32002E0400

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 21 mei 2002 betreffende de tijdelijke opvang van een aantal Palestijnen door lidstaten van de Europese Unie

Publicatieblad Nr. L 138 van 28/05/2002 blz. 0033 - 0034


VERTALING

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

van 21 mei 2002

betreffende de tijdelijke opvang van een aantal Palestijnen door lidstaten van de Europese Unie

(2002/400/GBVB)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De vreedzame ontruiming van de Geboortekerk in Betlehem, overeenkomstig het akkoord tussen de Palestijnse Autoriteit en de Israëlische regering van 5 mei 2002, en de flankerende regelingen of unilaterale toezeggingen van de partijen bij dat akkoord, vormt een significante inspanning om de crisissituatie in de regio te verlichten en de dialoog tussen de partijen te herstellen.

(2) Het akkoord tussen de Palestijnse Autoriteit en de Israëlische regering houdt in dat 13 personen uit een groep Palestijnen die de Geboortekerk hebben ontruimd ermee hebben ingestemd naar het buitenland te worden overgebracht, en dat de Israëlische regering, de Palestijnse Autoriteit en de overige betrokken partijen hebben aanvaard dat de 13 bovengenoemde Palestijnen naar het buitenland worden overgebracht. Van hen zullen er 12 worden opgevangen door lidstaten, de dertiende blijft in de Republiek Cyprus.

(3) De Europese Unie heeft zich ertoe verbonden alle mogelijke inspanningen te leveren om bij te dragen tot de totstandkoming van een duurzame vrede en vriendschappelijke betrekkingen tussen het Israëlische en het Palestijnse volk, zulks overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. Om tot die inspanning bij te dragen en in het licht van het akkoord tussen de Israëlische regering, de Palestijnse Autoriteit en de overige betrokken partijen over de overbrenging van de 13 voornoemde Palestijnen naar het buitenland, hebben verscheidene lidstaten zich bereid verklaard om op tijdelijke basis en louter uit humanitaire overwegingen, op hun grondgebied één of meer van die Palestijnen die daarmee hebben ingestemd, op te vangen.

(4) Alhoewel de besluiten waarbij voor elk van de betrokken personen uit humanitaire overwegingen toegang wordt verleend tot het grondgebied of een verblijfsrecht wordt toegekend, zonder dat zulks de betrokkenen het recht verleent om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te bewegen, onder de bevoegdheid vallen van elke ontvangende lidstaat, is het toch belangrijk dat op het niveau van de Europese Unie een gemeenschappelijke aanpak wordt gevolgd met betrekking tot sommige aspecten van die besluiten.

(5) Het is met name wenselijk ervoor te zorgen dat de betrokkenen in elke ontvangende lidstaat een vergelijkbare behandeling krijgen voor wat betreft de duur van hun verblijfsvergunning en de bescherming van hun veiligheid en van die van anderen, en dat de betrokken lidstaten te dien einde informatie uitwisselen.

(6) In het kader van de uitoefening van hun verantwoordelijkheden met betrekking tot de handhaving van recht en orde en van hun binnenlandse veiligheid, houden de ontvangende lidstaten rekening met de bezorgdheden van andere lidstaten op het gebied van openbare orde en veiligheid. De ontvangende lidstaten verklaren zich derhalve bereid de Palestijnen die zij hebben opgevangen en die zich illegaal zouden ophouden op het grondgebied van een andere lidstaat of geen toestemming zouden hebben om aldaar te verblijven, opnieuw tot hun grondgebied toe te laten.

(7) Het is wenselijk om op het niveau van de Europese Unie na verloop van een redelijke termijn te evalueren hoe de opvang van de 12 Palestijnen in de betrokken lidstaten in de praktijk functioneert en na te gaan welke vragen eventueel zijn gerezen in verband met de toepassing van dit instrument,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

Dit gemeenschappelijk standpunt heeft betrekking op 12 van de 13 Palestijnen die behoren tot de groep van Palestijnen waarover op 5 mei 2002 een memorandum van overeenstemming is bereikt tussen de Palestijnse Autoriteit en de Israëlische regering met betrekking tot de vreedzame ontruiming van de Geboortekerk in Betlehem, en die ermee hebben ingestemd tijdelijk te worden overgebracht naar en te worden opgevangen door lidstaten van de Europese Unie.

Artikel 2

Van de 13 in artikel 1 bedoelde Palestijnen zullen er 12 tijdelijk en louter uit humanitaire overwegingen worden opgevangen door de onderstaande lidstaten: België, Griekenland, Ierland, Italië, Portugal en Spanje.

Artikel 3

Elk van de in artikel 2 bedoelde lidstaten verleent de Palestijnen die hij opvangt een nationale vergunning om zijn grondgebied te betreden en daar voor een periode van hoogstens twaalf maanden te verblijven.

De geldigheid van die vergunning blijft beperkt tot het grondgebied van de betrokken lidstaat, die passende maatregelen treft in dit verband. De afgifte van de vergunning kan worden onderworpen aan bepaalde voorwaarden die door de betrokken Palestijnen voor hun aankomst moeten worden aanvaard.

Artikel 4

Elke in artikel 2 bedoelde lidstaat treft overeenkomstig zijn nationaal rechtsstelsel passende maatregelen ter bescherming van de persoonlijke veiligheid van de Palestijnen die hij ontvangt en om ervoor te zorgen dat zij de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van de lidstaten niet in gevaar kunnen brengen.

Artikel 5

Naast hun verplichtingen uit hoofde van de vigerende bepalingen van het Gemeenschapsrecht en van besluiten die zijn aangenomen krachtens Titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wisselen de lidstaten onderling alle informatie uit die dienstig is voor de correcte toepassing van de maatregelen die zijn getroffen overeenkomstig dit gemeenschappelijk standpunt, met inbegrip van alle informatie die nodig kan zijn voor de identificatie van de in artikel 1 bedoelde personen.

Artikel 6

Alle vraagstukken in verband met huisvesting, levensomstandigheden, betrekkingen met familieleden, toegang tot werkgelegenheid en tot beroepsopleiding, vallen onder de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat. De in artikel 2 bedoelde lidstaten verschaffen elkaar, en op verzoek ook de overige lidstaten, alle ter zake doende informatie over deze vraagstukken, teneinde waar mogelijk te zorgen voor een vergelijkbare behandeling.

Artikel 7

Indien een in artikel 2 bedoelde lidstaat voor een Palestijn die hij op zijn grondgebied opvangt, een uitleveringsverzoek zou ontvangen van een derde staat, stelt hij de overige lidstaten daarvan onverwijld in kennis. Alvorens een standpunt in te nemen met betrekking tot het antwoord dat, overeenkomstig de nationale rechtspraktijk op een dergelijk uitleveringsverzoek moet worden gegeven, raadpleegt de betrokken lidstaat de overige lidstaten in het kader van de Raad om de situatie te beoordelen en te bezien of de lidstaten ter zake een gemeenschappelijke beleidslijn kunnen vinden.

Artikel 8

De Raad blijft dit gemeenschappelijk standpunt toetsen en evalueert de toepassing ervan uiterlijk 11 maanden na de aanneming van het gemeenschappelijk standpunt, dan wel eerder, indien een van zijn leden hierom verzoekt.

Artikel 9

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt van kracht op de dag van zijn aanneming.

Artikel 10

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt in het Publicatieblad bekendgemaakt.

Gedaan te Brussel, 21 mei 2002.

Voor de Raad

De voorzitter

J. Piqué I Camps