CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 22 NOVEMBER 1979 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de vier prejudiciële zaken waarin ik thans conclusie heb te nemen, gaat het om selectieve distributiestelsels die door vier, in strafzaken voor het Tribunal de grande instance te Parijs verwikkelde, Franse parfumproducenten worden toegepast, zoals naar het schijnt door de meeste gerenommeerde fabrikanten in deze branche.
Deze stelsels kunnen in hun huidige vorm in het kort als volgt worden gekenschetst:
In Frankrijk, het land van produktie, loopt de verkoop, voor zover de fabrikant geen eigen winkels heeft, met uitschakeling van de groothandel via bepaalde detailhandelaren die door de producent op grond van kwalitatieve criteria (ligging en inrichting van de winkels, geschikt personeel) en kwantitatieve criteria — hierbij speelt de koopkracht van de bevolking in een bepaald gebied een rol — worden geselecteerd. Voor zover er geen dochtermaatschappijen aanwezig zijn, vindt de verkoop in andere Lid-Staten plaats via allenvertegenwoordigers, die per land worden aangesteld. Dezen selecteren op hun beurt evenals de fabrikanten in Frankrijk en kennelijk met gebruikmaking van door de fabrikanten uitgewerkte standaardcontracten, bepaalde detailhandelaren aan de hand van kwalitatieve en kwantitatieve criteria en leveren uitsluitend aan hen, of aan detailhandelaren die in andere Lid-Staten tot het distributiestelsel behoren. Erkende detailhandelaren mogen slechts leveren aan consumenten of aan andere uitdrukkelijk erkende verkooppunten.
De Commissie werd op verschillende tijdstippen van deze distributiestelsels — die oorspronkelijk nog andere elementen bevatten waarop later nog moet worden ingegaan — in kennis gesteld. De Commissie trachtte hierop een algemene oplossing voor de hele branche uit te werken (vgl. haar vierde verslag over het mededingingsbeleid, nrs. 35 en 97 en het vijfde verslag, nrs. 57, 58 en 59).
Over de procedure voor de Commissie kunnen de volgende details worden vermeld:
De naamloze vennootschap Guerlain heeft op 31 januari 1963 een voor de distributie in Frankrijk geldend standaardcontract en de met de algemene vertegenwoordigers in de andere toenmalige Lid-Staten gesloten overeenkomsten bij de Commissie aangemeld; op 20 juni 1973 deed zij zulks bovendien voor de met de algemene vertegenwoordigers in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken gesloten overeenkomsten.
De naamloze vennootschap Rochas heeft de volgende overeenkomsten bij de Commissie aangemeld: op 30 januari 1963 twee standaardcontracten, één voor de verkoop in Frankrijk en één voor de algemene vertegenwoordigers in de andere toenmalige Lid-Staten, voorts op 29 juni 1973 een voor de algemene vertegenwoordigers in Ierland en Denemarken bestemd standaardcontract en overeenkomsten die het Engelse filiaal met erkende detailhandelaren had gesloten en ten slotte op 14 september 1973 een standaardcontract dat de Deense algemene vertegenwoordiger voor de detailhandel in dat land had opgesteld.
De vennootschap Lanvin heeft op 30 januari 1963 de met de algemene vertegenwoordigers in de andere toenmalige Lid-Staten gesloten overeenkomsten en op31 januari 1963 een voor de verkoop in Frankrijk opgesteld standaardcontract bij de Commissie aangemeld.
De vennootschap Nina Ricci tenslotte, heeft de volgende overeenkomsten bij de Commissie aangemeld: op 31 januari 1963 een standaardcontract voor de verkoop in Frankrijk en de met de Belgische, Nederlandse en Duitse algemene vertegenwoordigers gesloten overeenkomsten, voorts op 12 september 1972 een met een Italiaans bedrijf gesloten overeenkomst en tenslotte op 3 augustus 1973 de met de algemene vertegenwoordigers in het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken gesloten overeenkomsten.
In de loop van de door de Commissie gevoerde administratieve procedure zijn haar ook de overeenkomsten meegedeeld die de algemene vertegenwoordigers of filialen in de afzonderlijke Lid-Staten met bepaalde detailhandelaren hebben gesloten, voor zover deze niet reeds formeel waren aangemeld.
De meeste distributiestelsels die in de parfumindustrie werden toegepast — ook die van de in de hoofdgedingen betrokken vennootschappen — bevatten clausules die de Commissie onverenigbaar achtte met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Dit was in de eerste plaats de verplichting van de detailhandelaren om uitsluitend aan consumenten te leveren — volgens de Commissie een indirect exportverbod — en de op hen rustende verplichting om zich uitsluitend bij de algemene vertegenwoordiger in hun land, of, in Frankrijk, uitsluitend bij de fabrikant, te bevoorraden, wat als indirect importverbod werd beschouwd; tenslotte behoorde hiertoe ook de op de detailhandelaren rustende verplichting om zich, ook waar het wederingevoerde en wederuitgevoerde produkten betrof, aan prijsbindingen te houden.
De Commissie heeft daarom op 27 april 1972 tegen drie ondernemingen die een dergelijk distributiestelsel hadden aangemeld — Rochas, Dior en Lancôme — een procedure ingeleid. In het kader hiervan werden op 24 juli 1972 punten van bezwaar medegedeeld, waarna een hoorzitting volgde; op 24 mei 1973 werden aanvullende punten van bezwaar aan Rochas meegedeeld die daarop nogmaals werd gehoord. De Commissie kwam hierna tot het inzicht dat zij niet op grond van artikel 85, lid 1, hoefde op te treden als alle directe of indirecte uitvoer- of invoerverboden en de verplichting van de detailhandelaren om bij wederinvoer of wederuitvoer de prijsbinding te respecteren, uit de distributiestelsels zouden worden geschrapt. Op 17 september 1974 werd dat blijkbaar aanvaard door het Comité de liaison des Syndicats européens de la parfumerie, een overkoepelend lichaam van de nationale verenigingen van parfumfabrikanten, waarbij men ervan uitging dat deze oplossing voor alle ondernemingen in deze sector moest gelden. De drie ondernemingen waartegen procedures waren ingeleid, verklaarden zich daarop bereid hun distributiestelsel in die zin te wijzigen. Hierna liet de Commissie hen weten dat zij geen reden meer zag, op grond van artikel 85, lid 1, op te treden. Naar aanleiding van de beëindiging van de procedure tegen de drie genoemde parfumfabrikanten, gaf de Commissie op 24 december 1974 een persbericht uit waarin stond dat uit de houding van de Commissie in de drie genoemde gevallen kon worden afgeleid welke beginselen en criteria bij de beoordeling van analoge distributiestelsels in deze branche zouden gelden. Het in april 1975 gepubliceerde vierde verslag over het mededingingsbeleid van de Commissie bevatte een soortgelijke verklaring. Daaruit valt op te maken dat de Commissie met het oog op de marktstructuur — een groot aantal concurrerende ondernemingen en een betrekkelijk gering marktaandeel van elk van hen — en op voorwaarde dat de heperkingen die tot afscherming van de markt leidden, worden opgeheven, geen aanleiding ziet, krachtens artikel 85, lid 1 op te treden tegen de selectieve distributiestelsels.
Dienovereenkomstig verzocht de Commissie ook de andere ondernemingen, bepalingen die de handel beperkten of bepalingen van gelijke werking te schrappen. Gebeurde dit en werd de Commissie daarvan in kennis gesteld, dan ontvingen de betrokken ondernemingen een brief waarin tot uiting kwam dat hun distributiestelsels wat het mededingingsrecht betreft in orde waren en dat er geen aanleiding bestond om krachtens artikel 85, lid 1, daartegen op te treden. Op 28 oktober 1975 werd een dergelijke brief aan Guerlain gezonden. Verder ontving deze vennootschap, nadat zij een desbetreffende overeenkomst van 1 september 1976 aan de Commissie ter kennis had gebracht, een op 13 september 1976 gedateerde mededeling, dat de in België, Nederland en Luxemburg bestaande verkooporganisatie in het licht van de mededingingsregels van het EEG-Verdrag bevredigend kon worden geacht. Gelijke brieven als die van 28 oktober 1975 aan Guerlain, gingen voorts op 26 maart 1976 naar Rochas en op 23 september 1976 naar Lanvin. In het geval Nina Ricci werd eerst in een brief van 16 maart 1976 gezegd dat de voor de Duitse detailhandelaren bestemde overeenkomsten in het licht van het communautaire mededingingsrecht bevredigend konden worden geacht. Eenzelfde verklaring volgde op 7 februari 1977 voor de Italiaanse en Nederlandse overeenkomsten met de detailhandelaren, op 6 april 1977 voor de Deense alleenvertegenwoordigersovereenkomst en de Franse overeenkomsten met de detailhandelaren en op 5 augustus 1977 voor de overeenkomsten met de algemene vertegenwoordigers in België, Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Ten slotte ontving Nina Ricci op 20 januari 1978 een brief waarvan de tekst in grote lijnen overeenstemt met het op 28 oktober 1975 aan Guerlain gerichte schrijven.
Voor de hoofdgedingen zijn de aldus door de Commissie beoordeelde distributiestelsels om de volgende redenen van belang:
|
— |
Verzoekers in het eerste geding, dat heeft geleid tot de prejudiciële zaak nr. 253/78, bezitten drie parfumeriezaken in Aix-en-Provence. Zij trachten reeds lang ook Guerlainprodukten voor de verkoop te verkrijgen. De commercieel directeur van Guerlain, verwerende partij in het hoofdgeding, heeft dit, en met name de uitvoering van een bestelling van juni 1975, geweigerd met een beroep op de omstandigheid dat er al een distributieovereenkomst met een andere parfumerie in Aix-en-Provence bestond. Daar dit een verkoopweigering („refus de vente”) kan vormen, die volgens artikel 37 van de Franse verordening nr. 1483 van 30 juni 1945, zoals gewijzigd bij decreet van 24 juni 1958, en volgens de bepalingen van de Franse verordening nr. 1484 van 30 juni 1945 strafbaar is, werd op klachte van de besteller een strafvervolging tegen genoemde directeur ingesteld. In deze procedure hebben verzoekers zich als civiele partij gevoegd en gevorderd de naamloze vennootschap Guerlain en haar commercieel directeur hoofdelijk tot betaling van schadevergoeding te veroordelen. |
|
— |
Een van de verzoeksters in de twee gevoegde zaken die tot de prejudiciële zaak nr. 1/79 hebben geleid, drijft een parfumeriezaak in Straatsburg. Zij heeft zonder succes getracht tot de verkoop van Rochasprodukten te worden toegelaten. Daar Rochas in de periode maart 1973-februari 1976 weigerde bestellingen uit te voeren met een beroep op distributieovereenkomsten met zes andere parfumeriezaken in Straatsburg, diende zij een klacht in tegen de commercieel directeur van Rochas en vorderde zij als civiele partij in de daarop aanhangig gemaakte strafzaak bovendien hem en Rochas hoofdelijk tot betaling van schadevergoeding te veroordelen. Verzoekster in de andere procedure die in dit verband van belang is, drijft een parfumeriezaak in Toulon. Ook haar bestellingen werden afgewezen met een beroep op het bestaan van distributieovereenkomsten van Rochas met vijf andere handelaren in Toulon. In dit geval kwam het uiteindelijk echter alleen tot een strafzaak; de aanvankelijk als civiele partij gedane vordering tot schadevergoeding werd later ingetrokken. |
|
— |
Ook in twee, andere bij het Tribunal de grande instance de Parijs aanhangige procedures is de reeds genoemde beheerster van een parfumeriezaak in Straatsburg verzoekster. De eerste zaak betreft de weigering van de president-directeurgeneraal van Lanvin om in de periode november 1972-juni 1975 bestellingen van verzoekster uit te voeren en wel op grond dat reeds met elf andere parfumerieën in Straatsburg distributieovereenkomsten waren gesloten. In de tweede zaak is in geding dat de commercieel directeur van Nina Ricci in de periode februari 1973-juni 1975 bestellingen heeft geweigerd op grond dat er reeds met elf andere parfumerieën in Straatsburg, die ten dele zaken hadden in de buurt van verzoeksters zaak, distributieovereenkomsten bestonden. Evenals in de andere procedures werd in deze beide zaken een strafvervolging ingesteld en schadevergoeding gevorderd. |
In al deze zaken hebben verdachten, respectievelijk verweerders het verweer gevoerd dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen de door de parfumfabrikanten gehanteerde distributiestelsels heeft toegelaten — ten dele wordt zelfs gesproken van beschikkingen in de zin van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag; dit zou niet mogen worden ondermijnd door de toepassing van afwijkende nationale bepalingen, waarboven het gemeenschapsrecht voorrang heeft. Deels werd ook verwezen naar de rechtspraak van het Hof, waarin, selectieve distributiestelsels zouden zijn toegelaten. Daarnaast werd in enkele gevallen nog aangevoerd dat de winkels van verzoekers niet aan de gestelde eisen voldeden en daarom terecht niet in der verkooporganisatie waren opgenomen. Met het oog op dit verweer en omdat het zich onvoldoende voorgelicht achtte, besloot het Tribunal de procedures bij vonnis van 5 juli 1978 te schorsen en te gelasten (aldus het vonnis dat tot zaak 253/78 heeft geleid)
„ ... de alleenverkoopovereenkomsten van de firma Guerlain aan het Hof over te leggen, in welke overeenkomsten een verkooporganisatie gestalte krijgt die niet alleen op kwalitatieve maar ook op kwantitatieve selectiecriteria is gebaseerd, opdat het Hof de vraag beantwoordt of bepaalde luxeprodukten waarvan het merkbeeld een belangrijke rol speelt, onder de ontheffingsbepalingen van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag kunnen vallen en of dit in casu, gemeenschapsrechtelijk gezien, voor de vennootschap Guerlain geldt.”
De vonnissen waarmee de zaken 1 tot en met 3/79 zijn ingeleid, bevatten een gelijkluidend dictum.
Mijn standpunt in dezen is als volgt:
I — Enige opmerkingen vooraf
|
1. |
Daar in het essentiële gedeelte van de verwijzingsbeschikkingen staat dat de alleenverkoopovereenkomsten van de verschillende betrokken parfumfabrikanten worden overgelegd en gevraagd wordt of deze ondernemingen een beroep kunnen doen op artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag, is het dienstig vooraf op te merken dat het Hof in procedures op grond van artikel 177 EEG-Verdrag niet de, hem kennelijk toegedachte, bevoegdheid bezit het gemeenschapsrecht op een concreet geval toe te passen. Tenzij het om de geldigheid van gemeenschapsrechtelijke handelingen gaat, is het Hof slechts bevoegd tot uitlegging van het gemeenschapsrecht, dus tot een verklaring van de inhoud daarvan, waarbij natuurlijk met de bijzonderheden van het hoofdgeding rekening moet worden gehouden om een zinvol, tot het noodzakelijke beperkt hulpmiddel voor de beslissing te bieden. De vragen moeten daarom opnieuw werden geformuleerd. Het Hof kan dit doen en heeft dit ook al vaak gedaan. Zij zouden dan, zoals de Commissie heeft voorgesteld, zo kunnen luiden: „Moet artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd dat voor overeenkomsten waarin een verkooporganisatie gestalte krijgt die niet alleen op kwalitatieve maar ook op kwantitatieve selectiecriteria berust in een bepaalde luxe artikelensector waarin het merkbeeld een belangrijke rol speelt, een ontheffingsbeschikking kan worden gegeven wanneer deze overeenkomsten onder het verbod van het eerste lid van dat artikel vallen.” |
|
2. |
Verder dient te worden opgemerkt dat tegen een dergelijke vraag niets valt in te brengen, ook al kan uit artikel 9 van verordening nr. 17 worden afgeleid dat nationale rechterlijke en administratieve instanties niet de bevoegdheid hebben artikel 85, lid 3, toe te passen, en dat de verwijzende rechter dus niet zou kunnen vaststellen dat in de hem voorgelegde gevallen aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 3, is voldaan. Voor dit punt kan worden verwezen naar het arrest in zaak 48/72 (SA Brasserie de Haecht, arrest van 6 februari 1973, Jurispr. 1973, blz. 77). Hierin werd enerzijds overwogen dat, wanneer een van de partijen in een bij een nationale rechter aanhangige procedure zich op het rechtstreeks toepasselijke artikel 85, lid 1, beroept, deze rechter niet ontheven is van de verplichting de daaruit voortvloeiende nietigheid van een overeenkomst vast te stellen. Anderzijds moet de rechter in een dergelijke procedure beslissen of het geraden is de procedure te schorsen om partijen de gelegenheid te geven het oordeel van de Commissie inzake artikel 85, lid 3, in te winnen. Hiertoe bestaat echter geen aanleiding wanneer een overeenkomst geen merkbare invloed op de mededinging heeft of wanneer de onverenigbaarheid met artikel 85 buiten twijfel staat. In het laatste geval kan een verzoek om uitlegging betreffende artikel 85, lid 3, echter van belang zijn. Dit kan namelijk leiden tot de vaststelling dat deze bepaling op bepaalde omstandigheden niet van toepassing is, hetgeen de rechter in staat stelt zich duidelijk over artikel 85, lid 1, uit te spreken en de weg opent voor de vaststelling dat een overeenkomst krachtens artikel 85, lid 2, nietig is. Daarom moet het ondanks artikel 9 van verordening nr. 17 geoorloofd worden geacht dat een nationale rechter ook vragen over de uitlegging van artikel 85, lid 3, stelt. |
|
3. |
Wanneer het Tribunal de grande instance te Parijs een dergelijke vraag opwerpt, gaat het er kennelijk van uit — dat is een logische voorwaarde voor de toepassing van artikel 85, lid 3 — dat in de hem voorgelegde zaak artikel 85, lid 1, speelt. Dit uitgangspunt moet echter worden geverifieerd. Tijdens de prejudiciële procedure is namelijk duidelijk geworden dat de Commissie van oordeel is dat het verbod van artikel 85, lid 1, sinds de schrapping van enige aanvankelijk voor de distributiestelsels geldende bepalingen, op de relevante overeenkomsten in hun huidige vorm niet meer van toepassing is. Hierop moet de verwijzende rechter duidelijk worden gewezen, en in dit verband dient ook wel enige opheldering over artikel 85, lid 1, te worden verschaft. Hiertoe zou, zoals de Commissie voorstelt, de volgende vraag kunnen worden geformuleerd die kan worden geacht implicite in het interpretatieverzoek besloten te liggen: „Moet artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd dat overeenkomsten waarin een verkooporganisatie gestalte krijgt, die niet alleen op kwalitatieve maar ook op kwantitatieve selectiecriteria berust en die voor bepaalde luxe artikelen geldt waarbij het merkbeeld een belangrijke rol speelt, op grond van deze bepaling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en dus verboden zijn?” |
|
4. |
Ten slotte heb ik de indruk dat het kernprobleem in het hoofdgeding de vraag is of er, nadat de Commissie de distributiestelsels heeft beoordeeld, nog ruimte is voor de toepassing van genoemde — strengere — Franse bepalingen betreffende verkoopweigering, volgens welke een beroep op dergelijke selectieve distributiestelsels klaarblijkelijk is uitgesloten. In dit verband moet worden nagegaan of er werkelijk overeenkomstig het gemeenschapsrecht (artikel 85, lid 3) een ontheffing is verleend die als positieve communautaire rechtshandeling niet door afwijkend nationaal recht van haar werking mag worden beroofd. Verder dient men zich af te vragen of er, zelfs indien een dergelijke ontheffing niet is verleend, gemeenschapsrechtelijke argumenten tegen de toepassing van het nationale recht pleiten. Daarbij kan bijvoorbeeld — doch niet uitsluitend — worden gedacht aan de toepassing van verordening nr. 67/67, betreffende de groepsvrijstelling (PB 1967, nr. 57, blz. 849) of aan de rechtsgevolgen van tijdig bij de Commissie aangemelde overeenkomsten. |
II — Na deze inleidende opmerkingen, ga ik thans op de afzonderlijke vragen in, die op grond van de verwijzingsbeschikkingen voor behandeling in aanmerking komen.
|
1. |
Voorop staat logisch gezien de vraag of artikel 85, lid 1, van toepassing is op distributiestelsels waarbij niet iedere geïnteresseerde detailhandelaar wordt bevoorraad, maar waarbij op grond van kwalitatieve en kwantitatieve criteria wordt geselecteerd. Voor de kwalitatieve selectiecriteria kan worden verwezen naar het arrest in zaak 26/76 (Metro SB-Großmärkte GmbH & Co. KG, arrest van 25 oktober 1977, Ju-rispr. 1977, blz. 1875). Hierin werd in het algemeen benadrukt dat men voor de toepassing van artikel 85 in het oog moet houden dat de aard en de intensiteit van de mededinging kunnen variëren naar gelang van de betrokken produkten en de economische structuur van de betrokken marktsectoren. Selectieve distributiestelsels zouden derhalve verenigbaar kunnen zijn met artikel 85, lid 1, — en dat geldt dan ook voor de daarmee verbonden controlemaatregelen —, wanneer de keuze van wederverkopers plaatsvindt op grond van objectieve criteria van kwalitatieve aard. Het is zeker zonder meer voorstelbaar dat dit ook kan gelden voor de parfumeriesector, waarin de producenten vrij zijn om hun cliëntele te definiëren en waarin bekende merken opereren die een exclusief image hebben. Dat men hier waarde hecht aan een zeker niveau van de wederverkopers kan, gezien de aard der produkten, — hun hoge kwaliteit en versheid moeten gewaarborgd zijn en er moet gezorgd worden voor deskundig advies — even gerechtvaardigd zijn als bij de technisch hoogwaardige produkten die in de zaak Metro aan de orde waren en waarvoor eveneens het prestige van het merk beslissend was. Voor zover naast de kwalitatieve ook kwantitatieve selectiecriteria worden toegepast — toelating van een beperkt aantal wederverkopers in een bepaald gebied, afhankelijk van de koopkracht, teneinde voor eenieder een zekere rentabiliteit te verzekeren — kan zeker niet worden ontkend, dat daardoor binnen de kring van de handelaren die aan de kwalitatieve voorwaarden voldoen een beperking van de mededinging ontstaat. Ook kan gesproken worden van een beperking van de mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, sub b, en wel omdat de erkende wederverkopers beperkt zijn in hun afzetmogelijkheden doordat levering aan handelaren buiten het net uitgesloten is. Hieruit volgt echter nog niet dwingend dat artikel 85, lid 1, inderdaad van toepassing is. Volgens de rechtspraak komt het er namelijk op aan of de handel tussen Lid-Staten en de mededinging merkbaar ongunstig worden beïnvloed (arrest van 30 juni 1966, zaak 56/65, Société Technique Minière, Jurispr. 1966, biz. 391, en arrest van 25 november 1971, zaak 22/71, Béguelin Import Co. e. a., Jurispr. 1971, blz. 949). Voor deze beoordeling zijn de economische en juridische nevenomstandigheden van een overeenkomst van belang (arrest van 12 december 1967, zaak 23/67, Brasserie de Haecht, Jurispr. 1967, blz. 511 en zaak 22/71 — Béguelin). Hierbij moet rekening worden gehouden met het geheel van objectieve omstandigheden — feitelijk en rechtens — en met de economische omstandigheden waarin een overeenkomst moet worden uitgevoerd (zie de reeds geciteerde zaak 56/65 en het arrest van 6 mei 1971, zaak 1/71, SA Cadillon, Jurispr. 1971, blz. 351). Het bestaan van soortgelijke overeenkomsten van dezelfde producent met concessiehouders in andere Lid-Staten is wat dit betreft bepalend (zaken 23/67 en 22/71). Ook een vergelijkbare praktijk van andere concurrerende producenten is van groot belang. Voorts moet gekeken worden naar de positie van de betrokkene op de markt (arrest van 9 juli 1969, zaak 5/69, Völk, Jurispr. 1969, blz. 295, en de reeds genoemde zaak 1/71). Ten slotte is ook van belang of voor de betrokken produkten handelsbelemmeringen worden gecreëerd (zaak 56/65). Op grond van hetgeen in deze procedure vooral door de uiteenzettingen van de Commissie bekend is geworden over de geringe omvang van het marktaandeel van de afzonderlijke parfumfabrikanten, over de omvang van het net van erkende detailhandelaren, over het aanzienlijk aantal concurrerende producenten, maar ook over het feit dat de erkende handelaren over de grenzen van de Lid-Staten heen mogen leveren en de verkoopprijzen vrij mogen bepalen, is het zeer wel voorstelbaar dat de distributiestelsels die in de hoofdgedingen aan de orde zijn, geen merkbare effecten hebben in de zin van de genoemde rechtspraak. Dit is althans de beoordeling waartoe — zoals uitdrukkelijk werd medegedeeld — de diensten van de Commissie zijn gekomen. Nu is deze beoordeling voor de verwijzende rechter niet bindend. Daar artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk is en nergens is bepaald dat de uitsluitende bevoegdheid daartoe bij de gemeenschapsinstellingen berust, moet hij zich op dit punt veeleer een eigen oordeel vormen, en daarbij is het natuurlijk niet uit te sluiten — zij het onwaarschijnlijk —, dat hij bij een nauwkeurig onderzoek van alle, inmiddels wellicht gewijzigde, feiten tot een andere beoordeling komt. |
|
2. |
Zou de verwijzende rechter op grond van dergelijke overwegingen tot de overtuiging komen dat de distributiestelsels onder artikel 85, lid 1, vallen, dan komen vervolgens de vragen aan de orde of wellicht verordening nr. 67/67 betreffende de groepsvrijstelling toepassing kan vinden, of men feitelijk niet ervan moet uitgaan dat de Commissie een ontheffingsbeschikking in de zin van artikel 85, lid 3, heeft gegeven, en ten slotte, of er eigenlijk sprake kan zijn van toepassing van artikel 85, lid 3, of dat dit in dergelijke gevallen met zekerheid kan worden uitgesloten.
|
|
3. |
Dan kom ik thans nog tot een laatste vragencomplex uit de verwijzingsbeschikking, dat in de ogen van de verwijzende rechter wel het belangrijkste is. Volgens hem gaat het om de toepassing van de Franse bepalingen over „refus de vente”, — met de daarbij behorende strafsancties —, die in overweging wordt genomen, hoewel de selectieve distributiestelsels die de verkoopweigering moeten rechtvaardigen, door de Commissie in het licht van het gemeenschapsrecht positief zijn beoordeeld. Op grond van het voorafgaande, staat hierbij de vraag centraal of de toepassing van het strengere nationale recht denkbaar is, wanneer het gemeenschapsrecht niet ingrijpt doordat de in artikel 85, lid 1, genoemde voorwaarden niet aanwezig zijn. In de tweede plaats zou ook op het probleem ingegaan moeten worden hoe de situatie ligt wanneer artikel 85, lid 1, tóch van toepassing is. Daarbij valt niet alleen te denken aan de nietigheid die hiervan krachtens artikel 85, lid 2, het gemeenschapsrechtelijk gevolg is, maar ook aan de juridische rechtsgevolgen van tijdig aangemelde oude kartels en aan de eventueel bestaande noodzaak om een nationale procedure te schorsen wanneer er een kans op een ontheffingsbeschikking van de Commissie lijkt te bestaan.
|
III — Samenvattend concludeer ik derhalve, de vragen van het Tribunal de grande instance te Parijs te beantwoorden als volgt:
|
1. |
De brieven, die op 28 oktober 1975, 26 maart 1976, 22 september 1976 en 20 januari 1978 aan de in een strafproces voor het Tribunal de grande instance te Parijs verwikkelde parfumfabrikanten zijn gericht en door de Directeur-generaal Concurrentie, respectievelijk door een directeur van dit directoraat-generaal zijn ondertekend, bevatten geen ontheffingsbeschikkingen in de zin van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag, maar brengen slechts de mening tot uiting, dat er op grond van de destijds bekende feiten geen aanleiding bestond tot een optreden krachtens artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. |
|
2. |
Of artikel 85, lid 1, van toepassing is op een verkooporganisatie die niet alleen op kwalitatieve, maar ook op kwantitatieve selectiecriteria berust, moet aan de hand van de juridische en economische context in zijn geheel worden beoordeeld (aard van de produkten, marktaandeel van de producent, aantal concurrenten en hun positie op de markt, aanwezigheid van soortgelijke distributieovereenkomsten, het bestaan van clausules die het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloeden en de vrije prijsvorming uitsluiten); op grond hiervan moet worden vastgesteld of gesproken kan worden van een merkbare ongunstige beïnvloeding van de mededinging en een merkbare ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten. |
|
3. |
Zijn de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, aanwezig, dan kan een dergelijke verkooporganisatie door de nationale rechter op grond van het gemeenschapsrecht slechts dan als ongeldig worden beschouwd, wanneer verordening nr. 67/67 van 22 maart 1967 niet van toepassing is, wanneer het niet gaat om voorlopig geldige oude overeenkomsten en wanneer absoluut vaststaat, dat artikel 85, lid 3, niet kan worden toegepast, wanneer er derhalve geen redelijke aanleiding bestaat om hierover het standpunt van de Commissie in te winnen. |
|
4. |
Zijn de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, op een selectieve verkooporganisatie niet aanwezig, dan staat aan de toepassing van het nationale recht in een dergelijk geval niets in de weg. Zijn de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1, aanwezig, dan kan het nationale recht slechts op dergelijke overeenkomsten worden toegepast, indien en voor zover daardoor niet de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht wordt aangetast en de werking van eventueel ter uitvoering daarvan getroffen maatregelen niet in gevaar wordt gebracht. |
( 1 ) Vertaald uit het Duits.