<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.58-20161101.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>C-457/17</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62017CC0457</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:697">EU:C:2018:697</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>10</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>10</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P><HT TYPE="SC">Conclusie van adv.-gen. Sharpston – Zaak C‑457/17</HT></P><P><HT TYPE="SC">Maniero</HT></P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">E. Sharpston</HT></P><P>van <DATE ISO="20180911">11 september 2018</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0001"><P>Oorspronkelijke taal: Engels.</P></NOTE></P></TI><STI><P><HT TYPE="BOLD">Zaak C‑457/17</HT></P><P>Heiko Jonny Maniero</P><P>tegen</P><P>Studienstiftung des deutschen Volkes eV</P><P><HT TYPE="NORMAL">[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]</HT></P></STI></TITLE><INTERMEDIATE><INDEX IDX.CLOSE="”" SEPARATOR=" – " IDX.OPEN="„"><KEYWORD>Richtlijn 2000/43/EG</KEYWORD><KEYWORD>Gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming</KEYWORD><KEYWORD>Artikel 3, lid 1, onder g)</KEYWORD><KEYWORD>Onderwijs</KEYWORD><KEYWORD>Studiebeurzen die worden toegekend aan studenten die zijn geslaagd voor het eerste staatsexamen rechtsgeleerdheid</KEYWORD></INDEX></INTERMEDIATE><CONTENTS.CONCLUSION><GR.SEQ LEVEL="1"><NP.ECR IDENTIFIER="NP0001"><NO.P>1.</NO.P><TXT><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0001" REF.END="QE0001"/>Dat, meer dan ook, het onderwijs van de jeugd een wetgever tot zorg moet zijn, zal niemand betwisten […] maar wat onderwijs moet inhouden […], mag niet verzwegen worden.<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="201D" ID="QE0001"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0002"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0002" REF.END="QE0002"/>&#x1F4D;τι μ&#x1F72;ν ο&#x1F56;ν τ&#x1FF7; νομοθέτ&#x1FC3; μάλιστα πραγματευτέον περ&#x1F76; τ&#x1F74;ν τ&#x1FF6;ν νέων παιδείαν, ο&#x1F50;δε&#x1F76;ς &#x1F02;ν &#x1F00;μφισβητήσειε... τίς δ&#x1FBD;&#x1F14;σται &#x1F21; παιδεία... δε&#x1FD6; μ&#x1F74; λανθάνειν.<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="201D" ID="QE0002"/> Aristoteles, <HT TYPE="ITALIC">Politica</HT>, boek 8.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0002"><NO.P>2.</NO.P><TXT>De Europese wetgever heeft inderdaad wetgeving goedgekeurd in dat verband, die onder meer het recht erkent op onderwijs als een grondrecht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0003"><P>Artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="364" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2000">PB 2000, C 364, blz. 1</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0003" REF.END="QE0003"/>Handvest<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="201D" ID="QE0003"/>).</P></NOTE> Hij heeft het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0004" REF.END="QE0004"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/> evenwel niet omschreven. Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing wordt het Hof verzocht om een antwoord te formuleren op die aloude vraag, die nu rijst in het kader van het Unierecht en meer bepaald van richtlijn 2000/43/EG<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0004"><P>Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van <DATE ISO="20000629">29 juni 2000</DATE> houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="180" PAGE.FIRST="22" DATE.PUB="2000">PB 2000, L 180, blz. 22</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>. Wat houdt onderwijs in?</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Toepasselijke bepalingen</HT></P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Richtlijn 2000/43</HT></HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0003"><NO.P>3.</NO.P><TXT>Richtlijn 2000/43 heeft tot doel een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0005"><P>Artikel 1.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0004"><NO.P>4.</NO.P><TXT>Artikel 2, lid 1, voorziet in een verbod van zowel directe als indirecte discriminatie op grond van ras of etnische afstamming. Volgens artikel 2, lid 2, is er sprake van directe discriminatie <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0005" REF.END="QE0005"/>wanneer iemand op grond van ras of etnische afstamming ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld<QUOT.END REF.START="QS0005" CODE="201D" ID="QE0005"/>, en van indirecte discriminatie <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0006" REF.END="QE0006"/>wanneer een<?PAGE NO="2"?> ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze personen van een bepaald ras of een bepaalde etnische afstamming in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelswijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn<QUOT.END REF.START="QS0006" CODE="201D" ID="QE0006"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0005"><NO.P>5.</NO.P><TXT>Artikel 3, lid 1, bepaalt dat de richtlijn van toepassing is <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0007" REF.END="QE0007"/>binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, […] zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen […] met betrekking tot: […] g) onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0007" CODE="201D" ID="QE0007"/>.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Nationale wetgeving</HT></HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0006"><NO.P>6.</NO.P><TXT>Richtlijn 2000/43 werd door Duitsland omgezet bij wege van het Allgemeines Gleichbehandlungsgesetz (Duitse algemene wet inzake gelijke behandeling; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0008" REF.END="QE0008"/>AGG<QUOT.END REF.START="QS0008" CODE="201D" ID="QE0008"/>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0007"><NO.P>7.</NO.P><TXT>§ 1 AGG voorziet in een verbod van elke discriminatie op grond van onder meer ras of etnische afstamming. § 2, lid 1, punt 7, die artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43 omzet, bepaalt dat de werkingssfeer van het verbod onder meer discriminatie met betrekking tot onderwijs omvat. § 3, leden 1 en 2, bevat een omschrijving van de door die wet verboden directe en indirecte discriminatie.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Feiten, procedure en prejudiciële vragen</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0008"><NO.P>8.</NO.P><TXT>Heiko Jonny Maniero, Italiaans onderdaan, is geboren en woonachtig in Duitsland. In 2013 behaalde hij aan een universiteit in Armenië de academische titel <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0009" REF.END="QE0009"/>Bachelor of Laws<QUOT.END REF.START="QS0009" CODE="201D" ID="QE0009"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0009"><NO.P>9.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20131211">11 december 2013</DATE> nam Maniero contact op met de Studienstiftung des deutschen Volkes e.V. (Duitse academische stichting voor de toekenning van studiebeurzen; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0010" REF.END="QE0010"/>stichting<QUOT.END REF.START="QS0010" CODE="201D" ID="QE0010"/>), een geregistreerde vereniging die studiebeurzen toekent met het oog op de inschrijving voor een studiebeurs op grond van het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0011" REF.END="QE0011"/>Bucerius-Jura-Programm<QUOT.END REF.START="QS0011" CODE="201D" ID="QE0011"/>, dat juridische onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland beoogt te stimuleren.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0006"><P>Het statutair doel van de stichting is het stimuleren van het volgen van hoger onderwijs door jonge mensen die beschikken over een groot wetenschappelijk of artistiek talent alsmede over een persoonlijkheid waarvan bijzondere prestaties in dienst van de gemeenschap mogen worden verwacht. Het doel van het <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0012" REF.END="QE0012"/>Bucerius-Jura-Programm<QUOT.END REF.START="QS0012" CODE="201D" ID="QE0012"/> is bijzonder gekwalificeerde afgestudeerden van een rechtenstudie in Duitsland kennis van buitenlandse rechtsstelsels, taalkennis en buitenlandervaring te laten opdoen.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0010"><NO.P>10.</NO.P><TXT>De stichting gaf in haar antwoord van <DATE ISO="20140117">17 januari 2014</DATE> aan dat aanvragers moesten zijn geslaagd voor het eerste staatsexamen rechtsgeleerdheid. Maniero wees erop dat het door hem in Armenië behaalde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0013" REF.END="QE0013"/>vijfjarige graad<QUOT.END REF.START="QS0013" CODE="201D" ID="QE0013"/> vergelijkbaar was met het tweede staatsexamen rechtsgeleerdheid, aangezien hij in dat land bevoegd was het ambt van rechter uit te oefenen of als advocaat werkzaam te zijn. Hij voerde aan dat de voorwaarde die de stichting oplegde in strijd zou kunnen zijn met het AGG wegens discriminatie op grond van etnische of sociale afstamming.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0011"><NO.P>11.</NO.P><TXT>Maniero heeft de studiebeurs niet aangevraagd. In de daaropvolgende correspondentie met de stichting voerde hij aan dat hij door de afwijzende houding van de stichting werd ontmoedigd om daartoe over te gaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0012"><NO.P>12.</NO.P><TXT>Maniero verzocht het Landgericht (rechter in eerste aanleg, Duitsland) de stichting te bevelen een einde te maken aan en zich verder te onthouden van de benadeling op grond van zijn leeftijd of zijn afstamming, en hem een bedrag te betalen van <FT TYPE="DECIMAL">18734,60</FT> EUR als schade- en reiskostenvergoeding. Dit verzoek werd afgewezen. Het daaropvolgende beroep werd verworpen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0013"><NO.P>13.</NO.P><TXT>Maniero stelde daarna beroep in Revision in bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland; hierna <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0014" REF.END="QE0014"/>verwijzende rechter<QUOT.END REF.START="QS0014" CODE="201D" ID="QE0014"/>).</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="3"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0014"><NO.P>14.</NO.P><TXT>De verwijzende rechter stelt vast dat het beroep in Revision slechts kan slagen indien de toekenning van studiebeurzen valt onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0015" REF.END="QE0015"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0015" CODE="201D" ID="QE0015"/> in § 2, lid 1, punt 7, AGG, die artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43 omzet. Wanneer dat het geval is, rijst de daaropvolgende vraag of de voorwaarde van het slagen voor het eerste staatsexamen al dan niet een indirecte discriminatie vormt die wordt verboden door § 3, lid 2, AGG, die artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/43 omzet. Het is tegen deze achtergrond dat de verwijzende rechter de volgende prejudiciële vragen stelt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0016" REF.END="QE0016"/>1)</NO.P><TXT>Valt de toekenning door een geregistreerde vereniging (eingetragener Verein) van studiebeurzen ter stimulering van onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0017" REF.END="QE0017"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0017" CODE="201D" ID="QE0017"/> in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:</TXT><P>Vormt bij de toekenning van de in de eerste prejudiciële vraag genoemde studiebeurzen de deelnamevoorwaarde van het slagen voor het eerste staatsexamen rechtsgeleerdheid een indirecte discriminatie van een aanvrager in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2000/43, wanneer de aanvrager, een burger van de Unie, weliswaar een vergelijkbaar diploma in een niet bij de Europese Unie horende staat heeft behaald, zonder dat de keuze van deze plaats waar het diploma is behaald, in verband staat met de etnische afstamming van de aanvrager, maar hij op grond van zijn woonplaats in Duitsland en de vloeiende beheersing van de Duitse taal net als een Duitse onderdaan de mogelijkheid had om na een rechtenstudie in Duitsland het eerste staatsexamen rechtsgeleerdheid af te leggen?</P><P>Maakt het hierbij verschil dat met het studiebeursprogramma, dat geen discriminerende kenmerken vertoont, wordt beoogd om afgestudeerden van een rechtenstudie in Duitsland door het stimuleren van onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland kennis van buitenlandse rechtsstelsels, buitenlandervaring en taalkennis te laten opdoen?<QUOT.END REF.START="QS0016" CODE="201D" ID="QE0016"/></P></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0015"><NO.P>15.</NO.P><TXT>Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de stichting, de Duitse regering en de Europese Commissie. Maniero, de stichting, de Duitse regering en de Commissie hebben pleidooi gehouden ter terechtzitting van <DATE ISO="20180530">30 mei 2018</DATE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0016"><NO.P>16.</NO.P><TXT>Op verzoek van het Hof beperk ik mijn analyse in deze conclusie tot de eerste vraag.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Beoordeling</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0017"><NO.P>17.</NO.P><TXT>De verwijzende rechter wenst te vernemen of het door een geregistreerde vereniging toekennen van studiebeurzen ter stimulering van onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland, valt binnen de werkingssfeer van artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43 wegens het verband ervan met <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0018" REF.END="QE0018"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0018" CODE="201D" ID="QE0018"/>. Ik merk om te beginnen op dat deze zaak draait om het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0019" REF.END="QE0019"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0019" CODE="201D" ID="QE0019"/> in de context van richtlijn 2000/43 en <HT TYPE="ITALIC">niet</HT> om de mogelijke gevolgen voor de erkenning van diploma’s of het vrij verkeer van personen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0018"><NO.P>18.</NO.P><TXT>De stichting en de Duitse regering betogen dat het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0020" REF.END="QE0020"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0020" CODE="201D" ID="QE0020"/> aldus moet worden uitgelegd dat de toekenning van studiebeurzen er niet onder valt. Zij baseren hun argumenten hoofdzakelijk op de totstandkomingsgeschiedenis en de opzet van de richtlijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0019"><NO.P>19.</NO.P><TXT>De Commissie van haar kant voert aan dat richtlijn 2000/43 ruim moet worden uitgelegd, een stelling die wordt gedeeld door Maniero. Dienovereenkomstig valt de toekenning van studiebeurzen onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0021" REF.END="QE0021"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0021" CODE="201D" ID="QE0021"/> in artikel 3, lid 1, onder g).</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="4"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0020"><NO.P>20.</NO.P><TXT>Volgens vaste rechtspraak vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd. De bewoordingen van richtlijn 2000/43 bevatten evenwel geen specifieke leidraad over wat onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0022" REF.END="QE0022"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0022" CODE="201D" ID="QE0022"/> moet worden begrepen, noch enige verwijzing naar nationale wetgeving tot vaststelling van de betekenis van dat begrip. Bijgevolg moet <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0023" REF.END="QE0023"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0023" CODE="201D" ID="QE0023"/> voor de toepassing van de richtlijn worden geacht een autonoom Unierechtelijk begrip te betreffen, dat op het grondgebied van alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0007"><P>Zie in die zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20170302">2 maart 2017</DATE>, <NAME.CASE>J. D.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑4/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:153">EU:C:2017:153</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0023">23</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0024">24</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0021"><NO.P>21.</NO.P><TXT>Bij gebreke van een Unierechtelijke definitie moet de betekenis en de draagwijdte van een begrip volgens vaste rechtspraak van het Hof worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin het wordt gebruikt en de door de regeling waarvan het deel uitmaakt beoogde doelstellingen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0008"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140903">3 september 2014</DATE>, <NAME.CASE>Deckmyn en Vrijheidsfonds</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑201/13</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2132">EU:C:2014:2132</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0019">19</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0022"><NO.P>22.</NO.P><TXT>Onderwijs wordt over het algemeen beschouwd als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0024" REF.END="QE0024"/>de handeling of het proces ter verwerving van kennis, in het bijzonder op een stelselmatige wijze gedurende de kindertijd of adolescentie<QUOT.END REF.START="QS0024" CODE="201D" ID="QE0024"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0009"><P>Die omschrijving van onderwijs komt uit het woordenboek Collins English Dictionary. De omschrijving volgens het Oxford English Dictionary luidt <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0025" REF.END="QE0025"/>het proces van het stelselmatig geven of krijgen van vorming, in het bijzonder in een school of aan een universiteit<QUOT.END REF.START="QS0025" CODE="201D" ID="QE0025"/>. De combinatie van die twee omschrijvingen geeft weer wat gebruikelijk onder <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0026" REF.END="QE0026"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0026" CODE="201D" ID="QE0026"/> wordt verstaan.</P></NOTE>. Er is geen gebrek aan illustratieve omschrijvingen van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0027" REF.END="QE0027"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0027" CODE="201D" ID="QE0027"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0010"><P>In het Frans is de omschrijving van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0028" REF.END="QE0028"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0028" CODE="201D" ID="QE0028"/> volgens de Petit Robert kennelijk nog ruimer: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0029" REF.END="QE0029"/>mise en oeuvre des moyens propres à assurer la formation et le développement d’un être humain<QUOT.END REF.START="QS0029" CODE="201D" ID="QE0029"/>. In het Duits, de proceduretaal in onderhavige zaak, geeft de Duden – Deutsches Universalwörterbuch onder <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0030" REF.END="QE0030"/>Bildung<QUOT.END REF.START="QS0030" CODE="201D" ID="QE0030"/> aan: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0031" REF.END="QE0031"/>a) das Bilden (5), Erziehung: die B. der Jugend; mehr für die B. tun; b) das Gebildetsein; das Ausgebildetsein; erworbenes Allgemeinwissen: eine wissenschaftliche, künstlerische, humanistische B.; seine B. vervollständigen, vertiefen; eine umfassende B. besitzen; eine vorzügliche B. erhalten; ein Mann von B. (ein gebildeter Mann); das gehört zur allgemeinen B. (das sollte jeder Gebildete wissen); c) (seltener) gutes Benehmen: sie hat keine B. (weiß nicht, was sich schickt)<QUOT.END REF.START="QS0031" CODE="201D" ID="QE0031"/>.</P><P>Een onderzoek vanuit een etymologische perspectief van de verschillende taalversies van de richtlijn toont aan dat zeven ervan (Engels: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0032" REF.END="QE0032"/>education<QUOT.END REF.START="QS0032" CODE="201D" ID="QE0032"/>, Frans: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0033" REF.END="QE0033"/>éducation<QUOT.END REF.START="QS0033" CODE="201D" ID="QE0033"/>, Maltees: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0034" REF.END="QE0034"/>edukazzjoni<QUOT.END REF.START="QS0034" CODE="201D" ID="QE0034"/>, Pools: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0035" REF.END="QE0035"/>edukacji<QUOT.END REF.START="QS0035" CODE="201D" ID="QE0035"/>, Portugees: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0036" REF.END="QE0036"/>educação<QUOT.END REF.START="QS0036" CODE="201D" ID="QE0036"/>, Roemeens: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0037" REF.END="QE0037"/>educația<QUOT.END REF.START="QS0037" CODE="201D" ID="QE0037"/> en Spaans: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0038" REF.END="QE0038"/>educación<QUOT.END REF.START="QS0038" CODE="201D" ID="QE0038"/>) een woord gebruiken dat etymologisch is afgeleid van het Latijnse werkwoord <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0039" REF.END="QE0039"/>educare<QUOT.END REF.START="QS0039" CODE="201D" ID="QE0039"/> <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0040" REF.END="QE0040"/>grootbrengen, opkweken, opvoeden<QUOT.END REF.START="QS0040" CODE="201D" ID="QE0040"/>, dat verband houdt met <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0041" REF.END="QE0041"/>educere<QUOT.END REF.START="QS0041" CODE="201D" ID="QE0041"/> <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0042" REF.END="QE0042"/>naar buiten leiden, verder voeren<QUOT.END REF.START="QS0042" CODE="201D" ID="QE0042"/>.</P></NOTE> Zo geeft de internationale standaardclassificatie van het onderwijs (2011) de volgende omschrijving: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0043" REF.END="QE0043"/>processen door middel waarvan maatschappijen hun verzamelde informatie, kennis, inzichten, attitudes, waarden, vaardigheden, competenties en gedragingen op een bewuste manier overdragen van generatie op generatie. Het houdt op leren gerichte communicatie in<QUOT.END REF.START="QS0043" CODE="201D" ID="QE0043"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0011"><P>De internationale standaardclassificatie van het onderwijs (International Standard Classification of Education) is dé referentie voor de internationale classificatie inzake de organisatie van onderwijsprogramma’s en daarmee verband houdende kwalificaties volgens niveaus en gebieden zoals aanbevolen door de Unesco. Die omschrijving is gedeeltelijk overgenomen in de omschrijving van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0044" REF.END="QE0044"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0044" CODE="201D" ID="QE0044"/> in artikel 2, onder d), van verordening (EG) nr. 452/2008 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20080423">23 april 2008</DATE> betreffende de productie en ontwikkeling van statistieken over onderwijs en een leven lang leren (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="145" PAGE.FIRST="227" DATE.PUB="2008">PB 2008, L 145, blz. 227</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>. Onderwijs is derhalve een intellectueel proces. Aan onderwijs zijn dan ook twee aspecten verbonden: een materieel aspect (het is <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0045" REF.END="QE0045"/>intellectueel<QUOT.END REF.START="QS0045" CODE="201D" ID="QE0045"/>) en een functioneel aspect (het is een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0046" REF.END="QE0046"/>proces<QUOT.END REF.START="QS0046" CODE="201D" ID="QE0046"/>). Onderwijs vindt gewoonlijk, maar niet altijd, plaats in een school of aan een universiteit. Voor mij valt onder dat begrip ook onderzoek dat plaatsvindt binnen een onderwijsinstelling, omdat dergelijk onderzoek veeleer kennisverwerving en -overdracht dan verdere commerciële doelstellingen beoogt. Hoewel er bij onderwijs voornamelijk wordt gedacht aan jonge mensen, moet worden benadrukt dat onderwijs een zaak is van alle leeftijden. Een leven lang leren speelt vandaag de dag een belangrijke rol in de professionele en persoonlijke ontwikkeling van mensen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0012"><P>Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20131211">11 december 2013</DATE> tot vaststelling van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0047" REF.END="QE0047"/>Erasmus+<QUOT.END REF.START="QS0047" CODE="201D" ID="QE0047"/>: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="347" PAGE.FIRST="50" DATE.PUB="2013">PB 2013, L 347, blz. 50</REF.DOC.OJ>) omschrijft <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0048" REF.END="QE0048"/>een leven lang leren<QUOT.END REF.START="QS0048" CODE="201D" ID="QE0048"/> als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0049" REF.END="QE0049"/>alle vormen van algemeen vormend onderwijs, beroepsonderwijs en beroepsopleidingen, niet-formeel leren en informeel leren die gedurende het gehele leven plaatsvinden en die op persoonlijk vlak, voor het leven als burger, cultureel of sociaal gezien en/of vanuit het oogpunt van de arbeidsmarkt tot meer kennis, vaardigheden en competenties of meer maatschappelijke participatie leiden, inclusief de verlening van begeleiding en advies<QUOT.END REF.START="QS0049" CODE="201D" ID="QE0049"/>.</P></NOTE> Zo worden er dus ook initiatieven genomen zoals de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0050" REF.END="QE0050"/>universiteit van de derde leeftijd<QUOT.END REF.START="QS0050" CODE="201D" ID="QE0050"/>, die ervoor zorgt dat degenen die zich uit het actieve economische leven hebben teruggetrokken, hun kennis verder kunnen ontwikkelen.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="5"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0023"><NO.P>23.</NO.P><TXT>Op basis van de gebruikelijke betekenis van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0051" REF.END="QE0051"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0051" CODE="201D" ID="QE0051"/>, dat naar ik opmerk zeer ruim wordt opgevat, kan niet worden uitgemaakt of de toekenning van studiebeurzen absoluut moet worden geacht daaronder te vallen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0024"><NO.P>24.</NO.P><TXT>Ik ga dus over naar de context en de doelstellingen van de regeling waarvan dat begrip deel uitmaakt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0025"><NO.P>25.</NO.P><TXT>Richtlijn 2000/43 heeft tot doel een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling kan worden toegepast.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0013"><P>Artikel 1.</P></NOTE> Zij vormt binnen de werkingssfeer ervan de concrete uitdrukking van het in artikel 21 van het Handvest neergelegde beginsel van non-discriminatie op grond van ras en etnische afstamming.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0014"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20150716">16 juli 2015</DATE>, <NAME.CASE>CHEZ Razpredelenie Bulgaria</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑83/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:480">EU:C:2015:480</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0058">58</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0072">72</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> In de preambule van de richtlijn wordt bescherming tegen discriminatie omschreven als een universeel recht en wordt ter zake verwezen naar verschillende internationale verdragen die dat recht erkennen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0015"><P>Overweging 3.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0026"><NO.P>26.</NO.P><TXT>Voorts heeft de Uniewetgever in overwegingen 9, 12 en 13 willen onderstrepen dat i) discriminatie op grond van ras of etnische afstamming de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag kan ondermijnen, met name de verwezenlijking van een hoog niveau van werkgelegenheid en sociale bescherming, de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan, de vergroting van de economische en sociale cohesie en van de solidariteit, alsook de verwezenlijking van de doelstelling om de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te ontwikkelen, en dat ii) het verbod op elke discriminatie van deze aard met name tot doel heeft de ontwikkeling van democratische en verdraagzame samenlevingen te waarborgen, die de deelname van eenieder, ongeacht ras of etnische afstamming, mogelijk maakt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0016"><P>Zie eveneens arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20150716">16 juli 2015</DATE>, <NAME.CASE>CHEZ Razpredelenie Bulgaria</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑83/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:480">EU:C:2015:480</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0074">74</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0027"><NO.P>27.</NO.P><TXT>De werkingssfeer van richtlijn 2000/43 is ruim opgevat. Ratione personae strekt die zich uit tot alle natuurlijke personen en beschermt die hen tegen discriminatie op grond van ras of etnische afstamming.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0017"><P>Artikel 3, lid 1, en overweging 16. De bescherming die wordt verschaft, geldt eveneens, indien nodig, voor rechtspersonen wanneer deze het slachtoffer zijn van discriminatie wegens het ras of de etnische afstamming van hun leden.</P></NOTE> Die bescherming geldt zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0018"><P>Artikel 3, lid 1.</P></NOTE> Ratione materiae gaat zij verder dan de toegang tot werk in loondienst of als zelfstandige en heeft zij betrekking op alle gebieden die limitatief zijn opgesomd in artikel 3, lid 1.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0019"><P>Zie overweging 12 van de richtlijn en arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20110512">12 mei 2011</DATE>, <NAME.CASE>Runevič-Vardyn en Wardyn</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑391/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:291">EU:C:2011:291</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Wat dat betreft, is de werkingssfeer ervan ruimer dan die van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van <DATE ISO="20001127">27 november 2000</DATE> tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="303" PAGE.FIRST="16" DATE.PUB="2000">PB 2000, L 303, blz.16</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0028"><NO.P>28.</NO.P><TXT>Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de werkingssfeer van richtlijn 2000/43, gelet op haar doel en de aard van de rechten die zij beoogt te beschermen, niet restrictief worden omschreven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0020"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20150716">16 juli 2015</DATE>, <NAME.CASE>CHEZ Razpredelenie Bulgaria</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑83/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:480">EU:C:2015:480</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> Die slotsom is van toepassing op de begrippen in de richtlijn die haar materiële werkingssfeer bepalen, zoals arbeid, beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding, arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming en voordelen en, vanzelfsprekend, onderwijs.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0021"><P>Zie, in die zin, voor de toegang tot en het aanbod van goederen [artikel 3, lid 1, onder h), van richtlijn 2000/43] arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20150716">16 juli 2015</DATE>, <NAME.CASE>CHEZ Razpredelenie Bulgaria</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑83/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:480">EU:C:2015:480</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0043">43</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0029"><NO.P>29.</NO.P><TXT>Valt de toekenning van studiebeurzen eveneens onder het ruim opgevatte begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0052" REF.END="QE0052"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0052" CODE="201D" ID="QE0052"/>?</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="6"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0030"><NO.P>30.</NO.P><TXT>De toekenning van studiebeurzen is als dusdanig niet hetzelfde als het intellectuele proces dat onderwijs is. Zij heeft betrekking op de toegang tot onderwijs.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0031"><NO.P>31.</NO.P><TXT>Volgens mij vormt de toegang tot onderwijs evenwel een essentieel onderdeel van onderwijs zelf, in het bijzonder binnen de context van een juridisch instrument ter bestrijding van discriminatie.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0032"><NO.P>32.</NO.P><TXT>Wat zou er ter bestrijding van discriminatie inderdaad nog overblijven van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0053" REF.END="QE0053"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0053" CODE="201D" ID="QE0053"/>, indien de toegang tot onderwijs van het begrip zou worden uitgesloten? In een klaslokaal (om maar eens een zeer klassieke kijk op onderwijs te nemen) staat het eenieder vrij om vooraan plaats te nemen of vragen te stellen. Vandaag de dag is het ondenkbaar dat een bepaalde etnische groep achteraan zou moeten zitten en de leerkracht niet zou mogen aanspreken. Het is even vanzelfsprekend dat alle studenten moeten worden beoordeeld volgens dezelfde criteria, op grond van hun verdiensten en niet op grond van hun ras of etnische afstamming, en dat alle studenten hetzelfde diploma moeten behalen nadat ze zijn geslaagd voor dezelfde examens.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0022"><P>Ik wens terloops op te merken dat segregatie in het onderwijs op grond van ras of etnische afstamming de norm was onder het apartheidsregime van Zuid-Afrika, en ondanks het feit dat vrouwen exact dezelfde examens aflegden als hun mannelijke collega’s, kwamen zij aan de universiteit van Cambridge niet in aanmerking voor promotie tot december 1947.</P></NOTE> De mogelijkheid hebben om onder dezelfde voorwaarden te worden toegelaten tot alle scholen en alle colleges te kunnen volgen, gaat evenwel over de <HT TYPE="ITALIC">toegang</HT> tot onderwijs. Zonder die toegang kan er van onderwijs geen sprake zijn. Voor alle duidelijkheid, het woord <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0054" REF.END="QE0054"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0054" CODE="201D" ID="QE0054"/> houdt noodzakelijkerwijs de woorden <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0055" REF.END="QE0055"/>toegang tot<QUOT.END REF.START="QS0055" CODE="201D" ID="QE0055"/> onderwijs in; zij horen samen en zijn van elkaar afhankelijk en indien zij van elkaar zouden worden gescheiden, zou de richtlijn met betrekking tot onderwijs niet langer bestrijding van discriminatie tot doel kunnen hebben.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0033"><NO.P>33.</NO.P><TXT>Aan toegang tot onderwijs zitten vanzelfsprekend vele aspecten vast. Het kan gaan om de fysieke toegang tot een gebouw, om het opleggen van een numerus-claususregeling om studentenaantallen onder controle te houden, om financiële middelen om boeken te lenen of te kopen dan wel om financiële middelen om de kosten te betalen van (onder meer) levensonderhoud. Scholen, universiteiten en andere instellingen verlenen daarom vaak studiebeurzen om het inschrijfgeld voor onderwijsprogramma’s, de reiskosten in verband met studies in het buitenland of de kosten van levensonderhoud (in contanten of in natura, zoals de terbeschikkingstelling van kosteloze huisvesting of maaltijden) te dekken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0034"><NO.P>34.</NO.P><TXT>Financiering vormt een essentieel onderdeel van de toegang tot onderwijs. Wanneer een bepaalde etnische groep wordt uitgesloten van die financiering, komt dat in het bijzonder met betrekking tot heel dure onderwijsprogramma’s erop neer dat die groep wordt uitgesloten van onderwijs. Dat zorgt ervoor dat elke bestaande discriminatie van de groep in kwestie in stand wordt gehouden. Zoals de Commissie heeft gesteld in haar voorstel voor de richtlijn, is kwalitatief hoogstaand onderwijs een voorwaarde voor succesvolle integratie in de samenleving en mag de gelijke behandeling bij selectieprocedures (dat wil zeggen bij de toegang tot onderwijs) niet worden verwaarloosd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0023"><P>Voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, COM(1999) 566 def. (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0056" REF.END="QE0056"/>voorstel van de Commissie<QUOT.END REF.START="QS0056" CODE="201D" ID="QE0056"/>), blz. 5.</P></NOTE> Volgens de teleologische uitlegging van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0057" REF.END="QE0057"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0057" CODE="201D" ID="QE0057"/> vallen de aspecten die betrekking hebben op de toegang tot onderwijs duidelijk binnen de werkingssfeer van de richtlijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0035"><NO.P>35.</NO.P><TXT>Een analyse van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0058" REF.END="QE0058"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0058" CODE="201D" ID="QE0058"/> in de ruimere context van het Unierecht leidt tot dezelfde slotsom. Het recht op onderwijs (en toegang tot een beroepsopleiding) evenals het recht op bescherming tegen discriminatie op grond van ras of etnische afstamming, zijn grondrechten die zijn erkend in artikel 14 respectievelijk artikel 21 van het Handvest. Bij de beslissing over de manier waarop <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0059" REF.END="QE0059"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0059" CODE="201D" ID="QE0059"/> moet worden uitgelegd in het kader van richtlijn 2000/43, is het belangrijk zich rekenschap te geven van het feit dat de kwestie zich bevindt op het snijvlak van twee grondrechten.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="7"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0036"><NO.P>36.</NO.P><TXT>Het Hof heeft het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0060" REF.END="QE0060"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0060" CODE="201D" ID="QE0060"/> in zijn rechtspraak over zaken met betrekking tot gelijke behandeling al dusdanig ruim uitgelegd dat het ook aspecten van toegang tot onderwijs omvat. In het kader van beroepen die werden ingesteld door twee Duitse studenten aan wie Nederland had geweigerd op dezelfde wijze studiefinanciering toe te kennen als aan Nederlandse studenten heeft het Hof aldus geoordeeld dat het beginsel van gelijke behandeling voor de toelating tot onderwijs voor de kinderen van communautaire werknemers in artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0024"><P>Verordening van de Raad van <DATE ISO="19681015">15 oktober 1968</DATE> betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="257" PAGE.FIRST="2" DATE.PUB="1968">PB 1968, L 257, blz. 2</REF.DOC.OJ>), ingetrokken door verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20110405">5 april 2011</DATE> betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="141" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2011">PB 2011, L 141, blz. 1</REF.DOC.OJ>). Ik merk op dat die verordening een inspiratiebron is geweest voor de Commissie en haar toelichting bij sommige begrippen die worden gehanteerd in richtlijn 2000/43; voorstel van de Commissie, blz. 7.</P></NOTE> niet slechts de toelatingsregels in eigenlijke zin op het oog heeft, maar ook de algemene maatregelen om de deelneming aan het onderwijs te vergemakkelijken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0025"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19890315">15 maart 1989</DATE>, <NAME.CASE>Echternach en Moritz</NAME.CASE> (<NO.CASE>389/87 en 390/87</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1989:130">EU:C:1989:130</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0033">33</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). In een vroegere zaak, die eveneens artikel 12 van verordening nr. 1612/68 betrof, heeft het Hof, bij arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19740703">3 juli 1974</DATE>, <NAME.CASE>Casagrande</NAME.CASE> (<NO.CASE>9/74</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1974:74">EU:C:1974:74</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0004">4</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), geoordeeld dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0061" REF.END="QE0061"/>ingeval een kind van een buitenlandse werknemer voortgezet onderwijs wenst te volgen, een zodanige integratie onderstelt dat dit kind op dezelfde voet als zijn nationale lotgenoten de voordelen kan genieten welke […] ter stimulering van het onderwijs zijn voorzien<QUOT.END REF.START="QS0061" CODE="201D" ID="QE0061"/>.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0037"><NO.P>37.</NO.P><TXT>Evenzo heeft het Hof ter zake van de uitlegging van artikel 7 van het EEG-Verdrag (thans artikel 21, lid 2, VWEU) geoordeeld dat het recht op gelijke behandeling ten aanzien van de voorwaarden voor toegang tot de beroepsopleiding niet enkel betrekking heeft op de door de betrokken onderwijsinstelling gestelde eisen, zoals het inschrijfgeld, maar ook op iedere maatregel die de uitoefening van dat recht kan belemmeren, zoals het recht op verblijf in de lidstaat waar de opleiding wordt gegeven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0026"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19920226">26 februari 1992</DATE>, <NAME.CASE>Raulin</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑357/89</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1992:87">EU:C:1992:87</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0034">34</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0038"><NO.P>38.</NO.P><TXT>In de zaak Bidar heeft het Hof verklaard dat na de invoering van de uitdrukking <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0062" REF.END="QE0062"/>burgerschap van de Unie<QUOT.END REF.START="QS0062" CODE="201D" ID="QE0062"/> in het EG-Verdrag, samen met de invoeging van een hoofdstuk dat met name betrekking heeft op onderwijs en beroepsopleiding, de situatie van een burger van de Unie die legaal in een andere lidstaat verblijft, onder het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit valt voor de verkrijging van steun die aan studenten wordt toegekend in de vorm van een gesubsidieerde lening of als beurs ter dekking van kosten van levensonderhoud. Het Hof heeft in dit verband geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende aspecten van toegang tot onderwijs die onder de financiering vallen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0027"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20050315">15 maart 2005</DATE>, <NAME.CASE>Bidar</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑209/03</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:169">EU:C:2005:169</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Dat arrest vormde een keerpunt ten opzichte van vroegere rechtspraak waarin het Hof heeft geoordeeld dat bij de ontwikkelingsstand van het (toenmalige) gemeenschapsrecht een aan studenten ter zake van levensonderhoud en opleiding toegekende steun buiten de werkingssfeer van het EEG-Verdrag viel; zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19880621">21 juni 1988</DATE>, <NAME.CASE>Lair</NAME.CASE> (<NO.CASE>39/86</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1988:322">EU:C:1988:322</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0015">15</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0039"><NO.P>39.</NO.P><TXT>Daarbij komt nog, zoals de Commissie ter terechtzitting betoogt, dat artikel 165 VWEU tot regeling van de bevoegdheid van de Unie inzake onderwijs, niettegenstaande het feit dat dat artikel studiefinanciering niet uitdrukkelijk vermeldt, de rechtsgrondslag vormt voor de vaststelling van het Erasmus+-programma, dat met name financiering voor leermobiliteit van personen omvat.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0028"><P>Verordening (EU) nr. 1288/2013.</P></NOTE> Dat duidt volgens mij op het belang dat de Uniewetgever hecht aan toegang tot onderwijs, dat een essentieel aspect vormt van onderwijs.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0040"><NO.P>40.</NO.P><TXT>Ter beantwoording van de vraag of de toekenning van een studiebeurs of toelage al dan niet binnen de werkingssfeer van artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43 valt, zou ik evenwel niet teruggrijpen op artikel 11, lid 1, onder b) van richtlijn 2003/109/EG van de Raad<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0029"><P>Richtlijn van de Raad van <DATE ISO="20031125">25 november 2003</DATE> betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="016" PAGE.FIRST="44" DATE.PUB="2004">PB 2004, L 16, blz. 44</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> (een idee dat ter terechtzitting werd besproken). Die bepaling gaat over de gelijke behandeling van langdurig ingezetenen ten opzichte van eigen onderdanen van de lidstaat van ontvangst op het gebied van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0063" REF.END="QE0063"/>onderwijs en beroepsopleiding, met inbegrip van studietoelagen en -beurzen, overeenkomstig het nationale recht<QUOT.END REF.START="QS0063" CODE="201D" ID="QE0063"/>. Blijkens de verwijzing naar <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0064" REF.END="QE0064"/>nationaal recht<QUOT.END REF.START="QS0064" CODE="201D" ID="QE0064"/> hoeft die bepaling met betrekking tot wat onder <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0065" REF.END="QE0065"/>studietoelagen en -beurzen<QUOT.END REF.START="QS0065" CODE="201D" ID="QE0065"/> wordt verstaan, niet te worden uitgelegd overeenkomstig de<?PAGE NO="8"?> beginselen die van toepassing zijn op autonome Unierechtelijke begrippen (zie punten 20 en 21 hierboven). Tegen die achtergrond en gelet op het feit dat de personele en materiële werkingssfeer van de twee richtlijnen verschillend is, acht ik het niet aangewezen om voor de uitlegging van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0066" REF.END="QE0066"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0066" CODE="201D" ID="QE0066"/> in de context van richtlijn 2000/43 terug te grijpen op richtlijn 2003/109.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0041"><NO.P>41.</NO.P><TXT>Met betrekking tot de totstandkomingsgeschiedenis van richtlijn 2000/43 kan worden vastgesteld dat in artikel 3, lid 1, onder g), van het voorstel van de Commissie wordt verduidelijkt dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0067" REF.END="QE0067"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0067" CODE="201D" ID="QE0067"/> aldus moet worden opgevat dat het mede omvat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0068" REF.END="QE0068"/>subsidies en studiebeurzen, daarbij ten volle rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de organisatie van de onderwijsstelsels en hun culturele en taalkundige verscheidenheid<QUOT.END REF.START="QS0068" CODE="201D" ID="QE0068"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0030"><P>Voorstel van de Commissie, blz. 8.</P></NOTE>. In de definitieve tekst die de Raad heeft goedgekeurd, zijn die verduidelijkingen evenwel weggelaten. De stichting en de Duitse regering nemen het standpunt in dat dit erop wijst dat de Uniewetgever er bewust voor heeft gekozen om subsidies en studiebeurzen uit te sluiten van de werkingssfeer van die bepaling.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0042"><NO.P>42.</NO.P><TXT>Ik deel die opvatting niet.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0043"><NO.P>43.</NO.P><TXT>De deelzin die is weggelaten uit de definitieve tekst bevat eveneens de verplichting rekening te houden met de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de organisatie van de onderwijsstelsels. Die deelzin neemt [vrijwel] woordelijk artikel 165, lid 1, VWEU over, dat de bevoegdheid van de Unie inzake onderwijs uiteenzet. Hoewel die laatste bepaling niet de rechtsgrondslag is van richtlijn 2000/43, is de materiële werkingssfeer van die richtlijn vanzelfsprekend beperkt tot de aan de Unie toegekende bevoegdheden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0031"><P>Artikel 3, lid 1, van de richtlijn.</P></NOTE> Met de weglating van de deelzin <QUOT.START CODE="201C" ID="QS0069" REF.END="QE0069"/>daarbij ten volle rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de organisatie van de onderwijsstelsels en hun culturele en taalkundige verscheidenheid<QUOT.END REF.START="QS0069" CODE="201D" ID="QE0069"/> uit artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43 kan de wetgever derhalve niet de bedoeling hebben gehad om de werkingssfeer van die bepaling te wijzigen. En ondanks het feit dat er geen zekerheid bestaat over de bedoeling van de wetgever bij de schrapping van die bewoording, vormt de weglating van overbodige tekst in ieder geval een plausibele verklaring. De schrapping zorgt ervoor dat de tekst van de bepaling wordt vereenvoudigd zonder dat de werkingssfeer ervan wordt gewijzigd, en benadrukt tegelijkertijd het autonome karakter van de begrippen die worden gehanteerd, doordat er niet langer wordt verwezen naar de bevoegdheden van de lidstaten. Logischerwijs geldt dezelfde slotsom met betrekking tot het eerste deel van de deelzin dat is weggelaten, meer bepaald de zinsnede <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0070" REF.END="QE0070"/>met inbegrip van subsidies en studiebeurzen<QUOT.END REF.START="QS0070" CODE="201D" ID="QE0070"/>. De stichting en de Duitse regering voeren aan dat die woorden werden geschrapt teneinde de omschrijving ervan in te perken. Ook het omgekeerde is mogelijk, namelijk dat de schrapping nu juist tot doel had een ruime omschrijving te waarborgen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0044"><NO.P>44.</NO.P><TXT>De vaststelling dat andere begrippen ter afbakening van de werkingssfeer van de richtlijn [artikel 3, lid 1, onder a) tot en met e) en onder h)] verder worden verduidelijkt bij wege van een deelzin die aanvangt met <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0071" REF.END="QE0071"/>met inbegrip van<QUOT.END REF.START="QS0071" CODE="201D" ID="QE0071"/>, wijzigt die slotsom niet. Ik ben evenmin overtuigd van het argument dat de afzonderlijke vermelding van beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding in artikel 3, lid 1, onder b), zou aantonen dat het de bedoeling is geweest om de werkingssfeer van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0072" REF.END="QE0072"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0072" CODE="201D" ID="QE0072"/> in te perken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0045"><NO.P>45.</NO.P><TXT>Beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding zijn nauw verbonden met de toegang tot arbeid en staan derhalve vermeld vlak na dat onderdeel. Toen beroepsopleiding nog het enige begrip was in het EEG-Verdrag dat verband hield met onderwijs, was het Hof van oordeel dat universitaire studies over het algemeen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0073" REF.END="QE0073"/>beroepsopleiding<QUOT.END REF.START="QS0073" CODE="201D" ID="QE0073"/> in de zin van artikel 128 EEG-Verdrag vormden en dat aanvullend inschrijvingsgeld ten laste van studenten die onderdanen van andere lidstaten waren, derhalve een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit vormde. Het staat vast dat het<?PAGE NO="9"?> Hof in die zaak het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0074" REF.END="QE0074"/>beroepsopleiding<QUOT.END REF.START="QS0074" CODE="201D" ID="QE0074"/> bewust ruim heeft uitgelegd, teneinde discriminatie op grond van nationaliteit in het universitair onderwijs te kunnen verbieden. In onderhavige zaak moeten naar analogie dezelfde uitleggingsmethoden worden gehanteerd om te komen tot een ruimere toepassing van de regel in kwestie.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0032"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19880202">2 februari 1988</DATE>, <NAME.CASE>Blaizot e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>24/86</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1988:43">EU:C:1988:43</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0010">10</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0024">24</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>, i.h.b. punten 19, 20 en 24).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0046"><NO.P>46.</NO.P><TXT>De Commissie betoogt ter terechtzitting dat de toekenning van studiebeurzen mogelijk ook valt onder artikel 3, lid 1, onder f), van richtlijn 2000/43 (sociale voordelen). Die kwestie is van belang ingeval het Hof van oordeel is dat de toekenning van studiebeurzen niet binnen de werkingssfeer van onderwijs valt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0047"><NO.P>47.</NO.P><TXT>Volgens het voorstel van de Commissie zijn sociale voordelen voordelen van economische of culturele aard, zoals tariefreducties voor het openbaar vervoer of gesubsidieerde maaltijden in scholen voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0033"><P>Voorstel van de Commissie, blz. 8.</P></NOTE> Het Hof heeft reeds geoordeeld dat steun ter zake van levensonderhoud en opleiding voor een universitaire studie waarmee een beroepskwalificatie wordt verkregen, een sociaal voordeel uitmaakt in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0034"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20161215">15 december 2016</DATE>, <NAME.CASE>Depesme e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑401/15–C‑403/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:955">EU:C:2016:955</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het voorstel van de Commissie is (op blz. 7) ter zake van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0075" REF.END="QE0075"/>sociale voordelen<QUOT.END REF.START="QS0075" CODE="201D" ID="QE0075"/> uitdrukkelijk geïnspireerd op verordening nr. 1612/68.</P></NOTE> Naar mijn mening dekt dat studiefinanciering die <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0076" REF.END="QE0076"/>horizontaal<QUOT.END REF.START="QS0076" CODE="201D" ID="QE0076"/> van aard is – dat wil zeggen die wordt toegekend aan eenieder volgens criteria die bijvoorbeeld verband houden met de inkomenssituatie of arbeidssituatie van de studenten of hun ouders. Dergelijke gevallen houden volgens mij verband met toegang tot <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0077" REF.END="QE0077"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0077" CODE="201D" ID="QE0077"/> en vormen eveneens een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0078" REF.END="QE0078"/>sociaal voordeel<QUOT.END REF.START="QS0078" CODE="201D" ID="QE0078"/>. Dat houdt in dat niet kan worden uitgesloten dat de werkingssferen van de twee bepalingen elkaar gedeeltelijk overlappen. Ingeval financiering wordt toegekend aan een beperkt aantal studenten volgens criteria die zijn gebaseerd op hun academische prestaties of andere verdiensten (zoals dat kennelijk het geval is in het hoofdgeding), ben ik evenwel van mening dat financiering moet worden geacht te vallen binnen de werkingssfeer van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0079" REF.END="QE0079"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0079" CODE="201D" ID="QE0079"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0048"><NO.P>48.</NO.P><TXT>Uit al het voorgaande volgt dat het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0080" REF.END="QE0080"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0080" CODE="201D" ID="QE0080"/> in de context van richtlijn 2000/43 ruim moet worden uitgelegd en dat het aspecten omvat die verband houden met de toegang tot onderwijs, zoals financiering met studiebeurzen. Wel is vereist dat er een wezenlijke band bestaat tussen de financiering en het onderwijs. Studiebeurzen hebben een dergelijke band indien zij bijvoorbeeld inschrijfgeld en schoolgeld, reiskosten die verband houden met onderwijs dat plaatsvindt in een andere staat of kosten van levensonderhoud dekken, en tot doel hebben studenten onderwijs te laten volgen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0035"><P>Ik ben in dat verband van mening dat het Unierecht een duidelijke evolutie heeft gekend sinds het Hof in punt 18 van zijn arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19880621">21 juni 1988</DATE>, <NAME.CASE>Brown</NAME.CASE>, <NO.CASE>197/86</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1988:323">EU:C:1988:323</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, heeft geoordeeld dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0081" REF.END="QE0081"/>bij de huidige ontwikkelingsstand van het gemeenschapsrecht een aan studenten ter zake van levensonderhoud en opleiding toegekende steun in beginsel buiten de in artikel 7 bedoelde werkingssfeer van het EEG-Verdrag valt<QUOT.END REF.START="QS0081" CODE="201D" ID="QE0081"/>. Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20050315">15 maart 2005</DATE>, <NAME.CASE>Bidar</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑209/03</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:169">EU:C:2005:169</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>, aangehaald in punt 38 hierboven). Dat is a fortiori het geval in de context van richtlijn 2000/43, gelet op het doel en het opzet ervan, zoals hierboven werd geanalyseerd in punten 24 e.v.</P></NOTE> Het staat aan de nationale rechter om die aspecten na te gaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0049"><NO.P>49.</NO.P><TXT>Ik kom derhalve tot de slotsom dat de toekenning van studiebeurzen ter stimulering van onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0082" REF.END="QE0082"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0082" CODE="201D" ID="QE0082"/> valt in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of er een wezenlijke band bestaat tussen de financiering die wordt verschaft en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0083" REF.END="QE0083"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0083" CODE="201D" ID="QE0083"/>.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="10"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Conclusie</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0050"><NO.P>50.</NO.P><TXT>Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0084" REF.END="QE0084"/>De toekenning van studiebeurzen ter stimulering van onderzoeks- of studieprojecten in het buitenland valt onder het begrip <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0085" REF.END="QE0085"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0085" CODE="2019" ID="QE0085"/> in de zin van artikel 3, lid 1, onder g), van richtlijn 2000/43/EG van de Raad van <DATE ISO="20000629">29 juni 2000</DATE> houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming. Het staat aan het nationale gerecht om na te gaan of er een wezenlijke band bestaat tussen de financiering die wordt verschaft en <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0086" REF.END="QE0086"/>onderwijs<QUOT.END REF.START="QS0086" CODE="2019" ID="QE0086"/>.<QUOT.END REF.START="QS0084" CODE="201D" ID="QE0084"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>