Brussel, 25.8.2020

COM(2020) 431 final

2020/0203(NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad van 16 december 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

•Motivering en doel van het voorstel

Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee 1 moet worden gewijzigd, om rekening te houden met correcties in de uitgangswaarde van Spanje met betrekking tot de visserijinspanning.

•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De voorgestelde maatregelen stroken met de doelstellingen en de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid en met het beleid van de Unie inzake duurzame ontwikkeling.

•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met andere beleidsgebieden van de Unie, met name op het vlak van milieu.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

•Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

De verplichting van de Unie om de levende aquatische rijkdommen op duurzame wijze te exploiteren, vloeit voort uit de verplichtingen die zijn vastgelegd in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 2 .

•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het voorstel valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), van het Verdrag. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.

•Evenredigheid

Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: het GVB is een gemeenschappelijk beleid. Krachtens artikel 43, lid 3, van het Verdrag moet de Raad maatregelen aannemen tot vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

•Keuze van het instrument

Voorgesteld instrument: verordening.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Niet van toepassing.

•Raadpleging van belanghebbenden

Niet van toepassing.

•Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Niet van toepassing.

•Effectbeoordeling

De werkingssfeer van de verordening inzake vangstmogelijkheden wordt omschreven in artikel 43, lid 3, van het Verdrag.

•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Niet van toepassing.

•Grondrechten

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De voorgestelde maatregelen hebben geen gevolgen voor de begroting.

5.OVERIGE ELEMENTEN

•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Niet van toepassing.

•Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Niet van toepassing.

•Artikelsgewijze toelichting

Voorgesteld wordt Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad te wijzigen zoals hieronder uiteengezet.

Het meerjarenplan voor het visserijbeheer in het westelijke deel van de Middellandse Zee (“het meerjarenplan”) 3 bestrijkt de demersale trawlvisserij van Spanje, Frankrijk en Italië en is op 27 juni 2019 in werking getreden. Het meerjarenplan voorziet in het bijzonder in een inspanningsregeling waarbij de inspanning geleidelijk wordt verminderd op basis van een uitgangswaarde die de lidstaten berekenen overeenkomstig de in het meerjarenplan vastgestelde criteria. De door het meerjarenplan voorgeschreven inspanningsvermindering voor 2020, het eerste jaar van uitvoering van het plan, is vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad.

Wat de berekening van de inspanningsvermindering betreft, heeft Spanje de Commissie eind mei 2020 op de hoogte gesteld van een fout in de visserijinspanningsgegevens, die gevolgen heeft voor de voor de vermindering van de visserijinspanning gebruikte uitgangswaarde, niet met betrekking tot de grootte van de uitgangswaarde, maar met betrekking tot hoe die hoeveelheid wordt verdeeld onder visserijinspanningsgroepen in Spanje. Bij de raming van deze uitgangswaarde constateerde Spanje een tekortkoming in de technische berekening voor het uitsplitsen van de visdagen tussen de kustvisserij en de diepzeevisserij (met name op blauwrode diepzeegarnaal, een van de belangrijkste doelsoorten in het meerjarenplan) in het geval van de visreizen van langer dan één dag. Deze wijziging in de berekening is niet van invloed op de visserijinspanning van Spanje in termen van het totale aantal visdagen en heeft slechts betrekking op een klein deel van de totale visreizen en vaartuigen. De wijziging heeft echter wel een significante impact op de aan beide visserijtakken toegewezen visdagen, voor Spanje en voor Spaanse vaartuigen.

Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de andere lidstaten die het meerjarenplan implementeren.

Om discrepanties te vermijden tussen de door Spanje gerapporteerde visserijinspanning en de visserijinspanning voor 2020 die in de bovengenoemde verordening van de Raad is vastgesteld, moet de verordening inzake vangstmogelijkheden voor 2020 derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd om deze gegevens te corrigeren.

2020/0203 (NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad van 16 december 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Bij Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad 4 zijn voor 2020 de vangstmogelijkheden vastgesteld voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.

(2)Het meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee is vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad 5 . Uit hoofde van artikel 4, lid 1, van die verordening moeten de vangstmogelijkheden voor de in artikel 1 van die verordening genoemde bestanden worden vastgesteld om een niveau van visserijsterfte te bereiken waarmee de maximale duurzame opbrengst geleidelijk toenemend uiterlijk in 2020 indien mogelijk, en in ieder geval uiterlijk op 1 januari 2025 kan worden gehaald. De vangstmogelijkheden moeten worden uitgedrukt als maximaal toegestane visserijinspanning en moeten worden bepaald overeenkomstig de in artikel 7 van die verordening vastgestelde visserijinspanningsregeling. Elke lidstaat diende de uitgangswaarde voor elke visserijinspanningsgroep of elk geografisch deelgebied te hebben berekend als de gemiddelde visserijinspanning uitgedrukt in aantal visdagen tussen 1 januari 2015 en 31 december 2017, daarbij alleen rekening houdend met de vaartuigen die tijdens die periode actief waren. Voor 2020 moet de maximaal toegestane visserijinspanning bijgevolg met 10 % worden verlaagd ten opzichte van de overeenkomstig artikel 7, lid 4, van die verordening berekende uitgangswaarde. De lidstaten hebben hun inspanningsgegevens per vlootsegment en in visdagen aangegeven.

(3)Tijdens de raming van de uitgangswaarde voor de inspanningsvermindering constateerde Spanje een tekortkoming in de technische berekening voor het uitsplitsen van de visdagen tussen de kustvisserij en de diepzeevisserij (met name op blauwrode diepzeegarnaal, een van de belangrijkste doelsoorten in Verordening (EU) 2019/1022) in het geval van de visreizen van langer dan één dag.

(4)Bijgevolg moet de berekening van Spanjes uitgangswaarde voor de maximaal toegestane visserijinspanning, uitgedrukt in visdagen, worden gewijzigd. Deze wijziging in de berekening heeft geen gevolgen voor het totale aantal visdagen van Spanje, noch voor de andere lidstaten die het meerjarig beheersplan implementeren. De wijziging is evenwel noodzakelijk om discrepanties te vermijden tussen de door Spanje gerapporteerde visserijinspanning en de visserijinspanning die in Verordening (EU) 2019/2236 is vastgesteld.

(5)Verordening (EU) 2019/2236 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)Om een onderbreking van de visserijactiviteiten te voorkomen en om het inkomen van de vissers van de Unie veilig te stellen, moet deze verordening van toepassing zijn vanaf 1 januari 2020. Gezien de urgentie moet deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1
Wijziging van Verordening (EU) 2019/2236

In bijlage I bij Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad, in het gedeelte “Maximaal toegestane visserijinspanning in visdagen”, wordt tabel a) vervangen door de volgende tabel:

“Zee van Alborán, Balearen, Noord-Spanje en Golfe du Lion (GDG’s 1-2-5-6-7)

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Zeebarbeel in GDG’s 1, 5, 6 en 7; heek in GDG’s 1-5-6-7; roze diepzeegarnaal in GDG’s 1, 5 en 6; langoustine in GDG’s 5 en 6

< 12 m

2 260

0

0

EFF1/MED1_TR1

≥ 12 m en < 18 m

24 284

0

0

EFF1/MED1_TR2

≥ 18 m en < 24 m

45 563

5 144

0

EFF1/MED1_TR3

≥ 24 m

16 047

6 258

0

EFF1/MED1_TR4

Blauwrode diepzeegarnaal in GDG’s 1, 5, 6 en 7

< 12 m

0

0

0

EFF2/MED1_TR1

≥ 12 m en < 18 m

1139

0

0

EFF2/MED1_TR2

≥ 18 m en < 24 m

11535

0

0

EFF2/MED1_TR3

≥ 24 m

9260

0

0

EFF2/MED1_TR4

”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad van 16 december 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Zie https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32019R2236&from=en  
(2)    Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(3)    Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014. Zie https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2019/1022/oj?locale=nl .
(4)    VERORDENING (EU) 2019/2236 VAN DE RAAD van 16 december 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee (PB L 336 van 30.12.2019, blz. 14).
(5)    Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 1).