4.9.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 237/70


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2008

betreffende steunmaatregel C 15/07 (ex NN 20/07) die Italië ten uitvoer heeft gelegd met betrekking tot de bij omzetting van rechtspersoon aan bepaalde kredietinstellingen verleende fiscale prikkels

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 869)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/711/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1), en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Op 24 december 2003 keurde het Italiaanse Parlement wet nr. 350 van 24 december 2003 (hierna „wet nr. 350/2003” genoemd) goed (2). Deze voorzag, in artikel 2, lid 26, in een bijzondere regeling tot fiscale waardeafstemming (riallineamento fiscale) van activa van bepaalde kredietinstellingen ontstaan uit of onderworpen aan een omzetting van rechtspersoon in de zin van de voorgaande wet nr. 218 van 30 juli 1990 (hierna „wet nr. 218/1990” genoemd) betreffende de privatisering van kredietinstellingen van publiek recht in Italië.

(2)

De Italiaanse autoriteiten hadden de regeling niet bij de Commissie aangemeld in het kader van het staatssteuntoezicht overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag. De Commissie heeft evenwel een voorlopige beoordeling van deze regeling gemaakt.

(3)

Bij schrijven van 26 september 2005 (D/57424) verzocht de Commissie de Italiaanse autoriteiten haar alle inlichtingen te zenden die relevant zijn om de regeling te beoordelen op haar verenigbaarheid met de staatssteunregels en de rechtmatigheid ervan op grond van de verplichting uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag tot voorafgaande aanmelding van ieder steunvoornemen.

(4)

Bij schrijven van 29 november 2005 (A/39913) heeft Italië de verlangde inlichtingen verschaft.

(5)

Bij schrijven van 31 maart 2006 heeft de Commissie Italië om verdere verduidelijking verzocht ten aanzien van de vraag of de regeling op staatssteun neerkwam en de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt.

(6)

Bij schrijven van 5 mei 2006 (A/33466) heeft Italië de verlangde inlichtingen verschaft.

(7)

Op 3 juli 2006 vond een bijeenkomst plaats tussen de diensten van de Commissie en de Italiaanse autoriteiten, om het functioneren en de rechtvaardiging van de betrokken belastingregeling te bespreken. Tijdens die bijeenkomst heeft de Commissie nota genomen van de door de Italiaanse autoriteiten gegeven verklaringen, maar bleef zij bij de betrokken regeling op een aantal punten twijfel hebben wat betreft de vraag of het bij deze maatregel om staatssteun ging en of deze met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is.

(8)

Bij schrijven van 28 juli 2006 (A/36106) hebben de Italiaanse autoriteiten een synthese verstrekt van de inlichtingen en de toelichtingen die Italië tijdens de bijeenkomst van 3 juli 2006 had verschaft.

(9)

Bij schrijven van 30 mei 2007 (D/203295) heeft de Commissie Italië in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden ten aanzien van de betrokken steunmaatregel. In het besluit dat in het Publicatieblad van de Europese Unie werd bekendgemaakt (3), heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen te maken over de steunmaatregel ten aanzien waarvan de formele onderzoekprocedure werd ingeleid.

(10)

Bij schrijven van 5 juli 2007 (A/35808) hebben de Italiaanse autoriteiten hun opmerkingen gemaakt.

(11)

Voorts heeft de Commissie opmerkingen van belanghebbenden ontvangen, met name van het bankconcern Paribas (waartoe Banca Nazionale del Lavoro behoort) en van het bankconcern UniCredit (waartoe Capitalia, Banca di Roma en Banco di Sicilia behoren).

(12)

De Commissie heeft bij schrijven van 3 oktober 2007 (D/53926) de Italiaanse autoriteiten meegedeeld dat zij opmerkingen van belanghebbenden had ontvangen en heeft deze opmerkingen bij schrijven van 22 november 2007 (D/54681) voor een reactie aan Italië doorgezonden. Bij brieven van 5 november 2007 (A/39031) en 21 december 2007 (A/40631) hebben de Italiaanse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat zij geen verdere opmerkingen wilden maken of verdere aanmerkingen hadden.

2.   NADERE BESCHRIJVING VAN DE REGELING

2.1.   Vermogenswinstbelasting

(13)

Het Italiaanse belastingstelsel heeft met vrijwel alle moderne belastingstelsels een aantal basisbeginselen op het gebied van de vennootschapsbelasting gemeen: de op ondernemingsniveau geheven inkomstenbelasting is van toepassing voor de meeste entiteiten met rechtspersoonlijkheid (voornamelijk commerciële ondernemingen), hoewel — verplichte of facultatieve — fiscale transparantie kan worden toegepast ten aanzien van bepaalde entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en bepaalde soorten personenvennootschappen. De aandeelhouders van de belastingplichtige vennootschap zijn van de vennootschap waarin zij een belang hebben, te onderscheiden belastingplichtigen en zijn — in beginsel — onderworpen aan belasting over de vermogenswinst en de dividenden ontvangen in verhouding tot hun deelneming, ook al zijn er mechanismen van toepassing om de effecten van dubbele belastingheffing over de inkomsten uit de aangehouden deelnemingen te verzachten. Voorts is over de vermogenswinst van vennootschappen belasting verschuldigd wanneer deze wordt gerealiseerd en fiscaal worden erkend. De rentekosten van de vennootschap zijn, in beginsel, aftrekbaar, terwijl dat voor de kapitaalkosten niet het geval is, hetgeen zich vertaalt in een enkele belastingheffing over de ontvangen rente op het niveau van de crediteur (tegen het voor crediteuren geldende belastingtarief) en een dubbele belastingheffing over de dividenden in verband met de aangehouden deelnemingen op het niveau van de vennootschap en, ten minste in beginsel, van de aandeelhouder.

(14)

Wanneer een aandeelhouder een belang in een vennootschap verwerft, brengt zulks veranderingen met zich in de heffingsgrondslag van de activa van de vennootschap. Daartegenover staat dat de vervreemding van activa van een vennootschap in de regel vermogenswinst of -verlies oplevert waarover op het niveau van de inbrengende vennootschap belasting is verschuldigd. Aangezien de belasting over een vervreemding van activa doorgaans onmiddellijk wordt voldaan, maar de belastingvoordelen van de waardestijging van de ingebrachte activa pas na verloop van tijd worden gerealiseerd (periodieke afschrijvingen), resulteert een op het niveau van de vennootschap belastbare overdracht van activa doorgaans in een verhoging van de totale door de overdragende en de overnemende vennootschap verschuldigde nettobelasting.

(15)

De vervreemding van vennootschapsactiva aan de aandeelhouders resulteert eveneens in belastingheffing over de aan de overgedragen activa verbonden vermogenswinst voor een bedrag dat met de verbreding van de heffingsgrondslag van de door de aandeelhouders ontvangen activa overeenstemt, met name indien deze laatsten vennootschappen zijn, aangezien er geen waardestijging van de activa kan plaatsvinden zonder dat de gerealiseerde vermogenswinst op het niveau van de vennootschap zelf fiscaal wordt erkend.

2.2.   Herwaarderingen en waardeafstemming van activa in het algemeen

(16)

Een herwaardering van activa is een boekhoudkundige operatie waarbij de boekwaarde van de in de jaarrekeningen van de vennootschap opgenomen vaste activa op hun actuele waarde wordt gebracht (aangezien het meestal om af te schrijven vaste activa gaat, neemt de boekwaarde daarvan mettertijd af, terwijl hun marktwaarde ongewijzigd kan blijven, zodat hun restwaarde hoger uitkomt doordat hun waarde mettertijd stijgt). Aangezien er geen stijging van de boekwaarde van de activa van een vennootschap zou mogen zijn zonder dat de op het niveau van de vennootschap zelf gerealiseerde vermogenswinst fiscaal wordt erkend, dient het door de herwaardering ontstane surplus te worden beschouwd als een waardestijging van de vaste activa, die tegen dezelfde voorwaarden als de betrokken activa kan worden afgeschreven. Voorts zal bij een toekomstige vervreemding van die (geherwaardeerde) activa de gerealiseerde vermogenswinst lager uitkomen, door het geringere verschil tussen het ontvangen verkoopbedrag en de boekwaarde van de activa.

(17)

Herwaarderingen zijn bijzondere boekhoudkundige operaties omdat de boekhoudkundige regels een vertaling zijn van traditionele prudentiële criteria, terwijl de herwaarderingen zijn gebaseerd op de (uitzonderlijke) aanname dat bepaalde activa meer waard zijn dan ervoor werd betaald of dan de restwaarde ervan. Die aanname kan onjuist blijken te zijn in het licht van toekomstige gebeurtenissen op de markt. Overigens leggen de recent ingevoerde standaarden voor jaarrekeningen (de zgn. International Financing Reporting Standards of IFRS), die in Italië verplicht werden voor bepaalde vennootschappen en met name de banken, de administratieve verwerking van vaste activa van vennootschappen tegen hun reële waarde (fair value) op, met name wat betreft de financiële instrumenten (de desbetreffende winst of het desbetreffende verlies worden daarom op geregelde tijstippen in de jaarrekening opgenomen). Voorts worden bij omzetting van rechtspersoon de activa geruild tegen hun actuele waarde (die doorgaans hoger ligt dan de in de jaarrekening opgenomen boekwaarde) en de betrokken waardestijgingen worden dan ook in de jaarrekeningen opgenomen.

(18)

Voor de toepassing van de vennootschapsbelasting geldt de herwaardering van de boekwaarde van activa in beginsel als een belastbare transactie voor zover daarmee een vermogenswinst wordt gerealiseerd en een stijging van de fiscale boekwaarde van de betrokken vaste activa wordt erkend. Deze vermogenswinst brengt een stijging van de belastbare inkomsten met zich — en dus van de door de begunstigden verschuldigde belasting — ook indien deze niet worden gerealiseerd. Om te vermijden dat over de nog niet gerealiseerde vermogenswinst vennootschapsbelasting hoeft te worden voldaan, biedt het belastingstelsel doorgaans de mogelijkheid de fiscale vermogenswinst te bevriezen door aan de activa de historische fiscale boekwaarde te blijven toerekenen, die lager ligt dan hun boekwaarde. In dat geval zal het boekhoudkundige voordeel (de gerealiseerde winst, die echter nog niet als belastbare winst is erkend) worden uitgesteld tot het tijdstip dat de vermogenswinst daadwerkelijk wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld na de verkoop van de activa tegen contante betaling.

(19)

De winst vóór belasting die uit de opgeschorte vermogenswinst resulteert, wordt in de regel fiscaal geboekt in een bijzondere reserve, die de fiscaal niet-erkende winst vertegenwoordigt. Zolang de gerealiseerde winst fiscaal niet wordt erkend, zijn de boekwaarde en de fiscale waarde van de activa niet op elkaar afgestemd. Deze waardeafstemming is dus een fiscale transactie waarbij de fiscale waarde op de boekwaarde van de betrokken activa wordt afgestemd, en bijgevolg wordt uit fiscaal oogpunt een vermogenswinst erkend en belast. De winst vóór belasting valt dus vrij uit de bijzondere reserve en wordt bij de gewone winst van het boekjaar geboekt, terwijl de nieuwe, afgestemde waarden daardoor uit fiscaal oogpunt kunnen worden afgeschreven.

(20)

Toch dient te worden aangetekend dat de vermogenswinst een bijzondere vorm van inkomsten is die, anders dan de overige baten, een afspiegeling is van de economische waarde van de vaste activa die mettertijd is gestegen, terwijl de fiscale erkenning daarvan noodzakelijkerwijs een eenmalige transactie is. Bijgevolg wordt de door vennootschappen gerealiseerde vermogenswinst niet alleen uitgesteld tot het tijdstip waarop de fiscale waarde van de betrokken activa wordt afgestemd, maar zijn deze doorgaans onderworpen aan een vervangende belasting die lager ligt dan de normale vennootschapsbelasting. Deze verlaagde belasting vormt een voordeel, omdat de betrokken vennootschap een lager dan normale winstbelasting betaalt en deze winst aan haar aandeelhouders kan uitdelen in de vorm van dividenden, waarmee zij ten aanzien van de reeds voldane vennootschapsbelasting eventueel een recht op belastingkredieten of belastingvrijstellingen doet ontstaan. Uit oogpunt van de toepassing van de staatssteunregels kan het uit de toepassing van de vervangende belasting resulterende belastingvoordeel worden gerechtvaardigd door de heffingstechniek (4), gelet op het specifieke karakter van de vermogenswinst ten opzichte van de gewone winst.

2.3.   Hoe vermogenswinst momenteel in Italië wordt belast

(21)

Om de kenmerken van de hier te onderzoeken regeling te kunnen beschrijven, dienen de Italiaanse regels inzake belastingheffing over vermogenswinst resulterend uit de inbreng van activa na bepaalde omzettingen van rechtspersoon in de Italiaanse bankensector als bedoeld in wet nr. 218/1990 hier op hoofdlijnen te worden gepresenteerd.

Inbreng van vennootschapsactiva naar aanleiding van omzettingen van rechtspersoon bij kredietgroepen overeenkomstig wet nr. 218/1990

(22)

Met wet nr. 218/1990 werd — met het oog op een rationalisering van de bankensector in Italië — een bijzondere regeling ingevoerd die was bedoeld om de inbreng van door lokale openbare kredietinstellingen aangehouden vaste activa en andere bankactiva of takken van bedrijvigheid in de bankensector in nieuw opgerichte of bestaande particuliere kredietinstellingen mogelijk te maken (artikel 1 van wet nr. 218/1990). In 1990 werd de inbreng van een tak van bedrijvigheid fiscaal gelijkgesteld met een vervreemding van activa en zou, als dusdanig, de betaling van vennootschapsbelasting over het saldo van de actuele waarde van de ingebrachte activa en de fiscale waarde daarvan met zich brengen, overeenkomstig artikel 54, lid 5, en artikel 9 van het toen geldende decreet nr. 917 van de president van de Republiek van 22 december 1986 (hierna „DPR nr. 917/1986” genoemd).

(23)

Om de inbreng van bankactiva te vergemakkelijken, werd in artikel 7, lid 2, van wet nr. 218/1990 onder meer voorzien in een afwijkende belastingregeling waarbij de vermogenswinst gerealiseerd bij de inbreng van activa in particuliere kredietinstellingen — in het kader van een omzetting van rechtspersoon in de zin van artikel 1 van diezelfde wet — in ruil voor aandelen van die instelling fiscaal pas zou worden erkend wanneer de vervreemding van de activa daadwerkelijk zou plaatsvinden of wanneer deze vermogenswinst in de vorm van dividenden aan de aandeelhouders wordt uitgedeeld (uitstel van de fiscale erkenning van de vermogenswinst).

(24)

De doelstellingen van wet nr. 218/1990 kunnen als volgt worden samengevat:

i)

openbare kredietinstellingen die in de bankensector actief zijn (in hoofdzaak voor het verschaffen van financiering aan cliënten) de mogelijkheid bieden de rechtsvorm van vennootschap op aandelen (società per azioni) aan te nemen, die als beter geschikt geldt voor het uitoefenen van commerciële activiteiten;

ii)

deze openbare kredietinstellingen de mogelijkheid bieden zich te herkapitaliseren door bij hun aandeelhouders nieuw kapitaal aan te trekken en zich te consolideren;

iii)

zorgen voor een gelijk speelveld tussen openbare en particuliere kredietinstellingen, door aan de particuliere instellingen hetzelfde voordeel toe te kennen van de fiscale neutraliteit van de bij omzetting van rechtspersoon gerealiseerde vermogenswinst, voordeel dat voordien alleen voor de openbare kredietinstellingen gold.

(25)

Volgens artikel 7, lid 2, van wet nr. 218/1990 gold 15 % van de bij de inbreng gerealiseerde vermogenswinst als belastbare inkomsten van de inbrengende entiteit (de openbare kredietinstelling) en werd dit belast tegen het gewone vennootschapsbelastingtarief (toentertijd 52,2 %, bestaande uit 36 % uit hoofde van de inkomstenbelasting voor rechtspersonen (imposta sui redditi delle persone giuridiche — hierna „IRPEG” genoemd) en 16,2 % uit hoofde van de lokale inkomstenbelasting (imposta locale sui redditi — hierna „ILOR” genoemd) Volgens de wet kon 15 % van de belaste vermogenswinst worden toegerekend ofwel aan de afzonderlijke activa (omdat deze door de inbrengende bank als nieuwe heffingsgrondslag werden erkend) ofwel aan de goodwill. De wet bepaalde voorts dat de fiscale waarde van bij de ontvangende bank ingebrachte activa werd opgenomen in de boekhouding van deze laatste (overgedragen fiscale waarde) en ook werd toegerekend tegen de waarde van de aandelen van de bank die van de inbrengende entiteit waren ontvangen (vervangende fiscale waarde), met uitzondering van 15 % van de belaste vermogenswinst die werd erkend als stijging van de (overgedragen en vervangende) fiscale waarde.

(26)

De regeling voorzag dus in wezen in een fiscaal gedeeltelijke neutraliteit, waardoor voor de inbreng van een tak van bedrijvigheid uitstel van betaling van de vennootschapsbelasting werd verleend, mits de fiscale waarde van de ingebrachte activiteiten werd toegerekend aan de van inbrengende entiteit ontvangen aandelen, en de ontvangende instelling aan de ontvangen activa de fiscale waarde toerekende die deze hadden toen zij eigendom van de inbrengende instelling waren. Als gevolg van deze regeling liep de actuele waarde van de activa op het tijdstip van inbreng niet meer gelijk met hun fiscale waarde. Krachtens artikel 7, lid 2, van wet nr. 218/1990 dienden zowel de inbrengende als de ontvangende instelling bij hun belastingaangifte een „afstemmingsoverzicht” te voegen, waarin zij verantwoording moesten afleggen voor het niet-gelijklopen van de betrokken fiscale waarde en de boekhoudwaarde.

Inbreng van activa bij omzetting van rechtspersoon overeenkomstig Richtlijn 90/434/EEG

(27)

Bij Decreto Legislativo nr. 544 van 30 december 1992 (hierna „D.Lgs. nr. 544/1992” genoemd) heeft Italië Richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke belastingregeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten (5) in zijn nationale recht omgezet. In zijn oorspronkelijke versie zag Richtlijn 90/434/EEG op fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil bij vennootschappen uit verschillende lidstaten die aan de volgende drie criteria voldoen: i) de betrokken vennootschap moet een van de in de bijlage genoemde rechtsvormen hebben; ii) zij moet fiscaal in een lidstaat zijn gevestigd, en iii) onderworpen zijn aan een van de in artikel 3, onder c), van de richtlijn genoemde vennootschapsbelastingen die in de lidstaten van toepassing zijn.

(28)

In Richtlijn 90/434/EEG wordt „inbreng van activa” als volgt omschreven: „de rechtshandeling waarbij een vennootschap, zonder ontbonden te worden, haar gehele dan wel een of meer takken van haar bedrijvigheid inbrengt in een andere vennootschap, tegen verkrijging van bewijzen van deelgerechtigdheid in het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap welke de inbreng ontvangt” (daarbij kan het gaan om een nieuw opgerichte dochteronderneming waarvan het aanvangskapitaal uit de ingebrachte aandelen bestaat, of om een bestaande vennootschap).

(29)

Overeenkomstig artikel 2, onder i), van Richtlijn 90/434/EEG vormen de ingebrachte activa een tak van bedrijvigheid, namelijk het totaal van de activa en passiva van een afdeling van een vennootschap die uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie vormen, dat wil zeggen een geheel dat op eigen kracht kan functioneren. In een recent arrest (6) heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat, om onder de toepassing van de richtlijn te kunnen vallen, een inbreng van activa het totaal van de activa en passiva van een afdeling van een vennootschap die uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie vormen, moet omvatten. Volgens Richtlijn 90/434/EEG dient de inbreng van activa uitsluitend in aandelen te worden betaald, aangezien — anders dan bij de overige transacties zoals fusies, splitsingen en aandelenruil waarop de richtlijn ziet — in dit geval in ruil voor de activa geen bijbetaling in geld mag plaatsvinden.

(30)

Artikel 9 van Richtlijn 90/434/EEG bepaalt, verwijzend naar artikel 4 van diezelfde richtlijn, dat de inbreng van activa niet mag leiden tot enigerlei belastingheffing over de vermogenswinst op het niveau van de inbrengende vennootschap. In de richtlijn wordt vermogenswinst omschreven als zijnde het saldo van de werkelijke waarde (de marktwaarde) van de ingebrachte activa en passiva en hun fiscale waarde, ongeacht de specifieke regels inzake waardebepaling uit de nationale wetgeving. Deze gunstige behandeling van de vermogenswinst waarin Richtlijn 90/434/EEG voorziet — waar deze handelt over de inbreng tussen vennootschappen uit diverse lidstaten — is gebaseerd op het criterium van „de vaste inrichting”: met andere woorden alleen de activa die binnen een vennootschap die fiscaal is gevestigd in de lidstaat van de inbrengende vennootschap of die metterdaad gaan behoren tot de vaste inrichting van de ontvangende vennootschap in de lidstaat van de inbrengende vennootschap, kunnen aanspraak maken op het belastinguitstel waarvan in artikel 4 van de richtlijn sprake is.

(31)

Richtlijn 90/434/EEG voorziet dus in een fiscaal neutrale regeling of een regeling met belastinguitstel — in plaats van een belastingvrijstelling — aangezien de lidstaat van de ontvangende vennootschap het recht behoudt de bij de inbreng van de activa gerealiseerde vermogenswinst te belasten wanneer deze activa in de toekomst worden vervreemd. Om aan belasting onderworpen te blijven, dienen de met de ingebrachte activa gerealiseerde vermogenswinst in de fiscale boekhouding van de ontvangende vennootschap te worden opgenomen: met het oog daarop moeten alle ingebrachte activa en passiva in de fiscale boekhouding van de ontvangende vennootschap worden geboekt tegen hun laatste waarde in de direct aan de inbreng voorafgaande periode (overgedragen fiscale waarde). De ontvangende vennootschap dient de heffingsgrondslag van de inbrengende vennootschap over te nemen, zonder dat zij van de mogelijkheid kan gebruikmaken om die heffingsgrondslag af te stemmen op de reële marktwaarde ervan. Zodoende lopen de bepalingen van Richtlijn 90/434/EEG over een gunstige behandeling van de inbreng van activa ten gronde gelijk met die van artikel 1 van genoemde wet nr. 218/1990, behalve dan het feit dat in Richtlijn 90/434/EEG geen normen worden vastgesteld voor de waardering van de aandelen die de inbrengende vennootschap in ruil voor deze activa ontvangt, terwijl in artikel 7, lid 2, van wet nr. 218/1990 uitdrukkelijk wordt voorzien in het gebruik van de vervangende fiscale waarde, met als gevolg een systeem met een dubbele discrepantie.

Inbreng van activa bij omzetting van rechtspersoon overeenkomstig D.Lgs. nr. 358/1997

(32)

Aangezien de bepalingen van Richtlijn 90/434/EEG alleen zien op de omzetting van rechtspersoon tussen verschillen lidstaten — het systeem dat bij D.Lgs. nr. 544/1992 in het Italiaanse nationale recht werd omgezet — heeft Italië autonoom de regeling van de fiscaal neutrale omzetting van rechtspersoon uitgebreid tot de omzetting van op zijn nationale grondgebied gevestigde rechtspersonen. Bij Decreto Legislativo nr. 358 van 8 oktober 1997 (hierna „D.Lgs. nr. 358/1997” genoemd) heeft Italië algemene fiscale bepalingen ingevoerd voor de omzetting van op zijn grondgebied gevestigde rechtspersonen; deze bepalingen zijn ook van toepassing wanneer de inbreng van activa plaatsvindt in de vorm van een inbreng van een tak van bedrijvigheid in ruil voor aandelen.

(33)

De algemene regeling inzake belasting van uit de omzetting van in Italië gevestigde rechtspersonen, en met name uit de inbreng van activa, waarin door D.Lgs. nr. 358/1997 wordt voorzien, resulterende vermogenswinst is gebaseerd op twee, alternatieve systemen.

(34)

Enerzijds wordt door artikel 3 van D.Lgs. nr. 358/1997 voorzien in een optionele regeling van vervangende belasting van de uit de inbreng van gekwalificeerde vennootschappen of deelnemingen in ruil voor aandelen in die vennootschap afkomstige vermogenswinst. In de eerste plaats moet volgens artikel 3, met het oog op de bepaling van de betrokken vermogenswinst, het saldo worden berekend van de fiscale waarde van de ingebrachte activa — toen deze nog eigendom waren van de inbrengende vennootschap — en de in de jaarrekeningen van de inbrengende vennootschap toegerekende waarde of, indien deze hoger ligt, de waarde die in de jaarrekeningen van de ontvangende vennootschap wordt toegerekend aan de tak van bedrijvigheid die bij haar wordt ingebracht. Voorts is in artikel 3 in de mogelijkheid voorzien om de vermogenswinst fiscaal te erkennen tegen betaling van een vervangende belasting van 19 %. Op grond van de nieuwe regeling worden de boek- en fiscale waarde, die de gerealiseerde vermogenswinst omvatten, erkend als de nieuw aan de activa toegerekende waarden hetzij voor de inbrengende vennootschap hetzij voor de ontvangende vennootschap, om te vermijden dat de fiscale waarde en de boekwaarde niet zouden gelijklopen (inbreng in een boekhoudkundig neutrale regeling).

(35)

Anderzijds bepaalt artikel 4 van D.Lgs. nr. 358/1997 dat de bij de inbreng betrokken partijen kunnen kiezen voor een regeling met belastinguitstel, die te vergelijken valt met die van Richtlijn 90/434/EEG. Op grond van die regeling is de inbreng van activa van een tak van bedrijvigheid tussen op het Italiaanse grondgebied gevestigde vennootschappen fiscaal neutraal — hetgeen betekent dat de vermogenswinst die met de inbreng van activa in ruil voor aandelen wordt gerealiseerd, fiscaal niet wordt erkend — op voorwaarde dat de fiscale waarde van de ingebrachte activa door de inbrengende vennootschap aan de ontvangen aandelen wordt toegerekend en dat aan de ontvangen activa de fiscale waarde wordt toegerekend die deze hadden toen zij eigendom van de inbrengende vennootschap waren (inbreng in een fiscaal neutrale regeling).

(36)

Het Italiaanse vennootschapsbelastingstelsel werd ingrijpend herzien in 2003, precies in de periode waarin de regeling inzake afstemming van wet nr. 350/2003 van kracht werd (per 1 januari 2004). De belastingherziening werd van kracht bij Decreto Legislativo nr. 344 van 12 december 2003 (hierna „D.Lgs. nr. 344/2003” genoemd) waarin, wat de onderhavige procedure aangaat, het volgende is bepaald:

i)

afschaffing van de IRPEG (de vroegere inkomstenbelasting voor rechtspersonen) en de invoering van een nieuwe inkomstenbelasting voor vennootschappen, de IRES (imposta sul reddito delle società), met een belastingtarief van 33 %, en parallel daarmee de afschaffing van de duale inkomstenbelasting (Dual Income Tax - DIT), die bestond uit een verlaagd IRPEG-tarief van 19 % voor de opnieuw in de vennootschap geinvesteerde fiscale winst;

ii)

afschaffing van het systeem van de toerekening van het belastingkrediet, op basis waarvan de dividenden, na de uitdeling daarvan aan de aandeelhouders, opnieuw werden belast, maar de in Italië verschuldigde vennootschapsbelasting werd verlaagd door de toerekening van een belastingkrediet; dit systeem werd vervangen door een regeling waarbij nationale en buitenlandse dividenden gedeeltelijk van belasting zijn vrijgesteld;

iii)

invoering van een uitzonderingsregeling voor deelnemingen wat betreft de vermogenswinst gerealiseerd door de verkoop van gekwalificeerde deelnemingen en, parallel daarmee, de afschaffing van de mogelijkheid tot afschrijving van aangehouden deelnemingen;

iv)

afschaffing van de vervangende belasting van 19 % op de uit omzetting van rechtspersoon resulterende vermogenswinst overeenkomstig artikel 3 van D.Lgs. nr. 358/1997. Door de bepalingen van D.Lgs. nr. 358/1997 in te trekken, heeft D.Lgs. nr. 344/2003 de fiscaal neutrale regeling ingevoerd voor alle omzettingen van rechtspersoon, zoals bijvoorbeeld fusies en splitsingen, opgenomen in DPR nr. 917/1986, als gewijzigd, Testo unico delle imposte sui redditi (geconsolideerde wet op de inkomstenbelasting — hierna „TUIR” genoemd) (de artikelen 170 tot 174). Toch werd de inbreng van gekwalificeerde takken van bedrijvigheid en deelnemingen niet omgezet in het TUIR (als gewijzigd), hetgeen bijgevolg een verschil in behandeling oplevert tussen de inbreng van takken van bedrijvigheid die uit hoofde van artikel 175 van DPR nr. 917/1986 aan de regeling van de boekhoudkundige neutraliteit zijn onderworpen, en de overige omzettingen van rechtspersoon die onder de fiscaal neutrale regeling vallen.

(37)

Op grond van de bij D.Lgs. nr. 344/2003 ingevoerde belastingherziening zijn alle omzettingen van rechtspersoon tussen vennootschappen uit verschillende lidstaten nog steeds onderworpen aan de fiscaal neutrale regeling van Richtlijn 90/434/EEG, die voorzag in de mogelijkheid van een inbreng in een fiscaal neutrale regeling. De mogelijkheid om uit hoofde van artikel 3 van D.Lgs. nr. 358/1997 de vervangende belasting van 19 % toe te passen, werd per 1 januari 2004 afgeschaft, terwijl de regeling werd gehandhaafd om in een boekhoudkundig neutrale regeling de vermogenswinst te bepalen die uit de inbreng van takken van bedrijvigheid resulteert. Voorts werd de optionele regeling van belastinguitstel van artikel 4 van D.Lgs. nr. 358/1997 ingetrokken. Als gevolg van de hier beschreven belastingherziening is de regeling voor de belasting van vermogenswinst gerealiseerd door de verkoop of de inbreng van een tak van bedrijvigheid identiek aan die voor de verkoop van afzonderlijke activa.

(38)

Geconcludeerd dient te worden dat het, volgens de wetsbepalingen die ten tijde van de goedkeuring van wet nr. 350/2003 golden, uit fiscaal oogpunt nog steeds voordelig is om activa in te brengen via een aandelenruil — in plaats van deze te vervreemden — omdat de vervreemding van gekwalificeerde deelnemingen van belasting was vrijgesteld, terwijl de vervreemding van de onderliggende activa een transactie was waarover belasting was verschuldigd.

(39)

Nu de Commissie het algemene kader van Richtlijn 90/434/EEG en D.Lgs. nr. 358/1997 op hoofdlijnen heeft besproken, kan zij de verschillende regelingen waarvan de vennootschappen gebruikmaken om hun vaste activa te herwaarderen of de waarde ervan af te stemmen, gaan beschrijven en onderzoeken.

2.4.   Waardeafstemmingen overeenkomstig wet nr. 342/2000, wet nr. 448/2001 en wet nr. 350/2003

Omzetting van rechtspersoon bij kredietinstellingen overeenkomstig wet nr. 218/1990

(40)

Wet nr. 218/1990 zag op de privatisering door de omzetting tot en de inbreng van bepaalde publiekrechtelijke kredietinstellingen (in de zin van artikel 29 van Regio Decreto Legge nr. 375 van 12 maart 1936, omgezet bij wet nr. 141 van 7 maart 1938) in vennootschappen op aandelen die in de bankensector actief zijn (artikel 1 van wet nr. 218/1990). Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van wet nr. 218/1990 wordt de met de inbreng van activa gerealiseerde vermogenswinst fiscaal niet erkend, om de fiscale neutraliteit van de transacties te garanderen. Wel werd 15 % van deze vermogenswinst erkend en werd daarop het gewone vennootschapsbelastingtarief toegepast. Daardoor werd de fiscale waarde van de overeenkomstig artikel 7, lid 2, van wet nr. 218/1990 ingebrachte activa verhoogd (afgestemd) met 15 % van de vermogenswinst, terwijl de resterende 85 % van de vermogenswinst niet werd erkend.

(41)

Het daaruit resulterende saldo van, enerzijds, de fiscale waarde van de ontvangen aandelen en de ingebrachte activa en, anderzijds, de boekwaarde van die activa (waarvan de waarde voor slechts 15 % was afgestemd), stemt overeen met een opgeschorte vermogenswinst. De fiscale erkenning van de resterende vermogenswinst is uitdrukkelijk uitgesteld tot het tijdstip van de realisering ervan na de vervreemding van de betrokken activa of de uitdeling aan de aandeelhouders, in de vorm van dividenden, van de boekhoudkundige reserve die met de niet-erkende vermogenswinst overeenstemt.

(42)

Bijgevolg wordt, op grond van de fiscale boekhoudbeginselen van wet nr. 218/1990, 85 % van de economische waarde van de vermogenswinst welke resulteert uit de activa die werden geruild bij de omzetting van rechtspersoon waarop genoemde wet ziet, fiscaal niet erkend. Volgens de Italiaanse autoriteiten vonden de transacties tot omzetting van rechtspersoon bij de betrokken kredietinstellingen plaats in de periode 1990-1995. De toentertijd gerealiseerde vermogenswinst werd bevroren voor de volledige duur van de daarop volgende jaren, en de betrokken vennootschappen werden verplicht bij het indienen van hun belastingaangifte de niet-afgestemde waarden in een specifiek overzicht op te nemen.

Waardeafstemmingen overeenkomstig wet nr. 342/2000

(43)

Overeenkomstig artikel 17 van wet nr. 342 van 21 november 2000 (7) (hierna „wet nr. 342/2000” genoemd) werd het aan uit een omzetting van rechtspersoon bij kredietinstellingen in de zin van wet nr. 218/1990 ontstane vennootschappen toegestaan om de opgeschorte fiscale waarde af te stemmen op de met de ruil van activa in het kader van die omzetting gerealiseerde boekwaarde welke per 31 december 1999 nog in de jaarrekeningen was opgenomen, mits dezen de vervangende vennootschapsbelasting van 19 % van de vermogenswinst voldeden — in plaats van het toentertijd geldende algemene tarief van 42,4 % (bestaande uit 37 % vennootschapsbelasting en 5,4 % lokale belasting op productieactiviteiten (imposta locale sulle attività produttive)). Deze waardeafstemming werd beperkt tot 85 % van de niet-erkende of opgeschorte waarde van de oorspronkelijke vermogenswinst.

(44)

Door 19 % vermogenswinstbelasting te betalen, konden zowel de vennootschappen die bankactiva aanhielden als de vennootschappen die de aandelen bezaten van de vennootschappen welke die activa aanhielden, de fiscale waarde van, onderscheidenlijk, de betrokken activa en de betrokken aandelen afstemmen. Wanneer de aandelen werden ingebracht in andere vennootschappen of zonder betaling in contanten geruild voor die van andere vennootschappen, konden ook deze laatsten de waarde van de geruilde aandelen afstemmen.

(45)

De vermogenswinstbelasting werd evenwel verlaagd tot 15 % (in plaats van de vervangende belasting van 19 %) wanneer de kredietinstelling besloten had alleen de fiscale waarde van haar activa af te stemmen — in plaats van zowel de waarde van de activa als die van de aandelen af te stemmen. In dat geval waren de enige begunstigden van de afstemmingsregeling de kredietinstellingen die de bij de oorspronkelijke inbreng geruilde activa aanhielden.

(46)

Door de vermogenswinstbelasting te voldoen, geven de begunstigden de vermogenswinst vrij die werd gerealiseerd bij de oorspronkelijke inbreng (en werd aangehouden in de vorm van ingehouden winsten), en konden zij die in de vorm van dividenden aan hun aandeelhouders uitdelen.

(47)

Parallel met deze zo-even beschreven waardeafstemming van activa en aandelen in het kader van de omzetting van rechtspersoon in de bankensector, was in artikel 19 van wet nr. 342/2000 bepaald dat dezelfde vervangende vermogenswinstbelasting kon worden toegepast op vennootschappen die de fiscale waarde van de activa en de aandelen in hun bezit wilden afstemmen na andere omzettingen van rechtspersoon waarvoor de fiscaal neutrale regeling van D.Lgs. nr. 358/1997 had gegolden.

(48)

Door deze regeling van artikel 19 (met vervangende vermogenswinstbelasting van 19 % en van 15 % voor de waardeafstemming van activa en aandelen) werd, wat alle effecten daarvan betreft, erkenning van de uit de fiscale afstemmingen in verband met de overeenkomstig D.Lgs. nr. 358/1997 doorgevoerde omzettingen van rechtspersoon voortvloeiende winst gelijkgeschakeld met de erkenning van de door de kredietinstellingen in de zin van wet nr. 218/1990 gerealiseerde winst.

(49)

Voorts legde artikel 20 van wet nr. 342/2000 nadere regels vast voor de verschuldigde vervangende vermogenswinstbelasting en voor het betrokken belastingkrediet ten faveure van aandeelhouders die uit de erkende vermogenswinst voortvloeiende dividenden ontvangen.

Waardeafstemmingen overeenkomstig wet nr. 448/2001

(50)

Bij wet nr. 448 van 28 december 2001 (hierna „wet nr. 448/2001” genoemd) werd de in wet nr. 342/2000 bepaalde looptijd van de regeling voor de waardeafstemming verlengd ten aanzien van in de jaarrekening van vennootschappen opgenomen activa waarvan de waarde nog niet was afgestemd.

(51)

Met name werd in artikel 3, lid 11, van wet nr. 448/2001 bepaald dat de in de artikelen 17 tot en met 20 van wet nr. 342/2000 bedoelde afstemmingsregeling van toepassing was zowel op niet-erkende winst uit activa en aandelen afkomstig van omzettingen van rechtspersoon in de bankensector in de zin van wet nr. 218/1990, als op uit andere, overeenkomstig D.Lgs. nr. 358/1997 ten uitvoer gelegde omzettingen van rechtspersoon afkomstige activa die per 31 december 2001 werden aangehouden. In wet nr. 448/2001 werd de over die erkende winst verschuldigde vervangende belasting bepaald op 12 % bij dubbele waardeafstemming (waardeafstemming zowel van de door de ontvangende vennootschap aangehouden activa als de aandelen ontvangen van de vennootschap die het eigendomsbelang aanhield of de inbrengende vennootschap) en op 9 % bij enkele waardeafstemming (beperkt tot de activa aangehouden door de ontvangende vennootschap) — in plaats van het tarief van 41 % vennootschapsbelasting dat op het tijdstip van de waardeafstemming van toepassing was (bestaande uit 36 % vennootschapsbelasting en 5 % lokale belasting op productieactiviteiten).

Waardeafstemmingen overeenkomstig wet nr. 350/2003

(52)

Ten slotte bepaalde artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 dat de waardeafstemmingsregeling van artikel 17 van wet nr. 342/2000 ook kon worden toegepast op de gerealiseerde, doch fiscaal niet erkende winst over activa afkomstig uit de omzetting van rechtspersoon in de bankensector in de zin van wet nr. 218/1990 en die in het per 31 december 2003 lopende boekjaar nog in de jaarrekening waren opgenomen. Wet nr. 350/2003 bepaalde dat de vervangende vermogenswinstbelasting met betrekking tot de waardeafstemming van die winst 12 % bedroeg in het geval van dubbele waardeafstemming (waardeafstemming van zowel de door kredietinstelling aangehouden activa als de aandelen ontvangen door de inbrengende bankvennootschap) en 9 % bij enkele waardeafstemming (namelijk beperkt tot de door de kredietinstelling aangehouden activa). Artikel 26 van wet nr. 350/2003 voorzag evenwel niet in enige andere waardeafstemming van activa met betrekking tot algemene omzettingen van rechtspersoon in de zin van D.Lgs. nr. 358/1997.

(53)

Met name kon, overeenkomstig artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003, dankzij de inbreng van vaste activa en andere bankactiva in nieuwe opgerichte of reeds bestaande kredietinstellingen in ruil voor aandelen van die instellingen de overeenkomstig wet nr. 218/1990 gerealiseerde historische vermogenswinst fiscaal worden erkend, tegen betaling van 12 % of 9 % vervangende belasting, in plaats van de toentertijd geldende 37,25 % vennootschapsbelasting (bestaande uit 33 % vennootschapsbelasting en 4,25 % lokale belasting op productieactiviteiten). Voorts bepaalde wet nr. 350/2003 dat de vervangende belasting diende te worden voldaan in drie tranches (50 % in 2004, 25 % in 2005 en 25 % in 2006), rentevrij.

(54)

Volgens de door de Italiaanse autoriteiten verschafte inlichtingen hebben negen bankconcerns de waarde van hun eigen activa, overeenkomstig artikel 26, lid 26, van wet nr. 350/2003, afgestemd, door 9 % vervangende vermogenswinstbelasting te voldoen (enkelvoudige waardeafstemming). De aldus erkende vermogenswinst bedroeg in totaal meer dan 2 059 miljoen EUR. De negen begunstigden hebben 180 615 534 EUR vervangende belasting voldaan. Om met het oog op de toepassing van de staatssteunregels het daadwerkelijke equivalent van de voldane belastingen te berekenen, dienen de in 2005 en 2006 te betalen tranches te worden vermeerderd met het in Verordening (EG) nr. 794/2004 (8) bedoelde referentiepercentage voor de terugvordering van onrechtmatige steun (3,7 %). Daardoor komt de daadwerkelijk voldane belasting uit op 185 505 996 EUR (9), hetgeen het referentiebedrag is voor de berekening van de eventuele steun, uitgedrukt in subsidie-equivalent.

Waardeafstemmingen overeenkomstig wet nr. 350/2003

(55)

Artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 bepaalde dat alle belastingplichtige vennootschappen de fiscale waarde van hun per 31 december 2002 bestaande activa konden herwaarderen om daaraan de op dat tijdstip geldende effectieve waarde toe te rekenen, tegen betaling van een vervangende belasting van 19 % bij herwaardering van af te schrijven activa en van 15 % in het geval van niet af te schrijven activa, betaalbaar in drie tranches (50 % in 2004, 25 % in 2005 en 25 % in 2006).

(56)

Zoals reeds werd aangegeven, zijn herwaarderingen buitengewone operaties die door bijzondere fiscale bepalingen incidenteel worden toegestaan om de historische waarde van activa op hun actuele waarde te doen aansluiten. De fiscale herwaardering verschilt van de waardeafstemming, omdat in het eerste geval de fiscale waarde van de activa van een vennootschap kan worden afgestemd op de marktwaarde op het tijdstip van de herwaardering, terwijl in het tweede geval de fiscaal erkende vermogenswinst niet mèèr mag bedragen dan de waarde verkregen bij een voorgaande gebeurtenis die opbrengsten genereerde, zoals bijvoorbeeld een omzetting van rechtspersoon.

3.   REDENEN OM DE PROCEDURE IN TE LEIDEN

(57)

Bij besluit van 30 mei 2007 (10) heeft de Commissie de formele onderzoekprocedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ingeleid ten aanzien van de regeling inzake fiscale waardeafstemming van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003, omdat die regeling leek te voldoen aan alle noodzakelijke voorwaarden om als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag te worden aangemerkt en omdat bovendien de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt twijfelachtig leek, aangezien geen van de afwijkingen van artikel 87, leden 2 en 3, van het EG-Verdrag leek te kunnen worden toegepast.

(58)

De Commissie was met name van oordeel dat met artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 een financieel voordeel werd verleend, ten belope van het saldo van de in 2004 daadwerkelijk met het oog op de afstemming van de waarde van de activa voldane belasting en de belasting die normaal gesproken verschuldigd was geweest indien diezelfde waardeafstemming had plaatsgevonden zonder het bepaalde in datzelfde artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003. Het gewone tarief dat in 2004 op de betrokken winst van toepassing was, zou 37,25 % hebben bedragen (bestaande uit 33 % vennootschapsbelastingen en 4,25 % lokale belasting op productieactiviteiten), terwijl de daadwerkelijk voldane vervangende belasting 9 % bedroeg. Bovendien werd, overeenkomstig wet nr. 350/2003, de vervangende belasting voldaan in drie tranches (50 % in 2004, 25 % in 2005 en 25 % in 2006), rentevrij, terwijl de verschuldigde belasting, zonder het bepaalde in artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003, volledig in 2004 had moeten worden voldaan. De Commissie bepaalde de waarde, omgerekend in subsidie-equivalent, van de daadwerkelijk door de negen begunstigden van de hier te onderzoeken regeling voldane belasting op 185 505 996 EUR, terwijl de normale belasting 771 991 022 EUR had bedragen (37,25 % van de gerealiseerde winst van meer dan 2 059 miljoen EUR). Het saldo van de normale belasting en de daadwerkelijk voldane belasting beloopt dus 586 485 026 EUR.

(59)

Voorts was de Commissie van oordeel dat, daar waar de fiscale waardeafstemming die de begunstigden uit hoofde van de genoemde wetten nrs. 342/2000 en 448/2001 werd toegestaan, gewoon algemene belastingmaatregelen vormden die een billijke belasting over de gerealiseerde vermogenswinst wilden garanderen, de waardeafstemming uit hoofde van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 uitsluitend was bestemd voor de banken waarbij een omzetting van rechtspersoon overeenkomstig wet nr. 218/1990 plaatsvond. Deze waardeafstemming kon dus niet als een algemene maatregel worden aangemerkt en garandeerde evenmin een gelijke behandeling voor de hier te onderzoeken vermogenswinst en de met andere, vergelijkbare omzettingen van rechtspersoon gerealiseerde vermogenswinst. Voorts is het, doordat een aantal Italiaanse banken de door hen verschuldigde belasting over niet-erkende, in hun jaarrekeningen geboekte vermogenswinst had voldaan door een nominale (beperkte) belasting te voldoen, volgens de Commissie ook zo dat deze banken daardoor aantrekkelijker werden voor overnametransacties, met verstoringen op de overnamemarkt in de bankensector tot gevolg.

(60)

Bijgevolg concludeerde de Commissie dat de te onderzoeken maatregelen staatssteun konden vormen die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, en heeft zij dan ook de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ingeleid. De Commissie tekende aan dat, wanneer zij bij het beëindigen van de procedure tot de conclusie mocht komen dat de regeling onverenigbare staatssteun vormde, deze zou moeten worden teruggevorderd, overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (11). Wel zou, in het licht van de beschikkingspraktijk ten aanzien van een aantal fiscale steunregelingen (12), de terugvordering alleen moeten zien op het bedrag aan belastingen dat de begunstigden van de regeling minder hadden betaald dan wanneer zij van andere, toentertijd beschikbare belastingregelingen hadden gebruikgemaakt en mits zulks niet impliceerde dat een reconstructie diende plaats te vinden van de louter hypothetische keuzen die de begunstigden van de betrokken regeling hadden kunnen maken (13). De Commissie heeft de Italiaanse autoriteiten en de belanghebbenden verzocht hun opmerkingen te maken ten aanzien van de vraag of de terugvordering van de onrechtmatig verleende steun beperkt kon blijven tot uitsluitend het saldo van de uit hoofde van de waardeafstemmingsregeling van artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 betaalde belasting en de vervangende belasting die de voor de waardeafstemmingsregeling van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 in aanmerking komende kredietinstellingen daadwerkelijk hebben betaald.

4.   OPMERKINGEN VAN ITALIË

(61)

In de opmerkingen die de Italiaanse autoriteiten hebben gezonden, hebben zij in wezen: a) verworpen dat de hier te onderzoeken maatregel met staatssteun gelijk te stellen zou zijn, en b) subsidiair aangevoerd dat het eventueel verleende voordeel veel geringer was dan voorlopig door Commissie was berekend en dat dit als een de-minimisbedrag diende te worden beschouwd.

(62)

Italië heeft met name aangevoerd dat artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 impliciet aan alle vennootschappen die bij een omzetting van rechtspersoon waren betrokken, de gelegenheid bood om van de mogelijkheid om de waarde van hun activa af te stemmen, gebruik te maken. Artikel 2, lid 25, van genoemde wet zou, volgens de Italiaanse autoriteiten, de mogelijkheid hebben veralgemeend om de fiscale waarde op de boekwaarde af te stemmen, doordat impliciet werd verwezen naar artikel 14 van wet nr. 342/2000 dat voorzag in de erkenning van de na een fiscaal neutrale omzetting van rechtspersoon opgeschorte vermogenswinst — en had dus betrekking op alle niet-afgestemde waarden die resulteerden uit overeenkomstig D.Lgs. nr. 358/1997 ten uitvoer gelegde omzettingen van rechtspersoon.

(63)

Volgens Italië kon, uit hoofde van artikel 12 van wet nr. 342/2000, van de algemene waardeafstemmingsregeling worden gebruikgemaakt, tegen betaling van een vervangende belasting van 19 % in het geval van herwaardering van af te schrijven activa en van 15 % van niet af te schrijven activa, te voldoen in drie tranches (50 % in 2004, 25 % in 2005 en 25 % in 2006). Volgens de Italiaanse autoriteiten had de regeling van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 dus moeten worden beoordeeld in het licht van de waardeafstemmingsregeling die impliciet was ingevoerd door artikel 14 van wet nr. 342/2000, in plaats van deze te vergelijken met de algemene waardeafstemmingsregeling voor vennootschappen als bedoeld in artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003, zoals door de Commissie was aangevoerd. Zowel de impliciete waardeafstemmingsregeling als de expliciete herwaardering zouden, volgens Italië, hebben voorzien in de toepassing van dezelfde vervangende belasting, tegen de reeds genoemde tarieven van 19 % en 15 %. Anders dan de Commissie in haar besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure verklaarde, zou, volgens de Italiaanse autoriteiten, het eventueel door artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 verleende voordeel slechts gelijk zijn aan het saldo van de door de begunstigde banken over hun niet-erkende winsten voldane vervangende belasting van 9 % en de 15 % belasting die verschuldigd was over diezelfde winst die de andere voor de afstemming van de waarde van hun activa in aanmerking komende vennootschappen eventueel hadden gerealiseerd. Dit saldo zou vervolgens moeten worden verlaagd, aangezien de begunstigde banken een, relatief gezien, veel hogere belasting hadden betaald op de 15 % van de oorspronkelijk gerealiseerde vermogenswinst, en dit in tegenstelling tot de overige vennootschappen die dan weer hadden kunnen opteren voor de fiscaal volledig neutrale regeling van D.Lgs. nr. 358/1997.

(64)

Voorts is Italië van mening dat de waardeafstemmingen waarin werd voorzien voor de vermogenswinst voortvloeiend uit overeenkomstig wet nr. 218/1990 in de bankensector ten uitvoer gelegde omzettingen van rechtspersoon, niet kunnen worden vergeleken met alle andere maatregelen die voor de erkenning van vermogenswinst gelden, om twee redenen: in de eerste plaats omdat de betrokken omzettingen van rechtspersoon in de bankensector, naar hun aard, specifiek waren en dus niet met andere omzettingen waren te vergelijken, en ten tweede, omdat de belastingmaatregelen waarmee de erkenning van de gerealiseerde vermogenswinst werd uitgesteld, specifiek waren ontworpen voor dit soort omzettingen van rechtspersoon, aangezien daarmee werd voorzien in een regeling van fiscaal gedeeltelijke neutraliteit voor zowel de inbrengende als de ontvangende vennootschap.

(65)

Wat betreft het feit dat de omzettingen van rechtspersoon in de bankensector uniek zijn, verklaren de Italiaanse autoriteiten dat de maatregel uitsluitend zag op bepaalde omzettingen van kredietinstellingen die tussen 22 augustus 1990 en 31 december 1995 ten uitvoer werden gelegd, en dat deze de privatisering van de Italiaanse sector van de publiekrechtelijke kredietinstellingen tot hoofddoel hadden. Daarbij gold de vennootschap op aandelen als de geschiktste rechtsvorm die de publiekrechtelijke kredietinstellingen in Italië moesten aannemen, omdat deze kon zorgen voor het ontstaan van particuliere bankconcerns in het land en daarmee een gelijk speelveld met de andere banken in de gemeenschappelijke markt kon worden bevorderd. Uit hoofde van wet nr. 218/1990 werden de aandelen van de voormalige publiekrechtelijke kredietinstellingen, na omzetting van rechtspersoon, rechtstreeks toegewezen aan vennootschappen al dan niet hoofdzakelijk in overheidseigendom of aan nieuw opgerichte bankstichtingen of nog aan bestaande particuliere bankstichtingen waarin het overheidseigendom over verschillende lokale entiteiten was verdeeld. Zowel de staat als de stichtingen werden tijdelijk belast met het beheer en de geleidelijke verkoop op de markt van de aandelen van deze nieuw opgerichte vennootschappen, om de consolidering van de bankensector en het ontstaan van Italiaanse bankconcerns mogelijk te maken.

(66)

Het specifieke karakter van de fiscaal neutrale regeling voor deze omzettingen van rechtspersoon in de bankensector was gerechtvaardigd doordat er toentertijd geen algemene regeling bestond die de neutrale behandeling van de omzetting van rechtspersoon en de inbreng van takken van bedrijvigheid garandeerde. De Italiaanse wetgever wilde de privatisering van een aantal publiekrechtelijke kredietinstellingen bevorderen door deze te herstructureren en hun de nieuwe rechtsvorm van privaatrechtelijke vennootschap op aandelen te verlenen, en tegelijk toch vermijden dat diezelfde instellingen onnodig voordelen werden toegekend. Om mededingingsdistorsies ten aanzien van andere privaatrechtelijke kredietinstellingen te voorkomen, voorzag de wetgever in: a) een fiscaal gedeeltelijke neutraliteit voor zowel de inbrengende als de ontvangende entiteit (15 % van de gerealiseerde vermogenswinst werd fiscaal erkend en belast tegen het toentertijd geldende gewone vennootschapsbelastingstarief van 52,2 %); b) de boeking van de niet-erkende vermogenswinst in een bijzondere reserve waarvoor de belastingheffing werd opgeschort, en c) de uitbreiding van diezelfde regeling van fiscaal gedeeltelijke neutraliteit naar de omzetting van rechtspersoon bij kredietinstellingen niet zijnde van publiek recht, om een gelijke fiscale behandeling te garanderen voor de omzettingen van rechtspersoon waaraan kredietinstellingen van zowel publiek als privaat recht konden deelnemen.

(67)

De Italiaanse autoriteiten zijn het eens met de conclusies van de Commissie dat de fiscaal neutrale regelingen van wet nr. 218/1990 en D.Lgs. nr. 358/1997 geen staatssteun vormen omdat zij worden gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het belastingstelsel (punt 30 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure). Zij zijn evenwel van mening dat die conclusies weliswaar juist zijn, maar dat ook de regeling inzake fiscale waardeafstemming van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 niet als staatssteun moet worden aangemerkt, omdat deze de noodzakelijke aanvulling is bij de regeling van de fiscaal gedeeltelijke neutraliteit van artikel 7, lid 2, van wet nr. 218/1990 en omdat bovendien rekening moet worden gehouden met het specifieke karakter van de genoemde omzettingen van rechtspersoon in de bankensector.

(68)

Italië benadrukt hoe de enige vermogenswinst waarvan de waarde kon worden afgestemd, de historische vermogenswinst is — voortvloeiend uit de aanvankelijke omzettingen van rechtspersoon (ten uitvoer gelegd tussen 22 augustus 1990 en 31 december 1995) — die was overgebleven na de erkenning ervan en dus de onderwerping ervan aan een belasting van 15 % van de vermogenswinst. De toepassing van een verlaagde vervangende belasting zou volledig zijn gerechtvaardigd door het specifieke karakter van die vermogenswinst, die geen exploitatiewinst is doch winst uit de voorgaande jaren, en met name het specifieke karakter van de omzettingen van rechtspersoon in de bankensector die onder de toepassing van wet nr. 218/1990 vallen en naar aanleiding waarvan een belasting van 52,5 % over 15 % van de gerealiseerde vermogenswinst werd betaald. Door het gemiddelde te nemen van het gehanteerde belastingtarief van 52,2 % en de uit hoofde van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 over de resterende 85 % vermogenswinst geheven belastingen van 9 % en 12 %, komt het totale percentage uit op tussen 15,48 % en 17,85 %; deze tarieven zijn, volgens Italië, daadwerkelijk te vergelijken met de tarieven van 15 % en 19 % die uit hoofde van de impliciet in wet nr. 350/2003 voorziene waardeafstemmingsregeling gelden voor, onderscheidenlijk, af te schrijven en niet af te schrijven activa van alle vennootschappen.

(69)

Voorts zijn de Italiaanse autoriteiten van mening dat de waardeafstemmingsregeling van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 minder flexibel is omdat deze de verplichting inhoudt alle uit de oorspronkelijke omzetting van rechtspersoon voortvloeiende resterende vermogenswinst af te stemmen, terwijl de regeling inzake impliciete waardeafstemming van artikel 2, lid 25, van diezelfde wet voorziet in de mogelijkheid de waarde af te stemmen van de afzonderlijke activa die een daadwerkelijk hogere waarde te zien geven. Volgens Italië zou een dergelijke flexibiliteit bijzonder voordelig zijn voor de begunstigde vennootschappen, omdat deze dan ervoor hadden kunnen kiezen alleen de waarde van de af te schrijven activa af te stemmen — en niet die waarvan de verkoop winst zouden hebben opgeleverd, die toch van belasting was vrijgesteld. Zo zou bijvoorbeeld, in de genoemde uitzonderingsregeling voor per 1 januari 2004 aangehouden deelnemingen, de verkoop van gekwalificeerde deelnemingen voor 95 % van belasting zijn vrijgesteld en zou het dus voor een vennootschap niet gunstig zijn om de winst met betrekking tot deze activa te laten erkennen, aangezien deze winst in ieder geval vrijwel volledig van belasting zou zijn vrijgesteld. Volgens de Italiaanse autoriteiten is dit zeker geen onbeduidend verschil, aangezien vele van de historisch in de jaren negentig in nieuw opgerichte kredietinstellingen ingebrachte activa, gekwalificeerde deelnemingen in vennootschappen waren, die bijgevolg vrijwel volledig van belasting waren vrijgesteld als gevolg van de reeds beschreven belastingherziening van 2003.

(70)

Ten slotte zijn de Italiaanse autoriteiten van mening dat, zelfs indien de Commissie tot de conclusie komt dat de uit hoofde van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 voldane belasting gunstiger was dan de uit hoofde van de „algemene” waardeafstemmingsregeling van artikel 2, lid 25, van diezelfde wet verschuldigde belasting, dit verschil in feite verwaarloosbaar zou zijn en bijgevolg als de-minimissteun zou moeten worden beschouwd.

5.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(71)

In hun opmerkingen hebben de belanghebbenden een aantal argumenten aangevoerd om te weerleggen dat de hier te onderzoeken regeling inzake fiscale waardeafstemming met staatssteun gelijk te stellen is. Zij betoogden dat het zou gaan om een technische belastingmaatregel bestemd voor een specifieke situatie, namelijk het oplossen van het probleem dat bepaalde fiscaal niet-erkende waarden met betrekking tot activa die werden geruild op het tijdstip waarop een aantal omzettingen van rechtspersoon in de bankensector plaatsvonden, niet waren afgestemd. Bovendien zou met die maatregel de betrokken bankconcerns zelfs geen voordeel worden verleend, omdat het in werkelijkheid zou gaan om de betaling van bijkomende lasten die, in de regel, niet hoeven te worden betaald door de andere vennootschappen die hebben deelgenomen aan soortgelijke omzettingen van rechtspersoon in het kader van de algemene regeling van fiscale neutraliteit waarin door D.Lgs. nr. 358/1997 en Richtlijn 90/434/EEG wordt voorzien.

(72)

In wezen betogen de belanghebbenden dat de hier te onderzoeken regeling niet selectief is, omdat deze wordt gerechtvaardigd door de specifieke kenmerken van de bankensector en met name door de specifieke kenmerken van de omzetting van rechtspersoon van de betrokken kredietinstellingen. Nog steeds volgens de belanghebbenden, zou de Commissie in een aantal eerdere beschikkingen de regeling van de fiscaal gedeeltelijke neutraliteit van wet nr. 218/1990 als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt hebben aangemerkt, zoals Beschikking 2002/581/EG van de Commissie van 11 december 2001 inzake de fiscale maatregelen voor banken en bancaire stichtingen, ten uitvoer gelegd door Italië (14), die op haar beurt verwijst naar de mededeling van de Commissie betreffende de inleiding van de formele onderzoekprocedure ten aanzien van de steun die Italië besloten heeft te verlenen aan de Banco di Napoli (15).

(73)

Voorts verklaren de belanghebbenden dat de kredietinstellingen waarbij de betrokken omzettingen van rechtspersoon plaatsvonden, geen enkel specifiek voordeel hebben ontvangen, zoals zou moeten blijken uit de vergelijking tussen de vervangende belasting die de betrokken banken voldeden om hun vermogenswinst te doen erkennen, en de belasting die verschuldigd was door andere vennootschappen waarbij vergelijkbare omzettingen van rechtspersoon plaatsvonden in het kader van een fiscaal neutrale regeling. Het feit dat in 2003 voor de banken waar een omzetting van rechtspersoon plaatsvond andere belastingtarieven golden, kan worden verklaard doordat op de beide reeksen omzettingen van rechtspersoon andere belastingregelingen van toepassing waren. De partijen doen opmerken dat, daar waar vermogenswinst die voorvloeide uit de op grond van D.Lgs. nr. 358/1997 ten uitvoer gelegde omzettingen van rechtspersoon, „vrij uit te delen vermogenswinst” was omdat deze aan de aandeelhouders kon worden uitgedeeld zonder dat deze op het niveau van de vennootschap verder werd belast, de overeenkomstig wet nr. 218/1990 gerealiseerde vermogenswinst daarentegen „opgeschorte vermogenswinst” was, voor zowel de ontvangende als de inbrengende vennootschap, doch alleen zolang deze niet aan de onderscheiden aandeelhouders werd uitgedeeld.

(74)

Het onderscheid tussen de verschillende belastingregelingen die van toepassing waren op de uit de beide verschillende situaties voorvloeiende gerealiseerde vermogenswinst, zou, zo de belanghebbenden, zijn bevestigd door de uitlegging in risoluzione nr. 82/200 van het Italiaanse ministerie van Financiën (16); daarin zou de fiscus hebben erkend dat het verschil tussen de reële marktwaarde van een ingebrachte tak van bedrijvigheid en de fiscale waarde ervan geen belastbare vermogenswinst oplevert in het kader van een inbreng binnen een fiscaal neutrale regeling, voor zover de fiscale waarde noch op het niveau van de inbrengende vennootschap noch op het niveau van de ontvangende vennootschap op de reële marktwaarde wordt afgestemd. In die risoluzione zou voorts worden geconcludeerd dat het verschil dat via die inbreng van een tak van bedrijvigheid tot stand kwam, slechts van zuiver boekhoudkundig belang is zolang de activa van de betrokken tak van bedrijvigheid niet daadwerkelijk worden vervreemd en „opgeschorte vermogenswinst” dus voor uitdeling aan de aandeelhouders beschikbaar komt zonder dat daarover op het niveau van de vennootschap enige belasting wordt geheven. Daartegenover staat dat artikel 7, lid 2, van wet nr. 218/1990 uitdrukkelijk bepaalt dat in een regeling van fiscaal gedeeltelijke neutraliteit het saldo van de boekwaarde voortvloeiend uit een inbreng na de omzetting van rechtspersoon bij de betrokken kredietinstellingen, wordt belast niet alleen indien de in waarde gestegen activa worden overgedragen, maar ook indien de vermogenswinst aan de aandeelhouders wordt uitgedeeld.

(75)

Volgens de opmerkingen van de belanghebbenden valt het feit dat de belastingtarieven die in wetten nrs. 342/2000 en 448/2001 voor de waardeafstemming in 2000 en 2001 werden bepaald, dezelfde zijn voor de omzetting van rechtspersonen bij zowel kredietinstellingen als andere vennootschappen, terwijl daarentegen de tarieven voor de waardeafstemming in 2003 kennelijk voordeliger waren voor de banken, te verklaren door de herziening van de vennootschapsbelasting in 2003 (waarbij het stelsel van de toerekening van het belastingkrediet werd vervangen door de methode met 95 % vrijstelling, zodat geen dubbele economische belastingheffing van de dividenden zou plaatsvinden).

(76)

Bovendien hadden, nog steeds volgens de belanghebbenden, de vennootschappen waarbij omzetting van rechtspersoon plaatsvond — anders dan bij de kredietinstellingen waarbij omzetting van rechtspersoon plaatsvond — hun historische vermogenswinst kunnen uitdelen zonder dat zij daarover enige vennootschapsbelasting verschuldigd waren, maar zou over de bewuste dividenden — volgens het tot 31 december 2003 geldende toerekeningsstelsel — belasting worden geheven op het niveau van de ontvangende aandeelhouder. Ingeval de vennootschappen een vervangende belasting werd opgelegd om die vermogenswinst fiscaal te erkennen (zoals het geval was geweest voor de regeling inzake fiscale waardeafstemming van 2000 en 2001), zou de voldane belasting zijn toegerekend als belastingkrediet ten belope van het door de aandeelhouder bij de uitkering van het betrokken dividend verschuldigde bedrag. In het kader van het vroegere toerekeningsstelsel zou dus de belastingheffing op het niveau van de aandeelhouder de eventueel bij wijze van voorschot voldane vennootschapsbelasting in ieder geval hebben „geabsorbeerd” en bijgevolg de fiscale behandeling van iedere waardeafstemmingsregeling hebben gelijkgeschakeld. Een en ander zou dan weer hebben gerechtvaardigd dat voor de vervangende belasting hetzelfde tarief werd toegepast zowel op de kredietinstelling waarbij omzetting van rechtspersoon plaatsvindt als op de overige vennootschappen waarbij toentertijd een omzetting van rechtspersoon plaatsvond.

(77)

Na 31 december 2003 zou de situatie aanzienlijk zijn veranderd, doordat een regeling met een vrijstelling van 95 % van de dividenden werd ingevoerd voor de bij de omzetting van rechtspersoon gerealiseerde vermogenswinst waarvoor de belastingheffing was opgeschort en die nadien in de vorm van dividenden was uitgedeeld. Vanaf 2004 zou de belasting over de vermogenswinst die was gerealiseerd bij een omzetting van rechtspersoon bij vennootschappen niet zijnde de betrokken banken en die nadien was in de vorm van dividenden uitgedeeld, slechts zijn toegepast op 5 % van de in de vorm van dividenden uitgedeelde vermogenswinst, omdat dit de enige verschuldigde belasting was (ingeval geen vervangende belasting werd geheven), terwijl over de vermogenswinst gerealiseerd door de banken waarbij een omzetting van rechtspersoon plaatsvond, de gewone vennootschapsbelasting zou zijn geheven — wanneer deze winst werd uitgedeeld — (en steeds ingeval geen vervangende belasting werd toegepast). Om deze ongelijke behandeling weg te werken, zou de Italiaanse wetgever de in artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 bedoelde vervangende belasting tegen het nominale (verlaagde) tarief hebben ingevoerd, om zo uitsluitend voor de betrokken banken waarbij een omzetting van rechtspersoon plaatsvond, de opgeschorte vermogenswinst te erkennen, terwijl de uit hoofde van D.Lgs. nr. 358/1997 opgeschorte vermogenswinst werd uitgesloten, omdat deze, na de uitdeling ervan als dividenden, toch lager zou zijn belast (uitsluiting van 95 % van de belastbare inkomsten van de ontvanger).

(78)

Geconcludeerd dient te worden dat, volgens de belanghebbenden, met de waardeafstemmingsregeling van 2003 geen voordeel werd verleend aan de banken waar omzetting van rechtspersoon plaatsvond: het zou integendeel gaan om een maatregel bedoeld om de verschillen weg te werken tussen de aanzienlijk belastendere regeling inzake fiscale waardeafstemming van wet nr. 218/1990 ten behoeve van kredietinstellingen waar een omzetting van rechtspersoon plaatsvindt, en de — fiscaal gezien — over het algemeen minder strenge regeling voor vermogenswinst uitgedeeld door vennootschappen waarbij omzetting van rechtspersoon plaatsvond in het kader van de algemene regeling van D.Lgs. nr. 358/1997.

(79)

Ten slotte hebben de belanghebbenden, subsidiair, ook opgemerkt dat, zelfs indien de Commissie mocht besluiten dat met de regeling inzake fiscale waardeafstemming van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 uitsluitend aan de kredietinstellingen die bij overeenkomstig wet nr. 218/1990 ten uitvoer gelegde omzettingen van rechtspersoon waren betrokken, een specifiek voordeel is verleend, dat voordeel niet overeenstemt met het voordeel zoals dat voorlopig door de Commissie werd berekend, doch wel met het saldo van de op grond van de waardeafstemming voldane belasting en de — afzonderlijke — belasting die uit hoofde van artikel 2, lid 25, van dezelfde wet nr. 350/2003 verschuldigd is bij de herwaardering van individuele al dan niet af te schrijven activa. Dit saldo zou slechts een fractie bedragen van de belasting over de gerealiseerde vermogenswinst en, meer nog, zou moeten worden verlaagd met de belasting die te veel werd betaald om de waarde af te stemmen van de activa die bij overdracht geen belastbare vermogenswinst opleveren (activa waarvan de vervreemding aanleiding geeft tot vrijgestelde vermogenswinst).

6.   BEOORDELING

6.1.   De vraag of er sprake is van staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag

(80)

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (17) dient een maatregel, om als staatsteun te kunnen worden aangemerkt, aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag te voldoen: i) de maatregel moet worden verleend door de staat of uit staatsmiddelen; ii) hij moet bepaalde ondernemingen of bepaalde producties selectief begunstigen zonder dat zulks door de aard en de opzet van het belastingsstelsel is gerechtvaardigd, en iii) hij moet de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en het handelsverkeer ongunstig beïnvloeden.

Staatsmiddelen

(81)

De Commissie is van oordeel dat de hier te onderzoeken maatregel duidelijk uit staatsmiddelen is gefinancierd, aangezien de betaling uit hoofde van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 van een nominale (verlaagde) vervangende belasting — in plaats van de gewone vennootschapsbelasting — over de erkende vermogenswinst neerkomt op een verlaging van de belasting die de vennootschappen anders verschuldigd zijn — ten detrimente van de overheidsfinanciën.

Aanwezigheid van een selectief voordeel

(82)

De Italiaanse autoriteiten en de belanghebbenden hebben doen opmerken dat de Commissie — in eerdere beschikkingen, Beschikking 2000/600/EG houdende voorwaardelijke goedkeuring van de door Italië aan de Siciliaanse overheidsbanken Banco di Sicilia en Sicilcassa verleende steun (18) en Beschikking 1999/288/EG houdende voorwaardelijke goedkeuring van door Italië aan Banco di Napoli toegekende steun (19) — de fiscaal gedeeltelijk neutrale regeling van wet nr. 218/1990 heeft onderzocht en goedgekeurd, omdat zij tot de conclusie was gekomen dat die maatregel geen staatssteun vormde. Bijgevolg zou ook de hier te onderzoeken regeling geen staatssteun vormen, omdat het om niets anders gaat dan het logische gevolg van die in genoemde wet nr. 218/1990 bepaalde regeling van fiscale opschorting.

(83)

Artikel 7, lid 2, van wet nr. 218/1990 bepaalde dat de inbreng van activa en aandelen in het kader van de betrokken omzettingen van rechtspersoon in de bankensector fiscaal gedeeltelijk neutraal zou worden behandeld. Dit bracht met zich dat de vermogenswinst gerealiseerd door de inbreng van takken van bancaire bedrijvigheid zowel voor de inbrengende als de ontvangende entiteit ten dele niet werden erkend, op voorwaarde dat de activa die de ingebrachte tak van bedrijvigheid uitmaakten, dezelfde fiscale waarde zouden krijgen als toen deze eigendom waren van de inbrengende entiteit (overgedragen fiscale waarde) en dat ook de door deze ontvangende entiteit ontvangen aandelen dezelfde fiscale waarde zouden krijgen als de ingebrachte activa (vervangende fiscale waarde).

(84)

In het kader van deze regeling werd, aangezien er geen stijging van de fiscale waarde van de geruilde activa en activa plaatsvond, geen fiscaal voordeel verleend aan de entiteiten die hadden deelgenomen aan de omzetting van rechtspersoon, en werd de belasting van de met de inbreng gerealiseerde winst alleen uitgesteld tot de toekomstige fiscale erkenning ervan (bij bijvoorbeeld de vervreemding van activa door de ontvangende vennootschap of van aandelen door de inbrengende entiteit of vennootschap). Aangezien er noch voor de inbrengende noch voor de ontvangende entiteit een verbreding van de heffingsgrondslag plaatsvond, was er geen sprake van enige steunmaatregel als gevolg van het uitstel van de erkenning van de winst op het niveau van de vennootschap.

(85)

Dit belastinguitstel in het kader van de regeling van wet nr. 218/1990 was bovendien in overeenstemming met de basisbeginselen van de vennootschapsbelasting — waarvolgens de inkomstenbelasting wordt geheven over alle inkomsten en winsten gerealiseerd door welke vennootschap ook — maar de gerealiseerde vermogenswinst werd fiscaal niet erkend omdat er geen overeenkomstige stijging plaatsvond van de fiscale waarde van de bewuste activa, zodat de belastingheffing toch nog nadien kon plaatsvinden.

(86)

In het licht van het voorgaande bevestigt de Commissie de initiële beoordeling die zij in haar besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure formuleerde, namelijk dat: a) de niet-erkenning van 85 % van de in het kader van transacties waarop wet nr. 218/1990 van toepassing is, gerealiseerde vermogenswinst, en b) de niet-erkenning van de vermogenswinst gerealiseerd in het kader van transacties waarop D.Lgs. nr. 358/1997 van toepassing is, geen staatssteun vormen, omdat de fiscale waarde van de geruilde activa ongewijzigd is gebleven (20) en er bijgevolg geen fiscale vermogenswinst is ontstaan — en dus ook geen enkel voordeel is verleend. Aangezien de gerealiseerde vermogenswinst niet is bevroren, kon ook de betrokken winst niet worden uitgedeeld en kon de verhoogde waarde van de activa evenmin worden afgeschreven of anderszins in mindering worden gebracht op de uit die transacties voortvloeiende belastbare inkomsten van de vennootschap. Bijgevolg concludeert de Commissie dat het belastinguitstel ten aanzien van de gehanteerde fiscale neutraliteit gerechtvaardigd is door de aard en de opzet van het belastingstelsel en geen staatssteun vormt.

(87)

Daarentegen wordt met de regeling inzake fiscale waardeafstemming van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 het recht toegekend op een verhoging van de fiscale waarde waarover de gewone vennootschapsbelasting verschuldigd was geweest indien er geen bijzondere vervangende belasting beschikbaar was geweest zoals die welke hier dient te worden onderzocht. Naar de Commissie begrijpt, kan de nationale wetgever, om de belastingheffing op vermogenswinst te bevorderen, een vervangende belasting toepassen tegen een tarief dat gunstiger is dan het normale tarief. Aangezien de overdrachtsbelasting doorgaans onmiddellijk wordt voldaan, maar de fiscale voordelen van de verbreding van de belastbare grondslag van de ingebrachte activa pas na verloop van tijd gaat spelen — in de vorm van de aftrek van hun periodieke afschrijving of op het tijdstip dat deze activa worden overgedragen — zou de normale belasting over deze winst in de regel een verhoging van de totale netto vennootschapsbelasting van de inbrengende en de ontvangende vennootschap met zich brengen. Een vervangende belasting — tegen een lager dan normaal tarief — over de met de omzetting van rechtspersoon gerealiseerde vermogenswinst zou dus — in beginsel — gerechtvaardigd kunnen zijn als een technische maatregel bedoeld om de fiscale erkenning van de vermogenswinst te bevorderen.

(88)

In ieder geval valt een dergelijke gunstige fiscale waardeafstemming alleen te rechtvaardigen indien deze objectief en tegen dezelfde voorwaarden kan worden toegepast op alle vergelijkbare fiscale erkenningen van vermogenswinst, zoals die welke voortvloeien uit andere omzettingen van rechtspersoon waarop wet nr. 218/1990 niet ziet, daaronder begrepen de omzettingen van rechtspersoon bij andere kredietinstellingen.

(89)

De Commissie is van oordeel dat dankzij de waardeafstemmingen van wetten nrs. 342/2000 en 448/2001 de bij een onder de toepassing van wet nr. 218/1990 en D.Lgs. nr. 358/1997 vallende omzetting van rechtspersoon betrokken vennootschappen de gerealiseerde historische vermogenswinst kunnen laten erkennen tegen betaling van een vervangende, voor alle betrokken vennootschappen geldende eenvormige belasting. Daarom concludeert zij dat dit soort waardeafstemming een algemene belastingmaatregelen vormde en dat de vervangende belasting die in beperkte vorm — ten opzichte van de toentertijd geldende normale vennootschapsbelasting — werd geheven, geen enkel concurrentievoordeel opleverde aan de betrokken vennootschappen, omdat zij op dezelfde voorwaarden is toegepast op alle vennootschappen die opteerden voor erkenning van de gerealiseerde historische vermogenswinst welke tijdelijk nog niet uit hoofde van de desbetreffende bepalingen van wet nr. 218/1990 of van D.Lgs. nr. 358/1997 was erkend. De Commissie concludeert bijgevolg dat deze waardeafstemmingen algemene belastingmaatregelen vormen die door de aard en de opzet van het belastingstelsel worden gerechtvaardigd, en geen staatssteun vormen.

(90)

Daarentegen is de Commissie van oordeel dat de fiscale waardeafstemming van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 geen algemene maatregel is, omdat deze uitsluitend van toepassing was op de vermogenswinst die werd gerealiseerd door een aantal kredietinstellingen, en dit uitsluitend na omzettingen van rechtspersoon ten uitvoer gelegd op grond van wet nr. 218/1990.

(91)

Met name is de Commissie van oordeel dat met de hier te onderzoeken belastingregeling een voordeel is verleend dat overeenstemt met het saldo van de met het oog op de afstemming van de waarde van de activa daadwerkelijk voldane belasting en de normale belasting die was voldaan indien diezelfde afstemming zonder het bepaalde in artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 had plaatsgevonden. Het daadwerkelijke belastingtarief dat in 2004 op die winst van toepassing was, zou 37,25 % hebben bedragen (bestaande uit 33 % vennootschapsbelastingen en 4,25 % lokale belasting op productieactiviteiten), terwijl daadwerkelijk een vervangende belasting van 9 % is voldaan (zonder rekening te houden met uit het belastinguitstel voortvloeiende aftrek).

(92)

Bovendien houdt de Commissie rekening met het feit dat, overeenkomstig wet nr. 350/2003, de vervangende belasting werd voldaan in drie tranches (50 % in 2004, 25 % in 2005 en 25 % in 2006), rentevrij, terwijl, indien de bepalingen van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 niet voorhanden waren geweest, de normale belasting volledig in 2004 diende te worden voldaan. De Commissie tekent dan ook aan dat de waarde, omgerekend in subsidie-equivalent, van de daadwerkelijk door de negen begunstigden van de hier te onderzoeken regeling voldane belasting uitkomt op 185 505 996 EUR, terwijl de normale belasting 771 991 022 EUR had bedragen (37,25 % van de gemaakte winst van meer dan 2 059 miljoen EUR). Het saldo van de normale belasting en de daadwerkelijk voldane belasting beloopt dus 586 485 026 EUR.

(93)

De Commissie is van oordeel dat dit voordeel daadwerkelijk beperkt bleef tot uitsluitend de kredietinstellingen die waren betrokken bij de transacties die onder de toepassing van wet nr. 218/1990 vielen, terwijl de overige kredietinstellingen en de andere vennootschappen die bij vergelijkbare, overeenkomstig D.Lgs. nr. 358/1997 ten uitvoer gelegde omzettingen van rechtspersoon waren betrokken, niet in aanmerking kwamen voor dezelfde regeling van fiscale waardeafstemming en de gunstige voorwaarden daarvan.

(94)

De Italiaanse autoriteiten en de belanghebbenden deden opmerken dat geen enkele van de negen begunstigden bereid was geweest de waarde van zijn eigen activa af te stemmen indien hij daarmee aan de normale vennootschapsbelasting over erkende vermogenswinst was onderworpen. Bovendien zouden, zo de verklaringen van de Italiaanse autoriteiten, de andere vennootschappen die niet bij de overeenkomstig wet nr. 218/1990 ten uitvoer gelegde omzettingen van rechtspersoon waren betrokken, de regeling van de impliciete fiscale waardeafstemming van artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 hebben genoten op de (ten gronde gelijk lopende) algemene toepassingsvoorwaarden vastgesteld in artikel 17 van wet nr. 342/2000.

(95)

De Italiaanse autoriteiten en de belanghebbenden zijn van mening dat, om het betrokken voordeel correct te kunnen berekenen, rekening dient te worden gehouden met de belastingen die werden voldaan op het tijdstip van de oorspronkelijke inbreng (dus ten tijde van wet nr. 218/1990) tegen een algemeen tarief van meer dan 40 %. De daadwerkelijke totale belasting over de betrokken vermogenswinst in 1990, vermeerderd met die in 2004, zou het in 2000 toegepaste algemene tarief voor waardeafstemmingen ver overschrijden en daarmee zou dus geen voordeel zijn gecreëerd.

(96)

De Commissie herhaalt echter dat de regeling van artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 geen fiscale waardeafstemming vormt van de uit fiscaal neutrale omzettingen rechtspersonen voortvloeiende niet-afgestemde waarden, doch een regeling inzake fiscale herwaardering is die het mogelijk maakte de latente vermogenswinst te realiseren welke voortvloeit uit de aanpassing van de actuele aan de fiscale waarde van de door de ontvangende vennootschappen aangehouden activa. Zij is van mening dat de beide regelingen niet te vergelijken vallen en is bovendien van oordeel dat de regeling inzake fiscale waardeafstemming van artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 niet het equivalent is van de regeling inzake fiscale waardeafstemming van artikel 2, lid 26, van diezelfde wet, gelet op de verschillen tussen de wettelijke tarieven voor de vervangende belastingen die in deze beide regelingen gelden.

(97)

Bijgevolg concludeert de Commissie dat de vennootschappen die de fiscale waarde van hun activa overeenkomstig artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 hebben afgestemd, een specifiek voordeel werd verleend, bestaande uit het saldo van het normale belastingtarief voor de erkende winst en de bijzondere vervangende belasting over diezelfde winst.

(98)

De belanghebbenden voerden hiertegen aan dat het tarief van de vervangende belasting dat lager ligt dan het gewone tarief van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003, niet selectief was, omdat het gerechtvaardigd werd door specifieke juridische en feitelijke elementen van de belasting over de uit de overeenkomstig wet nr. 218/1990 ten uitvoer gelegde omzettingen van rechtspersoon voortvloeiende vermogenswinst. Zij voerden ook aan dat, na al die jaren, Italië deze vermogenswinst niet rechtmatig had kunnen belasten zoals uit andere omzettingen van rechtspersoon voortvloeiende vermogenswinst.

(99)

De Commissie neemt nota van het feit dat de uit hoofde van wet nr. 218/1990 ten uitvoer gelegde omzettingen van rechtspersoon voorzagen in specifieke voorwaarden en bepalingen waarmee uitstel werd beoogd van de fiscale erkenning van de naar aanleiding van diezelfde omzettingen van rechtspersoon gerealiseerde vermogenswinst, zoals ook wordt aangegeven in de reeds aangehaalde risoluzione van het Italiaanse ministerie van Financiën. Niettemin is de Commissie van oordeel dat de regeling van fiscaal gedeeltelijke neutraliteit van wet nr. 218/1990 wezenlijk evenwaardig is aan de regeling van volledige fiscale neutraliteit van D.Lgs. nr. 358/1997 omdat deze ziet op de gerealiseerde, doch niet fiscaal erkende vermogenswinst. Aangezien de beide situaties daadwerkelijk vergelijkbaar zijn, had de wetgever dezelfde behandeling moeten toepassen als die waarin hij in 2003 voor de fiscale erkenning van de opgeschorte vermogenswinst had voorzien.

(100)

Voorts is de Commissie van oordeel dat de toepassing van een lager belastingtarief niet gewoonweg kan worden beschouwd als een compensatie voor het feit dat de uit de herstructureringen van de bankensector van wet nr. 218/1990 voortvloeiende vermogenswinst die als dividenden aan de aandeelhouders werd uitgedeeld, zwaarder wordt belast dan de als dividend uitgedeelde vermogenswinst die voortvloeit uit andere omzettingen van rechtspersoon binnen de fiscaal neutrale regeling, zoals dan weer in genoemde risoluzione wordt verklaard. Een dergelijke stelling kan niet worden aanvaard, omdat de toepassing van verschillende vervangende belastingen op de vermogenswinst niet steeds kan worden gerechtvaardigd door de verschillen in belastingdruk in het geval van vermogenswinst die als dividenden wordt uitgedeeld. De Commissie tekent immers aan dat, wanneer een dergelijke rechtvaardiging zou worden toegestaan, zulks zou neerkomen op het toestaan van andere daadwerkelijke vennootschapsbelastingtarieven aan een aantal vennootschappen, om de enkele reden dat deze betrokken waren bij bepaalde soorten omzettingen van rechtspersoon waaraan de staat de voorkeur gaf.

(101)

De Commissie is van oordeel dat het aan de toepassing van de regeling inzake fiscale waardeafstemming van artikel 2, lid 26, van wet nr. 342/2000 verbonden belastingvoordeel niet als zijnde van geringe omvang, dus als de-minimis, kan worden beschouwd. Wanneer de Commissie nagaat of er sprake is van staatssteun, moet zij immers de nominale (beperkte) belasting die op grond van de regeling wordt geheven, afzetten tegen de belasting welke was geheven indien die regeling niet beschikbaar was geweest en de begunstigde kredietinstellingen de belastbare grondslag van hun activa hadden afgestemd en de uit die fiscale waardeafstemming voortvloeiende vermogenswinst aan hun aandeelhouders hadden uitgedeeld.

(102)

Bovendien is de Commissie van oordeel dat de beweerdelijk geringe omvang van het door de staat verleende financiële voordeel op zich geen voldoende reden is om uit te sluiten dat dit voordeel staatssteun vormt. De Commissie tekent voorts aan dat geen beroep kan worden gedaan op de de-minimisvrijstelling van Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (21), omdat de hier te onderzoeken maatregel geen transparante steun vormt, zoals door die verordening is vereist, en omdat de Italiaanse autoriteiten de voorwaarden van die verordening niet hebben nageleefd.

Rechtvaardiging door de aard van de regeling

(103)

Volgens de Italiaanse autoriteiten en de belanghebbenden zou de waardeafstemmingsregeling van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 door de specifieke kenmerken van de bankensector gerechtvaardigd zijn en zou zij daarom geen staatssteun vormen.

(104)

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is een belastingmaatregel alleen selectief wanneer deze ongerechtvaardigd discrimineert tussen feitelijk en juridisch vergelijkbare situaties, gelet op de doelstelling van het belastingstelsel (22) en „[kan] [h]et bestaan van een voordeel in de zin van artikel [87], lid 1, van het Verdrag […] niet automatisch worden afgeleid uit het feit dat de betrokken ondernemingen verschillend worden behandeld” (23).

(105)

De Commissie is van oordeel dat hier te onderzoeken regeling geen aanpassing van het algemene stelsel aan de onderscheidende kenmerken van de bankensector is, doch veeleer een selectief voordeel dat een impact heeft op de verbetering van het concurrentievermogen van bepaalde vennootschappen, namelijk de kredietinstellingen die bij bepaalde omzettingen van rechtspersoon zijn betrokken.

(106)

De Italiaanse autoriteiten verklaren voorts dat de betrokken regeling niet meer is dan een „heruitgave” van de regeling die werd ingevoerd bij wet nr. 342/2000; deze bevatte geen steunbestanddeel, omdat zij gold voor de gerealiseerde winst, ongeacht het soort omzetting van rechtspersoon dat plaatsvond. De regeling van wet nr. 350/2003 zou moeten worden vergeleken met die van wet nr. 342/2000 en zou, zo Italië, geen enkel additioneel voordeel opleveren. Zoals reeds werd uiteengezet, kan de Commissie dit standpunt niet delen, omdat de waardeafstemming overeenkomstig wet nr. 350/2003 een veel beperkter toepassingsbereik heeft dan de algemene waardeafstemming van wet nr. 342/2000.

(107)

In het licht van het voorgaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat het voordeel dat bepaalde kredietinstellingen uit hoofde van wet nr. 350/2003 is verleend — in de vorm van de toepassing van een bijzondere vervangende belasting voor de met bepaalde inbrengen van activa gerealiseerde winst, in plaats van het normale belastingtarief — een specifiek voordeel is en dat dit niet door de aard van het belastingstelsel wordt gerechtvaardigd.

Vervalsing van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten

(108)

Volgens vaste rechtspraak van de Gemeenschapsrechter (24) moet de mededinging worden geacht ongunstig te worden beïnvloed wanneer de begunstigde van de steun met andere ondernemingen concurreert op markten die voor de concurrentie open staan. Bovendien beinvloedt een maatregel het handelsverkeer tussen lidstaten wanneer financiële steun van een staat de positie van een vennootschap ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt (25).

(109)

Voorts is de Commissie van oordeel dat het aanzienlijke steunbedrag daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de versterking van de financiële positie van de begunstigden uit de bankensector die op een voor concurrentie opengestelde, geliberaliseerde markt voor financiële diensten concurreren met andere ondernemingen die op intracommunautair niveau diensten verlenen.

(110)

Daarnaast is de Commissie van oordeel dat het voordeel dat aan de betrokken kredietinstellingen werd verleend, de mededinging kan vervalsen binnen de huidige context die door kansen voor consolidering in de Italiaanse bankensector wordt gekenmerkt. Het feit dat bepaalde Italiaanse kredietinstellingen hun belastingschuld ten aanzien van in hun jaarrekeningen opgenomen latente vermogenswinst in hun activa kunnen voldoen door een belasting tegen nominaal (verlaagd) tarief te betalen, kan het aantrekkingsvermogen van bepaalde kredietinstellingen en hun economische waarde voor kandidaat-investeerders en -overnemers doen toenemen. De Commissie is van mening dat het voordeel dat met de hier te onderzoeken belastingregeling werd verleend, de markt voor de overname van vennootschappen in de Italiaanse bankensector buitensporig kan verstoren.

6.2.   Verenigbaarheid

(111)

Aangezien de betrokken maatregel staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag vormt, moet de verenigbaarheid ervan aan de afwijkingen van artikel 87, leden 2 en 3, van het EG-Verdrag worden getoetst. De Italiaanse autoriteiten noch de belanghebbenden hebben specifieke argumenten aangevoerd om de toepassing van een van die afwijkingen in de onderhavige zaak te vragen.

(112)

De afwijkingen van artikel 87, lid 2, van het EG-Verdrag betreffende steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers, steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen, of steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel van de deling van Duitsland ondervinden, zijn in deze zaak niet van toepassing.

(113)

De afwijking van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag staat steunmaatregelen toe ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst. Deze afwijking is in de onderhavige zaak evenwel niet van toepassing, omdat de steun niet ten goede komt aan de economische ontwikkeling van streken in Italië welke die kenmerken vertonen.

(114)

De regeling kan niet worden aangemerkt als een project van gemeenschappelijk Europees belang, noch als een steunmaatregel om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen (artikel 87, lid 3, onder b), van het EG-Verdrag). Evenmin is de regeling bedoeld om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen (artikel 87, lid 3, onder d), van het EG-Verdrag).

(115)

Uiteindelijk moet de regeling worden getoetst aan artikel 87, lid 3, onder c), van de EG-Verdrag, op grond waarvan steun verenigbaar kan worden verklaard die de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën vergemakkelijkt, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. In dit verband dient allereerst te worden aangetekend dat de hier te onderzoeken steun niet onder de toepassing valt van enige kaderregeling of richtsnoeren waarin voor bepaalde soorten steun de criteria voor de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt zijn vastgelegd. Met name is de steun niet in lijn met de toentertijd geldende communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (26). Ten tweede kan het belastingvoordeel, daar het achteraf werd verleend voor transacties die al hadden plaatsgevonden, niet worden geacht de stimulerende effecten op te leveren welke nodig zijn om die afwijking te kunnen rechtvaardigen.

(116)

De Commissie is integendeel van oordeel dat de betrokken belastingregeling een verlaging meebracht van de lasten die de begunstigde kredietinstellingen normaal gesproken bij het type hier beschreven omzettingen van rechtspersoon hadden moeten dragen, en dat deze regeling dus als exploitatiesteun dient te worden aangemerkt. Dit soort steun kan niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard, omdat hij de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid niet vergemakkelijkt, noch in de tijd beperkt of degressief is, en evenmin in verhouding staat tot hetgeen nodig is om de specifieke economische nadelen op te heffen.

(117)

Mitsdien is de Commissie tot de conclusie gekomen dat hier te onderzoeken regeling onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

6.3.   Terugvordering

(118)

Aangezien de steunregeling zonder de voorafgaande goedkeuring van de Commissie ten uitvoer is gelegd, zou, overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (27), terugvordering moeten plaatsvinden. In het licht echter van de beschikkingspraktijk ten aanzien van bepaalde fiscale steunregelingen (28) is de Commissie van oordeel dat de terugvordering alleen moet zien op het bedrag aan belastingen dat de begunstigden van de regeling minder hadden betaald dan wanneer zij van andere, toentertijd beschikbare belastingregelingen hadden gebruikgemaakt. De Commissie is van oordeel dat in onderhavige zaak de toepassing van de alternatieve fiscale herwaarderingsregeling van artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 geen zuiver hypothetische keuze is, doch een redelijke optie waarvan de betrokken begunstigden hadden kunnen gebruikmaken om de effectieve waarde van hun activa fiscaal te doen erkennen (29).

(119)

Herhaald zij hier dat artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 een algemene bepaling bevat voor de erkenning van de winst gerealiseerd door vennootschappen die hadden besloten hun per 31 december 2002 in hun jaarrekeningen opgenomen activa te herwaarderen door daaraan de toenmalige marktwaarde toe te rekenen, tegen betaling van een vervangende belasting van 19 % (in het geval van de herwaardering van af te schrijven activa) en 15 % (in het geval van niet af te schrijven activa), betaalbaar in drie tranches (50 % in 2004, 25 % in 2005 en 25 % in 2006). Deze algemene regeling was ook van toepassing op de betrokken kredietinstellingen waarbij een omzetting van rechtspersoon plaatsvond. De waardeafstemming en de herwaarderingen zijn weliswaar geen vergelijkbare transacties, maar de Commissie is van oordeel dat de betrokken kredietinstellingen, indien de waardeafstemmingsregeling toentertijd niet beschikbaar was geweest, naar alle waarschijnlijkheid hadden gekozen voor de algemene herwaarderingsregeling van artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003.

(120)

In het licht van het voorgaande concludeert de Commissie dat de terugvordering van de steun beperkt moet blijven tot uitsluitend het saldo van de uit hoofde van artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 over de herwaardering van de aangehouden activa verschuldigde belasting (19 % bij waardering van af te schrijven activa en 15 % bij af te schrijven activa die doorgaans worden aangehouden door kredietinstellingen waar de betrokken omzetting van rechtspersoon plaatsvond) en de daadwerkelijk, uit hoofde van artikel 2, lid 26, van diezelfde wet nr. 350/2003 voldane belasting.

7.   CONCLUSIES

(121)

De Commissie stelt vast dat Italië, in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag, artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 op onwettige wijze ten uitvoer heeft gelegd. De betrokken steunregeling is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

(122)

De terugvordering van de verleende steun dient uitsluitend plaats te vinden voor het bedrag aan belastingen dat de begunstigden van de regeling minder hadden betaald dan wanneer zij van andere, toentertijd beschikbare belastingregelingen hadden gebruikgemaakt.

(123)

Het terug te vorderen bedrag is dus beperkt tot het saldo van de belasting die uit hoofde van artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 zou zijn betaald, en de daadwerkelijk, uit hoofde van artikel 2, lid 26, van diezelfde wet nr. 350/2003 voldane belasting,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De fiscale uitzonderingsregeling van artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 die Italië ten uitvoer heeft gelegd, vormt staatssteun en is met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar.

Artikel 2

Italië trekt de in artikel 1 bedoelde regeling in.

Artikel 3

1.   Italië neemt alle nodige maatregelen om de door de toepassing van de vervangende belasting waarin wordt voorzien door artikel 2, lid 26, van wet nr. 350/2003 betreffende de fiscale erkenning van de vermogenswinst voortvloeiend uit de uit hoofde van wet nr. 218/1990 ten uitvoer gelegde omzetting van rechtspersoon, reeds onwettig ter beschikking gestelde steun van de begunstigden terug te vorderen.

2.   Het terug te vorderen bedrag is beperkt tot het saldo van de belasting die was betaald indien de begunstigden van de steun de regeling inzake fiscale herwaardering van artikel 2, lid 25, van wet nr. 350/2003 hadden toegepast, en de daadwerkelijk, uit hoofde van artikel 2, lid 26, van diezelfde wet nr. 350/2003 voldane belasting,

3.   De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaal-rechtelijke procedures voor zover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking toelaten.

4.   De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigden ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

5.   De rente wordt berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag.

Artikel 4

Italië deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het voornemens is te nemen of reeds heeft genomen om hieraan te voldoen. Deze inlichtingen wordt verschaft aan de hand van de vragenlijst die is opgenomen in bijlage I bij deze beschikking. Italië deelt de Commissie binnen vier maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om deze beschikking ten uitvoer te leggen.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2008.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)   PB C 154 van 7.7.2007, blz. 15.

(2)  Italiaanse Begrotingswet 2004, Gazzetta ufficiale della Repubblica italiana nr. 299 van 27.12.2003.

(3)  Zie voetnoot 1.

(4)  Zie arrest van 10 januari 2006, zaak C-222/04, Ministero dell’Economia e delle Finanze/Cassa di Risparmio di Firenze SpA, Fondazione Cassa di Risparmio di San Miniato en Cassa di Risparmio di San Miniato SpA, Jurispr. 2006, blz. I-289, punten 136-137.

(5)   PB L 225 van 20.8.1990, blz. 1.

(6)  Arrest van 15 januari 2002, zaak C-43/00, Andersen og Jensen ApS/Skatteministeriet, Jurispr. 2002, blz. I-379, punten 34 e.v.

(7)  Gazzetta ufficiale della Repubblica italiana nr. 276 van 21.11.2000.

(8)  Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1), hoofdstuk V — Bij terugvordering van onrechtmatige steun toe te passen rentepercentage.

(9)  De voldane bedragen zijn als volgt: a) 92 760 506 EUR in 2004; b) 46 380 253 EUR te betalen in 2005, of een netto contante waarde van 44 725 412 EUR in 2004, en c) 46 380 253 EUR te betalen in 2006, of een netto contante waarde van 43 129 616,9 EUR in 2004.

(10)  Zie voetnoot 1.

(11)   PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(12)  Zie punt VI van Beschikking 2006/748/EG van de Commissie van 4 juli 2006 betreffende steunmaatregel nr. C 30/04 (ex NN 34/04) die door Portugal is uitgevoerd waarbij vrijstelling wordt verleend van belasting op vermogenswinst voor bepaalde operaties/transacties van overheidsondernemingen, PB L 307 van 7.11.2006, blz. 219.

(13)  Zie arrest van 15 december 2005, zaak C-148/04, Unicredito Italiano SpA/Agenzia delle Entrate, Ufficio Genova 1, Jurispr. 2005, blz. I-11137, punten 113-119.

(14)   PB L 184 van 13.7.2002, blz. 27, overweging 32.

(15)   PB C 328 van 1.11.1996, blz. 23, punt 3.2.1.

(16)  Risoluzione nr. 82/E-67004 van 6 juni 2000, beschikbaar in de fiscale databank (Servizio di documentazione tributaria) van het Italiaanse ministerie van Financiën, op het volgende internetadres: http://dt.finanze.it/doctrib/PDF/Documento.pdf?Request=0&DocumentID=14000008220000606FIN110000006700400&Info=1,0,0

(17)  Zie arrest-Cassa di Risparmio di Firenze, reeds aangehaald, punt 129.

(18)   PB L 256 van 10.10.2000, blz. 21.

(19)   PB L 116 van 4.5.1999, blz. 36.

(20)  Ingeval echter de gerealiseerde waarde is erkend, is daarover belasting geheven, zoals in het geval van de 15 % winst die werd erkend in het kader van transacties waarop wet nr. 218/1990 van toepassing is.

(21)   PB L 379 van 28.12.2006, blz. 5.

(22)  Arrest van 8 november 2001, zaak C-143/99, Adria-Wien Pipeline GmbH, Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke GmbH/Finanzlandesdirektion für Kärnten, Jurispr. 2001, blz. I-8365.

(23)  Arrest van 22 november 2001, zaak C-53/00, Ferring SA/Agence centrale des organismes de sécurité sociale (ACOSS), Jurispr. 2001, blz. I-9067, punt 17.

(24)  Arrest van 30 april 1998, zaak T-214/95, Vlaams Gewest/Commissie, Jurispr. 1998, blz. II-717.

(25)  Arrest van 17 september 1980, zaak 730/79, Philip Morris/Commissie, Jurispr. 1980, blz. 2671, punt 11.

(26)   PB C 288 van 9.1.1999, blz. 2.

(27)   PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(28)  Zie punt VI van Beschikking 2006/748/EG.

(29)  Zie arrest-Unicredito Italiano, reeds aangehaald, punten 113-119.


BIJLAGE I

Informatie betreffende de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie betreffende steunmaatregel C 15/07 (ex NN 20/07) die Italië ten uitvoer heeft gelegd met betrekking tot de bij omzetting van rechtspersoon aan bepaalde kredietinstellingen verleende fiscale prikkels

1.   Totale aantal begunstigden en totaalbedrag van de terug te vorderen steun

1.1.

Zet nader uiteen hoe het van de verschillende begunstigden terug te vorderen steunbedrag zal worden berekend:

—

kapitaal;

—

rente.

1.2.

Geef het totale terug te vorderen bedrag van de op grond van deze regeling toegekende onrechtmatige steun (bruto-subsidie-equivalent, prijzen van …).

1.3.

Geef het totale aantal begunstigden van wie de in het kader van deze regeling onrechtmatig toegekende steun moet worden teruggevorderd.

2.   Voorgenomen en reeds genomen maatregelen voor het terugvorderen van de steun

2.1.

Beschrijf nader welke maatregelen staan gepland en welke maatregelen al zijn genomen om de steun onverwijld en daadwerkelijk terug te vorderen. Vermeld, voor zover van toepassing, ook de rechtsgrondslag voor de genomen of voorgenomen maatregelen.

2.2.

Tegen wanneer zal de terugvordering van de steun zijn afgerond?

3.   Informatie over de individuele begunstigden

Verstrek in de bijgevoegde tabel nadere gegevens over elke begunstigde van wie de in het kader van de regeling onrechtmatig toegekende staatssteun moet worden teruggevorderd.

Identiteit van de begunstigde

Bedrag onrechtmatig toegekende steun (*1)

Valuta: …

Terugbetaalde bedragen (1)

Valuta: …

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(*1)  Steunbedrag dat de begunstigde ter beschikking is gesteld (in bruto-subsidie-equivalent, prijzen van …).

(1)  

(°)

Terugbetaalde brutobedragen (inclusief rente).