97/612/EG: Beschikking van de Commissie van 16 april 1997 betreffende door de regio Sardinië (Italië) verleende steun in de landbouwsector (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 248 van 11/09/1997 blz. 0027 - 0032
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 16 april 1997 betreffende door de regio Sardinië (Italië) verleende steun in de landbouwsector (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek) (97/612/EG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 93, lid 2, Na de belanghebbenden overeenkomstig artikel 93, lid 2, te hebben verzocht hun opmerkingen te maken (1), Overwegende hetgeen volgt: I Bij brief van 1 september 1992 heeft Italië de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag in kennis gesteld van regionale wet nr. 17 van de regio Sardinië van 27 augustus 1992 (hierna "wet nr. 17/92" genoemd). Artikel 12 van deze regionale wet wijzigt artikel 5 van regionale wet nr. 44 van dezelfde regio van 13 december 1988 (hierna "wet nr. 44/88" genoemd), dat nooit op grond van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag is onderzocht. Ook de door de regionale overheid (Giunta regionale) vastgestelde besluiten ter uitvoering van dit artikel zijn nooit aan de bovenbedoelde bepalingen getoetst. Bij artikel 5 van wet nr. 44/88 wordt een regeling ingesteld waarbij steun, in de vorm van leningen tegen verlaagde rente, wordt verleend om de kaspositie te verbeteren van landbouwbedrijven waarvan de financiële situatie door ongunstige omstandigheden is verslechterd. Deze leningen, die een looptijd van ten hoogste 15 jaar (inclusief een aflossingsvrije periode van drie jaar) hebben, moeten worden gebruikt om kortlopende schulden om te zetten in leningen op langere termijn. Het staat aan de Giunta regionale om die in een besluit voor elk afzonderlijk geval nadere regels voor de toekenning van de leningen vast te stellen, en met name, in welke ongunstige omstandigheden de maatregel wordt toegepast, voor welke sector of sectoren, alsmede het bedrag van de lening in verhouding tot de totale schulden en de looptijd ervan. Volgens de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte inlichtingen is artikel 5 van wet nr. 44/88 sedert 1988 viermaal toegepast, en wel in de volgende gevallen: 1. Besluit van de Giunta regionale van 30 december 1988 (afzetcrisis voor kasteeltproducten) De crisissituatie werd veroorzaakt door de sterke daling van de prijzen van in kassen geteelde landbouwproducten, waardoor die prijzen niet langer de kosten dekten. Voor dit eerste geval van toepassing van artikel 5 hadden de regionale autoriteiten als enige voorwaarde voor toekenning van de steun gesteld dat de kortetermijnschuld van het betrokken bedrijf meer moest bedragen dan 75 % van de brutowaarde van de productie in het betrokken jaar. 2. Besluit van de Giunta regionale van 27 juni 1990 (bosbouwbedrijven) De regionale overheid besloot in 1990 de in artikel 5 van wet nr. 44/88 bedoelde steun toe te kennen aan bosbouwbedrijven die eigenaar waren van nog niet voor een rendabele kap geschikte aanplantingen, met het oog op de sanering en/of de consolidatie van vóór 30 juni 1990 af te lossen schulden die waren gemaakt voor investeringen en voor het beheer van de aanplantingen, van de negatieve saldi op de bankrekeningen op die datum en van de bedragen verschuldigd aan werknemers (lonen), grondeigenaren (pacht) en leveranciers (betaling van goederen). Ook in dit geval moest de totale kortetermijnschuld ten minste 75 % van de brutowaarde van de productie bedragen. De looptijd van de leningen was 13 jaar (drie jaar aflossingsvrij). 3. Besluit van de Giunta regionale van 20 november 1990 (konijnenhouders) In dit geval werd de steun verleend aan konijnenhouders die, ten gevolge van een epizoötie in de regio in het voorjaar 1990, ten minste 20 % van de konijnen hadden verloren. De leningen tegen verlaagde rente, met een looptijd van 15 jaar (drie jaar aflossingsvrij) konden worden verleend tot het bedrag van twee jaarlijkse (of vier halfjaarlijkse) annuïteiten van reeds aangegane leningen op lange termijn, plus een bedrag overeenkomende met de financieringsbehoefte van het betrokken bedrijf voor één jaar. 4. Besluit van de Giunta regionale van 26 juni 1992 (landbouwbedrijven met zware schulden). In 1992 werd beslist dat de steun, gezien de steeds slechter wordende marktsituatie en de ongunstige weersomstandigheden, aan alle landbouwers kon worden toegekend. In dit geval moest de kortetermijnschuld ten minste 51 % van de brutowaarde van de productie van het betrokken jaar (1991) bedragen; de leningen konden worden verstrekt voor de maximumlooptijd die in de basiswet was bepaald (15 jaar, waarvan drie jaar aflossingsvrij). Bij de berekening van de kortetermijnschuld werden leningen met een looptijd van minder dan twaalf maanden (tegen verlaagd tarief of tegen markttarief en zelfs als zij waren terugbetaald), de aflossingen van de meerjarige leningen (tegen verlaagd tarief of tegen markttarief) die in 1991 waren vervallen of betaald, en de aflossingen die in de voorgaande jaren waren vervallen, maar niet betaald, in aanmerking genomen. De toegekende financiering mocht worden aangewend voor beheerskredieten tegen verlaagde rente, aflossingen van leningen op middellange termijn (met uitzondering van die voor de aankoop van landbouwmachines) en de nog verschuldigde aflossingen van meerjarige leningen tegen verlaagde rente die door de regio naar aanleiding van natuurrampen waren toegekend. De maximumuitgaven voor de financiering als bedoeld in artikel 5 van wet nr. 44/88 waren voor 1988 vastgesteld op 5 miljard lire en voor de jaren 1992, 1993 en 1994 op 40 miljard lire. Artikel 12 van wet nr. 17/92 bevat technische bepalingen inzake de uitvoering van de financiële verrichtingen uit hoofde van artikel 5 van wet nr. 44/88 en van vorenvermelde besluiten. II Bij brief van 1 augustus 1994 stelde de Commissie Italië in kennis van haar beslissing om de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag bedoelde procedure in te leiden ten aanzien van de steun op grond van artikel 5 van wet nr. 44/88 en van de vier voormelde besluiten van de Giunta regionale. In deze brief deelde de Commissie de Italiaanse regering mee, dat de betrokken maatregelen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt leken, omdat zij niet voldeden aan de hierna vermelde criteria, die zij doorgaans hanteert ten aanzien van overheidssteun aan landbouwbedrijven in moeilijkheden: a) de steun moet betrekking hebben op de financiële lasten van leningen die zijn aangegaan voor investeringen die al zijn uitgevoerd; b) het gecumuleerde subsidie-equivalent van de eventueel bij het aangaan van de leningen toegekende steun en van de onderhavige steun mag niet hoger zijn dan de algemeen door de Commissie aanvaarde maximumpercentages (d.w.z. 55 % (75 % in gebieden van doelstelling 1) voor de sector verwerking en afzet van landbouwproducten en 35 % (75 % in probleemgebieden als bedoeld in Richtlijn 75/268/EEG van de Raad (2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 797/85 (3)) voor de sector primaire productie); c) de steun moet verband houden met een aanpassing van de rentevoet van nieuwe leningen ter compensatie van een verandering van de kapitaalmarktrente (de steun mag niet meer bedragen dan overeenkomt met de wijziging van de rentevoet van nieuwe leningen) of moet betrekking hebben op landbouwbedrijven waarvan de levensvatbaarheid vaststaat, vooral in gevallen waarin de financiële lasten in verband met de bestaande leningen zo omvangrijk zijn, dat zij het bestaan van de landbouwbedrijven in gevaar kunnen brengen of eventueel zelfs tot hun faillissement kunnen leiden. (Deze criteria worden hierna aangeduid als "de specifieke criteria die de Commissie doorgaans toepast met betrekking tot de steun aan landbouwbedrijven in moeilijkheden".) Daar de Commissie had vastgesteld dat deze drie voorwaarden niet in artikel 5 van wet nr. 44/88 zijn gesteld en bovendien in geen van de vier gevallen waarin artikel 5 is toegepast, in acht zijn genomen, oordeelde zij dat de betrokken steunmaatregelen de mededinging konden vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden en derhalve voldeden aan de criteria van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, zonder voor een van de uitzonderingen van de leden 2 en 3 van dat artikel in aanmerking te kunnen komen. De Commissie heeft de Italiaanse regering aangemaand haar haar opmerkingen mede te delen. III Italië heeft zijn opmerkingen meegedeeld bij brieven van 30 januari, 25 augustus en 1 december 1995. In zijn brieven voert Italië de volgende argumenten aan: 1. Italië wijst, in het algemeen, op de zeer precaire sociale en economische omstandigheden die kenmerkend zijn voor de landbouw en de economie van Sardinië. In het tweede halfjaar van 1992 bedroegen de totale schulden van de landbouwbedrijven in Sardinië 1 613 miljard lire, d.i. 91 % van de brutowaarde van de landbouwproductie van de regio, terwijl het nationale gemiddelde 19 % bedroeg (van het totale bedrag had ongeveer 350 miljard lire betrekking op leningen met verlaagde rente die zijn toegekend naar aanleiding van natuurrampen). Volgens Italië zou een weigering van de regionale overheid om consolidatieleningen toe te kennen in deze omstandigheden zeer ernstige sociale consequenties en nadelige gevolgen voor de openbare veiligheid hebben gehad. 2. Het besluit van de regionale overheid om een verlaging van de rente voor de consolidatieleningen toe te staan (besluit op basis van de in elk van de vier besluiten "ad hoc" vastgestelde criteria) heeft geen invloed gehad op de uitvoering van het onderzoek waaraan de banken elke aanvraag om financiering hebben onderworpen. De banken konden namelijk de consolidatieaanvraag weigeren wanneer er niet voldoende garanties waren dat, zelfs met de steun van de regio, de lening zou kunnen worden terugbetaald. Daaruit kan volgens Italië worden geconcludeerd dat de bedrijven waaraan de leningen zijn toegekend, levensvatbaar waren. 3. De vorm van de steun (leningen voor schuldconsolidatie) omvat geen toekenning van een nieuwe financiering maar een spreiding van de schulden over een langere periode. 4. Wat de in 1988, respectievelijk in 1992, verleende steun betreft (bestemd voor respectievelijk de glastuinbouw en alle landbouwbedrijven met schulden), wijst Italië erop dat de regio had besloten deze steun toe te kennen wegens de crisissituatie van de landbouwbedrijven op Sardinië die investeringen hadden gedaan waarvoor zij financiële verplichtingen hadden aangegaan die zij als gevolg van diverse ongunstige factoren niet konden nakomen (langdurige droogte, marktcrisis, onvoldoende organisatie bij de afzet van de producten, hoge rentevoet). Uit het feit dat bij de regio Sardinië 7 500 financieringsaanvragen zijn ingediend blijkt duidelijk de omvang van de crisis. Volgens de Italiaanse autoriteiten kan in al deze gevallen een zo veralgemeend verschijnsel niet zijn toe te schrijven aan een verkeerd beheer van de bedrijven, maar moet het integendeel een gevolg zijn van objectieve oorzaken die in buitensporige schulden van de bedrijven hebben geresulteerd. 5. Wat de steun betreft die 1990 aan de bosbouwbedrijven is toegekend, is Italië van mening dat deze om diverse redenen apart moet worden beoordeeld. Op het ogenblik dat de consolidatieleningen werden toegekend, hadden de betrokken bedrijven reeds enkele investeringen gedaan en waren andere investeringen gaande. Bovendien waren de in het verleden uitgevoerde aanplantingen nog niet rijp voor een rendabele kap, zodat de betrokken bedrijven de aangegane leningen nog niet konden terugbetalen. Voor een rendabele kap moeten de bomen een bepaalde ouderdom hebben (18-20 jaar). Volgens de Italiaanse autoriteiten moet alle financiële steunverlening aan dergelijke bedrijven in de periode voor de kap worden beschouwd als investeringssteun. 6. Met betrekking tot de steun voor de konijnenhouders wijst Italië erop, dat een aantal van de begunstigde bedrijven alle dieren had verloren. IV Italië is zijn verplichting uit hoofde van artikel 93, lid 3, van het Verdrag niet nagekomen, in de eerste plaats omdat het de betrokken steunmaatregelen niet in het ontwerpstadium heeft aangemeld en, in de tweede plaats, omdat het deze maatregelen ten uitvoer heeft gelegd zonder dat de Commissie zich erover heeft kunnen uitspreken. Als gevolg van een en ander is een bijzonder ernstige situatie ontstaan, aangezien de betrokken steunmaatregelen, door hun aard en om de hierna uiteengezette redenen, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 van het Verdrag. Toen de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag bedoelde procedure werd ingeleid, was de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (4) (hierna "kaderregeling" genoemd) nog niet in werking getreden. Daarom golden in dit geval slechts de door de Commissie inzake steun aan landbouwbedrijven in moeilijkheden gehanteerde criteria. De kaderregeling heeft de lidstaten de mogelijkheid gegeven, in plaats van vorengenoemde criteria de voor de andere productiesectoren vastgestelde criteria toe te passen (punt 2.2 van de kaderregeling). Italië heeft, na de inwerkingtreding van de kaderregeling, niet gevraagd om de daarin vervatte criteria toe te passen. Het heeft evenmin argumenten aangevoerd om de toepasselijkheid aan te vechten van "de specifieke criteria die de Commissie doorgaans toepast met betrekking tot de steun aan landbouwbedrijven in moeilijkheden", waarop de Commissie haar besluit om de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag bedoelde procedure in te leiden, had gebaseerd, en heeft evenmin argumenten aangevoerd om aan te tonen dat de betrokken gevallen voldoen aan de door de genoemde criteria gestelde voorwaarden waaraan reddingssteun moet voldoen om als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te kunnen worden beschouwd. De Commissie stelt derhalve vast, dat de in de kaderregeling van 1994 gestelde voorwaarden niet in acht zijn genomen. De betrokken steun kan niet worden beschouwd als reddingssteun in de zin van deze regeling, omdat bij dergelijke maatregelen leningen tegen markttarief (of garanties) moeten worden verstrekt, waarvan de looptijd en het bedrag beperkt zijn tot hetgeen strikt noodzakelijk is om het bedrijf te saneren (zie punt 3.1 van de kaderregeling). De betrokken steunmaatregelen voldoen evenmin aan de voorwaarden die bij voornoemde kaderregeling zijn vastgesteld voor herstructureringssteun. De regionale overheid heeft de toekenning van de steun enkel afhankelijk gesteld van de voorwaarde, dat de schulden van het bedrijf groter waren dan een bepaald percentage van de brutowaarde van de productie, en niet van het bestaan van een herstructureringsplan om de rendabiliteit te herstellen, zonder de mededinging te beïnvloeden op een wijze die strijdig is met het gemeenschappelijk belang (zie punt 3.2 van de kaderregeling). De vóór de toekenning van de consolidatielening door de financiële instellingen gemaakte analyse kan het onderzoek om de economische en financiële toestand van het bedrijf door te lichten in de zin van de kaderregeling of van "de specifieke criteria die de Commissie doorgaans toepast met betrekking tot de steun aan landbouwbedrijven in moeilijkheden" niet vervangen. De analyse die door de banken was uitgevoerd nadat de regio de rentesubsidie voor leningen had toegekend, was, zoals de Italiaanse autoriteiten hebben toegegeven, alleen bedoeld om zich ervan te vergewissen dat de financiële situatie van het bedrijf zodanig was, dat kon worden aangenomen dat de lening tijdig zou worden terugbetaald. De opmerking van Italië, dat de Commissie rekening moet houden met het feit dat geen nieuwe financieringen zijn toegekend, maar dat alleen een spreiding van de bestaande schulden over een langere termijn was toegestaan (waarbij de regio een deel van de uit de schuldherschikking voortvloeiende kosten voor haar rekening nam) is niet relevant wanneer wordt beoordeeld, of de betrokken steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Volgens de Italiaanse autoriteiten zouden enkele van de begunstigde bedrijven in de periode vóór de toekenning van de betrokken steun investeringen hebben gedaan. In deze bijzondere gevallen zou dus zijn voldaan aan het eerste van de drie criteria die de Commissie toepast bij haar beoordeling van steun aan landbouwbedrijven in moeilijkheden. Dit criterium is echter slechts een aanvullende voorwaarde, naast de andere twee specifieke criteria: uit het feit dat het bedrijf waaraan saneringssteun is toegekend in het verleden investeringen heeft gedaan, kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat de steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. De Commissie stelt voorts vast, dat in geen van de gevallen waarin artikel 5 van wet nr. 44/88 is toegepast, het feit dat investeringen zijn gedaan als voorwaarde is gesteld voor toekenning van de steun. Italië voert een aantal "objectieve oorzaken" aan die de buitensporige schulden van de begunstigde bedrijven zouden hebben veroorzaakt: droogte, afzetcrisis, hoge rentevoeten, ontoereikende organisatie in het stadium van de afzet. Afgezien van deze laatste factor, die niet kan worden beschouwd als extern aan het bedrijf, zijn bepaalde van deze oorzaken, hoewel ze onmiskenbaar "extern" zijn aan het bedrijf wanneer men dit afzonderlijk beschouwt (marktcrisis), echter een gevolg van ontwikkelingen op de markt, waaraan elke ondernemer het hoofd moet bieden. Wat de klimaatsfactoren (droogte) betreft, die in enkele van de betrokken bedrijven mede oorzaak van de financiële crisis geweest kunnen zijn, dient er in de eerste plaats op te worden gewezen, dat de voorwaarden voor de toekenning van de betrokken steun geen enkele verwijzing bevatten naar verschijnselen van deze aard (met andere woorden de klimaatsfactor is niet de reden - of één van de redenen - waarom de steun is toegekend). Dergelijke omstandigheden kunnen trouwens alleen als een geldige reden voor verlening van staatssteun als schadevergoeding worden beschouwd, indien is voldaan aan bepaalde specifieke voorwaarden die garanderen dat de klimaatsfactor een minimale intensiteit heeft gehad waar beneden de gevolgen tot de normale risico's van de exploitatie van een landbouwbedrijf moeten worden gerekend. In "de specifieke criteria die de Commissie doorgaans toepast met betrekking tot de steun aan landbouwbedrijven in moeilijkheden" wordt rekening gehouden met de stijging van de rente voor leningen waarmee door het bedrijf in moeilijkheden in het verleden gedane investeringen worden gefinancierd: in dat geval mag de steun niet hoger zijn dan het verschil tussen de rentevoet bij het afsluiten van de lening en de huidige, hogere rentevoet. Wat de door Italië aangevoerde argumenten ten aanzien van de steun aan bosbouwbedrijven betreft, is het juist dat de investeringen in aanplantingen in deze sector om evidente redenen veel later renderen dan in andere sectoren. De Commissie deelt echter niet het door de Italiaanse autoriteiten verdedigde standpunt, dat alle door een bosbouwbedrijf in de periode tussen de aanplant en de kap gedane uitgaven als investeringsuitgaven moeten worden beschouwd. De door de regio Sardinië aan deze bedrijven toegekende steun is onder meer gebruikt om schulden in verband met het normale beheer van het bedrijf, de sociale lasten en de bezoldiging van het personeel, de pacht en leveranties, te financieren. Ook wat de schulden als gevolg van investeringen betreft, heeft Italië niet aangetoond dat het de andere criteria van "de specifieke criteria die de Commissie doorgaans met betrekking tot de steun aan landbouwbedrijven in moeilijkheden toepast" of van de kaderregeling, waaraan moet zijn voldaan opdat nationale steun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd, in acht heeft genomen. Ten aanzien van de steun die in 1990 is toegekend aan konijnenhouders, voert Italië aan dat op enkele begunstigde bedrijven door een virale epizoötie alle dieren verloren waren gegaan. De betrokken maatregel gold echter niet uitsluitend voor deze bedrijven (in het besluit waarmee de Giunta regionale toestemming heeft gegeven om de steun toe te kennen was als voorwaarde voor de steun bepaald dat op het betrokken bedrijf als gevolg van de epizoötie ten minste 20 % van de konijnen moest zijn gestorven). Volgens de vaste praktijk van de Commissie inzake door epizoötieën veroorzaakte schade, moet steun om dergelijke schade te vergoeden aan bepaalde voorwaarden voldoen om als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te kunnen worden beschouwd. Deze voorwaarden zijn inzonderheid, dat de overheid in het algemeen belang een programma voor de uitroeiing van de epizoötie uitvoert en dat de steun niet hoger is dan de door de epizoötie veroorzaakte verliezen (compenserende steun). De Italiaanse autoriteiten hebben geen informatie verstrekt om aan te tonen dat aan deze voorwaarden is voldaan. Rekening houdende met het voorafgaande kan de Commissie de door Italië aangevoerde argumenten derhalve niet aanvaarden. Het is theoretisch altijd mogelijk, dat een wetsbepaling die is toegepast voordat de Commissie kon nagaan of zij verenigbaar was met de mededingingsregels en die is opgesteld in algemene bewoordingen die niet garanderen dat is voldaan aan de voorwaarden die door de communautaire wetgeving zijn vastgesteld opdat staatssteun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd, op zodanige wijze ten uitvoer is gelegd dat aan deze voorwaarden is voldaan. In dat geval had de Commissie, zo de beschikbare informatie daartoe de mogelijkheid had geboden, achteraf kunnen verifiëren of de specifieke uitvoeringsgevallen verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt. In het onderhavige geval zijn de achteraf door Italië aangevoerde rechtvaardigingen (natuurrampen, epizoötieën, investeringen), die in de richting van deze mogelijkheid lijken te wijzen, niet met voldoende nauwkeurige gegevens gestaafd om in deze concrete gevallen de verenigbaarheid van de steun te kunnen nagaan. V De betrokken maatregelen voldoen aan de criteria van artikel 92, lid 1, van het Verdrag en kunnen niet in aanmerking komen voor één van de uitzonderingen die zijn vermeld in de leden 2 en 3 van dat artikel. Zij hebben een rechtstreeks effect op de productiekosten van de begunstigden, waardoor hun een voordeel wordt toegekend ten opzichte van landbouwers, in Italië of in andere lidstaten, die een dergelijke steun niet hebben ontvangen. Dergelijke maatregelen kunnen het handelsverkeer van landbouwproducten ongunstig beïnvloeden, omdat alle steun voor de binnenlandse productie dit handelsverkeer beïnvloedt. Artikel 92, lid 1, van het Verdrag bepaalt, dat steun die aan de aldaar vermelde criteria voldoet in beginsel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Mogelijke uitzonderingen zijn vermeld in de leden 2 en 3 van datzelfde artikel. De in artikel 92, lid 2, onder a) en c) bedoelde uitzonderingen zijn kennelijk niet van toepassing. Italië heeft geen informatie verstrekt op grond waarvan de in lid 2, onder b), van dat artikel bedoelde uitzondering in dit bijzondere geval zou kunnen worden toegepast. Om in aanmerking te komen voor de in artikel 92, lid 3, bedoelde uitzondering moet het gaan om maatregelen die in het algemeen belang zijn en niet uitsluitend in het belang van enkele specifieke sectoren van de nationale economie. Deze uitzonderingen, die in restrictieve zin moeten worden uitgelegd, mogen inzonderheid slechts worden toegepast in gevallen waarin de Commissie zich ervan kan vergewissen dat de steun noodzakelijk is voor het bereiken van een van de doelstellingen die in de betreffende bepalingen zijn aangegeven. Deze uitzonderingen toepassen voor steunmaatregelen die niet aan deze voorwaarde voldoen, zou erop neerkomen dat wijzigingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten en mededingingsdistorsies worden toegestaan die niet door het gemeenschappelijk belang gerechtvaardigd zijn en zou de marktdeelnemers in bepaalde lidstaten onverschuldigde voordelen geven. In het onderhavige geval kan uit de voorwaarden voor de toekenning van de steun niet worden geconcludeerd dat aan de genoemde voorwaarde is voldaan. Italië heeft namelijk geen redenen aangevoerd - en de Commissie heeft er ook geen kunnen vinden - waaruit blijkt dat de betrokken steun voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van een van de in artikel 92, lid 3, van het Verdrag bedoelde uitzonderingen (5). De betrokken maatregelen zijn er niet op gericht de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen in de zin van artikel 92, lid 3, onder b). Wegens het effect dat zij op het handelsverkeer kunnen hebben, zijn zij integendeel strijdig met het gemeenschappelijk belang. Zij zijn evenmin bedoeld om een ernstige verstoring in de economie van de lidstaat op te heffen, in de zin van dezelfde bepaling, en het zijn evenmin steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen in de zin van artikel 93, lid 3, onder d). Aangaande de in artikel 92, lid 3, onder a) en c), bedoelde uitzonderingen voor steunmaatregelen om de economische ontwikkeling van bepaalde regio's of bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te bevorderen of te vergemakkelijken, is de Commissie van oordeel dat de onderhavige maatregelen, gezien de voorafgaande analyse en de geldende communautaire regels, als steun voor de bedrijfsvoering moeten worden beschouwd en dus niet geschikt zijn om een duurzame verbetering van de omstandigheden in de betrokken sector en in de betrokken regio te bewerkstelligen. Deze steunmaatregelen komen dus niet in aanmerking voor één van de uitzonderingen die zijn vermeld in artikel 92, lid 3, van het Verdrag. Zij zijn derhalve onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. VI Krachtens artikel 93, lid 3, van het Verdrag hadden de betrokken steunmaatregelen bij de Commissie moeten worden aangemeld. Doordat Italië deze verplichting niet is nagekomen, heeft de Commissie zich over deze steun niet kunnen uitspreken voordat hij in werking trad en voordat hij werd toegekend. Aangezien de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag bepaalde procedurevoorschriften, waarvan het Hof van Justitie in, onder meer, zijn arresten van 19 juni 1973 (zaak 77/72) (6) en van 21 november 1991 (zaak 354/90) (7) de rechtstreekse werking heeft erkend, geen uitzonderingen dulden, kan de onwettigheid van de steun niet a posteriori ongedaan worden gemaakt. Indien een steunmaatregel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, moet de Commissie gebruik maken van de bevoegdheid die bij het arrest van het Hof van Justitie van 12 juli 1973 in zaak 70/72 (8) is erkend en bij de arresten van 24 februari 1987 (zaak 310/85) (9) en 20 september 1990 (zaak C-5/89) (10) is bevestigd, en de lidstaat verplichten de onwettig verleende steun van de begunstigden terug te vorderen. In het onderhavige geval is terugbetaling noodzakelijk om, indien mogelijk, de oorspronkelijke situatie te herstellen en alle financiële voordelen die de bedrijven waaraan de omwettige steun is toegekend, sinds de betaling van de steun hebben genoten, ongedaan te maken. Rekening houdende met het voorafgaande, moet de steun die uit hoofde van artikel 5 van wet nr. 44/88 (besluiten van de Giunta regionale van 30 december 1988, 27 juni 1990, 20 november 1990 en 26 juni 1992) door de regio Sardinië is toegekend, worden terugbetaald. Daar de betrokken steun is toegekend in de vorm van een rentesubsidie, is het onverschuldigde financiële voordeel gelijk aan het verschil tussen de kosten van door banken verstrekte leningen voor de consolidatie van schulden, tegen markttarief, en de kosten van de consolidatieleningen waarvoor de in artikel 5 van wet nr. 44/88 bedoelde regionale steun aan de begunstigden is toegekend. Het bedrag dat volgens het Italiaanse recht moet worden terugbetaald, omvat de onwettig toegekende steun, vermeerderd met de rente over dit bedrag sinds de datum waarop de steun is betaald. De toe te passen rentevoet is het referentiepercentage dat wordt gehanteerd ter bepaling van het subsidie-equivalent in het kader van regionale steunmaatregelen (11), HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 De steun die door de regio Sardinië uit hoofde van artikel 5 van regionale wet nr. 44/88 en de besluiten van de Giunta regionale van 30 december 1988, 27 juni 1990, 20 november 1990 en 26 juni 1992 is verleend, is onwettig, omdat hij is toegekend zonder dat de Commissie zich in het ontwerpstadium erover heeft kunnen uitspreken. De steun is bovendien onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag en voldoet niet aan de voorwaarden om voor de in leden 2 en 3 van dat artikel bedoelde uitzonderingen in aanmerking te komen. Artikel 2 1. Italië moet de in artikel 1 bedoelde steun uiterlijk twee maanden na de kennisgeving van deze beschikking intrekken. 2. Uiterlijk zes maanden na de kennisgeving van deze beschikking stelt Italië de nodige maatregelen vast om terugbetaling van de in artikel 1 bedoelde steun te vorderen. 3. De terugbetaling geschiedt overeenkomstig de bij de Italiaanse wet vastgestelde procedures; de rente loopt vanaf de datum waarop de steun is betaald. De toe te passen rentevoet is het referentiepercentage dat wordt gehanteerd ter bepaling van het subsidie-equivalent in het kader van regionale steunmaatregelen. Artikel 3 1. Italië deelt de Commissie mede, welke maatregelen het heeft genomen om aan deze beschikking te voldoen. De eerste mededeling vindt binnen twee maanden na de kennisgeving van deze beschikking plaats. 2. Binnen twee maanden na het verstrijken van de in artikel 2, lid 2, bedoelde termijn, verstrekt Italië de Commissie de nodige informatie om zonder verder onderzoek te kunnen nagaan, of aan de verplichting tot terugvordering is voldaan. Artikel 4 Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse republiek. Gedaan te Brussel, 16 april 1997. Voor de Commissie Franz FISCHLER Lid van de Commissie (1) PB C 271 van 29. 9. 1994, blz. 14. (2) PB L 128 van 19. 5. 1975, blz. 1. (3) PB L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1. (4) PB C 368 van 23. 12. 1994, blz. 12. (5) Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 8 juni 1995 in zaak T-459/93 (Siemens tegen Commissie), Jurisprudentie 1995, blz. II-1675. (6) Jurisprudentie 1973, blz. 611. (7) Jurisprudentie 1991, blz. I-5505. (8) Jurisprudentie 1973, blz. 813. (9) Jurisprudentie 1987, blz. 901. (10) Jurisprudentie 1990, blz. I-3437. (11) PB C 232 van 10. 8. 1996, blz. 10.