<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="ECRCJ1980NLA.0300112501.case.xml"><NO.CASE>100/79</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61979C0100</NO.CELEX><NO.SEQ>0019.0002</NO.SEQ><PAGE.FIRST>1132</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>1136</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>5</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><LEFT>CONCLUSIE VAN DE HEER MAYRAS — ZAAK 100/79</LEFT><RIGHT>HAUPTZOLLAMT ESSEN / INTERATALANTA</RIGHT></CURR.TITLE><CONTENTS.CONCLUSION><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van de advocaat-generaal H. Mayras</HT></P><P><HT TYPE="UC">van <DATE ISO="19800124">24 januari 1980</DATE></HT><NOTE NOTE.ID="E0001"><P>Vertaald uit het Frans.</P></NOTE></P></TI></TITLE><P><HT TYPE="ITALIC">Mijnheer de President,</HT></P><P><HT TYPE="ITALIC">mijne beren Rechters,</HT></P><GR.SEQ LEVEL="1"><NO.GR.SEQ>I —</NO.GR.SEQ><P>De onderhavige zaak betreft het toepassingsgebied <HT TYPE="ITALIC">ratione temporis</HT> van de monetaire compenserende bedragen (mcb's), inzonderheid de referentiedatum voor de toepassing ervan. Het probleem ligt hierin, dat de feiten van de zaak teruggaan tot de tijd waarin de gemeenschapsregeling betreffende de mcb's nog niet zo nauwkeurig was als thans het geval is.</P><P>Tussen <DATE ISO="19710820">20 augustus</DATE> en <DATE ISO="19710924">24 september 1971</DATE> had verweerster (oorspronkelijk verzoekster) in het hoofdgeding, de vennootschap Interatalanta te Frankfurt/Main, de formaliteiten vervuld om enkele partijen bevroren rundvlees, afkomstig uit Zuid-Amerika, in douane-entrepot te plaatsen. Toen zij de waren uit het entrepot wilde weghalen, hief het bevoegde douanekantoor mcb's overeenkomstig het bepaalde bij verordening nr. 974/71 van de Raad van <DATE ISO="19710512">12 mei 1971</DATE>, en wel de bedragen die van toepassing waren <HT TYPE="ITALIC">op de dag waarop de waren het entrepot verlieten.</HT></P><P>Verweerster meende evenwel dat men moest uitgaan van de bedragen geldend <HT TYPE="ITALIC">op de dag van opslag in entrepot,</HT> en diende een bezwaarschrift in bij het Hauptzollamt Essen. Dit wees het bezwaarschrift af, waarop verweerster in beroep ging bij het terzake bevoegde Finanzgericht, dat haar in het gelijk stelde. Vervolgens voorzag het Hauptzollamt zich in cassatie (<QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>Revision<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>) bij het Bundesfinanzhof, dat krachtens artikel 177, eerste en derde alinea, de navolgende vraag aan het Hof heeft gesteld:</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>Was het de nationale wetgever, in het kader van zijn bevoegdheid om overeenkomstig<?PAGE NO="1133"?> artikel I van verordening (EEG) nr. 974/71 compenserende bedragen bij invoer te heffen, verboden voor produkten die na inklaring in een douane-entrepot waren opgeslagen, ter bepaling van het toepasselijke tarief van de compenserende bedragen uit te gaan van de dag van uitslag uit het entrepot?<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/></P></QUOT.S></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><NO.GR.SEQ>II —</NO.GR.SEQ><P>Op het moment van de feiten bevatte verordening nr. 1013/71 van de Commissie van <DATE ISO="19710517">17 mei 1971</DATE> houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 974/71, geen aanwijzingen omtrent de dag waarvan bij de berekening van de meb's moest worden uitgegaan. Dergelijke aanwijzingen zijn eerst opgenomen in de verordeningen nrs. 648/73 en 1380/75 van de Commissie van respectievelijk <DATE ISO="19730301">1 maart 1973</DATE> en <DATE ISO="19750529">29 mei 1975</DATE> (laatstgenoemde verordening geldt ook thans nog).</P><P>Volgens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 648/73 gelden <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>in het handelsverkeer met derde landen (...) de bepalingen inzake de verlening van uitvoerrestituties en de inning van douanerechten of heffingen voor de monetaire compenserende bedragen<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>. Welnu, vaststaat dat bij douanerechten, restituties en heffingen het op de dag van invoer geldende tarief van toepassing is.</P><P>Met betrekking tot het intracommunautaire verkeer bepaalt artikel 8, lid 1, van de verordening uitdrukkelijk: <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>het te heffen compenserende bedrag is het bedrag dat op de dag van invoer van toepassing is<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/>.</P><P>De artikelen 6 en 8, lid 1, van verordening nr. 1380/75, die in de plaats zijn gekomen van respectievelijk artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 1, hebben dezelfde inhoud.</P><P>Vandaag zou dus het antwoord op de gestelde vraag bij enkele lezing van de teksten duidelijk zijn.</P><P>In het arrest van <DATE ISO="19780131">31 januari 1978</DATE> (zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="94/77" YEAR="1978" PAGE.ECR="119">94/77, Zerbone, Jurispr. 1978, blz. 119</REF.DOC.ECR>), betreffende invoeren die eveneens vóór de inwerkingtreding van voornoemde verordeningen hadden plaatsgevonden, heeft het Hof evenwel voor recht verklaard :</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>Ter vaststelling of de voorwaarden voor de toepassing van monetaire compenserende bedragen en voor de bepaling van de hoogte dier bedragen zijn vervuld, dient voor iedere transactie (invoer of uitvoer) met de dag van in- of uitvoer te rade te worden gegaan<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/>.</P></QUOT.S><P>Het antwoord op de vraag van de Duitse rechter is dus, dat men bij invoer heeft uit te gaan van de dag van die invoer — en niet bij voorbeeld van de dag waarop het contract is gesloten, de waar is geleverd of de prijs is voldaan — ter bepaling of een mcb moet worden toegepast en, zo ja, hoe hoog dat dan moet zijn.</P><P>Deze oplossing ligt reeds besloten in het belangrijke arrest van <DATE ISO="19731024">24 oktober 1973</DATE> (zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="5/73" YEAR="1973" PAGE.ECR="1091">5/73, Balkan Import-Export, Jurispr. 1973, blz. 1091</REF.DOC.ECR>). In die zaak was het mcb toegepast dat gold op de dag van invoer, <DATE ISO="19720324">24 maart 1972</DATE>, en niet het mcb geldend op de datum van het contract, dat al in de herfst van 1971 was gesloten. Ofschoon het begrip invoer in die zaak niet uitdrukkelijk aan de orde was, blijkt uit de overwegingen van het arrest dat het compenserende bedrag naar 's Hofs oordeel correct was berekend en dat dus terecht de datum van invoer in aanmerking was genomen.</P><P>De redenen waarom voor die datum is gekozen, zijn duidelijk uiteengezet door advocaatgeneraal Warner in zijn conclusie in de zaak-Frecassetti (<DATE ISO="19760615">15 juni 1976</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="113/75" YEAR="1976" PAGE.ECR="999">113/75, Jurispr. 1976, blz.<?PAGE NO="1134"?> 999</REF.DOC.ECR>), en hij heeft ze herhaald in zijn conclusie in de zaak-Zerbone (reeds aangehaald, Jurispr. 1978, blz. 124).</P><P>Hij noemde in dit verband de volgende criteria:</P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>1.</NO.P><TXT>de betrokken dag moet geredelijk zijn vast te stellen;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>die gerede vaststelling moet in alle gevallen en in alle Lid-Staten mogelijk zijn;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>het moet mogelijk zijn het toepasselijke heffingpercentage vast te stellen voordat de heffing verschuldigd wordt.</TXT></NP></ITEM></LIST><P>Ik meen dat al deze overwegingen in casu hebben te gelden en dat zij erop wijzen dat te dezen de dag van invoer ... moet worden aangehouden<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/>.</P></QUOT.S></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><NO.GR.SEQ>III —</NO.GR.SEQ><P>Blijft nog de vraag te beantwoorden, wat moet worden verstaan onder <QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201E"/>dag van invoer<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="201D"/> in het bijzondere geval dat de goederen in entrepot worden opgeslagen.</P><P>Volgens de Commissie kan te dezen een beroep worden gedaan op artikel 10 van richtlijn nr. 69/74 van de Raad van <DATE ISO="19690304">4 maart 1969</DATE>. Dit artikel luidt:</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201E"/>...wanneer de in entrepot opgeslagen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, (worden) de bij invoer verschuldigde douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen geheven naar de <HT TYPE="ITALIC">op de datum van uitslag</HT> geldende percentages of bedragen, zulks naar de soort en op de grondslag van de douanewaarde en de hoeveelheid welke te dien einde door de douane als juist erkend of aanvaard zijn<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="201D"/>.</P></QUOT.S><P>Deze bepaling spreekt echter niet van mcb's, al kan dat ook moeilijk anders, omdat deze eerst later zijn ingesteld.</P><P>Bovendien hebben wij enige bedenkingen om de Commissie te volgen wanneer zij zegt dat <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>ofschoon de mcb's, gezien hun bijzondere functie, niet in alle opzichten op één lijn kunnen worden gesteld met <QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201A"/>heffingen van gelijke werking<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="2019"/>, men niettemin hierbij dient aan te knopen voor wat het toepassingsgebied van de douaneregelingen en inzonderheid deze richtlijn betreft<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/>.</P><P>Immers, uit 's Hofs rechtspraak — en inzonderheid uit de meer recente arresten van <DATE ISO="19780420">20 april 1978</DATE> (gevoegde zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="80/77+81/77" YEAR="1978" PAGE.ECR="927">80 en 81/77, Commissionnaires réunis, Fils de Henri Ramel, Jurispr. 1978, blz. 927</REF.DOC.ECR>) en <DATE ISO="19790125">25 januari 1979</DATE> (zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="98/78" YEAR="1979" PAGE.ECR="69">98/78, Racket Jurispr. 1979, blz. 69</REF.DOC.ECR>) — blijkt ten duidelijkste dat de mcb's, wel verre van een belemmering voor het handelsverkeer van landbouwprodukten te vormen, juist tot doel hebben mogelijke verstoringen van dat verkeer ten gevolge van fluctuaties van de wisselkoersen van de munteenheden der Lid-Staten te voorkomen. Het Hof heeft er dan ook uitdrukkelijk op gewezen dat de mcb's geen door de Lid-Staten eenzijdig vastgestelde heffingen zijn, doch maatregelen die van gemeenschapswege zijn genomen om het hoofd te bieden aan de moeilijkheden die voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid uit de monetaire instabiliteit voortvloeien, en dat zij derhalve niet onder het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten kunnen vallen (arrest van <DATE ISO="19780525">25. 5. 1978</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="136/77" YEAR="1978" PAGE.ECR="1245">136/77, Racke, Jurispr. 1978, blz. 1245, r.o. 7</REF.DOC.ECR>).</P><P>Anderzijds heeft de Commissie stellig gelijk wanneer zij stelt dat er tussen de mcb's en de heffingen een zo nauw verband bestaat, dat er distorsies zouden<?PAGE NO="1135"?> ontstaan indien voor beide niet dezelfde datum van invoer werd aangehouden. De Commissie wijst erop dat die distorsies zeer groot zouden kunnen worden, aangezien er in bepaalde extreme gevallen wel vijf jaar kunnen verlopen tussen de opslag in entrepot en de uitslag.</P><P>Daarom menen wij de in 's Hofs arrest van <DATE ISO="19711215">15 december 1971</DATE> (zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="35/71" YEAR="1971" PAGE.ECR="1083">35/71, Schleswig-Holsteinische Hauptgenossenschaft, Jurispr. 1971, blz. 1083</REF.DOC.ECR>) voor heffingen ontwikkelde beginselen naar analogie op de mcb's te mogen toepassen. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, heeft het Hof in die zaak beslist dat met betrekking tot ingeklaarde en vervolgens in een <QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201E"/>Abschöpfungsaufschublager<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="201D"/> (entrepot met voorlopige vrijdom van heffing) opgeslagen waren, de dag van invoer de dag is waarop de waren het entrepot verlaten en <HT TYPE="ITALIC">onherroepelijk in het vrije verkeer worden gebracht.</HT></P><P>Het Bundesfinanzhof aarzelt echter dit beginsel toe te passen op de mcb's, zulks wegens het bijzondere doel hiervan. Het wijst erop dat <QUOT.START ID="QS0012" REF.END="QE0012" CODE="201E"/>de toepassing van heffingen moet verhinderen dat de prijsschommelingen op de wereldmarkt van produkten die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen, binnen de Gemeenschap nadelige gevolgen hebben, terwijl de heffing of toekenning van monetaire compenserende bedragen volgens verordening nr. 941/71 ertoe dient schommelingen van de wisselkoers, die de goede werking van de gemeenschappelijke markt in gevaar kunnen brengen, te compenseren<QUOT.END ID="QE0012" REF.START="QS0012" CODE="201D"/>.</P><P>Echter, zowel bij de compenserende bedragen bij invoer als bij de heffingen gaat het erom, het prijspeil in het invoerende land te beschermen tegen importen tegen prijzen die gedurende lange tijd in aanzienlijke mate kunnen fluctueren.</P><P>Het is vanwege dit deels identieke doel dat het ons geoorloofd voorkomt om, voor wat de bepaling van de dag van invoer betreft, de mcb's op één lijn te stellen met de heffingen.</P><P>Deze gelijkstelling lijkt ons te meer gerechtvaardigd waar zij, sinds verordening nr. 648/73 deze kwestie uitdrukkelijk heeft geregeld, ook steeds in praktijk is gebracht. Zoals wij reeds opmerkten, verwijst artikel 7, lid 1, van die verordening met betrekking tot de mcb's in het verkeer met derde landen in algemene zin naar de bepalingen betreffende de douanerechten, de restituties en de heffingen. Op het punt dat ons hier bezighoudt, is de ter zake van heffingen en restituties toepasselijke bepaling kennelijk artikel 10 van richtlijn nr. 69/74. Voor de mcb's in het intracommunautaire verkeer is artikel 8, lid 3, van de verordening nog preciezer, want het bepaalt dat <QUOT.START ID="QS0013" REF.END="QE0013" CODE="201E"/>voor de bepaling van het te heffen compenserende bedrag de dag van invoer de dag is die geldt voor de vaststelling van de douanerechten en de heffingen<QUOT.END ID="QE0013" REF.START="QS0013" CODE="201D"/>. Deze oplossingen zijn bevestigd door de artikelen 6 en 8, lid 5, van verordening nr. 1380/75.</P><P>Mitsdien concluderen wij dat het Hof de vragen van het Bundesfinanzhof beantwoorde als volgt:</P><P>Met betrekking tot importen in de Gemeenschap van waren uit derde landen, die in de periode augustusseptember 1971 in de Bondsrepubliek Duitsland in<?PAGE NO="1136"?> douane-entrepôt zijn geplaatst en vervolgens in het vrije verkeer zijn gebracht, is de dag van uitslag uit het entrepot bepalend voor het toepasselijke tarief van de monetaire compenserende bedragen overeenkomstig verordening nr. 974/71 van de Raad van <DATE ISO="19710512">12 mei 1971</DATE>.</P></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>