Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak T-236/00 R,

Gabriele Stauner, wonende te Wolfratshausen (Duitsland),

Freddy Blak, wonende te Næstved (Denemarken),

Jens-Peter Bonde, wonende te Bagsværd (Denemarken),

Theodorus Bouwman, wonende te Eindhoven (Nederland),

Kathalijne Maria Buitenweg, wonende te Amsterdam (Nederland),

Mogens Camre, wonende te Kopenhagen (Denemarken),

Rijk van Dam, wonende te Rotterdam (Nederland),

Michl Ebner, wonende te Bolzano (Italië),

Christopher Heaton-Harris, wonende te Kettering Northants (Verenigd Koninkrijk),

Lousewies van der Laan, wonende te Brussel (België),

Joost Lagendijk, wonende te Rotterdam (Nederland),

Nelly Maes, wonende te Sinaai (België),

Franz-Xaver Mayer, wonende te Landau/Isar (Duitsland),

Franziska Emilia Müller, wonende te Bruck i. d. OPF. (Duitsland),

Alexander Radwan, wonende te Rottach-Egern (Duitsland),

Alexander de Roo, wonende te Amsterdam (Nederland),

Heide Rühle, wonende te Stuttgart (Duitsland),

Ursula Schleicher, wonende te München (Duitsland),

Inger Schöring, wonende te Gävle (Zweden),

Esko Olavi Seppänen, wonende te Helsinki (Finland),

Bart Staes, wonende te Antwerpen (België),

Claude Turmes, wonende te Esch/Alzette (Luxemburg),

leden van het Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Sedemund en T. Lübbig, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekers,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door C. Pennera en M. Berger als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

en

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Wölker en X. Lewis als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerders,

betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de punten 17 en 29 van het kaderakkoord van 5 juli 2000 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie, alsmede van bijlage 3 bij dat kaderakkoord,

geeft

DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest

De regeling in geding

1 Sinds 1990 zijn de interinstitutionele betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie geregeld in een gedragscode" (PB 1995, C 89, blz. 69).

2 In september 1999 nam het Parlement een resolutie aan waarin werd aangedrongen op de spoedige totstandkoming van een interinstitutioneel akkoord tussen de Commissie en het Parlement als kader voor een nieuwe gedragscode.

3 Op 5 juli 2000 werd het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Parlement en de Commissie door de meerderheid van de leden van het Parlement goedgekeurd (hierna: kaderakkoord").

4 Punt 1 van het kaderakkoord luidt:

Met het oog op de aanpassing van de in 1990 goedgekeurde en in 1995 gewijzigde gedragscode stellen [het Parlement en de Commissie] de volgende maatregelen vast teneinde de verantwoordelijkheid en de legitimiteit van de Commissie te vergroten, de constructieve dialoog en de politieke samenwerking uit te breiden, de informatieverspreiding te verbeteren en het Europees Parlement te raadplegen en in te lichten over de administratieve hervormingen van de Commissie. Voorts keuren [de beide instellingen] een aantal bijzondere uitvoeringsmaatregelen goed (i) inzake het wetgevingsproces, (ii) inzake internationale overeenkomsten en de uitbreiding en (iii) inzake de overdracht van vertrouwelijke documenten en inlichtingen van de Commissie. Deze gaan als bijlagen bij het onderhavige kaderakkoord."

5 Punt 17 van het kaderakkoord luidt:

Het Europees Parlement en de Commissie komen overeen dat in het kader van de jaarlijkse kwijting overeenkomstig artikel 276 van het EG-Verdrag alle gegevens die nodig zijn voor de controle op de uitvoering van de begroting van het desbetreffende jaar, waarom de voorzitter van de parlementaire commissie die is belast met de kwijtingsprocedure overeenkomstig bijlage VI van het Reglement van het Europees Parlement te dien einde heeft verzocht, worden verstrekt.

Wanneer zich nieuwe feiten voordoen met betrekking tot voorgaande jaren waarvoor reeds kwijting is verleend, verstrekt de Commissie alle hierop betrekking hebbende noodzakelijke gegevens teneinde tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen."

6 Volgens punt 29 [zijn] alle bijzondere bepalingen (...) opgenomen in de bijlagen".

7 Bijlage 3 bij de kaderovereenkomst betreft de verstrekking van vertrouwelijke informatie aan het Parlement. De punten 1.1 tot en met 1.5 van deze bijlage luiden als volgt:

1.1. Deze bijlage regelt de verstrekking aan het Europees Parlement en de behandeling van vertrouwelijke informatie van de Commissie in het kader van de uitoefening van de parlementaire bevoegdheden met betrekking tot de wetgevings- en begrotingsprocedure, de kwijtingsprocedure of de algemene uitoefening van de controlebevoegdheden van het Europees Parlement. Beide instellingen handelen met inachtneming van hun wederzijdse verplichtingen tot loyale samenwerking in een sfeer van volledig wederzijds vertrouwen en met strikte inachtneming van de betreffende verdragsbepalingen, met name de artikelen 6 en 46 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en 276 van het EG-Verdrag.

1.2. Onder informatie wordt verstaan elke schriftelijke of mondelinge informatie, ongeacht de vorm of de auteur.

1.3. De Commissie zorgt ervoor dat het Europees Parlement overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage toegang tot de informatie krijgt, wanneer zij van een van de in punt 1.4 genoemde parlementaire instanties een verzoek ontvangt betreffende de verstrekking van vertrouwelijke informatie.

1.4. In het kader van deze bijlage kunnen de Commissie om vertrouwelijke informatie vragen: de voorzitter van het Europees Parlement, de voorzitters van de betrokken parlementaire commissies, het Bureau en de Conferentie van voorzitters.

1.5. Informatie over inbreukprocedures en procedures op het gebied van de mededinging is van deze bijlage uitgezonderd, voorzover de Commissie hierover op het moment van het verzoek van een van de parlementaire instanties nog geen definitief besluit heeft genomen."

8 De algemene regels en de regels betreffende de toegang tot en de behandeling van vertrouwelijke informatie zijn vervat in respectievelijk punt 2 en punt 3 van bijlage 3.

9 Verder bepaalt artikel 197, derde alinea, EG: De Commissie antwoordt mondeling of schriftelijk op de haar door het Europees Parlement of door de leden daarvan gestelde vragen."

Het procesverloop

10 Bij verzoekschrift, op 7 september 2000 neergelegd ter griffie van het Gerecht, hebben G. Stauner en 21 andere leden van het Europees Parlement (hierna: verzoekers") krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep tot nietigverklaring van het kaderakkoord ingesteld.

11 Bij op 22 september 2000 ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte hebben zij krachtens artikel 242 EG tevens verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de punten 17 en 29 van het kaderakkoord en van bijlage 3 bij dat akkoord.

12 Het Parlement en de Commissie hebben hun opmerkingen over het verzoek in kort geding op 9 oktober 2000 ingediend.

13 Partijen hebben op 25 oktober 2000 hun standpunt mondeling toegelicht. Aan het eind van de zitting heeft de president van het Gerecht hen uitgenodigd te proberen de in het kort geding omstreden kwestie in der minne te regelen middels een verklaring van elk der verwerende instellingen, erop neerkomend dat het kaderakkoord, voorzover het gaat om de punten 17 en 29 en bijlage 3 ervan, betreffende het verstrekken van vertrouwelijke informatie aan het Parlement, het bepaalde in artikel 197, derde alinea, EG onverlet laat.

14 Bij brief van 20 november 2000, op 23 november daaraanvolgend ingeschreven ter griffie van het Gerecht, heeft de vertegenwoordiger van verzoekers te kennen gegeven, dat dezen hun verzoek in kort geding zouden intrekken indien de verwerende instellingen bovenbedoeld voorstel zouden accepteren. Voorts verwees hij naar enkele passages in een bij zijn brief gevoegd document, getiteld Practical Guide to the Framework Agreement", die een bevestiging vormden van de vrees, dat de Commissie het kaderakkoord ook zou gebruiken om individuele verzoeken om inlichtingen in de zin van artikel 197, derde alinea, EG te beperken.

15 In een op 30 november 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft het Parlement nogmaals verklaard, dat het kaderakkoord geen enkel gevolg heeft voor de individuele rechten die de leden van het Parlement (...) aan artikel 197, [derde alinea,] EG kunnen ontlenen". Voorts deelde het mee:

De vraag of de door de Commissie gegeven antwoorden in voorkomend geval ook inhouden, dat vertrouwelijke informatie wordt verstrekt, is in de conferentie van fractievoorzitters van 16 november diepgaand besproken. De gemachtigden van het Parlement is vervolgens opgedragen, aan de president van het Gerecht mee te delen (...) dat het op 25 oktober gedane voorstel dienaangaande door het Parlement niet kan worden aanvaard."

16 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingekomen brief heeft de Commissie doen weten, dat zij in haar vergadering van 15 november 2000 had besloten het voorstel voor een minnelijke regeling niet te aanvaarden.

17 Na die afwijzingen zijn het Parlement en de Commissie uitgenodigd hun opmerkingen te maken over de brief van de vertegenwoordiger van verzoekers van 20 november 2000 en over het daarin bedoelde document. De instellingen hebben dat op 12 december 2000 gedaan.

In rechte

18 Ingevolge het bepaalde in de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden het vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.

19 In casu meent de kortgedingrechter, dat allereerst moet worden onderzocht of het verzoek in kort geding ontvankelijk is.

Argumenten van partijen

20 Het Parlement en de Commissie stellen in de eerste plaats, dat het verzoek moet worden afgewezen, want omdat het geen uiteenzetting bevat van de middelen feitelijk en rechtens, op grond waarvan de opschorting van tenuitvoerlegging aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt, voldoet het niet aan de vereisten van artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (beschikking president Hof van 10 juni 1988, Sofrimport/Commissie, 152/88 R, Jurispr. blz. 2931, punt 12, en beschikking president Gerecht van 16 juli 1992, SPO e.a./Commissie, T-29/92 R, Jurispr. blz. II-2161, punten 32 en 34).

21 In de tweede plaats menen zij, dat het verzoek in kort geding moet worden afgewezen, omdat het beroep waarop het gebaseerd is, kennelijk niet-ontvankelijk is. Verzoekers worden door het kaderakkoord immers niet rechtstreeks en individueel geraakt.

22 In het bijzonder worden verzoekers niet individueel geraakt door het kaderakkoord, omdat dit slechts rechtsgevolgen heeft voor de overeenkomstsluitende partijen, dat wil zeggen de verwerende instellingen.

23 Anders dan verzoekers beweren, regelt het kaderakkoord niet het recht van iedere individuele afgevaardigde om krachtens artikel 197, derde alinea, EG vragen aan de Commissie te stellen. Het betreft slechts het verstrekken van vertrouwelijke informatie aan het Parlement als instelling.

24 Verzoekers worden door het kaderakkoord dus geraakt zoals ieder ander huidig of toekomstig lid van het Europees Parlement, dat wil zeggen als lid van een groep waarvan de samenstelling voortdurend verandert.

25 Het Parlement preciseert, dat de toepassing van het kaderakkoord uitsluitend gevolgen voor de interne organisatie van zijn werkzaamheden heeft en dat het beroep van verzoekers tot nietigverklaring van die handeling dus niet ontvankelijk kan zijn (beschikkingen Hof van 4 juni 1986, Groupe des droites européennes/Parlement, 78/85, Jurispr. blz. 1753, en 22 mei 1990, Blot en Front national/Parlement, C-68/90, Jurispr. blz. I-2101).

26 De omstandigheid dat het mogelijk is het aantal betrokken afgevaardigden te bepalen, volstaat voorts niet om hen als door het kaderakkoord individueel geraakt te kunnen beschouwen (arresten Hof van 6 oktober 1982, Alusuisse/Raad en Commissie, 307/81, Jurispr. blz. 3463, punt 11, en 24 februari 1987, Deutz und Geldermann/Raad, 26/86, Jurispr. blz. 941, punt 8). Wat dit punt betreft, is de beschikking van de president van het Gerecht van 2 mei 2000, Rothley e.a./Parlement (T-17/00 R, Jurispr. blz. II-2085), geen geschikt precedent, want anders dan in casu, had het besluit dat daar in geding was, uitdrukkelijk op de afgevaardigden betrekking.

27 Verzoekers betogen, dat het verzoek in kort geding ontvankelijk is, omdat het eraan ten grondslag liggende beroep in de hoofdzaak dat ook is.

28 De tussen de instellingen van de Unie overeengekomen gedragsregels zijn handelingen van de verwerende partijen in de zin van artikel 230 EG. In hun hoedanigheid van lid van het Parlement worden verzoekers door het kaderakkoord rechtstreeks en individueel geraakt, in het bijzonder omdat het hun recht om krachtens artikel 197, derde alinea, EG vragen te stellen en controle uit te oefenen, aantast.

29 De bepalingen van het kaderakkoord zijn ingevolge artikel 186, sub c, van het reglement van het Parlement (PB 1999, L 202, blz. 1) in het Parlement van toepassing en zijn derhalve bindend voor verzoekers. Krachtens die bepalingen zijn verzoekers verplicht zich op een bepaalde wijze te gedragen, en worden zij bedreigd met sancties indien zij zich er niet aan houden (punt 3.3 van bijlage 3).

30 De bepalingen van het kaderakkoord maken inbreuk op de controlebevoegdheden die artikel 197, derde alinea, EG aan verzoekers toekent. Dit artikel verleent elk der verzoekers oorspronkelijke" individuele rechten tegenover de Commissie. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230 EG is voldaan, omdat het kaderakkoord bedoeld is om ten aanzien van derden rechtsgevolgen teweeg te brengen, en de informatieplicht die de Commissie ingevolge artikel 197, derde alinea, EG tegenover elke afgevaardigde heeft, aanmerkelijk beperkt. Verzoekers verwijzen te dezen naar het hiervóór aangehaalde punt 1.5 van bijlage 3 bij het kaderakkoord.

31 In de door artikel 197, derde alinea, EG verleende controlebevoegdheden komt de rechtspositie van verzoekers tot uitdrukking: zij zijn rechtstreeks door de burgers verkozen vertegenwoordigers met democratische legitimatie. De bepalingen van het kaderakkoord zijn een directe inmenging in de functie van verzoekers.

Beoordeling door de kortgedingrechter

Niet-ontvankelijkheid wegens schending van de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering

32 Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moeten verzoeken tot verkrijging van een voorlopige maatregel de middelen, zowel feitelijk als rechtens, [bevatten] op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt".

33 Artikel 104, lid 3, van dat reglement bepaalt, dat het verzoek om een voorlopige maatregel wordt gedaan bij afzonderlijke akte en met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 43 en 44".

34 Lezing in hun onderling verband van deze bepalingen van artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering maakt duidelijk, dat het verzoek om een voorlopige maatregel alle gegevens moet bevatten die noodzakelijk zijn voor de verwerende partij om haar opmerkingen voor te kunnen bereiden, en voor de kortgedingrechter om op het verzoek te kunnen beslissen, zonder dat zij daarbij eventueel andere informatie benodigen. Met het oog op de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling zal een dergelijk verzoek slechts ontvankelijk zijn, indien de essentiële elementen feitelijk en rechtens waarop het is gebaseerd, op coherente en begrijpelijke wijze in de tekst van het verzoek zelf zijn beschreven. Weliswaar kan deze tekst op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzing naar bepaalde passages van bijlagen, maar een globale verwijzing naar andere geschriften, zelfs wanneer deze als bijlagen bij het verzoek in kort geding zijn gevoegd, kan het ontbreken van de essentiële elementen in het verzoekschrift zelf niet compenseren.

35 In casu zeggen verzoekers in het verzoek, dat het beroep gebaseerd is op de [vervolgens door hen genoemde] gronden". De beknopte uiteenzetting van de acht genoemde gronden wordt aangevuld met een verwijzing naar de desbetreffende punten van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Alzo leest men onder het opschrift Gegrondheid van het beroep (fumus boni juris)":

Het beroep is gebaseerd op de volgende gronden:

a) er zijn wezenlijke vormen geschonden bij de vaststelling door het Parlement van het [kaderakkoord] (zie punten 22-25 van het verzoekschrift);

b) sommige bepalingen van het [kaderakkoord] zijn in strijd met het reglement van het Parlement, doordat zij inbreuk maken op de aan de mandaathouders en de organen van het Parlement toegekende bevoegdheden en op de autonomie van de commissies en hun rapporteurs, zoals geregeld in het reglement, en zijn onverenigbaar met het bepaalde in bijlage VII van het reglement van het Parlement, betreffende de procedure voor het onderzoek van vertrouwelijke documenten (zie punten 26-46 van het verzoekschrift);

c) sommige bepalingen van het [kaderakkoord] zijn in strijd met het Financieel reglement en maken in het bijzonder inbreuk op de daarbij aan het Parlement toegekende bevoegdheid om alle inlichtingen en rechtvaardigingen voor de onder zijn bevoegdheid vallende begrotingsvragen te verkrijgen (zie punten 47-49 van het verzoekschrift);

d) het Verdrag is geschonden, doordat het [kaderakkoord] gebaseerd is op artikel 214 EG, dat de procedure voor de benoeming van de leden van de Commissie regelt, maar dat geen rechtsgrondslag biedt voor de vaststelling van bepalingen die zowel de interne werkzaamheden van het Parlement beïnvloeden als de betrekkingen tussen de instellingen zoals geregeld in het Verdrag (zie punten 50-53 van het verzoekschrift);

e) sommige bepalingen van het [kaderakkoord] zijn onverenigbaar met artikel 197, derde alinea, EG, dat de leden van het Parlement autonome en onvervreemdbare controlebevoegdheden tegenover de Commissie waarborgt (zie punten 54-60 van het verzoekschrift);

f) sommige bepalingen van het [kaderakkoord] beperken en verzwakken de in artikel 276 geregelde controlebevoegdheden van het Parlement met betrekking tot de uitvoering van de begroting (zie punten 61-64 van het verzoekschrift);

g) het [kaderakkoord] is in strijd met artikel 7 EG, bepalende dat iedere instelling handelt binnen de grenzen van de haar verleende bevoegdheden, dus in overeenstemming met de bepalingen van de Verdragen (zie punt 65 van het verzoekschrift);

h) het [kaderakkoord] is in strijd met artikel 211 EG, krachtens hetwelk de Commissie moet toezien op de toepassing van de bepalingen van het Verdrag (zie punt 66 van het verzoekschrift)."

36 De manier waarop onder a tot en met c en onder e tot en met h verwezen wordt naar de middelen en argumenten van het verzoekschrift tot nietigverklaring van het kaderakkoord, kan ook nu dit verzoekschrift aan het verzoek in kort geding is gehecht, geen alternatief zijn voor de uiteenzetting van de feiten, middelen en argumenten in het verzoek in kort geding zelf en kan het ontbreken van iedere toelichting in dit verzoek van de beroepsgronden van de hoofdzaak die een fumus boni juris opleveren, niet compenseren (in die zin, met toepassing van artikel 83, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, beschikking president Hof van 12 oktober 2000, Griekenland/Commissie, C-278/00 R, Jurispr. blz. I-8787, punt 27).

37 Een conclusie in tegengestelde zin zou er bovendien op neerkomen, dat de kortgedingrechter verplicht is het beroep in de hoofdzaak te onderzoeken, wat iedere betekenis zou ontnemen aan de bepaling van het Reglement voor de procesvoering, dat het verzoek tot verkrijging van voorlopige maatregelen bij afzonderlijke akte moet worden ingediend.

38 De uiteenzetting van de gronden onder a tot en met c en onder e tot en met h is derhalve niet in overeenstemming met de vereisten van de bovenbedoelde bepalingen van het Reglement voor de procesvoering. Die gronden kunnen dus niet in aanmerking worden genomen om vast te stellen, of het verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.

39 Bij het middel onder d, betreffende een verkeerde rechtsgrondslag van het kaderakkoord, zijn de bewoordingen ervan voldoende om de strekking ervan te begrijpen. Wel zal eventueel moeten worden onderzocht, of deze beroepsgrond de fumus boni juris bezit die voor het treffen van een voorlopige maatregel vereist is.

40 Eerst dienen wij echter na te gaan, of het beroep in de hoofdzaak, zoals Parlement en Commissie stellen, kennelijk niet-ontvankelijk is.

Niet-ontvankelijkheid wegens niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak

41 Ingevolge het bepaalde in artikel 104, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering is een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling slechts ontvankelijk, indien de verzoeker bij het Gerecht beroep tegen die handeling heeft ingesteld. Het gaat bij deze bepaling niet om een simpele formaliteit; zij onderstelt in tegendeel, dat het beroep ten gronde, waarop het verzoek in kort geding is gebaseerd, daadwerkelijk door het Gerecht kan worden onderzocht.

42 Volgens vaste rechtspraak dient de vraag, of het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is, in principe niet in het kader van een kort geding te worden onderzocht, ten einde de zaak ten gronde niet te prejudiciëren. Wanneer echter, zoals in casu, wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak waarmee het verzoek in kort geding verband houdt, kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het noodzakelijk zijn het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen die aannemelijk maken dat dat beroep ontvankelijk is (beschikkingen president Hof van 16 oktober 1986, Groupe des droites européennes en Front national/Parlement, 221/86 R, Jurispr. blz. 2969, punt 19, en 27 januari 1988, Distrivet/Raad, 376/87 R, Jurispr. blz. 209, punt 21; beschikkingen president Gerecht van 25 november 1999, Martinez en de Gaulle/Parlement, T-222/99 R, Jurispr. blz. II-3397, punt 60, en Rothley e.a./Parlement, punt 45).

43 Artikel 230, eerste alinea, EG bepaalt, dat het Hof van Justitie, onder meer, de wettigheid nagaat van de handelingen van het Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben. Deze bepaling strekt ertoe, aan de controle van de communautaire rechter te onderwerpen de door het Parlement in de sfeer van het EG-Verdrag verrichte handelingen die inbreuk op de bevoegdheden der lidstaten zouden maken of die de grenzen van de bevoegdheid van het Parlement zouden overschrijden (arrest Hof van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, Jurispr. blz. 1339, punt 25). Handelingen die slechts de interne organisatie van de werkzaamheden van het Parlement betreffen, zijn daarentegen niet vatbaar voor beroep tot nietigverklaring (beschikkingen Groupes des droites européennes/Parlement, punt 11, en Blot en Front national/Parlement, punt 11, beide reeds aangehaald, en arrest Hof van 23 maart 1993, Weber/Parlement, C-314/91, Jurispr. blz. I-1093, punt 9). Hiertoe behoren handelingen van het Parlement, die ofwel geen ofwel enkel binnen het Parlement rechtsgevolgen teweegbrengen in verband met de interne organisatie van zijn werkzaamheden en die volgens de in zijn reglement geregelde verificatieprocedures kunnen worden getoetst (arrest Weber/Parlement, reeds aangehaald, punt 10).

44 Om te beginnen zij opgemerkt, dat het kaderakkoord op 5 juli 2000 door de meerderheid van de leden van het Parlement is goedgekeurd en dus, in het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid, als een handeling van het Parlement zelf is te beschouwen.

45 Vervolgens moet worden nagegaan, of het ook buiten het kader van de interne organisatie van de werkzaamheden van de instelling rechtsgevolgen teweeg kan brengen.

46 Dienaangaande betogen verzoekers, dat het kaderakkoord een regeling bevat inzake het recht van toegang van het Parlement en van zijn leden tot alle informatie waarover de Commissie beschikt en waarom het Parlement of een van zijn leden verzoekt. Deze regeling is algemeen en definitief. Bovendien, aldus verzoekers, is het voornaamste doel van het kaderakkoord en, meer in het bijzonder, van zijn bijlage 3 niet om eenvoudig de informatie-uitwisseling tussen de twee instellingen als zodanig te regelen, maar om het individuele recht van de parlementsleden om krachtens artikel 197, derde alinea, EG vragen te stellen en controle uit te oefenen, te bekorten. Het kaderakkoord beperkt onrechtmatig de rechtspositie van verzoekers als afgevaardigden en, meer in het bijzonder, de met die rechtspositie overeenkomende controlebevoegdheden tegenover de Commissie. Indien verzoekers zich aan de hun aldus opgelegde verplichtingen zouden houden, zouden zij daarmee het Verdrag, het Financieel reglement van de Europese Gemeenschap en het reglement van het Parlement schenden.

47 Verzoekers willen hiermee in wezen maar zeggen, dat het kaderakkoord het voor de individueel optredende afgevaardigden onmogelijk maakt, de Commissie krachtens artikel 197, derde alinea, EG om vertrouwelijke informatie te verzoeken, en daardoor zou hun rechtssituatie zijn gewijzigd.

48 Uit de bepalingen van het kaderakkoord, met name punt 1 en de punten 1.1, 1.3 en 1.4 van bijlage 3, blijkt evenwel - en dit wordt bevestigd door de omstandigheden waaronder het akkoord is gesloten en die licht werpen op de strekking ervan -, dat het niet tot doel heeft het recht van de afgevaardigden om individueel vragen te stellen, te beperken, maar enkel om het Parlement in staat te stellen ruimere controle uit te oefenen op de werkzaamheid van de Commissie door van deze vertrouwelijke informatie te verkrijgen waarvan de verstrekking voordien niet was geregeld.

49 De bepaling van het kaderakkoord, dat bepaalde informatie enkel aan de in punt 1.4 van bijlage 3 genoemde parlementaire instanties kan worden verstrekt - te weten de voorzitter van het Parlement, de voorzitters van de betrokken parlementaire commissies, het Bureau en de Conferentie van voorzitters -, betekent niet dat individueel optredende parlementsleden geen recht meer zouden hebben de Commissie vragen te stellen en van haar antwoord te krijgen, in voorkomend geval vergezeld van vertrouwelijke informatie, zoals dat vóór de vaststelling van het kaderakkoord het geval was. Hierbij zij opgemerkt, dat door het kaderakkoord zelfs niet indirect wordt geraakt aan de beoordelingsvrijheid van de Commissie om al dan niet vertrouwelijke informatie te verstrekken,er zij een door een individueel parlementslid krachtens artikel 197, derde alinea, EG en overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het reglement van het Parlement gestelde vraag beantwoordt.

50 Wanneer echter een verzoek om vertrouwelijke informatie door het Parlement, dat wil zeggen door een van de in punt 1.4 van bijlage 3 bedoelde parlementaire instanties wordt gedaan, valt de verstrekking van die informatie door de Commissie thans onder de regeling van het kaderakkoord.

51 Op het eerste gezicht wordt door het kaderakkoord, dat enkel de betrekkingen tussen de Commissie en het Parlement regelt, dus geen wijziging gebracht in de rechtssituatie van individueel optredende afgevaardigden waar het hun in artikel 197, derde alinea, EG bedoeld recht betreft, wordt op het door die bepaling gewaarborgde recht geen inbreuk gemaakt, en heeft dat akkoord derhalve geen rechtsgevolgen ten aanzien van individueel optredende afgevaardigden.

52 Zoals voorlopig vastgesteld, behelst het kaderakkoord geen beperking van het recht van de afgevaardigden om individueel vragen aan de Commissie te stellen. De verklaring van verzoekers, dat zij door het document getiteld Practical Guide to the Framework Agreement" (zie punt 14 supra) gesterkt worden in hun vrees", dat de Commissie het kaderakkoord zal gebruiken om genoemd recht te beperken, is derhalve niet ter zake dienend.

53 Waar bijgevolg geen serieuze steun kan worden gevonden voor de mening dat de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak niet uitgesloten is, moet het verzoek in kort geding niet-ontvankelijk worden verklaard.

Dictum

DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

beschikt:

1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.