niet al te veel uit te breiden naar personen die de inbreuken niet zelf hebben gepleegd, noch daaraan medeplichtig zijn, <HT TYPE="ITALIC">vooronderstelt</HT> die aansprakelijkheid, zoals de verwijzende rechter verduidelijkt, <HT TYPE="ITALIC">de niet-nakoming van gedragsverplichtingen</HT>. De omvang van die verplichtingen hangt af van de vraag of – en in voorkomend geval in welke mate –, in het licht van de omstandigheden, van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0460" REF.END="QE0460"/>verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0460" CODE="201D" ID="QE0460"/> redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij derden controleert of in de gaten houdt teneinde dergelijke inbreuken te voorkomen. Dat dient voor elk geval afzonderlijk te worden vastgesteld, rekening houdend met de rol en de taken van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0461" REF.END="QE0461"/>verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0461" CODE="201D" ID="QE0461"/> en met de persoonlijke aansprakelijkheid van degenen die deze inbreuken hebben gepleegd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0203"><NO.P>203.</NO.P><TXT>In die context kan een als tussenpersoon optredende dienstverlener die de door de gebruikers van zijn dienst verstrekte informatie opslaat, in zijn hoedanigheid van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0462" REF.END="QE0462"/>verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0462" CODE="201D" ID="QE0462"/> worden vervolgd en kan op grond daarvan tegen hem een bevel tot staking worden uitgevaardigd wanneer hij, <HT TYPE="ITALIC">ten eerste</HT>, een voldoende nauwkeurige en onderbouwde kennisgeving heeft ontvangen met betrekking tot concrete onwettige informatie en er, <HT TYPE="ITALIC">ten tweede</HT>, sprake is van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0463" REF.END="QE0463"/>recidive<QUOT.END REF.START="QS0463" CODE="201D" ID="QE0463"/> omdat die dienstverlener ofwel niet prompt heeft gehandeld om de betrokken informatie te verwijderen of ontoegankelijk te maken, ofwel niet de nodige maatregelen heeft getroffen om te beletten dat die informatie opnieuw online zou worden geplaatst.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0192"><P>Zie met name Bundesgerichtshof, arresten van <DATE ISO="20120726">26 juli 2012</DATE>, I ZR 18/11, GRUR 2013, 370 – Alone in the Dark, en <DATE ISO="20150319">19 maart 2015</DATE>, I ZR 94/13, GRUR 2015 1129 – Hotelbewertungsportal. Overeenkomstig de rechtspraak van die rechterlijke instantie zijn exploitanten als YouTube en Cyando in het algemeen niet rechtstreeks voor inbreuken op het auteursrecht via hun platformen aansprakelijk aangezien zij niet de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0464" REF.END="QE0464"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0464" CODE="201D" ID="QE0464"/> verrichten van de werken die op die platformen online worden geplaatst. Die exploitanten worden in beginsel evenmin als medeplichtigen aan die inbreuken in de zin van § 830 BGB aansprakelijk gesteld aangezien voor een veroordeling op grond daarvan opzet en kennis met betrekking tot een concrete inbreuk dient te worden aangetoond (zie mijn analyse van de vijfde en de zesde prejudiciële vragen). Die rechter regelt het gedrag van dergelijke exploitanten dus in essentie via bevelen die op de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0465" REF.END="QE0465"/>aansprakelijkheid van de verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0465" CODE="201D" ID="QE0465"/> zijn gebaseerd. In de zaken in de hoofdgedingen hebben de appelrechters YouTube en Cyando aldus veroordeeld in hun hoedanigheid van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0466" REF.END="QE0466"/>verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0466" CODE="201D" ID="QE0466"/> op grond dat zij hun gedragsverplichtingen niet waren nagekomen.</P></NOTE> Derhalve kunnen de rechthebbenden niet reeds om een bevel tegen een tussenpersoon verzoeken vanaf het moment dat een inbreuk op hun rechten is gepleegd door een gebruiker van diens diensten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0204"><NO.P>204.</NO.P><TXT>In wezen dient te worden nagegaan of artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 zich ertegen verzet dat aan de mogelijkheid voor de rechthebbenden om te verzoeken om een bevel tegen een tussenpersoon, de voorwaarde wordt verbonden dat er van zulke recidive sprake is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0205"><NO.P>205.</NO.P><TXT>De verwijzende rechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Google, Cyando en de Duitse en de Finse regering delen dat standpunt. Persoonlijk ben ik net als Peterson, Elsevier, de Franse regering en de Commissie veeleer van mening dat artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 zich inderdaad tegen die voorwaarde verzet.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0206"><NO.P>206.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Allereerst</HT> breng ik in herinnering dat dit artikel 8, lid 3, aan rechthebbenden het recht toekent om te verzoeken om een bevel tegen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0467" REF.END="QE0467"/>tussenpersonen<QUOT.END REF.START="QS0467" CODE="201D" ID="QE0467"/> <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0468" REF.END="QE0468"/>wier diensten door een derde worden gebruikt<QUOT.END REF.START="QS0468" CODE="201D" ID="QE0468"/> om <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0469" REF.END="QE0469"/>inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten<QUOT.END REF.START="QS0469" CODE="201D" ID="QE0469"/>. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof is elke dienstverlener die een dienst levert die door een derde zou kunnen worden gebruikt om inbreuk te maken op een dergelijk<?PAGE NO="55"?> intellectuele-eigendomsrecht, een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0470" REF.END="QE0470"/>tussenpersoon<QUOT.END REF.START="QS0470" CODE="201D" ID="QE0470"/> in de zin van die bepaling.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0193"><P>Zie naar analogie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160707">7 juli 2016</DATE>, <NAME.CASE>Tommy Hilfiger Licensing e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑494/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:528">EU:C:2016:528</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0023">23</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> Dat geldt onmiskenbaar voor YouTube en Cyando. Hun diensten worden <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0471" REF.END="QE0471"/>door een derde [...] gebruikt<QUOT.END REF.START="QS0471" CODE="201D" ID="QE0471"/> om <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0472" REF.END="QE0472"/>inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten<QUOT.END REF.START="QS0472" CODE="201D" ID="QE0472"/> telkens wanneer een van hun gebruikers via hun platform illegaal een beschermd werk online plaatst.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0207"><NO.P>207.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Vervolgens</HT> wordt in overweging 59 van richtlijn 2001/29 weliswaar aangegeven dat de voorwaarden en nadere bepalingen met betrekking tot een dergelijk bevel in beginsel aan het nationale recht van de lidstaten worden overgelaten, maar betekent dat eenvoudigweg dat die lidstaten dienaangaande over een beoordelingsmarge beschikken. Die voorwaarden en procedures moeten hoe dan ook zo worden ingericht dat het in artikel 8, lid 3, van die richtlijn nagestreefde doel wordt bereikt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0194"><P>Zie arrest L’Oréal/eBay, punt 136.</P></NOTE> De lidstaten mogen van deze beoordelingsmarge derhalve geen gebruikmaken om de omvang, en dus het wezen, van het recht dat die bepaling aan rechthebbenden toekent te wijzigen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0208"><NO.P>208.</NO.P><TXT>In die context merk ik op dat de mogelijkheid voor rechthebbenden om een bevel tegen een als tussenpersoon optredende dienstverlener te verkrijgen overeenkomstig de voorwaarden voor de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0473" REF.END="QE0473"/>aansprakelijkheid van de verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0473" CODE="201D" ID="QE0473"/>, afhankelijk is van het gedrag van die verstoorder. Zoals ik heb aangegeven, is een bevel dat op grond van dat instituut wordt uitgevaardigd, een bevel tot <HT TYPE="ITALIC">staking</HT>. Het houdt in dat die dienstverlener niet heeft voldaan aan bepaalde <HT TYPE="ITALIC">gedragsverplichtingen</HT><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0195"><P>Overeenkomstig de rechtspraak van het Bundesgerichtshof weerspiegelen de specifieke gedragsverplichtingen van dienstverleners die een activiteit verrichten die met name bestaat in het hosten van door derden verstrekte bestanden, de in artikel 14, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/31 opgenomen voorwaarde. Naar mijn begrip gaan die verplichtingen evenwel verder dan hetgeen in die bepaling is opgenomen: die rechterlijke instantie verlangt niet alleen dat de dienstverlener de hem ter kennis gebrachte informatie verwijdert maar ook dat hij deze blokkeert in een logica van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0474" REF.END="QE0474"/><HT TYPE="ITALIC">stay down</HT><QUOT.END REF.START="QS0474" CODE="201D" ID="QE0474"/>.</P></NOTE> en maakt het mogelijk om voor de rechter de gedwongen tenuitvoerlegging van die verplichtingen te bekomen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0209"><NO.P>209.</NO.P><TXT>In artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 wordt evenwel een andere logica gevolgd. Anders dan de in lid 2 van dat artikel bedoelde bevelen tegen inbreukmakers, zijn de in lid 3 ervan bedoelde bevelen tegen tussenpersonen <HT TYPE="ITALIC">niet (uitsluitend) bedoeld om een einde te maken aan bepaalde laakbare gedragingen</HT> van hun kant. Zelfs tussenpersonen die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0475" REF.END="QE0475"/>onschuldig<QUOT.END REF.START="QS0475" CODE="201D" ID="QE0475"/> zijn, in die zin dat zij in het algemeen aan al de verplichtingen voldoen die de wet hun oplegt, vallen onder die bepaling. Op grond van die bepaling kunnen rechthebbenden van hen verlangen dat zij zich harder inspannen voor de strijd tegen de door de gebruikers van hun diensten gepleegde inbreuken op het auteursrecht op grond dat zij in het algemeen het best in staat zijn om aan die inbreuken een einde te maken. Met het oog daarop kunnen op grond van die bepaling aan die tussenpersonen <HT TYPE="ITALIC">nieuwe verplichtingen</HT> worden opgelegd bij wege van rechterlijke bevelen. Al met al gaat het om een vorm van gedwongen samenwerking.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0196"><P>Zie overweging 59 van richtlijn 2001/29, en Husovec, op. cit., blz. XV, XVI, 8 en 10‑13. Mijns inziens rechtvaardigt het feit dat de tussenpersonen in zekere mate financieel voordeel uit het onrechtmatige gebruik van hun diensten halen, eveneens dat dergelijke bevelen moeten kunnen worden uitgevaardigd tegen hen.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0210"><NO.P>210.</NO.P><TXT>Dat verschil in logica is mogelijk niet als zodanig problematisch. Zoals ik heb aangegeven, telt enkel het door de lidstaten bereikte resultaat, niet de wijze waarop artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 door hen wordt uitgevoerd. Absoluut gesproken is daarbij het enige dat telt dat de rechthebbenden een bevel kunnen krijgen om de tussenpersonen te doen handelen op een wijze die hun belangen beschermt. Het doet er niet toe of dat bevel vanuit theoretisch oogpunt zo wordt voorgesteld dat daarmee reeds bestaande gedragsverplichtingen worden gesanctioneerd, dan wel dat nieuwe gedragsverplichtingen worden opgelegd.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="56"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0211"><NO.P>211.</NO.P><TXT>Indien aan de uitvaardiging van een dergelijk bevel de voorwaarde wordt verbonden dat de tussenpersoon niet heeft voldaan aan reeds bestaande gedragsverplichtingen, wordt het in artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 aan rechthebbenden toegekende recht evenwel <HT TYPE="ITALIC">uitgesteld en derhalve beperkt</HT>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0197"><P>Zie in dezelfde zin Nordemann, J. B., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0476" REF.END="QE0476"/>Liability for Copyright Infringements on the Internet: Host Providers (Content Providers) – The German Approach<QUOT.END REF.START="QS0476" CODE="201D" ID="QE0476"/>, <HT TYPE="ITALIC">Journal of Intellectual Property, Information Technology and Electronic Commerce Law</HT>, deel 2, nr. 1, 2011, blz. 40.</P></NOTE> Zoals Peterson aanvoert, kunnen zij in de praktijk slechts om een bevel tegen een tussenpersoon verzoeken wanneer er een eerste keer sprake is geweest van onwettige informatie waarvan die tussenpersoon naar behoren in kennis is gesteld (kennisgeving die resulteert in gedragsverplichtingen) en de inbreuk bovendien opnieuw heeft plaatsgevonden (waardoor de tussenpersoon wordt geacht niet aan die verplichtingen te hebben voldaan).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0212"><NO.P>212.</NO.P><TXT>Een rechthebbende moet mijns inziens evenwel om een dergelijk bevel kunnen verzoeken zodra het vaststaat dat derden via de dienst van de tussenpersoon op zijn rechten inbreuk maken, zonder te hoeven wachten op een nieuwe inbreuk en zonder onrechtmatig handelen van de tussenpersoon te hoeven aantonen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0198"><P>Zie in dezelfde zin mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van <DATE ISO="20171129">29 november 2017</DATE>, richtsnoeren inzake bepaalde aspecten van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten [COM(2017) 708 final], blz. 18: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0477" REF.END="QE0477"/>[D]e bevoegde rechterlijke instanties [mogen] aan de uitvaardiging van een bevel niet de voorwaarde verbinden dat de verzoeker bewijs levert voor de directe of indirecte aansprakelijkheid van de tussenpersoon voor een (vermeende) inbreuk.<QUOT.END REF.START="QS0477" CODE="201D" ID="QE0477"/></P></NOTE> Ik wijs erop dat artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 zich mijns inziens niet verzet tegen de regels van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0478" REF.END="QE0478"/>aansprakelijkheid van de verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0478" CODE="201D" ID="QE0478"/> als zodanig. Die bepaling verzet zich veeleer tegen het feit dat de rechthebbenden niet beschikken over een andere rechtsgrondslag in het Duitse recht op grond waarvan zij in die omstandigheden om een bevel tegen een tussenpersoon kunnen verzoeken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0213"><NO.P>213.</NO.P><TXT>Aan die uitlegging wordt in mijn ogen niet afgedaan door het door de verwijzende rechter naar voren gebrachte en door Google, Cyando en de Finse regering overgenomen argument dat de mogelijkheid voor rechthebbenden om, zelfs vóór er sprake is van een nieuwe inbreuk, overeenkomstig artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 om een bevel tegen een tussenpersoon te verzoeken, zou inhouden dat aan die tussenpersoon een met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 strijdige algemene toezichtverplichting en verplichting om actief te zoeken wordt opgelegd. Volgens hen zou een dergelijke mogelijkheid meebrengen dat de tussenpersoon, zelfs vóór hij een voldoende nauwkeurige en onderbouwde kennisgeving heeft ontvangen, de betrokken informatie had moeten verwijderen en het opnieuw online plaatsen ervan had moeten blokkeren, waardoor hij zou moeten toezien op zijn servers en actief en in algemene zin zou moeten zoeken naar onwettige informatie die daar mogelijk op staat.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0214"><NO.P>214.</NO.P><TXT>Uit de door mij voorgestelde uitlegging kan geen dergelijk gevolg worden getrokken. Het feit dat rechthebbenden in een bepaald geval om een bevel tegen een tussenpersoon kunnen verzoeken, houdt niet in dat die tussenpersoon noodzakelijkerwijs op een bepaalde manier moest handelen <HT TYPE="ITALIC">vóór</HT> de uitvaardiging van dat bevel. Ik herhaal nogmaals dat de in artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 bedoelde bevelen in beginsel niet tot doel hebben om tussenpersonen die niet hebben voldaan aan reeds bestaande zorgvuldigheidseisen te sanctioneren, maar om aan hen nieuwe, voor de toekomst geldende verplichtingen op te leggen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0215"><NO.P>215.</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Ten slotte</HT> ben ik er mij zeer wel van bewust dat de aan de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0479" REF.END="QE0479"/>aansprakelijkheid van de verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0479" CODE="201D" ID="QE0479"/> verbonden voorwaarde dat de tussenpersoon niet heeft voldaan aan gedragsverplichtingen tot doel heeft, zoals de verwijzende rechter heeft aangegeven, om de kring van personen tegen wie een bevel kan worden uitgevaardigd, te beperken. De door mij voorgestelde uitlegging houdt evenwel niet in dat de rechthebbenden zouden moeten kunnen verzoeken om welk bevel ook tegen om het even welke als tussenpersoon optredende<?PAGE NO="57"?> dienstverlener. Mijns inziens dienen de nationale rechters het evenredigheidsbeginsel toe te passen ter bepaling van de omvang van de verplichtingen die redelijkerwijs aan een bepaalde dienstverlener, met name gelet op diens positie ten aanzien van de betrokken inbreuken op het auteursrecht, kunnen worden opgelegd. In bepaalde gevallen kan een dienstverlener te ver van die inbreuken af staan om in dat verband nog redelijkerwijs diens medewerking te kunnen verlangen. Hoe dan ook is die kwestie in casu niet aan de orde. Exploitanten als YouTube en Cyando staan immers dicht bij de door de gebruikers van hun platformen gepleegde inbreuken, gelet op het feit dat zij de betrokken bestanden op hun servers opslaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0216"><NO.P>216.</NO.P><TXT>Partijen in de hoofdgedingen hebben voor het Hof ook de kwestie aan de orde gesteld van de reikwijdte van de bevelen die tegen tussenpersonen kunnen worden uitgevaardigd – waarbij de rechtspraak van het Bundesgerichtshof in dat verband volgens de rechthebbenden niet ver genoeg gaat maar volgens de platformexploitanten daarentegen verder gaat dan hetgeen het Unierecht toestaat. Omdat die kwestie door de verwijzende rechter weliswaar niet aan het Hof is voorgelegd, maar wel nauw verbonden is met de in de onderhavige zaken algemeen opgeworpen kwesties, zal ik er enkele korte opmerkingen over formuleren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0217"><NO.P>217.</NO.P><TXT>Het Hof heeft reeds verduidelijkt dat een tussenpersoon op grond van een krachtens artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 uitgevaardigd bevel kan worden gelast maatregelen te treffen om niet alleen inbreuken op het auteursrecht die door de gebruikers van zijn dienst worden gepleegd te <HT TYPE="ITALIC">beëindigen</HT>, maar ook nieuwe inbreuken van die aard te <HT TYPE="ITALIC">voorkomen</HT>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0199"><P>Zie naar analogie arrest L’Oréal/eBay, punt 131.</P></NOTE> De maatregelen die hem in het kader van een dergelijk bevel kunnen worden opgelegd, dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn, moeten een passend evenwicht tussen de verschillende betrokken rechten en belangen verzekeren en mogen geen belemmeringen voor het rechtmatige gebruik van de dienst scheppen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0200"><P>Zie artikel 3 van richtlijn 2004/48 en naar analogie arrest L’Oréal/eBay, punten 140‑144. Ik wijs erop dat die richtlijn eveneens geldt op het gebied van het auteursrecht. Derhalve dient in het kader van een krachtens artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 uitgevaardigd bevel te worden voldaan aan de in de algemene bepalingen ervan gestelde eisen.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0218"><NO.P>218.</NO.P><TXT>Voorts dienen in het kader van die maatregelen de in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 neergelegde beperkingen in acht te worden genomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0201"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120216">16 februari 2012</DATE>, <NAME.CASE>SABAM</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑360/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:85">EU:C:2012:85</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0031">31</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0033">33</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> In casu rijst met name de vraag of een exploitant op grond van een bevel kan worden gelast, en in voorkomend geval in hoeverre, om illegale uploads van beschermde werken naar zijn platform te detecteren en te blokkeren. Zoals ik heb aangegeven<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0202"><P>Zie punt 194 van de onderhavige conclusie.</P></NOTE>, zal dat doorgaans vereisen dat de dienstverlener gebruikmaakt van technologie om de informatie die hij opslaat te filteren. De vraag rijst dus of een dergelijk bevel noodzakelijkerwijs dient te worden geacht een door die bepaling verboden algemene toezichtverplichting en een verplichting om actief te zoeken in te houden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0219"><NO.P>219.</NO.P><TXT>Wat dat punt betreft, merk ik op dat het Hof enerzijds in het arrest SABAM<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0203"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120216">16 februari 2012</DATE> (<NO.CASE>C‑360/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:85">EU:C:2012:85</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0035">35</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> heeft geoordeeld dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 zich ertegen verzet dat de exploitant van een sociaalnetwerksite wordt verplicht voor de op verzoek van de gebruikers van zijn dienst opgeslagen informatie een filtersysteem te installeren dat zonder onderscheid op al die gebruikers wordt toegepast, preventief werkt, uitsluitend door hem wordt bekostigd, en geen beperking in de tijd kent, waarmee bestanden kunnen worden geïdentificeerd die werken bevatten waarvan de verzoekende partij bepaalde intellectuele-eigendomsrechten bezit, zodat kan worden voorkomen dat die werken ter beschikking van het publiek worden gesteld. Het Hof<?PAGE NO="58"?> heeft eveneens belang gehecht aan het feit dat een dergelijke maatregel voor die exploitant zou inhouden dat hij toezicht zou moeten houden op alle of het grootste deel van de door hem opgeslagen informatie, en dat deze maatregel elke toekomstige inbreuk beoogde en meebracht dat niet alleen bestaande werken moesten worden beschermd, maar ook werken die nog niet waren tot stand gebracht op het moment waarop dat systeem werd geïnstalleerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0220"><NO.P>220.</NO.P><TXT>Anderzijds heeft het Hof in het arrest Glawischnig-Piesczek<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0204"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191003">3 oktober 2019</DATE> (<NO.CASE>C‑18/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:821">EU:C:2019:821</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0033">33</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0047">47</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, dat betrekking had op de problematiek van de aantasting van de eer van personen, geoordeeld dat een bevel een als tussenpersoon optredende dienstverlener kan gelasten <HT TYPE="ITALIC">specifieke informatie</HT> te detecteren en te blokkeren waarvan de inhoud is onderzocht en beoordeeld door een rechterlijke instantie die deze informatie na afloop van haar beoordeling onwettig heeft verklaard. Een rechterlijke instantie kan aldus van de dienstverlener verlangen dat hij de toegang tot daarmee <HT TYPE="ITALIC">identieke informatie</HT> blokkeert, ongeacht welke gebruiker om opslag van die informatie heeft verzocht. Een bevel kan zich zelfs uitstrekken tot <HT TYPE="ITALIC">overeenstemmende informatie</HT>, voor zover die informatie specifieke gegevens bevat die naar behoren in het bevel zijn geïdentificeerd, en de dienstverlener niet verplicht is het lasterlijk karakter ervan autonoom te beoordelen, maar integendeel <HT TYPE="ITALIC">geautomatiseerde technieken en onderzoeksmethoden</HT> kan <HT TYPE="ITALIC">aanwenden</HT>. Volgens het Hof resulteert een dergelijk bevel uitsluitend in <HT TYPE="ITALIC">specifieke</HT> verplichtingen om toezicht uit te oefenen en actief te zoeken die in overeenstemming zijn met artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0205"><P>Zie overweging 47 van richtlijn 2000/31.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0221"><NO.P>221.</NO.P><TXT>Uit die arresten blijkt dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 zich volgens het Hof niet verzet tegen elke detectie- en blokkeringsverplichting. Volgens die bepaling is het weliswaar verboden om een dienstverlener bij bevel te verplichten om de door hem opgeslagen informatie in algemene zin te filteren <HT TYPE="ITALIC">op zoek naar om het even welke inbreuk op een werk</HT><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0206"><P>Zie ook arrest L’Oréal/eBay, punt 139.</P></NOTE>, maar verzet die bepaling zich er niet bij voorbaat tegen dat die dienstverlener wordt verplicht een door een rechterlijke instantie onwettig verklaard <HT TYPE="ITALIC">specifiek bestand</HT> dat gebruikmaakt van een beschermd werk te blokkeren. Naar mijn begrip van de rechtspraak van het Hof verzet die bepaling zich er in dat kader niet tegen dat de dienstverlener niet alleen de met dat bestand <HT TYPE="ITALIC">identieke</HT> kopieën dient te detecteren en te blokkeren, maar ook andere <HT TYPE="ITALIC">overeenstemmende</HT> bestanden, wat mijns inziens bestanden zijn die op dezelfde manier van het betrokken werk gebruikmaken. In zoverre verzet die bepaling zich er dus niet tegen dat een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0480" REF.END="QE0480"/><HT TYPE="ITALIC">stay down</HT><QUOT.END REF.START="QS0480" CODE="201D" ID="QE0480"/>-verplichting aan een als tussenpersoon optredende dienstverlener zou worden opgelegd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0222"><NO.P>222.</NO.P><TXT>Ik wijs er evenwel op dat de maatregelen die in het kader van een bevel ten aanzien van een als tussenpersoon optredende dienstverlener worden getroffen, evenredig dienen te zijn. Om die reden dient rekening te worden gehouden met de middelen waarover die dienstverlener beschikt. Terwijl het relatief eenvoudig lijkt om een bestand te blokkeren dat identiek is met een inbreukmakend verklaard bestand<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0207"><P>Dienaangaande kunnen de kopieën van hetzelfde bestand worden geïdentificeerd met behulp van MD5-filters of <HT TYPE="ITALIC">hash filters</HT>, die courant lijken te zijn.</P></NOTE>, is het met name veel ingewikkelder andere bestanden te detecteren die op dezelfde manier van het betrokken werk gebruikmaken<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0208"><P>Van een cinematografisch werk zijn er bijvoorbeeld tal van variaties mogelijk wat betreft het formaat of de beeldkwaliteit ervan, de duur enz.</P></NOTE>. YouTube beweert weliswaar dat zij daartoe in staat is<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0209"><P>Zodra een referentiebestand voor een werk aan de databank van Content ID wordt toegevoegd, herkent die software volgens de uitleg van Google automatisch (bijna) alle bestanden met dat werk bij het uploaden ervan.</P></NOTE>, maar niet elke dienstverlener beschikt over de<?PAGE NO="59"?> noodzakelijke technologie of middelen om zich daarvan te voorzien.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0210"><P>Volgens de door Google verstrekte informatie heeft zij meer dan 100 miljoen US-dollar (ongeveer 88 miljoen EUR) uitgegeven om Content ID te ontwikkelen.</P></NOTE> Ik herinner er eveneens aan dat de bij bevel opgelegde maatregelen dienen te zorgen voor een juist evenwicht tussen de verschillende betrokken rechten en belangen en geen belemmering mogen vormen voor het rechtmatige gebruik van de dienst. Mijns inziens mag een blokkeringsverplichting met name niet tot doel of gevolg hebben dat de gebruikers van een platform worden verhinderd om wettige content ernaar te uploaden en met name om op een rechtmatige manier van het betrokken werk gebruik te maken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0211"><P>Zie in die zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120216">16 februari 2012</DATE>, <NAME.CASE>SABAM</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑360/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:85">EU:C:2012:85</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0050">50</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Een bevel mag de gebruikers van een platform met name niet beletten om van beschermde werken een gebruik te maken dat valt onder de in artikel 5 van richtlijn 2001/29 opgenomen beperkingen en restricties. Wat een platform als YouTube betreft, gaat het in het bijzonder daarom gebruikers video’s te laten delen die onder de in lid 3, onder d) en k), van dat artikel 5 opgenomen voorwaarden van werken gebruikmaken ten behoeve van kritieken, recensies of parodieën. Met betrekking tot een <HT TYPE="ITALIC">cyberlocker</HT> gaat het er met name om de gebruikers het in artikel 5, lid 2, onder b), van die richtlijn bedoelde recht niet te ontnemen om te kopiëren voor privégebruik (zie op dat punt conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>VCAST</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑265/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:649">EU:C:2017:649</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0023">23</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0028">28</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Het staat aan de nationale rechters om vast te stellen wat redelijkerwijs van de betrokken dienstverlener kan worden verwacht.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0223"><NO.P>223.</NO.P><TXT>In het licht van de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de vierde vragen aldus te beantwoorden dat artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 zich ertegen verzet dat de rechthebbenden pas kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van een dienstverlener wiens dienst, die bestaat in de opslag van door een gebruiker verstrekte informatie, door derden wordt gebruikt om inbreuk te plegen op een auteursrecht of naburige rechten, wanneer er na een aanwijzing van een duidelijke inbreuk op het recht opnieuw een dergelijke inbreuk heeft plaatsgevonden.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">E.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Subsidiair – begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0481" REF.END="QE0481"/>inbreukmaker<QUOT.END REF.START="QS0481" CODE="201D" ID="QE0481"/> in de zin van artikel 13 van richtlijn 2004/48 (vijfde en zesde vragen)</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0224"><NO.P>224.</NO.P><TXT>Het Bundesgerichtshof heeft zijn <HT TYPE="ITALIC">vijfde en zesde vragen</HT> uitsluitend geformuleerd voor het geval dat het Hof zowel de eerste als de tweede vragen ontkennend zou beantwoorden. De verwijzende rechter beoogt dus het geval waarin ten eerste de activiteit van exploitanten als YouTube en Cyando niet onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0482" REF.END="QE0482"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0482" CODE="201D" ID="QE0482"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 valt, en ten tweede die exploitanten niet van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling kunnen gebruikmaken voor de aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit de informatie die zij op verzoek van de gebruikers van hun platformen opslaan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0212"><P>Ik herinner eraan dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 mijns inziens op een samenhangende manier dienen te worden uitgelegd. Meer bepaald dient voor als tussenpersoon optredende dienstverleners die door de gebruikers van hun diensten verstrekte informatie opslaan, de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0483" REF.END="QE0483"/>centrale rol<QUOT.END REF.START="QS0483" CODE="201D" ID="QE0483"/> in de zin van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de eerste bepaling in de praktijk overeen te komen met de in zijn rechtspraak met betrekking tot de tweede bepaling bedoelde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0484" REF.END="QE0484"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0484" CODE="201D" ID="QE0484"/>. Mijn antwoord op de vijfde en de zesde prejudiciële vragen zal dus slechts kort en subsidiair worden geformuleerd.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0225"><NO.P>225.</NO.P><TXT>Met zijn <HT TYPE="ITALIC">vijfde vragen</HT> wenst de rechter te vernemen of die exploitanten in dat geval met name in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48 als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0485" REF.END="QE0485"/>inbreukmakers<QUOT.END REF.START="QS0485" CODE="201D" ID="QE0485"/> dienen te worden beschouwd, omdat zij een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0486" REF.END="QE0486"/>actieve rol<QUOT.END REF.START="QS0486" CODE="201D" ID="QE0486"/> hebben gespeeld ten aanzien van de bestanden met beschermde werken die illegaal door de gebruikers van hun platformen online zijn geplaatst.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0226"><NO.P>226.</NO.P><TXT>Voor het geval die vragen bevestigend worden beantwoord, vraagt die rechter zich met zijn <HT TYPE="ITALIC">zesde vragen</HT> af of de in § 830 BGB opgenomen regels inzake medeplichtigheid verenigbaar zijn met dat artikel 13, lid 1. In tegenstelling tot de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0487" REF.END="QE0487"/>aansprakelijkheid van de verstoorder<QUOT.END REF.START="QS0487" CODE="201D" ID="QE0487"/> biedt die bepaling van het BGB, die voorziet in een vorm van secundaire aansprakelijkheid, het slachtoffer van een inbreuk de mogelijkheid om schadevergoeding te verkrijgen van een persoon die<?PAGE NO="60"?> medeplichtig is aan die inbreuk. Als medeplichtige wordt beschouwd degene die een derde welbewust heeft aangezet om opzettelijk een inbreuk te plegen of die derde bijstand daartoe heeft geboden. Naast de objectieve betrokkenheid bij een concrete inbreuk veronderstelt de aansprakelijkheid van de medeplichtige evenwel een minstens gedeeltelijk opzet met betrekking tot die inbreuk, dat ook dient in te houden dat die medeplichtige besef heeft van die onwettigheid. In de praktijk kan een als tussenpersoon optredende dienstverlener dus enkel als medeplichtige aansprakelijk worden gesteld voor de door de gebruikers van zijn dienst gepleegde <HT TYPE="ITALIC">concrete inbreuken</HT> op het auteursrecht waarvan hij kennis heeft en die hij welbewust heeft gefaciliteerd. De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of het op grond van datzelfde artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48 voor de veroordeling van een als tussenpersoon optredende dienstverlener tot betaling van een schadevergoeding aan de rechthebbenden zou moeten volstaan dat die dienstverlener <HT TYPE="ITALIC">in algemene en abstracte zin</HT> kennis of besef heeft van het feit dat zijn dienst wordt gebruikt om inbreuk op het auteursrecht te maken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0227"><NO.P>227.</NO.P><TXT>Mijns inziens is artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48 gewoonweg niet bedoeld om de voorwaarden te regelen voor de aansprakelijkheid van als tussenpersoon optredende dienstverleners voor de door de gebruikers van hun diensten gepleegde inbreuken op het auteursrecht.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0228"><NO.P>228.</NO.P><TXT>Dienaangaande herinner ik eraan dat die bepaling luidt dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0488" REF.END="QE0488"/>de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de benadeelde partij de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten de rechthebbende een passende vergoeding te betalen tot herstel van de schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden<QUOT.END REF.START="QS0488" CODE="201D" ID="QE0488"/>. In de zin van die bepaling is de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0489" REF.END="QE0489"/>inbreukmaker<QUOT.END REF.START="QS0489" CODE="201D" ID="QE0489"/> dus de persoon die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0490" REF.END="QE0490"/>inbreuk<QUOT.END REF.START="QS0490" CODE="201D" ID="QE0490"/> pleegt, of met andere woorden degene die inbreuk maakt op een intellectuele-eigendomsrecht.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0229"><NO.P>229.</NO.P><TXT>Artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48 heeft evenwel uitsluitend tot doel regels van procedurele aard vast te leggen met betrekking tot de toekenning en de vaststelling van een schadevergoeding wanneer een dergelijke inbreuk is begaan. Die bepaling is niet bedoeld om in een eerder stadium vast te stellen welke intellectuele-eigendomsrechten zijn beschermd, welke handelingen inbreuk op die rechten maken, wie daarvoor ter verantwoording kan worden geroepen en wie de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0491" REF.END="QE0491"/>rechthebbende<QUOT.END REF.START="QS0491" CODE="201D" ID="QE0491"/> is aan wie de schadevergoeding dient te worden betaald. Al die kwesties vallen onder de materiële regels van het recht inzake de intellectuele eigendom.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0213"><P>Zie met name artikel 4 van richtlijn 2004/48, waarin wordt bepaald dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0492" REF.END="QE0492"/>[d]e lidstaten [...] als personen die bevoegd zijn om de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te verzoeken, [zullen] erkennen: a) houders van intellectuele-eigendomsrechten, <HT TYPE="ITALIC">overeenkomstig de bepalingen van het toepasselijk recht</HT><QUOT.END REF.START="QS0492" CODE="201D" ID="QE0492"/> (cursivering van mij). Het kan gaan om zowel in het Unierecht als in het nationale recht opgenomen materiële regels (zie artikel 2, lid 1, van die richtlijn).</P></NOTE> Ik wijs erop dat richtlijn 2004/48 in het algemeen alleen maar bepaalde procedurele aspecten van de intellectuele eigendom harmoniseert, met uitsluiting van dergelijke kwesties van materiële aard.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0214"><P>Zie overweging 15 en artikel 2, lid 3, onder a), van richtlijn 2004/48.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0230"><NO.P>230.</NO.P><TXT>Op het gebied van het auteursrecht zijn de toepasselijke materiële regels met name terug te vinden in richtlijn 2001/29. Een persoon pleegt <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0493" REF.END="QE0493"/>inbreuk<QUOT.END REF.START="QS0493" CODE="201D" ID="QE0493"/> en wordt als gevolg daarvan een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0494" REF.END="QE0494"/>inbreukmaker<QUOT.END REF.START="QS0494" CODE="201D" ID="QE0494"/> wanneer hij een handeling verricht die valt onder een uitsluitend recht dat door die richtlijn aan de auteur wordt toegekend – waarbij die auteur in deze context in beginsel de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0495" REF.END="QE0495"/>rechthebbende<QUOT.END REF.START="QS0495" CODE="201D" ID="QE0495"/> is –zonder voorafgaande toestemming van die auteur en zonder dat er een beperking of restrictie geldt.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="61"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0231"><NO.P>231.</NO.P><TXT>Ik herinner eraan dat de vijfde en de zesde vragen evenwel zijn gebaseerd op de veronderstelling dat exploitanten als YouTube en Cyando geen handelingen bestaande in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0496" REF.END="QE0496"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0496" CODE="201D" ID="QE0496"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verrichten. In dat geval kunnen die exploitanten niet worden beschouwd als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0497" REF.END="QE0497"/>inbreukmakers<QUOT.END REF.START="QS0497" CODE="201D" ID="QE0497"/> die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0498" REF.END="QE0498"/>inbreuk<QUOT.END REF.START="QS0498" CODE="201D" ID="QE0498"/> plegen in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0232"><NO.P>232.</NO.P><TXT>Daarbij zij aangetekend dat richtlijn 2004/48 slechts voor een minimale harmonisatie zorgt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0215"><P>Zie artikel 2, lid 1, van richtlijn 2004/48.</P></NOTE> Zoals de Commissie opmerkt, staat het de lidstaten dus vrij om in hun nationale recht te voorzien in het recht voor rechthebbenden die het slachtoffer zijn van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0499" REF.END="QE0499"/>inbreuken<QUOT.END REF.START="QS0499" CODE="201D" ID="QE0499"/> om schadevergoeding te verkrijgen van andere personen dan de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0500" REF.END="QE0500"/>inbreukmaker<QUOT.END REF.START="QS0500" CODE="201D" ID="QE0500"/> in de zin van artikel 13 van die richtlijn, onder wie als tussenpersonen optredende dienstverleners die dergelijke inbreuken hebben gefaciliteerd. Zoals ik herhaaldelijk in de onderhavige conclusie heb aangegeven, vallen de voorwaarden voor een dergelijke secundaire aansprakelijkheid hoe dan ook onder het nationale recht.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">F.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">De doelstelling van een hoge mate van bescherming van het auteursrecht levert geen grond op voor een andere uitlegging van de richtlijnen 2000/31 en 2001/29</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0233"><NO.P>233.</NO.P><TXT>Anders dan Peterson en Elsevier meen ik niet dat de richtlijnen 2001/29 en 2000/31 vanwege de doelstelling van richtlijn 2001/29, die erin bestaat een hoge mate van bescherming van het auteursrecht te waarborgen, anders dienen te worden uitgelegd dan ik in de onderhavige conclusie heb gesuggereerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0234"><NO.P>234.</NO.P><TXT>Ik benadruk meteen dat die uitlegging niet tot gevolg heeft dat de rechthebbenden met betrekking het feit dat hun werken illegaal naar platformen als YouTube en Uploaded worden geüpload, aan hun lot worden overgelaten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0235"><NO.P>235.</NO.P><TXT>In het bijzonder kunnen de rechthebbenden <HT TYPE="ITALIC">allereerst</HT> de gebruikers die voor dergelijke illegale uploads verantwoordelijk zijn, gerechtelijk vervolgen. Daartoe kent richtlijn 2004/48 die rechthebbenden met name het recht toe om van exploitanten als YouTube en Cyando bepaalde nuttige informatie te verkrijgen, waaronder de namen en adressen van die gebruikers.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0216"><P>Zie artikel 8, lid 1, onder c), en lid 2, van richtlijn 2004/48. Zie in dat verband ook mijn conclusie in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Constantin Film Verleih</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑264/19</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:261">EU:C:2020:261</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> <HT TYPE="ITALIC">Vervolgens</HT> kunnen die rechthebbenden die exploitanten in kennis stellen van het feit dat op hun platformen bestanden staan die hun werken bevatten en die illegaal online zijn geplaatst. Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 dienen die exploitanten prompt op een dergelijke kennisgeving te reageren door de betrokken bestanden te verwijderen of door de toegang ertoe onmogelijk te maken. Anders verliezen die exploitanten het voordeel van de in die bepaling opgenomen vrijstelling van aansprakelijkheid en kunnen zij in voorkomend geval aansprakelijk worden gesteld overeenkomstig het toepasselijke nationale recht. Bovendien is de toepassing van die bepaling mijns inziens meteen uitgesloten wanneer een exploitant welbewust onwettige handelingen van de gebruikers van zijn platform zou faciliteren. <HT TYPE="ITALIC">Ten slotte</HT> kunnen de rechthebbenden hoe dan ook op grond van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 bevelen tegen platformexploitanten verkrijgen op grond waarvan hun extra verplichtingen kunnen worden opgelegd om de door de gebruikers van hun platformen gepleegde inbreuken op het auteursrecht te beëindigen en om dergelijke inbreuken te voorkomen.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="62"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0236"><NO.P>236.</NO.P><TXT>Bijgevolg worden de rechthebbenden bij het afdwingen van hun rechten en het bestrijden van het feit dat bestanden die hun werken bevatten, via platformen als YouTube en Uploaded illegaal online worden geplaatst, niet geconfronteerd met de moeilijkheden die zij ondervinden met betrekking tot het delen van bestanden op een peer-to-peernetwerk dat wordt gefaciliteerd door een platform als The Pirate Bay. Gelet op de aan een dergelijk netwerk inherente gedecentraliseerde organisatie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0217"><P>Ik herinner eraan dat de gedeelde werken worden opgeslagen op de computers van de verschillende gebruikers van het netwerk, waarbij een platform als The Pirate Bay zich beperkt tot het hosten van de torrentbestanden aan de hand waarvan die werken op dat netwerk kunnen worden teruggevonden.</P></NOTE>, zijn in dat laatste geval de in het vorige punt bedoelde maatregelen immers niet langer doeltreffend. In de onderhavige zaken daarentegen worden de bestanden centraal op de servers van YouTube en Cyando opgeslagen, waardoor die exploitanten ze kunnen verwijderen, zoals bedoeld door de Uniewetgever in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0218"><P>Zie conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Stichting Brein</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑610/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:99">EU:C:2017:99</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0019">19</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0020">20</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Een uitlegging van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0501" REF.END="QE0501"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0501" CODE="201D" ID="QE0501"/> zoals die welke het Hof in het arrest Stichting Brein II (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0502" REF.END="QE0502"/>The Pirate Bay<QUOT.END REF.START="QS0502" CODE="201D" ID="QE0502"/>) daaraan heeft gegeven, valt in casu derhalve nog minder te rechtvaardigen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0237"><NO.P>237.</NO.P><TXT>De rechthebbenden brengen daartegen in dat de uitsluitende rechten die zij op hun werken hebben, niet worden geëerbiedigd wanneer de betrokken maatregelen in essentie <HT TYPE="ITALIC">reactief</HT> in plaats van <HT TYPE="ITALIC">proactief</HT> van aard zijn – doordat zij niet vooraf elke plaatsing van onwettige content online verhinderen, maar voornamelijk ervoor zorgen dat deze naderhand wordt verwijderd en in bepaalde gevallen geblokkeerd – en die maatregelen hun medewerking vereisen. Volgens hen wordt een hoge mate van bescherming van hun rechten enkel gewaarborgd wanneer de platformexploitanten voorzien in een systeem dat geen dergelijke medewerking vereist en mogelijk maakt dat de wettigheid van alle content wordt geverifieerd alvorens deze online wordt geplaatst.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0238"><NO.P>238.</NO.P><TXT>Dienaangaande herinner ik eraan dat het Hof in het algemeen in zijn rechtspraak geen simplistische logica toepast volgens welke de in de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29 opgenomen uitsluitende rechten noodzakelijkerwijs ruim (en onbeperkt) worden uitgelegd, net zomin als de in artikel 5 van die richtlijn genoemde beperkingen en restricties steeds strikt worden uitgelegd. In mijn ogen wenst het Hof bij het preciseren van zowel de contouren van die rechten<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0219"><P>Zie arrest GS Media, punten 44 en 45, en arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20180807">7 augustus 2018</DATE>, <NAME.CASE>Renckhoff</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑161/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:634">EU:C:2018:634</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> als de draagwijdte van die beperkingen en restricties<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0220"><P>Zie met name arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140903">3 september 2014</DATE>, <NAME.CASE>Deckmyn en Vrijheidsfonds</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑201/13</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2132">EU:C:2014:2132</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0022">22</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0027">27</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20190729">29 juli 2019</DATE>, <NAME.CASE>Funke Medien NRW</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑469/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:623">EU:C:2019:623</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0051">51</REF.NP.ECR>, <REF.NP.ECR REF="NP0058">58</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en 65‑76), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20190729">29 juli 2019</DATE>, <NAME.CASE>Spiegel Online</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑516/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:625">EU:C:2019:625</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR>, <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en 50‑59).</P></NOTE> tot een <HT TYPE="ITALIC">redelijke</HT> uitlegging te komen waarbij de door die verschillende bepalingen nagestreefde doelstelling wordt gewaarborgd en het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0503" REF.END="QE0503"/>juiste evenwicht<QUOT.END REF.START="QS0503" CODE="201D" ID="QE0503"/> dat de Uniewetgever in die richtlijn tussen verschillende grondrechten en tegengestelde belangen heeft willen tot stand brengen, wordt bewaard. Derhalve dient artikel 3, lid 1, van die richtlijn niet noodzakelijkerwijze aldus te worden uitgelegd dat aan de rechthebbenden een <HT TYPE="ITALIC">maximale bescherming</HT> wordt gewaarborgd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0221"><P>Met name houdt het feit dat de rechthebbenden niet over een <HT TYPE="ITALIC">maximale</HT> bescherming van hun intellectuele eigendom beschikken, mijns inziens in dat van hen een zekere oplettendheid ten aanzien van het onlinegebruik van hun werken en een samenwerking met de platformexploitanten kan worden verlangd. Zie naar analogie, op het gebied van het merkenrecht, conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Backaldrin Österreich The Kornspitz Company</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑409/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:563">EU:C:2013:563</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0083">83</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0239"><NO.P>239.</NO.P><TXT>Daarnaast wordt het auteursrecht weliswaar als grondrecht beschermd, met name in artikel 17, lid 2, van het Handvest, maar is het niet absoluut en dient het in het algemeen te worden afgewogen tegen andere grondrechten en belangen.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="63"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0240"><NO.P>240.</NO.P><TXT>In casu dringt een dergelijke evenwichtsoefening zich op. Ten eerste kunnen de platformexploitanten zich beroepen op de in artikel 16 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van ondernemerschap, die hen in beginsel beschermt tegen verplichtingen die een aanzienlijke invloed kunnen hebben op hun activiteit.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0241"><NO.P>241.</NO.P><TXT>Ten tweede mogen de grondrechten van de gebruikers van die platformen niet over het hoofd worden gezien. Dat is het geval voor de in artikel 11 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en van informatie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0222"><P>Ik herinner eraan dat dit artikel 11 rechten omvat die corresponderen met de rechten die worden gewaarborgd in artikel 10, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op <DATE ISO="19501104">4 november 1950</DATE>, en dat eerstgenoemd artikel derhalve dient te worden uitgelegd in het licht van de op laatstgenoemd artikel betrekking hebbende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20190729">29 juli 2019</DATE>, <NAME.CASE>Funke Medien NRW</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑469/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:623">EU:C:2019:623</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0073">73</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, die zoals geweten de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën omvat. Zowel uit de rechtspraak van het Hof als uit die van het EHRM blijkt dat het internet daarbij van bijzonder belang is.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0223"><P>Zie met name arrest GS Media, punt 45, alsook EHRM, <DATE ISO="20121218">18 december 2012</DATE>, Ahmet Yildirim tegen Turkije, CE:ECHR:2012:1218JUD000311110, § 54, en EHRM, <DATE ISO="20151201">1 december 2015</DATE>, Cengiz e.a. tegen Turkije, CE:ECHR:2015:1201JUD004822610, § 49. Zie ook in dezelfde zin EHRM, <DATE ISO="20090310">10 maart 2009</DATE>, Times Newspapers Ltd tegen Verenigd Koninkrijk (nrs. 1 en 2), CE:ECHR:2009:0310JUD000300203, § 27, en EHRM, <DATE ISO="20130110">10 januari 2013</DATE>, Ashby Donald e.a. tegen Frankrijk, CE:ECHR:2013:0110JUD003676908, § 34.</P></NOTE> Meer specifiek heeft het EHRM erop gewezen dat YouTube een belangrijk medium voor de uitoefening van die vrijheid vormt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0224"><P>EHRM, <DATE ISO="20151201">1 december 2015</DATE>, Cengiz e.a. tegen Turkije, CE:ECHR:2015:1201JUD004822610, §§ 51 en 52. Zie ook in die zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20190214">14 februari 2019</DATE>, <NAME.CASE>Buivids</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑345/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:122">EU:C:2019:122</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0056">56</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0057">57</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Hetzelfde kan gezegd worden van de in artikel 13 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van de kunsten, die nauw verbonden is met de vrijheid van meningsuiting, gelet op het feit dat tal van personen platformen als YouTube gebruiken om hun onlinecreaties te delen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0242"><NO.P>242.</NO.P><TXT>Van de platformexploitanten verlangen dat zij alle bestanden die hun gebruikers willen publiceren in algemene en abstracte zin controleren alvorens deze online worden geplaatst, en daarbij speuren naar elke inbreuk op het auteursrecht, brengt een aanzienlijk risico op belemmering van die verschillende grondrechten met zich mee. Gelet op de potentieel aanzienlijke hoeveelheid gehoste content zou het immers onmogelijk zijn een dergelijke voorafgaande controle manueel uit te voeren en zou daarnaast het risico op aansprakelijkheid voor die exploitanten buitensporig zijn. In de praktijk zouden de kleinsten onder hen het gevaar lopen die aansprakelijkheid niet te overleven en zouden degenen met voldoende middelen gedwongen worden de content van hun gebruikers algemeen te filteren zonder rechterlijke toetsing, waardoor er een groot risico op het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0504" REF.END="QE0504"/>onnodig verwijderen<QUOT.END REF.START="QS0504" CODE="201D" ID="QE0504"/> van die inhoud zou ontstaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0243"><NO.P>243.</NO.P><TXT>Dienaangaande herinner ik eraan dat het Hof in het arrest SABAM<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0225"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120216">16 februari 2012</DATE> (<NO.CASE>C‑360/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:85">EU:C:2012:85</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> heeft geoordeeld dat het opleggen aan een platformexploitant van een algemene verplichting tot het filteren van de door hem opgeslagen informatie niet alleen onverenigbaar is met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31, maar evenmin een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0505" REF.END="QE0505"/>juist evenwicht<QUOT.END REF.START="QS0505" CODE="201D" ID="QE0505"/> verzekert tussen de bescherming van het intellectuele-eigendomsrecht van rechthebbenden en de bescherming van de vrijheid van ondernemerschap waarvan dienstverleners kunnen gebruikmaken op grond van artikel 16 van het Handvest. Een dergelijk bevel zou immers leiden tot een ernstige aantasting van die vrijheid, aangezien die exploitant een ingewikkeld, kostbaar en permanent computersysteem zou moeten installeren dat alleen door hem zou worden bekostigd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0226"><P>Ik herhaal dienaangaande dat niet alle dienstverleners over dezelfde mogelijkheden en middelen beschikken als YouTube.</P></NOTE> Daarnaast zou een degelijke algemene filterverplichting afbreuk doen aan de in artikel 11 van het Handvest bedoelde vrijheid van meningsuiting van de gebruikers van dat platform, doordat het filterprogramma misschien<?PAGE NO="64"?> onvoldoende onderscheid zou maken tussen onwettige en wettige content, zodat door het gebruik ervan wettige content zou kunnen worden geblokkeerd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0227"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20120216">16 februari 2012</DATE>, <NAME.CASE>SABAM</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑360/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:85">EU:C:2012:85</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0044">44</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0052">52</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Zelfs indien de platformexploitanten niet vallen onder de werkingssfeer van de artikelen 14 en 15 van richtlijn 2000/31, zou de verplichting om vooraf alle door de gebruikers online geplaatste bestanden te controleren dus hoe dan ook in strijd zijn met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten.</P></NOTE> Daar komt nog bij dat daardoor het risico ontstaat dat onlinecreatie wordt bemoeilijkt, wat in strijd is met artikel 13 van het Handvest. Het gevaar daarbij is dat wanneer bepaalde geestesproducten maximaal worden beschermd, dat ten koste gaat van andere soorten creaties die even sociaal wenselijk zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0228"><P>Dat is het geval voor videomateriaal als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0506" REF.END="QE0506"/>tutorials<QUOT.END REF.START="QS0506" CODE="201D" ID="QE0506"/> en ander ontspannend of informatief materiaal, waarvoor in beginsel onder bepaalde voorwaarden beschermde werken mogen worden gebruikt, overeenkomstig een aantal beperkingen in artikel 5 van richtlijn 2001/29. Dienaangaande merk ik op dat er vraagtekens bestaan over de software Content ID van YouTube, aangezien deze reeds onschuldige video’s onterecht zou hebben beoordeeld als illegaal online geplaatste beschermde werken en video’s heeft geblokkeerd die gebruikmaakten van uit een dergelijk werk overgenomen fragmenten van enkele seconden (zie met name Signoret, P., <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0507" REF.END="QE0507"/>Sur YouTube, la détection automatique des contenus soumis à droit d’auteur ne satisfait personne<QUOT.END REF.START="QS0507" CODE="201D" ID="QE0507"/>, Le Monde, blog Pixels, <DATE ISO="20180705">5 juli 2018</DATE>). YouTube geeft in dat verband toe dat Content ID niet kan vaststellen of eventuele beperkingen op het auteursrecht kunnen worden toegepast (zie de video van YouTube Creators, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0508" REF.END="QE0508"/>YouTube Content ID<QUOT.END REF.START="QS0508" CODE="201D" ID="QE0508"/>, toegankelijk via https://youtu.be/9g2U12SsRns).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0244"><NO.P>244.</NO.P><TXT>Kortom, de evenwichtsoefening is mijns inziens aanzienlijk lastiger dan de rechthebbenden verklaren.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0229"><P>Bovendien wordt de complexiteit van die kwestie mijns inziens nog vergroot door het ambivalente karakter van het internet, en met name van platformen als YouTube, met betrekking tot inbreuken. Ofschoon YouTube hulpmiddelen aanbiedt die kunnen worden gebruikt om inbreuk te maken op het auteursrecht, faciliteren die hulpmiddelen, met name haar zoekmachine, immers tegelijkertijd de ontdekking van die inbreuken.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0245"><NO.P>245.</NO.P><TXT>In die context weerspiegelen de richtlijnen 2000/31 en 2001/29 een evenwicht tussen die verschillende rechten en belangen, zoals gewenst door de Uniewetgever bij de vaststelling van die richtlijnen. Bij richtlijn 2000/31 heeft de Uniewetgever de ontwikkeling van als tussenpersonen optredende dienstverleners willen ondersteunen, teneinde meer algemeen de groei van de elektronische handel en van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0509" REF.END="QE0509"/>diensten van de informatiemaatschappij<QUOT.END REF.START="QS0509" CODE="201D" ID="QE0509"/> op de interne markt te bevorderen. Het ging er dus om die dienstverleners geen verantwoordelijkheid op te leggen waardoor de rentabiliteit van hun activiteit in het gedrang komt. De belangen van de rechthebbenden dienen voornamelijk in het kader van de procedures voor <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0510" REF.END="QE0510"/>kennisgeving en verwijdering<QUOT.END REF.START="QS0510" CODE="201D" ID="QE0510"/> te worden beschermd en afgewogen tegen de vrijheid van meningsuiting van de gebruikers van die diensten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0230"><P>Zie de overwegingen 40, 41 en 45‑49 van richtlijn 2000/31 en voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel in de interne markt, blz. 4, 12, 16.</P></NOTE> De Uniewetgever heeft dat evenwicht in richtlijn 2001/29 gehandhaafd door aan te nemen dat de belangen van de rechthebbenden voldoende worden beschermd door de mogelijkheid om bevelen tegen de als tussenpersoon optredende dienstverleners te verkrijgen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0231"><P>Zie de overwegingen 16 en 59, alsook artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0246"><NO.P>246.</NO.P><TXT>Sinds de vaststelling van die richtlijnen zijn de omstandigheden ongetwijfeld gewijzigd. De als tussenpersoon optredende dienstverleners zijn niet meer dezelfde en misschien valt dat evenwicht niet langer te rechtvaardigen. Hoewel het Hof in het kader van de interpretatiemarge waarover het op grond van de Unierechtelijke teksten beschikt, in zekere mate met dat soort gewijzigde omstandigheden rekening kan houden, staat het hoe dan ook voornamelijk aan de Uniewetgever om deze te beoordelen en in voorkomend geval die teksten te doen evolueren door het aanvankelijk door hem geïmplementeerde evenwicht te vervangen door een nieuw.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0247"><NO.P>247.</NO.P><TXT>Ik wijs erop dat de Uniewetgever het evenwicht van rechten en belangen op het gebied van het auteursrecht voor de toekomst inderdaad onlangs heeft herbekeken. Tijdens de onderhavige prejudiciële procedures is richtlijn 2019/790 immers in werking getreden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0232"><P>Zie artikel 31 van richtlijn 2019/790.</P></NOTE> Artikel 17, lid 1, van die richtlijn verplicht de lidstaten thans erin te voorzien dat een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0511" REF.END="QE0511"/>aanbieder van een onlinedienst<?PAGE NO="65"?> voor het delen van content[<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0233"><P>Artikel 2, punt 6, van richtlijn 2019/790 bepaalt dat voor de toepassing van die richtlijn een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0512" REF.END="QE0512"/>aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content<QUOT.END REF.START="QS0512" CODE="201D" ID="QE0512"/> <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0513" REF.END="QE0513"/>een aanbieder van een dienst van de informatiemaatschappij [is] die als belangrijkste of een van de belangrijkste doelstellingen heeft een grote hoeveelheid door de gebruikers van de dienst geüploade auteursrechtelijk beschermde werken of andere beschermde materialen op te slaan en toegankelijk te maken voor het publiek, waarbij hij deze werken en materialen ordent en promoot met een winstoogmerk<QUOT.END REF.START="QS0513" CODE="201D" ID="QE0513"/>. Zie ook de overwegingen 62 en 63 van die richtlijn.</P></NOTE><HT TYPE="SUP">]</HT>, voor de toepassing van deze richtlijn een handeling verricht van mededeling aan het publiek of een handeling van beschikbaarstelling voor het publiek, wanneer hij het publiek toegang verleent tot auteursrechtelijk beschermde werken of andere beschermde materialen die door de gebruikers ervan zijn geüpload<QUOT.END REF.START="QS0511" CODE="201D" ID="QE0511"/>. Zoals in lid 2 van dat artikel wordt gepreciseerd, dient een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0514" REF.END="QE0514"/>aanbieder<QUOT.END REF.START="QS0514" CODE="201D" ID="QE0514"/> derhalve zelf toestemming van de rechthebbenden te krijgen, bijvoorbeeld door het sluiten van een licentieovereenkomst voor de door zijn gebruikers online geplaatste werken. Voorts wordt in lid 3 van dat artikel gepreciseerd dat wanneer een dergelijke <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0515" REF.END="QE0515"/>aanbieder<QUOT.END REF.START="QS0515" CODE="201D" ID="QE0515"/> een handeling van mededeling aan het publiek of een handeling van beschikbaarstelling voor het publiek onder de in die richtlijn vastgestelde voorwaarden verricht, de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 vastgestelde vrijstelling van aansprakelijkheid niet van toepassing is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0248"><NO.P>248.</NO.P><TXT>Voorts wordt in artikel 17, lid 4, van richtlijn 2019/790 bepaald dat wanneer een dergelijke toestemming niet wordt verkregen, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0516" REF.END="QE0516"/>aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content<QUOT.END REF.START="QS0516" CODE="201D" ID="QE0516"/> aansprakelijk zijn voor niet-toegestane handelingen van mededeling aan het publiek die zijn verricht via hun platform. In die bepaling staat evenwel dat die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0517" REF.END="QE0517"/>aanbieders<QUOT.END REF.START="QS0517" CODE="201D" ID="QE0517"/> niet aansprakelijk zijn indien zij aantonen dat zij (a) <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0518" REF.END="QE0518"/>alles in het werk hebben gesteld<QUOT.END REF.START="QS0518" CODE="201D" ID="QE0518"/> om toestemming te krijgen, (b) <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0519" REF.END="QE0519"/>overeenkomstig strenge sectorale normen op het gebied van professionele toewijding, alles in het werk hebben gesteld<QUOT.END REF.START="QS0519" CODE="201D" ID="QE0519"/> om ervoor te zorgen dat bepaalde werken en andere materialen waarvoor de rechthebbenden hun de nodige toepasselijke informatie hebben verstrekt, niet beschikbaar zijn, en in ieder geval (c) <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0520" REF.END="QE0520"/>na ontvangst van een voldoende onderbouwde melding van de rechthebbenden, prompt zijn opgetreden om de toegang tot de werken en andere materialen in kwestie te deactiveren of deze van hun websites te verwijderen, en alles in het werk hebben gesteld om toekomstige uploads ervan overeenkomstig punt b) te voorkomen<QUOT.END REF.START="QS0520" CODE="201D" ID="QE0520"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0234"><P>Zoals ik heb aangegeven, wordt door artikel 17, lid 4, onder c), van richtlijn 2019/790 thans een algemene <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0521" REF.END="QE0521"/><HT TYPE="ITALIC">stay down</HT><QUOT.END REF.START="QS0521" CODE="201D" ID="QE0521"/>-verplichting ex ante opgelegd, terwijl in artikel 14, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/31 mijns inziens in een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0522" REF.END="QE0522"/><HT TYPE="ITALIC">take down</HT>”-verplichting<QUOT.END REF.START="QS0522" CODE="201D" ID="QE0522"/> is voorzien.</P></NOTE> De leden 5 en 6 van datzelfde artikel bepalen dat de omvang van de inspanningsverplichtingen die aldus op die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0523" REF.END="QE0523"/>aanbieders<QUOT.END REF.START="QS0523" CODE="201D" ID="QE0523"/> rusten, afhangt van verschillende parameters, waaronder <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0524" REF.END="QE0524"/>het type, het publiek en de omvang van de diensten<QUOT.END REF.START="QS0524" CODE="201D" ID="QE0524"/>, waarbij <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0525" REF.END="QE0525"/>kleine<QUOT.END REF.START="QS0525" CODE="201D" ID="QE0525"/> aanbieders bovendien minder zware verplichtingen hebben.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0235"><P>Met name blijkt uit artikel 17, lid 6, van richtlijn 2019/790 in essentie dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0526" REF.END="QE0526"/>aanbieders<QUOT.END REF.START="QS0526" CODE="201D" ID="QE0526"/> die sinds minder dan drie jaar actief zijn en waarvan de omzet minder dan 10 miljoen EUR bedraagt, enkel moeten aantonen dat zij alles in het werk hebben gesteld om toestemming van de rechthebbenden te krijgen en slechts moeten voldoen aan een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0527" REF.END="QE0527"/><HT TYPE="ITALIC">take down</HT><QUOT.END REF.START="QS0527" CODE="201D" ID="QE0527"/>-verplichting.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0249"><NO.P>249.</NO.P><TXT>Ten slotte is er nog een laatste punt dat moet worden onderzocht. Peterson en de Franse regering hebben ter terechtzitting aangevoerd dat – zoals is aangegeven in overweging 64 van richtlijn 2019/790<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0236"><P>Die overweging luidt: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0528" REF.END="QE0528"/>Het is passend om in deze richtlijn te verduidelijken dat aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content een handeling van mededeling aan het publiek of een handeling van beschikbaarstelling voor het publiek verrichten wanneer zij het publiek toegang verschaffen tot auteursrechtelijk beschermde werken of andere beschermde materialen die door hun gebruikers zijn geüpload. [...]<QUOT.END REF.START="QS0528" CODE="201D" ID="QE0528"/></P></NOTE> – de Uniewetgever met de invoering van artikel 17 van die richtlijn simpelweg heeft willen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0529" REF.END="QE0529"/>verduidelijken<QUOT.END REF.START="QS0529" CODE="201D" ID="QE0529"/> op welke manier het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0530" REF.END="QE0530"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0530" CODE="201D" ID="QE0530"/> in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 steeds had moeten zijn opgevat en toegepast op platformexploitanten als YouTube. Uit hun betoog leid ik af dat dit artikel 17 zich eveneens beperkt tot het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0531" REF.END="QE0531"/>verduidelijken<QUOT.END REF.START="QS0531" CODE="201D" ID="QE0531"/> van het feit dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 nooit op die exploitanten toepasselijk is geweest. Artikel 17 van richtlijn 2019/790 zou aldus een soort <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0532" REF.END="QE0532"/>interpretatieve wet<QUOT.END REF.START="QS0532" CODE="201D" ID="QE0532"/> vormen waarbij slechts wordt gepreciseerd welke betekenis de richtlijnen 2000/31 en 2001/29 steeds moeten worden geacht te hebben gehad. De oplossingen die<?PAGE NO="66"?> voortspruiten uit dat nieuwe artikel 17 zijn dus zelfs vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn voor omzetting van richtlijn 2019/790, te weten <DATE ISO="20210607">7 juni 2021</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0237"><P>Zie artikel 29 van richtlijn 2019/790.</P></NOTE>, retroactief van toepassing, waaronder ook op de hoofdgedingen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0250"><NO.P>250.</NO.P><TXT>Ik kan een dergelijk argument niet aanvaarden. In mijn ogen zou het niet stroken met het rechtszekerheidsbeginsel om een dergelijke retroactieve toepassing af te leiden uit het loutere gebruik van een dubbelzinnige term in een overweging die geen bindende juridische waarde heeft.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0238"><P>Zie met name arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20150611">11 juni 2015</DATE>, <NAME.CASE>Zh. en O</NAME.CASE>. (<NO.CASE>C‑554/13</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:377">EU:C:2015:377</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak). Overigens klopt het dat volgens de rechtspraak van het Hof in een dergelijke overweging de inhoud <HT TYPE="ITALIC">van de handeling waarvan zij deel uitmaakt</HT> kan worden gepreciseerd, maar in casu zou het niet de opheldering van de betekenis van de bepalingen van richtlijn 2019/790 betreffen, maar die van de richtlijnen 2000/31 en 2001/29.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0251"><NO.P>251.</NO.P><TXT>Voor het overige merk ik op dat behalve overweging 64 niets in richtlijn 2019/790 erop wijst dat de Uniewetgever een retroactieve uitlegging aan artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 en artikel 14 van richtlijn 2000/31 heeft willen geven, terwijl hij wel de temporele toepassing van richtlijn 2019/790 op beschermde werken en materialen heeft gepreciseerd<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0239"><P>Zie artikel 26 van richtlijn 2019/790, waarin wordt gepreciseerd dat zij van toepassing is op alle werken en andere materialen die op of na <DATE ISO="20210607">7 juni 2021</DATE> door het nationale recht op het gebied van auteursrechten worden beschermd en onverminderd handelingen die verricht zijn en rechten die verkregen zijn vóór <DATE ISO="20210607">7 juni 2021</DATE>.</P></NOTE> en heeft voorzien in een overgangsbepaling voor de toepassing van een ander artikel van die richtlijn<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0240"><P>Zie artikel 27 van richtlijn 2019/790, waarin wordt gepreciseerd dat overeenkomsten voor licentieverlening of overdracht van rechten van auteurs en uitvoerende kunstenaars aan de in artikel 19 vastgestelde transparantieverplichting onderworpen worden met ingang van <DATE ISO="20220607">7 juni 2022</DATE>.</P></NOTE>. Overigens bepaalt artikel 17 van richtlijn 2019/790 in de leden 1 en 3 dat het erin omschreven begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0533" REF.END="QE0533"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0533" CODE="201D" ID="QE0533"/> geldt <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0534" REF.END="QE0534"/>voor de toepassing van deze richtlijn<QUOT.END REF.START="QS0534" CODE="201D" ID="QE0534"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0535" REF.END="QE0535"/>onder de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden<QUOT.END REF.START="QS0535" CODE="201D" ID="QE0535"/>. De in dat artikel 17 bedoelde rechtstreekse aansprakelijkheid van de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0536" REF.END="QE0536"/>aanbieders<QUOT.END REF.START="QS0536" CODE="201D" ID="QE0536"/> voor de door de gebruikers van hun platformen verrichte handelingen van mededeling aan het publiek is niet louter het gevolg van de wijze waarop artikel 3 van richtlijn 2001/29 altijd had moeten zijn opgevat, maar <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0537" REF.END="QE0537"/>vloeit voort<QUOT.END REF.START="QS0537" CODE="201D" ID="QE0537"/> uit dat artikel 17.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0241"><P>Zie overweging 65 van richtlijn 2019/790.</P></NOTE> Zelfs als ervan kan worden uitgegaan dat de Uniewetgever bijna twintig jaar na de vaststelling van een richtlijn de authentieke uitlegging ervan zou kunnen geven, is die kwestie mijns inziens dus niet aan de orde.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0252"><NO.P>252.</NO.P><TXT>Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft aangevoerd, heeft de Uniewetgever het recht niet <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0538" REF.END="QE0538"/>verduidelijkt<QUOT.END REF.START="QS0538" CODE="201D" ID="QE0538"/> in de zin zoals dat altijd had moeten zijn opgevat. Hij heeft op het gebied van het auteursrecht een <HT TYPE="ITALIC">nieuwe aansprakelijkheidsregeling</HT> voor bepaalde onlinetussenpersonen in het leven geroepen. Het was de bedoeling om <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0539" REF.END="QE0539"/>aanpassingen en aanvullingen<QUOT.END REF.START="QS0539" CODE="201D" ID="QE0539"/> aan te brengen in het bestaande kader van de Unie op dat gebied.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0242"><P>Zie de overwegingen 3 en 4 van richtlijn 2019/790.</P></NOTE> Zoals die instelling benadrukt, weerspiegelt artikel 17 van richtlijn 2019/790 een politieke keuze van de Uniewetgever ten gunste van de creatieve sector.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0243"><P>Door te bepalen dat exploitanten als YouTube de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0540" REF.END="QE0540"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0540" CODE="201D" ID="QE0540"/> verrichten van werken die de gebruikers van hun platformen ernaar uploaden, heeft de Uniewetgever een oplossing willen bieden voor de door de rechthebbenden naar voren gebrachte <HT TYPE="ITALIC">value gap</HT> (zie punt 47 van de onderhavige conclusie). Zie in dat verband de overwegingen 3 en 61 van richtlijn 2019/790 en het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20160914">14 september 2016</DATE> inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt [COM(2016) 593 final], blz. 2 en 3.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="67"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0253"><NO.P>253.</NO.P><TXT>Dat artikel 17 ligt eveneens in de lijn van een reeks openbare raadplegingen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0244"><P>Zie met name in 2010 <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0541" REF.END="QE0541"/>Public Consultation on the Future of Electronic Commerce in the Internal Market and the Implementation of the Directive on Electronic Commerce (2000/31/EC)<QUOT.END REF.START="QS0541" CODE="201D" ID="QE0541"/>, in 2012 <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0542" REF.END="QE0542"/>A Clean and Open Internet: Public Consultation on Procedures for Notifying and Acting on Illegal Content hosted by Online Intermediaries<QUOT.END REF.START="QS0542" CODE="201D" ID="QE0542"/>, en in 2015 <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0543" REF.END="QE0543"/>Public Consultation on the Regulatory Environment for Platforms, Online Intermediaries, Data and Cloud Computing and the Collaborative Economy<QUOT.END REF.START="QS0543" CODE="201D" ID="QE0543"/>. Evenzo heeft, in de Verenigde Staten, de United States Copyright Office (bureau voor het auteursrecht van de Verenigde Staten) op <DATE ISO="20200521">21 mei 2020</DATE>, na een in 2015 gelanceerde openbare raadpleging, een verslag uitgebracht waarbij het United States Congress (parlement van de Verenigde Staten) wordt aanbevolen de bepalingen van de door de DMCA ingevoerde afdeling 512 te moderniseren (zie United States Copyright Office, <HT TYPE="ITALIC">Section 512 Study</HT>, toegankelijk via https://www.copyright.gov/policy/section512/).</P></NOTE>, mededelingen van de Commissie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0245"><P>Zie de mededelingen van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van <DATE ISO="20120111">11 januari 2012</DATE>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0544" REF.END="QE0544"/>Een coherent kader voor een groter vertrouwen in de digitale eengemaakte markt voor elektronische handel en onlinediensten<QUOT.END REF.START="QS0544" CODE="201D" ID="QE0544"/> [COM(2011) 942 final], blz. 13‑16; <DATE ISO="20150506">6 mei 2015</DATE>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0545" REF.END="QE0545"/>Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa<QUOT.END REF.START="QS0545" CODE="201D" ID="QE0545"/> [COM(2015) 192 final], blz. 4, 8 en 12‑14; <DATE ISO="20151209">9 december 2015</DATE>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0546" REF.END="QE0546"/>Naar een modern, meer Europees kader voor auteursrechten<QUOT.END REF.START="QS0546" CODE="201D" ID="QE0546"/> [COM(2015) 626 final], blz. 2, 3 en 10‑12, en <DATE ISO="20160525">25 mei 2016</DATE>, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0547" REF.END="QE0547"/>Online platforms en de digitale eengemaakte markt – Kansen en uitdagingen voor Europa<QUOT.END REF.START="QS0547" CODE="201D" ID="QE0547"/> [COM(2016) 288 final], blz. 8‑10.</P></NOTE> en nieuwe sectorspecifieke regelgevingen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0246"><P>Zie richtlijn 2018/1808, op grond waarvan deelplatformen voor videobestanden onder de regelgeving voor <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0548" REF.END="QE0548"/>audiovisuele mediadiensten<QUOT.END REF.START="QS0548" CODE="201D" ID="QE0548"/> vallen en exploitanten van dergelijke platformen verplicht worden passende, uitvoerbare en proportionele maatregelen te treffen om minderjarigen te beschermen tegen video’s die hun ontwikkeling kunnen aantasten en het algemene publiek tegen video’s die aanzetten tot geweld, haat of terrorisme [zie artikel 1, lid 1, onder b), en de bij richtlijn 2018/1808 toegevoegde artikelen 28 bis en 28 ter van richtlijn 2010/13]. Zie ook aanbeveling 2018/334 over maatregelen om illegale online-inhoud effectief te bestrijden. Zie ook nog voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20180912">12 september 2018</DATE> ter voorkoming van de verspreiding van terroristische online-inhoud [COM(2018) 640 final].</P></NOTE>, die, met het oog op het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0549" REF.END="QE0549"/>aanpassen<QUOT.END REF.START="QS0549" CODE="201D" ID="QE0549"/> en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0550" REF.END="QE0550"/>moderniseren<QUOT.END REF.START="QS0550" CODE="201D" ID="QE0550"/> van het Unierecht in het licht van de hierboven aangehaalde nieuwe omstandigheden, een meer proactieve betrokkenheid van de tussenpersonen vereisen teneinde de onlineverspreiding van onwettige content te voorkomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0247"><P>Zie ook voor de ontwikkelingen in die zin Raad van Europa, aanbeveling CM/Rec(2018)2 van het Comité van ministers aan de lidstaten met betrekking tot de taken en de aansprakelijkheden van onlinetussenpersonen (aangenomen door het Comité van ministers op <DATE ISO="20180307">7 maart 2018</DATE> tijdens de 1 309e vergadering van de afgevaardigden van de ministers), en EHRM, <DATE ISO="20150616">16 juni 2015</DATE>, Delfi AS tegen Estland, CE:ECHR:2015:0616JUD006456909.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0254"><NO.P>254.</NO.P><TXT>Overigens mag niet uit het oog worden verloren welke gevolgen de door Peterson en de Franse regering voorgestane retroactieve toepassing zou hebben. Als gevolg van de door artikel 17, leden 1 en 3, van richtlijn 2019/790 aangebrachte <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0551" REF.END="QE0551"/>verduidelijking<QUOT.END REF.START="QS0551" CODE="201D" ID="QE0551"/> zouden de platformexploitanten doorgaans aansprakelijk zijn voor alle door hun gebruikers verrichte handelingen van mededeling aan het publiek en niet kunnen gebruikmaken van de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31 opgenomen vrijstelling. Daarentegen zouden de leden 4 en volgende van dat artikel 17, die zoals ik heb aangegeven met name voorzien in een vrijstellingsregeling voor die exploitanten, niet retroactief van toepassing zijn. Met de toevoeging van die leden heeft de Uniewetgever mijns inziens echter een evenwicht tussen de verschillende betrokken rechten en belangen willen waarborgen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0248"><P>Mijns inziens beogen de in de leden 4 en volgende van artikel 17 van richtlijn 2019/790 opgenomen regels met name bepaalde waarborgen aan de betrokken exploitanten en gebruikers van hun platformen te bieden. Ik beklemtoon evenwel dat de bijzonderheden van de in dat artikel opgenomen nieuwe aansprakelijkheidsregeling het onderwerp van de onderhavige conclusie te buiten gaan. Ik ben evenmin van plan om in de onderhavige conclusie een standpunt in te nemen over de verenigbaarheid van die nieuwe regeling met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten. In dat verband is bij het Hof een beroep tot nietigverklaring ingesteld (zie zaak C‑401/19, Polen/Parlement en Raad), waardoor het Hof de gelegenheid zal krijgen zich over die kwestie uit te spreken.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0255"><NO.P>255.</NO.P><TXT>Door artikel 17, lid 1, van richtlijn 2019/790 retroactief toe te passen op zaken als die in de hoofdgedingen zou derhalve niet alleen geen acht worden geslagen op het door de Uniewetgever bij de vaststelling van de richtlijnen 2000/31 en 2001/29 beoogde evenwicht, maar evenmin op het evenwicht dat die wetgever bij de vaststelling van richtlijn 2019/790 heeft beoogd. In werkelijkheid zou die oplossing mijns inziens <HT TYPE="ITALIC">helemaal geen evenwicht</HT> weerspiegelen.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="68"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">VI.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Conclusie</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0256"><NO.P>256.</NO.P><TXT>Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de door het Bundesgerichtshof in de zaken C‑682/18 en C‑683/18 voorgelegde vragen te beantwoorden als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0552" REF.END="QE0552"/>1)</NO.P><TXT>Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20010522">22 mei 2001</DATE> betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij dient aldus te worden uitgelegd dat de exploitant van een videodeelplatform en de exploitant van een host- en deelplatform voor bestanden geen handeling bestaande in een <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0553" REF.END="QE0553"/>mededeling aan het publiek<QUOT.END REF.START="QS0553" CODE="2019" ID="QE0553"/> in de zin van die bepaling verrichten wanneer een gebruiker van hun platformen daarop een beschermd werk online plaatst.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20000608">8 juni 2000</DATE> betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (<QUOT.START CODE="201A" ID="QS0554" REF.END="QE0554"/>richtlijn inzake elektronische handel<QUOT.END REF.START="QS0554" CODE="2019" ID="QE0554"/>) dient aldus te worden uitgelegd dat de exploitant van een videodeelplatform en de exploitant van een host- en deelplatform voor bestanden in beginsel kunnen gebruikmaken van de in die bepaling opgenomen vrijstelling voor elke aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit de bestanden die zij op verzoek van de gebruikers van hun platformen opslaan.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>Artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/31 dient aldus te worden uitgelegd dat de erin bedoelde gevallen, te weten het geval waarin een dienstverlener <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0555" REF.END="QE0555"/>daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie<QUOT.END REF.START="QS0555" CODE="2019" ID="QE0555"/> en dat waarin een dergelijke dienstverlener <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0556" REF.END="QE0556"/>kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt<QUOT.END REF.START="QS0556" CODE="2019" ID="QE0556"/>, in beginsel verwijzen naar concrete onwettige informatie.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>4)</NO.P><TXT>Artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 dient aldus te worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de rechthebbenden pas kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van een dienstverlener wiens dienst, die bestaat in de opslag van door een gebruiker verstrekte informatie, door derden wordt gebruikt om inbreuk te plegen op een auteursrecht of naburige rechten, wanneer er na een aanwijzing van een duidelijke inbreuk op het recht opnieuw een dergelijke inbreuk heeft plaatsgevonden.<QUOT.END REF.START="QS0552" CODE="201D" ID="QE0552"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>