<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><JUDGMENT xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.00-20081231.xd"><BIB.JUDGMENT><REF.CASE FILE="ECRT12004NLA.1100380701.case.xml"><NO.CASE>T-164/02</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62002A0164</NO.CELEX><NO.SEQ>0002.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>3809</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>3820</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>12</PAGE.TOTAL><AUTHOR>T</AUTHOR></BIB.JUDGMENT><CURR.TITLE><LEFT>ARREST VAN <DATE ISO="20041110">10.11.2004</DATE> — ZAAK T-164/02</LEFT><RIGHT>KÁUL / ISI UM — BAYER (ARCOI.)</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Arrest van het Gerecht</HT> (Vierde kamer)</P><P><DATE ISO="20041110">10 november 2004</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING="STAR"><P>Procestaai: Duits.</P></NOTE></P></TI></TITLE><JUDGMENT.INIT><P>In zaak T-164/02,</P></JUDGMENT.INIT><PARTIES><PLAINTIFS><P><HT TYPE="BOLD">Kaul GmbH,</HT> gevestigd te Elmshorn (Duitsland), vertegenwoordigd door G. Würtenberger en R. Kunze, advocaten,</P><PARTY.STATUS>verzoekster,</PARTY.STATUS></PLAINTIFS><AGAINST>tegen</AGAINST><DEFENDANTS><P><HT TYPE="BOLD">Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM),</HT> vertegenwoordigd door A. von Mühlendahl en G. Schneider als gemachtigden,</P><PARTY.STATUS>verweerder,</PARTY.STATUS></DEFENDANTS><AGAINST>andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM:</AGAINST><DEFENDANTS><P><HT TYPE="BOLD">Bayer AG</HT>, gevestigd te Leverkusen (Duitsland),</P></DEFENDANTS></PARTIES><?PAGE NO="II-3810"?><P>betreffende een beroep tegen de beslissing van de derde kamer van beroep van het BHIM van <DATE ISO="20020304">4 maart 2002</DATE> (zaak R 782/2000-3) inzake een oppositieprocedure tussen Kaul GmbH en Bayer AG,</P><P>wijst</P><PREAMBLE><PREAMBLE.INIT><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),</P><P>samengesteld als volgt: H. Legal, kamerpresident, M. Vilaras en I. Wiszniewska-Białecka, rechters,</P><P>griffier: D. Christensen, administrateur,</P></PREAMBLE.INIT><GR.VISA><VISA>gezien de stukken en na de terechtzitting op <DATE ISO="20040630">30 juni 2004</DATE>,</VISA></GR.VISA><PREAMBLE.FINAL><P>het navolgende</P></PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE><CONTENTS.JUDGMENT><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Arrest</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De feiten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>1</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19960403">3 april 1996</DATE> heeft de vennootschap Atlantic Richfield (Atlantic Richfield Co.) krachtens verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van <DATE ISO="19931220">20 december 1993</DATE> inzake het gemeenschapsmerk (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="011" DATE.PUB="1994" PAGE.FIRST="1">PB 1994, L 11, blz. 1</REF.DOC.OJ>), zoals gewijzigd, bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) een gemeenschapsmerkaanvraag ingediend.</TXT></NP><?PAGE NO="II-3811"?><NP><NO.P>2</NO.P><TXT>Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, is het woordteken ARCOL.</TXT></NP><NP><NO.P>3</NO.P><TXT>De inschrijving van het merk is aangevraagd voor waren van de klassen 1, 17 en 20 in de zin van de Overeenkomst van Nice van <DATE ISO="19570615">15 juni 1957</DATE> betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Tot de waren van klasse 1 behoren de <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>chemische producten voor het conserveren van voedingsmiddelen<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>4</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19980720">20 juli 1998</DATE> is de merkaanvraag gepubliceerd in het <HT TYPE="ITALIC">Blad van gemeenschapsmerken.</HT></TXT></NP><NP><NO.P>5</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19981020">20 oktober 1998</DATE> heeft verzoekster krachtens artikel 42, lid 1, van verordening nr. 40/94 oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor de <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>chemische producten voor het conserveren van voedingsmiddelen<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/> van klasse 1. De oppositie was gebaseerd op het bestaan van een ouder gemeenschapsmerk dat op <DATE ISO="19980224">24 februari 1998</DATE> was ingeschreven onder nummer 49106. Dit merk bestaat uit het woordteken CAPOL en betreft waren van klasse 1, namelijk <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>chemische producten voor het conserveren van levensmiddelen, te weten grondstoffen voor het glaceren en conserveren van afgewerkte levensmiddelen, met name snoepgoed<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>. Ter ondersteuning van de oppositie heeft verzoekster de in artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 bedoelde weigeringsgrond aangevoerd.</TXT></NP><NP><NO.P>6</NO.P><TXT>Bij beslissing van <DATE ISO="20000630">30 juni 2000</DATE> heeft de oppositieafdeling de oppositie afgewezen op grond dat elk gevaar van verwarring van de betrokken tekens kan worden uitgesloten wegens de visuele en auditieve verschillen van die tekens, ook al gaat het om dezelfde waren.</TXT></NP><NP><NO.P>7</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20000724">24 juli 2000</DATE> heeft verzoekster overeenkomstig artikel 59 van verordening nr. 40/94 beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling.</TXT></NP><?PAGE NO="II-3812"?><NP><NO.P>8</NO.P><TXT>Bij brief van <DATE ISO="20000717">17 juli 2000</DATE>, ontvangen op <DATE ISO="20000724">24 juli 2000</DATE>, is het BHIM door de vennootschap Bayer (Bayer AG) op de hoogte gebracht van de overgang, op deze laatste, van de door Atlantic Richfield Co. ingediende aanvraag tot inschrijving van het merk ARCOL. De overgang is op <DATE ISO="20001117">17 november 2000</DATE> in het register van gemeenschapsmerken ingeschreven overeenkomstig artikel 17, lid 5, en artikel 24 van verordening nr. 40/94.</TXT></NP><NP><NO.P>9</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20001030">30 oktober 2000</DATE> heeft verzoekster bij het BHIM een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep zoals bedoeld in artikel 59 van verordening nr. 40/94 ingediend.</TXT></NP><NP><NO.P>10</NO.P><TXT>Bij beslissing van <DATE ISO="20020304">4 maart 2002</DATE>, die op <DATE ISO="20020325">25 maart 2002</DATE> officieel ter kennis van verzoekster is gebracht (hierna: <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>bestreden beslissing<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/>), heeft de derde kamer van beroep van het BHIM het beroep verworpen. De kamer van beroep heeft, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat geen rekening kan worden gehouden met het argument dat het oudere merk een groot onderscheidend vermogen heeft ten gevolge van de algemene bekendheid ervan, aangezien verzoekster dat feit pas in de fase van het beroep heeft aangevoerd. De kamer van beroep heeft bovendien opgemerkt dat verzoekster in werkelijkheid niet zozeer een nieuw argument heeft aangevoerd dan wel haar oppositie op een nieuwe rechtsgrondslag heeft gebaseerd, namelijk op artikel 8, lid 2, sub c, van verordening nr. 40/94, betreffende de algemeen bekende merken. Voorts heeft de kamer van beroep geoordeeld dat, hoewel het om dezelfde waren gaat, er geen gevaar van verwarring van de betrokken woordtekens bestaat, gelet op de grote onderlinge verschillen op visueel en fonetisch vlak, op de hoge specialisatie van de markt van de betrokken waren en op de vermoedelijke deskundigheid van de typische consument van deze waren.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Het procesverloop en de conclusies van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>11</NO.P><TXT>Bij op <DATE ISO="20020524">24 mei 2002</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. Op <DATE ISO="20021016">16 oktober 2002</DATE> heeft het BHIM zijn memorie van antwoord ter griffie van het Gerecht ingediend.</TXT></NP><?PAGE NO="II-3813"?><NP><NO.P>12</NO.P><TXT>Bij op <DATE ISO="20021107">7 november 2002</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft verzoekster overeenkomstig artikel 135, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om toelating tot indiening van een memorie van repliek.</TXT></NP><NP><NO.P>13</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20021120">20 november 2002</DATE> heeft het Gerecht (Vierde kamer) beslist dat een tweede memoriewisseling niet nodig is, daar verzoekster tijdens de mondelinge behandeling haar middelen en argumenten kan ontwikkelen en op de memorie van antwoord van het BHIM kan repliceren.</TXT></NP><NP><NO.P>14</NO.P><TXT>Op rapport van de rechterrapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.</TXT></NP><NP><NO.P>15</NO.P><TXT>Partijen hebben ter openbare terechtzitting van <DATE ISO="20040630">30 juni 2004</DATE> pleidooi gehouden en op de vragen van het Gerecht geantwoord.</TXT></NP><NP><NO.P>16</NO.P><TXT>Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>de bestreden beslissing te vernietigen;</P></ITEM><ITEM><P>het BHIM te verwijzen in de kosten.</P></ITEM></LIST></P></NP><?PAGE NO="II-3814"?><NP><NO.P>17</NO.P><TXT>Het BHIM concludeert dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het beroep te verwerpen;</P></ITEM><ITEM><P>verzoekster te verwijzen in de kosten.</P></ITEM></LIST></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>In rechte</P></TI></TITLE><NP><NO.P>18</NO.P><TXT>Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster in wezen vier middelen aan: ten eerste, niet-nakoming van de verplichting om de door verzoekster aan de kamer van beroep overlegde gegevens te onderzoeken; ten tweede, schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94; ten derde, schending van de in de lidstaten aanvaarde beginselen van procesrecht en van de voor het BHIM toepasselijke procedureregels en, ten vierde, niet-nakoming van de motiveringsplicht.</TXT></NP><NP><NO.P>19</NO.P><TXT>Allereerst dient het eerste middel te worden onderzocht.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Argumenten van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>20</NO.P><TXT>Volgens verzoekster vloeit het oordeel van de kamer van beroep dat zij na afloop van de oppositieprocedure geen nieuwe feiten meer in aanmerking kan nemen, voort uit een onjuiste opvatting van de functie van de kamers van beroep. De procedure voor de kamer van beroep moet immers worden beschouwd als een tweede aanleg over de grond van de zaak, in het kader waarvan de partijen nieuwe feiten kunnen<?PAGE NO="II-3815"?> aanvoeren. De kamer van beroep heeft in casu dus ten onrechte geweigerd om bij de beoordeling van het verwarringsgevaar rekening te houden met de gegevens die verzoekster in haar schriftelijke uiteenzetting van <DATE ISO="20001030">30 oktober 2000</DATE> heeft verstrekt omtrent het grote onderscheidend vermogen van het oudere merk CAPOL, namelijk een schriftelijke verklaring op erewoord van de algemeen directeur van verzoekster samen met de lijst van haar klanten. Het BHIM heeft daardoor inbreuk gemaakt op verzoeksters recht om te worden gehoord.</TXT></NP><NP><NO.P>21</NO.P><TXT>Anders dan het BHIM stelt, is artikel 8, lid 2, sub c, van verordening nr. 40/94 geenszins in de plaats gesteld van artikel 8, lid 1, sub b, van dezelfde verordening als rechtsgrondslag van de oppositie. De documenten die bij de schriftelijke uiteenzetting van <DATE ISO="20001030">30 oktober 2000</DATE> zijn overgelegd, beogen geen nieuwe feiten aan te dragen, doch argumenten te vervolledigen die al tijdens de oppositieprocedure zijn aangevoerd.</TXT></NP><NP><NO.P>22</NO.P><TXT>Het BHIM antwoordt dat verzoeksters standpunt is gebaseerd op een onjuiste uitlegging van het bij verordening nr. 40/94 ingevoerde systeem van rechtsbescherming, zoals dat in <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>vaste rechtspraak<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/> van de kamers van beroep wordt toegepast. De functionele continuïteit tussen de kamers van beroep en de oppositieafdeling heeft tot gevolg dat het niet volstaat, beroep in te stellen, om te ontsnappen aan de gevolgen van de niet-inachtneming van de door de oppositieafdeling gestelde termijnen. Op enkele uitzonderingen na, weigeren de kamers van beroep altijd rekening te houden met een nieuwe uiteenzetting van de feiten wanneer die uiteenzetting na afloop van deze termijnen wordt gedaan.</TXT></NP><NP><NO.P>23</NO.P><TXT>Verzoekster heeft echter voor de kamer van beroep voor het eerst aangevoerd dat zij marktleider is op het gebied van chemische producten voor het conserveren van voedingsmiddelen en dat het merk CAPOL bij het relevante publiek algemeen bekend is. Het gaat hier om nieuwe feiten en zelfs om een wijziging van de rechtsgrondslag van verzoeksters oppositie, die thans gebaseerd is op artikel 8, lid 2, sub c, van verordening nr. 40/94, aangezien verzoekster de uitdrukking <QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>algemeen bekend<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/> gebruikt.</TXT></NP><?PAGE NO="II-3816"?><NP><NO.P>24</NO.P><TXT>Bovendien kan uit verzoeksters marktpositie en uit het daarmee samenhangende grotere onderscheidend vermogen van haar merk niet worden geconcludeerd dat er gevaar van verwarring bestaat.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Beoordeling door het Gerecht</P></TI></TITLE><NP><NO.P>25</NO.P><TXT>Om te beginnen zij opgemerkt dat de door verzoekster voor de kamer van beroep overgelegde gegevens bestaan uit een schriftelijke verklaring op erewoord van de algemeen directeur van verzoekster en uit de lijst van haar klanten.</TXT></NP><NP><NO.P>26</NO.P><TXT>Verzoekster heeft deze documenten, betreffende de intensiteit van het gebruik van haar merk, overgelegd tot staving van het betoog dat zij al voor de oppositieafdeling had gevoerd — en dat toen alleen was gebaseerd op de overweging dat haar merk niet beschrijvend is — namelijk dat dit merk in hoge mate onderscheidend vermogen heeft en bijgevolg in hoge mate dient te worden beschermd.</TXT></NP><NP><NO.P>27</NO.P><TXT>De kamer van beroep, in de punten 10 tot en met 12 van de bestreden beslissing, en vervolgens het BHIM, in punt 30 van zijn memorie van antwoord, zijn van oordeel dat geen rekening kan worden gehouden met deze nieuwe uiteenzetting van de feiten, aangezien deze is gedaan na afloop van de door de oppositieafdeling gestelde termijnen.</TXT></NP><NP><NO.P>28</NO.P><TXT>Vaststaat echter dat dit standpunt niet verenigbaar is met de functionele continuïteit tussen de instanties van het BHIM, die door het Gerecht is aangenomen zowel met betrekking tot de procedure ex parte [arrest Gerecht van <DATE ISO="19990708">8 juli 1999</DATE>, Procter &amp; Gamble/BHIM (BABYDRY), <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-163/98" YEAR="1999" PAGE.ECR="II-2383">T-163/98, Jurispr. blz. II-2383, punten 38-44</REF.DOC.ECR>, op dat punt niet vernietigd bij arrest Hof van <DATE ISO="20010920">20 september 2001</DATE>, Procter &amp; Gamble/BHIM<?PAGE NO="II-3817"?> (BABYDRY), <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-383/99 P" YEAR="2001" PAGE.ECR="I-251">C-383/99 P, Jurispr. blz. I-251</REF.DOC.ECR>, en arrest Gerecht van <DATE ISO="20021212">12 december 2002</DATE>, Procter &amp; Gamble /BHIM (Vorm van een stuk zeep), <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-63/01" YEAR="2002" PAGE.ECR="II-5255">T-63/01, Jurispr. blz. II-5255, punt 21</REF.DOC.ECR>] als met betrekking tot de procedure inter partes [arrest Gerecht van <DATE ISO="20030923">23 september 2003</DATE>, Henkel/BHIM - LHS (UK) (KLEENCARE), <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-308/01" YEAR="2003">T-308/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 24-32</REF.DOC.ECR>].</TXT></NP><NP><NO.P>29</NO.P><TXT>Er is immers geoordeeld dat uit de functionele continuïteit tussen de instanties van het BHIM voortvloeit dat, binnen de grenzen van artikel 74, lid 1, in fine, van verordening nr. 40/94, de kamer van beroep haar beslissing moet baseren op alle gegevens, feitelijk en rechtens, die de betrokken partij in de procedure voor de instantie die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan, of, onder voorbehoud van het in lid 2 van dit artikel bepaalde, in de beroepsprocedure heeft aangedragen (arrest KLEENCARE, reeds aangehaald, punt 32). Anders dan het BHIM met betrekking tot de procedure inter partes stelt, heeft de functionele continuïteit tussen de verschillende instanties van het BHIM dus niet tot gevolg dat een partij die bepaalde gegevens, feitelijk of rechtens, niet binnen de termijnen gesteld door de instantie die in eerste aanleg uitspraak doet, voor deze instantie heeft aangedragen, zich volgens artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94 voor de kamer van beroep niet op deze gegevens kan beroepen. De functionele continuïteit heeft daarentegen wel tot gevolg dat een dergelijke partij zich voor de kamer van beroep op deze gegevens kan beroepen, mits voor deze instantie het bepaalde in artikel 74, lid 2, van deze verordening in acht wordt genomen.</TXT></NP><NP><NO.P>30</NO.P><TXT>Aangezien de omstreden feitelijke gegevens tijdig, in de zin van artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94, zijn aangevoerd, namelijk als bijlage bij de op <DATE ISO="20001030">30 oktober 2000</DATE> door verzoekster bij de kamer van beroep ingediende schriftelijke uiteenzetting — dit is binnen de in artikel 59 van verordening nr. 40/94 gestelde termijn van vier maanden — mocht de kamer van beroep in casu derhalve niet weigeren, met deze gegevens rekening te houden.</TXT></NP><NP><NO.P>31</NO.P><TXT>Bovendien heeft de kamer van beroep, die de door de merkaanvraagster in haar memorie van <DATE ISO="20001227">27 december 2000</DATE> verwoorde stelling dat verzoekster in werkelijkheid probeert te bewijzen dat haar merk een bekend of algemeen bekend merk is,<?PAGE NO="II-3818"?> overneemt, in punt 13 van de bestreden beslissing subsidiair gesteld dat verzoekster artikel 8, lid 2, sub c, van verordening nr. 40/94 in de plaats heeft gesteld van artikel 8, lid 1, sub b, van deze verordening als rechtsgrondslag van haar oppositie.</TXT></NP><NP><NO.P>32</NO.P><TXT>Het Gerecht is van oordeel dat dit subsidiaire argument niet kan slagen.</TXT></NP><NP><NO.P>33</NO.P><TXT>Verzoekster heeft immers in geen enkele fase van de procedure gesteld dat haar oppositie op een andere bepaling is gegrond dan artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94. Integendeel, reeds in de procedure voor de oppositieafdeling en vervolgens in die voor de kamer van beroep heeft verzoekster zich beroepen op de hoge mate van onderscheidend vermogen van haar merk en op de rechtspraak van het Hof betreffende de relevantie van dit element voor de beoordeling van het verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94.</TXT></NP><NP><NO.P>34</NO.P><TXT>Uit het voorgaande volgt dat de kamer van beroep in strijd met artikel 74 van verordening nr. 40/94 heeft geweigerd de feitelijke gegevens te onderzoeken die verzoekster in de schriftelijke uiteenzetting van <DATE ISO="20001030">30 oktober 2000</DATE> heeft aangevoerd ten bewijze dat het oudere merk een hoge mate van onderscheidend vermogen heeft als gevolg van het door verzoekster geclaimde gebruik van dat merk op de markt.</TXT></NP><NP><NO.P>35</NO.P><TXT>Aangezien het verwarringsgevaar des te groter is naarmate het oudere merk een groter onderscheidend vermogen heeft, krijgen merken met ofwel een groter intrinsiek onderscheidend vermogen, ofwel een groter onderscheidend vermogen wegens hun bekendheid op de markt, volgens de rechtspraak een ruimere bescherming dan merken met een kleiner onderscheidend vermogen. Ondanks<?PAGE NO="II-3819"?> een geringe mate van overeenstemming tussen de merken kan er dus verwarringsgevaar zijn wanneer de betrokken waren of diensten in hoge mate gelijksoortig zijn en het oudere merk een groter onderscheidend vermogen heeft (zie arrest Hof van <DATE ISO="19990622">22 juni 1999</DATE>, Lloyd Schuhfabrik Meyer, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-342/97" YEAR="1999" PAGE.ECR="I-3819">C-342/97, Juiïspr. blz. I-3819, punten 20 en 21</REF.DOC.ECR>, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP><NP><NO.P>36</NO.P><TXT>Aangezien de kamer van beroep in casu heeft vastgesteld dat de waren waarop de conflicterende tekens betrekking hebben, dezelfde zijn en dat deze tekens in een aantal opzichten overeenstemmen, kon zij zich niet — zoals zij heeft gedaan - over het bestaan van verwarringsgevaar uitspreken zonder alle relevante beoordelingselementen in aanmerking te nemen, waaronder de gegevens die verzoekster heeft overgelegd ten bewijze van de hoge mate van onderscheidend vermogen van het oudere merk.</TXT></NP><NP><NO.P>37</NO.P><TXT>Derhalve is de kamer van beroep, door de door verzoekster aan haar overgelegde gegevens niet in aanmerking te nemen, de krachtens artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 in het kader van het onderzoek van het verwarringsgevaar op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. Het Gerecht mag zich niet in de plaats van het BHIM stellen om de betrokken gegevens te beoordelen. Het beoordelen van die gegevens is de taak van het BHIM. Mitsdien moet de bestreden beslissing worden vernietigd, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan op de andere middelen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Kosten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>38</NO.P><TXT>Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in de kosten.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="II-3820"?><JURISDICTION><INTRO><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),</P><P>rechtdoende, verklaart:</P></INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>De beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van <DATE ISO="20020304">4 maart 2002</DATE> (zaak R 782/2000-3) wordt vernietigd.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Het BHIM wordt verwezen in de kosten.</TXT></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.JUDGMENT><SIGNATURE.CASE><P>Legal</P><P>Vilaras</P><P>Wiszniewska-Białecka</P><P>Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op <DATE ISO="20041110">10 november 2004</DATE>.</P><SIGNATORY><P>De griffier</P><P>H. Jung</P></SIGNATORY><SIGNATORY><P>De president van de Vierde kamer</P><P>H. Legal</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></JUDGMENT>