CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. BIONDI
van 18 september 2025 ( 1 )
Zaak C‑564/24
Eisenberger Gerüstbau GmbH
tegen
JK
[verzoek om een prejudiciële beslissing van het Kammergericht (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Berlijn, Duitsland)]
„Prejudiciële verwijzing – Overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument – Herroepingsrecht van de consument – Recht van de handelaar op een compenserende vergoeding – Contact tussen de consument en de handelaar tot stand gebracht via een door de consument aangewezen derde”
I. Inleiding
|
1. |
De door de nationale rechter gestelde vragen over de uitlegging van richtlijn 2011/83/EU ( 2 ) betreffen hoofdzakelijk de definitie van het begrip „overeenkomst op afstand” en de wijze waarop het juiste evenwicht kan worden gevonden tussen de verschillende doelstellingen die de Uniewetgever nastreeft in geval van herroeping door de consument. De hoofddoelstelling van de richtlijn is duidelijk: bescherming van de consument. Dit dient echter te worden genuanceerd door de noodzaak om de rechtszekerheid en de goede trouw tussen partijen in de contractuele betrekkingen te waarborgen. De zaak biedt het Hof daarom de gelegenheid om belangrijke aspecten van de toepassing van de richtlijn te verduidelijken. |
|
2. |
Met zijn prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „overeenkomst op afstand” als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 2011/83 ook betrekking heeft op het geval waarin de consument vóór de sluiting van de overeenkomst bijstand heeft gekregen van een derde handelaar en of een latere overeenkomst betreffende extra diensten als overeenkomst op afstand kan worden aangemerkt. Ten slotte betreft mijns inziens de belangrijkste vraag het geval waarin de consument de overeenkomst herroept na de uitvoering ervan, hoewel er geen wettelijke informatie over de herroeping is verstrekt. De vraag is of hij kan worden verplicht de handelaar in redelijke mate te vergoeden, omdat er anders sprake kan zijn van rechtsmisbruik. |
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
|
3. |
Artikel 2 van richtlijn 2011/83 luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
[...]” |
|
4. |
Artikel 6 van deze richtlijn, met als opschrift „Informatievoorschriften voor overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten”, luidt: „1. Voordat de consument door een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, dan wel een daarmee overeenstemmend aanbod daartoe is gebonden, verstrekt de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie: [...]
[...]” |
|
5. |
Artikel 9, met als opschrift „Herroepingsrecht”, bepaalt in lid 1: „1. Behoudens wanneer de in artikel 16 bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn, beschikt de consument over een termijn van 14 dagen om de overeenkomst op afstand of de buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst zonder opgave van redenen te herroepen, en zonder andere kosten te moeten dragen dan die welke in artikel 13, lid 2, en artikel 14 zijn vastgesteld.” |
|
6. |
Artikel 10, met als opschrift „Weglating van informatie over het herroepingsrecht”, luidt: „1. Indien de handelaar de consument niet de ingevolge artikel 6, lid 1, onder h), verplichte informatie over het herroepingsrecht heeft verstrekt, loopt de herroepingstermijn af twaalf maanden na het einde van de oorspronkelijke, overeenkomstig artikel 9, lid 2, vastgestelde herroepingstermijn. 2. Indien de handelaar de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie aan de consument heeft verstrekt binnen twaalf maanden na de in artikel 9, lid 2, bedoelde dag, verstrijkt de herroepingstermijn 14 dagen of, in gevallen waarin de lidstaten overeenkomstig artikel 9, lid 1 bis, regels hebben vastgesteld, 30 dagen na de dag waarop de consument die informatie heeft ontvangen.” |
|
7. |
Artikel 12, met als opschrift „Gevolgen van herroeping”, bepaalt: „De uitoefening van het herroepingsrecht beëindigt de verplichting voor de partijen om:
|
|
8. |
Artikel 13, met als opschrift „Verplichtingen van de handelaar bij herroeping”, bepaalt in lid 1: „1. De handelaar vergoedt alle van de consument ontvangen betalingen, inclusief, voor zover van toepassing, de leveringskosten, onverwijld en in elk geval uiterlijk 14 dagen na de dag waarop hij wordt geïnformeerd van de beslissing van de consument om de overeenkomst overeenkomstig artikel 11 te herroepen. [...]” |
|
9. |
Artikel 14, met als opschrift „Verplichtingen van de consument bij herroeping”, bepaalt in lid 4, onder a): „4. De consument draagt geen kosten voor:
[...]” |
B. Duits recht
|
10. |
Artikel 24 van het Bürgerliche Gesetzbuch ( 3 ) (burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) bepaalt: „De schuldenaar is verplicht de prestatie te goeder trouw uit te voeren, met inachtneming van de handelsgebruiken.” |
|
11. |
Artikel 312c BGB, met als opschrift „Overeenkomsten op afstand”, luidt: „(1) Onder ‚overeenkomsten op afstand’ worden verstaan: overeenkomsten waarbij de handelaar, of een persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, en de consument uitsluitend gebruikmaken van middelen voor communicatie op afstand voor de onderhandeling over en de sluiting van de overeenkomst, behalve wanneer de overeenkomst niet wordt gesloten via een georganiseerd systeem voor verkoop op afstand of het verrichten van diensten. (2) De middelen voor communicatie op afstand in de zin van deze wet zijn alle communicatiemiddelen die kunnen worden gebruikt voor het voorbereiden of het sluiten van een overeenkomst zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de contractpartijen, zoals brieven, catalogi, telefoongesprekken, faxberichten, e-mails, berichten die via een mobieletelefoniedienst (sms) worden verzonden, alsmede radio en media.” |
|
12. |
Artikel 357 BGB, met als opschrift „Rechtsgevolgen van de herroeping van buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten en overeenkomsten op afstand, met uitzondering van overeenkomsten betreffende financiële diensten”, luidt: „(1) De ontvangen prestaties moeten uiterlijk na 14 dagen worden teruggegeven. [...] (8) Wanneer de consument een dienstenovereenkomst herroept [...], moet de consument een vergoeding betalen voor de prestatie die tot aan de herroeping is verricht, indien de consument de handelaar uitdrukkelijk heeft verzocht met de uitvoering van de prestatie te beginnen vóór het verstrijken van de herroepingstermijn. Het uit de eerste volzin voortvloeiende recht bestaat slechts wanneer de handelaar de consument overeenkomstig artikel 246a, eerste deel, lid 2, eerste volzin, punten 1 en 3, van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche (wet tot invoering van het burgerlijk wetboek) naar behoren in kennis heeft gesteld. [...] De schadevergoeding moet worden berekend op basis van de totale prijs die is overeengekomen. Indien de totale overeengekomen prijs buitensporig hoog is, moet de compenserende vergoeding worden berekend op basis van de marktwaarde van de geleverde prestatie.” |
III. Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
13. |
In 2020 heeft JK, de verwerende partij in het hoofdgeding, eigenaar van een gebouw met meerdere verdiepingen in Berlijn, besloten twee nieuwe verdiepingen aan dat gebouw toe te voegen. Daartoe heeft hij een architect belast met het ontwerp ervan, de leiding over de uitvoering van de werken en de bijstand bij het sluiten van de betreffende overeenkomsten. |
|
14. |
Nadat de architect Eisenberger Gerüstbau GmbH (hierna: „Eisenberger”) had uitgekozen, een onderneming die is gespecialiseerd in de installatie van steigers, heeft hij Eisenberger en JK per e-mail een door hem opgestelde ontwerpovereenkomst toegezonden. Dat ontwerp bevatte echter geen enkele informatie over het herroepingsrecht van JK en werd in december 2020 ongewijzigd door beide partijen ondertekend. |
|
15. |
Na de installatie van de steigers in januari 2021 heeft Eisenberger aan JK per e-mail een aanvullend aanbod gedaan voor de installatie van twee extra steigers. Dit aanbod is door JK ondertekend door middel van een daartoe bestemde overeenkomst, eveneens per e-mail. |
|
16. |
Vervolgens heeft Eisenberger aan JK het gebruik van de steigers toegestaan voor de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. |
|
17. |
In december 2021, toen de bouwwerkzaamheden waarvoor de steigers nodig waren inmiddels waren voltooid, heeft JK verklaard de overeenkomst voor de levering van de steigers, met inbegrip van de aanvullende overeenkomst, te herroepen, waarbij hij verdere betalingen weigerde en het betaalde bedrag terugvorderde op basis van de facturen die tot mei 2021 waren uitgereikt. |
|
18. |
Na op verzoek van JK de steigers te hebben gedemonteerd, heeft Eisenberger JK gedagvaard voor het Landgericht Berlin (rechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) teneinde betaling te verkrijgen van het uitstaande bedrag. In het kader van dezelfde procedure heeft JK een tegenvordering ingesteld tot terugbetaling van de tot dan toe betaalde bedragen. |
|
19. |
Het Landgericht Berlin wees de tegenvordering toe en verwierp de vordering bij vonnis van 19 mei 2023. Eisenberger stelde daartegen hoger beroep in. |
|
20. |
Het Kammergericht (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Berlijn, Duitsland) heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vier vragen:
|
IV. Beoordeling
|
21. |
De eerste drie prejudiciële vragen hebben betrekking op een definitie, omdat daarmee het Hof wordt gevraagd de grenzen van de begrippen „consument” en „overeenkomst op afstand” te preciseren. Een nuttig antwoord daarop kan naar mijn mening zonder al te veel moeite op basis van de bestaande rechtspraak worden gegeven. Zoals gezegd staat de vierde vraag centraal in de zaak, omdat deze het Hof naar mijn mening over een gevoelig onderwerp bevraagt: hoe kan het herroepingsrecht van de consument, dat zich bij gebrek aan informatie van de handelaar tot een jaar na de sluiting van de overeenkomst uitstrekt, worden verzoend met de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de handelaar en het beginsel van contractuele goede trouw? De noodzakelijke eerbiediging van de rechten van de consument als zwakke partij bij de overeenkomst kan immers niet onbeperkt zijn in gevallen van „misbruik”, waarvoor het Unierecht op geen enkele wijze bescherming kan bieden. Dit geldt des te meer wanneer de verbintenis die door de handelaar is aangegaan in wezen volledig is nagekomen. |
A. Eerste en tweede prejudiciële vraag
|
22. |
Voor de beantwoording van de eerste en de tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter moet worden nagegaan of een overeenkomst die per e-mail is gesloten tussen een handelaar en een consument die vóór de sluiting van de overeenkomst wordt bijgestaan door een derde handelaar, kan worden aangemerkt als overeenkomst op afstand voor de eventuele toepassing van het herroepingsrecht overeenkomstig artikel 9, lid 1, van richtlijn 2011/83. ( 4 ) |
|
23. |
Om een overeenkomst als „overeenkomst op afstand” te kunnen aanmerken, moet cumulatief aan vier voorwaarden zijn voldaan: (i) de overeenkomst moet worden gesloten tussen een consument en een handelaar; (ii) deze moet worden gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand; (iii) de sluiting ervan moet plaatsvinden zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de handelaar en de consument, en (iv) de contractuele verhouding moet worden vastgesteld door uitsluitend gebruik te maken van een of meer middelen voor communicatie op afstand tot op en met inbegrip van het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten. ( 5 ) |
|
24. |
Wat betreft de eerste voorwaarde, te weten die onder (i) ( 6 ), moet om te beginnen worden onderzocht of JK, ondanks de bijstand van de architect vóór de sluiting van de overeenkomst, als consument kan worden aangemerkt. |
|
25. |
Volgens richtlijn 2011/83 is een consument iedere natuurlijke persoon die bij een onder deze richtlijn vallende overeenkomst handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. ( 7 ) Een handelaar is iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het kader van zijn activiteiten met betrekking tot onder die richtlijn vallende overeenkomsten handelt, mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt. ( 8 ) |
|
26. |
Het begrip „consument” is met name wat betreft de contractuele bescherming een autonoom Unierechtelijk begrip dat uniform moet worden uitgelegd. ( 9 ) In dit verband is de definitie in de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten ( 10 ), zoals uitgelegd door het Hof, bijzonder relevant: de hoedanigheid van „consument” moet aan de hand van een functioneel criterium worden beoordeeld, namelijk of de betrokken contractuele band deel uitmaakt van activiteiten die niets te maken hebben met de uitoefening van een beroep. ( 11 ) Bovendien heeft het Hof gepreciseerd dat het begrip „consument” een objectief begrip is dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon werkelijk beschikt. ( 12 ) |
|
27. |
Uit het dossier blijkt in feite niet of om de prestatie is verzocht voor persoonlijke of commerciële doeleinden (bijvoorbeeld met het oog op verhuur of verkoop) of voor beide doeleinden. In dit verband moet, zoals in overweging 17 van de richtlijn wordt vermeld, bij gemengde overeenkomsten, dat wil zeggen wanneer een overeenkomst wordt gesloten voor doeleinden die deels binnen en deels buiten de handelsactiviteit van de persoon liggen, worden nagegaan of het commerciële doel in de globale context van de overeenkomst al dan niet overheerst. Wanneer het zo beperkt is dat het niet overheerst, kan die persoon als consument worden aangemerkt. ( 13 ) |
|
28. |
In het onderhavige geval staat het mijns inziens aan de nationale rechter om vast te stellen of het om een consument gaat, waarbij hij alle bruikbare gegevens globaal moet beoordelen. Daarbij moet met name rekening worden gehouden met de bewoordingen van de overeenkomst – met bijzondere aandacht voor de aard van het goed of de dienst waarop de overeenkomst betrekking heeft – waaruit kan blijken met welk doel dat goed is gekocht of die dienst is ontvangen. ( 14 ) |
|
29. |
Wat met name de bijstand van de architect aan de consument betreft, ben ik van mening dat deze omstandigheid de consument niet automatisch minder zwak of meer ervaren maakt en dus geen rechtstreekse invloed heeft op de kwalificatie als „consument”. Volgens vaste rechtspraak bevindt de consument zich tegenover de handelaar immers in een zwakke positie, aangezien hij de „economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractspartij” ( 15 ) is, ongeacht de technische bekwaamheden waarover hij kan beschikken ( 16 ). |
|
30. |
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het feit dat hij vóór de sluiting van de overeenkomst door een derde handelaar is bijgestaan, er op zich niet aan in de weg staat dat hij wordt aangemerkt als „consument” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83. |
|
31. |
Wat betreft de andere voorwaarden ( 17 ) die zijn vermeld in artikel 2, punt 7, van deze richtlijn en die samen moeten worden beoordeeld, beogen de bepalingen van de richtlijn inzake op afstand gesloten overeenkomsten te vermijden dat het gebruik van middelen voor communicatie op afstand leidt tot een vermindering van de aan de consument verstrekte informatie, met name wat betreft de in artikel 6 van deze richtlijn bedoelde informatie die voor de consument van wezenlijk belang is ( 18 ). |
|
32. |
Zoals in overweging 20 van richtlijn 2011/83 is vermeld, mag het begrip „overeenkomst op afstand” geen betrekking hebben op gevallen waarin over de overeenkomst in de verkoopruimten van de handelaar wordt onderhandeld en deze uiteindelijk wordt gesloten met behulp van een middel voor communicatie op afstand, noch op gevallen waarin de overeenkomst wordt geïnitieerd met behulp van een middel voor communicatie op afstand, maar uiteindelijk wordt gesloten in de verkoopruimten van de handelaar. Bovendien wordt in dezelfde overweging gepreciseerd dat het begrip „georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand” die systemen dient te omvatten die door andere derden dan de handelaar worden aangeboden, maar door de handelaar worden gebruikt, zoals als een onlineplatform. Hieronder mogen echter niet websites worden gerekend die louter informatie over de handelaar, zijn goederen en/of diensten en zijn contactgegevens bevatten. ( 19 ) |
|
33. |
In casu blijkt, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, dat de architect die door de consument ermee is belast hem bij te staan bij het sluiten van de overeenkomst door het opstellen van ontwerpen, contact heeft opgenomen met Eisenberger en haar heeft verzocht een aanbod te doen. Uit het dossier blijkt dat de architect vervolgens aan beide partijen per e-mail de ontwerpovereenkomst heeft toegezonden die geen enkele informatie bevatte over het herroepingsrecht van de consument. ( 20 ) Eisenberger heeft daarna de overeenkomst ongewijzigd ondertekend en deze naar de consument gestuurd, die de ondertekende overeenkomst vervolgens per gewone post heeft teruggezonden. Deze feitelijke gegevens lijken erop te wijzen dat de overeenkomst uitsluitend is gesloten met behulp van een middel voor communicatie op afstand, zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de handelaar en de consument. Het dossier bevat daarentegen geen enkel gegeven met betrekking tot een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand dat door de handelaar is ingevoerd, zoals bijvoorbeeld over de vraag of het de handelaar is die de sluiting van de overeenkomst met behulp van een middel voor communicatie op afstand heeft aangemoedigd. |
|
34. |
Hieruit zou dus kunnen worden afgeleid dat de architect de consument enkel in staat heeft gesteld om informatie over het voorwerp van de overeenkomst te vergaren, zonder echter met een van de partijen bij de overeenkomst te onderhandelen en zonder de consument de in artikel 6 van richtlijn 2011/83 bedoelde informatie te verstrekken. In een soortgelijk geval heeft het Hof geoordeeld dat in die omstandigheden de overeenkomst in kwestie kan worden beschouwd als een „overeenkomst op afstand”. ( 21 ) |
|
35. |
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter of is voldaan aan de vier voorwaarden ( 22 ) die een overeenkomst op afstand kenmerken, een overeenkomst als Eisenberger en de verwerende partij hebben gesloten kan worden beschouwd als een „overeenkomst op afstand” in de zin van artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83, met mogelijke uitoefening van het herroepingsrecht overeenkomstig artikel 9, lid 1, van die richtlijn. |
B. Derde prejudiciële vraag
|
36. |
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een overeenkomst is aan te merken als een overeenkomst op afstand in de zin van artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83, wanneer partijen uitsluitend met behulp van een middel voor communicatie op afstand een overeenkomst sluiten over prestaties die complementair zijn aan de prestaties die zijn vastgelegd in een overeenkomst die geen overeenkomst op afstand is. |
|
37. |
Meteen moet worden opgemerkt dat deze vraag slechts relevant is voor het geval dat op de eerste twee vragen wordt geantwoord dat de oorspronkelijke overeenkomst niet als een „overeenkomst op afstand” kan worden aangemerkt. Niettemin zal ik hieronder kort enkele opmerkingen formuleren. |
|
38. |
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter ben ik van mening dat de voorwaarden voor een overeenkomst op afstand ook van toepassing kunnen zijn op een latere complementaire overeenkomst. ( 23 ) Na de sluiting van de overeenkomst en de installatie van de steigers heeft Eisenberger aan JK immers per e-mail een aanvullend aanbod voor twee extra steigers gezonden. De consument heeft het aanbod aanvaard per e-mail. |
|
39. |
Het is juist dat, zoals in overweging 14 ( 24 ) van richtlijn 2011/83 en in artikel 3, lid 5 ( 25 ), ervan is vermeld, geen afbreuk mag worden gedaan aan het nationale recht voor de verbintenissenrechtelijke aspecten die niet door deze richtlijn worden geregeld. |
|
40. |
Hieruit volgt dat aspecten van het verbintenissenrecht, zoals de aard van een complementaire overeenkomst – die niet door richtlijn 2011/83 wordt geregeld –, door het nationale recht moet worden geregeld. |
|
41. |
Op basis van deze overwegingen en ervan uitgaande dat de hoofdovereenkomst als overeenkomst op afstand kan worden aangemerkt, staat het aan de nationale rechter om de aard van de complementaire overeenkomst te beoordelen. |
C. Vierde prejudiciële vraag
|
42. |
De vierde vraag biedt het Hof de gelegenheid om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen van richtlijn 2011/83 inzake het herroepingsrecht nader te preciseren. |
|
43. |
Vooraf zij opgemerkt dat het Hof in een zaak betreffende buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten die onder richtlijn 2011/83 vallen, heeft geoordeeld dat artikel 14, lid 4, onder a), i), en lid 5, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat de consument is vrijgesteld van elke verplichting tot betaling van de geleverde prestaties wanneer de betrokken handelaar hem de in artikel 14, lid 4, onder a), i), bedoelde informatie niet heeft verstrekt en de consument zijn herroepingsrecht heeft uitgeoefend nadat de overeenkomst reeds was uitgevoerd, vanwege het „fundamentele belang dat richtlijn 2011/83 hecht aan precontractuele informatie betreffende het herroepingsrecht voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten” ( 26 ). |
|
44. |
In een zaak betreffende de bepalingen van richtlijn 2008/48 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten ( 27 ) heeft het Hof echter gepreciseerd dat „de volledige uitvoering van de kredietovereenkomst ertoe leidt dat het herroepingsrecht tenietgaat” ( 28 ). Meer bepaald heeft het Hof verklaard dat „[a]angezien de uitvoering van een overeenkomst de natuurlijke wijze van tenietgaan van verbintenissen uit overeenkomst is, [...] een consument zich [...] niet meer op het [...] herroepingsrecht kan beroepen wanneer de kredietovereenkomst volledig door de partijen is uitgevoerd en de uit deze overeenkomst voortvloeiende wederzijdse verbintenissen dus niet langer bestaan” ( 29 ). |
|
45. |
De onderhavige zaak biedt een interessant perspectief voor een toepassing van de bepalingen van de richtlijn die de verschillende conflicterende beschermingsbelangen met elkaar in overeenstemming brengt. Enerzijds de noodzakelijke gepaste bescherming van de consument op het delicate moment voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst, en dus de waardering van de bepalingen die hem aanvullende rechten verlenen in geval van weglating van belangrijke informatie door de handelaar, in casu de verlenging van de herroepingstermijn tot één jaar. ( 30 ) Anderzijds de noodzaak dat het Unierecht zich gelet op alle omstandigheden van het geval niet leent voor misbruik dat leidt tot onevenredige bescherming van de rechten van de consument en tot ongerechtvaardigde benadeling van de handelaar. |
|
46. |
De verwijzende rechter vraagt zich namelijk af of het feit dat de consument stelt dat terugbetaling van de bedragen uitgesloten is, in strijd kan zijn met de goede trouw wanneer aan vier cumulatieve voorwaarden is voldaan: (i) het is niet mogelijk om vast te stellen dat de handelaar opzettelijk heeft nagelaten de consument informatie te verstrekken overeenkomstig artikel 14, lid 4, onder a), van richtlijn 2011/83; (ii) de handelaar heeft aan de consument een dienst verleend die om feitelijke of economische redenen niet kan worden teruggegeven; (iii) de consument gebruikt deze dienst nu permanent of heeft zich de inherente waarde van de dienst toegeëigend, en (iv) het bedrag van de vergoeding is niet buitensporig hoog. |
|
47. |
De verwijzende rechter vraagt zich in wezen af of er in het kader van de beoordeling van alle omstandigheden van het concrete geval – en dus van de mate van schuld bij de weglating van de informatie door de handelaar en van de aard van het uitgevoerde werk, in combinatie met de hoogte van de gevorderde bedragen – ruimte is voor een beoordeling van het gedrag van de partijen aan de hand van de beginselen van contractuele goede trouw, hetgeen kan leiden tot een ander resultaat dan door de consument wordt bepleit, namelijk dat hij tegen alle kosten moet worden gevrijwaard ook al heeft hij ten volle geprofiteerd van de dienst waarop de overeenkomst betrekking heeft. |
|
48. |
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat richtlijn 2011/83 geen enkele bepaling bevat over misbruik door de consument van de door deze richtlijn verleende rechten. Daarom ben ik van mening dat artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/83 moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context en de doelstellingen van deze richtlijn, alsmede de algemene beginselen van rechtsmisbruik en goede trouw, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden van het concrete geval. |
|
49. |
Het Unierecht erkent een algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk justitiabelen zich in geval van misbruik of bedrog niet op het Unierecht kunnen beroepen. ( 31 ) Rechtsmisbruik als algemeen beginsel van Europees verbintenissenrecht moet worden uitgelegd in het licht van het beginsel van goede trouw, dat, zoals bekend, tot doel heeft de uitoefening van rechten te beperken. Het is met andere woorden legitiem om die rechten uit te oefenen voor zover deze in overeenstemming zijn met het doel ervan en geen onevenredige schade toebrengen aan de wederpartij. Hieruit volgt dat de uitoefening van een recht nooit onbeperkt kan zijn, aangezien het een zogenoemde functionele beperking kent: eerbiediging van het doel waarvoor dit recht in de rechtsorde is ingevoerd. |
|
50. |
Voorts zij er nogmaals aan herinnerd dat deze richtlijn geen afbreuk doet „aan het nationale recht op het gebied van het verbintenissenrecht voor de verbintenissenrechtelijke aspecten die niet door deze richtlijn worden geregeld” en dat „[d]e richtlijn [...] evenmin afbreuk [mag] doen aan het nationale recht inzake de algemene contractuele rechtsmiddelen” ( 32 ). |
|
51. |
Volgens vaste rechtspraak is voor het bewijs van misbruik vereist dat er sprake is van een combinatie van twee elementen, het ene objectief en het andere subjectief. ( 33 ) Met betrekking tot het objectieve element moet blijken dat, in weerwil van de formele naleving van de door Unieregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt. Het subjectieve element kan daarentegen aanwezig worden geacht wanneer de bedoeling wordt vastgesteld om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. |
|
52. |
In mijn beoordeling zal ik met name ingaan op het objectieve element, aangezien wat betreft het subjectieve element alleen de verwijzende rechter op basis van de nationale regels inzake de bewijslast en alle hem ter beschikking staande gegevens kan nagaan of de transactie tot doel had een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen uit de toepassing van het Unierecht. ( 34 ) |
|
53. |
Wat betreft het objectieve element voor het bewijs van misbruik beoogt richtlijn 2011/83 consumenten een ruime bescherming te bieden door hun bepaalde rechten te verlenen, met name op het gebied van overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, waaronder het herroepingsrecht. ( 35 ) |
|
54. |
De richtlijn stelt namelijk een reeks verplichtingen vast voor de handelaar, met name wat betreft de informatie die aan de consument moet worden verstrekt vóór de sluiting van de overeenkomst. Het is immers de doelstelling van de Uniewetgever om te vermijden dat het gebruik van middelen voor communicatie op afstand leidt tot een vermindering van de aan de consument verstrekte informatie. ( 36 ) |
|
55. |
Gelet op het fundamentele belang van de informatie die vóór de sluiting van de overeenkomst op afstand aan de consument wordt verstrekt, heeft de herroeping – die in artikel 14 is geregeld met betrekking tot de verplichtingen van de consument – tot doel de consument in staat te stellen zijn beslissing te herroepen indien hij na de sluiting van de overeenkomst van oordeel is dat deze niet langer geschikt is voor zijn behoeften en bijgevolg de overeenkomst op te zeggen. ( 37 ) |
|
56. |
Wanneer de handelaar echter nalaat de informatie over het herroepingsrecht te verstrekken, hoeft de consument overeenkomstig artikel 14, lid 4, onder a), i), van richtlijn 2011/83 geen kosten te dragen. Bovendien bepaalt artikel 14, lid 5, dat „de consument in geen enkel opzicht aansprakelijk [kan] worden gesteld ingevolge de uitoefening van zijn herroepingsrecht”. In deze context heeft de Uniewetgever met artikel 14, leden 4 en 5, de handelaar die zijn informatieverplichtingen niet nakomt willen straffen, teneinde een hoog beschermingsniveau voor de consument te waarborgen. ( 38 ) |
|
57. |
Evenwel dient nog een opmerking te worden gemaakt met betrekking tot de doelstellingen van de richtlijn. |
|
58. |
Zoals in overweging 4 van richtlijn 2011/83 is vermeld, beoogt deze richtlijn een juist evenwicht te creëren tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven. Hetgeen in overweging 4 van richtlijn 2011/83 is vermeld, sluit mijns inziens aan bij overweging 50 van deze richtlijn, waarin staat te lezen dat de consument over een herroepingsrecht moet beschikken, ook als hij heeft verzocht om verrichting van de dienst voor het verstrijken van de herroepingstermijn, terwijl de handelaar moet kunnen rekenen op een passende betaling voor de dienst die hij heeft verricht. ( 39 ) |
|
59. |
Uitgaande van deze overweging zou het in strijd zijn met deze doelstelling om te stellen dat de consument een overeenkomst kan herroepen nadat de overeenkomst volledig is uitgevoerd en dat hij kan worden vrijgesteld van elke betalingsverplichting. Dit resultaat zou niet in verhouding staan tot de economische aanspraken van de vennootschap, met als gevolg dat de vennootschap mogelijkerwijs oneigenlijke kosten moet dragen. |
|
60. |
Dit wordt (nader) bevestigd wanneer rekening wordt gehouden met bepaalde feiten die kenmerkend zijn voor het onderhavige geval: de overeenkomst bevatte geen informatie over het herroepingsrecht; de herroeping heeft plaatsgevonden nadat het werk is uitgevoerd; de overeenkomst is opgesteld door een handelaar (architect) die volgens het dossier de consument gedurende de gehele onderhandelingsfase heeft bijgestaan. |
|
61. |
In deze context kan de bijstand die door de architect is verleend immers niet buiten beschouwing worden gelaten. Deze bijstand heeft weliswaar geen invloed op de hoedanigheid van consument, maar kan mijns inziens wel een rol spelen bij de globale beoordeling. Het is immers weinig waarschijnlijk dat de architect de verplichtingen en rechten van de consument in verband met de door hem voorbereide overeenkomst niet kende en dat hij de consument daarover niet zelf kon informeren. ( 40 ) Het staat hoe dan ook aan de verwijzende rechter om de invloed van de architect te beoordelen bij het onderzoek of er sprake is van rechtsmisbruik. |
|
62. |
Op grond van deze overwegingen ben ik het niet eens met de opmerkingen van de Commissie dat een dergelijke praktijk, gelet op het enkele feit dat de herroeping binnen de termijn van twaalf maanden heeft plaatsgevonden, geen misbruik uitmaakt. Naar mijn mening zou het kort door de bocht zijn om louter op basis van de naleving van de herroepingstermijnen te concluderen dat er geen sprake is van misbruik. |
|
63. |
Zoals ik hierboven heb uiteengezet, komt de opvatting dat de consument de in richtlijn 2011/83 bedoelde overeenkomst kan herroepen zonder kosten te dragen mijns inziens neer op een uitlegging van de doelstelling van consumentenbescherming die buiten de grenzen van dat doel treedt. Bij de uitlegging van de bepalingen van Unierecht moet juist rekening worden gehouden met de gevolgen die uit de uitoefening van het herroepingsrecht kunnen voortvloeien. |
|
64. |
In dit verband ben ik, gelet op het door de richtlijn nagestreefde juiste evenwicht tussen de bescherming van de consument en het concurrentievermogen van de ondernemingen, geneigd te denken dat de uitoefening van het herroepingsrecht moet worden beperkt zodat ook de rechten van de handelaar kunnen worden gewaarborgd. Anders wijkt de uitoefening van dit recht zonder vergoeding voor de handelaar niet alleen af van het doel van het herroepingsrecht, maar ook van het doel van richtlijn 2011/83, zoals uiteengezet in overweging 4 ervan. ( 41 ) |
|
65. |
In het bijzonder moet een evenwicht worden gezocht tussen de strikte toepassing van de bepalingen ter bescherming van de consument en dus de bescherming van zijn recht om de overeenkomst te herroepen wegens leemten in de informatieverstrekking tijdens de moeilijke precontractuele fase, en het recht van de handelaar op een vergoeding voor het verrichte werk, wanneer hij dat werk volledig heeft uitgevoerd ten gunste van de consument. Dit evenwicht zou, na verificatie door de nationale rechter, kunnen worden gevonden in de toekenning van een redelijke vergoeding. ( 42 ) |
|
66. |
Het staat echter aan de verwijzende rechter om de nodige verificaties te verrichten, en met name te beoordelen of de overeenkomst al dan niet volledig is uitgevoerd, wat de waarde is van het werk en de verrichte dienst, welke invloed de tussenkomst van de architect als consultant op de contractuele wil van de consument heeft gehad, of er sprake is van misbruik door de handelaar in de hierboven beschreven zin en, indien deze rechter tot de slotsom komt dat er sprake is van misbruik, wat een passend bedrag is voor de vergoeding die de consument aan de handelaar verschuldigd is wegens de voltooiing van het werk en de dienst. |
V. Conclusie
|
67. |
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van het Kammergericht te beantwoorden als volgt: „Artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter wat de voorwaarden voor kwalificatie als overeenkomst op afstand betreft, en indien vaststaat dat de betrokken persoon als consument kan worden aangemerkt, er ook sprake is van een overeenkomst op afstand, met mogelijke uitoefening van het herroepingsrecht, wanneer de betrokken consument vóór of bij het sluiten van de overeenkomst werd bijgestaan door een derde handelaar die hij had aangewezen. Er is sprake van een herroepbare overeenkomst op afstand in de zin van artikel 9, lid 1, van deze richtlijn, ook indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: i) het contact tussen de consument en de dienstverrichter is tot stand gekomen op initiatief van de handelaar die de consument heeft bijgestaan; ii) de handelaar die de consument heeft bijgestaan, heeft invloed uitgeoefend op wezenlijke onderdelen van de inhoud van de overeenkomst voordat deze is gesloten. Indien vaststaat dat de hoofdovereenkomst een overeenkomst op afstand is, vormt de complementaire overeenkomst ook een overeenkomst op afstand, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter wat de voorwaarden voor de kwalificatie van die overeenkomst als overeenkomst op afstand betreft, en onverminderd de nationale regels betreffende de geldigheid en de gevolgen van een complementaire overeenkomst. Artikel 14, lid 4, onder a), en lid 5, van richtlijn 2011/83 moet aldus worden uitgelegd dat de consument die na de uitvoering van de overeenkomst zijn herroepingsrecht heeft uitgeoefend, verplicht is om de handelaar een door de nationale rechter vastgestelde redelijke vergoeding te betalen voor de waarde van de reeds geleverde en niet-restitueerbare dienst, wanneer op basis van alle feitelijke omstandigheden wordt vastgesteld dat er sprake is van misbruik door deze consument.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 (PB 2015, L 326, blz. 1) en bij richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 (PB 2019, L 328, blz. 7).
( 3 ) Burgerlijk wetboek in de versie die op 2 januari 2002 is bekendgemaakt (Duits staatsblad [Bundesgesetzblatt] I blz. 42, 2909; 2003 I blz. 738), laatstelijk gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 10 augustus 2021 (Duits staatsblad I blz. 3515).
( 4 ) Volledigheidshalve, de verwijzende rechter vraagt of de overeenkomst in het onderhavige geval kan worden aangemerkt als een herroepbare overeenkomst op afstand gelet op verschillende omstandigheden. Zie punt 20 van deze conclusie.
( 5 ) Zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van richtlijn 2011/83.
( 6 ) De overeenkomst moet worden gesloten tussen een consument en een handelaar.
( 7 ) Zie artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83.
( 8 ) Zie artikel 2, punt 2, van richtlijn 2011/83.
( 9 ) Zie in die zin arresten van 5 december 2013, Vapenik (C‑508/12, EU:C:2013:790, punten 23 en 25), en 30 april 2025, St. Kliment Ohridski Primary Private School (C-429/24, EU:C:2025:301, punt 34).
( 10 ) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
( 11 ) Zie beschikking van 19 november 2015, Tarcău (C‑74/15, EU:C:2015:772, punt 27), en arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument) (C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie recentelijk arrest van 30 april 2025, St. Kliment Ohridski Primary Private School (C-429/24, EU:C:2025:301, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) Zie arrest van 3 september 2015, Costea (C‑110/14, EU:C:2015:538, punt 21). Zie naar analogie ook arrest van 10 december 2020, Personal Exchange International (C‑774/19, EU:C:2020:1015, punten 38‑40). Het begrip „handelaar” moet ook objectief en aan de hand van een globale beoordeling van het functionele criterium van geval tot geval worden beoordeeld naargelang de contractuele verhouding in het kader waarvan zijn beroepsactiviteit is ontstaan [zie arrest van 4 oktober 2018, Kamenova (C‑105/17, EU:C:2018:808, punt 37)].
( 13 ) Zie arresten van 8 mei 2025, Pielatak (C‑410/23, EU:C:2025:325, punten 41 en 42), en 9 maart 2023, Wurth Automotive (C‑177/22, EU:C:2023:185, punt 27).
( 14 ) Zie arrest van 3 september 2015, Costea (C‑110/14, EU:C:2015:538, punten 22 en 23).
( 15 ) Zie arrest van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton (C‑89/91, EU:C:1993:15, punt 18), en 5 december 2024, Guldbrev (C‑379/23, EU:C:2024:1002, punt 38).
( 16 ) In het arrest van 3 september 2015, Costea (C‑110/14, EU:C:2015:538), heeft het Hof geoordeeld dat zelfs een advocaat, „[o]ok al moet [hij] worden geacht over verregaande technische bekwaamheden te beschikken”, als consument kan worden beschouwd wanneer hij een overeenkomst sluit die buiten zijn beroepsactiviteit valt (zie de punten 26 en 27).
( 17 ) Zie punt 23 van de onderhavige conclusie wat de andere voorwaarden betreft.
( 18 ) Zie arresten van 23 januari 2019, Walbusch Walter Busch (C‑430/17, EU:C:2019:47, punten 35 en 36), en 21 december 2023, BMW Bank e.a. (gevoegde zakenC‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 169 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 19 ) Zie in dit verband de mededeling van de Commissie – Richtsnoeren met betrekking tot de uitlegging en toepassing van richtlijn 2011/83/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten (PB 2021, C 525, blz. 1). Hoofdstuk 4.1 bevat met name voorbeelden die nuttig zijn voor een beter begrip van de definitie van een overeenkomst op afstand, en met name van het begrip „georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand”. Wanneer de handelaar bijvoorbeeld bij wijze van uitzondering een overeenkomst met een consument per e-mail of per telefoon sluit, nadat hij door de consument zelf is benaderd, valt deze overeenkomst niet onder de definitie van een overeenkomst op afstand. Indien de handelaar daarentegen het gebruik van een e-mail of telefoon aanmoedigt als middel om een overeenkomst met een consument te sluiten, gaat het om een op afstand gesloten overeenkomst, met als gevolg dat richtlijn 2011/83 van toepassing is.
( 20 ) Het is echter niet mogelijk om af te leiden of de consument de mogelijkheid heeft gehad om de architect vragen te stellen over de inhoud van de overeenkomst om in voorkomend geval elke onzekerheid over de omvang van zijn contractuele verbintenis met de handelaar weg te nemen.
( 21 ) Zie arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (gevoegde zakenC‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 171). Volledigheidshalve, het ging om een geval waarin „de consument tijdens de voorbereidende fase voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met de handelaar gelijktijdig met een namens of voor rekening van de handelaar optredende tussenpersoon fysiek aanwezig was, maar de rol van die tussenpersoon ertoe beperkt was om de consument in staat te stellen informatie over het voorwerp van de overeenkomst te vergaren en eventueel de aanvraag van de consument in ontvangst te nemen en aan de handelaar door te zenden, zonder met deze consument te onderhandelen of hem de in artikel 6, van deze richtlijn bedoelde informatie te verstrekken”. Daarentegen heeft het Hof in punt 170 van dat arrest uitgesloten dat een overeenkomst als een overeenkomst op afstand kan worden gekwalificeerd wanneer de consument zich in de fase voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst bevond in de fysieke aanwezigheid van de tussenpersoon die optreedt namens of voor rekening van de handelaar en hij aan deze tussenpersoon vragen heeft kunnen stellen en hij de informatie bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2011/83 heeft ontvangen.
( 22 ) Zie punt 23 van de onderhavige conclusie wat de vier voorwaarden voor het bestaan van een „overeenkomst op afstand” betreft.
( 23 ) Volledigheidshalve merk ik op dat ik van mening ben dat de overeenkomst in de onderhavige zaak complementair en niet „aanvullend” is in de zin van artikel 2, punt 15, van richtlijn 2011/83, aangezien er volgens de gegevens van het dossier geen sprake is van een afspraak die tussen de architect en Eisenberger tot stand is gekomen bij het complementeren van de oorspronkelijke overeenkomst. Volgens dit artikel is een „aanvullende overeenkomst” immers „een overeenkomst waarbij een consument goederen of diensten verwerft in verband met een overeenkomst op afstand of een buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst, en deze goederen of diensten door de handelaar worden geleverd of door een derde partij op basis van een afspraak tussen die derde partij en de handelaar”. Ik merk op dat Eisenberger de hoofdovereenkomst heeft aangepast aan de specifieke eisen die voortvloeien uit de levering van het goed of de dienst waarop de overeenkomst betrekking heeft, door het voorwerp van de overeenkomst te complementeren, zodat deze overeenkomst een complementair karakter heeft en niet „aanvullend” is.
( 24 ) Overweging 14 luidt: „Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het nationale recht op het gebied van het verbintenissenrecht voor de verbintenissenrechtelijke aspecten die niet door deze richtlijn worden geregeld. Deze richtlijn dient derhalve het nationale recht inzake bijvoorbeeld het sluiten of de geldigheid van een overeenkomst, zoals in het geval van het ontbreken van overeenstemming, onverlet te laten. De richtlijn mag evenmin afbreuk doen aan het nationale recht inzake de algemene contractuele rechtsmiddelen, de regels inzake de openbare economische orde, bijvoorbeeld regels betreffende buitensporige prijzen of woekerprijzen, en de regels betreffende onethische rechtshandelingen.”
( 25 ) Artikel 3, lid 5, bepaalt: „Voor zover algemene aspecten van het verbintenissenrecht niet bij deze richtlijn worden geregeld, laat deze richtlijn de algemene bepalingen van het nationale verbintenissenrecht, zoals over de geldigheid, het ontstaan of de gevolgen van overeenkomsten, onverlet.”
( 26 ) Arrest van 17 mei 2023, DC (Herroeping na uitvoering van de overeenkomst) (C‑97/22, EU:C:2023:413, punt 32).
( 27 ) Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).
( 28 ) Arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (gevoegde zakenC‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 292).
( 29 ) Arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (gevoegde zakenC‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 279).
( 30 ) Zie artikel 10, lid 1, van richtlijn 2011/83.
( 31 ) Zie met name arrest van 12 mei 1998, Kefalas e.a. (C‑367/96, EU:C:1998:222, punt 20). Voorts mag „de [Unie]regeling [...] niet zo ruim worden toegepast, dat zij misbruiken [...] zou dekken, [...] uitsluitend met het doel om de door het [Unie]recht toegekende voordelen onverschuldigd te verkrijgen”, zie arrest van 21 februari 2006, Halifax e.a. (C‑255/02, EU:C:2006:121, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 32 ) Zie overweging 14 en artikel 3, lid 5, van richtlijn 2011/83, alsmede punt 39 van deze conclusie.
( 33 ) Zie arresten van 14 december 2000, Emsland-Stärke (C‑110/99, EU:C:2000:695, punten 52 en 53), en 13 maart 2014, SICES e.a. (C-155/13, EU:C:2014:145, punt 31).
( 34 ) Zie in die zin arresten van 14 december 2000, Emsland-Stärke (C‑110/99, EU:C:2000:695, punt 58), en 21 februari 2006, Halifax e.a. (C‑255/02, EU:C:2006:121, punt 81).
( 35 ) Zie arrest van 23 januari 2019, Walbusch Walter Busch (C‑430/17, EU:C:2019:47, punten 33 en 35).
( 36 ) Ibidem.
( 37 ) Zie naar analogie arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a. (gevoegde zakenC‑33/20, C‑155/20 en C‑187/20, EU:C:2021:736, punt 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 38 ) Zie naar analogie arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a. (gevoegde zakenC‑33/20, C‑155/20 en C‑187/20, EU:C:2021:736, punt 124).
( 39 ) Naar analogie bepaalt overweging 47 van richtlijn 2011/83 in het geval van een overeenkomst betreffende goederen dat „[s]ommige consumenten [gebruikmaken] van hun herroepingsrecht nadat zij de goederen meer dan noodzakelijk gebruikt hebben om de aard, de kenmerken en de werking ervan vast te stellen. In dat geval dient de consument zijn herroepingsrecht niet te verliezen, maar aansprakelijk te zijn voor het waardeverlies van de goederen. [...]”
( 40 ) Zie met betrekking tot de informatieasymmetrie tussen architecten en consumenten arrest van 4 juli 2019, Commissie/Duitsland (C‑377/17, EU:C:2019:562, punt 77).
( 41 ) Zie in die zin arrest van 3 september 2009, Messner (C‑489/07, EU:C:2009:502), waarin het Hof heeft geoordeeld dat „artikel 6, lid 1, tweede zin, en lid 2, van richtlijn 97/7 [...] zich er [...] niet tegen [verzetten] dat de consument wordt verplicht tot het betalen van een compenserende vergoeding voor het gebruik van dit goed, wanneer dit gebruik heeft plaatsgevonden op een wijze die onverenigbaar is met de beginselen van burgerlijk recht, zoals dat van de goede trouw of van ongerechtvaardigde verrijking, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van deze richtlijn en, met name, aan de doeltreffendheid en effectiviteit van het herroepingsrecht, hetgeen de nationale rechter dient vast te stellen” (punt 29).
( 42 ) Zo blijkt uit de conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de zaak YYY (Begrip consument) (C‑570/21, EU:C:2022:1002) dat „de bronnen van het Unierecht en de rechtspraak van het Hof zich ontwikkelen in de richting van een grotere consumentenbescherming, die evenwel steeds moet worden afgewogen tegen andere vrijheden en uiteindelijk de efficiënte werking van de interne markt, waarbij het begrip voldoende ruimte voor flexibiliteit laat om alle situaties waarin objectief gezien behoefte aan bescherming bestaat, daarin op te nemen” (punt 43).