<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><CONCLUSION xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="ECRCJ1962NLA.0100000101.case.xml"><NO.CASE>10/61</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61961C0010</NO.CELEX><NO.SEQ>0001.0002</NO.SEQ><PAGE.FIRST>25</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>39</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>15</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><LEFT>JURISPRUDENTIE VAN HET HOF VAN JUSTITIE</LEFT><RIGHT>ZAAK No. 10-61 — CONCLUSIES</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P>Conclusies van de advocaat-generaal</P><P><HT TYPE="UC">M. Lagrange</HT></P><P><DATE ISO="19611207">7 december 1961</DATE></P></TI><STI><P>Vertaald uit het Frans</P></STI></TITLE><?PAGE NO="26"?><?PAGE NO="27"?><CONTENTS.CONCLUSION><P><HT TYPE="ITALIC">Mijnheer de President, mijne heren Rechters</HT>,</P><P>Dit tweede rechtsgeding betreffende de toepassing van het Verdrag van Rome speelt zich af tussen dezelfde partijen en volgens dezelfde procedure als het eerste, namelijk op grond van de artikelen 169 en 171, welke handelen over het geval dat het Hof op verzoek van de Commissie constateert dat een Lid-Staat een der krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Dit geding heeft evenals het voorgaande betrekking op de toepassing van de <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>standstill<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/> -regel, ditmaal echter niet naar aanleiding van een kwantitatieve beperking, doch van een douanerecht (artikelen 12 tot 14).</P><P><HT TYPE="ITALIC">Artikel 12 bepaalt:</HT></P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>De Lid-Staten onthouden zich ervan onderling nieuwe in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren en de rechten en heffingen te verhogen welke zij in hun onderlinge handelsbetrekkingen toepassen<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>.</P></QUOT.S><P><HT TYPE="ITALIC">Artikel 14, lid 1, bepaalt:</HT></P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>Voor ieder produkt is het basisrecht waarop de achtereenvolgende verlagingen moeten worden toegepast, het op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> toegepaste recht<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>.</P></QUOT.S><P>Het geschil handelt over de vraag welk <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>recht op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> werd toegepast<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/> voor de invoer in Italië van radio-elektrische lampen en buizen voor radio-ontvangtoestellen, behorend tot de tariefpost 1204 d van het Italiaanse douanetarief.</P><P>Volgens de Italiaanse Regering was dit een recht van 30 % <HT TYPE="ITALIC">ad valorem</HT>, met een specifiek minimum van 150 lire per eenheid, volgens het op <DATE ISO="19560523">23 mei 1956</DATE> te Genève ondertekende Zesde Protocol houdende aanvullende concessies bij de G.A.T.T.: deze overeenkomst is eerst geratificeerd krachtens een wet van <DATE ISO="19580102">2 januari 1958</DATE>, gepubliceerd op <DATE ISO="19580217">17 februari 1958</DATE>, doch was voorlopig in werking getreden krachtens een decreet van de President van de Republiek dd. <DATE ISO="19560712">12 juli<?PAGE NO="28"?> 1956</DATE>, gepubliceerd op <DATE ISO="19560714">14 juli 1956</DATE>, derhalve vóór <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE>. Weliswaar werd in een rondschrijven van <DATE ISO="19560713">13 juli 1956</DATE> bepaald dat het vroegere voor deze tariefpost geldende recht van 35 % zonder specifiek minimum gehandhaafd zou blijven indien dit voor de importeur gunstiger was, doch op dit rondschrijven — een maatregel die slechts bij wijze van gunst is verleend — mag geen beroep worden gedaan tegenover het nieuwe tarief, dat het enige wettelijke tarief is. Dit tarief is derhalve terecht als <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>basisrecht<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/> beschouwd voor de toepassing van de achtereenvolgende door het Verdrag voorgeschreven verlagingen.</P><P>Volgens de Commissie dient te worden gelet op het geheel van regels voortvloeiend uit de toepassing, overeenkomstig het rondschrijven, van het meest voordelige van beide tarieven. Dit geheel van regels vormt <QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>het op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> toegepaste recht<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/>. Hieruit volgt dat het door de Italiaanse Regering gekozen basisrecht in strijd is met het Verdrag voorzover daarbij geen rekening wordt gehouden met het vroegere recht van 35 % zonder specifiek minimum wanneer dit voordeliger is, d.i. in de praktijk voor de radio-elektrische lampen enz. waarvan de belastbare waarde minder bedraagt dan of gelijk is aan 428 lire per stuk.</P><P>De Commissie stelt primair dat dient te worden uitgegaan, niet van het wettelijk toepasselijke recht doch van het recht dat in feite op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> werd toegepast. Subsidiair tracht zij aan te tonen dat op het bewuste tijdstip alleen het tariefstelsel dat voortvloeide uit de toepassing van het meest voordelige van beide rechten in overeenstemming was met de wettelijke in Italië geldende voorschriften, welke in het rondschrijven derhalve op juiste wijze werden geïnterpreteerd.</P><P>De Italiaanse Regering is op beide punten een andere mening toegedaan. Voorts beroept zij zich op artikel 234, lid 1, van het Verdrag betreffende de handhaving van de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit vroegere met derde landen gesloten overeenkomsten, in casu de overeenkomsten welke in 1956 in het kader van de G.A.T.T. tot stand kwamen en waaruit haars inziens voor Italië het recht en zelfs de verplichting voortvloeide, bij uitsluiting het nieuwe recht met het specifieke minimum toe te passen.</P><?PAGE NO="29"?><P>Wij zullen achtereenvolgens deze verschillende vragen behandelen.</P><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>I —</NO.P><TXT>Feitelijk toegepast of wettelijk toepasselijk recht</TXT></NP></TI></TITLE><P>Artikel 12 van het Verdrag luidt als volgt:</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201E"/>De Lid-Staten onthouden zich ervan onderling nieuwe in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren en de rechten en heffingen te verhogen welke zij in hun onderlinge handelsbetrekkingen toepassen<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="201D"/>.</P></QUOT.S><P>Artikel 14, lid 1, bepaalt:</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201E"/>Voor ieder produkt is het basisrecht waarop de achtereenvolgende verlagingen moeten worden toegepast, het op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> toegepaste recht<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="201D"/>.</P></QUOT.S><P>De tekst van het Verdrag pleit dus ten voordele van de opvatting van de Commissie. Dit argument is echter niet beslissend, daar de stelling zou kunnen worden verdedigd dat deze bepalingen impliciet verwijzen naar het wettelijk toegepaste recht. Moet nu in elk afzonderlijk geval worden nagegaan, desnoods aan de hand van de wet en zelfs van de Grondwet, of het feitelijk toegepaste tarief in overeenstemming is met de nationale wetgeving? Kan omgekeerd worden volstaan met uit te gaan van de tarieven die in feite aan de grens worden geheven, zij het dat dit uit onachtzaamheid of bij wege van vergissing geschiedt? Onzes inziens ligt, gelijk dikwijls het geval is, de waarheid hier <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>in het midden<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/>.</P><P>Uitgangspunt is de toestand van <QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201E"/>standstill<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="201D"/> in het ruilverkeer tussen de Lid-Staten. Het komt dus aan op de bestaande tariefbepalingen die op het bewuste tijdstip voor ieder produkt dit ruilverkeer beheersten. Uiteraard kan geen rekening worden gehouden met vergissingen of met in meerdere of mindere mate aan willekeur en verandering onderhevige, oogluikend toegestane afwijkingen die zich bij de inning van de rechten kunnen voordoen. Doch daar staat tegenover, dat het o.i. te ver zou gaan in elk afzonderlijk geval te verlangen of toe te laten dat het geheven recht wordt getoetst aan de wet of zelfs aan de Grondwet. Naar onze mening dient te worden uitgegaan van het uit de officiële lijsten voortvloeiende tarief, met<?PAGE NO="30"?> inbegrip van de wijzigingen en interpretaties die ter kennis van het publiek worden gebracht en door de administratie worden toegepast, alsmede van eventuele opschortingen of afwijkingen van het tarief: van de heffingen die daar het gevolg van zijn kan inderdaad worden gezegd dat zij het ruilverkeer regelen. Weliswaar heeft een heffingplichtige steeds het recht, zich te verzetten tegen de heffing die hem wordt opgelegd, met een beroep op de onwettigheid of ongrondwettigheid ervan, doch alvorens een bezwaarschrift wordt ingediend, het verzoek wordt toegewezen en het tarief dienovereenkomstig wordt gewijzigd, is het wel degelijk het toegepaste tarief dat de internationale handel beheerst, en daar gaat het om.</P><P>Het voorgaande komt hierop neer dat wij U voorstellen genoegen te nemen met wat zou kunnen worden aangeduid als <QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201E"/>klaarblijkelijke geldigheid<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="201D"/>: wanneer er een officiële interpretatie bestaat van de bevoegde instantie en in overeenstemming daarmede aan de uitvoerende ambtenaren instructies worden gegeven voor de vaststelling van de wijze van heffing van een bepaald recht, dan is dat het <QUOT.START ID="QS0012" REF.END="QE0012" CODE="201E"/>toegepaste recht<QUOT.END ID="QE0012" REF.START="QS0012" CODE="201D"/> in de zin van de artikelen 12 en 14 van het Verdrag.</P><P>Een dergelijke uitleg lijkt ons overigens geboden, niet alleen door de strekking van de onderhavige bepalingen, doch ook door de noodzaak dat voor de toepassing van deze bepalingen een eenvoudige en in zekere zin automatische regel geldt, bij gebreke waarvan zich onvermijdelijk onoplosbare verwikkelingen zouden voordoen.</P><P>Bovendien wordt deze uitleg, gelijk de Commissie heeft opgemerkt, bevestigd door artikel 19 van het Verdrag dat handelt over de vaststelling van het gemeenschappelijke douanetarief. Ook daar geldt de regel, dat dient te worden uitgegaan van de <QUOT.START ID="QS0013" REF.END="QE0013" CODE="201E"/>rechten die worden toegepast in de vier douanegebieden welke de Gemeenschap omvat<QUOT.END ID="QE0013" REF.START="QS0013" CODE="201D"/> (artikel 19, lid 1 en 2, eerste alinea). Het bewijs dat het Verdrag hierbij het oog had op de werkelijk toegepaste rechten wordt geleverd door de 3e alinea van het 2e lid van ditzelfde artikel, bepalende dat de posten voorkomende op lijst A in de plaats worden gesteld van de rechten welke op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> feitelijk werden toegepast. Het betrof hier bepaalde rechten van het Franse douanetarief<?PAGE NO="31"?> die op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> tijdelijk waren opgeschort doch binnen zes maanden opnieuw in werking zouden treden, hetgeen ook inderdaad geschiedde. In dit bijzondere geval werd besloten van de regel af te wijken en deze rechten aan te houden zonder rekening te houden met de opschorting welke op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> nog van kracht was. Dit is een voorbeeld van een geval waarin het gezegde <QUOT.START ID="QS0014" REF.END="QE0014" CODE="201E"/>uitzonderingen bevestigen de regel<QUOT.END ID="QE0014" REF.START="QS0014" CODE="201D"/> van toepassing is, temeer omdat op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> in Frankrijk en elders een groot aantal conventionele rechten bestonden, die waren opgeschort, en waarvoor geen uitzondering is gemaakt.</P><P>Verweerster beroept zich op haar beurt op de inhoud van de 2e alinea van het 2e lid van hetzelfde artikel 19, die in het bijzonder handelt over het Italiaanse tarief en bepaalt dat</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0015" REF.END="QE0015" CODE="201E"/>voor de posten van dat tarief waarvoor een conventioneel recht bestaat, dit laatste in de plaats (wordt) gesteld van het toegepaste recht<QUOT.END ID="QE0015" REF.START="QS0015" CODE="201D"/>,</P></QUOT.S><P>waaruit volgt dat het naast elkaar bestaan van twee geconsolideerde basisrechten is uitgesloten: slechts één enkel recht kan basisrecht zijn.</P><P>In de conclusie van repliek bestrijdt de Commissie dit argument op onzes inziens overtuigende wijze. De bepalingen van de 2e alinea van het 2e lid van artikel 19 hebben ten doel in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden een toegepast recht te vervangen door een conventioneel recht, doch geven geen antwoord op de vraag welk van de beide betrokken rechten per <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> in aanmerking behoorde te worden genomen: immers, beide rechten waren conventionele rechten, daar het tarief van 35 % zonder specifiek minimum was geconsolideerd in het Protocol van Annecy van 1949 en het tweede tarief in het Protocol van Genève van 1956. Het voorschrift waarop verweerster zich beroept lost niet de vraag op welk recht van toepassing was en of zij beide tegelijk van toepassing waren. De stelling dat een <QUOT.START ID="QS0016" REF.END="QE0016" CODE="201E"/>toegepast<QUOT.END ID="QE0016" REF.START="QS0016" CODE="201D"/> recht in de zin van het Verdrag in geen geval kan worden gevormd door de combinatie van twee verschillende rechten lijkt ons niet juist. Deze toestand is in de tariefwetgeving niet onbekend; gewoonlijk wordt bepaald dat, indien<?PAGE NO="32"?> verscheidene rechten toepasselijk zijn, het voor de importeur meest gunstige recht wordt toegepast. Aldus ook de Italiaanse wetgeving, zoals uit de geproduceerde stukken blijkt.</P><P>Ten slotte kan nog een argument worden ontleend aan de wijze waarop de bewuste rechten zijn bepaald voor de berekening van het rekenkundig gemiddelde dat als grondslag dient voor de vaststelling van het gemeenschappelijk buitentarief. Hierover is bij de mondelinge behandeling een vraag gesteld.</P><P>Artikel 19 bepaalt, gelijk wij reeds zagen, dat voor deze berekening dient te worden uitgegaan van het rekenkundige gemiddelde van de rechten die worden toegepast in de vier douanegebieden welke de Gemeenschap omvat. Uit het gegeven antwoord kan worden afgeleid, dat de deskundigen in dit geval rekening hebben gehouden met het tweede tarief, oftewel het recht van 30 % met een specifiek minimum van 150 lire per stuk, volgens de door de Italiaanse Regering verschafte inlichtingen. Op grond hiervan is voor de tariefpost in zijn geheel het recht vastgesteld op 33 %, teneinde min of meer globaal rekening te houden met het specifieke minimum. De vertegenwoordiger van de Commissie heeft gesteld dat naar zijn mening het resultaat hetzelfde zou zijn geweest, indien rekening was gehouden met de gelijktijdige toepassing van de beide rechten op het gedeelte van de tariefpost betreffende radio-elektrische lampen en buizen voor radio-ontvangtoestellen, in verband met de veelheid van elementen die de deskundigen bij hun berekening in aanmerking namen.</P><P>Hoe belangrijk deze vraag ook moge zijn uit wetenschappelijk of rechtsvergelijkend oogpunt doordat artikel 19 evenals artikel 14 spreekt van toegepaste rechten, wij geloven niet dat de oplossing van het onderhavige geding hierdoor wordt beïnvloed. Immers, zelfs indien bij de opstelling van het gemeenschappelijke buitentarief een vergissing was gemaakt en deze vergissing, anders dan de Commissie meent, niet was gedekt doordat het buitentarief met eenstemmigheid door de Raad is goedgekeurd op grond van artikel 28, dan nog zou een dergelijke vergissing van generlei invloed zijn op de vraag, op welke wijze de afbraak der douanebeperkingen tussen de Lid-Staten<?PAGE NO="33"?> onderling overeenkomstig artikel 14 tot stand dient te komen. Alleen laatstgenoemde vraag is thans aan het oordeel van Uw Hof onderworpen.</P><P>Van artikel 19 rest ons dan slechts het argument ontleend aan de analogie van deze bepaling met artikel 14: in beide gevallen behoort rekening te worden gehouden (of had rekening behoren te worden gehouden) met de rechten die op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> feitelijk werden toegepast in overeenstemming met de officiële instructies van de bevoegde instanties, in casu het rondschrijven van <DATE ISO="19560713">13 juli 1956</DATE>.</P></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>II —</NO.P><TXT>Berustte het toegepaste systeem op de wet?</TXT></NP></TI></TITLE><P>Uit het voorgaande vloeit voort, dat wij slechts subsidiair en ten overvloede een onderzoek zullen instellen naar deze vraag, waaraan zowel tijdens de schriftelijke behandeling als bij de pleidooien uitgebreide beschouwingen zijn gewijd.</P><P>De volgende punten schijnen vast te staan:</P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>Alleen het Parlement is in Italië bevoegd tot wetgeving inzake douanerechten.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Niettemin zijn aan de uitvoerende macht verscheidene malen bevoegdheden gedelegeerd, in het bijzonder voor het uitvaardigen van tijdelijke maatregelen tot opschorting of verlaging van tarieven.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>De uitvoerende macht is daarentegen niet bevoegd tot verhoging van de wettelijke tarieven.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>4)</NO.P><TXT>De overeenkomst van Genève van 1956 kon eerst van kracht worden na door het Parlement te zijn goedgekeurd. Dit laatste geschiedde na <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE>.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>5)</NO.P><TXT>De Regering achtte het niettemin gewenst de overeenkomst zo spoedig mogelijk in werking te doen treden en maakte daartoe gebruik van de bevoegdheden die haar waren gedelegeerd om de nieuwe rechten in de tarieflijsten op te nemen zonder de goedkeuring af te wachten. Daartoe werd het presidentiële decreet van <DATE ISO="19560712">12 juli<?PAGE NO="34"?> 1956</DATE> uitgevaardigd, in welks bijlage A voor de gehele tariefpost <FT TYPE="CODE">1204</FT> d het recht van 30 % met een minimum van 150 lire per eenheid werd vastgesteld.</TXT></NP></ITEM></LIST><P>Nu rijst de volgende vraag: was dit laatste in overeenstemming met de wet, ook voor zover het nieuwe recht minder gunstig voor de importeur bleek te zijn dan het oude?</P><P>Ja, zegt de Italiaanse Regering, daar het nieuwe recht in ieder geval onder het wettelijke tarief lag (40 % met een specifiek minimum van 200 lire per eenheid).</P><P>Neen, zegt de Commissie, daar het recht van 35 % zonder specifiek minimum was geconsolideerd in een overeenkomst (die van Annecy), die door het Parlement was goedgekeurd.</P><P>Het gaat dus om de vraag, hoever de aan de uitvoerende macht verleende delegatie van bevoegdheid zich uitstrekte: in welke gevallen kon een dergelijke bevoegdheid worden gebruikt voor het bij voorbaat in werking doen treden van een tariefovereenkomst, die wel was ondertekend doch nog niet geratificeerd en waarbij het ene conventionele tarief in de plaats werd gesteld van het andere, terwijl het nieuwe tarief, hoewel ten dele hoger dan het oude, niettemin lager lag dan het wettelijke tarief? Dit is een vraagstuk dat tot het interne recht behoort en wellicht zelfs van constitutionele aard is.</P><P>Wat ons betreft, wij onthouden ons ervan, in deze strijdvraag een standpunt te kiezen en wij betwijfelen zelfs of het Hof terzake bevoegd is.</P><P>Wij wijzen er slechts op, dat de auteur van het rondschrijven van <DATE ISO="19560713">13 juli 1956</DATE> ongetwijfeld een wijs beleid heeft gevolgd door bij de uitleg van het kort tevoren afgekondigde presidentiële decreet te bepalen, dat het nieuwe recht slechts zou worden toegepast voorzover het gunstiger was dan het oude. Dit geheel van regels vormde het op <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE><QUOT.START ID="QS0017" REF.END="QE0017" CODE="201E"/>toegepaste recht<QUOT.END ID="QE0017" REF.START="QS0017" CODE="201D"/>.</P></GR.SEQ><?PAGE NO="35"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>III —</NO.P><TXT>Artikel 234</TXT></NP></TI></TITLE><P>De beide eerste leden van dit artikel luiden als volgt:</P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START ID="QS0018" REF.END="QE0018" CODE="201E"/>De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gesloten tussen een of meer Lid-Staten enerzijds en een of meer derde Staten anderzijds, worden door de bepalingen van dit Verdrag niet aangetast.</ALINEA><ALINEA>Voor zover deze overeenkomsten niet verenigbaar zijn met dit Verdrag maken de betrokken Lid-Staat of Lid-Staten gebruik van alle passende middelen om de vastgestelde onverenigbaarheid op te heffen. Indien nodig verlenen de Lid-Staten elkaar bijstand teneinde dat doel te bereiken en volgen in voorkomende gevallen een gemeenschappelijke gedragslijn<QUOT.END ID="QE0018" REF.START="QS0018" CODE="201D"/>.</ALINEA></QUOT.S><P>Het lijkt ons niet nodig, terug te komen op de lange discussie waartoe de uitleg van deze bepalingen aanleiding heeft gegeven. Wij zijn van mening dat de zin ervan volkomen duidelijk is.</P><P>Het gaat hierbij om de klassieke vraag in hoeverre de partijen bij een Verdrag gebonden zijn aan de vroegere verbintenissen van sommige van deze partijen ten opzichte van buiten het Verdrag staande Staten, de zogenaamde <QUOT.START ID="QS0019" REF.END="QE0019" CODE="201E"/>derde Staten<QUOT.END ID="QE0019" REF.START="QS0019" CODE="201D"/>. In beginsel blijft iedere Staat die partij is bij een Verdrag gehouden tot de verplichtingen die hij tevoren ten opzichte van derde Staten heeft aangegaan, ook al mochten deze in tegenspraak zijn met de verplichtingen die uit het nieuwe Verdrag voortvloeien. Het enige middel ter oplossing van de vraag, hoe deze tegenstelling op te heffen, bestaat daarin dat de Staat gebruik maakt van alle rechten waarover hij beschikt om zich op wettige wijze te ontdoen van de verplichtingen die onverenigbaar zijn met de verbintenissen die hij het laatst heeft aangegaan: het opzeggen van de overeenkomst met inachtneming van de daarin neergelegde vormvereisten en termijnen, het voeren van onderhandelingen tot wijziging van de overeenkomst enz. De bij het nieuwe Verdrag betrokken Staten kunnen zich onderling verbinden, van alle te hunner beschikking staande middelen gebruik te maken teneinde dit resultaat te bereiken, desnoods door wederzijdse hulpverlening. Doch het spreekt vanzelf dat, indien de verplichtingen die voor een Staat uit een Verdrag voortvloeien alleen onverenigbaar zijn met de uitoefening van bepaalde rechten die op grond van vroegere overeenkomsten aan deze Staat toekwamen, er<?PAGE NO="36"?> geen moeilijkheden zijn: deze Staat is op grond van zijn nieuwe verplichtingen slechts gehouden, naar de mate van bedoelde onverenigbaarheid geen verder gebruik te maken van de bewuste rechten.</P><P>Soortgelijke problemen, die naar aanleiding van het Verdrag E.G.K.S. waren gerezen, zijn op bovenomschreven wijze opgelost. Om een voorbeeld te geven dat veel verwantschap vertoont met het onderhavige geval, daar het betrekking heeft op de deconsolidatie van douanerechten: paragraaf 16 van de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen maakt onderscheid tussen rechten welke ten tijde van de inwerkingtreding van het Verdrag nog niet en rechten die reeds wel geconsolideerd waren. Voor eerstgenoemde beperkt paragraaf 16 zich tot het voorschrift, dat elke latere consolidatie is verboden, behoudens toestemming van de Hoge Autoriteit; voor laatstgenoemde is bepaald dat de Hoge Autoriteit</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0020" REF.END="QE0020" CODE="201E"/>in voorkomend geval aan de deelnemende Staten passende aanbevelingen (kan) doen om aan deze consolidaties een einde te maken overeenkomstig de procedure, voorzien in de desbetreffende overeenkomsten<QUOT.END ID="QE0020" REF.START="QS0020" CODE="201D"/>.</P></QUOT.S><P>Wanneer dus het eerste lid van artikel 234 bepaalt:</P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START ID="QS0021" REF.END="QE0021" CODE="201E"/>De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gesloten tussen een of meer Lid-Staten enerzijds en een of meer derde Staten anderzijds, worden door de bepalingen van dit Verdrag niet aangetast<QUOT.END ID="QE0021" REF.START="QS0021" CODE="201D"/>,</ALINEA></QUOT.S><P>dan wordt daarmede dus slechts herinnerd aan een vaststaand beginsel van volkenrecht, hetgeen wellicht uit psychologisch oogpunt niettemin juist was. De enige juridische vraag die in dit verband rijst komt echter in het tweede lid ter sprake, dat handelt over het geval dat de rechten of verplichtingen niet verenigbaar zijn met het Verdrag:</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0022" REF.END="QE0022" CODE="201E"/>voorzover (dit het geval is) maken de betrokken Lid-Staat of Lid-Staten gebruik van alle passende middelen om de vastgestelde onverenigbaarheid op te heffen<QUOT.END ID="QE0022" REF.START="QS0022" CODE="201D"/>.</P></QUOT.S><P>Indien de onverenigbaarheid betrekking heeft op een recht dat een Lid-Staat aan een vroegere overeenkomst ontleende, bestaat het <QUOT.START ID="QS0023" REF.END="QE0023" CODE="201E"/>passende middel<QUOT.END ID="QE0023" REF.START="QS0023" CODE="201D"/> alleen daarin dat de betreffende Staat afziet van<?PAGE NO="37"?> de uitoefening van dit recht. Indien zij betrekking heeft op een recht van een derde Staat of op een verplichting van een Lid-Staat ten opzichte van een derde Staat, dan dienen de nodige stappen te worden genomen om aan deze onverenigbaarheid op wettige wijze een eind te maken.</P><P>Hoe staat het hiermede in ons geval? In de eerste plaats: is de overeenkomst van Genève onverenigbaar met het Verdrag voorzover daarbij voor de radio-elektrische lampen en buizen voor radioontvangtoestellen het nieuwe recht van 30 % met specifiek minimum in de plaats is gesteld van het recht van 35 % zonder specifiek minimum?</P><P>Indien Gij onze zienswijze (dat wil zeggen de stelling van de Commissie) ten aanzien van het eerste punt volgt, dan vloeit hieruit voort dat de Italiaanse Regering in strijd met de artikelen 12 en 14 heeft gehandeld door na de inwerkingtreding van het Verdrag het nieuwe recht toe te passen en dit als grondslag voor de achtereenvolgende verlagingen te nemen, voorzover het hoger is dan het vroegere recht, d.w.z. voor de lampen voor radio-ontvangtoestellen waarvan de waarde gelijk is aan of minder bedraagt dan 428 lire. Doch de uit het Verdrag voortvloeiende verplichting, het nieuwe geconsolideerde recht slechts gedeeltelijk toe te passen, staat eenvoudig gelijk met het doen van afstand door de Italiaanse Staat van de uitoefening van een recht dat deze op grond van dit tarief bezat; deze afstand van recht geldt echter niet voor de derde Staten, ten opzichte waarvan het nieuwe tarief vanaf de inwerkingtreding van kracht blijft en blijven zal totdat het gemeenschappelijke buitentarief wordt vastgesteld. De afstand van recht is dus niets anders dan de toepassing door de Italiaanse Regering ten opzichte van de andere Lid-Staten van enkele bepalingen van het Verdrag, namelijk de bepalingen betreffende de afbraak der douanebeperkingen.</P><P>Men kan zich de vraag stellen of een dergelijke oplossing niet discriminerend is ten opzichte van derde landen die, hoewel zij bij dezelfde overeenkomst (namelijk de G.A.T.T.) partij zijn, niettemin niet het meest voordelige van de twee tarieven, doch uitsluitend het nieuwe tarief op zich zien toegepast, terwijl hun partners die lid zijn<?PAGE NO="38"?> van de E.E.G. niet alleen tariefverlagingen genieten (hiertegen valt weinig bezwaar te maken), doch tariefverlagingen welke naar een voordeliger basisrecht zijn berekend. Het gevolg zou zijn een verstoring van de concurrentie, bij voorbeeld tussen de Verenigde Staten en Duitsland, op de Italiaanse markt.</P><P>Wij achten deze tegenwerping echter ongegrond. Het betreft hier eenvoudig de gevolgen van de toepassing van het Verdrag. Ook de bewuste derde Staten hebben op grond van het rondschrijven van <DATE ISO="19560713">13 juli 1956</DATE> de voordelen genoten van de gelijktijdige toepassing van de twee rechten, doch sedert de toepassing van het nieuwe tarief ten gevolge van de ratificatie van de overeenkomst van Genève, zijn zij uitsluitend onderworpen aan laatstgenoemd tarief. De wijze waarop de Lid-Staten onderling de afbraak der douanebeperkingen tot stand brengen is geen onderwerp van kritiek voor derde Staten, wanneer deze afbraak overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag tot stand komt en geen inbreuk maakt op de rechten die deze Staten aan de van kracht zijnde overeenkomsten ontlenen. Op deze gronden menen wij dan ook, dat het aan artikel 234 ontleende betoog niet opgaat.</P><P>Resumerend zijn wij derhalve van oordeel dat in dit rechtsgeding alleen de opvatting van de Commissie in overeenstemming is met het Verdrag.</P><P>Alvorens te besluiten willen wij er niettemin de nadruk op leggen dat hier uitsluitend juridische overwegingen gelden, waarvan de voornaamste deze is dat er een eenvoudige en in zekere zin automatisch werkende regel dient te bestaan, doch dat het in casu zowel op logische als op economische gronden valt te betreuren, dat het uit de overeenkomsten van Genève voortvloeiende tarief, hetwelk het meest recent is, kort na de fatale termijn van <DATE ISO="19570101">1 januari 1957</DATE> in werking is getreden en het ruilverkeer tussen alle leden van de G.A.T.T. beheerst, niet als basis kan worden genomen voor de tariefverlagingen tussen de Lid-Staten. Wij kunnen in ieder geval zeer wel begrijpen, dat de Italiaanse Regering zich in deze zaak niet vrijwillig voor de opvatting van de Commissie heeft gebogen en er op heeft gestaan dat de vraag aan het Hof zou worden voorgelegd.</P><?PAGE NO="39"?><P>Op grond van bovenstaande overwegingen concluderen wij:</P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>tot verklaring voor recht dat de Italiaanse Regering een der krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat zij na de inwerkingtreding van het Verdrag, voor wat betreft uit de andere Lid-Staten ingevoerde radio-elektrische lampen en buizen voor radio-ontvangtoestellen waarvan de belastbare waarde minder bedraagt dan of gelijk is aan 428 lire per stuk, een specifiek minimumrecht heeft toegepast van 150 lire en door dit als grondslag te nemen voor de berekening van de achtereenvolgende verlagingen van de douanerechten ten opzichte van de andere Lid-Staten;</P></ITEM><ITEM><P>en tot veroordeling van de Regering van de Italiaanse Republiek in de kosten.</P></ITEM></LIST></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>