Voorstel voor een Verordening van de Raad betreffende het beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten /* COM/2003/0175 def. - CNS 2003/0062 */
Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende het beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten (door de Commissie ingediend) TOELICHTING Bij de vaststelling van de nieuwe regeling voor het beheer van de capaciteit van de vloot van de Gemeenschap in december 2002 hebben de Raad en de Commissie verklaard dat de vissersvloten van de ultraperifere gebieden (UPG) [1] een bijzondere behandeling verdienden [2]. Deze bijzondere behandeling, die gunstiger is dan die welke geldt voor de vloten van het Europees vasteland, is gerechtvaardigd wegens de structurele, sociale en economische situatie van de UPG. [1] Als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag. [2] Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de Commissie nrs. 180/02 en 181/02 die aan de notulen van de Visserijraad van 16/20 december 2002 zijn gehecht. Deze bijzondere behandeling zou erin bestaan een redelijke ontwikkeling van de vloten van de UPG met overheidssteun in het kader van de Structuurfondsen (FIOV) toe te staan, voorzover de toestand van de visbestanden daartoe de mogelijkheid biedt. Daartoe moet worden afgeweken van de bepalingen van artikel 13, betreffende de regeling inzake de toevoeging of onttrekking van vaartuigen aan de vloot, van Verordening (EEG) nr. 2371/2002 van de Raad [3] en van artikel 9, lid 1, onder c), betreffende steun voor de modernisering van de vloot van Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad [4], zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2369/2002 van de Raad [5]. [3] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. [4] PB L 337 van 31.12.1999, blz. 10. [5] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 49. In overeenstemming met deze afwijking voorziet het voorstel van de Commissie in: - de vaststelling van referentieniveaus per vlootsegment van de UPG, die overeenkomen met de doelstellingen van de meerjarige oriëntatieprogramma's IV (MOP's IV) en de reële vangstmogelijkheden, met name wanneer er geen doelstellingen bepaald zijn (Canarische Eilanden), - de mogelijkheid om, met overheidssteun voor de bouw en de modernisering van de vloot, de ontwikkeling van de vloot toe te staan tot maximaal het aldus bepaalde referentieniveau voor de capaciteit van elk segment, met dien verstande dat zodra het referentieniveau wordt bereikt, de algemene bepalingen van het Gemeenschapsrecht ook voor deze vloten zullen gelden, - vaststelling van de geldigheidsduur van deze afwijking op uiterlijk 31 december 2006 voor de laatste betalingen van steun, tegenover eind 2004 voor de algemene steunregeling betreffende de vernieuwing van de vloot, - een verbod op het overbrengen van vaartuigen van of naar het Europese vasteland, in afwijking van de bepalingen die gelden voor de vloot van het vasteland, - een overeenkomstige aanpassing van de instrumenten voor het beheer van en de controle op de vloot, - eventueel, vaststelling van een verordening van de Commisie met uitvoeringsbepalingen voor deze maatregel. 2003/0062 (CNS) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende het beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 37, Gezien het voorstel van de Commissie [6], [6] PB C [...] van [...], blz. [...]. Gezien het advies van het Europees Parlement [7], [7] PB C [...] van [...], blz. [...]. Overwegende hetgeen volgt: (1) Bij Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid [8], en inzonderheid in hoofdstuk III, is een communautaire regeling vastgesteld om de capaciteit van de vissersvloten, lidstaat per lidstaat, op een peil te brengen dat in het geheel genomen met de vangstmogelijkheden overeenkomt. [8] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. (2) Bij Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 [9] zijn de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de visserijsector vastgesteld, met name in artikel 9, lid 1, onder c), voor wat betreft de modernisering van visservaartuigen met overheidssteun. [9] PB L 337 van 31.12.1999, blz. 10, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2369/2002 (PB L 358 van 31.12.2002, blz. 49). (3) Het is gerechtvaardigd met de bijzondere structurele, sociale en economische situatie in de ultraperifere gebieden van de Gemeenschap rekening te houden bij het beheer van de vissersvloten, gezien het belang van de visserijsector voor de betrokken gebieden. Daartoe dienen de bepalingen van de regeling voor toevoeging/onttrekking aan de vloot en de verplichte capaciteitsvermindering als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002, alsmede de voorwaarden voor de toegang tot overheidssteun voor de modernisering van vissersvaartuigen, te worden aangepast. (4) Het is ook noodzakelijk een eventuele verhoging van de capaciteit van de in havens van de ultraperifere gebieden geregistreerde vloten te beperken tot een door de lokale vangstmogelijkheden gerechtvaardigd niveau en ervoor te zorgen dat de omvang van de vloten in verhouding staat tot de vangstmogelijkheden. Daartoe moeten de doelstellingen van de meerjarige oriëntatieprogramma's IV (MOP's IV), die zijn vastgesteld in de bijlage bij Beschikking 2002/652/EG [10] van de Commissie van 29 juli 2002 houdende wijziging van de Beschikkingen 98/119/EG tot en met 98/131/EG om de meerjarige oriëntatieprogramma's voor de vissersvloten van de lidstaten te verlengen tot en met 31 december 2002, worden beschouwd als referentieniveaus of als maxima voor de uitbreiding van de in de Franse overzeese departementen, de Azoren en Madeira geregistreerde vloten. [10] PB L 215 van 18.08.2002, blz. 23. (5) Er moeten specifieke referentieniveaus worden vastgesteld voor op de Canarische Eilanden geregistreerde vlootsegmenten waarvoor geen specifieke doelstellingen golden in het kader van MOP IV. Voor de vaststelling van deze referentieniveaus moet rekening worden gehouden met de capaciteit van de lokale vloot en met de vangstmogelijkheden in de wateren rond de archipel. (6) Er moet worden voorkomen dat in ultraperifere gebieden geregistreerde vaartuigen worden overgebracht naar het Europees vasteland en daar voor de visserij worden gebruikt nadat ze inzake de toekenning van overheidssteun en/of de voorwaarden voor toevoeging aan de vloot een gunstiger behandeling hebben gekregen. (7) Het is gerechtvaardigd om, zodra de in deze verordening bepaalde referentieniveaus zijn bereikt en in elk geval met ingang van 1 januari 2007 ten aanzien van de in de ultraperifere gebieden geregistreerde vloten dezelfde regels inzake het beheer van de vlootcapaciteit en inzake overheidssteun toe te passen als die welke gelden voor vaartuigen die in de rest van de Gemeenschap zijn geregistreerd. (8) De lidstaten moeten de gegevens over de in de ultraperifere gebieden geregistreerde vaartuigen verzamelen en beheren om de tenuitvoerlegging van deze verordening te vergemakkelijken. Deze informatie moet worden meegedeeld aan de Commissie, die er verslag over uitbrengt om volledige transparantie van de tenuitvoergelegde maatregelen te garanderen. (9) Daar de nieuwe algemene regelingen voor het beheer van de vlootcapaciteit en de overheidssteun onlangs zijn vastgesteld bij de Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 2792/1999 en vanaf 1 januari 2003 gelden, is het dienstig de specifieke regelingen voor de ultraperifere gebieden ook op die datum te laten ingaan. (10) De voor de tenuitvoerlegging van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [11], [11] PB L 184 van 17.07.1999, blz. 23. HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Specifieke referentieniveaus voor de vloten van de ultraperifere gebieden 1. Voor de vlootsegmenten die zijn registreerd in de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag, zijn de volgende specifieke referentieniveaus voor de visserijcapaciteit van toepassing: (a) voor de Franse overzeese departementen, de Azoren en Madeira: het totaal van de respectieve doelstellingen van het meerjarig oriëntatieprogramma IV (MOP IV), uitgedrukt in kW en GT per ultraperifeer gebied aan het einde van 2002; (b) voor de Canarische Eilanden: de referentieniveaus, gebaseerd op de capaciteit in kW en GT van de relevante segmenten voor vaartuigen die per 1 januari 2003 geregistreerd waren in havens van de Canarische Eilanden, eventueel verhoogd naar gelang van de vangstmogelijkheden voor de betrokken segmenten. De verhogingen kunnen gaan tot het niveau van de doelstellingen die zouden hebben gegolden indien de MOP IV-procedures waren toegepast voor de betrokken segmenten en dienen naar behoren gestaafd te zijn met de meest recente wetenschappelijke adviezen die zijn gevalideerd door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij dat is ingesteld bij artikel 33 van Verordening (EG) nr. 2371/2002. 2. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bedoelde procedure. Artikel 2 Vernieuwing en modernisering van de vloten in de ultraperifere gebieden Voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde vlootsegmenten geldt het volgende: 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002, (a) mag nieuwe capaciteit, als dan niet met overheidssteun, aan de vloot worden toegevoegd tot maximaal de in artikel 1 bedoelde referentieniveaus, (b) geldt de verplichting om de totale capaciteit van de vloot te verlagen met 3% ten opzichte van de referentieniveaus, niet in de ultraperifere gebieden; 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 9, lid 1, onder c), i), van Verordening (EG) nr. 2792/1999 mag overheidssteun worden verleend voor modernisering van de vloot die betrekking heeft op capaciteit, uitgedrukt in tonnage en/of motorvermogen. 3. De in de punten 1 en 2 vastgestelde afwijkingen vervallen zodra de referentieniveaus zijn bereikt, en in elk geval uiterlijk op 31 december 2006. Artikel 3 Overbrenging van vaartuigen naar het vasteland Wanneer een vaartuig van een ultraperifeer gebied naar het vasteland wordt overgebracht, zien de lidstaten erop toe dat het vaartuig uit het register van het betrokken ultraperifere gebied wordt geschrapt en dat een toevoeging aan de vloot van het vasteland wordt aangegeven. Artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 is van toepassing Een dergelijke overbrenging wordt beschouwd als een schrapping uit het communautaire gegevensbestand van vissersvaartuigen krachtens artikel 10, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2792/1999. Artikel 4 Beheer van de in de ultraperifere gebieden geregistreerde capaciteiten 1. De lidstaten beheren de in de ultraperifere gebieden geregistreerde vloten teneinde aan de bepalingen van deze verordening te voldoen. 2. De lidstaten stellen de informatie over hun vaartuigen die in de ultraperifere gebieden zijn geregistreerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad ter beschikking van de Commissie. 3. Bepalingen voor de tenuitvoerlegging van dit artikel zullen worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bepaalde procedure. Artikel 5 Comité 1. De Commissie zal worden bijgestaan door het Comité voor de Visserij en de Aquacultuur (hierna "het Comité" genoemd). 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing. De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde periode bedraagt [20 werkdagen]. 3. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast. Artikel 6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2003. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, op [...] Voor de Raad De voorzitter