52000PC0815

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 91/671/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton /* COM/2000/0815 def. - COD 2000/0315 */

Publicatieblad Nr. 096 E van 27/03/2001 blz. 0330 - 0332


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 91/671/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

A. ALGEMEEN

1. Doel van de voorgestelde richtlijn

Het voorstel heeft een drieledige opzet.

1. Richtlijn 91/671/EEG van de Raad [1] voorziet in het verplichte gebruik in de EU, op de voorste en de achterzitplaatsen van voertuigen van de categorie M1, de voorste zitplaatsen van voertuigen van categorie N1 en voor bepaalde voertuigen van categorie M2, van bevestigingssystemen voor zowel volwassenen als kinderen, wanneer de betrokken zitplaatsen daarmee zijn uitgerust. Kinderen jonger dan twaalf jaar en kleiner dan 150 cm moeten worden beveiligd door een aan hun grootte en gewicht aangepast beveiligingssysteem. Vervolgens wordt in genoemde richtlijn echter bepaald dat de lidstaten nationale wetgeving kunnen vaststellen waarbij wordt toegestaan dat kinderen vanaf drie jaar worden beveiligd door een voor gebruik door volwassenen goedgekeurd systeem. Bovendien kunnen de lidstaten toestaan dat kinderen jonger dan drie jaar op de achterzitplaatsen niet worden beveiligd door een specifiek voor hen ontworpen beveiligingssysteem wanneer een dergelijk systeem in de auto niet beschikbaar is (voertuigen van categorie M1).

[1] PB L 373 van 31.12.1991, blz. 26.

In het voorstel worden bovenvermelde uitzonderingen afgeschaft door het gebruik van voor kinderen ontwikkelde beveiligingssystemen verplicht te stellen. Ook wordt bepaald dat voor kinderen bedoelde beveiligingssystemen slechts kunnen worden goedgekeurd indien zij voldoen aan een erkende technische norm, namelijk reglement 44.03 van de VN-ECE (een aanpassing of het equivalent daarvan), hetgeen een aanzienlijke bijdrage aan de verkeersveiligheid moet leveren.

2. Naar achteren gerichte kinderbeveiligingssystemen zijn verreweg de veiligste optie voor jongere kinderen en worden het beste geplaatst op de voorste passagiersstoel, zodat het kind zich binnen het blikveld van de bestuurder bevindt en deze zich beter op het verkeer kan concentreren. Het kind kan echter ernstig letsel oplopen indien de airbag van de voorste passagiersstoel uitklapt. Richtlijn 2000/3/EG [2] schrijft voor dat in nieuwe voertuigen een etiket dient te worden aangebracht met een tekst die de bestuurders voor dit risico waarschuwt. Naar achteren gerichte kinderbeveiligingssystemen moeten eveneens van een waarschuwingsetiket worden voorzien, maar in beide gevallen kan het voorkomen dat de waarschuwing wordt genegeerd of niet wordt opgemerkt door degene die het kinderbeveiligingssysteem op de voorste passagiersstoel plaatst. Het voorstel voorziet daarom in een verbod op het gebruik van een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op de voorste passagiersstoel tenzij de airbag is uitgeschakeld of ontkoppeld.

[2] PB L 53 van 25.2.2000, blz. 1.

3. De Richtlijnen 96/36/EG [3], 96/37/EG [4] en 96/38/EG [5] voorzien samen in een Europese norm voor de montage van veiligheidsgordels op alle zitplaatsen van nieuwe na oktober 1999 gebouwde minibussen en touringcars, alsook in vrachtwagens. Het voorstel stelt het gebruik van veiligheidsgordels voor bestuurders en passagiers verplicht, wanneer de zitplaatsen daarvan zijn voorzien.

[3] PB L 178 van 17.7.1996, blz. 15.

[4] PB L 186 van 25.7.1996, blz. 28.

[5] PB L 187 van 26.7.1996, blz. 95.

Het voorstel is ingegeven door aanbevelingen in de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Prioriteiten op het gebied van verkeersveiligheid in de Europese Unie, voortgangsrapport en rangschikking van acties naar prioriteit" [6], waarin het gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen als een van de topprioriteiten voor de verkeersveiligheid is aangemerkt.

[6] COM (2000)125 def. van 17.3.2000.

2. Toepassing van Richtlijn 91/671/EEG wat het gebruik van kinderbeveiligings systemen betreft

Richtlijn 91/671/EEG schrijft het gebruik van bevestigingssystemen door volwassenen en kinderen op alle zitplaatsen in auto's en lichte vrachtwagens voor wanneer die zitplaatsen daarvan zijn voorzien. Kinderen jonger dan twaalf jaar en kleiner dan 150 centimeter moeten worden beveiligd door een aan hun grootte en gewicht aangepast goedgekeurd beveiligingssysteem.

In hun nationale wetgeving kunnen de lidstaten echter toestaan dat kinderen vanaf drie jaar worden beveiligd door een voor volwassenen goedgekeurd bevestigingssysteem. Ook kunnen de lidstaten bepalen dat kinderen jongere dan drie jaar op de achterzitplaatsen niet hoeven te worden beveiligd door specifiek voor hen ontworpen beveiligingssystemen indien een dergelijk systeem niet in de auto beschikbaar is. De evaluatie door de diensten van de Commissie van de toepassing van Richtlijn 91/671/EEG [7] was de basis voor de onderstaande analyse.

[7] COM (96)244 def. van 23.7.1996

Richtlijn 91/671/EEG heeft aanzienlijk bijgedragen tot de verkeersveiligheid binnen de Europese Unie door de volgende principes dwingend op te leggen:

-het principe dat te allen tijde een veiligheidsgordel moet worden gedragen op alle daarmee uitgeruste zitplaatsen (zowel voor als achter) in voertuigen van de categorieën M1 en M2 (met uitzondering van de achterzitplaatsen, motorvoertuigen met een toegestaan maximumgewicht van meer dan 3,5 ton en voertuigen met speciaal voor staande passagiers ontworpen plaatsen) alsmede N1 (met uitzondering van de achterzitplaatsen),

-het principe dat kinderen jonger dan twaalf jaar moeten worden beveiligd door beveiligingssystemen,

-het principe dat prioriteit wordt gegeven aan het gebruik van met veiligheidsgordels of kinderbeveiligingssystemen uitgeruste zitplaatsen.

De richtlijn heeft de lidstaten echter enige speelruimte gelaten bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen daarvan, namelijk wat de volgende drie onderdelen betreft

*het gebruik van kinderbeveiligingssystemen (artikel 4);

*vrijstelling om medische redenen (artikel 5);

*de toekenning van vrijstellingen om rekening te houden met bijzondere omstandigheden en behoeften (artikel 6).

Met de voorgestelde richtlijn wordt beoogd het gebruik van kinderbeveiligingssystemen beter te harmoniseren en veiliger te maken. Ook wordt het toepassingsgebied uitgebreid tot het gebruik van veiligheidsgordels door bestuurders en zittende passagiers in alle motorvoertuigen die daarvan zijn voorzien.

2.1 Vrijstellingen met betrekking tot het gebruik van kinderbeveiligingssystemen

Artikel 4 van Richtlijn 91/671/EEG staat de lidstaten toe op hun grondgebied af te wijken van het in artikel 2, lid 2, vermelde voorschrift dat kinderen jonger dan twaalf jaar en kleiner dan 150 cm moeten worden beveiligd door een aan hun grootte en gewicht aangepast beveiligingssysteem.

In dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen vrijstellingen voor kinderen vanaf drie jaar (eerste streepje) en vrijstellingen voor kinderen jonger dan drie jaar (tweede streepje).

De vrijstelling voor kinderen vanaf drie jaar geldt zowel voor de voorste als de achterzitplaatsen. De vrijstelling voor kinderen jonger dan drie jaar geldt echter alleen voor de achterzitplaatsen. Bijgevolg moeten kinderen die jonger zijn dan drie jaar overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de richtlijn beveiligd worden door een aan hun grootte en gewicht aangepast beveiligingssysteem wanneer zij voorin zitten, waardoor dus de mogelijkheid wordt uitgesloten alleen maar gebruik te maken van een voor volwassenen goedgekeurde veiligheidsgordel.

Alle lidstaten, met uitzondering van Zweden, staan kinderen vanaf drie jaar toe gebruik te maken van een veiligheidsgordel voor volwassenen in plaats van een kinderbeveiligings systeem wanneer dit in het voertuig niet beschikbaar is. De meeste lidstaten schrijven daarbij echter voor dat wanneer geen geschikt kinderbeveiligingssysteem voorhanden is het kind achterin moet zitten en indien mogelijk een veiligheidsgordel voor volwassenen moet dragen (uiteraard in auto's met achterzitplaatsen of wanneer een veiligheidsgordel voor volwassenen daadwerkelijk aanwezig is). Zo eist Luxemburg dat kinderen achterin zitten wanneer achterzitplaatsen beschikbaar zijn. Deze interpretatie geeft dus geen prioriteit aan achterin zitten en het dragen van een veiligheidsgordel voor de jongste of kleinste en dus meest kwetsbare kinderen vanaf drie jaar. België en Ierland staan toe dat kinderen vanaf drie jaar respectievelijk vier jaar voorin zitten, alleen beveiligd door een veiligheidsgordel voor volwassenen. In Zweden daarentegen mogen jonge kinderen niet in een auto worden vervoerd tenzij zij worden beveiligd door een voor kinderen ontwikkeld beveiligingssysteem.

De lidstaten hebben twee verschillende benaderingen ontwikkeld ten aanzien van kinderen die jonger zijn dan drie jaar:

*de "maximalistische" benadering die wordt gevolgd door een minderheid van de lidstaten: het principe is dat in een motorvoertuig reizende kinderen altijd moeten worden beveiligd door een aangepast systeem, zij het met een aantal uitzonderingen om rekening te houden met specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer er meer passagiers zijn dan het beschikbare aantal zitplaatsen en veiligheidsgordels. Deze benadering wordt gevolgd door Duitsland, Oostenrijk en Zweden.

*de "minimalistische" aanpak (gevolgd door alle overige lidstaten) die gebaseerd is op het bepaalde in artikel 4, lid 2, van de richtlijn, waarbij alleen in de verplichting wordt voorzien een bevestigingssysteem te gebruiken wanneer dit in het voertuig beschikbaar is. Dit betekent dat het aan de bestuurder wordt overgelaten al dan niet een bevestigingssysteem te monteren en dat er voorts geen sancties zijn (in de vorm van een beperking op het recht kinderen te vervoeren) indien de bestuurder ervoor kiest dit niet te doen.

De meest voorkomende vrijstelling van de verplichting kinderen gebruik te laten maken van een bevestigingssysteem of veiligheidsgordel is die welke geldt wanneer achterin het voertuig een groter aantal personen heeft plaatsgenomen dan het werkelijke aantal zitplaatsen. Ook is het gebruikelijk toe te staan dat kinderen die worden vervoerd in een taxi of een gehuurd voertuig met chauffeur niet worden beveiligd door een bevestigingssysteem.

Het feit dat er verschillende interpretaties van de bepalingen van de richtlijn bestaan zorgt voor problemen in het intracommunautaire verkeer, waneer een voertuig uit een land waar alleen een kinderbeveiligingssysteem hoeft te worden gebruikt wanneer het in het voertuig beschikbaar is zonder een dergelijk systeem naar een land rijdt dat de maximalistische benadering volgt, namelijk de bestuurders verplicht bij het vervoer van kinderen gebruik te maken van een aangepast bevestigingssysteem, zonder in specifieke vrijstellingen van die verplichting te voorzien. Bestuurders die ervan uitgaan dat in de andere landen van de Europese Unie in principe dezelfde regelgeving geldt als in hun eigen land kunnen moeilijkheden ondervinden wanneer zij in een van die landen reizen.

Het is de bedoeling met dit voorstel deze inconsequentie recht te zetten door de "maximalistische benadering" dwingend op te leggen. Voorts wordt ernaar gestreefd te verbieden dat kleine kinderen worden vervoerd in auto's die niet met veiligheidsgordels zijn uitgerust (met uitzondering van taxi's, omdat de gebruiker soms geen keus heeft).

2.2 Kinderbeveiligingssystemen

2.2.1 Doeltreffendheid van kinderbeveiligingssystemen

Onderzoek en ervaring op internationaal niveau hebben aangetoond dat het gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen een zeer doeltreffende manier is om ernstig en dodelijk letsel bij de inzittenden van auto's te beperken. Veiligheidsgordels brengen het aantal inzittenden met dodelijk en ernstig letsel met ongeveer 50% terug, waarbij het effect relatief groter is bij volwassenen dan bij kinderen. Wat het beperken van ernstig letsel betreft zijn kinderbeveiligingssystemen aanzienlijk doeltreffender dan veiligheidsgordels voor volwassenen: bij naar achteren gerichte systemen is het effect circa 90% en bij naar voren gerichte systemen circa 60% groter.

Het in het Verenigd Koninkrijk uitgevoerde onderzoek "The performance of Child Restraint Systems in Accidents" heeft de volgende conclusies opgeleverd:

1. Het gebruik van kinderbeveiligingssystemen heeft een uiterst gunstig effect.

2. Het ontwerp van het systeem is belangrijk. De keuze voor een bepaald systeem moet worden gemaakt op basis van de grootte en het gewicht van het kind.

3. De voordelen van kinderbeveiligingssystemen moeten voortdurend worden benadrukt om het gebruik daarvan te bevorderen en er zo voor te zorgen dat minder kinderen letsel oplopen bij verkeersongevallen.

4. Kinderbeveiligingssystemen functioneren goed bij ongevallen. In de meeste gevallen lopen de kinderen slechts weinig of helemaal geen letsel op.

5. Bij gebruik van kinderbeveiligingssystemen zijn kinderen beter beschermd tegen ernstig letsel dan wanneer zij alleen maar een veiligheidsgordel voor volwassenen dragen. Hoe jonger het kind is, des te belangrijker de rol van dergelijke systemen wordt, aangezien de fysieke kenmerken van kleine kinderen aanzienlijk verschillen van die van volwassenen. Kinderen zijn niet alleen maar volwassenen op kleinere schaal.

6. Typische verwondingen bij kinderen van minder dan één jaar zijn hoofd- en borstkasletsels.

Kinderbeveiligingssystemen werken op vergelijkbare wijze als veiligheidsgordels voor volwassenen. Kinderen zijn echter geen miniatuurvolwassenen: bij een klein kind vertegenwoordigt de massa van het hoofd ongeveer 25% van de totale lichaamsmassa, terwijl dit bij volwassenen slechts 6% is. Dit betekent dat bij een ongeval op het hoofd en de nek van een naar voren kijkend kind relatief veel grotere krachten inwerken. Wanneer een kind tegen de rijrichting in zit worden deze krachten optimaal over de rug en het hoofd verdeeld, waardoor de doeltreffendheid van het bevestigingssysteem sterk wordt verhoogd en het letsel wordt beperkt.

In de afgelopen 25 jaar is grote vooruitgang geboekt bij de ontwikkeling van kinderbeveiligingssystemen en er bestaat nu een grote verscheidenheid aan modellen voor een optimale bescherming van kinderen van alle leeftijden. Deze vorderingen zijn verwerkt in Reglement 44.03 van de ECE [8], zie 2.2.5 hieronder. Baby's zijn bijzonder kwetsbaar en worden tot zij ongeveer negen maanden zijn het beste in een naar achteren gericht zitje vervoerd.

[8] E/ECE/324 Rev. 1/Add.43/Rev.1. E/ECE/TRANS/505.

In het Verenigd Koninkrijk lopen bij auto-ongevallen per jaar circa 270 baby's (d.w.z. jonger dan één jaar) letsel op, in een aantal gevallen met dodelijke afloop: voor de EU als geheel bedraagt het aantal dodelijke slachtoffers minstens het tienvoudige.

2.2.2 Soorten kinderbeveiligingssystemen

Kinderbeveiligingssystemen worden specifiek afgestemd op kinderen van verschillende leeftijd, grootte en gewicht. Voor baby's wordt een reiswieg gebruikt. De volgende stap is een babyzitje; het naar achteren gerichte type is het meest geschikt en ook het veiligst. Voor grotere kinderen wordt in een eerste stadium vooral gebruik gemaakt van naar voren gerichte kuipstoeltjes, waarna wordt overgeschakeld op verhoogde kinderstoeltjes en vervolgens op zitkussens, dit alles hetzij in combinatie met de veiligheidsgordel voor volwassenen, hetzij als onderdeel van een in de autostoel geïntegreerd kinderbeveiligingssysteem. Zodra het kind groot genoeg is volstaat de gewone veiligheidsgordel.

Type beveiligingssysteem Leeftijdsklasse Gewichtsklasse

Reiswieg of babyzitje tot 9 maanden tot 10 kg

Kuipstoeltje 6 maanden tot 4 jaar 9-18 kg

Verhoogde kinderstoeltjes 6 maanden tot 6 jaar 9-25 kg

Zitkussen 4 jaar tot 11 jaar 15-36 kg

2.2.3 Gebruik van kinderbeveiligingssystemen in de lidstaten van de EU

De onderstaande tabel geeft een indicatie van de mate waarin kinderbeveiligingssystemen in een aantal lidstaten worden gebruikt.

Lidstaat + jaar // Gebruiksintensiteit in procent

Oostenrijk (1994) // Veiligheidsgordels voor stoelen - 56%; kinderbeveiligingssysteem voorin - 21%; veiligheidsgordels achterstoelen -31%;

kinderbeveiligingssysteem achterin - 31%

Denemarken (1993) // 0-7 jaar - 70%; 8-15 jaar - 55%

Finland // Achterstoelen, kinderbeveiligingssysteem : 0-5 jaar - 82%; 6-14 jaar- 60%

Frankrijk (1992) // 0-5 maanden - 75%; 6 maanden tot 2 jaar - 87%; 3-9 jaar - 65%

Duitsland (1995) // Verhoogde zittingen, kinderbeveiligingssystemen: 0-5 jaar - 80% 6-11 jaar - 23%

Griekenland (1995) // 0-6 jaar -15%

Nederland (1994) // Voorin 0-12 jaar - 54%; achterin 0-12 jaar - 32%

Zweden (1994 // achterstoelen: veiligheidsgordels + kinderbeveiligingssystemen: 0-15 jaar - 87%

Verenigd Koninkrijk (1995) // achterstoelen: veiligheidsgordels + kinderbeveiligingssystemen: 0-4 jaar - 85%; 5-13 jaar - 72%

2.2.4 Montage van kinderbeveiligingssystemen

De meeste kinderbeveiligingssystemen worden vervaardigd door andere bedrijven dan de autofabrikanten, zodat zij geen deel uitmaken van het oorspronkelijke ontwerp en normaal later door de eigenaar van de auto worden geïnstalleerd. Wanneer dit niet goed gebeurt kan de doeltreffendheid van het kinderbeveiligingssysteem daardoor verminderd worden.

Optimale veiligheid wordt bereikt wanneer alle kinderbeveiligingssystemen specifiek voor een bepaald voertuig worden ontworpen en de fabrikant van het voertuig de volledige verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van het ontwerp neemt. Een groot nadeel van dergelijke voertuigspecifieke systemen is echter dat zij niet in een auto van een ander type kunnen worden gebruikt.

Een andere oplossing is de montage van kinderbeveiligingssystemen te vereenvoudigen en te standaardiseren. Gestandaardiseerde bevestigingspunten in alle auto's zouden de keuze, aanschaf en installatie van kinderbeveiligingssystemen sterk vereenvoudigen en zouden helpen voorkomen dat dergelijke systemen verkeerd worden gemonteerd. Een dergelijke methode, aan de ontwikkeling waarvan wordt gewerkt door de Internationale organisatie voor normalisatie (ISO) is ISOFIX. ISOFIX is een systeem voor de bevestiging van kinderbeveiligingssystemen in voertuigen dat bestaat uit twee stijve verbindingen met het beveiligingssysteem en een voorwaartse kantelbeveiliging. Wanneer het uitontwikkeld zal zijn, zal ISOFIX het gebruik van kinderbeveiligingssystemen nog doeltreffender maken dan nu al het geval is.

2.2.5 Huidige normen voor kinderbeveiligingssystemen

In Europa worden de normen voor kinderbeveiligingssystemen hoofdzakelijk geregeld door Reglement 44 van de ECE, dat in de loop van de tijd ingrijpend is gewijzigd. Reglement 44.03 voorziet in verbeteringen en innovaties op een aantal gebieden en is daardoor momenteel de beste norm.

Reglement 44.03 van de VN-ECE voorziet in verbeteringen en innovaties op een aantal gebieden met betrekking tot het ontwerp van kinderbeveiligingssystemen, waaronder:

*meer realistische testprocedures

*meer op de praktijk afgestemde plaatsing van bevestigingspunten

*verbetering van de stevigheid van de gesp en van de gespontgrendelingssystemen

*verplicht aanbrengen van etiketten met instructies voor een correct gebruik van beveiligingssystemen

*procedures voor geïntegreerde kinderbeveiligingssystemen

*zitjes voor gehandicapte kinderen

*verplichte montage van een korte kruisriem

*de ISOFIX-norm zal voldoen aan Reglement 44.03

Er is momenteel geen EU-wetgeving die de lidstaten verplicht Reglement 44.03 van de ECE inzake kinderbeveiligingssystemen in acht te nemen. Richtlijn 2000/3 voorziet in de verplichte toepassing van normen van Reglement 44.03, maar alleen voor geïntegreerde kinderbeveiligingssystemen, d.w.z. systemen die in de autostoel zijn ingebouwd.

De voorgestelde richtlijn schrijft het gebruik van goedgekeurde kinderbeveiligingssystemen voor die ten minste voldoen aan de norm van ECE-reglement 44.03 (of het equivalent daarvan).

3. Uitbreiding van het toepassingsgebied van Richtlijn 91/671/EEG.

3.1 Het dragen van veiligheidsgordels in voertuigen voor personenvervoer

Richtlijn 91/671/EEG is thans niet van toepassing op voertuigen voor personenvervoer met meer dan negen zitplaatsen. Jaarlijks komen in de Europese Unie gemiddeld tweehonderd personen om in bussen, touringcars en minibussen. Aangezien een aanzienlijk aantal van de betrokken passagiers om het leven komt omdat zij door het voertuig en zelfs eruit geslingerd worden (door de ramen), mag worden aangenomen dat veel passagiers met dodelijk letsel dergelijke ongevallen overleefd zouden hebben indien zij een veiligheidsgordel hadden gedragen.

In de EU-Richtlijnen 96/36/EG, 96/37/EG en 96/38/EC zijn Europese normen voor veiligheidsgordels, de bevestigingspunten daarvoor en aangepaste zitplaatsen vastgesteld. Om aan de combinatie van deze drie richtlijnen te voldoen moeten ten minste tweepuntsgordels en energieabsorberende stoelen worden gemonteerd in touringcars van meer dan 5 ton, driepuntsgordels op alle stoelen in minibussen tot 3,5 ton en hetzij driepuntsgordels, hetzij tweepuntsgordels en energieabsorberende stoelen in alle touringcars tussen 3,5 en 5 ton. Bovendien zijn in situaties waarin de passagier geacht wordt een groter risico te lopen (bij voorbeeld wanneer hij op een stoel zit met een vaste tafel ervoor) driepuntsgordels verplicht.

Deze richtlijnen zijn op 1 oktober 1999 van kracht geworden voor nieuwe touringcars van alle types van meer dan 3,5 ton. Voor minibussen worden zij van kracht op 1 oktober 2001.

Opgemerkt dient te worden dat op dit moment de Richtlijnen 96/36/EG, 96/37/EG en 96/38/EC niet dwingend zijn. De lidstaten mogen zelf bepalen of op hun grondgebied geregistreerde nieuwe touringcars en minibussen aan de in deze richtlijnen vastgestelde normen dienen te voldoen. De lidstaten mogen echter niet weigeren een touringcar of minibus in te schrijven omdat de veiligheidsgordels niet aan de nationale normen voldoen wanneer voor dat type veiligheidsgordels een Europese typegoedkeuring is verleend waaruit blijkt dat het in overeenstemming is met de normen van de Richtlijnen 96/36/EG, 96/37/EG en 96/38/EC.

Gehoopt wordt dat deze richtlijnen ooit bindend worden, eventueel in combinatie met de invoering van een hele typegoedkeuring voor bussen en touringcars; momenteel bestaat er echter nog geen tijdschema daarvoor.

Veel gereputeerde exploitanten van touringcars en minibussen kiezen er echter nu al voor in nieuwe touringcars veiligheidsgordels te monteren. Uiteraard zijn veiligheidsgordels alleen effectief als ze daadwerkelijk worden gebruikt. Van passagiers van touringcars en minibussen die van veiligheidsgordels zijn voorzien mag dan ook redelijkerwijs worden verlangd dat zij deze dragen, met dien verstande dat zij af en toe moeten kunnen opstaan (b.v. om naar het toilet te gaan).

Van belang in dit verband is de vraag wie wettelijk verplicht is van de passagiers te eisen dat zij hun veiligheidsgordel dragen. Er zijn argumenten om de verantwoordelijkheid voor het gebruik van de gordel bij de passagier te leggen, deze verantwoordelijkheid te laten dragen door de chauffeur, de exploitant van het voertuig of de eigenaar daarvan (wanneer dit iemand anders is, zoals bij gehuurde touringcars), dan wel te kiezen voor een combinatie daarvan. Krachtens het subsidiariteitsbeginsel kan dit aspect echter het beste door middel van nationale wetgeving worden geregeld en komt het in dit voorstel bijgevolg niet aan de orde. Wat dit betreft merkt de Commissie op dat deze benadering overeenkomt met die welke in Richtlijn 91/671/EEG is gevolgd ten aanzien van het dragen van veiligheidsgordels in auto's: elke lidstaat heeft zijn eigen regelgeving met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor het gebruik van veiligheidsgordels door autopassagiers. De Commissie acht het echter redelijk te verwachten dat de passagiers van touringcars en minibussen geïnformeerd worden over de verplichting veiligheidsgordels te dragen, zoals dit ook bij vliegtuigpassagiers gebeurt. Daarom schrijft het voorstel voor dat de passagiers hiervan op de hoogte worden gesteld, maar wordt de wijze waarop dit gebeurt aan de exploitant overgelaten. De passagiers kunnen dus mondeling worden ingelicht door de bestuurder of de vervoerder, door middel van een videopresentatie of door middel van voor elke zittende passagier zichtbare bordjes.

Het verplichte gebruik van veiligheidsgordels is volgens extreem principiële verdedigers van de burgerrechten een inbreuk op de persoonlijke vrijheid. De Commissie merkt op dat Richtlijn 91/671/EEG reeds in 1991 ter zake een wettelijk precedent heeft geschapen en dat deze richtlijn nooit wegens schending van de burgerrechten is ingetrokken: het voorstel voorziet alleen in een uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn. Voorts is het argument dat de keuze geen veiligheidsgordel te dragen alleen de betrokkene aangaat niet steekhoudend: in de eerste mededeling van de Commissie over verkeersveiligheid [9] werd geconcludeerd dat elke verkeersdode in de EU de samenleving 1 miljoen euro kost. Elk sterfgeval als gevolg van het niet dragen van een veiligheidsgordel betekent dus een zware economische kostenpost (naast de maatschappelijke kosten).

[9] COM(97) 131 def. van 9.4.1997

3.2 Het dragen van veiligheidsgordels in vrachtvoertuigen

Behalve voor voertuigen voor personenvervoer geldt Richtlijn 91/671/EEG momenteel ook niet voor vrachtwagens van meer dan 3,5 ton. De Commissie kan geen goede reden bedenken waarom in dergelijke voertuigen gemonteerde veiligheidsgordels niet hoeven te worden gedragen en stelt dan ook voor het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot alle vrachtvoertuigen.

De Commissie is op de hoogte van de bij vrachtwagens courante praktijk de in het voertuig gemonteerde veiligheidsgordels te verwijderen om de nationale regelgeving inzake het gebruik daarvan te omzeilen De Commissie veroordeelt dit domme en voor de verkeersveiligheid contraproductieve gedrag en zal overwegen of een wijziging in Richtlijn 96/96/EC [10] van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens dient te worden voorgesteld waardoor voertuigen met onbruikbaar gemaakte of verwijderde veiligheidsgordels automatisch zouden worden afgekeurd.

[10] PB L 46/1 van 17.2.1997

B. MOTIVERING VOOR EEN OPTREDEN OP COMMUNAUTAIR NIVEAU

Subsidiariteit

(a) Wat zijn de doelstellingen van het voorgenomen optreden, gelet op de verplichtingen van de Gemeenschap-

Door middel van Richtlijn 91/671/EEG van de Raad heeft de Gemeenschap al bevoegdheden op het gebied van het dragen van veiligheidsgordels. Door het voorstel wordt in de eerste plaats Richtlijn 91/671/EEG aangepast door het gebruik van kinderbeveiligingssystemen in auto's en afgeleide voertuigen verplicht te stellen. Daarnaast wordt bepaald dat kinderbeveiligingssystemen dienen te worden goedgekeurd volgens ten minste de technische norm van Reglement 44.03 van de VN-ECE of het equivalent daarvan, waarmee een significante bijdrage tot de verkeersveiligheid wordt geleverd.

In de tweede plaats wordt het gebruik van een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op de voorste passagierszitplaats van auto's en afgeleide voertuigen verboden, tenzij de airbag is uitgeschakeld.

In de derde plaats wordt het dragen van veiligheidsgordels, als deze beschikbaar zijn, voor alle gebruikers van motorvoertuigen verplicht gesteld.

(b) Heeft het voorgenomen optreden betrekking op een gebied waarop uitsluitend de Gemeenschap bevoegd is of wordt deze bevoegdheid met de lidstaten gedeeld-

Overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag wordt deze bevoegdheid door de Gemeenschap en de lidstaten gedeeld.

(c) Wat is de communautaire dimensie van het probleem (hoeveel lidstaten zijn er bijvoorbeeld bij betrokken en welke oplossing is er tot op heden gebruikt)-

Alle lidstaten zijn al gebonden door Richtlijn 91/671/EEG die het gebruik van veiligheidsgordels door volwassenen en kinderen in auto's en afgeleide voertuigen verplicht stelt. In deze richtlijn is echter niet de verplichting opgenomen om kinderen in geschikte beveiligingssystemen op de achterbank van het voertuig te vervoeren. Verschillen in de interpretatie van Richtlijn 91/671/EEG ten aanzien van uitzonderingen op het gebruik van kinderbeveiligingssystemen door de lidstaten veroorzaken problemen bij het verkeer binnen de Gemeenschap. Deze worden veroorzaakt het gebrek aan samenhang tussen de wetgevingen van de lidstaten ten aanzien van het veilige vervoer van kinderen.

In de richtlijn is ook voor het eerst de bepaling opgenomen dat veiligheidsgordels in alle motorvoertuigen die daarvan zijn voorzien door de chauffeur en door alle passagiers moeten worden gebruikt.

(d) Wat is de meest doelmatige aanpak, gelet op de mogelijkheden van de Ge meenschap en die van de lidstaten-

De meest doelmatige oplossing is een wijziging van Richtlijn 91/671/EEG.

(e) Wat is de concrete meerwaarde van het voorgenomen optreden van de Gemeenschap en wat zijn de kosten als er niets wordt gedaan-

De concrete meerwaarde ligt in de verbetering van de verkeersveiligheid, met name voor kinderen. Een van de belangrijkste redenen voor de grote verschillen binnen de Unie in de aantallen dodelijke slachtoffers bij auto-ongelukken onder kinderen is gelegen in de interpretatie van de bestaande richtlijn in de wetgevingen van de lidstaten: in sommige gevallen mogen kinderen zonder beveiliging of alleen met een gordel voor volwassenen reizen en in andere gevallen moeten ze zijn voorzien van een adequaat kinderbeveiligingssysteem. Deze maatregel zal niet alleen bevorderlijk zijn voor de verkeersveiligheid, maar ook de voorschriften voor reizen binnen de Gemeenschap verder harmoniseren.

Doordat de richtlijn het gebruik van veiligheidsgordels verplicht stelt, zal ook het aantal doden en ernstig gewonden bij ongelukken met touringcars en minibussen dalen.

(f) Welke middelen zijn er voor het optreden van de Gemeenschap beschik baar (aanbevelingen, financiële steun, regelgeving, wederzijdse erkenning enz.)-

Een richtlijn wordt het meest geschikt geacht om de doelstelling (verbetering van de verkeersveiligheid) te verwezenlijken en daarnaast geharmoniseerde juridisch bindende voorschriften voor het hele personenvervoer te vergemakkelijken.

(g) Is uniforme regelgeving nodig of kan worden volstaan met een richt lijn waarin de algemene beginselen worden geformuleerd en waarbij de uitvoe ring aan de lidstaten wordt overgelaten-

Hoewel deze richtlijn vooral bedoeld is om de strijdigheden door de uiteenlopende toepassing van Richtlijn 91/671/EEG te verminderen, laat de richtlijn nog steeds ruimte voor interpretatie bij onder andere de voorschriften inzake vrijstelling "om medische redenen". Daarnaast moet de aansprakelijkheid voor het dragen van veiligheidsgordels door passagiers van touringcars en minibussen afdoende worden geregeld aan de hand van de uiteenlopende nationale wetgevingen. Een richtlijn is derhalve geschikter dan een verordening.

C. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VOORSTEL

Deze richtlijn is van toepassing op alle motorvoertuigen in de categorieën M1, M2, M3, N1,N2 en N3, zoals omschreven in bijlage I van Richtlijn 70/156/EEG [11], die bedoeld zijn om op de weg te worden gebruikt, ten minste vier wielen hebben en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/uur hebben.

[11] PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1.

D. INHOUD VAN HET VOORSTEL

Artikel 1: bepaling van het toepassingsgebied van het voorstel en wijziging van Richtlijn 91/671/EEG door:

*definitie van de verschillende soorten veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen die in het voorstel worden genoemd;

*bepaling dat kinderen die jonger zijn dan 12 jaar, met een adequaat kinderbeveiligingssysteem moeten worden beveiligd;

*bepaling dat de chauffeur en passagiers van alle motorvoertuigen die van veiligheidsgordels zijn voorzien, deze moeten dragen en dat de chauffeur ervoor verantwoordelijk is dat de passagiers wordt meegedeeld dat ze hun veiligheidsgordel moeten dragen;

*bepaling dat een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem niet op de voorste passagierszitplaats van een voertuig mag worden gebruikt, tenzij de airbag voor de passagierszitplaats is uitgeschakeld;

*schrapping van artikel 4 van Richtlijn 91/671/EEG dat bij de toepassing van de richtlijn tot verschillen tussen de lidstaten heeft geleid.

De artikelen 2, 3 en 4 bevatten bepalingen inzake de omzetting van de richtlijn in het nationale recht.

2000/0315 (COD)

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 91/671/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie [12],

[12]

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [13],

[13]

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [14],

[14]

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Krachtens artikel 153 van het Verdrag draagt de Gemeenschap bij tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van de consumenten om een hoog niveau van de consumentenbescherming te waarborgen.

(2) In zijn resolutie van 13 maart 1984 [15] heeft het Europees Parlement het verplichte gebruik van veiligheidsgordels op alle wegen in de stad en op het platteland tot prioriteitsmaatregel bestempeld. In zijn resolutie van 18 februari 1986 [16] heeft het Europees Parlement benadrukt dat het gebruik van de veiligheidsgordel verplicht moet worden gesteld voor alle passagiers, met inbegrip van kinderen, behalve in het openbaar vervoer.

[15] PB C 104 van 6.4.1984, blz. 38.

[16] PB C 68 van 24.3.1986, blz. 35.

(3) In Richtlijn 91/671/EEG van de Raad van 16 december 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton [17] wordt bepaald dat het verplicht is op zitplaatsen die met gordels zijn uitgerust, kinderbeveiligingssystemen te gebruiken. In deze richtlijn wordt niet gespecificeerd welk type kinderbeveiligingssysteem geschikt is en wordt toegestaan dat kinderen worden vervoerd zonder door een adequaat kinderbeveiligingssysteem te zijn beveiligd wanneer een dergelijk beveiligingssysteem niet beschikbaar is.

[17] PB L 373 van 31.12.1991, blz.26.

(4) Bij toekomstige ontwikkelingen dient er te worden gestreefd naar een stringenter gebruik van dergelijke voorzieningen, zodat het in artikel 2, tweede alinea, van de richtlijn bedoelde in beginsel verplichte gebruik verder wordt ingevoerd.

(5) Bij Besluit 97/836/EG [18] van de Raad is de Gemeenschap toegetreden tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (ECE) betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen.

[18] PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

(6) Met haar toetreding tot deze overeenkomst is de Commissie toegetreden tot een gespecificeerde lijst met reglementen die krachtens de overeenkomst zijn vastgesteld, waaronder het reglement inzake de goedkeuring van beveiligingssystemen voor kinderen in motorvoertuigen (kinderbeveiligingssystemen).

(7) Uit onderzoek is gebleken dat het gebruik van kinderbeveiligingssystemen een belangrijke bijdrage kan leveren tot een beperking van de ernst van letsel bij botsingen. Het risico op ernstig letsel bij botsingen is voor kinderen zonder beveiliging zeven keer zo hoog als voor kinderen met beveiliging.

(8) Het aantal kinderen met dodelijk letsel bij auto-ongelukken is relatief klein in vergelijking met het aantal kinderen onder voetgangers of fietsers dat bij een ongeluk overlijdt. De kennis omtrent een goede beveiliging van kinderen is nu zo ver gevorderd dat een slecht ontwerp steeds moeilijker re accepteren is.

(9) Krachtens de combinatie van de Richtlijnen 96/36/EG [19], 96/37/EG [20] en 96/38/EG [21] moeten nieuwe voertuigen van de categorieën M en N (behalve de categorieën M2 en M3 die voor het vervoeren van staande passagiers zijn ontworpen) worden voorzien van veiligheidsgordels, geschikte zitplaatsen en bevestigingspunten voor veiligheidsgordels. Aangezien deze voertuigen van veiligheidsgordels zijn voorzien, wordt het redelijk geacht het gebruik daarvan voor zittende passagiers verplicht te stellen.

[19] PB L 178 van 17.7.1996, blz. 15.

[20] PB L 186 van 25.7.1996, blz. 28.

[21] PB L 187 van 26.7.1996, blz. 95.

(10) Passagiers in voertuigen van de categorieën M2 en M3 dienen te worden gewezen op de noodzaak hun veiligheidsgordels te dragen wanneer het voertuig in beweging is,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 91/671/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. De titel wordt vervangen door: "inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen in voertuigen".

2. De artikelen 1 en 2 worden vervangen door:

"Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op alle voor deelneming aan het wegverkeer bestemde motorvoertuigen op ten minste vier wielen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/uur, van de in bijlage I bij Richtlijn 70/156/EEG [22] omschreven categorieën M1, M2, M3, N1,N2 en N3.

[22] PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1.

2. In deze richtlijn:

-zijn de definities van bevestigingssystemen, met inbegrip van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen en de onderdelen daarvan, in bijlage I van Richtlijn 77/541/EEG [23] ten aanzien van voertuigen van de categorieën M1 en N1 van toepassing;

[23] PB L 220 van 29.8.1977, blz. 95.

-wordt onder "naar achteren gericht" verstaan: in een richting tegenovergesteld aan de normale rijrichting van het voertuig.

3. Kinderbeveiligingssystemen worden in vijf "massagroepen" ingedeeld:

(a) groep 0 voor kinderen met een massa van minder dan 10 kg;

(b) groep 0+ voor kinderen met een massa van minder dan 13 kg;

(c) groep I voor kinderen met een massa van 9 kg tot 18 kg;

(d) groep II voor kinderen met een massa van 15 kg tot 25 kg;

(e) groep III voor kinderen met een massa van 22 kg tot 36 kg.

4. Er zijn twee categorieën kinderbeveiligingssystemen:

(a) een integrale categorie die bestaat uit een combinatie van riemen of flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingsonderdelen, soms tevens voorzien van een zitje en/of botsingsscherm, die met een eigen integrale riem of riemen kan worden bevestigd;

(b) een niet-integrale categorie die kan bestaan uit een gedeeltelijke beveiliging die bij gecombineerd gebruik met een gordel voor volwassenen, die om het lichaam van het kind heen gaat of waarmee het systeem waarin het kind wordt geplaatst, wordt bevestigd, een volledig kinderbeveiligingssysteem vormt.

Artikel 2

1. Voor voertuigen van de categorieën M1 en N1 stellen de lidstaten voor alle inzittenden van voertuigen die op de weg worden gebruikt, het dragen van bevestigingssystemen, wanneer deze beschikbaar zijn, verplicht. Kinderen van 12 jaar of ouder mogen de goedgekeurde veiligheidsgordel voor volwassenen dragen.

Kinderen die jonger zijn dan 12 jaar worden beveiligd met een kinderbeveiligingssysteem, apart of gecombineerd met de veiligheidsgordel voor volwassenen, dat geschikt is voor de massa van het kind zoals bepaald in artikel 1, lid 3. Wanneer een kind jonger dan 12 jaar is maar een massa van meer dan 36 kg heeft, mag een veiligheidsgordel voor volwassenen worden gedragen.

Kinderen die jonger zijn dan 3 jaar worden niet vervoerd in voertuigen van categorie M1, met uitzondering van taxi's, die geen geschikte kinderbeveiligingssystemen hebben.

Kinderen worden niet met behulp van een naar achteren gericht kinderzitje in de voorste passagierszitplaats van een voertuig met een airbag voor de voorste passagierszitplaats vervoerd, tenzij de airbag is uitgeschakeld.

Wanneer een kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt, dient dit te zijn goedgekeurd overeenkomstig de normen van Reglement 44/03 van de VN-ECE, het equivalent daarvan of een latere aanpassing daarvan.

2. Voor voertuigen van de categorieën M2, M3, N2 en N3 stellen de lidstaten voor alle chauffeurs en inzittenden van voertuigen die op de weg worden gebruikt, het dragen van de beschikbare veiligheidsgordels verplicht.

Aan de passagiers wordt meegedeeld dat ze verplicht zijn veiligheidsgordels te dragen wanneer ze zitten en het voertuig in beweging is. Dit wordt hun op een of meer van de volgende manieren meegedeeld:

-door de chauffeur,

-door de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon,

-met behulp van audiovisuele middelen (b.v. een videoband),

-door tekens en/of pictogrammen die duidelijk op elke zitplaats zijn aangebracht."

3. Artikel 4 wordt geschrapt.

Artikel 2

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om binnen één jaar na de bekendmaking van de richtlijn in het Publicatieblad uiterlijk op 1 januari 2002 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De Voorzitter