CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. SZPUNAR
van 6 maart 2025 ( 1 )
Zaak C‑211/24
LEGO A/S
tegen
Pozitív Energiaforrás Kft.
[verzoek van de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Gemeenschapsmodellen – Verordening (EG) nr. 6/2002 – Artikel 8, lid 3 – Model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken – Artikel 10 – Draagwijdte van de bescherming – Begrippen ‚geïnformeerde gebruiker’ en ‚algemene indruk’”
Inleiding
|
1. |
Het industriële-eigendomsrecht van de Unie maakt een duidelijk onderscheid met betrekking tot de rol van de verschillende categorieën beschermde rechten: octrooien beschermen technische uitvindingen, terwijl modellen de verschijningsvorm van voortbrengselen beschermen; merken beschermen op hun beurt het verband tussen producten en diensten en de fabrikanten of leveranciers ervan. Dit onderscheid is van het allergrootste belang, want het voorkomt monopolisering van unieke oplossingen die onontbeerlijk zijn voor de technische vooruitgang en een onvervalste economische mededinging, door middel van exclusieve rechten die relatief gemakkelijk te verkrijgen zijn en een zeer lange of zelfs onbepaalde geldigheidsduur hebben. Om de doeltreffendheid van dit onderscheid te waarborgen, bepaalt het Unierecht inzake modellen dat de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie ervan worden bepaald, evenals de kenmerken die onontbeerlijk zijn voor de interoperabiliteit van voortbrengselen van verschillend fabricaat, niet worden beschermd. |
|
2. |
Er bestaat echter een uitzondering op deze regel met betrekking tot „modulaire systemen”, volgens welke modellen die tot doel hebben de verbinding van onderdelen binnen een dergelijk systeem mogelijk te maken, kunnen worden beschermd. Deze uitzondering wordt vaak de „Lego-uitzondering” genoemd, aangezien de belangrijkste begunstigde het bekende systeem van bouwstenen is dat elk kind tussen 3 en 103 jaar kent en dat onder het merk Lego op de markt wordt gebracht. |
|
3. |
Het Lego-systeem van bouwstenen is ontwikkeld in de jaren 1950. De eerste octrooiaanvraag hiervoor werd in 1958 in Denemarken ingediend. De technische oplossing waarop deze aanvraag was gebaseerd, bestond uit een aaneenkoppelingssysteem voor bouwstenen door middel van noppen aan de bovenkant en buisjes aan de onderzijde van de stenen, die zodanig waren ontworpen dat ze, eenmaal gekoppeld, een stabiele verbinding waarborgden en tegelijkertijd relatief gemakkelijk door kinderhanden konden worden losgekoppeld. De octrooibescherming van het Lego-systeem is vervolgens wereldwijd uitgebreid en aangevuld met nieuwe technische oplossingen. ( 2 ) |
|
4. |
Het overgrote deel van deze octrooien is in de jaren 1970 en 1980 echter verstreken en de fabrikant van Lego-bouwstenen kreeg concurrentie van fabrikanten van blokjes die geïnspireerd waren op – en compatibel waren met – zijn eigen systeem. Vervolgens zijn de meeste pogingen om dit systeem te beschermen door middel van andere intellectuele-eigendomsrechten, te weten merken, tekeningen en modellen en zelfs auteursrechten, mislukt, met name vanwege het functionele karakter van het voorwerp van de nagestreefde bescherming. ( 3 ) |
|
5. |
Het bestaan van de „Lego-uitzondering” maakt het niettemin mogelijk de bescherming van het Lego-systeem van bouwstenen en indirect van de technische oplossing die eraan ten grondslag ligt, te handhaven door modelrechten. ( 4 ) De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid om de draagwijdte van deze bescherming te verduidelijken in het licht van de doelstellingen van de bescherming die verschillende categorieën intellectuele-eigendomsrechten in het Unierecht verlenen. |
Toepasselijke bepalingen
|
6. |
Artikel 3, onder a), artikel 4, lid 1, alsmede de artikelen 6, 8 en 10 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen ( 5 ) bepalen het volgende: „Artikel 3 In deze verordening wordt verstaan onder:
[...] Artikel 4 1. Een model wordt als gemeenschapsmodel beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft. [...] Artikel 6 1. Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld: [...]
2. Bij de beoordeling van het eigen karakter wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. [...] Artikel 8 1. Een recht op een gemeenschapsmodel geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden bepaald. 2. Een gemeenschapsmodel geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het voortbrengsel waarin het model verwerkt is of waarop het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen. 3. In afwijking van lid 2 kan een model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken, onder de in de artikelen 5 en 6 gestelde voorwaarden als gemeenschapsmodel worden beschermd. [...] Artikel 10 1. De door een gemeenschapsmodel verleende bescherming omvat elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. 2. Bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.” |
Feiten van het hoofdgeding, procedure en prejudiciële vragen
|
7. |
LEGO A/S (hierna: „Lego”), vennootschap naar Deens recht, is houder van met voorrangsdatum 22 november 2011 ingeschreven gemeenschapsmodel nr. 001950981 0001, waarvan het voorwerp een koppelingsonderdeel („bundel”) is van een bouwspel dat bestaat uit een naaf met verdiepte rand en twee kruisassen die loodrecht ten opzichte van elkaar op de naaf staan, waarbij de assen met de naaf verbonden zijn door middel van een cilindrische basis ( 6 ), alsmede van gemeenschapsmodel nr. 002137190 0002, dat is ingeschreven met voorrangsdatum 16 november 2012, en betrekking heeft op een koppelingsonderdeel van een bouwspel dat een aangepaste variant is van de bekende bouwsteen met 2x1 noppen, met aan één kant holle noppen (hierna: „de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen”). ( 7 ) |
|
8. |
Pozitív Energiaforrás Kft., vennootschap naar Hongaars recht, was voornemens onder het merk Qman bouwspeelgoed in te voeren, bestaande uit onder meer een of meerdere modulaire onderdelen van plastic die inbreuk zouden maken op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen. |
|
9. |
Na de aangifte van Lego heeft de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Veszprém Megyei Adó- és Vámigazgatósága (belasting- en douanedienst van Veszprém, ressorterend onder de nationale belasting- en douanedienst, Hongarije) deze waren onder douanetoezicht geplaatst en een inbreukprocedure ingeleid tegen de bedrijfsleider van Pozitív Energiaforrás wegens verdenking van inbreuk op industriële-eigendomsrechten van Lego. |
|
10. |
Op 22 juni 2022 heeft Lego krachtens de artikelen 10 en 89 van verordening nr. 6/2002 bij de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije), een vordering ingesteld tot het nemen van voorlopige maatregelen om de in het hoofdgeding omstreden bouwspelkits in beslag te nemen. Deze rechter heeft deze vordering afgewezen door te oordelen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen krachtens artikel 8, lid 3, van deze verordening worden beschermd en dat, aangezien de vorm van de verbindingsonderdelen uitsluitend door de technische functie ervan wordt bepaald, de creatieve speelruimte voor het bedenken van een dergelijke vorm zeer beperkt is. Hij heeft, mede rekening houdend met de vorm en de omvang van het voortbrengsel, geoordeeld dat de geïnformeerde gebruiker een dergelijk model bekijkt met een bijzonder scherpe blik en een hoog aandachtsniveau. Bijgevolg heeft hij de ingeschreven afbeeldingen van de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen zorgvuldig vergeleken met de fotografische voorstellingen van de voortbrengselen van Pozitív Energiaforrás en geoordeeld dat deze voorstellingen bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekten dan de algemene indruk die wordt gewekt door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen. |
|
11. |
De Fővárosi Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Boedapest, Hongarije), waarbij Lego hoger beroep had ingesteld, heeft deze beslissing herzien en de inbeslagname van de litigieuze voortbrengselen gelast op grond dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen en de voortbrengselen van Pozitív Energiaforrás bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekten. De Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije), waarbij Pozitív Energiaforrás beroep in cassatie had ingesteld, heeft deze beslissing bevestigd. |
|
12. |
Lego heeft vervolgens bij de Fővárosi Törvényszék, de verwijzende rechter, een inbreukprocedure ingesteld, waarmee zij in wezen vordert dat wordt vastgesteld dat er sprake is van een inbreuk, dat Pozitív Energiaforrás wordt belet de inbreukmakende handelingen voort te zetten en dat andere rechtsgevolgen van deze handelingen worden toegepast. |
|
13. |
Daarop heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
|
14. |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is bij het Hof ingekomen op 18 maart 2024. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de partijen in het hoofdgeding, de Hongaarse regering en de Europese Commissie. Het Hof heeft besloten om uitspraak te doen zonder pleitzitting. |
Analyse
|
15. |
Op verzoek van het Hof zal ik mijn conclusie beperken tot de analyse van de eerste prejudiciële vraag. Het antwoord op de tweede vraag kan namelijk zonder meer worden afgeleid uit vaste rechtspraak ( 8 ). |
|
16. |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 10 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de draagwijdte van de onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallende bescherming van een model wordt bepaald aan de hand van de algemene indruk die dit model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die grondige technische kennis bezit en in hoge mate aandachtig is met betrekking tot de technische aspecten, en of deze algemene indruk hoofdzakelijk voortvloeit uit technische overwegingen. |
|
17. |
Om op deze vraag een antwoord te geven dat nuttig is voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding, moet ten eerste het begrip „geïnformeerde gebruiker” in de zin van verordening nr. 6/2002 worden onderzocht, en ten tweede de bestanddelen van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door een model dat onder artikel 8, lid 3, van deze verordening valt, alsmede de elementen die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming van een dergelijk model krachtens artikel 10 van deze verordening. |
Geïnformeerde gebruiker
|
18. |
Het begrip „geïnformeerde gebruiker” is een centraal begrip van verordening nr. 6/2002, aangezien de algemene indruk die een model bij een dergelijke geïnformeerde gebruiker wekt, zowel bepalend is voor het vermogen van het betrokken model om te worden beschermd, door al dan niet het eigen karakter ervan aan te tonen, als voor de draagwijdte van deze bescherming ten aanzien van potentieel inbreukmakende modellen. ( 9 ) De geïnformeerde gebruiker is een fictieve figuur en is in het modellenrecht de functionele tegenhanger van de figuur van de gemiddelde consument in het merkenrecht en die van deskundige (vakman) op het gebied van het octrooirecht. |
|
19. |
De kenmerken van de geïnformeerde gebruiker zijn door het Hof gegeven in het arrest PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic. ( 10 ) Zo moet het begrip „geïnformeerde gebruiker”, dat niet is gedefinieerd in verordening nr. 6/2002, derhalve worden opgevat als „een tussencategorie tussen de – op het gebied van het merkenrecht gehanteerde – gemiddelde consument, van wie geen enkele specifieke kennis wordt verwacht en die de strijdige merken in de regel niet rechtstreeks vergelijkt, en de vakman met grondige technische deskundigheid”. Het begrip „geïnformeerde gebruiker” betekent dus „een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector” ( 11 ). |
|
20. |
Het Hof heeft gepreciseerd dat „het bijvoeglijke naamwoord ‚geïnformeerde’ suggereert dat de gebruiker, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan” ( 12 ). |
|
21. |
Hoewel het Hof deze definitie van het begrip „geïnformeerde gebruiker” heeft gegeven in het kader van een procedure tot nietigverklaring van een gemeenschapsmodel en dus op basis van artikel 6 van verordening nr. 6/2002, wijst niets erop dat artikel 10 van deze verordening anders moet worden uitgelegd. Integendeel, op grond van het wederkerigheidsbeginsel is de draagwijdte van de bescherming van een model de keerzijde van het eigen karakter ervan. ( 13 ) Beide moeten dus worden beoordeeld op basis van de algemene indruk die wordt gewekt bij dezelfde fictieve persoon, te weten de geïnformeerde gebruiker, die dezelfde kenmerken heeft, of het nu gaat om de geldigheid van het model of om de inbreuk. De overwegingen van het Hof in het arrest PepsiCo kunnen dus volledig worden toegepast in de onderhavige zaak. |
|
22. |
De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat in het geval van modellen die onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen, de wezenlijke elementen ervan bestaan in de technische functie van de uiterlijke kenmerken van het voortbrengsel, te weten de mogelijke verbinding met andere voortbrengselen in een modulair systeem. Om die reden moet volgens hem worden geoordeeld dat de fictieve geïnformeerde gebruiker technische kennis heeft en in hoge mate aandachtig is, en dat de technische aspecten dan ook van invloed zijn op de algemene indruk die het betrokken model bij hem wekt. |
|
23. |
Deze zienswijze is mijns inziens niet correct. |
|
24. |
Hoewel modellen die onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen, noodzakelijkerwijs een technische functie hebben, blijven zij modellen en worden zij als zodanig beschermd. Volgens de definitie in artikel 3, onder a), van deze verordening is een model „de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel daarvan”. Het is dus niet de technische functie van het voortbrengsel die wordt beschermd en bijdraagt tot de bij de geïnformeerde gebruiker gewekte algemene indruk, maar enkel de verschijningsvorm van het voortbrengsel, dat wil zeggen het visuele aspect ervan. ( 14 ) Aan deze vaststelling wordt dus niet afgedaan door de omstandigheid dat de verschijningsvorm van de voortbrengselen waarop de onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallende modellen zijn toegepast, of althans bepaalde uiterlijke kenmerken ervan, wordt bepaald door de vereisten van verbinding. |
|
25. |
De geïnformeerde gebruiker, zoals deze door de verwijzende rechter is bedacht en gepostuleerd, benadert daarentegen de figuur van de deskundige, die moet beoordelen of uitvindingen in het octrooirecht octrooieerbaar zijn. Een dergelijke beoordeling heeft echter geen betrekking op de verschijningsvorm van een voortbrengsel maar op een abstract idee, namelijk de oplossing voor een technisch probleem. Dit kan dus niet worden toegepast op het modellenrecht. |
|
26. |
De door het Hof in het arrest PepsiCo gegeven kenmerken van de geïnformeerde gebruiker blijven dus volledig geldig voor modellen die onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen. Deze vaststelling lijkt in overeenstemming te zijn met de standpunten van de partijen die in de onderhavige zaak opmerkingen hebben ingediend. |
Algemene indruk
|
27. |
Met het derde onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of voor de toepassing van artikel 10 van verordening nr. 6/2002 de algemene indruk die een onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallend model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, hoofdzakelijk kan voortvloeien uit technische overwegingen. Het antwoord op deze vraag moet mijns inziens worden genuanceerd, aangezien met dergelijke overwegingen rekening wordt gehouden, zij het op een andere wijze dan door de verwijzende rechter wordt bepleit. |
|
28. |
Volgens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bepaalt de algemene indruk die een gemeenschapsmodel bij de geïnformeerde gebruiker wekt, de draagwijdte van de bescherming van dat model, in die zin dat elk model dat bij deze gebruiker geen andere algemene indruk wekt, afbreuk doet aan de door het recht op het betrokken model geboden bescherming. |
|
29. |
De kenmerken van de geïnformeerde gebruiker zijn die welke zijn vermeld in de punten 19 et 20 van deze conclusie. Hieruit volgt dat de algemene indruk, die voor zover mogelijk moet worden gevormd door een rechtstreekse vergelijking van de conflicterende modellen ( 15 ), met name het resultaat zal zijn van een hoog aandachtsniveau van deze gebruiker, van zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector en van de bestaande modellen, alsook van zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen ( 16 ). Een geïnformeerde gebruiker zal dus, zonder een technisch deskundige te hoeven zijn, de bestanddelen van modellen die gewoonlijk in de voortbrengselen van de betrokken sector voorkomen, kunnen onderscheiden van die welke „nieuw” zijn. De verschillen in innovatieve bestanddelen zullen echter een grotere invloed hebben op de bij een dergelijke gebruiker gewekte algemene indruk dan de gelijkenissen in de gebruikelijke bestanddelen. ( 17 ) |
|
30. |
De verwijzende rechter geeft niet aan wat hij beschouwt als de standaardgebruiker van het voortbrengsel waarop het betrokken model is toegepast. ( 18 ) Zelfs indien de verwijzende rechter zou oordelen dat de gebruiker van Lego-bouwblokjes typisch een kind ( 19 ) is, blijft het bijvoeglijk naamwoord „geïnformeerd” echter volledig van toepassing, zodat een dergelijke gebruiker alle in de punten 19 en 20 van deze conclusie genoemde kenmerken behoudt. Wat de modellen van de artikelen betreft die (hoofdzakelijk) voor kinderen bestemd zijn, lijkt het mij bovendien algemeen bekend dat kinderen een kennis- en aandachtsniveau hebben dat ten minste even hoog is als dat van volwassenen. De omstandigheid dat de betrokken modellen zijn ontworpen voor voortbrengselen die voor kinderen bestemd zijn, rechtvaardigt dus geenszins dat aan de geïnformeerde gebruiker van dergelijke voortbrengselen een lager kennisniveau van de betrokken sector of een lager aandachtsniveau wordt toegeschreven. |
|
31. |
Voorts staat in overweging 14 van verordening nr. 6/2002 te lezen dat het verschil tussen de algemene indrukken die twee modellen wekken, met name moet worden vastgesteld „met inachtneming van de aard van het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast”. Wat de modellen betreft die zijn toegepast op voortbrengselen die deel uitmaken van modulaire systemen, kan dus redelijkerwijs worden geoordeeld dat de geïnformeerde gebruiker niet alleen rekening zal houden met de verschijningsvorm van het betrokken voortbrengsel, afzonderlijk beschouwd, maar ook met de verschijningsvorm die dit voortbrengsel na samenvoeging met andere elementen van het systeem zal hebben. |
|
32. |
De vaststelling van de algemene indruk die een model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, is echter geen doel op zich. Dit is slechts een tussenstap bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming van een gemeenschapsmodel ten opzichte van een potentieel inbreukmakend model. ( 20 ) Deze beoordeling komt toe aan de rechter bij wie de procedure aanhangig is gemaakt, die moet „kijken door de ogen” van de geïnformeerde gebruiker om te bepalen of de conflicterende modellen bij een dergelijke gebruiker een andere algemene indruk wekken. Bij zijn beoordeling zal de rechter rekening moeten houden met omstandigheden waarvan de geïnformeerde gebruiker zich mogelijkerwijs niet volledig bewust kan zijn, maar die in aanmerking moeten worden genomen op grond van verordening nr. 6/2002. |
|
33. |
Zo sluit artikel 8, leden 1 en 2, van verordening nr. 6/2002 de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie ervan worden bepaald, van bescherming uit, evenals de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel van „verbindingen”. Artikel 8, lid 3, van deze verordening voorziet echter in een uitzondering voor voortbrengselen die binnen een modulair systeem onderling verwisselbaar zijn. Letterlijk gaat het weliswaar alleen om een uitzondering op artikel 8, lid 2, terwijl lid 1 ervan niet wordt genoemd. Het Gerecht heeft evenwel geoordeeld dat, teneinde het nuttig effect van artikel 8, lid 3, van deze verordening te behouden, deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij ook een uitzondering vormt op lid 1 van dat artikel wanneer het betrokken model zowel onder lid 2 als onder lid 1 ervan valt. ( 21 ) Zo genieten de verbindingskenmerken van een voortbrengsel dat deel uitmaakt van een modulair systeem ook bescherming wanneer zij uitsluitend door de technische functie van het voortbrengsel worden bepaald. Zij dragen dus bij tot de algemene indruk die een model bij de geïnformeerde gebruiker wekt. |
|
34. |
Daarentegen moet krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr. 6/2002 bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming rekening worden gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. |
|
35. |
Het wordt algemeen aanvaard dat technische beperkingen behoren tot de factoren die de vrijheid van de ontwerper kunnen beperken. ( 22 ) Wat de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel betreft, die volgens de definitie in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 6/2002 „noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden”, kan mijns inziens worden aangenomen dat de mate van vrijheid van de ontwerper minimaal of zelfs nihil is. Dit geldt te meer wanneer deze kenmerken uitsluitend worden bepaald door de technische functie van het betrokken voortbrengsel, te weten in casu de verbinding. |
|
36. |
Een geringe mate van vrijheid van de ontwerper leidt er niet toe dat een uiterlijk kenmerk van een voortbrengsel volledig wordt uitgesloten van de algemene indruk die het betrokken model bij de geïnformeerde gebruiker wekt. ( 23 ) Het zal echter van invloed zijn op de vergelijking van de algemene indrukken van de conflicterende modellen volgens hetgeen het Gerecht de „omgekeerde evenredigheidsregel” ( 24 ) noemt. Deze regel bepaalt dat hoe kleiner de vrijheid van de ontwerper is bij de ontwikkeling van een model, des te groter de kans is dat kleine verschillen tussen de betrokken modellen volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken. Dit is hier het geval aangezien, voor zover de gelijkenissen tussen de betrokken modellen gemeenschappelijke kenmerken betreffen en de vrijheid van de ontwerper bij het uitwerken daarvan met name wordt beperkt door technische verplichtingen, deze gelijkenissen slechts van weinig belang zullen zijn voor de algemene indruk die deze modellen bij de geïnformeerde gebruiker wekken. ( 25 ) |
|
37. |
In het geval van modellen die worden toegepast op voortbrengselen die deel uitmaken van een modulair systeem, zoals bouwstenen, verbindingskenmerken of kenmerken die door de technische functie van deze voortbrengselen worden bepaald, kunnen zij een groot deel van de uiterlijke kenmerken van die voortbrengselen weergeven. ( 26 ) Deze kenmerken blijven beschermd op grond van de uitzondering van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002. Aangezien de vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling ervan zeer beperkt is, zal de invloed ervan op de vergelijking van de algemene indrukken die de conflicterende modellen bij de geïnformeerde gebruiker wekken, echter sterk worden beperkt. Bijgevolg kunnen minieme verschillen tussen de betrokken modellen verhinderen dat moet worden vastgesteld dat er sprake is van een inbreuk. |
|
38. |
Om de doeltreffendheid van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 ten volle te behouden, rijst dus de vraag of deze bepaling niet ook als een uitzondering op artikel 10, lid 2, van deze verordening moet worden uitgelegd. Volgens mij dient deze vraag echter ontkennend te worden beantwoord. |
|
39. |
Ten eerste is het wel juist dat het Gerecht heeft geoordeeld dat artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002, dat volgens de bewoordingen ervan uitsluitend afwijkt van lid 2 van dat artikel, moet worden gelezen als een afwijking van lid 1 ervan ( 27 ), maar de onderhavige situatie verschilt van die waarop artikel 10, lid 2, van die verordening ziet. |
|
40. |
De leden 1 en 2 van artikel 8 van verordening nr. 6/2002 hebben namelijk beide betrekking op dezelfde problematiek, namelijk het vermogen om te worden beschermd door twee categorieën uiterlijke kenmerken van voortbrengselen: die welke uitsluitend worden bepaald door de technische functie en de verbinding. Het is derhalve gerechtvaardigd de uitzondering voor deze tweede categorie uit te breiden tot de kenmerken die zowel tot de tweede als tot de eerste categorie behoren. Anders zou deze uitzondering asymmetrisch worden toegepast, in die zin dat zij enkel ten goede komt aan de in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 6/2002 bedoelde kenmerken, die niet tegelijkertijd onder lid 1 van dat artikel vallen, terwijl lid 3 van dat artikel van toepassing is op alle kenmerken die onder lid 2 ervan vallen. ( 28 ) Aangezien verbindingskenmerken vaak uitsluitend door hun technische functie worden bepaald ( 29 ), zou het nuttig effect van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 daardoor sterk worden afgezwakt. |
|
41. |
Dit geldt niet voor artikel 10, lid 2, van verordening nr. 6/2002. Deze bepaling heeft betrekking op een andere problematiek, namelijk het in aanmerking nemen, bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming, van de mate van vrijheid van de ontwerper van het betrokken gemeenschapsmodel. Deze bepaling is niet alleen van toepassing op modellen die onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallen, maar op alle modellen zonder onderscheid, en de vrijheid van de ontwerper kan ook worden beperkt door andere factoren dan technische verplichtingen. Er bestaat dus geen risico van een asymmetrische toepassing van die bepaling. Bij gebreke van enige aanwijzing in die zin in die verordening, hoeven de onder artikel 8, lid 3, van die verordening vallende modellen dus niet te worden uitgesloten van de toepassing van artikel 10, lid 2, van die verordening. |
|
42. |
Ten tweede wordt deze vaststelling versterkt door de bewoordingen zelf van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002. Deze bepaling vereist immers dat de modellen die daaronder vallen, teneinde te worden beschermd, met name moeten voldoen aan de voorwaarde van artikel 6 van deze verordening, dat wil zeggen dat zij een eigen karakter dienen te hebben. Dit eigen karakter wordt beoordeeld met betrekking tot elk model dat beschikbaar is gesteld vóór de indiening van de aanvraag tot inschrijving van een ingeschreven model (of eventueel vóór de datum van voorrang waarop aanspraak wordt gemaakt). Artikel 6, lid 2, van die verordening bevat een regel die vergelijkbaar is met die van artikel 10, lid 2, ervan, op grond waarvan bij de beoordeling van het eigen karakter rekening wordt gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper. |
|
43. |
Volgens het wederkerigheidsbeginsel ( 30 ) is de overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 6/2002 vastgestelde reikwijdte van de bescherming de tegenhanger van het eigen karakter van het betrokken model, dat wordt beoordeeld overeenkomstig artikel 6 van deze verordening. Er kunnen dus geen modellen bestaan waarvoor de draagwijdte van de bescherming ten opzichte van potentieel inbreukmakende modellen wordt bepaald aan de hand van minder strenge regels dan die volgens welke het eigen karakter ervan wordt beoordeeld ten opzichte van oudere modellen. Dat zou het geval zijn indien de mate van vrijheid van de ontwerper in aanmerking zou worden genomen bij de beoordeling van het eigen karakter, met als gevolg dat de drempel voor het verschil dat vereist is om als zodanig te worden aangemerkt, zou worden verlaagd, en dat niet het geval zou zijn bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming, met als gevolg dat de drempel voor het verschil dat noodzakelijk is om te verhinderen dat wordt vastgesteld dat sprake is van een inbreuk, wordt verhoogd. |
|
44. |
Dit zou tot een absurd resultaat leiden. Een ouder model zou bij de geïnformeerde gebruiker immers een algemene indruk kunnen wekken die verschilt van die welke wordt gewekt door een ander ingeschreven model of waarvan inschrijving wordt aangevraagd, waardoor enerzijds deze inschrijving of de geldigheid van het model ( 31 ) niet zou kunnen worden betwist, maar het anderzijds als inbreukmakend op datzelfde ingeschreven model zou kunnen worden aangemerkt. De houder van het ingeschreven model zou dus in staat zijn om oudere modellen van de markt uit te sluiten, zonder dat de eigenaren ervan de geldigheid van dit ingeschreven model zouden kunnen betwisten. |
|
45. |
Het wederkerigheidsbeginsel vereist dus dat de mate van vrijheid van de ontwerper in aanmerking wordt genomen voor alle modellen, met inbegrip van die welke onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen, zowel bij de beoordeling van het eigen karakter als bij de beoordeling van de omvang van de bescherming. |
|
46. |
Ten derde maakt artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 het tot slot weliswaar mogelijk om modellen die worden toegepast op onderling verwisselbare voortbrengselen binnen een modulair systeem te beschermen ondanks de functionele uiterlijke kenmerken van deze voortbrengselen, maar de algemene doelstelling van deze verordening blijft die van overweging 10 ervan, namelijk dat de technologische innovatie of de interoperabiliteit van voortbrengselen van verschillend fabricaat niet worden gehinderd door de bescherming uit te breiden tot kenmerken die uitsluitend door een technische functie worden bepaald of die mechanische samenvoegingen mogelijk maken. |
|
47. |
Deze doelstelling zou echter in gevaar komen indien de op samenvoeging of verbinding gerichte kenmerken van de voortbrengselen die deel uitmaken van een modulair systeem, die in deze verschijningsvorm vaak overwegend voorkomen, beslissend zouden kunnen zijn voor de algemene indruk die bij de geïnformeerde gebruiker wordt gewekt om de draagwijdte van de bescherming van de betrokken modellen te beoordelen. Door in het kader van die uitoefening rekening te houden met de mate van vrijheid van de ontwerper, kan dit doel mijns inziens worden bereikt, zonder afbreuk te doen aan het nuttig effect van de uitzondering van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002. |
Beantwoording van de eerste prejudiciële vraag
|
48. |
Gelet op de in het verzoek om een prejudiciële beslissing verstrekte informatie is het juist de betrachting om de in punt 46 van deze conclusie vermelde doelstelling te behouden die de verwijzende rechter ertoe heeft gebracht zich af te vragen of het wel opportuun is om ter bepaling van de draagwijdte van de bescherming van modellen die onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen, specifieke criteria toe te passen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van deze modellen. |
|
49. |
Zoals uit de voorgaande overwegingen volgt, ben ik evenwel van mening dat deze doelstelling nu juist kan worden bereikt door de bepalingen van verordening nr. 6/2002, zoals uitgelegd door de rechterlijke instanties van de Unie, strikt en volledig toe te passen, en tegelijkertijd het nuttig effect van artikel 8, lid 3, van deze verordening te behouden. |
|
50. |
Ik stel derhalve voor om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 10 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de draagwijdte van de bescherming van een model dat onder artikel 8, lid 3, van deze verordening valt, wordt bepaald aan de hand van de algemene indruk die dit model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau wanneer hij deze gebruikt als onderdelen van het modulaire systeem waarvan zij deel uitmaken. Bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper van het betrokken model, met inbegrip van de ontwikkeling van de uiterlijke kenmerken van het voortbrengsel die noodzakelijk zijn voor de verbinding. |
Conclusie
|
51. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de eerste prejudiciële vraag van de Fővárosi Törvényszék te beantwoorden als volgt: „Artikel 10 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat de draagwijdte van de onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallende bescherming van een model wordt bepaald aan de hand van de algemene indruk die dit model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau wanneer hij deze gebruikt als onderdelen van het modulaire systeem waarvan zij deel uitmaken. Bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper van het betrokken model, met inbegrip van de ontwikkeling van de uiterlijke kenmerken van het voortbrengsel die noodzakelijk zijn voor de verbinding.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Over de geschiedenis van de bescherming van het Lego-systeem door het intellectuele-eigendomsrecht, zie met name Hunter, D., en Thomas, J., „Lego and the System of Intellectual Property, 1955‑2015”, Intellectual Property Quarterly, 2016, nr. 1, blz. 1‑18.
( 3 ) Zie met betrekking tot het merkenrecht van de Unie het arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM (C‑48/09 P, EU:C:2010:516).
( 4 ) Zie met name arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO – Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T‑515/19, EU:T:2021:155).
( 5 ) PB 2002, L 3, blz. 1.
( 6 ) Dit onderdeel is opgenomen in de Lego-catalogus onder de naam „Technic, Axle and pin connector hub with 2 perpendicular axles”.
( 7 ) Dit onderdeel is opgenomen in de Lego-catalogus onder de naam „Brick, modified 1 x 2 with studs on 1 side”.
( 8 ) Zie met name arrest van 22 juni 2016, Nikolajeva (C‑280/15, EU:C:2016:467, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 9 ) Zie over het begrip „geïnformeerde gebruiker” in het Unierecht inzake modellen met name Stone, D., European Union Design Law: A Practitioners’ Guide, Oxford University Press, 2016, blz. 209‑229.
( 10 ) Arrest van 20 oktober 2011 (C‑281/10 P, EU:C:2011:679; hierna: „arrest PepsiCo”).
( 11 ) Arrest PepsiCo (punt 53).
( 12 ) Arrest PepsiCo (punt 59).
( 13 ) Dit beginsel wordt samengevat als volgt: „Datgene wat zich verzet (tegen de bescherming van een model) indien het eerder is ingeschreven, maakt inbreuk indien het later is ingeschreven”. Zie over het wederkerigheidsbeginsel met name Hartwig, H., „Reciprocity in European design law”, in Hartwig, H., (ed.), Research handbook on design law, Edward Elgar Publishing, 2021, blz. 119.
( 14 ) Zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM – PepsiCo (Weergave van cirkelvormige reclamedrager) (T‑9/07, EU:T:2010:96, punt 50), en de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic (C‑281/10 P, EU:C:2011:302, punt 73).
( 15 ) Arrest PepsiCo (punt 55).
( 16 ) Arrest PepsiCo (punten 53 en 59).
( 17 ) Zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM – PepsiCo (Weergave van cirkelvormige reclamedrager) (T‑9/07, EU:T:2010:96, punten 72‑82).
( 18 ) Overigens wordt in de rechtsleer vaak kritiek geuit op de praktijk om de geïnformeerde gebruiker te personaliseren door hem de kenmerken van een echte persoon te geven. De figuur van de geïnformeerde gebruiker is immers een juridisch concept en werkt op een hoger abstractieniveau. Zie met name Stone, D., European Union Design Law: A Practitioners’ Guide, op. cit., blz. 219.
( 19 ) Naar analogie van wat het Hof heeft erkend in het arrest PepsiCo (punt 54).
( 20 ) De draagwijdte van de bescherming bestaat niet in abstracto. Volgens artikel 10 van verordening nr. 6/2002 wordt zij altijd beoordeeld ten opzichte van een ander model.
( 21 ) Zie in die zin arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO – Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T‑515/19, EU:T:2021:155, punt 80).
( 22 ) Arresten van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM – PepsiCo (Weergave van cirkelvormige reclamedrager) (T‑9/07, EU:T:2010:96, punt 67), en 6 september 2023, Cayago Tec/EUIPO – iAqua (Shenzhen) (Waterscooters, motorboten) (T‑377/22, EU:T:2023:504, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic (C‑281/10 P, EU:C:2011:302, punt 31).
( 23 ) Anders dan de kenmerken die onder artikel 8, leden 1 en 2, van verordening nr. 6/2002 vallen, die in het geheel niet bijdragen tot deze indruk, tenzij zij onder lid 3 van dat artikel vallen.
( 24 ) Arrest van 6 september 2023, Cayago Tec/EUIPO – iAqua (Shenzhen) (Waterscooters, motorboten) (T‑377/22, EU:T:2023:504, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 25 ) Arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM – PepsiCo (Weergave van cirkelvormige reclamedrager) (T‑9/07, EU:T:2010:96, punten 67 en 72).
( 26 ) Ter illustratie: in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO – Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T‑515/19, EU:T:2021:155), had de kamer van beroep van het EUIPO zes uiterlijke kenmerken geïdentificeerd van het betrokken voortbrengsel (een ander Legoblokje dan die in het hoofdgeding aan de orde zijn), die alle uitsluitend door de technische functie ervan werden bepaald. Vervolgens heeft het Gerecht één enkel aanvullend kenmerk vastgesteld, waarvan het heeft geoordeeld dat dit niet werd bepaald door de technische functie van dat voortbrengsel (punten 102-114 van dat arrest).
( 27 ) Arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO – Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T‑515/19, EU:T:2021:155, punt 80).
( 28 ) Zie in die zin arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO – Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T‑515/19, EU:T:2021:155, punten 77‑79).
( 29 ) Zie punt 37 van deze conclusie.
( 30 ) Zie punt 21 van deze conclusie.
( 31 ) De geldigheid van het model wordt met name beoordeeld in het licht van het vereiste van het eigen karakter, zie artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002.