European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2026/71

30.1.2026

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Pakket veilige landen

(COM(2025) 186)

(COM(2025) 259)

(C/2026/71)

Algemeen rapporteur:

Pietro Vittorio BARBIERI

Adviseur

Lorenzo TAMBURRINI

Rechtsgrond

Artikel 52, lid 2, van het reglement van orde

Raadpleging

14.7.2025

Rechtsgrond

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Externe betrekkingen

Goedkeuring door de afdeling

9.9.2025

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23.10.2025

Zitting nr.

600

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

183/14/23

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC waardeert de inspanningen van de Commissie om de procedures voor het aanwijzen van veilige landen te stroomlijnen. Momenteel stellen de lidstaten deze naar eigen inzicht vast, maar zij zijn niet transparant en er is een gebrek aan doeltreffende supranationale controle.

1.2.

De aanwijzing van een land als “veilig” is van cruciaal belang in de procedures voor de behandeling van asielverzoeken, daar aanvragen van burgers uit landen die als veilig worden beschouwd in een versnelde procedure worden behandeld.

1.3.

De toepassing van versnelde procedures voor de behandeling van een asielverzoek vermindert de procedurele waarborgen en houdt, indien het verzoek wordt afgewezen, de mogelijkheid in dat de verzoeker van het nationale grondgebied wordt verwijderd, in afwachting van het beroep bij de rechterlijke instantie. Deze situatie is volstrekt in strijd met het beginsel van non-refoulement in de zin van artikel 33 van het Verdrag van Genève.

1.4.

meent dat de aanwijzing van een veilig land ook een beperking vormt van het recht op asiel, zowel door de beperking van de procedurele waarborgen door de toepassing van versnelde procedures als omdat het vermoeden van veiligheid van het land leidt tot een omkering van de bewijslast voor de asielzoeker, die het tegendeel moet bewijzen om internationale bescherming te krijgen;

1.5.

Het gebruik van een erkenningspercentage van 20 % op EU-niveau (op grond van artikel 42, lid 1, onder j), en artikel 42, lid 3, onder e), van de asielprocedureverordening) is volgens het EESC een willekeurig en ontoereikend criterium voor de toepassing van de versnelde procedure en de grensprocedure.

1.6.

Het EESC stelt dat, op basis van momenteel beschikbare gegevens uit zowel institutionele als maatschappelijke bronnen en conform het Handvest van de grondrechten van de EU, de in bijlage II bij COM(2025) 186 opgenomen landen (Bangladesh, Colombia, Egypte, India, Kosovo (1) , Marokko en Tunesië)als veilig kunnen worden beschouwd. Dit kan er onder meer toe leiden dat asielzoekers uit deze landen het recht op asiel wordt ontzegd.

2.   Algemene opmerkingen

2.1.

Om een land van herkomst of doorreis als “veilig” te kunnen aanmerken, mag er volgens het EESC geen sprake zijn van een geverifieerde schending van de mensenrechten die zou inhouden dat aan de asielzoeker internationale bescherming moet worden verleend op grond van het Verdrag van Genève.

2.2.

Zolang er geen supranationale vormen van controle worden ingevoerd, zal het Europese asielstelsel kwetsbaar zijn.

2.3.

De definitie van “veilig land” mag geen uitzonderingen op onveiligheid bevatten voor specifieke territoriale gebieden of specifieke categorieën mensen. Uitzonderlijke gevallen kunnen leiden tot dubbelzinnigheid en oneerlijke keuzevrijheid bij de beoordeling van individuele asielverzoeken, zoals vastgesteld door het HvJ-EU in oktober 2024.

2.4.

Indien dergelijke uitzonderingen worden toegestaan, moeten zij daarom: voor iedereen toegankelijk, bindend en niet-facultatief voor de lidstaten, op uniforme wijze worden vastgesteld op Europees niveau.

2.5.

Het bestaan alleen al van een versnelde procedure discrimineert op zich degenen die erdoor worden getroffen. Het EESC hoopt dat elke asielaanvraag zal worden beoordeeld aan de hand van passende termijnen, passende instrumenten en grondige beoordelingen, teneinde de rechten van asielzoekers te beschermen.

2.6.

De goedkeuring van het begrip “veilig land” mag niet gerechtvaardigd worden met het argument dat asielverzoeken die waarschijnlijk ongegrond zijn, op die manier snel kunnen worden behandeld (2). Dit komt zowel doordat de snelheid van het onderzoek tot een oppervlakkige beoordeling kan leiden, ten nadele van diverse rechten van verzoeker, als omdat wij het gevaarlijk en onrechtmatig achten om zich louter op niet-onderbouwde waarschijnlijkheid te baseren om te bepalen welk soort procedure moet worden gevolgd.

2.7.

De goedkeuring van dubbelzinnige lijsten van veilige landen, met als gevolg de toepassing van versnelde procedures en een toename van het aantal illegale weigeringen om internationale bescherming te verlenen, kan leiden tot een toenemend aantal ongedocumenteerde vreemdelingen op het grondgebied van Europa, en tot een grotere onzekerheid op het gebied van gezondheid, werk en huisvesting, met meer ondergrondse economieën tot gevolg.

3.   Achtergrond

3.1.

Het verschil in behandeling van verzoeken om internationale bescherming op grond van nationaliteit kan indruisen tegen het verbod op discriminerende behandeling van vluchtelingen op grond van hun land van herkomst, omschreven in artikel 3 van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals reeds is opgemerkt in EESC-advies REX/457 (3).

3.2.

Zoals reeds opgemerkt in advies CESE REX/457, kunnen noch het bestaan van een nationale wetgeving ter bescherming van de mensenrechten, noch de status van kandidaat-lidstaat van de Europese Unie op zich worden beschouwd als toereikende criteria om een land op de lijst van veilige landen te plaatsen.

3.3.

Volgens Richtlijn 2013/32/EU (4) wordt een land van herkomst als veilig beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU (5), noch van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

3.4.

De regelgeving zou er volgens het EESC op vooruit gaan als het “algemene karakter” en de “bestendigheid” van vervolging als voorwaarde voor de aanwijzing van een veilig land zouden worden geschrapt.

3.5.

Op 4 oktober 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) de impact van de goedkeuring van de lijsten van veilige landen sterk afgezwakt. Het HvJ-EU heeft namelijk verduidelijkt dat, om als veilig land te gelden, de veiligheid in het hele land wijdverbreid moet zijn, zonder dat delen van het grondgebied of bepaalde categorieën personen zijn uitgesloten van het vermoeden van veiligheid.

3.6.

In hetzelfde arrest heeft het HvJ-EU, onder verwijzing naar Richtlijn 2013/32/EU en het Handvest van de rechten van de Europese Unie, geoordeeld dat de nationale rechter die een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming behandelt, zich niet kan beperken tot de argumenten van de verzoeker, maar ambtshalve moet nagaan of de aanwijzing van het land als veilig land voldoet aan de vereisten van het Unierecht, door een actuele (ex nunc) en volledige toetsing van het aangevochten besluit uit te voeren.

4.   Analyse

4.1.

Volgens het EESC is de kwetsbaarheid van asielaanvragen gelegen in het gebrek aan supranationale vormen van controle op de procedures die de lidstaten hanteren om alleen die derde landen als veilig aan te merken die voldoen aan de normen van de Europese wetgeving.

4.2.

Momenteel bestaat alleen de verplichting om de lijsten te verstrekken aan de Commissie, die nooit heeft ingegrepen en het volledig aan de lidstaten overlaat om te beslissen.

4.3.

De procedures aan de hand waarvan lidstaten bepalen of een land veilig is, zijn niet transparant. Over het algemeen houdt de aanwijzing van een land van herkomst als veilig verband met het aantal asielzoekers uit dat land (6), voor wie mogelijk terugnameovereenkomsten met het gastland bestaan.

4.4.

De nationale lijsten kunnen daarom van lidstaat tot lidstaat flink uiteenlopen, en veel lidstaten besluiten zelfs om helemaal geen lijst van veilige landen vast te stellen.

4.5.

Het EESC tekent aan dat, zoals gesteld in advies REX/457, de goedkeuring van een gemeenschappelijke lijst van veilige landen van herkomst op zich niet zal leiden tot meer harmonisatie, aangezien deze gemeenschappelijke lijst naast de door elke lidstaat opgestelde nationale lijsten zal bestaan.

4.6.

Hoewel artikel 59, lid 2, en artikel 61, lid 2, van de asielprocedureverordening de lidstaten toestaan veilige derde landen en veilige landen van herkomst aan te wijzen, met “uitzonderingen [...] voor specifieke delen van een grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen” , blijft het risico bestaan dat met dergelijke uitzonderingen geen rekening wordt gehouden, aangezien de lidstaten volledige keuzevrijheid behouden.

4.7.

Bovendien worden de criteria voor de vaststelling van zulke territoriale uitzonderingen en categorieën van personen in de verordening niet gespecificeerd. Daardoor heeft de lidstaat of de individuele plaatselijke ambtenaar nog meer vrijheid van interpretatie.

4.8.

De vaststelling van een erkenningspercentage van 20 % op EU-niveau als criterium voor de toepassing van de versnelde procedure en de grensprocedure is volstrekt willekeurig en ontbeert elke wetenschappelijke basis.

4.9.

Als iemand afkomstig is uit een staat van herkomst of doorreis die als veilig wordt beschouwd, kunnen de administratieve autoriteiten die in eerste instantie asielverzoeken behandelen het verzoek afwijzen zonder dit grondig te onderzoeken.

4.10.

De gehele procedure, met inbegrip van de mogelijkheid om bij een rechterlijke instantie een besluit tot afwijzing van een verzoek door de administratieve autoriteit aan te vechten, is onderworpen aan een versnelde procedure die het recht op verdediging van de verzoeker om internationale bescherming vanuit een veilig land inperkt.

Brussel, 23 oktober 2025.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Séamus BOLAND


(1)  Deze benaming laat de standpunten over de status onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244(1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

(2)  COM(2025) 186 final, blz. 2.

(3)   Vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst.

(4)   Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) ( PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60.

(5)   Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) ( PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).

(6)  EUAA, december 2022.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/71/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)