31.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 392/1


VERORDENING (EG) nr. 2236/2004 VAN DE COMMISSIE

van 29 december 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1725/2003 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat de IFRS 1, 3, 4 en 5, de IAS 1, 10, 12, 14, 16 tot en met 19, 22, 27, 28 en 31 tot en met 41 en de SIC 9, 22, 28 en 32 betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name op artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1725/2003 van de Commissie (2) werd een aantal op 1 september 2002 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd.

(2)

Op 31 maart 2004 heeft de IASB onder meer drie nieuwe standaarden, namelijk de International Financial Reporting Standards (IFRS) 3, 4 en 5, en twee herziene standaarden, namelijk de International Accounting Standards (IAS) 36 en 38, met de uit de nieuwe IFRS voortvloeiende wijzigingen gepubliceerd. Deze nieuwe standaarden vervolledigen het „stabiele platform”, d.w.z. het samenstel van standaarden dat beursgenoteerde ondernemingen vanaf 1 januari 2005 moeten toepassen bij de opstelling van hun geconsolideerde jaarrekening. De algemene bedoeling is de kwaliteit van de IAS te verbeteren en de wereldwijde convergentie van standaarden voor jaarrekeningen te bevorderen.

(3)

Overleg met technische deskundigen terzake heeft uitgewezen dat de nieuwe IFRS en de herziene IAS beantwoorden aan de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vervatte technische goedkeuringscriteria, en met name aan het vereiste dat zij het Europees openbaar belang moeten dienen.

(4)

De goedkeuring van IAS 36 brengt met zich dat de bij Verordening (EG) nr. 1725/2003 goedgekeurde IAS 16 moet worden gewijzigd teneinde de samenhang tussen de genoemde standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen.

(5)

De goedkeuring van de IFRS 3, 4 en 5 brengt met zich dat andere internationale standaarden voor jaarrekeningen en interpretaties moeten worden gewijzigd teneinde de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen. Deze dienovereenkomstige wijzigingen hebben betrekking op IFRS 1, de IAS 1, 10, 12, 14, 16 tot en met 19, 27, 28, 31 tot en met 34 en 36 tot en met 41 en interpretatie 32 van het Standing Interpretations Committee (SIC). Voorts maakt de goedkeuring van IFRS 3 IAS 22 en de SIC 9, 22 en 28 overbodig; deze dienen derhalve te worden vervangen. Bovendien zou de goedkeuring van IFRS 5 moeten leiden tot de vervanging van IAS 35.

(6)

Verordening (EG) nr. 1725/2003 dient derhalve dienovereenkomstig te worden aangepast.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1725/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

International Accounting Standard (IAS) 22 en de interpretaties 9, 22 en 28 van het Standing Interpretations Committee (SIC) worden vervangen door de in de bijlage bij deze verordening opgenomen International Financial Reporting Standard (IFRS) 3 (Bedrijfscombinaties).

2)

De in de bijlage van deze verordening opgenomen IFRS 4 (Verzekeringscontracten) wordt ingevoegd.

3)

IAS 35 wordt vervangen door de in de bijlage bij deze verordening opgenomen IFRS 5 (Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten).

4)

IAS 36 en IAS 38 worden vervangen door de in de bijlage bij deze verordening opgenomen IAS 36 en IAS 38.

5)

De goedkeuring van IFRS 3 brengt met zich dat IFRS 1, de IAS 12, 14, 16, 19, 27, 28, 31, 32, 33, 34, 37 en 39 en SIC 32 moeten worden gewijzigd teneinde de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen.

6)

De goedkeuring van IFRS 4 brengt met zich dat IFRS 1 en de IAS 18, 19, 32, 37, 39 en 40 moeten worden gewijzigd teneinde de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen.

7)

De goedkeuring van IFRS 5 brengt met zich dat IFRS 1, IFRS 3 en de IAS 1, 10, 16, 17, 27, 28, 31, 36, 37, 38, 40 en 41 moeten worden gewijzigd teneinde de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van uiterlijk 1 januari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 december 2004.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie


(1)   PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(2)   PB L 261 van 13.10.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2086/2004 (PB L 363 van 9.12.2004, blz. 1).


BIJLAGE

INTERNATIONAL FINANCIAL REPORTING STANDARDS

Nummer

Titel

IFRS 3

Bedrijfscombinaties

IFRS 4

Verzekeringscontracten

IFRS 5

Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten

IAS 36

Bijzondere waardevermindering van activa

IAS 38

Immateriële activa

Reproductie toegestaan binnen de Europese Economische Ruimte (EER). Alle bestaande rechten voorbehouden buiten de EER, met uitzondering van het recht van reproductie voor persoonlijk of ander eerlijk gebruik. Nadere inlichtingen te verkrijgen bij de IASB op het volgende adres: www.iasb.org.uk.

INTERNATIONAL FINANCIAL REPORTING STANDARD 3

Bedrijfscombinaties

INHOUD

Doel 1
Toepassingsgebied 2-13
Identificatie van een bedrijfscombinatie 4-9
Bedrijfscombinaties waarbij entiteiten waarover gezamenlijk de zeggenschap wordt uitgeoefend betrokken zijn 10-13
Verwerkingsmethode 14-15
Toepassing van de overnamemethode 16-65
Identificatie van de overnemende partij 17-23
Kostprijs van een bedrijfscombinatie 24-35
Aanpassingen van de kostprijs van een bedrijfscombinatie die afhankelijk is van toekomstige gebeurtenissen 32-35
Toerekening van de kostprijs van een bedrijfscombinatie aan de verworven activa en overgenomen verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen 36-60
Identificeerbare activa en verplichtingen van de overgenomen partij 41-44
Immateriële activa van de overgenomen partij 45-46
Voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij 47-50
Goodwill 51-55
De waarde waarmee het belang van de overnemende partij in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij de kostprijs overtreft 56-57
Een bedrijfscombinatie die in fasen tot stand komt 58-60
Eerste verwerking op basis van voorlopige waarden 61-65
Aanpassingen nadat de eerste verwerking afgerond is 63-64
Opname van uitgestelde belastingvorderingen nadat de eerste verwerking afgerond is 65
Informatieverschaffing 66-77
Overgangsbepalingen en ingangsdatum 78-85
Voorheen opgenomen goodwill 79-80
Voorheen opgenomen negatieve goodwill 81
Voorheen opgenomen immateriële activa 82
Investeringen verwerkt volgens de ‘equity’-methode 83-84
Beperkte retroactieve toepassing 85
Intrekking van andere uitspraken 86-87

DOEL

1.

Het doel van deze International Financial Reporting Standard is om voorschriften te verstrekken ten aanzien van de verslaggeving door een entiteit wanneer deze een bedrijfscombinatie aangaat. De standaard specificeert in het bijzonder dat alle bedrijfscombinaties verwerkt dienen te worden door toepassing van de overnamemethode. Daarom neemt de overnemende partij de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij op tegen hun reële waarde op de datum van overname, alsook goodwill die later getoetst wordt op een bijzondere waardevermindering in plaats van te worden afgeschreven.

TOEPASSINGSGEBIED

2.

Behoudens de bepalingen in alinea 3, dienen entiteiten deze IFRS toe te passen bij het verwerken van bedrijfscombinaties.

3.

Deze IFRS is niet van toepassing op:

(a)

bedrijfscombinaties waarin afzonderlijke entiteiten of bedrijfsactiviteiten samengebracht zijn om een joint venture te vormen;

(b)

bedrijfscombinaties waarbij entiteiten of bedrijfsactiviteiten waarover gezamenlijk de zeggenschap wordt uitgeoefend betrokken zijn;

(c)

bedrijfscombinaties waarbij twee of meer gemeenschappelijke entiteiten betrokken zijn;

(d)

bedrijfscombinaties waarin afzonderlijke entiteiten of bedrijfsactiviteiten samengebracht zijn om een verslaggevende entiteit te vormen, enkel op basis van een contract zonder het eigendomsbelang te verkrijgen (bijvoorbeeld combinaties waarin afzonderlijke entiteiten samengebracht zijn enkel op basis van een contract om een dubbelgenoteerde vennootschap te vormen).

Identificatie van een bedrijfscombinatie

4.

Een bedrijfscombinatie is het samenbrengen van afzonderlijke entiteiten of bedrijfsactiviteiten in één verslaggevende entiteit. Het resultaat van bijna alle bedrijfscombinaties is dat één entiteit, de overnemende partij, zeggenschap verkrijgt over een of meer bedrijfsactiviteiten, de overgenomen partij. Indien een entiteit zeggenschap verkrijgt over een of meer andere entiteiten die geen bedrijfsactiviteiten zijn, is het samenbrengen van deze entiteiten geen bedrijfscombinatie. Als een entiteit een groep van activa of nettoactiva verwerft die geen bedrijfsactiviteit vormen, dient zij de kostprijs van de groep aan de individuele, identificeerbare activa en verplichtingen van de groep toe te rekenen, op basis van hun relatieve reële waarde op de overnamedatum.

5.

Een bedrijfscombinatie kan op verschillende manieren gestructureerd zijn vanwege juridische, fiscale of andere overwegingen. Een bedrijfscombinatie kan de aankoop door een entiteit van de aandelen van een andere entiteit inhouden, de aankoop van alle nettoactiva van een andere entiteit, de overname van de verplichtingen van een andere entiteit of de aankoop van sommige nettoactiva van een andere entiteit die samen een of meer bedrijfsactiviteiten vormen. Een bedrijfscombinatie kan tot stand komen door uitgifte van eigen-vermogensinstrumenten, door overdracht van geldmiddelen, kasequivalenten of andere activa of een combinatie daarvan. De transactie kan plaatsvinden tussen de aandeelhouders van de samengevoegde entiteiten of tussen één entiteit en de aandeelhouders van een andere entiteit. Het kan de oprichting met zich meebrengen van een nieuwe entiteit om zeggenschap, respectievelijk de beschikkingsmacht uit te oefenen over de samengevoegde entiteiten of over de overgedragen nettoactiva, of de reorganisatie van een of meer van de samengevoegde entiteiten.

6.

Een bedrijfscombinatie kan resulteren in een moeder-dochterrelatie waarin de overnemende partij de moedermaatschappij is en de overgenomen partij een dochteronderneming is van de overnemende partij. In dergelijke omstandigheden past de overnemende partij deze IFRS toe in haar geconsolideerde jaarrekening. Ze neemt haar belang in de overgenomen partij op als een investering in een dochteronderneming in elke enkelvoudige jaarrekening die zij opstelt (zie IAS 27 Geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening).

7.

Een bedrijfscombinatie kan de aankoop inhouden van de nettoactiva, met inbegrip van enige goodwill, van een andere entiteit in plaats van de aankoop van de aandelen van de andere entiteit. Een dergelijke combinatie resulteert niet in een moeder-dochterrelatie.

8.

Opgenomen in de definitie van een bedrijfscombinatie, en derhalve in het toepassingsgebied van deze IFRS, zijn bedrijfscombinaties waarin een entiteit zeggenschap verkrijgt over een andere entiteit, maar waarvan de datum waarop deze zeggenschap verkregen wordt (dat wil zeggen de overnamedatum) niet samenvalt met de datum of de data waarop het eigendomsbelang verkregen wordt (dat wil zeggen de ruildatum of de ruildata). Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een deelneming contracten afsluit met sommige van haar investeerders om aandelen terug te kopen, als gevolg waarvan zij zeggenschap heeft over de wijzigingen in de deelneming.

9.

Deze IFRS specificeert niet de verwerking door deelnemers in een joint venture van belangen in joint ventures (zie IAS 31 Belangen in joint ventures).

Bedrijfscombinaties waarbij entiteiten waarover gezamenlijk de zeggenschap wordt uitgeoefend betrokken zijn

10.

Een bedrijfscombinatie waarbij entiteiten of bedrijfsactiviteiten waarover gezamenlijke de zeggenschap wordt uitgeoefend betrokken zijn, is een bedrijfscombinatie waarin de uiteindelijke zeggenschap over alle samengevoegde entiteiten of bedrijfsactiviteiten uitgeoefend wordt door dezelfde partij of partijen, zowel voor als na de bedrijfscombinatie, en die zeggenschap niet tijdelijk is.

11.

Een groep personen dient beschouwd te worden zeggenschap uit te oefenen over een entiteit wanneer, als gevolg van contractuele afspraken, zij gezamenlijk de macht hebben om haar financiële en operationele beleid te sturen teneinde voordelen te verkrijgen uit haar activiteiten. Om die reden valt een bedrijfscombinatie niet onder het toepassingsgebied van deze IFRS wanneer dezelfde groep van personen uit hoofde van contractuele afspraken gezamenlijk de uiteindelijke macht heeft om het financiële en operationele beleid van elke samengevoegde entiteit te sturen teneinde voordelen te verkrijgen uit hun activiteiten, en die uiteindelijke gezamenlijke macht niet tijdelijk is.

12.

Een natuurlijk persoon of een groep van natuurlijke personen die uit hoofde van een contractuele afspraak handelen kan zeggenschap uitoefenen over een entiteit en die natuurlijke persoon of groep van personen is mogelijk niet onderworpen aan de vereisten van de International Financial Reporting Standards inzake financiële verslaggeving. Om die reden hoeven samengevoegde entiteiten niet opgenomen te worden in dezelfde geconsolideerde jaarrekening om een bedrijfscombinatie te beschouwen als een bedrijfscombinatie waarin entiteiten betrokken zijn waarover gezamenlijk de zeggenschap wordt uitgeoefend.

13.

De mate waarin voor en na de totstandkoming van een bedrijfscombinatie minderheidsbelangen worden aangehouden in elk van de samengevoegde entiteiten is niet relevant bij de bepaling of in de bedrijfscombinatie entiteiten betrokken zijn waarover gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend. Het is evenmin relevant bij de bepaling of in een bedrijfscombinatie entiteiten betrokken zijn waarover de gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend, wanneer één van de samengevoegde entiteiten een dochteronderneming is die niet opgenomen wordt in de geconsolideerde jaarrekening van de groep overeenkomstig IAS 27.

VERWERKINGSMETHODE

14.

Alle bedrijfscombinaties dienen te worden verwerkt door de overnamemethode toe te passen.

15.

De overnamemethode beschouwt een bedrijfscombinatie vanuit het standpunt van de samengevoegde entiteit die wordt aangemerkt als de overnemende partij. De overnemende partij koopt nettoactiva en neemt de verworven activa en de overgenomen verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen op, met inbegrip van die welke voorheen niet door de overgenomen partij werden opgenomen. De waardering van de activa en verplichtingen van de overnemende partij wordt niet beïnvloed door de transactie, en additionele activa of verplichtingen van de overnemende partij worden niet opgenomen als gevolg van de transactie, aangezien deze niet het voorwerp van de transactie zijn.

TOEPASSING VAN DE OVERNAMEMETHODE

16.

Toepassing van de overnamemethode houdt de volgende stappen in:

(a)

identificatie van de overnemende partij;

(b)

bepalen van de kostprijs van de bedrijfscombinatie;

en

(c)

toerekening, op de overnamedatum, van de kostprijs van de bedrijfscombinatie aan de verworven activa en overgenomen verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen.

Identificatie van de overnemende partij

17.

Een overnemende partij dient te worden geïdentificeerd voor alle bedrijfscombinaties. De overnemende partij is de samengevoegde entiteit die zeggenschap verkrijgt over de andere samengevoegde entiteiten of bedrijfsactiviteiten.

18.

Aangezien de overnamemethode een bedrijfscombinatie bekijkt vanuit het standpunt van de overnemende partij, veronderstelt de methode dat één van de aan de transactie deelnemende partijen geïdentificeerd kan worden als de overnemende partij.

19.

Zeggenschap is de macht om het financiële en operationele beleid van een entiteit of bedrijfsactiviteit te sturen teneinde voordelen te verkrijgen uit haar activiteiten. Een samengevoegde entiteit wordt verondersteld zeggenschap te hebben verkregen over een andere samengevoegde entiteit wanneer ze meer dan de helft van de stemrechten van die andere entiteit verwerft, tenzij kan worden aangetoond dat een dergelijke eigendom geen zeggenschap inhoudt. Zelfs indien één van de samengevoegde entiteiten niet meer dan de helft van de stemrechten van een andere samengevoegde entiteit verwerft, heeft zij mogelijk de zeggenschap verkregen over die andere entiteit indien, als gevolg van de bedrijfscombinatie, zij:

(a)

krachtens een overeenkomst met andere investeerders zeggenschap verkrijgt over meer dan de helft van de stemrechten van de andere entiteit;

of

(b)

op grond van statuten of een overeenkomst zeggenschap verkrijgt over het financiële en operationele beleid van de andere entiteit;

of

(c)

de macht verkrijgt om de meerderheid van de leden van de raad van bestuur of het equivalente bestuurlijk orgaan van de andere entiteit te benoemen of te ontslaan;

of

(d)

de meerderheid van de stemmen kan uitbrengen op de vergaderingen van de raad van bestuur of van het equivalente bestuurlijk orgaan van de andere entiteit.

20.

Hoewel het soms niet eenvoudig is om een overnemende partij te identificeren, zijn er doorgaans aanwijzingen dat er één bestaat. Voorbeelden:

(a)

indien de reële waarde van één van de samengevoegde entiteiten aanzienlijk hoger is dan de reële waarde van de andere samengevoegde entiteit, is de entiteit met de hoogste reële waarde waarschijnlijk de overnemende partij;

(b)

indien de bedrijfscombinatie tot stand komt via een ruil van gewone eigen-vermogensinstrumenten waaraan stemrechten verbonden zijn tegen geldmiddelen of andere activa, is de entiteit die de geldmiddelen betaalt of andere activa opgeeft waarschijnlijk de overnemende partij;

en

(c)

indien uit de bedrijfscombinatie een management ontstaat in één van de samengevoegde entiteiten dat in staat is de selectie van het managementteam van de resulterende samengevoegde entiteit te domineren, dan is de entiteit waarvan het management deze dominante invloed kan uitoefenen waarschijnlijk de overnemende partij.

21.

In een bedrijfscombinatie die tot stand is gekomen via een ruil van aandelen, is de entiteit die de aandelen uitgeeft normaliter de overnemende partij. Alle relevante feiten en omstandigheden dienen echter in aanmerking te worden genomen bij de bepaling welke samengevoegde entiteit de macht heeft om het financiële en operationele beleid van de andere entiteit (of entiteiten) te sturen teneinde voordelen uit haar (hun) activiteiten te verkrijgen. In bepaalde bedrijfscombinaties, veelal omgekeerde overnames genoemd, is de overnemende partij de entiteit waarvan de aandelen zijn overgenomen en is de uitgevende entiteit de overgenomen partij. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een niet-beursgenoteerde entiteit maatregelen treft om zichzelf ‘te laten overnemen’ door een kleinere, beursgenoteerde entiteit teneinde een beursnotering te verkrijgen. Hoewel volgens de wet de beursgenoteerde, uitgevende entiteit beschouwd wordt als de moedermaatschappij en de niet-beursgenoteerde entiteit als de dochteronderneming, is de juridische dochteronderneming de overnemende partij als zij de macht heeft om het financiële en operationele beleid van de juridische moedermaatschappij te sturen teneinde voordelen uit haar activiteiten te verkrijgen. Doorgaans is de overnemende partij de grootste entiteit, hoewel feiten en omstandigheden met betrekking tot een bedrijfscombinatie soms aangeven dat een kleinere entiteit een grotere entiteit overneemt. Leidraden voor de verwerking van omgekeerde overnames worden verstrekt in alinea’s B1 tot en met B15 van Bijlage B.

22.

Wanneer een nieuwe entiteit opgericht is om eigen-vermogensinstrumenten uit te geven voor de totstandkoming van een bedrijfscombinatie, dient één van de samengevoegde entiteiten die vóór de bedrijfscombinatie bestond, te worden geïdentificeerd als de overnemende partij op grond van de beschikbare aanwijzingen.

23.

Indien meer dan twee samengevoegde entiteiten betrokken zijn bij een bedrijfscombinatie, dient één van de samengevoegde entiteiten die voor de totstandkoming van de bedrijfscombinatie bestond, te worden geïdentificeerd als de overnemende partij op grond van de beschikbare aanwijzingen. Bij de bepaling welke de overnemende partij is dient in dergelijke gevallen ook onder meer rekening te worden gehouden met de vraag welke samengevoegde entiteit de initiatiefnemer is geweest van de bedrijfscombinatie en of de activa of opbrengsten van één van de samengevoegde entiteiten in belangrijke mate die van de andere entiteiten overschrijden.

Kostprijs van een bedrijfscombinatie

24.

De overnemende partij dient de kostprijs van een bedrijfscombinatie te waarderen als het totaal van:

(a)

de reële waarde, op de datum van de ruil, van afgestane activa, aangegane of overgenomen verplichtingen, en van door de overnemende partij uitgegeven eigen-vermogensinstrumenten, in ruil voor zeggenschap over de overgenomen partij;

plus

(b)

alle rechtstreeks aan de bedrijfscombinatie toerekenbare kosten.

25.

De overnamedatum is de datum waarop de overnemende partij feitelijk de zeggenschap verkrijgt over de overgenomen partij. Wanneer dit tot stand is gekomen via één ruiltransactie, komt de ruildatum overeen met de overnamedatum. Een bedrijfscombinatie kan echter meer dan één ruiltransactie inhouden, bijvoorbeeld indien ze in verschillende fasen wordt gerealiseerd door opeenvolgende aankopen van aandelen. Wanneer dit plaatsvindt:

(a)

is de kostprijs van de bedrijfscombinatie gelijk aan de totale kostprijs van de individuele transacties;

en

(b)

is de ruildatum de datum van elke ruiltransactie (dat wil zeggen de datum waarop elk individuele investering opgenomen wordt in de jaarrekening van de overnemende partij), terwijl de overnamedatum de datum is waarop de overnemende partij de zeggenschap over de overgenomen partij verkrijgt.

26.

Afgestane activa en verplichtingen die door de overnemende partij aangegaan of overgenomen zijn in ruil voor zeggenschap over de overgenomen partij, dienen te worden gewaardeerd overeenkomstig alinea 24 tegen hun reële waarde op de ruildatum. Wanneer de afwikkeling van de gehele of gedeeltelijke kostprijs van een bedrijfscombinatie wordt uitgesteld, moet derhalve de reële waarde van die uitgestelde component bepaald worden door de te betalen bedragen te disconteren tot hun contante waarde op de ruildatum, rekening houdend met enig agio of disagio dat waarschijnlijk bij afwikkeling zal ontstaan.

27.

De gepubliceerde prijs op de ruildatum van een beursgenoteerd eigen-vermogensinstrument is de beste indicatie van de reële waarde van het instrument en moet worden gebruikt, tenzij in zeldzame omstandigheden. Andere aanwijzingen en waarderingsmethoden moeten in overweging worden genomen, maar alleen in het zeldzame geval dat de overnemende partij kan aantonen dat de gepubliceerde prijs op de ruildatum een onbetrouwbare indicatie is van de reële waarde, en dat de andere aanwijzingen en waarderingsmethoden een betrouwbaardere maatstaf zijn voor bepaling van de reële waarde van het eigen-vermogensinstrument. De op de ruildatum gepubliceerde prijs is alleen een onbetrouwbare indicatie als deze prijs is beïnvloed door de marktschaarste. Indien de gepubliceerde prijs op de ruildatum een onbetrouwbare indicatie is of indien geen gepubliceerde prijs bestaat voor de door de overnemende partij uitgegeven eigen-vermogensinstrumenten, kan de reële waarde van dergelijke instrumenten bijvoorbeeld worden geschat op basis van hun proportionele belang in de reële waarde van de overnemende partij of op basis van het proportionele belang in de reële waarde van de overgenomen partij, afhankelijk van welke waarde het duidelijkst blijkt. De reële waarde op de ruildatum van monetaire activa die afgestaan zijn aan aandeelhouders van de overgenomen partij als een alternatief voor eigen-vermogensinstrumenten kan ook een aanwijzing vormen voor de totale reële waarde die door de overnemende partij afgestaan is in ruil voor zeggenschap over de overgenomen partij. In elk geval dienen alle aspecten van de bedrijfscombinatie te worden beschouwd, met inbegrip van belangrijke factoren die van invloed zijn op de onderhandelingen. Verdere leidraden voor de bepaling van de reële waarde van eigen-vermogensinstrumenten zijn uiteengezet in IAS 39 Financiële Instrumenten: opname en waardering.

28.

De kostprijs van een bedrijfscombinatie omvat door de overnemende partij aangegane of overgenomen verplichtingen in ruil voor zeggenschap over de overgenomen partij. Verdere verliezen of andere kosten die naar verwachting zullen worden gemaakt als gevolg van een bedrijfscombinatie zijn geen verplichtingen die de overnemende partij aangegaan is of overgenomen heeft in ruil voor zeggenschap over de overgenomen partij en maken daarom geen deel van de kostprijs van de bedrijfscombinatie.

29.

De kostprijs van een bedrijfscombinatie omvat alle rechtstreeks aan de bedrijfscombinatie toerekenbare kosten, zoals honoraria van accountants, juristen, taxateurs en andere consultants die betrekking hebben op de totstandkoming van de bedrijfscombinatie. Algemene administratiekosten, inclusief de kosten van een met overnames belaste afdeling, en andere kosten die niet direct aan de specifieke bedrijfscombinatie die verwerkt wordt, kunnen worden toegerekend, worden niet opgenomen in de kostprijs van de bedrijfscombinatie: ze worden opgenomen als een last op het moment dat ze worden gemaakt.

30.

De kosten voor de regeling en uitgifte van financiële verplichtingen maken integraal deel uit van de uitgiftetransactie van de verplichting, zelfs wanneer de verplichtingen uitgegeven worden om een bedrijfscombinatie tot stand te brengen, en zijn geen kosten die rechtstreeks toerekenbaar zijn aan de bedrijfscombinatie. Om die reden dienen entiteiten dergelijke kosten niet in de kostprijs van een bedrijfscombinatie op te nemen. Overeenkomstig IAS 39 dienen dergelijke kosten te worden opgenomen bij de eerste waardering van de verplichting.

31.

Evenzo maken de kosten voor de uitgifte van eigen-vermogensinstrumenten integraal deel uit van de uitgiftetransactie van eigen-vermogensinstrumenten, zelfs wanneer de eigen-vermogensinstrumenten uitgegeven worden om een bedrijfscombinatie tot stand te brengen, en vormen ze geen kosten die rechtstreeks toerekenbaar zijn aan de bedrijfscombinatie. Om die reden dienen entiteiten dergelijke kosten niet in de kostprijs van een bedrijfscombinatie op te nemen. In overeenstemming met IAS 32 Financiële instrumenten: informatieverschaffing en presentatie, verminderen dergelijke kosten de opbrengst van de uitgifte van eigen-vermogensinstrumenten.

Aanpassingen van de kostprijs van een bedrijfscombinatie die afhankelijk is van toekomstige gebeurtenissen

32.

Indien een overeenkomst inzake een bedrijfscombinatie voorziet in een aanpassing van de kostprijs van de bedrijfscombinatie afhankelijk van toekomstige gebeurtenissen, dient de overnemende partij het bedrag van die aanpassing op de overnamedatum op te nemen in de kostprijs van de bedrijfscombinatie als de aanpassing waarschijnlijk is en betrouwbaar kan worden gewaardeerd.

33.

Een overeenkomst inzake een bedrijfscombinatie kan aanpassingen van de kostprijs van de bedrijfscombinatie toestaan die afhankelijk zijn van een of meer toekomstige gebeurtenissen. De aanpassingen kunnen bijvoorbeeld afhankelijk zijn van een bepaald winstniveau dat in toekomstige perioden wordt gehandhaafd of gerealiseerd, of van de handhaving van de marktprijs van de instrumenten die worden uitgegeven. Het is gewoonlijk mogelijk om ondanks enige onzekerheid het bedrag van een dergelijke aanpassing te schatten op het moment waarop de bedrijfscombinatie voor het eerst verwerkt wordt, zonder afbreuk te doen aan de betrouwbaarheid van de informatie. Wanneer de toekomstige gebeurtenissen niet plaatsvinden of wanneer de schatting herzien moet worden, dient de kostprijs van de bedrijfscombinatie dienovereenkomstig te worden aangepast.

34.

Indien een overeenkomst inzake een bedrijfscombinatie echter voorziet in een dergelijke aanpassing, wordt die aanpassing niet opgenomen in de kostprijs van de bedrijfscombinatie op het tijdstip waarop de bedrijfscombinatie voor het eerst wordt verwerkt als de aanpassing noch waarschijnlijk is, noch betrouwbaar kan worden gewaardeerd. Wanneer die aanpassing later waarschijnlijk wordt en betrouwbaar kan worden gewaardeerd, dient de aanvullende vergoeding te worden behandeld als een aanpassing van de kostprijs van de bedrijfscombinatie.

35.

In sommige omstandigheden kan de overnemende partij verplicht zijn om een nabetaling aan de verkoper te verrichten als vergoeding voor een waardeverlaging van de afgestane activa, uitgegeven eigen-vermogensinstrumenten of door de overnemende partij aangegane of overgenomen verplichtingen in ruil voor zeggenschap van de overgenomen partij. Dit is bijvoorbeeld het geval als de overnemende partij de marktprijs van eigen-vermogensinstrumenten of schuldinstrumenten uitgegeven als deel van de kostprijs van de bedrijfscombinatie, heeft gegarandeerd en verplicht is extra eigen-vermogensinstrumenten of schuldinstrumenten uit te geven om de oorspronkelijk bepaalde kostprijs te herkrijgen. In dergelijke gevallen wordt geen verhoging van de kostprijs van de bedrijfscombinatie opgenomen. In geval van eigen-vermogensinstrumenten wordt de reële waarde van de aanvullende betaling gesaldeerd door een gelijkwaardige verlaging in de waarde die aan de oorspronkelijk uitgegeven instrumenten werd toegerekend. In het geval van schuldinstrumenten wordt de aanvullende betaling beschouwd als een verlaging van het agio of een verhoging van het disagio op de eerste uitgifte.

Toerekening van de kostprijs van een bedrijfscombinatie aan de verworven activa en overgenomen verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen

36.

De overnemende partij dient op de overnamedatum de kostprijs van een bedrijfscombinatie toe te rekenen door de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen die voldoen aan de opnamecriteria in alinea 37, van de overgenomen partij op te nemen tegen reële waarde op die datum, met uitzondering van vaste activa (of groepen van activa die afgestoten worden) die geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig IFRS 5, Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten welke tegen reële waarde minus verkoopkosten dienen te worden opgenomen. Elk verschil tussen de kostprijs van de bedrijfscombinatie en het belang van de overnemende partij in de op deze wijze opgenomen netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen, dient verwerkt te worden overeenkomstig alinea’s 51 tot en met 57.

37.

De overnemende partij dient de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij alleen afzonderlijk op te nemen op de overnamedatum wanneer zij op die datum aan de volgende criteria voldoen:

(a)

in geval van een actief dat geen immaterieel actief is, is het waarschijnlijk dat alle gerelateerde toekomstige economische voordelen naar de overnemende partij zullen vloeien en dat zijn reële waarde op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld;

(b)

in geval van een verplichting die geen voorwaardelijke verplichting is, is het waarschijnlijk dat een uitstroom van middelen die economische voordelen in zich bergen vereist zal zijn voor de afwikkeling van de verplichting en dat de reële waarde van de verplichting op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld;

(c)

in geval van een immaterieel actief of een voorwaardelijke verplichting kan de reële waarde op betrouwbare wijze worden vastgesteld.

38.

De winst- en verliesrekening van de overnemende partij dient de winst en het verlies van de overgenomen partij na de overnamedatum op te nemen door de baten en lasten van de overnemende partij op te nemen op basis van de kostprijs van de bedrijfscombinatie voor de overnemende partij. Bijvoorbeeld de afschrijvingskosten die na de overnamedatum zijn opgenomen in de winst- en verliesrekening van de overnemende partij en die betrekking hebben op de af te schrijven activa van de overgenomen partij dienen gebaseerd te zijn op de reële waarde van dergelijke af te schrijven activa op de overnamedatum, dat wil zeggen hun kostprijs voor de overnemende partij.

39.

De toepassing van de overnamemethode begint vanaf de overnamedatum, dat wil zeggen vanaf de datum waarop de overnemende partij feitelijk de zeggenschap verkrijgt over de overgenomen partij. Aangezien zeggenschap de macht is om het financiële en operationele beleid van een entiteit of bedrijfsactiviteit te sturen teneinde voordelen te verkrijgen uit haar activiteiten, hoeft een transactie niet te zijn afgesloten of juridisch afgerond alvorens de overnemende partij zeggenschap verkrijgt. Alle ter zake doende feiten en omstandigheden rondom een bedrijfscombinatie dienen bij de beoordeling van het moment waarop de overnemende partij zeggenschap heeft verkregen, te worden beschouwd.

40.

Aangezien de overnemende partij de identificeerbare activa, de verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij die voldoen aan de opnamecriteria in alinea 37 tegen reële waarde op de overnamedatum opneemt, wordt elk minderheidsbelang in de overgenomen partij opgenomen tegen het minderheidsaandeel van de netto reële waarde van deze posten. Alinea’s B16 en B17 van Bijlage B verschaffen leidraden voor de bepaling van de reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij, teneinde de kostprijs van een bedrijfscombinatie te kunnen toerekenen.

Identificeerbare activa en verplichtingen van de overgenomen partij

41.

De overnemende partij neemt overeenkomstig alinea 36 alleen die identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij afzonderlijk op in het kader van de toerekening van de kostprijs van de bedrijfscombinatie, welke bestonden op de overnamedatum en beantwoorden aan de opnamecriteria in alinea 37. Derhalve geldt het volgende:

(a)

de overnemende partij dient verplichtingen voor de beëindiging of vermindering van activiteiten van de overgenomen partij in het kader van de toerekening van de kostprijs van de bedrijfscombinatie alleen op te nemen wanneer de overgenomen partij op de overnamedatum een bestaande verplichting voor reorganisatie heeft opgenomen overeenkomstig IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa;

en

(b)

de overnemende partij dient bij de toerekening van de kostprijs van de bedrijfscombinatie geen verplichtingen op te nemen voor toekomstige verliezen of andere kosten die naar verwachting gemaakt zullen worden als gevolg van de bedrijfscombinatie.

42.

Een betaling die de entiteit contractueel verplicht is te doen, bijvoorbeeld aan haar werknemers of leveranciers in geval de entiteit wordt overgenomen in een bedrijfscombinatie, is een bestaande verplichting van de entiteit die als voorwaardelijke verplichting wordt beschouwd totdat de totstandkoming van een bedrijfscombinatie waarschijnlijk wordt. De contractuele verplichting wordt door die entiteit als een verplichting opgenomen overeenkomstig IAS 37 wanneer de totstandkoming van een bedrijfscombinatie waarschijnlijk wordt en de verplichting op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld. Wanneer de bedrijfscombinatie tot stand is gekomen, wordt die verplichting van de overgenomen partij daarom door de overnemende partij opgenomen in het kader van de toerekening van de kostprijs van de bedrijfscombinatie.

43.

Een reorganisatieplan van de overgenomen partij waarvan de realisatie afhankelijk is van de overname van deze partij in een bedrijfscombinatie is, vlak voor de bedrijfscombinatie, echter geen bestaande verplichting van de overgenomen partij. Het is evenmin een voorwaardelijke verplichting van de overgenomen partij vlak voor de bedrijfscombinatie, aangezien het niet een mogelijke verplichting is die voortvloeit uit een gebeurtenis in het verleden waarvan het bestaan alleen wordt bevestigd door het al dan niet plaatsvinden van een of meer onzekere toekomstige gebeurtenissen waarover de overgenomen partij niet de volledige controle heeft. Om die reden dient een overnemende partij geen verplichting voor dergelijke reorganisatieplannen op te nemen in het kader van de toerekening van de kostprijs van de bedrijfscombinatie.

44.

De identificeerbare activa en verplichtingen die overeenkomstig alinea 36 worden opgenomen omvatten alle activa en verplichtingen van de overgenomen partij die de overnemende partij koopt of overneemt, met inbegrip van al haar financiële activa en financiële verplichtingen. Dit kan ook activa en verplichtingen inhouden die niet eerder in de jaarrekening van de overgenomen partij waren opgenomen, bijvoorbeeld omdat ze vóór de overname niet in aanmerking kwamen voor opname. Bijvoorbeeld, een belastingvoordeel dat voortvloeit uit fiscale verliezen van de overgenomen partij en dat niet door de overgenomen partij vóór de totstandkoming van de bedrijfscombinatie was opgenomen, komt in aanmerking voor opname als een identificeerbaar actief overeenkomstig alinea 36 als het waarschijnlijk is dat de overnemende partij in de toekomst fiscale winsten zal behalen waarmee het niet-opgenomen belastingvoordeel kan worden verrekend.

Immateriële activa van de overgenomen partij

45.

De overnemende partij neemt, overeenkomstig alinea 37, slechts een immaterieel actief van de overgenomen partij op de overnamedatum afzonderlijk op wanneer het beantwoordt aan de definitie van een immaterieel actief in IAS 38 Immateriële activa, en wanneer zijn reële waarde op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld. Dit betekent dat de overnemende partij een lopend onderzoeks- en ontwikkelingsproject van de overgenomen partij als actief afzonderlijk van goodwill opneemt indien het project beantwoordt aan de definitie van een immaterieel actief en als de reële waarde van het actief op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld. IAS 38 verschaft leidraden om te bepalen of de reële waarde van een immaterieel actief dat in het kader van een bedrijfscombinatie overgenomen is al dan niet op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld.

46.

Een niet-monetair actief zonder fysieke vorm moet identificeerbaar zijn om te beantwoorden aan de definitie van een immaterieel actief. Volgens IAS 38 beantwoordt een actief alleen aan het criterium van identificeerbaarheid in de definitie van een immaterieel actief wanneer:

(a)

het actief scheidbaar is, dat wil zeggen wanneer het gescheiden of gesplitst kan worden van de entiteit en het verkocht kan worden, overgeplaatst kan worden, er vergunningsrechten aan kunnen worden toegekend, het gehuurd of verruild kan worden, ofwel als een opzichzelfstaand actief, ofwel samen met een gerelateerd contract, een gerelateerd actief of een gerelateerde verplichting;

of

(b)

het actief voortvloeit uit contractuele of andere juridische rechten, ongeacht of deze rechten overdraagbaar zijn aan of gescheiden kunnen worden van de entiteit of van andere rechten en verplichtingen.

Voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij

47.

Alinea 37 specificeert dat de overnemende partij een voorwaardelijke verplichting van de overgenomen partij alleen afzonderlijk opneemt in het kader van de toerekening van de kostprijs van een bedrijfscombinatie indien de reële waarde van de verplichting op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld. Wanneer haar reële waarde niet betrouwbaar kan worden bepaald:

(a)

heeft dit een effect op het bedrag dat als goodwill is opgenomen of is verwerkt overeenkomstig alinea 56;

en

(b)

dient de overnemende partij over die voorwaardelijke verplichting de informatie te verschaffen die moet worden verstrekt op grond van IAS 37.

Alinea B16(l) van Bijlage B verschaft leidraden over de bepaling van de reële waarde van een voorwaardelijke verplichting.

48.

Na hun eerste opname dient de overnemende partij voorwaardelijke verplichtingen die afzonderlijk zijn opgenomen overeenkomstig alinea 36 te waarderen tegen het hoogste bedrag van:

(a)

het bedrag dat overeenkomstig IAS 37 zou worden opgenomen;

en

(b)

het bedrag dat oorspronkelijk is opgenomen verminderd met, in voorkomend geval, de geaccumuleerde afschrijvingen die zijn opgenomen in overeenstemming met IAS 18 Opbrengsten.

49.

De vereiste in alinea 48 is niet van toepassing op contracten die worden verwerkt overeenkomstig IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering. Verplichtingen uit hoofde van leningen die uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van IAS 39 en die geen verplichtingen zijn om leningen te verstrekken tegen rentevoeten die onder de marktrente liggen, worden verwerkt als voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij indien, op de overnamedatum, het onwaarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen die economische voordelen in zich bergen vereist is om de verplichting af te wikkelen of wanneer het bedrag van de verplichting met onvoldoende betrouwbaarheid kan worden vastgesteld. Een dergelijke verplichting wordt overeenkomstig alinea 37 alleen afzonderlijk opgenomen in het kader van de toerekening van de kostprijs van een bedrijfscombinatie wanneer haar reële waarde op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld.

50.

Voorwaardelijke verplichtingen die afzonderlijk opgenomen zijn in het kader van de toerekening van de kostprijs van een bedrijfscombinatie zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van IAS 37. De overnemende partij dient echter voor deze voorwaardelijke verplichtingen de op grond van IAS 37 vereiste informatie te verschaffen voor elke categorie van voorzieningen.

Goodwill

51.

De overnemende partij dient op de overnamedatum:

(a)

de in een bedrijfscombinatie verworven goodwill op te nemen als een actief;

en

(b)

die goodwill eerst tegen zijn kostprijs te waarderen, zijnde de waarde waarmee de kostprijs van de bedrijfscombinatie het belang van de overnemende partij in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen, die overeenkomstig alinea 36 opgenomen zijn, overschrijdt.

52.

Goodwill die verworven is in een bedrijfscombinatie vertegenwoordigt een betaling verricht door de overnemende partij in afwachting van toekomstige economische voordelen uit activa die niet individueel kunnen worden geïdentificeerd en afzonderlijk kunnen worden opgenomen.

53.

Voor zover de identificeerbare activa, verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij niet aan de criteria in alinea 37 beantwoorden voor afzonderlijke opname op de overnamedatum, heeft dit een effect op het bedrag dat als goodwill wordt opgenomen (of dat wordt verwerkt overeenkomstig alinea 56). Dit komt omdat goodwill vastgesteld wordt als de resterende kostprijs van de bedrijfscombinatie na opname van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij.

54.

Na de eerste opname dient de overnemende partij de in een bedrijfscombinatie verworven goodwill te waarderen tegen kostprijs verminderd met eventuele geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingsverliezen.

55.

De in een bedrijfscombinatie verworven goodwill dient niet te worden afgeschreven. De overnemende partij dient in plaats daarvan de goodwill jaarlijks op bijzondere waardevermindering te toetsen, of vaker wanneer gebeurtenissen of wijzigingen in omstandigheden erop wijzen dat de goodwill mogelijk een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, overeenkomstig IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa.

De waarde waarmee het belang van de overnemende partij in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij de kostprijs overtreft

56.

Indien het belang van de overnemende partij in de volgens alinea 36 opgenomen netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen, de kostprijs van de bedrijfscombinatie overtreft, dient de overnemende partij:

(a)

de identificatie en de waardering van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij en de waardering van de kostprijs van de bedrijfscombinatie opnieuw te beoordelen;

en

(b)

een eventueel overblijvend surplus na die herbeoordeling onmiddellijk in de winst- en verliesrekening op te nemen.

57.

Een volgens alinea 56 opgenomen winst zou een of meer van de volgende elementen kunnen omvatten:

(a)

fouten in de bepaling van de reële waarde van ofwel de kostprijs van de bedrijfscombinatie of de identificeerbare activa, verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij. Mogelijke kosten die in de toekomst voortvloeien met betrekking tot de overgenomen partij die niet op correcte wijze in de reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij zijn weergegeven, zijn een potentiële oorzaak van dergelijke fouten;

(b)

een vereiste in een standaard voor financiële verslaggeving om identificeerbare, verworven nettoactiva tegen een bedrag te waarderen dat niet de reële waarde is, maar verwerkt wordt alsof het de reële waarde betreft ten behoeve van de toerekening van de kostprijs van de bedrijfscombinatie. Bijvoorbeeld de leidraden in Bijlage B voor de bepaling van de reële waarde van de identificeerbare activa en verplichtingen van de overgenomen partij vereisen dat het aan belastingvorderingen en -verplichtingen toegerekende bedrag een niet-gedisconteerd bedrag dient te zijn;

(c)

een voordelige aankoop.

Een bedrijfscombinatie die in fasen tot stand komt

58.

Een bedrijfscombinatie kan meer dan één ruiltransactie inhouden, bijvoorbeeld indien ze in verschillende fasen plaatsvindt door opeenvolgende aankopen van aandelen. Indien dit het geval is, dient elke ruiltransactie afzonderlijk door de overnemende partij te worden verwerkt op basis van de kostprijs van de transactie en informatie over de reële waarde op de datum van elke ruiltransactie om de waarde van eventuele aan die transactie gerelateerde goodwill te bepalen. Dit resulteert in een stapsgewijze vergelijking van de kostprijs van de individuele investeringen met het belang van de overnemende partij in de reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij.

59.

Indien een bedrijfscombinatie meer dan één ruiltransactie inhoudt, kan de reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij op de datum van elke ruiltransactie verschillend zijn. Aangezien:

(a)

de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij nominaal zijn aangepast aan hun reële waarde op de datum van elke ruiltransactie om de waarde van enige aan elke transactie gerelateerde goodwill te bepalen;

en

(b)

de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij moeten dan door de overnemende partij worden opgenomen tegen hun reële waarde op de overnamedatum,

is elke aanpassing van die reële waarde met betrekking tot voorheen aangehouden belangen van de overnemende partij een herwaardering, die als zodanig dient te worden verwerkt. Het feit dat deze herwaardering ontstaat bij de eerste opname door de overnemende partij van de activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij, betekent echter niet dat de overnemende partij besloten heeft een grondslag voor financiële verslaggeving toe te passen om deze posten te herwaarderen na eerste opname overeenkomstig, bijvoorbeeld, IAS 16 Materiële vaste activa.

60.

Alvorens in aanmerking te komen als een bedrijfscombinatie kan een transactie in aanmerking komen als een investering in een geassocieerde deelneming en administratief worden verwerkt volgens de ‘equity’-methode in overeenstemming met IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen. Indien dit het geval is, zal de reële waarde van de identificeerbare nettoactiva van de deelneming op de datum van elke vroegere ruiltransactie eerder al bepaald zijn bij de toepassing van de ‘equity’-methode op de investering.

Eerste verwerking op basis van voorlopige waarden

61.

De eerste administratieve verwerking van een bedrijfscombinatie houdt de identificatie en de bepaling in van de reële waarden die moeten worden toegewezen aan de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij en de kostprijs van de bedrijfscombinatie.

62.

Wanneer de eerste administratieve verwerking van een bedrijfscombinatie alleen voorlopig kan worden bepaald aan het einde van de periode waarin de bedrijfscombinatie tot stand is gekomen omdat ofwel de reële waarde die moet worden toegewezen van de identificeerbare activa, verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij, ofwel de kostprijs van de bedrijfscombinatie alleen voorlopig kan worden bepaald, dient de overnemende partij voor de verwerking van de bedrijfscombinatie gebruik te maken van deze voorlopige waarden. De overnemende partij dient eventuele aanpassingen aan die voorlopige waarden op te nemen als gevolg van de voltooiing van de eerste verwerking:

(a)

binnen twaalf maanden na de overnamedatum;

en

(b)

vanaf de overnamedatum. Bijgevolg:

(i)

dient de boekwaarde van een identificeerbaar actief, een identificeerbare verplichting of een identificeerbare voorwaardelijke verplichting die wordt opgenomen of aangepast als gevolg van de voltooiing van de eerste verwerking, te worden berekend alsof de reële waarde op de overnamedatum vanaf die datum was opgenomen;

(ii)

dient goodwill of enige andere winst die in overeenstemming met alinea 56 wordt opgenomen vanaf de overnamedatum te worden aangepast met een bedrag dat gelijk is aan de aanpassing van de reële waarde op de overnamedatum van het identificeerbare actief dat, de identificeerbare verplichting die of de identificeerbare voorwaardelijke verplichting die opgenomen of aangepast wordt;

(iii)

dient vergelijkende informatie die voor de perioden gepresenteerd wordt voordat de eerste verwerking van de bedrijfscombinatie afgerond is, gepresenteerd te worden alsof de eerste verwerking afgerond was op de overnamedatum. Dit omvat eventuele aanvullende afschrijvingen en andere winst- en verlieseffecten in verband met de afronding van de eerste verwerking.

Aanpassingen nadat de eerste verwerking afgerond is

63.

Behoudens de bepalingen in alinea’s 33, 34 en 65 dienen aanpassingen aan de eerste verwerking van een bedrijfscombinatie nadat de eerste verwerking afgerond is alleen te worden opgenomen om een fout te corrigeren in overeenstemming met IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten. Aanpassingen aan de eerste verwerking van een bedrijfscombinatie nadat die verwerking afgerond is, dienen niet te worden opgenomen voor het effect van schattingswijzigingen. In overeenstemming met IAS 8 dient het effect van een schattingswijziging in de lopende en toekomstige perioden te worden opgenomen.

64.

IAS 8 verplicht een entiteit om een correctie van een fout retroactief te verwerken en de jaarrekening te presenteren alsof de fout nooit gemaakt was, door de vergelijkende informatie over de vorige periode(n) waarin de fout gemaakt is, aan te passen. De boekwaarde van een identificeerbaar actief, een identificeerbare verplichting of een identificeerbare voorwaardelijke verplichting van de overgenomen partij die opgenomen of aangepast is als gevolg van de correctie van een fout dient daarom te worden berekend alsof de reële waarde of de aangepaste reële waarde op de overnamedatum vanaf die datum was opgenomen. Goodwill of enige winst die in overeenstemming met alinea 56 in een voorgaande periode is opgenomen dient retroactief te worden aangepast met een bedrag dat gelijk is aan de reële waarde op de overnamedatum (of de aanpassing aan de reële waarde op de overnamedatum) van het identificeerbaar actief dat, de identificeerbare verplichting die of de identificeerbare voorwaardelijke verplichting die opgenomen (of aangepast) wordt.

Opname van uitgestelde belastingvorderingen nadat de eerste verwerking afgerond is

65.

Indien het potentiële voordeel van voorwaarts te verrekenen fiscale verliezen van de overgenomen partij of andere uitgestelde belastingvorderingen niet beantwoordden aan de criteria in alinea 37 voor afzonderlijke opname wanneer een bedrijfscombinatie voor het eerst verwerkt wordt maar later tot stand komt, dient de overnemende partij dat voordeel als bate op te nemen overeenkomstig IAS 12 Winstbelastingen. Bovendien dient de overnemende partij:

(a)

de boekwaarde van goodwill te verlagen tot het bedrag dat zou zijn opgenomen indien de uitgestelde belastingvordering was opgenomen als een identificeerbaar actief vanaf de overnamedatum;

en

(b)

de verlaging van de boekwaarde van de goodwill als een last op te nemen.

Deze procedure mag echter niet leiden tot het creëren van een surplus zoals beschreven in alinea 56, noch tot een verhoging van het bedrag van enige voorheen opgenomen winst overeenkomstig alinea 56.

INFORMATIEVERSCHAFFING

66.

Een overnemende partij dient informatie te verstrekken die de gebruikers van haar jaarrekening in staat stelt de aard en financiële effecten te evalueren van bedrijfscombinaties die tot stand zijn gekomen:

(a)

gedurende de periode;

(b)

na de balansdatum maar vóór de datum waarop de jaarrekening wordt goedgekeurd voor uitgifte.

67.

Om te voldoen aan het principe in alinea 66(a), dient de overnemende partij de volgende informatie te verstrekken voor elke bedrijfscombinatie die gedurende de periode tot stand kwam:

(a)

de namen en beschrijvingen van de samengevoegde entiteiten of bedrijfsactiviteiten;

(b)

de overnamedatum;

(c)

het percentage van de verworven eigen-vermogensinstrumenten met stemrecht;

(d)

de kostprijs van de bedrijfscombinatie en een beschrijving van de componenten waaruit die kostprijs is samengesteld, met inbegrip van alle direct aan de bedrijfscombinatie toerekenbare kosten. Wanneer eigen-vermogensinstrumenten worden uitgegeven of uitgeefbaar zijn als onderdeel van de kostprijs, dient ook het volgende te worden vermeld:

(i)

het aantal uitgegeven of uitgeefbare eigen-vermogensinstrumenten;

en

(ii)

de reële waarde van die instrumenten en de basis waarop die reële waarde bepaald is. Indien er voor de instrumenten geen officiële notering bestaat op de ruildatum, dienen de belangrijke veronderstellingen op basis waarvan de reële waarde werd bepaald, te worden vermeld. Indien op de ruildatum een officiële notering bestaat maar deze niet als basis werd gebruikt voor de bepaling van de kostprijs van de bedrijfscombinatie, dient dit feit te worden vermeld samen met: de redenen waarom de officiële notering niet werd gebruikt; de methode en belangrijke veronderstellingen die gebruikt zijn om een waarde aan de eigen-vermogensinstrumenten toe te wijzen; en het totaalbedrag van het verschil tussen de waarde die aan de eigen-vermogensinstrumenten is toegekend en hun officiële notering;

(e)

details van enige activiteiten die de entiteit besloten heeft af te stoten als gevolg van de bedrijfscombinatie;

(f)

de bedragen die op de overnamedatum voor elke categorie van activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij zijn opgenomen en, tenzij informatieverschaffing praktisch niet haalbaar zou zijn, de boekwaarde van elke van deze categorieën, bepaald overeenkomstig de International Financial Reporting Standards vlak vóór de bedrijfscombinatie. Indien dergelijke informatieverschaffing praktisch niet haalbaar zou zijn, dient dit feit te worden vermeld, samen met een verklaring waarom dit het geval is;

(g)

het bedrag van elk surplus dat in de winst of het verlies is opgenomen overeenkomstig alinea 56 en de post in de winst- en verliesrekening waarin dit surplus is opgenomen;

(h)

een beschrijving van de factoren die bijgedragen hebben aan een kostprijs die resulteert in de opname van goodwill — een beschrijving van elk immaterieel actief dat niet afzonderlijk van goodwill werd opgenomen en een verklaring waarom de reële waarde van het immaterieel actief niet op betrouwbare wijze kon worden vastgesteld — of een beschrijving van de aard van elk surplus dat overeenkomstig alinea 56 in de winst- en verliesrekening is opgenomen;

(i)

het bedrag van de winst of het verlies van de overgenomen partij dat sinds de overnamedatum in de winst- en verliesrekening van de overnemende partij over de periode is opgenomen, tenzij informatieverschaffing praktisch niet haalbaar zou zijn. Indien dergelijke informatieverschaffing praktisch niet haalbaar zou zijn, dient dit feit te worden vermeld, samen met een verklaring waarom dit het geval is.

68.

De informatie die volgens alinea 67 verschaft moet worden, dient in totaal te worden vermeld voor individueel onbelangrijke bedrijfscombinaties die gedurende de verslagperiode tot stand zijn gekomen.

69.

Indien de eerste verwerking van een bedrijfscombinatie die gedurende de periode tot stand is gekomen alleen op een voorlopige basis werd vastgesteld overeenkomstig alinea 62, dient dit feit ook te worden vermeld samen met een verklaring waarom dit het geval is.

70.

Om te voldoen aan het principe in alinea 66(a), dient de overnemende partij de volgende informatie te verstrekken, tenzij een dergelijke informatieverschaffing praktisch niet haalbaar zou zijn:

(a)

de opbrengst van de samengevoegde entiteit over de periode alsof de overnamedatum voor alle bedrijfscombinaties die gedurende de periode tot stand zijn gekomen, het begin van die periode was;

(b)

de winst of het verlies van de samengevoegde entiteit over de periode alsof de overnamedatum voor alle bedrijfscombinaties die gedurende de periode tot stand zijn gekomen, het begin van de periode was.

Indien het verstrekken van deze informatie praktisch niet haalbaar zou zijn, dient dit feit te worden vermeld, samen een verklaring waarom dit het geval is.

71.

Om te voldoen aan het principe in alinea 66(b), dient de overnemende partij de op grond van alinea 67 vereiste informatie te vermelden voor elke bedrijfscombinatie die na de balansdatum tot stand is gekomen maar alvorens de jaarrekening werd goedgekeurd voor uitgifte, tenzij dergelijke informatieverschaffing praktisch niet haalbaar zou zijn. Indien om het even welk gedeelte van deze informatie niet kan worden verstrekt, dient dit feit te worden vermeld, samen met een verklaring waarom dit het geval is.

72.

Een overnemende partij dient informatie te verschaffen die gebruikers van haar jaarrekening in staat stelt een evaluatie te maken van de financiële effecten van winsten, verliezen, correcties op fouten en andere aanpassingen opgenomen in de lopende periode die betrekking hebben op bedrijfscombinaties die in de lopende of in voorgaande perioden tot stand zijn gekomen.

73.

Om te voldoen aan het principe in alinea 72 dient de overnemende partij de volgende informatie te verstrekken:

(a)

het bedrag en een verklaring van enige winst of enig verlies opgenomen in de lopende periode die/dat:

(i)

betrekking heeft op de verworven identificeerbare activa of op overgenomen verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen in een bedrijfscombinatie die in de lopende of een voorgaande periode tot stand is gekomen;

en

(ii)

van dusdanige omvang of aard is dat informatieverschaffing relevant is om inzicht te verschaffen in de financiële prestatie van de samengevoegde entiteit;

(b)

de bedragen en verklaringen van de aanpassingen aan de voorlopige waarden die gedurende de lopende periode zijn opgenomen, indien de eerste verwerking van een bedrijfscombinatie die gedurende de onmiddellijk voorafgaande periode tot stand is gekomen aan het einde van de periode alleen op een voorlopige basis werd vastgesteld;

(c)

de informatie die volgens IAS 8 verplicht moet worden vermeld over correcties van fouten in alle identificeerbare activa, verplichtingen of voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij, of wijzigingen van waarden die aan die posten zijn toegekend, die de overnemende partij gedurende de lopende periode opneemt overeenkomstig alinea’s 63 en 64.

74.

Een entiteit dient informatie te verstrekken die de gebruikers van haar jaarrekening in staat stelt wijzigingen in de boekwaarde van goodwill gedurende de periode te evalueren.

75.

Om te voldoen aan het principe in alinea 74, dient de entiteit een aansluiting van de boekwaarde van goodwill aan het begin en einde van de periode te vermelden, met afzonderlijke vermelding van:

(a)

het brutobedrag en de geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingsverliezen aan het begin van de periode;

(b)

aanvullende goodwill die gedurende de periode opgenomen is, met uitzondering van goodwill die is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten en die, bij overname, voldoet aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop in overeenstemming met IFRS 5;

(c)

aanpassingen die voortvloeien uit de latere opname van uitgestelde belastingvorderingen gedurende de periode overeenkomstig alinea 65;

(d)

goodwill opgenomen in een groep activa die afgestoten wordt en die geclassificeerd is als aangehouden voor verkoop overeenkomstig IFRS 5, en goodwill die tijdens de periode niet langer in de balans wordt opgenomen zonder voorheen te zijn opgenomen in een groep activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop;

(e)

bijzondere waardeverminderingsverliezen die gedurende de periode zijn opgenomen overeenkomstig IAS 36;

(f)

nettokoersverschillen die in de periode zijn ontstaan overeenkomstig IAS 21 De gevolgen van wisselkoerswijzigingen;

(g)

eventuele andere wijzigingen in de boekwaarde tijdens de periode;

en

(h)

het brutobedrag en de geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingsverliezen aan het einde van de periode.

76.

Naast de informatie die moet worden verschaft op grond van alinea 75(e), dient een entiteit informatie te verstrekken over de realiseerbare waarde en de bijzondere waardevermindering van goodwill overeenkomstig IAS 36.

77.

Indien in enige situatie de informatie die op grond van deze IFRS moet worden vermeld, niet beantwoordt aan de doelstellingen uiteengezet in de alinea’s 66, 72 en 74, dient de entiteit de nodige aanvullende informatie te verstrekken om deze doelstellingen te realiseren.

OVERGANGSBEPALINGEN EN INGANGSDATUM

78.

Behoudens de bepalingen in alinea 85 is deze IFRS van toepassing op de verwerking van bedrijfscombinaties waarvoor de datum van overeenkomst op of na 31 maart 2004 valt. Deze IFRS dient ook te worden toegepast bij de verwerking van:

(a)

goodwill die voortvloeit uit een bedrijfscombinatie waarvan de datum van overeenkomst op of na 31 maart 2004 valt;

of

(b)

elk surplus waarmee het belang van de overnemende partij in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij de kostprijs van een bedrijfscombinatie overtreft, waarvan de datum van overeenkomst op of na 31 maart 2004 valt.

Voorheen opgenomen goodwill

79.

Een entiteit dient deze IFRS prospectief toe te passen, vanaf het begin van de eerste jaarperiode die op of na 31 maart 2004 aanvangt, op goodwill die verworven is in een bedrijfscombinatie waarvan de datum van overeenkomst vóór 31 maart 2004 valt, en op goodwill die ontstaat uit een belang in een entiteit waarover gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend die vóór 31 maart 2004 verkregen is en volgens de proportionele-consolidatiemethode wordt verwerkt. Een entiteit dient derhalve:

(a)

dergelijke goodwill vanaf het begin van de eerste verslagperiode die op of na 31 maart 2004 aanvangt niet langer af te schrijven;

(b)

aan het begin van de eerste jaarperiode die op of na 31 maart 2004 aanvangt de boekwaarde te elimineren van de gerelateerde geaccumuleerde afschrijving met een overeenkomstige afname van goodwill;

en

(c)

vanaf het begin van de eerste jaarperiode die op of na 31 maart 2004 aanvangt de goodwill te toetsen op bijzondere waardevermindering overeenkomstig IAS 36 (herziene versie van 2004).

80.

Wanneer een entiteit voorheen goodwill ten laste van het eigen vermogen opnam, dient zij die goodwill niet in de winst of het verlies op te nemen wanneer zij de bedrijfsactiviteit waarop die goodwill betrekking heeft geheel of gedeeltelijk afstoot, of wanneer een kasstroomgenererende eenheid waarop de goodwill betrekking heeft een belangrijke waardevermindering heeft ondergaan.

Voorheen opgenomen negatieve goodwill

81.

De boekwaarde van negatieve goodwill, aan het begin van de eerste jaarperiode die op of na 31 maart 2004 aanving, die ontstond uit

(a)

ofwel een bedrijfscombinatie waarvan de datum van overeenkomst voor 31 maart 2004 was ofwel;

of

(b)

een belang in een entiteit waarover gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend dat verkregen werd vóór 31 maart 2004 en dat verwerkt is volgens de proportionele-consolidatiemethode

dient niet langer in de balans te worden opgenomen aan het begin van die periode, met een overeenkomstige aanpassing aan het beginsaldo van ingehouden winsten.

Voorheen opgenomen immateriële activa

82.

De boekwaarde van een als immaterieel actief ingedeelde post die ofwel

(a)

werd verworven in een bedrijfscombinatie waarvan de datum van overeenkomst vóór 31 maart 2004 was,

of

(b)

voortvloeit uit een belang in een entiteit waarover gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend en die werd verkregen vóór 31 maart 2004 en werd verwerkt volgens de proportionele-consolidatiemethode

dient opnieuw te worden ingedeeld als goodwill aan het begin van de eerste jaarperiode die op of na 31 maart 2004 aanving, indien dit immaterieel actief op die datum niet beantwoordde aan het criterium van identificeerbaarheid in IAS 38 (herziene versie van 2004).

Investeringen verwerkt volgens de ‘equity’-methode

83.

Op investeringen die volgens de ‘equity’-methode zijn verwerkt en verworven zijn op of na 31 maart 2004 dient een entiteit deze IFRS toe te passen bij de verwerking van:

(a)

alle verworven goodwill die in de boekwaarde van die investering is opgenomen. De afschrijving van die goodwill dient derhalve niet te worden opgenomen in de bepaling van het aandeel van de entiteit in de winst of het verlies van de deelneming;

(b)

elk surplus dat opgenomen is in de boekwaarde van de investering van het aandeel dat de entiteit heeft in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de deelneming, ten opzichte van de kostprijs van de investering. Een entiteit dient derhalve dat surplus als bate op te nemen in de bepaling van het aandeel dat de entiteit heeft in de winst of het verlies van de deelneming over de periode waarin de investering is verworven.

84.

Voor investeringen die verwerkt zijn volgens de ‘equity’-methode en verworven zijn vóór 31 maart 2004:

(a)

een entiteit dient deze IFRS prospectief toe te passen, vanaf het begin van de eerste jaarperiode die op of na 31 maart 2004 aanvangt, op enige verworven goodwill die in de boekwaarde van die investering is opgenomen. Een entiteit dient derhalve, vanaf die datum, de afschrijving van die goodwill niet langer op te nemen in de bepaling van het aandeel van de entiteit in de winst of het verlies van de deelneming;

(b)

een entiteit dient eventuele negatieve goodwill die, aan het begin van de eerste jaarperiode die op of na 31 maart 2004 aanvangt, in de boekwaarde van die investering is opgenomen, niet langer in de balans op te nemen en een overeenkomstige aanpassing aan te brengen aan het beginsaldo van de ingehouden winsten.

Beperkte retroactieve toepassing

85.

Het is een entiteit toegestaan om de vereisten van deze IFRS toe te passen op goodwill die bestaat op of verworven is na een datum vóór de in alinea’s 78 tot en met 84 uiteengezette ingangsdata, en op bedrijfscombinaties die tot stand zijn gekomen vanaf een datum vóór dezelfde ingangsdata, mits:

(a)

de waarderingen en andere informatie die nodig waren om de IFRS toe te passen op vroegere bedrijfscombinaties werden verkregen op het tijdstip waarop deze bedrijfscombinaties voor het eerst werden verwerkt;

en

(b)

de entiteit ook IAS 36 (herziene versie van 2004) en IAS 38 (herziene versie van 2004) prospectief toepast vanaf dezelfde datum, en de waarderingen en andere informatie die nodig zijn om deze standaarden vanaf die datum toe te passen eerder door de entiteit werden verkregen, zodat geen schattingen hoeven te worden gemaakt die wel hadden moeten worden gemaakt op een vroegere datum.

INTREKKING VAN ANDERE UITSPRAKEN

86.

Deze IFRS vervangt IAS 22 Bedrijfscombinaties (die in 1998 werd uitgegeven).

87.

Deze IFRS vervangt de volgende interpretaties:

(a)

SIC-9 Bedrijfscombinaties – Classificatie als overname of als samenvoeging van belangen;

(b)

SIC-22 Bedrijfscombinaties – Aanpassing van de bij de eerste opname gerapporteerde reële waarde en goodwill;

en

(c)

SIC-28 Bedrijfscombinaties – „Ruildatum” en reële waarde van eigen-vermogensinstrumenten.

BIJLAGE A

Definities

Deze bijlage maakt integraal deel uit van de International Financial Reporting Standards.

overnamedatum

De datum waarop de overnemende partij feitelijk zeggenschap verkrijgt over de overgenomen partij.

datum van overeenkomst

De datum waarop door de verenigde partijen een substantiële overeenkomst wordt bereikt die, bij beursgenoteerde entiteiten, publiekelijk wordt bekendgemaakt. In geval van een vijandige overname is de vroegste datum waarop een substantiële overeenkomst is bereikt tussen verenigde partijen de datum waarop een voldoende aantal eigenaren van de overgenomen partij het aanbod van de overnemende partij heeft geaccepteerd om aan de overnemende partij de zeggenschap van de overgenomen partij over te dragen.

bedrijfsactiviteit

Een geïntegreerde reeks activiteiten en activa die uitgevoerd en beheerd worden met het oog op:

(a)

het realiseren van een rendement voor investeerders;

of

(b)

het verschaffen van lagere kosten of andere economische voordelen direct en proportioneel aan polishouders of deelnemers.

Een bedrijfsactiviteit bestaat doorgaans uit middelen, toegepaste processen op deze middelen en de daaruit resulterende productie die gebruikt wordt of zal worden om opbrengsten te genereren. Indien goodwill aanwezig is in een overgedragen reeks activiteiten en activa, dient deze overgedragen reeks activiteiten en activa als bedrijfsactiviteit te worden beschouwd.

bedrijfscombinatie

Het samenbrengen van afzonderlijke entiteiten of bedrijfsactiviteiten in één verslaggevende entiteit.

bedrijfscombinatie waarbij entiteiten of bedrijfsactiviteiten waarover gezamenlijk de zeggenschap wordt uitgeoefend, betrokken zijn

Bij een bedrijfscombinatie waarin over alle samengevoegde entiteiten of bedrijfsactiviteiten uiteindelijke zeggenschap uitgevoerd wordt door dezelfde partij of partijen, zowel vóór als na de totstandkoming van de bedrijfscombinatie en die zeggenschap niet tijdelijk van aard is.

voorwaardelijke verplichting

Een voorwaardelijke verplichting heeft de betekenis die eraan wordt gegeven in IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa, dat wil zeggen:

(a)

een mogelijke verplichting die voortvloeit uit gebeurtenissen in het verleden en waarvan het bestaan alleen wordt bevestigd door het al dan niet plaatsvinden van een of meer onzekere toekomstige gebeurtenissen waarover de entiteit niet de volledige controle heeft;

of

(b)

een bestaande verplichting die voortvloeit uit gebeurtenissen in het verleden, maar die niet is opgenomen omdat:

(i)

het niet waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen die economische voordelen in zich bergen vereist zal zijn om de verplichting af te wikkelen;

of

(ii)

het bedrag van de verplichting niet betrouwbaar genoeg kan worden gewaardeerd.

zeggenschap

De macht om het financiële en operationele beleid van een entiteit of bedrijfsactiviteit te sturen teneinde voordelen te verkrijgen uit haar activiteiten.

ruildatum

Indien een bedrijfscombinatie tot stand is gekomen in één ruiltransactie, is de ruildatum de overnamedatum. Indien een bedrijfscombinatie meer dan een ruiltransactie inhoudt, bijvoorbeeld wanneer ze in fasen wordt gerealiseerd door opeenvolgende aankopen van aandelen, is de ruildatum de datum waarop elke individuele investering wordt opgenomen in de jaarrekening van de overnemende partij.

reële waarde

Het bedrag waarvoor een actief zou kunnen worden verhandeld of een verplichting zou kunnen worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn.

goodwill

Toekomstige economische voordelen die voortvloeien uit activa die niet individueel kunnen worden geïdentificeerd en afzonderlijk kunnen worden opgenomen.

immaterieel actief

Immaterieel actief heeft de betekenis die eraan wordt gegeven in IAS 38 Immateriële activa, dat wil zeggen een identificeerbaar, niet-monetair actief zonder fysieke vorm.

joint venture

Joint venture heeft de betekenis die eraan wordt gegeven in IAS 31 Belangen in joint ventures, dat wil zeggen een contractuele afspraak waarbij twee of meer partijen een economische activiteit aangaan waarover zij gezamenlijke zeggenschap hebben.

minderheidsbelang

Dat deel van de winst of het verlies en de nettoactiva van een dochteronderneming dat toerekenbaar is aan aandelenbelangen die niet direct of indirect via dochterondernemingen, eigendom zijn van de moedermaatschappij.

onderlinge entiteit

Een entiteit die geen eigendom is van investeerders, zoals een onderlinge verzekeringsonderneming of een coöperatie, die voorziet in directe en naar evenredigheid van polishouders of deelnemers lagere kosten of andere economische voordelen.

moedermaatschappij

Een entiteit die een of meer dochterondernemingen heeft.

waarschijnlijk

De kans van optreden is groter dan van niet optreden.

verslaggevende entiteit

Een entiteit waarvoor er gebruikers zijn die vertrouwen op haar jaarrekening voor informatie die voor hen nuttig is bij het treffen van beslissingen over de toerekening van middelen. Een rapporterende entiteit kan één entiteit zijn of een groep entiteiten bestaande uit een moedermaatschappij en al haar dochterondernemingen.

dochteronderneming

Een entiteit, met inbegrip van een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een personenvennootschap, waarover een andere entiteit zeggenschap heeft (de moedermaatschappij).

BIJLAGE B

Toepassingssupplement

Deze bijlage maakt integraal deel uit van de International Financial Reporting Standards.

Omgekeerde overnames

B1

In bepaalde bedrijfscombinaties, zoals vermeld in alinea 21, veelal omgekeerde overnames genoemd, is de overnemende partij de entiteit waarvan de aandelen zijn overgenomen en is de uitgevende entiteit de overgenomen partij. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een niet-beursgenoteerde entiteit maatregelen treft om zichzelf „te laten overnemen” door een kleinere, beursgenoteerde entiteit teneinde een beursnotering te verkrijgen. Hoewel volgens de wet de beursgenoteerde, uitgevende entiteit beschouwd wordt als de moedermaatschappij en de niet-beursgenoteerde entiteit als de dochteronderneming, is de juridische dochteronderneming de overnemende partij als zij de macht heeft om het financiële en operationele beleid van de juridische moedermaatschappij te sturen teneinde voordelen uit haar activiteiten te verkrijgen.

B2

Een entiteit dient de leidraad in alinea’s B3 tot en met B15 toe te passen wanneer zij een omgekeerde overname verwerkt.

B3

Verwerking van omgekeerde overnames bepaalt de toerekening van de kostprijs van de bedrijfscombinatie op de overnamedatum en is niet van toepassing op transacties na de bedrijfscombinatie.

Kostprijs van de bedrijfscombinatie

B4

Wanneer eigen-vermogensinstrumenten uitgegeven worden als onderdeel van de kostprijs van de bedrijfscombinatie, vereist alinea 24 dat in de kostprijs van de bedrijfscombinatie de reële waarde van deze eigen-vermogensinstrumenten op de ruildatum opgenomen wordt. Alinea 27 vermeldt dat indien een betrouwbaar gepubliceerde prijs ontbreekt, de reële waarde van de eigen-vermogensinstrumenten geschat kan worden op basis van de reële waarde van de overnemende partij of de reële waarde van de overgenomen partij, afhankelijk van welke waarde het duidelijkst blijkt.

B5

In een omgekeerde overname wordt de kostprijs van de bedrijfscombinatie verondersteld te zijn betaald door de juridische dochteronderneming (dat wil zeggen de overnemende partij voor administratieve-verwerkingsdoeleinden) in de vorm van eigen-vermogensinstrumenten die uitgegeven zijn aan de eigenaars van de juridische moedermaatschappij (dat wil zeggen de overgenomen partij voor administratieve-verwerkingsdoeleinden). Indien de gepubliceerde prijs van de eigen-vermogensinstrumenten van de juridische dochteronderneming wordt gebruikt voor de bepaling van de kostprijs van de bedrijfscombinatie, dient een berekening te worden gemaakt om het aantal eigen-vermogensinstrumenten te bepalen dat de juridische dochteronderneming had moeten uitgeven om hetzelfde percentage eigendomsbelangen van de samengevoegde entiteit te verstrekken aan de eigenaars van de juridische moedermaatschappij als die zij in de samengevoegde entiteit hebben als gevolg van de omgekeerde overname. De reële waarde van het aantal eigen-vermogensinstrumenten dat op die manier is berekend dient te worden gebruikt als de kostprijs van de bedrijfscombinatie.

B6

Indien de reële waarde van de eigen-vermogensinstrumenten van de juridische dochteronderneming anderszins niet duidelijk blijkt, dient de totale reële waarde van alle uitgegeven eigen-vermogensinstrumenten van de juridische moedermaatschappij vóór de totstandkoming van de bedrijfscombinatie te worden gebruikt als basis voor de bepaling van de kostprijs van de bedrijfscombinatie.

Opstelling en presentatie van de geconsolideerde jaarrekening

B7

De geconsolideerde jaarrekening die na een omgekeerde overname wordt opgesteld, dient te worden uitgegeven onder de naam van de juridische moedermaatschappij, maar moet in de toelichting worden beschreven als een voortzetting van de jaarrekening van de juridische dochteronderneming (dat wil zeggen de overnemende partij voor administratieve-verwerkingsdoeleinden). Aangezien een dergelijke geconsolideerde jaarrekening een voortzetting van de jaarrekening van de juridische dochteronderneming vertegenwoordigt:

(a)

dienen de activa en verplichtingen van de juridische dochteronderneming te worden opgenomen en gewaardeerd in die geconsolideerde jaarrekening tegen hun boekwaarde vóór de bedrijfscombinatie;

(b)

dienen de ingehouden winsten en andere saldi van het eigen vermogen die in die geconsolideerde jaarrekening worden opgenomen, de ingehouden winsten en andere saldi van het eigen vermogen van de juridische dochteronderneming te zijnop het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de bedrijfscombinatie;

(c)

dient het bedrag dat wordt opgenomen als uitgegeven eigen-vermogensinstrumenten in die geconsolideerde jaarrekening te worden bepaald door aan het uitgegeven eigen vermogen van de juridische dochteronderneming vlak vóór de bedrijfscombinatie toe te voegen de kostprijs van de bedrijfscombinatie zoals beschreven in alinea’s B4 tot en met B6. De structuur van het eigen vermogen die uit die geconsolideerde jaarrekening afgelezen kan worden (dat wil zeggen het aantal en het soort uitgegeven eigen-vermogensinstrumenten) dient echter de structuur van het eigen vermogen van de juridische moedermaatschappij te weerspiegelen, met inbegrip van de eigen-vermogensinstrumenten die door de juridische moedermaatschappij zijn uitgegeven voor de totstandkoming van de bedrijfscombinatie;

(d)

dient de vergelijkende informatie die in die geconsolideerde jaarrekening gepresenteerd wordt de informatie van de juridische dochteronderneming te zijn.

B8

De verwerking van omgekeerde overnames is alleen van toepassing op de geconsolideerde jaarrekening. In de eventuele enkelvoudige jaarrekening van de juridische moedermaatschappij wordt de investering in de juridische dochteronderneming derhalve verwerkt overeenkomstig de vereisten in IAS 27 Geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening inzake de verwerking van investeringen in de enkelvoudige jaarrekening van een investeerder.

B9

De geconsolideerde jaarrekening die is opgesteld na een omgekeerde overname dient de reële waarde van de activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de juridische moedermaatschappij te weerspiegelen (dat wil zeggen de overgenomen partij voor administratieve-verwerkingsdoeleinden). De kostprijs van de bedrijfscombinatie dient derhalve te worden toegerekend door de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de juridische moedermaatschappij die de opnamecriteria in alinea 37 vervullen te waarderen tegen hun reële waarde op de overnamedatum. Enig surplus van de kostprijs van de bedrijfscombinatie ten opzichte van het belang van de overnemende partij in de netto reële waarde van die posten dient te worden verwerkt overeenkomstig de alinea’s 51 tot en met 55. Elk positief verschil tussen het belang van de overnemende partij in de netto reële waarde van die posten en de kostprijs van de bedrijfscombinatie dient te worden verwerkt overeenkomstig alinea 56.

Minderheidsbelang

B10

In bepaalde omgekeerde overnames ruilen sommige eigenaars van de juridische dochteronderneming hun eigen-vermogensinstrumenten niet in voor eigen-vermogensinstrumenten van de juridische moedermaatschappij. Hoewel de entiteit waarin die eigenaars eigen-vermogensinstrumenten aanhouden (de juridische dochteronderneming een andere entiteit overnam (de juridische moedermaatschappij), dienen die eigenaars te worden behandeld als een minderheidsbelang in de geconsolideerde jaarrekening die wordt opgesteld na de omgekeerde overname. De reden hiervoor is dat de eigenaars van de juridische dochteronderneming die hun eigen-vermogensinstrumenten niet inruilen voor eigen-vermogensinstrumenten van de juridische moedermaatschappij, alleen een belang hebben in de resultaten en nettoactiva van de juridische dochteronderneming, en niet in de resultaten en nettoactiva van de samengevoegde entiteit. Omgekeerd hebben alle eigenaren van de juridische moedermaatschappij, ondanks het feit dat de juridische moedermaatschappij wordt beschouwd als de overgenomen partij, een belang in de resultaten en nettoactiva van de samengevoegde entiteit.

B11

Aangezien de activa en verplichtingen van de juridische dochteronderneming in de geconsolideerde jaarrekening worden opgenomen en gewaardeerd tegen hun boekwaarde vóór de bedrijfscombinatie, dient het minderheidsbelang een weerspiegeling te zijn van het proportionele belang van de minderheidsaandeelhouders in de boekwaarde, vóór de bedrijfscombinatie, van de nettoactiva van de juridische dochteronderneming.

Winst per aandeel

B12

Zoals vermeld in alinea B7(c) dient de structuur van het eigen vermogen in de geconsolideerde jaarrekening die na een omgekeerde overname wordt opgesteld, een weerspiegeling te zijn van de structuur van het eigen vermogen van de juridische moedermaatschappij, met inbegrip van de eigen-vermogensinstrumenten die door de juridische moedermaatschappij zijn uitgegeven om de bedrijfscombinatie tot stand te brengen.

B13

Voor de berekening van het gewogen gemiddelde aantal uitstaande gewone aandelen (de noemer) gedurende de periode waarin de omgekeerde overname plaatsvindt:

(a)

wordt het aantal uitstaande gewone aandelen vanaf het begin van die periode tot de overnamedatum verondersteld het aantal door de juridische moedermaatschappij uitgegeven gewone aandelen aan de eigenaars van de juridische dochteronderneming te zijn;

en

(b)

wordt het aantal uitstaande gewone aandelen vanaf de overnamedatum tot het einde van die periode verondersteld het eigenlijke aantal in die periode uitstaande gewone aandelen van de juridische moedermaatschappij te zijn.

B14

De gewone winst per aandeel die wordt vermeld voor elke vergelijkende periode vóór de overnamedatum en die in de geconsolideerde jaarrekening wordt gepresenteerd na een omgekeerde overname dient te worden berekend door de winst of het verlies van de juridische dochteronderneming die/dat aan gewone aandeelhouders in elk van die perioden toerekenbaar is te delen door het aantal gewone, door de juridische moedermaatschappij uitgegeven aandelen aan eigenaars van de juridische dochteronderneming in de omgekeerde overname.

B15

De in alinea’s B13 en B14 uiteengezette berekeningen veronderstellen dat het aantal door de juridische dochteronderneming uitgegeven gewone aandelen ongewijzigd is gebleven in de vergelijkende perioden en tijdens de periode die aanvangt vanaf het tijdstip waarop de omgekeerde overname heeft plaatsgevonden tot de overnamedatum. De berekening van de winst per aandeel dient op gepaste wijze te worden aangepast om rekening te houden met het effect van een wijziging in het aantal door de juridische dochteronderneming uitgegeven gewone aandelen tijdens die perioden.

Toerekening van de kostprijs van een bedrijfscombinatie

B16

Deze IFRS vereist dat een overnemende partij de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij die beantwoorden aan de relevante opnamecriteria, opneemt tegen hun reële waarde op de overnamedatum. Voor de toerekening van de kostprijs van een bedrijfscombinatie, dient de overnemende partij de volgende maatstaven als reële waarde te behandelen:

(a)

voor financiële instrumenten die op een actieve markt worden verhandeld, dient de overnemende partij actuele marktwaarden te gebruiken;

(b)

voor financiële instrumenten die niet op een actieve markt worden verhandeld, dient de overnemende partij geschatte waarden te gebruiken waarbij rekening wordt gehouden met kenmerken zoals koers-winstverhoudingen, dividendrendementen en verwachte groeipercentages van vergelijkbare instrumenten van entiteiten met soortgelijke kenmerken;

(c)

voor vorderingen, contracten die betrekking hebben op vruchtgebruik en andere identificeerbare activa dient de overnemende partij de contante waarde te gebruiken van de te ontvangen bedragen, bepaald tegen de toepasselijke actuele rentevoeten, na aftrek van waardeverminderingen voor oninbaarheid en incassokosten, indien nodig. Kortlopende vorderingen, contracten die betrekking hebben op vruchtgebruik en andere identificeerbare activa hoeven echter niet te worden gedisconteerd als er geen materieel verschil is tussen de nominale en gedisconteerde bedragen;

(d)

voor voorraden van:

(i)

gereed product en handelswaren dient de overnemende partij verkoopprijzen te gebruiken verminderd met de som van (1) de verkoopkosten en (2) een redelijke winstvoorziening voor de verkoopinspanningen van de overnemende partij op basis van de winst voor soortgelijk gereed product en soortgelijke handelswaren;

(ii)

goederen in bewerking dient de overnemende partij verkoopprijzen van gereed product te gebruiken verminderd met de som van (1) de voltooiingkosten, (2) de verkoopkosten en (3) een redelijke winstvoorziening voor de voltooiings- en verkoopinspanningen op basis van de winst voor soortgelijk gereed product;

en

(iii)

grondstoffen dient de overnemende partij de actuele vervangingswaarde te gebruiken;

(e)

voor terreinen en gebouwen dient de overnemende partij marktwaarden te gebruiken;

(f)

voor materiële vaste activa dient de overnemende partij marktwaarden te gebruiken die normaliter worden bepaald op basis van een taxatie. Indien er geen op de markt gebaseerde aanwijzingen voor de reële waarde zijn wegens de gespecialiseerde aard van het materieel vast actief en omdat het actief zelden wordt verkocht, behalve in het kader van een voortgezette bedrijfsactiviteit, dient een overnemende partij mogelijk de reële waarde te schatten aan de hand van een batenbenadering of een benadering op basis van de afgeschreven vervangingswaarde;

(g)

voor immateriële activa dient de overnemende partij de reële waarde te bepalen:

(i)

op basis van een actieve markt zoals gedefinieerd in IAS 38 Immateriële activa;

of

(ii)

als er geen actieve markt bestaat, op een basis die de bedragen weerspiegelt die de overnemende partij voor de activa zou hebben betaald in zakelijke, objectieve transacties tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde onafhankelijke partijen, op basis van de beste beschikbare informatie (zie IAS 38 voor verdere leidraden voor het bepalen van de reële waarde van in bedrijfscombinaties verworven immateriële activa);

(h)

voor nettoactiva of -verplichtingen uit hoofde van personeelsbeloningen voor toegezegd-pensioenregelingen dient de overnemende partij de contante waarde te gebruiken van de brutoverplichting uit hoofde van de toegezegde pensioenrechten, verminderd met de reële waarde van enige fondsbeleggingen. Een actief wordt echter alleen opgenomen in zoverre het waarschijnlijk is dat het voor de overnemende partij beschikbaar zal zijn in de vorm van terugbetalingen uit de regeling of een verlaging van de toekomstige bijdragen;

(i)

voor belastingvorderingen en -verplichtingen dient de overnemende partij het bedrag te gebruiken van het belastingvoordeel dat voortvloeit uit fiscale verliezen of de verschuldigde belastingen met betrekking tot winst of verlies overeenkomstig IAS 12 Winstbelastingen, beoordeeld vanuit het perspectief van de samengevoegde entiteit. De belastingvordering of -verplichting wordt bepaald na rekening te hebben gehouden met de fiscale gevolgen van het aanpassen van identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen op basis van hun reële waarde, en wordt niet gedisconteerd;

(j)

voor crediteuren en te betalen wissels, langlopende schulden, verplichtingen, overlopende posten en andere te betalen claims dient de overnemende partij de contante waarde te gebruiken van bedragen die moeten worden betaald om de tegen toepasselijke, actuele rentevoeten bepaalde verplichtingen af te wikkelen. Discontering is echter niet vereist voor kortlopende verplichtingen als er geen materieel verschil is tussen de nominale en gedisconteerde bedragen;

(k)

voor verlieslatende contracten en andere identificeerbare verplichtingen van de overgenomen partij dient de overnemende partij de contante waarde te gebruiken van de bedragen die moeten worden betaald om de tegen toepasselijke, actuele rentevoeten bepaalde verplichtingen af te wikkelen;

(l)

voor voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij dient de overnemende partij de bedragen te gebruiken die een derde zou aanrekenen om deze voorwaardelijke verplichtingen over te nemen. Een dergelijk bedrag dient alle verwachtingen aangaande mogelijke kasstromen te weerspiegelen, en niet de meest waarschijnlijke of de verwachte maximale of minimale kasstroom.

B17

Sommige van de bovenvermelde leidraden vereisen dat de reële waarde geschat wordt op basis van contante-waardetechnieken. Indien de leidraad voor een bijzondere post niet verwijst naar het gebruik van contante-waardetechnieken, mogen dergelijke technieken worden gebruikt bij de schatting van de reële waarde van die post.

BIJLAGE C

Wijzigingen in andere International Financial Reporting Standards

De wijzigingen in deze bijlage dienen te worden toegepast op de verwerking van bedrijfscombinaties waarvoor de datum van overeenkomst op of na 31 maart 2004 valt en op de verwerking van alle goodwill en immateriële activa die in die bedrijfscombinaties zijn verworven. In alle andere opzichten dienen deze wijzigingen te worden toegepast op verslagperioden die op of na 31 maart 2004 aanvangen.

Indien een entiteit overeenkomstig alinea 85 van International Financial Reporting Standard 3 ervoor kiest IFRS 3 vóór de in alinea’s 78 tot en met 84 van IFRS uiteengezette ingangsdata toe te passen, dient zij deze wijzigingen ook in de toekomst vanaf dezelfde datum toe te passen.

C1

In de International Financial Reporting Standards, met inbegrip van de International Accounting Standards en Interpretaties die op 31 maart 2004 van toepassing zijn, zijn verwijzingen naar de actuele versie van IAS 22 Bedrijfscombinaties vervangen door verwijzingen naar International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties.

C2

In IFRS 1 De eerste toepassing van de International Financial Reporting Standards is alinea B1 als volgt gewijzigd.

B1

Een eerste toepasser mag ervoor kiezen International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties niet retroactief toe te passen op vroegere bedrijfscombinaties (bedrijfscombinaties die vóór de overgangsdatum naar IFRSs plaatsvonden). Wanneer een eerste toepasser echter om het even welke bedrijfscombinatie aanpast om aan de International Financial Reporting Standard 3 te voldoen, dient hij alle latere bedrijfscombinaties aan te passen en ook IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa (herziene versie van 2004) en IAS 38 Immateriële activa (herziene versie van 2004) vanaf dezelfde datum toe te passen. Als een eerste toepasser er bijvoorbeeld voor kiest om een bedrijfscombinatie aan te passen die op 30 juni 2002 tot stand kwam, dient hij alle bedrijfscombinaties aan te passen die tussen 30 juni 2002 en de overgangsdatum naar IFRSs tot stand kwamen en dient zij ook IAS 36 (herziene versie van 2004) en IAS 38 (herziene versie van 2004) vanaf 30 juni 2002 toe te passen.

C3

[Wijziging niet van toepassing enkel op standaarden]

C4

IAS 12 Winstbelastingen is als volgt gewijzigd.

Inleiding

In alinea 1 is subalinea (c) als volgt gewijzigd:

(c)

de kostprijs van een bedrijfscombinatie wordt toegerekend aan de verworven identificeerbare activa en de overgenomen verplichtingen op basis van hun reële waarde, maar er vindt geen equivalente aanpassing plaats voor belastingdoeleinden.

Alinea’s 6 en 9 zijn als volgt gewijzigd:

6.

De oorspronkelijke IAS 12 verwees niet uitdrukkelijk naar aanpassingen van de reële waarde die worden gedaan bij een bedrijfscombinatie. Dergelijke aanpassingen geven aanleiding tot tijdelijke verschillen. IAS 12 (herziene versie) schrijft voor dat een entiteit de resulterende uitgestelde belastingverplichting of (behoudens het waarschijnlijkheidscriterium voor opname) uitgestelde belastingvordering opneemt met een overeenkomstig effect op de bepaling van het bedrag van de goodwill of van enig surplus van het belang van de overnemende partij in de netto reële waarde ten opzichte van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij. IAS 12 (herziene versie) verbiedt echter de opname van uitgestelde belastingverplichtingen die voortvloeien uit de eerste opname van goodwill.

9.

De oorspronkelijke IAS 12 vermeldde niet uitdrukkelijk of uitgestelde belastingvorderingen en -verplichtingen mochten worden gedisconteerd. IAS 12 (herziene versie) verbiedt discontering van uitgestelde belastingvorderingen en -verplichtingen. Alinea B16(i) van International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties, verbiedt discontering van uitgestelde belastingvorderingen verworven in en uitgestelde belastingverplichtingen overgenomen bij een bedrijfscombinatie.

Standaard

In de Doelstelling is de derde alinea als volgt gewijzigd:

 

Deze standaard schrijft voor dat een entiteit de fiscale gevolgen van transacties en andere gebeurtenissen op dezelfde wijze verwerkt als de transacties en andere gebeurtenissen zelf. Voor transacties en andere gebeurtenissen die worden opgenomen in de winst- en verliesrekening, worden alle daarmee verband houdende fiscale gevolgen dus ook opgenomen in de winst- en verliesrekening. Voor transacties en andere gebeurtenissen die direct worden toegerekend aan het eigen vermogen, worden alle daarmee verband houdende fiscale gevolgen ook direct opgenomen in het eigen vermogen. Zo heeft ook de opname van uitgestelde belastingvorderingen en –verplichtingen in een bedrijfscombinatie een impact op het bedrag van goodwill dat voortvloeit uit een bedrijfscombinatie of het bedrag van enig surplus van het belang, dat de overnemende partij heeft in de reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij, ten opzichte van de kostprijs van de bedrijfscombinatie.

Alinea’s 15, 18 en 19 en 21 zijn als volgt gewijzigd:

15.

Een uitgestelde belastingverplichting moet worden opgenomen voor alle belastbare tijdelijke verschillen, behalve voor zover de uitgestelde belastingverplichting voortvloeit uit:

(a)

de eerste opname van goodwill;

of

…

18.

Tijdelijke verschillen ontstaan eveneens in de volgende gevallen:

(a)

de kostprijs van een bedrijfscombinatie wordt toegerekend door de verworven identificeerbare activa en de overgenomen verplichtingen op te nemen op basis van hun reële waarde, maar er vindt geen equivalente aanpassing plaats voor belastingdoeleinden (zie alinea 19);

(b)

wanneer activa worden geherwaardeerd en er geen equivalente aanpassing plaatsvindt voor belastingdoeleinden (zie alinea 20);

(c)

goodwill die voortvloeit uit een bedrijfscombinatie (zie alinea’s 21 en 32);

…

19.

De kostprijs van een bedrijfscombinatie wordt toegerekend door de verworven identificeerbare activa en de overgenomen verplichtingen op te nemen op basis van hun reële waarde op de overnamedatum. Tijdelijke verschillen ontstaan wanneer de fiscale boekwaarden van de verworven identificeerbare activa en de overgenomen verplichtingen geen invloed ondervinden van de bedrijfscombinatie of wanneer zij op uiteenlopende wijze worden beïnvloed. Als de boekwaarde van een actief bijvoorbeeld wordt verhoogd tot de reële waarde, maar de fiscale boekwaarde van het actief gelijk blijft aan de kostprijs van de vorige eigenaar, ontstaat een belastbaar tijdelijk verschil dat leidt tot een uitgestelde belastingverplichting. De daaruit voortvloeiende belastingverplichting heeft invloed op de goodwill (zie alinea 66).

21.

Goodwill die voortvloeit uit een bedrijfscombinatie wordt gewaardeerd als het surplus van de kostprijs van de bedrijfscombinatie ten opzichte van het belang dat de overnemende partij heeft in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij. Vaak staan belastingautoriteiten niet toe dat de verlaging van de boekwaarde van goodwill als een aftrekbare last wordt opgenomen in de bepaling van de fiscale winst. Bovendien is de kostprijs van goodwill in dergelijke rechtsgebieden vaak niet aftrekbaar als een dochteronderneming haar onderliggende activiteiten afstoot. In die rechtsgebieden heeft goodwill een fiscale boekwaarde van nihil. Elk verschil tussen de boekwaarde van goodwill en zijn fiscale boekwaarde van nihil is een belastbaar tijdelijk verschil. Deze standaard staat echter niet toe dat de resulterende uitgestelde belastingverplichting wordt opgenomen, aangezien goodwill gewaardeerd wordt als een restpost en de opname van de uitgestelde belastingverplichting zou leiden tot een verhoging van de boekwaarde van de goodwill.

Alinea’s 21A tot 21B zijn ingevoegd:

21A.

Latere verlagingen van een uitgestelde belastingverplichting die niet is opgenomen omdat de schuld voortvloeit uit de eerste opname van goodwill worden ook beschouwd te zijn voortgekomen uit de eerste opname van goodwill en worden dientengevolge niet opgenomen volgens alinea 15(a). Wanneer goodwill bijvoorbeeld verworven is in een bedrijfscombinatie tegen een kostprijs van 100 maar een fiscale waarde heeft van nihil, verbiedt alinea 15 (a) de entiteit de resulterende belastingverplichting op te nemen. Indien de entiteit voor die goodwill later een bijzonder waardeverminderingsverlies opneemt van 20, wordt het bedrag van het belastbaar tijdelijk verschil met betrekking tot de goodwill teruggebracht van 100 naar 80, met als gevolg een waardevermindering van de niet-opgenomen uitgestelde belastingverplichting. Die waardevermindering van de niet-opgenomen uitgestelde belastingverplichting wordt ook beschouwd betrekking te hebben op de eerste opname van goodwill en mag daarom niet worden opgenomen volgens alinea 15(a).

21B.

Uitgestelde belastingverplichtingen voor belastbare tijdelijke verschillen die betrekking hebben op goodwill worden echter opgenomen, voor zover zij niet voortvloeien uit de eerste opname van goodwill. Wanneer goodwill bijvoorbeeld verworven wordt in een bedrijfscombinatie tegen een kostprijs van 100 en voor belastingdoeleinden aftrekbaar is voor 20 % per jaar vanaf het jaar van de verwerving, dan is de fiscale waarde van de goodwill bij eerste opname 100 en 80 aan het einde van het jaar van de verwerving. Wanneer de boekwaarde van goodwill aan het einde van het jaar van verwerving nog steeds 100 is, ontstaat een belastbaar tijdelijk verschil van 20 aan het einde van dat jaar. Omdat dat belastbaar tijdelijk verschil niet betrekking heeft op de eerste opname van de goodwill, wordt de resulterende uitgestelde belastingverplichting opgenomen.

Alinea’s 22(a), 24 en 26(c) zijn als volgt gewijzigd:

22.

…

(a)

in een bedrijfscombinatie neemt een entiteit elke uitgestelde belastingverplichting of –vordering op, hetgeen van invloed is op het bedrag van goodwill of op het bedrag van enig surplus van het belang, dat de overnemende partij heeft in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij, ten opzichte van de kostprijs van de bedrijfscombinatie (zie alinea 19);

…

24.

Voor alle verrekenbare tijdelijke verschillen dient een uitgestelde belastingvordering te worden opgenomen, in zoverre het waarschijnlijk is dat er fiscale winst beschikbaar zal zijn waarmee het verrekenbare tijdelijke verschil kan worden verrekend, tenzij de uitgestelde belastingvordering voortvloeit uit de eerste opname van een vordering of een schuld in een transactie die:

(a)

geen bedrijfscombinatie is;

en

(b)

op het moment van de transactie geen invloed heeft op de winst vóór belasting of op de fiscale winst (het fiscaal verlies).

…

26.

…

(c)

de kostprijs van een bedrijfscombinatie wordt toegerekend door de verworven identificeerbare activa en de overgenomen verplichtingen op te nemen op basis van hun reële waarde op de overnamedatum. Als op de overnamedatum een verplichting wordt overgenomen, maar de gerelateerde kosten pas in een latere periode in mindering worden gebracht van de bepaling van de fiscale winst, ontstaat er een verrekenbaar tijdelijk verschil dat op zich resulteert in een uitgestelde belastingvordering. Een uitgestelde belastingvordering ontstaat eveneens wanneer de reële waarde van een overgenomen identificeerbaar actief kleiner is dan zijn fiscale boekwaarde. In beide gevallen heeft de daaruit voortvloeiende belastingvordering invloed op de goodwill (zie alinea 66);

en

…

Alinea 32 en de voorafgaande rubriek zijn geschrapt.

Alinea 68C is toegevoegd terwijl alinea’s 58(b) en 66 tot en met 68 en het voorbeeld na alinea 68 als volgt zijn gewijzigd:

58.

…

(b)

een bedrijfscombinatie (zie alinea's 66 tot en met 68).

66.

Zoals verklaard in alinea's 19 en 26(c), kunnen tijdelijke verschillen ontstaan in een bedrijfscombinatie. In overeenstemming met International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties, verwerkt een entiteit alle resulterende uitgestelde belastingvorderingen (in zoverre ze de in alinea 24 beschreven opnamecriteria vervullen) of uitgestelde belastingverplichtingen als identificeerbare activa en verplichtingen op de overnamedatum. Bijgevolg hebben die uitgestelde belastingvorderingen en –verplichtingen invloed op de goodwill of op het bedrag van enig surplus van het belang, dat de overnemende partij heeft in de reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij, ten opzichte van de kostprijs van de bedrijfscombinatie. Volgens alinea 15(a) neemt een entiteit echter geen uitgestelde belastingverplichtingen op die voortvloeien uit de eerste opname van goodwill.

67.

Als gevolg van een bedrijfscombinatie mag een overnemende partij het waarschijnlijk achten dat zij haar eigen uitgestelde belastingvordering die niet werd opgenomen vóór de bedrijfscombinatie zal realiseren. Mogelijk is de overnemende partij bijvoorbeeld in staat om het voordeel van haar niet-gecompenseerde fiscale verliezen aan te wenden voor de toekomstige fiscale winst van de overgenomen partij. In dergelijke gevallen neemt de overnemende partij een uitgestelde belastingvordering op, zonder deze op te nemen in de verwerking van de bedrijfscombinatie, en houdt zij bijgevolg daarmee geen rekening bij de bepaling van de goodwill of het bedrag van enig surplus van het belang, dat de overnemende partij heeft in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij, ten opzichte van de kostprijs van de bedrijfscombinatie.

68.

Wanneer het potentieel voordeel van voorwaartse belastingverliezen van de overgenomen partij of andere uitgestelde belastingvorderingen niet beantwoordden aan de criteria in de International Financial Reporting Standard 3 voor afzonderlijke opname, wanneer een bedrijfscombinatie eerst verwerkt wordt maar later tot stand komt, dient de overnemende partij de resulterende uitgestelde winstbelasting in de winst- en verliesrekening op te nemen. Bovendien dient de overnemende partij:

(a)

de boekwaarde van goodwill te verlagen tot het bedrag dat zou zijn opgenomen indien de uitgestelde belastingvordering zou zijn opgenomen als een identificeerbaar actief vanaf de overnamedatum;

en

(b)

de verlaging van de boekwaarde van goodwill als een last op te nemen.

Deze procedure zal echter geen surplus genereren van het belang, dat de overnemende partij heeft in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de overgenomen partij, ten opzichte van de kostprijs van een bedrijfscombinatie. Ook zal het bedrag dat voorheen is opgenomen voor elk surplus daarom niet toenemen.

Voorbeeld

Een entiteit nam een dochteronderneming over die verrekenbare tijdelijke verschillen ten bedrage van 300 euro had. Het belastingtarief op het moment van de overname bedroeg 30 procent. De resulterende uitgestelde belastingvordering van 90 werd niet opgenomen als een identificeerbaar actief bij de bepaling van de goodwill van 500 die voortvloeide uit de bedrijfscombinatie. Twee jaar na de bedrijfscombinatie oordeelt de entiteit dat de toekomstige fiscale winst zal volstaan om het voordeel van alle verrekenbare tijdelijke verschillen te realiseren.

De entiteit neemt een uitgestelde belastingvordering op van 90 in de winst- en verliesrekening, namelijk een uitgestelde winstbelasting van 90. De entiteit vermindert ook de boekwaarde van goodwill met 90 en neemt een gelijkwaardig bedrag op als last in de winst- en verliesrekening. Dientengevolge wordt de kostprijs van goodwill verlaagd tot 410, zijnde het bedrag dat zou zijn opgenomen wanneer de uitgestelde belastingvordering van 90 zou zijn opgenomen als een identificeerbaar actief vanaf de overnamedatum.

Als het belastingtarief zou zijn gestegen tot 40 procent, zou de entiteit een uitgestelde belastingvordering van 120 hebben opgenomen (300 tegen 40 %) en een uitgestelde winstbelasting van 120 in de winst- en verliesrekening. Als het belastingtarief zou zijn gedaald tot 20 procent, zou de entiteit een uitgestelde belastingvordering van 60 hebben opgenomen (300 tegen 20 procent) en een uitgestelde winstbelasting van 60. In beide gevallen zou de entiteit ook de boekwaarde van goodwill verlagen met 90 en een gelijkwaardig bedrag als last in de winst- en verliesrekening opnemen.

68C.

Zoals opgemerkt in alinea 68A kan het fiscaal aftrekbare bedrag (of het geschatte in de toekomst fiscaal aftrekbare bedrag, bepaald in overeenstemming met alinea 68B) afwijken van de hiermee verband houdende cumulatieve bedrijfseconomische last uit hoofde van personeelsbeloningen. Op grond van alinea 58 van de standaard dient de actuele en uitgestelde belasting als baten of als last te worden opgenomen in de winst- en verliesrekening over de periode, behalve voorzover de belasting voortvloeit uit (a) een transactie of gebeurtenis die in dezelfde of een andere periode rechtstreeks in het eigen vermogen wordt opgenomen, of (b) een bedrijfscombinatie. Wanneer het bedrag van de belastingaftrek (of de geschatte toekomstige bedragen van belastingvermindering) het bedrag van de hiermee verband houdende cumulatieve last uit hoofde van personeelsbeloningen overschrijdt, dan geeft dit aan dat het bedrag van de belastingaftrek niet alleen betrekking heeft op een last uit hoofde van personeelbeloningen, maar ook op een eigen-vermogenspost. In deze situatie dient het aan de actuele of uitgestelde belasting gerelateerd surplus rechtstreeks in het eigen vermogen te worden verwerkt.

C5

IAS 14 Gesegmenteerde informatie is als volgt gewijzigd.

Op de titelpagina is de tweede alinea na de titel van IAS 14 als volgt gewijzigd:

In alinea’s 129 en 130 van IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa, worden informatievereisten uiteengezet voor de verslaggeving over bijzondere waardeverminderingsverliezen per segment.

Standaard

Alinea’s 19 en 21 zijn als volgt gewijzigd:

19.

Voorbeelden van activa van een segment zijn onder meer vlottende activa die worden aangewend in de bedrijfsactiviteiten van het segment, materiële vaste activa, activa waarvoor een financiële lease-overeenkomst is afgesloten (IAS 17 Lease-overeenkomsten) en immateriële activa. Als in de kosten van een segment bepaalde posten van waardeverminderingen of afschrijvingen zijn opgenomen, dient het daarmee samenhangende actief eveneens in de activa van een segment te worden opgenomen. De activa van een segment omvatten geen activa die worden aangewend voor de algemene doeleinden van de entiteit of het hoofdkantoor. De activa van een segment omvatten bedrijfsactiva die gedeeld worden door twee of meer segmenten als er een redelijke basis bestaat voor de toerekening. De activa van een segment omvatten goodwill die direct is toe te rekenen aan een segment of die redelijkerwijs aan een segment kan worden toegerekend, en de kosten van een segment omvatten alle bijzondere waardeverminderingsverliezen die voor goodwill opgenomen zijn.

21.

Waarderingen van in een segment opgenomen activa en verplichtingen omvatten aanpassingen aan de vorige boekwaarden van in een identificeerbaar segment opgenomen activa en verplichtingen van een entiteit die zijn verworven in een bedrijfscombinatie, zelfs als dergelijke aanpassingen slechts worden gedaan ten behoeve van de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening en niet worden opgenomen in de enkelvoudige jaarrekening van zowel de moedermaatschappij als de dochteronderneming. Als materiële vaste activa na een overname zijn geherwaardeerd in overeenstemming met het herwaarderingsmodel in IAS 16, dienen de waarderingen van in een segment opgenomen activa deze herwaarderingen te weerspiegelen.

C6

In IAS 16 Materiële vaste activa (herziene versie van 2003) is alinea 64 verwijderd.

C7

IAS 19 Personeelsbeloningen wordt als volgt gewijzigd.

Standaard

Alinea 108 wordt als volgt aangepast:

108.

In een bedrijfscombinatie neemt een entiteit activa en verplichtingen op die voortvloeien uit vergoedingen na uitdiensttreding tegen de contante waarde van de verplichting, verminderd met de reële waarde van de fondsbeleggingen (zie International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties). De contante waarde van de verplichting omvat alle volgende posten, zelfs als de overgenomen partij op de overnamedatum niet alle posten had opgenomen:

(a)

actuariële winsten en verliezen die zijn ontstaan vóór de overnamedatum (ongeacht of ze binnen de bandbreedte van 10 % vielen);

(b)

pensioenkosten van verstreken diensttijd die het gevolg zijn van wijzigingen in vergoedingen, of de introductie van een regeling vóór de overnamedatum;

en

…

C8

In IAS 27 Geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening is alinea 30 als volgt gewijzigd:

30.

De baten en lasten van een dochteronderneming worden in de geconsolideerde jaarrekening opgenomen vanaf de overnamedatum gedefinieerd in de International Financial Reporting Standard 3. Baten en lasten.

C9

IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen is als volgt gewijzigd:

De definitie van gezamenlijke zeggenschap in alinea 2 is als volgt gewijzigd:

 

Gezamenlijke zeggenschap is contractueel afgesproken delen van de zeggenschap over een economische activiteit en bestaat slechts wanneer strategische financiële en operationele beslissingen met betrekking tot de activiteit unanieme instemming vereisen van de partijen die de zeggenschap delen (de deelnemers in een joint venture).

In IAS 22 Bedrijfscombinaties is alinea 15 verwijderd. Na deze aanpassing en verdere aanpassingen aangebracht in International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten luidt alinea 15 als volgt:

15.

Wanneer een investering in een geassocieerde deelneming, die voorheen geclassificeerd was als aangehouden voor verkoop, niet langer beantwoordt aan de criteria voor deze indeling, dient ze te worden verwerkt volgens de ‘equity’-methode vanaf de datum waarop ze geclassificeerd is als aangehouden voor verkoop. De jaarrekeningen dienen overeenkomstig te worden aangepast voor de verslagperioden sinds de voor verkoop aangehouden indeling is toegepast.

Alinea’s 23 en 33 zijn als volgt gewijzigd:

23.

Een investering in een geassocieerde deelneming wordt verwerkt volgens de „equity”-methode vanaf de datum waarop de investering een geassocieerde deelneming wordt. Bij de verwerving van de investering wordt enig verschil tussen de kostprijs van de investering en het aandeel dat de investeerder in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de geassocieerde deelneming heeft, verwerkt in overeenstemming met de International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties. Bijgevolg:

(a)

wordt goodwill die betrekking heeft op een geassocieerde deelneming in de boekwaarde van de investering opgenomen. De afschrijving van die goodwill is echter niet toegestaan en wordt dientengevolge niet opgenomen in de bepaling van het aandeel dat de investeerder heeft in de winst of het verlies van de geassocieerde deelneming.

(b)

elk surplus van het aandeel dat de investeerder heeft in de netto reële waarde van de identificeerbare activa, verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen van de geassocieerde deelneming ten opzichte van de kostprijs van de investering wordt uitgesloten van de boekwaarde van de investering en wordt in plaats daarvan als baten opgenomen bij de bepaling van het aandeel in de winst of het verlies van de investeerder in de geassocieerde deelneming tijdens de periode waarin de investering is verworven.

Er worden gepaste aanpassingen aangebracht aan het aandeel dat de investeerder heeft in de winst of het verlies van de geassocieerde deelneming na overname, om bijvoorbeeld afschrijvingen op af te schrijven activa te verwerken, op basis van hun reële waarde op de overnamedatum. Zo worden op gelijke wijze gepaste aanpassingen aangebracht aan het aandeel dat de investeerder heeft in de winst of het verlies van de geassocieerde deelneming na overname voor bijzondere waardeverminderingsverliezen die de geassocieerde deelneming heeft opgenomen, zoals goodwill of materiële vaste activa.

33.

Aangezien de in de boekwaarde opgenomen goodwill van een investering in een geassocieerde deelneming niet gescheiden wordt opgenomen, wordt goodwill niet afzonderlijk op bijzondere waardevermindering getoetst onder toepassing van de vereisten voor het toetsen van goodwill op bijzondere waardevermindering in IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa. De totale boekwaarde van de investering wordt in plaats daarvan getoetst op bijzondere waardevermindering op grond van IAS 36, door haar realiseerbare waarde (de hoogste waarde van de bedrijfswaarde en de reële waarde minus verkoopkosten) met haar boekwaarde te vergelijken, wanneer bij toepassing van de vereisten in IAS 39 blijkt dat de investering mogelijk een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan. Bij de bepaling van de bedrijfswaarde van de investering schat een entiteit:

(a)

haar aandeel van de contante waarde van de geschatte toekomstige kasstromen die naar verwachting gegenereerd zullen worden door de geassocieerde deelneming, met inbegrip van de kasstromen uit de activiteiten van de geassocieerde deelneming en de opbrengsten uit de uiteindelijke vervreemding van de investering;

of

(b)

de contante waarde van de geschatte toekomstige kasstromen die naar verwachting zullen voortvloeien uit dividenden die van de belegging moeten worden ontvangen en van de uiteindelijke vervreemding ervan.

Als de gepaste veronderstellingen worden gehanteerd, leveren beide methoden hetzelfde resultaat op.

C10

IAS 31 Belangen in joint ventures is als volgt gewijzigd:

De definitie van gezamenlijke zeggenschap in alinea 3 is als volgt gewijzigd:

 

Gezamenlijke zeggenschap is contractueel afgesproken delen van de zeggenschap over een economische activiteit en bestaat slechts wanneer strategische financiële en operationele beslissingen met betrekking tot de activiteit unanieme instemming vereisen van de partijen die de zeggenschap delen (de deelnemers in een joint venture).

Alinea 11 wordt als volgt aangepast:

11.

Uit de contractuele afspraak blijkt de gezamenlijke zeggenschap over de joint venture. Een dergelijke vereiste zorgt ervoor dat geen enkele deelnemer in een joint venture zich in een positie bevindt waardoor hij eenzijdig de zeggenschap heeft over de activiteit.

In IAS 22 Bedrijfscombinaties is alinea 43 verwijderd. Na deze aanpassing en verdere aanpassingen aangebracht in International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten luidt alinea 43 als volgt:

43.

Wanneer een belang in een entiteit waarover gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend, die voorheen geclassificeerd was als aangehouden voor verkoop, niet langer beantwoordt aan de criteria voor deze classificatie, dient ze te worden verwerkt volgens de proportionele consolidatiemethode of de ‘equity’-methode vanaf de datum waarop ze geclassificeerd is als aangehouden voor verkoop. De jaarrekeningen dienen overeenkomstig te worden aangepast voor de verslagperioden sinds de voor verkoop aangehouden indeling is toegepast.

C11

In IAS 32 Financiële instrumenten:Informatieverschaffing en presentatie (herziene versie van 2003), is alinea 4(c) vernummerd als 4(d). Alinea 4(d) is vernummerd als 4(c) en als volgt gewijzigd:

(c)

contracten op basis van een voorwaardelijke vergoeding bij een bedrijfscombinatie (zie International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties). Deze vrijstelling geldt alleen voor de overnemende partij.

Na deze aanpassing en verdere aanpassingen aangebracht in International Financial Reporting Standard 4 Verzekeringscontracten luidt alinea 4(c)-(e) als volgt:

(c)

contracten op basis van een voorwaardelijke vergoeding bij een bedrijfscombinatie (zie International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties). Deze vrijstelling geldt alleen voor de overnemende partij.

(d)

verzekeringscontracten, zoals gedefinieerd in International Financial Reporting Standard 4 Verzekeringscontracten. Deze standaard is echter van toepassing op derivaten die besloten zijn in verzekeringscontracten, wanneer IAS 39 vereist dat de entiteit hen afzonderlijk dient te verwerken.

(e)

financiële instrumenten die binnen het toepassingsgebied vallen van International Financial Reporting Standard 4 omdat ze een contractueel recht van de belegger of polishouder bevatten om, in aanvulling op gegarandeerde minimumbetalingen, aanvullende betalingen te ontvangen. De uitgever van deze instrumenten is vrijgesteld om op deze contractuele rechten alinea’s 15 tot en met 32 en AG25AG35 van deze standaard toe te passen met betrekking tot het verschil tussen financiële verplichtingen en eigen-vermogensinstrumenten. Deze instrumenten zijn desondanks onderworpen aan alle andere vereisten van deze standaard. Deze standaard is ook van toepassing op derivaten die besloten zijn in deze instrumenten (zie IAS 39).

Alinea 4(f), die ingevoegd is door International Financial Reporting Standard 2 Op aandelen gebaseerde betalingen, blijft ongewijzigd.

C12

In IAS 33 Winst per aandeel zijn alinea’s 22 en 64 als volgt gewijzigd:

22.

Gewone uitgegeven aandelen die deel uitmaken van de kostprijs van een bedrijfscombinatie, worden opgenomen in het gewogen gemiddelde aantal aandelen vanaf de overnamedatum. Dit is aangezien de overnemende partij de winst of het verlies van de overgenomen partij vanaf die datum opneemt in haar winst- en verliesrekening.

64.

Wanneer…. dient te worden vermeld. Bovendien dienen de gewone en de verwaterde winst per aandeel voor alle gepresenteerde perioden te worden aangepast voor de gevolgen van fouten en aanpassingen die voortvloeien uit wijzigingen in de waarderingsgrondslagen die retroactief zijn verwerkt.

C13

In IAS 34 Tussentijdse financiële overzichten zijn de alinea’s 16(i) en 18 als volgt gewijzigd:

16.

…

(i)

het effect van wijzigingen in de samenstelling van de entiteit tijdens de tussentijdse periode, met inbegrip van bedrijfscombinaties, overnames of afstotingen van dochterondernemingen en langlopende investeringen, reorganisaties en de beëindiging van bedrijfsactiviteiten. Bij bedrijfscombinaties dient de entiteit de in alinea’s 66 tot en met 73 van International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties vereiste informatie te verschaffen;

en

…

18.

Andere standaarden specificeren welke informatie moet worden vermeld in een jaarrekening. In deze context verwijst de term 'jaarrekening' naar een volledige set financiële overzichten van het type dat normaliter wordt opgenomen in een jaarlijks financieel verslag en soms wordt opgenomen in andere verslagen. Met uitzondering van hetgeen alinea 16(i) vereist, is de andere informatie die moet worden vermeld op grond van deze andere standaarden niet vereist indien een tussentijds financieel verslag van een entiteit alleen een verkorte jaarrekening en geselecteerde toelichtingen omvat, in plaats van een volledige set financiële overzichten.

C14

In IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa is alinea 5 als volgt gewijzigd:

5.

Indien een andere standaard een specifiek type van voorziening, voorwaardelijke verplichting of voorwaardelijk actief behandelt, past een entiteit die andere standaard toe in plaats van de onderhavige standaard. International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties behandelt bijvoorbeeld de verwerking van de door een overnemende partij overgenomen voorwaardelijke verplichtingen in een bedrijfscombinatie. Zo worden op soortgelijke wijze bepaalde typen voorzieningen eveneens behandeld in standaarden die verhandelen over:

…

C15

In IAS 39 Financiële instrumenten: Opname en waardering (herziene versie van 2003), is alinea 2(f) en (h) verwijderd door International Financial Reporting Standard 4 Verzekeringscontracten. Alinea 2(g) is vernummerd als alinea 2(f) en gewijzigd zoals hieronder is uiteengezet. Alinea 2(g) is ingevoegd als hieronder is uiteengezet. Na deze aanpassingen en verdere aanpassingen aangebracht door International Financial Reporting Standard 4, luidt alinea 2(d)-(g) als volgt:

(d)

door de entiteit uitgegeven financiële instrumenten die voldoen aan de in IAS 32 vermelde definitie van een eigen-vermogensinstrument (met inbegrip van opties en warrants). De houder van dergelijke eigen-vermogensinstrumenten dient deze standaard echter op die instrumenten toe te passen, tenzij deze op grond van (a) hierboven zijn uitgezonderd;

(e)

rechten en verplichtingen uit hoofde van een verzekeringscontract volgens de definitie in International Financial Reporting Standard 4 Verzekeringscontracten of uit hoofde van een contract dat binnen het toepassingsgebied van de International Financial Reporting Standard 4 valt, omdat het een contractueel recht van de belegger of polishouder bevat om, in aanvulling op gegarandeerde minimumbetalingen, aanvullende betalingen te ontvangen. Deze standaard is echter van toepassing op een derivaat die in een dergelijk contract besloten is, wanneer het derivaat zelf geen contract is dat binnen het toepassingsgebied van International Financial Reporting Standard 4 valt (zie alinea’s 10 tot en met 13 en Bijlage A alinea’s AG23 tot en met AG33). Wanneer bovendien een verzekeringscontract een contract betreft aangaande een afgesloten of aangehouden financiële garantie, om financiële activa of financiële verplichtingen binnen het toepassingsgebied van deze standaard op een andere partij over te dragen, dient de uitgever deze standaard op het contract toe te passen (zie alinea 3 en Bijlage A alinea AG4A).

(f)

contracten op basis van een voorwaardelijke vergoeding bij een bedrijfscombinatie (zie International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties). Deze vrijstelling geldt alleen voor de overnemende partij.

(g)

contracten tussen een overnemende partij en een verkoper in een bedrijfscombinatie om een overgenomen partij op een toekomstige datum te kopen of te verkopen.

Alinea 2(i) en (j) is vernummerd als 2(h) en (i). Alinea 2(i) werd ingevoegd door International Financial Reporting Standard 2 Op aandelen gebaseerde betalingen.

C16

[Wijziging niet van toepassing enkel op standaarden]

C17

[Wijziging niet van toepassing enkel op standaarden]

C18

SIC-32 Immateriële activa — Kosten van websites is als volgt gewijzigd.

Alinea’s 8 tot en met 10 zijn als volgt gewijzigd:

8.

Een website die zelf ontwikkeld wordt, dient alleen te worden opgenomen als een immaterieel actief als en slechts als de entiteit bovendien voldoet aan de algemene vereisten voor opname en eerste waardering die zijn beschreven in IAS 38.21, en de vereisten van IAS 38.57. Meer specifiek kan een entiteit wellicht de vereiste vervullen van IAS 38.57 (d), namelijk aantonen hoe haar website waarschijnlijke toekomstige economische voordelen zal genereren, indien via de website bijvoorbeeld opbrengsten kunnen worden gegenereerd, met inbegrip van directe opbrengsten uit de mogelijkheid om bestellingen te plaatsen. Een entiteit kan niet aantonen hoe een website die uitsluitend of hoofdzakelijk is ontwikkeld voor de promotie van en reclame over haar eigen producten en diensten, waarschijnlijke toekomstige economische voordelen zal genereren. Bijgevolg dienen alle uitgaven voor de ontwikkeling van een dergelijke website als last te worden opgenomen op het moment dat ze worden gedaan.

9.

Alle interne uitgaven voor de ontwikkeling en de werking van de eigen website van een entiteit dienen administratief te worden verwerkt in overeenstemming met IAS 38. De aard van elke activiteit waarvoor uitgaven worden gedaan (bijvoorbeeld de opleiding van werknemers en het onderhoud van de website) en het stadium van ontwikkeling of post-ontwikkeling van de website dient te worden beoordeeld om de gepaste verwerkingswijze te bepalen (in de bijlage bij deze SIC-interpretatie worden aanvullende leidraden verschaft). Voorbeelden:

(a)

het stadium van de planning is qua aard vergelijkbaar met de onderzoeksfase in IAS 38.54-56. Uitgaven die in dit stadium worden gedaan dienen als last te worden opgenomen op het moment dat ze worden gedaan.

(b)

het stadium van de ontwikkeling van toepassingen en infrastructuur, het stadium van het grafische ontwerp en de ontwikkeling van de inhoud – in zoverre er inhoud wordt ontwikkeld voor andere doeleinden dan de promotie van en reclame over de eigen producten en diensten van de entiteit – zijn qua aard vergelijkbaar met de ontwikkelingsfase in IAS 38.57-64. Uitgaven die in deze stadia worden gedaan dienen te worden opgenomen in de kostprijs van een website, opgenomen als een immaterieel actief in overeenstemming met alinea 8 van deze SIC-interpretatie, indien de uitgave direct kan worden toegeschreven en wanneer deze nodig is voor het ontwerp, de totstandkoming of de voorbereiding van de website, zodat deze kan worden gebruikt op de wijze zoals die door het management was bedoeld. Uitgaven voor de aankoop of het creëren van inhoud (behalve inhoud voor de promotie van en reclame over de eigen producten en diensten van de entiteit) die specifiek bestemd is voor een website, of uitgaven om het gebruik van de inhoud op de website mogelijk te maken (bijvoorbeeld een vergoeding voor het verkrijgen van een licentie voor reproductie) dienen te worden opgenomen in de ontwikkelingskosten als aan deze voorwaarde is voldaan. In overeenstemming met IAS 38.71 dienen uitgaven voor een immateriële post die aanvankelijk als een last was opgenomen in voorgaande jaarrekeningen, niet te worden opgenomen als onderdeel van de kostprijs van een immaterieel actief op een latere datum (bijvoorbeeld wanneer de kosten van auteursrechten volledig zijn afgeschreven, en de inhoud vervolgens op een website wordt gezet).

(c)

uitgaven die zijn gedaan in het stadium van de ontwikkeling van de inhoud, in zoverre de inhoud wordt ontwikkeld om de eigen producten en diensten van een entiteit te promoten en te adverteren (bijvoorbeeld digitale foto’s van producten) dienen in overeenstemming met IAS 38.69(c) als last te worden opgenomen op het moment dat ze worden gedaan. Bijvoorbeeld voor de administratieve verwerking van uitgaven voor professionele diensten voor het nemen van digitale foto’s van de eigen producten van een entiteit, en voor de optimalisering van hun weergave, dienen uitgaven als last te worden opgenomen op het moment dat de professionele diensten tijdens het proces worden ontvangen, niet op het moment dat de digitale foto’s op de website worden weergegeven.

(d)

het operationele stadium begint wanneer de ontwikkeling van een website is voltooid. Uitgaven die in dit stadium worden gedaan, dienen als last te worden opgenomen op het moment dat ze worden gedaan, tenzij ze voldoen aan de opnamecriteria van IAS 38.18.

10.

Een website die op grond van alinea 8 van deze SIC-interpretatie wordt opgenomen als een immaterieel actief, dient na de eerste opname te worden gewaardeerd door de vereisten van IAS 38.72-87 toe te passen. De beste schatting van de gebruiksduur van een website dient kort te zijn.

De alinea inzake de ingangsdatum is als volgt gewijzigd:

 

Ingangsdatum: Deze SIC-interpretatie wordt van kracht op 25 maart 2002. De gevolgen van de eerste toepassing van deze SIC-interpretatie dienen administratief te worden verwerkt volgens de overgangsbepalingen van de in 1998 uitgegeven versie van IAS 38. Indien een website bijgevolg niet voldoet aan de criteria voor opname als een immaterieel actief, doch voorheen wel als een actief was opgenomen, dient de post op de datum waarop deze SIC-interpretatie van kracht wordt, niet langer in de balans te worden opgenomen. Indien een website bestaat en de uitgaven voor de ontwikkeling ervan voldoen aan de criteria voor opname als een immaterieel actief, maar voorheen niet als een actief waren opgenomen, dient het immaterieel actief niet te worden opgenomen op de datum waarop deze SIC-interpretatie van kracht wordt. Indien een website bestaat en de uitgaven voor de ontwikkeling ervan voldoen aan de criteria voor opname als een immaterieel actief, en deze uitgaven voorheen als een actief waren opgenomen en aanvankelijk gewaardeerd werden tegen kostprijs, wordt het aanvankelijk opgenomen bedrag geacht op gepaste wijze te zijn bepaald.

INTERNATIONAL FINANCIAL REPORTING STANDARD 4

Verzekeringscontracten

INHOUD

Doel 1
Toepassingsgebied 2-12
In contracten besloten derivaten 7-9
Ontbundeling van verzekeringscontracten 10-12
Opname en waardering 13-35
Tijdelijke vrijstelling van sommige andere IFRS's 13-20
Toereikendheidstoets van de verplichtingen 15-19
Bijzondere waardevermindering van herverzekeringsactiva 20
Wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaggeving 21-30
Actuele rente 24
Voortzetting van bestaande praktijken 25
Voorzichtigheid 26
Toekomstige beleggingsmarges 27-29
Shadow accounting 30
Verzekeringscontracten verworven bij een bedrijfscombinatie of portefeuilleoverdracht 31-33
Discretionaire winstdeling 34-35
Verzekeringscontracten met discretionaire winstdeling 34
Financiële instrumenten met discretionaire winstdeling 35
Informatieverschaffing 36-39
Toelichting op opgenomen bedragen 36-37
Omvang, tijdstippen en onzekerheid van kasstromen 38-39
Ingangsdatum en overgangsperiode 40-45
Informatieverschaffing 42-44
Herclassificatie van financiële activa 45

DOEL

1.

Het doel van deze IFRS is voorschriften te verstrekken ten aanzien van de financiële verslaggeving van verzekeringscontracten door een entiteit die dergelijke contracten uitgeeft (in deze IFRS aangeduid als de verzekeraar), totdat de Board de tweede fase van het project inzake verzekeringscontracten afrondt. IFRS 4 bevat met name voorschriften betreffende:

(a)

beperkte verbeteringen wat betreft de administratieve verwerking door verzekeraars van verzekeringscontracten;

(b)

informatieverschaffing over de bedragen in de jaarrekening van een verzekeraar die uit verzekeringscontracten voortvloeien, waarmee gebruikers van die jaarrekening inzicht wordt verschaft in de omvang, tijdstippen en onzekerheid van toekomstige kasstromen uit hoofde van verzekeringscontracten.

TOEPASSINGSGEBIED

2.

Entiteiten dienen deze IFRS toe te passen op:

(a)

door hen uitgegeven verzekeringscontracten (met inbegrip van herverzekeringscontracten) en door hen gehouden herverzekeringscontracten;

(b)

financiële instrumenten die zij uitgeven en die recht geven op aanvullende voordelen in aanvulling op gegarandeerde voordelen, ofwel financiële instrumenten met een discretionaire-winstdelingselement („discretionary participation feature”) (zie alinea 35). IAS 32 Financiële instrumenten: informatieverschaffing en presentatie schrijft voor welke informatie over financiële instrumenten moet worden verstrekt, met inbegrip van financiële instrumenten met dergelijke elementen.

3.

In IFRS 4 wordt niet ingegaan op andere aspecten van de verslaggeving door verzekeraars, zoals de verslaggeving van door verzekeraars gehouden financiële activa en door verzekeraars uitgegeven financiële verplichtingen (zie IAS 32 en IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering), behoudens in de overgangsbepalingen in alinea 45.

4.

Entiteiten dienen deze IFRS niet toe te passen op:

(a)

rechtstreeks door een fabrikant, handelaar of detaillist uitgegeven productgaranties (zie IAS 18 Opbrengsten en IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa);

(b)

de activa en verplichtingen van werkgevers uit hoofde van beloningsregelingen voor het personeel (zie IAS 19 Personeelsbeloningen en IFRS 2 Op aandelen gebaseerde betalingen) en door werknemerspensioenfondsen gerapporteerde pensioenverplichtingen op grond van toegezegd-pensioenregelingen (zie IAS 26 Administratieve verwerking en verslaggeving door werknemerspensioenfondsen);

(c)

contractuele rechten of contractuele verplichtingen die afhankelijk zijn van het toekomstige gebruik, of het recht op gebruik, van een niet-financiële post (bijvoorbeeld sommige licentievergoedingen, royalty’s, voorwaardelijke leasebetalingen en soortgelijke posten), alsmede de restwaardegarantie van een lessee bij een financiële lease (zie IAS 17 Lease-overeenkomsten, IAS 18 Opbrengsten en IAS 38 Immateriële activa);

(d)

financiële garanties die een entiteit afgeeft of behoudt bij de overdracht aan een andere partij van financiële activa of financiële verplichtingen binnen het toepassingsgebied van IAS 39, ongeacht of de financiële garanties als financiële garantie, kredietbrief of verzekeringscontract worden omschreven (IAS 39);

(e)

voorwaardelijke, te betalen of ontvangen vergoedingen bij een bedrijfscombinatie (zie IFRS 3 Bedrijfscombinaties);

(f)

directe verzekeringscontracten die de entiteit houdt (dat wil zeggen directe verzekeringscontracten waarbij de entiteit de polishouder is). Een cedent dient deze IFRS echter toe te passen op herverzekeringscontracten die zij houdt.

5.

Eenvoudigheidshalve wordt in deze IFRS elke entiteit die een verzekeringscontract uitgeeft, als verzekeraar aangeduid, ongeacht of de emittent in juridische zin of voor toezichtsdoeleinden als verzekeraar wordt aangemerkt.

6.

Een herverzekeringscontract is een type verzekeringscontract. Alle verwijzingen in deze IFRS naar verzekeringscontracten gelden derhalve tevens voor herverzekeringscontracten.

In contracten besloten derivaten

7.

Op grond van IAS 39 zijn entiteiten verplicht sommige in contracten besloten derivaten van het basiscontract af te scheiden, deze derivaten tegen reële waarde te waarderen en veranderingen in de reële waarde in de winst- en verliesrekening te verantwoorden. IAS 39 geldt voor in een verzekeringscontract besloten derivaten tenzij het in een contract besloten derivaat zelf een verzekeringscontract is.

8.

Als uitzondering op het vereiste in IAS 39 hoeft een verzekeraar de optie die een polishouder heeft om een verzekeringscontract voor een vast bedrag af te kopen (of voor een bedrag gebaseerd op een vast bedrag en een rentevoet), niet af te splitsen, en tegen reële waarde te waarderen, zelfs indien de uitoefenprijs afwijkt van de boekwaarde van de verzekeringsverplichting die de basis vormt. Het vereiste in IAS 39 geldt echter wel voor een in een verzekeringscontract besloten putoptie of afkoopoptie in geldmiddelen indien de afkoopwaarde schommelt afhankelijk van de verandering in een financiële variabele (zoals een aandelen- of commodityprijs of -index), of in een niet-financiële variabele die niet specifiek voor een contractpartij is. Bovendien geldt het vereiste in IAS 39 tevens indien een verandering in een dergelijke variabele leidt tot uitoefening door de houder van een putoptie of afkoopoptie in geldmiddelen (bijvoorbeeld een putoptie die kan worden uitgeoefend indien een aandelenmarktindex een bepaald niveau bereikt).

9.

Alinea 8 geldt in gelijke mate voor opties om een financieel instrument met discretionaire winstdeling af te kopen.

Ontbundeling van verzekeringscontracten

10.

Sommige verzekeringscontracten bevatten zowel een verzekerings- als een depositocomponent. Een verzekeraar moet of mag in sommige gevallen deze componenten ontbundelen:

(a)

Ontbundeling is vereist indien aan beide van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(i)

de verzekeraar kan de waarde van de depositocomponent (met inbegrip van eventuele in het contract besloten afkoopopties) afzonderlijk bepalen (dat wil zeggen zonder rekening te houden met de verzekeringscomponent).

(ii)

op grond van zijn grondslagen voor financiële verslaggeving is de verzekeraar niet verplicht alle verplichtingen en rechten uit hoofde van de depositocomponent op te nemen.

(b)

Ontbundeling is toegestaan, maar niet verplicht, indien de verzekeraar de waarde van de depositocomponent afzonderlijk kan bepalen zoals vermeld bij (a)(i), maar de verzekeraar is op grond van zijn grondslagen voor financiële verslaggeving verplicht alle verplichtingen en rechten op te nemen die uit de depositocomponent voortvloeien, ongeacht de grondslag die wordt gehanteerd om die rechten en verplichtingen te waarderen.

(c)

Ontbundeling is niet toegestaan indien een verzekeraar de waarde van de depositocomponent niet afzonderlijk kan bepalen zoals vermeld bij (a)(i).

11.

Een voorbeeld van een geval waarin de grondslagen voor financiële verslaggeving van een verzekeraar hem niet verplichten alle verplichtingen die uit een depositocomponent voortvloeien, op te nemen, wordt hierna beschreven. Een cedent ontvangt van een herverzekeraar een vergoeding in verband met geleden schade, maar het contract verplicht de cedent om de vergoeding in toekomstige jaren terug te betalen. Deze verplichting vloeit voort uit een depositocomponent. Ontbundeling is vereist indien de grondslagen voor financiële verslaggeving van de cedent in andere gevallen de cedent zouden toestaan om de vergoeding als bate op te nemen zonder de resulterende verplichting op te nemen.

12.

Om een contract te ontbundelen dient een verzekeraar:

(a)

deze IFRS toe te passen op de verzekeringscomponent;

(b)

IAS 39 toe te passen op de depositocomponent.

OPNAME EN WAARDERING

Tijdelijke vrijstelling van sommige andere IFRSs

13.

In alinea 10 tot en met 12 van IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten zijn criteria vermeld voor gebruik door een entiteit bij de ontwikkeling van een grondslag voor financiële verslaggeving indien er geen IFRS is die specifiek op een post betrekking heeft. Op grond van deze IFRS hoeft een verzekeraar die criteria echter niet toe te passen voor zijn grondslagen voor financiële verslaggeving betreffende:

(a)

verzekeringscontracten die hij uitgeeft (met inbegrip van hiermee verband houdende acquisitiekosten en immateriële activa, zoals de activa beschreven in de alinea’s 31 en 32);

en

(b)

herverzekeringscontracten die hij houdt.

14.

Op grond van deze IFRS is een verzekeraar niettemin niet vrijgesteld van sommige gevolgen van de criteria in alinea 10 tot en met 12 van IAS 8. Een verzekeraar dient in het bijzonder:

(a)

geen voorzieningen voor mogelijke toekomstige claims op te nemen, indien die claims uit verzekeringscontracten voortvloeien die op de rapportagedatum niet bestonden (zoals catastrofe- en egalisatievoorzieningen).

(b)

de in alinea 15 tot en met 19 beschreven toereikendheidstoets van de verplichtingen uit te voeren.

(c)

uitsluitend een verzekeringsverplichting (of een deel van een dergelijke verplichting) niet langer op te nemen in de balans wanneer de in het contract vermelde verplichting tenietgaat, dat wil zeggen wanneer de in het contract vastgelegde verplichting nagekomen of ontbonden wordt, dan wel afloopt.

(d)

de volgende posten niet te salderen:

(i)

herverzekeringsactiva en hiermee verband houdende verzekeringsverplichtingen;

of

(ii)

baten of lasten uit hoofde van herverzekeringscontracten en lasten of baten uit hoofde van de hiermee verband houdende verzekeringscontracten;

(e)

na te gaan of de herverzekeringsactiva een bijzonder waardevermindering hebben ondergaan (zie alinea 20).

Toereikendheidstoets van de verplichtingen

15.

Een verzekeraar dient op iedere rapportagedatum te bepalen of de opgenomen verzekeringsverplichtingen toereikend zijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van actuele schattingen van toekomstige kasstromen uit hoofde van zijn verzekeringscontracten. Indien uit deze toets blijkt dat de boekwaarde van de verzekeringsverplichtingen (verminderd met de hiermee verband houdende geactiveerde acquisitiekosten en immateriële activa, zoals de activa besproken in de alinea’s 31 en 32) ontoereikend is in het licht van de geschatte toekomstige kasstromen, dan dient het gehele tekort in de winst- en verliesrekening te worden opgenomen.

16.

Indien een verzekeraar een toereikendheidstoets van de verplichtingen toepast die aan bepaalde minimumeisen voldoet, legt deze IFRS geen nadere vereisten op. De minimumeisen zijn de volgende:

(a)

In de toets wordt rekening gehouden met actuele schattingen van alle contractuele kasstromen, en met de hiermee verband houdende kasstromen zoals de claimbehandelingskosten, alsook de kasstromen uit in contracten besloten opties en garanties.

(b)

Indien uit de toets naar voren komt dat de verplichting ontoereikend is, wordt het tekort in zijn geheel in de winst- en verliesrekening opgenomen.

17.

Indien de grondslagen voor financiële verslaggeving van een verzekeraar geen toereikendheidstoets van de verplichtingen voorschrijven die aan de minimumeisen in alinea 16 voldoet, dient de verzekeraar:

(a)

de boekwaarde van de desbetreffende verzekeringsverplichtingen (*1) te bepalen verminderd met de boekwaarde van:

(i)

eventuele hiermee verband houdende geactiveerde acquisitiekosten;

en

(ii)

eventuele hiermee verband houdende immateriële activa, zoals activa die zijn verworven bij een bedrijfscombinatie of portefeuille-overdracht (zie de alinea’s 31 en 32). Hiermee verband houdende herverzekeringscontracten worden echter niet in aanmerking genomen omdat een verzekeraar deze administratief afzonderlijk verwerkt (zie alinea 20).

(b)

te bepalen of het bij (a) beschreven bedrag lager is dan de boekwaarde die vereist zou zijn indien de desbetreffende verzekeringsverplichtingen binnen het toepassingsgebied van IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa zouden vallen. Indien dit bedrag lager is, dient de verzekeraar het verschil in zijn geheel in de winst- en verliesrekening te verwerken, en dient de verzekeraar de boekwaarde van de hiermee verband houdende acquisitiekosten en immateriële activa te verlagen, of de boekwaarde van de desbetreffende verzekeringsverplichtingen te verhogen.

18.

Indien de toereikendheidstoets van de verplichtingen van een verzekeraar aan de minimumeisen in alinea 16 voldoet, wordt de toets toegepast op het aggregatieniveau dat in die toets wordt aangegeven. Indient de toereikendheidstoets van de verplichtingen niet aan de minimumeisen voldoet, dient de in alinea 17 vermelde vergelijking te worden uitgevoerd op het niveau van een portefeuille van contracten die globaal blootstaan aan soortgelijke risico’s en die gezamenlijk als één portefeuille worden beheerd.

19.

Het in alinea 17(b) beschreven bedrag (dat wil zeggen de uitkomst van de toepassing van IAS 37) dient een afspiegeling te zijn van de toekomstige beleggingsmarges (zie alinea 27 tot en met 29), uitsluitend indien het in alinea 17(a) beschreven bedrag tevens deze marges weerspiegelt.

Bijzondere waardevermindering van herverzekeringsactiva

20.

Indien een herverzekeringsactief van een cedent een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, dient de cedent de boekwaarde daarvan dienovereenkomstig te verminderen en dat bijzondere waardeverminderingsverlies in de winst- en verliesrekening op te nemen. Een herverzekeringsactief heeft uitsluitend een bijzondere waardevermindering ondergaan indien:

(a)

er objectieve aanwijzingen zijn dat de cedent, als gevolg van een gebeurtenis na de eerste opname in de balans van het herverzekeringsactief, mogelijk niet alle bedragen zal ontvangen die op grond van de voorwaarden van het contract aan de cedent zijn verschuldigd;

en

(b)

die gebeurtenis op betrouwbare wijze te bepalen gevolgen heeft voor de bedragen die de cedent van de herverzekeraar zal ontvangen.

Wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaggeving

21.

De alinea’s 22 tot en met 30 gelden zowel voor wijzigingen door een verzekeraar die reeds de IFRSs toepast als voor wijzigingen door een verzekeraar die de IFRSs voor het eerst toepast.

22.

Een verzekeraar kan zijn grondslagen voor financiële verslaggeving met betrekking tot verzekeringscontracten uitsluitend wijzigen indien de jaarrekening door de wijziging relevanter wordt voor gebruikers bij het nemen van economische beslissingen en niet minder betrouwbaar, of betrouwbaarder en niet minder relevant voor gebruikers. Een verzekeraar dient de relevantie en betrouwbaarheid te beoordelen op basis van de criteria in IAS 8.

23.

Om de wijziging van de grondslagen voor de financiële verslaggeving met betrekking tot verzekeringscontracten te rechtvaardigen dient een verzekeraar aan te tonen dat de jaarrekening door de wijziging beter voldoet aan de criteria in IAS 8. Maar de wijziging hoeft niet te leiden tot volledige overeenstemming met die criteria. De volgende specifieke kwesties worden hieronder besproken:

(a)

actuele rente (alinea 24);

(b)

voortzetting van bestaande praktijken (alinea 25);

(c)

voorzichtigheid (alinea 26);

(d)

toekomstige beleggingsmarges (alinea 27 tot en met 29);

en

(e)

„shadow accounting” (alinea 30).

Actuele rente

24.

Een verzekeraar mag, maar is niet verplicht om, zijn grondslagen voor financiële verslaggeving zodanig te wijzigen dat aangewezen verzekeringsverplichtingen (*2) worden geherwaardeerd dat deze een afspiegeling zijn van de actuele rente. De verzekeraar verwerkt de wijzigingen in die verplichtingen in de winst- en verliesrekening. De verzekeraar mag op dat moment tevens grondslagen voor financiële verslaggeving invoeren waardoor andere actuele schattingen en aannames noodzakelijk zijn voor de aangewezen verplichtingen. Via de keuze in deze alinea is de verzekeraar in staat om de grondslagen voor financiële verslaggeving te wijzigen voor aangewezen verplichtingen, zonder die grondslagen op overeenkomstige wijze toe te passen op alle soortgelijke verplichtingen, zoals IAS 8 in andere gevallen zou voorschrijven. Indien een verzekeraar verplichtingen aanwijst om van de geboden keuzemogelijkheid verplichtingen gebruik te maken, dient hij voor alle perioden de actuele marktrente (en, indien van toepassing, de andere actuele schattingen en aannames) op consistente wijze te blijven toepassen op al deze verplichtingen, totdat deze tenietgaan.

Voortzetting van bestaande praktijken

25.

Verzekeraars mogen de onderstaande praktijken blijven voortzetten, maar met de invoering van één daarvan wordt niet voldaan aan alinea 22.

(a)

Waardering van verzekeringsverplichtingen op niet-gedisconteerde basis.

(b)

Waardering van contractuele rechten op toekomstige vermogensbeheervergoedingen op een bedrag dat hoger is dan de reële waarde zoals vastgesteld door een vergelijking met actuele vergoedingen die door andere marktdeelnemers voor soortgelijke diensten worden berekend. Het is waarschijnlijk dat de reële waarde bij het ontstaan van die contractuele rechten gelijk is aan de betaalde uitgiftekosten, tenzij de toekomstige vermogensbeheervergoeding en de hiermee verband houdende kosten afwijken van hetgeen in de markt gebruikelijk is.

(c)

Gebruikmaking van niet-uniforme grondslagen voor financiële verslaggeving van verzekeringscontracten (en eventuele hiermee verband houdende geactiveerde acquisitiekosten en immateriële activa) van dochterondernemingen, behoudens zoals toegestaan op grond van alinea 24. Indien die grondslagen voor financiële verslaggeving niet uniform zijn, mag een verzekeraar deze wijzigen indien de grondslagen voor financiële verslaggeving als gevolg van de wijziging niet verder uiteen gaan lopen, en tevens de wijziging aan de andere vereisten in deze IFRS voldoet.

Voorzichtigheid

26.

Verzekeraars hoeven hun grondslagen voor financiële verslaggeving van verzekeringscontracten niet te wijzigen om overdreven voorzichtigheid te elimineren. Indien een verzekeraar zijn verzekeringscontracten echter reeds voldoende voorzichtig waardeert, dient hij bij de waardering niet extra voorzichtig te zijn.

Toekomstige beleggingsmarges

27.

Verzekeraars hoeven hun grondslagen voor financiële verslaggeving van verzekeringscontracten niet te wijzigen om toekomstige beleggingsmarges te elimineren. Er is echter sprake van een weerlegbaar vermoeden dat de jaarrekening van een verzekeraar minder relevant en betrouwbaar wordt indien deze een grondslag voor financiële verslaggeving introduceert waarmee bij de waardering van verzekeringscontracten rekening wordt gehouden met toekomstige beleggingsmarges, tenzij deze marges van invloed zijn op de contractuele betalingen. Twee voorbeelden van grondslagen voor financiële verslaggeving waarbij rekening wordt gehouden met die marges, zijn:

(a)

gebruikmaking van een disconteringsvoet die een afspiegeling is van het geschatte rendement op de activa van de verzekeraar;

of

(b)

het baseren van het toekomstige rendement op die activa op een geschat rendement, discontering van dat geprojecteerde rendement tegen een afwijkende voet en opname van het verschil in de waardering van de verplichting.

28.

Verzekeraars kunnen het weerlegbare vermoeden dat in alinea 27 wordt beschreven uitsluitend weerleggen indien de toename van de relevantie en betrouwbaarheid van de jaarrekening als gevolg van de overige componenten van een wijziging in de grondslagen voor financiële verslaggeving opweegt tegen de afname van de relevantie en betrouwbaarheid als gevolg van de opname van toekomstige beleggingsmarges. Veronderstel bijvoorbeeld dat in het kader van de bestaande grondslagen voor financiële verslaggeving van verzekeringscontracten wordt uitgegaan van overdreven voorzichtige, bij aanvang vastgestelde aannames en een door een regelgevende instantie voorgeschreven disconteringsvoet die geen directe relatie met de marktrente heeft, en waarbij geen rekening wordt gehouden met een aantal in het contract besloten derivaten en garanties. De verzekeraar kan zijn jaarrekening relevanter maken, zonder dat dit ten koste gaat van de betrouwbaarheid, door over te schakelen op een veelomvattende op de belegger gerichte grondslag voor verslaggeving die in brede kring wordt gehanteerd en die de volgende elementen omvat:

(a)

actuele schattingen en aannames;

(b)

een redelijke (maar niet overdreven voorzichtige) aanpassing om risico en onzekerheid tot uitdrukking te brengen;

(c)

waarderingen waarin zowel de intrinsieke waarde als de tijdswaarde van in een contract besloten opties en garanties worden verwerkt;

en

(d)

een actuele disconteringsvoet die gebaseerd is op de marktrente, zelfs als deze disconteringsvoet een afspiegeling is van het verwachte rendement op de activa van de verzekeraar.

29.

Bij sommige waarderingsbenaderingen wordt de disconteringsvoet gebruikt om de contante waarde van een toekomstige winstmarge te bepalen. Die winstmarge wordt vervolgens via een formule aan verschillende perioden toegerekend. Bij deze benaderingen beïnvloedt de disconteringsvoet de waardering van de verplichting alleen op indirecte wijze. Met name het gebruik van een minder geschikte disconteringsvoet heeft beperkte of geen gevolgen voor de waardering van de verplichting bij het ontstaan ervan. Bij andere benaderingen bepaalt de disconteringsvoet echter de waardering van de verplichting op directe wijze. In het laatstgenoemde geval is het, omdat de invoering van een activagerelateerde disconteringsvoet een groter effect heeft, zeer onwaarschijnlijk dat een verzekeraar het weerlegbare vermoeden beschreven in alinea 27, zou kunnen weerleggen.

„Shadow accounting”

30.

In sommige verslaggevingsmodellen hebben gerealiseerde winsten en verliezen op de activa van een verzekeraar direct gevolgen voor de waardering van (een deel van) de (a) verzekeringsverplichtingen, (b) daaraan gerelateerde acquisitiekosten en (c) daaraan gerelateerde immateriële activa, zoals de activa beschreven in alinea 31 en 32. Verzekeraars mogen, maar zijn niet verplicht om, de grondslagen voor financiële verslaggeving zodanig te wijzigen dat de invloed van een opgenomen maar ongerealiseerd resultaat op een actief dezelfde is als die van een gerealiseerde winst of een gerealiseerd verlies. De hiermee verband houdende aanpassing van de verzekeringsverplichting (of geactiveerde acquisitiekosten of immateriële activa) dient uitsluitend in het eigen vermogen te worden opgenomen indien de ongerealiseerde winsten of verliezen direct in het eigen vermogen worden verwerkt. Deze handelwijze wordt soms aangeduid als „shadow accounting”.

Verzekeringscontracten verworven bij een bedrijfscombinatie of portefeuilleoverdracht

31.

Verzekeraars dienen om IFRS 3 Bedrijfscombinaties na te leven de bij een bedrijfscombinatie aangegane verzekeringsverplichtingen en verworven verzekeringsactiva op de overnamedatum tegen reële waarde te waarderen. Echter, een verzekeraar mag, zonder verplichting daartoe, de presentatie van overgenomen verzekeringscontracten uitbreiden door de reële waarde van deze contracten te splitsen in twee componenten:

(a)

een verplichting gewaardeerd in overeenstemming met de grondslagen voor financiële verslaggeving van de verzekeraar inzake door hem uitgegeven verzekeringscontracten;

en

(b)

een immaterieel actief dat het verschil voorstelt tussen (i) de reële waarde van de verworven contractuele verzekeringsrechten en aangegane verzekeringsverplichtingen en (ii) het bij (a) beschreven bedrag. De waardering van dit actief na eerste opname dient in overeenstemming te zijn met de waardering van de hiermee verband houdende verzekeringsverplichting.

32.

Een verzekeraar die een portefeuille van verzekeringscontracten overneemt, mag de uitgebreidere presentatie toepassen die in alinea 31 is beschreven.

33.

De immateriële activa die in de alinea’s 31 en 32 worden beschreven, vallen buiten het toepassingsgebied van IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa en IAS 38 Immateriële activa. IAS 36 en IAS 38 gelden echter wel voor klantenbestanden en klantenrelaties die een afspiegeling zijn van de verwachtingen omtrent toekomstige contracten die geen deel uitmaken van de contractuele verzekeringsrechten en verzekeringsverplichtingen die bestonden op de datum van de bedrijfscombinatie of portefeuilleoverdracht.

Discretionaire winstdeling

Verzekeringscontracten met discretionaire winstdeling

34.

Sommige verzekeringscontracten bevatten, naast een recht van de polishouder op een gegarandeerd element, een recht op winstdeling waarvan het tijdstip en/of hoogte afhankelijk is van een besluit van de verzekeraar. De emittent van een dergelijk contract:

(a)

mag het discretionaire-winstdelingselement en het gegarandeerde element afzonderlijk opnemen, maar is hiertoe niet verplicht. Indien de emittent deze niet afzonderlijk opneemt, dient de emittent het gehele contract als verplichting te rubriceren. Indien de emittent deze afzonderlijk rubriceert, dient de emittent het gegarandeerde elementen als een verplichting te classificeren;

(b)

dient, indien de emittent het discretionaire-winstdelingselement afzonderlijk van het gegarandeerde element opneemt, dat recht hetzij als verplichting of als afzonderlijke component van het eigen vermogen te classificeren. In deze IFRS wordt niet gespecificeerd hoe de emittent bepaalt of dat recht een verplichting is of tot het eigen vermogen behoort. De emittent mag dat recht splitsen in een vreemd-vermogens- en een eigen-vermogenscomponent, waarbij ten aanzien van de splitsing een consistente grondslag voor financiële verslaggeving dient te worden gehanteerd. De emittent dient dat recht niet als een tussencategorie, tussen het vreemde vermogen en het eigen vermogen, te classificeren;

(c)

mag alle ontvangen premies als opbrengst opnemen zonder een gedeelte af te splitsen dat op de eigen-vermogenscomponent betrekking heeft. De resulterende veranderingen in het gegarandeerde element en in het gedeelte van de het discretionaire-winstdelingselement, dat als verplichting wordt geclassificeerd, dienen in de winst- en verliesrekening te worden opgenomen. Indien (een deel van) het discretionaire-winstdelingselement als eigen vermogen wordt geclassificeerd, kan een gedeelte van de winst of het verlies aan dat recht toe te rekenen zijn (op dezelfde wijze waarop een gedeelte aan minderheidsbelangen wordt toegerekend). De emittent dient het gedeelte van de winst die, of het verlies dat, aan een eventuele eigen-vermogenscomponent van een discretionaire-winstdelingselement is toe te rekenen, op te nemen als een verdeling van de winst of het verlies, niet als een bate of last (zie IAS 1 Presentatie van de jaarrekening);

(d)

dient, indien er in het contract een derivaat besloten is dat binnen het toepassingsgebied van IAS 39 valt, IAS 39 op dat in het contract besloten derivaat toe te passen;

(e)

dient in alle opzichten die niet in de alinea’s 14 tot en met 20 en 34(a)(d) worden beschreven, de bestaande grondslagen voor financiële verslaggeving van dergelijke contracten voort te zetten, tenzij de emittent die grondslagen voor financiële verslaggeving wijzigt op een wijze die in overeenstemming is met alinea 21 tot en met 30.

Financiële instrumenten met discretionaire winstdeling

35.

De vereisten in alinea 34 gelden ook voor financiële instrumenten met een discretionaire-winstdelingselement. Daarnaast:

(a)

dient de emittent de toereikendheidstoets van de verplichtingen in alinea 15 tot en met 19 op het gehele contract toe te passen (dat wil zeggen het gegarandeerde element en het discretionaire-winstdelingselement), indien de emittent het discretionaire-winstdelingselement als een verplichting classificeert. De emittent hoeft niet het bedrag te bepalen dat zou gelden als IAS 39 op het gegarandeerde element zou worden toegepast;

(b)

de verplichting die voor het gehele contract wordt opgenomen, dient niet lager te zijn dan het bedrag dat zou worden berekend als IAS 39 op het gegarandeerde element zou worden toegepast, indien de emittent (een deel van) het discretionaire-winstdelingselement als een afzonderlijke component van het eigen vermogen classificeert. Dat bedrag dient de intrinsieke waarde van een optie om het contract af te kopen, te omvatten, maar hoeft niet de tijdswaarde van de optie te omvatten indien de optie op grond van alinea 9 is vrijgesteld van waardering tegen reële waarde. De emittent hoeft niet het bedrag te vermelden dat zou gelden als IAS 39 op het gegarandeerde element zou worden toegepast; het bedrag hoeft ook niet afzonderlijk te worden gepresenteerd. Bovendien hoeft de emittent dat bedrag niet te bepalen indien de totale verplichting die wordt opgenomen, duidelijk hoger is;

(c)

mag de emittent, hoewel deze contracten financiële instrumenten zijn, de premies voor deze contracten als opbrengt blijven opnemen en de resulterende toename van de boekwaarde van de verplichting als last verwerken.

INFORMATIEVERSCHAFFING

Toelichting op opgenomen bedragen

36.

Een verzekeraar dient in de toelichting de in de jaarrekening opgenomen bedragen te vermelden die voortvloeien uit verzekeringscontracten, alsook een toelichting op deze bedragen.

37.

Om te voldoen aan alinea 36 dienen verzekeraars de volgende informatie te verstrekken:

(a)

de grondslagen voor financiële verslaggeving van verzekeringscontracten en de hiermee verband houdende activa, verplichtingen, baten en lasten.

(b)

de opgenomen activa, passiva, baten en lasten (en, indien het kasstroomoverzicht volgens de directe methode wordt gepresenteerd, de kasstromen) die uit dergelijke verzekeringscontracten voortvloeien. Bovendien dient te verzekeraar, indien deze cedent is, de volgende informatie te verstrekken:

(i)

de in de winst- en verliesrekening opgenomen baten en lasten op afgesloten herverzekeringscontracten;

en

(ii)

indien de cedent baten en lasten op afgesloten herverzekeringscontracten als overlopende post opneemt en amortiseert, het amortisatiebedrag over de periode en de nog niet geamortiseerde bedragen aan het begin en aan het einde van de periode;

(c)

het proces voor de totstandkoming van de veronderstellingen die het grootste effect hebben op de waardering van de bij (b) beschreven bedragen. Indien praktisch haalbaar dient een verzekeraar tevens deze veronderstellingen te kwantificeren.

(d)

het effect van wijzigingen in de veronderstellingen die ten grondslag liggen aan de waardering van de verzekeringsactiva en verzekeringsverplichtingen, waarbij het effect van iedere wijziging met een materieel effect op de jaarrekening afzonderlijk wordt getoond.

(e)

mutatieoverzichten van verzekeringsverplichtingen, herverzekeringsactiva en, in voorkomende gevallen, hiermee verband houdende acquisitiekosten.

Omvang, tijdstippen en onzekerheid van kasstromen

38.

Een verzekeraar dient informatie te verstrekken die gebruikers van de jaarrekening inzicht geeft in de omvang, tijdstippen en onzekerheid van toekomstige kasstromen uit verzekeringscontracten.

39.

Om te voldoen aan alinea 38 dienen verzekeraars de volgende informatie te verstrekken:

(a)

de doelstellingen met betrekking tot het beheer van risico’s die voortvloeien uit verzekeringscontracten en het beleid voor het mitigeren van die risico’s.

(b)

die voorwaarden van verzekeringscontracten die een materieel effect hebben op de omvang, tijdstippen en onzekerheid van de toekomstige kasstromen van de verzekeraar.

(c)

informatie over het verzekeringsrisico (zowel vóór als na de risicovermindering door herverzekering), waaronder informatie over:

(i)

de gevoeligheid van het resultaat en het eigen vermogen voor veranderingen in variabelen die daarop een materiële invloed hebben.

(ii)

concentraties van verzekeringsrisico.

(iii)

werkelijke claims vergeleken met voorgaande schattingen (dat wil zeggen de ontwikkeling van de claims). De informatieverschaffing over de claimontwikkeling dient terug te gaan tot en met de periode waarin de eerste materiële claim naar voren kwam met betrekking tot welke nog steeds onduidelijkheid bestaat over de omvang en tijdstippen van de claimbetalingen, maar de informatie hoeft niet verder terug te gaan dan tien jaar. Een verzekeraar hoeft deze informatie niet te verstrekken met betrekking tot claims waarover gewoonlijk binnen één jaar geen onzekerheid meer bestaat over de omvang en de tijdstippen van claimbetalingen.

(d)

de informatie over renterisico en kredietrisico die op grond van IAS 32 vereist zou zijn indien de verzekeringscontracten binnen het toepassingsgebied van IAS 32 zouden vallen.

(e)

informatie over de blootstelling aan renterisico of marktrisico voortvloeiend uit in een basiscontract besloten derivaten indien de verzekeraar de in het contract besloten derivaten niet tegen reële waarde hoeft te waarderen, en dit ook niet doet.

INGANGSDATUM EN OVERGANGSPERIODE

40.

De overgangsbepalingen in alinea 41 tot en met 45 gelden zowel voor entiteiten die bij de eerste toepassing van deze IFRS reeds de IFRSs toepassen en voor entiteiten die de IFRSs voor het eerst toepassen (eerste toepassers).

41.

Entiteiten dienen deze IFRS toe te passen voor verslagperioden die aanvangen op of na l januari 2005. Eerdere toepassing wordt aangemoedigd. Indien een entiteit deze IFRS voor een eerdere periode toepast, dient zij dit feit te vermelden.

Informatieverschaffing

42.

Entiteiten hoeven de vereisten in deze IFRS met betrekking tot te verstrekken informatie niet toe te passen op vergelijkende informatie die betrekking heeft op jaarperioden die aanvangen vóór 1 januari 2005, behoudens de informatie die op grond van alinea 37(a) en (b) is vereist over grondslagen voor financiële verslaggeving, en opgenomen activa, verplichtingen, baten en lasten (en kasstromen indien de directe methode wordt toegepast).

43.

Indien het praktisch niet haalbaar is om een bepaald vereiste in alinea 10 tot en met 35 toe te passen op vergelijkende informatie die betrekking heeft op jaarperioden die aanvangen vóór 1 januari 2005, dan dient een entiteit dat feit te vermelden. Toepassing van de toereikendheidstoets van de verplichtingen (alinea 15 tot en met 19) op dergelijke vergelijkende informatie kan in sommige gevallen praktisch niet haalbaar zijn, maar het is zeer onwaarschijnlijk dat de andere vereisten in alinea 10 tot en met 35 niet op dergelijke vergelijkende informatie zouden kunnen worden toegepast. In IAS 8 wordt het begrip „praktisch niet haalbaar” toegelicht.

44.

Ter toepassing van alinea 39(c)(iii) hoeft een entiteit geen informatie te verstrekken over de claimontwikkeling in de periode voorafgaand aan de periode van vijf jaar vóór het einde van het eerste boekjaar waarin de entiteit deze IFRS toepast. Bovendien dient de entiteit, indien deze voor het eerst deze IFRS toepast, indien het praktisch niet haalbaar is om informatie op te stellen over de claimontwikkeling vóór het begin van de vroegste periode waarover een entiteit volledige vergelijkende informatie in overeenstemming met deze IFRS presenteert, dat feit te vermelden.

Herclassificatie van financiële activa

45.

Wanneer een verzekeraar zijn grondslagen voor financiële verslaggeving van verzekeringsverplichtingen wijzigt, is het toegestaan, maar niet verplicht, om (een deel van) zijn financiële activa te herclassificeren als gewaardeerd „tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst- en verliesrekening”. Deze herclassificatie is toegestaan indien een verzekeraar zijn grondslagen voor financiële verslaggeving wijzigt wanneer hij deze IFRS voor het eerst toepast en indien hij daarna een grondslagwijziging doorvoert die op grond van alinea 22 is toegestaan. De herclassificatie is een wijziging in de grondslag voor financiële verslaggeving en hierop is IAS 8 van toepassing.


(*1)  De desbetreffende verzekeringsverplichtingen zijn die verzekeringsverplichtingen (en hiermee verband houdende geactiveerde acquisitiekosten en immateriële activa) waarvoor de grondslagen voor financiële verslaggeving geen toereikendheidstoets van de verplichtingen voorschrijven die voldoet aan de minimumeisen in alinea 16.

(*2)  In deze alinea omvatten verzekeringsverplichtingen hiermee verband houdende geactiveerde acquisitiekosten en immateriële activa, zoals de activa besproken in de alinea’s 31 en 32.

BIJLAGE A

Definities

Deze bijlage maakt integraal deel uit van IFRS 4.

cedent

De polishouder van een herverzekeringscontract.

depositocomponent

Een contractuele component die administratief niet als een derivaat in overeenstemming met IAS 39 wordt verwerkt en die binnen het toepassingsgebied van IAS 39 zou vallen als deze een afzonderlijk instrument zou zijn.

direct verzekeringscontract

Een verzekeringscontract niet zijnde een herverzekeringscontract.

discretionaire- winstdelingselement

Een contractueel recht om, in aanvulling op gegarandeerde voordelen, aanvullende voordelen te ontvangen:

(a)

die waarschijnlijk een belangrijk gedeelte van de totale contractuele voordelen uitmaken;

(b)

waarvan de hoogte of het tijdstip contractueel door de emittent wordt bepaald;

en

(c)

die contractueel gebaseerd zijn op:

(i)

het resultaat van een bepaalde pool van contracten of een bepaald type contract;

(ii)

gerealiseerde en/of ongerealiseerde beleggingsresultaten van een bepaalde pool van door de emittent gehouden activa;

of

(iii)

de winst of het verlies van de vennootschap, het fonds of een andere entiteit die het contract uitgeeft.

reële waarde

Het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld, of een verplichting kan worden afgewikkeld, tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn.

financieel risico

Het risico van een mogelijke toekomstige verandering in een of meer van de volgende variabelen: een bepaalde rentevoet, prijs van een financieel instrument, commodityprijs, valutakoers, index van prijzen of rentevoeten, kredietwaardigheid of andere variabele, mits, in geval van een niet-financiële variabele, de variabele niet specifiek voor een contractpartij is.

gegarandeerde voordelen

Betalingen of andere voordelen waarop een bepaalde polishouder of belegger een onvoorwaardelijk recht heeft dat niet onderhevig is aan de contractuele discretionaire bevoegdheid van de emittent.

gegarandeerd element

Een verplichting tot betaling van gegarandeerde voordelen opgenomen in een contract dat een discretionaire-winstdelingselement bevat.

verzekeringsactief

De netto contractuele rechten van een verzekeraar op grond van een verzekeringscontract.

verzekeringscontract

Een contract op grond waarvan één partij (de verzekeraar) een aanzienlijk verzekeringsrisico accepteert van een ander partij (de polishouder) door overeen te komen de polishouder te compenseren indien een bepaalde onzekere toekomstige gebeurtenis (de verzekerde gebeurtenis) nadelige gevolgen heeft voor de polishouder. (Zie bijlage B voor een leidraad bij deze definitie.)

verzekeringsverplichting

De netto contractuele verplichtingen van een verzekeraar op grond van een verzekeringscontract.

verzekeringsrisico

Het risico, niet zijnde financieel risico, dat door de houder van een contract wordt overgedragen aan de emittent.

verzekerde gebeurtenis

Een onzekere toekomstige gebeurtenis die wordt gedekt door een verzekeringscontract en waardoor verzekeringsrisico risico ontstaat.

verzekeraar

De partij die op grond van een verzekeringscontract een verplichting heeft om uit te keren aan een polishouder indien een verzekerde gebeurtenis zich voordoet.

toereikendheidstoets van de verplichtingen

Een beoordeling of de boekwaarde van een verzekeringsverplichting verhoogd moet worden (of de boekwaarde van hiermee verband houdende acquisitiekosten of immateriële activa moet worden verlaagd), op basis van een beoordeling van toekomstige kasstromen.

polishouder

Een partij die op grond van een verzekeringscontract recht heeft op een vergoeding indien een verzekerde gebeurtenis zich voordoet.

herverzekeringsactiva

De netto contractuele rechten van een cedent op grond van een herverzekeringscontract.

herverzekeringscontract

Een verzekeringscontract uitgegeven door één verzekeraar (de herverzekeraar) om een andere verzekeraar (de cedent) te compenseren in verband met verliezen op een of meer van de door de cedent uitgegeven contracten.

herverzekeraar

De partij die op grond van een herverzekeringscontract een verplichting heeft om uit te keren aan een cedent indien een verzekerde gebeurtenis zich voordoet.

ontbundelen

Administratief verwerken van de componenten van een contract alsof zij afzonderlijke contracten zijn.

BIJLAGE B

Definitie van een verzekeringscontract

Deze bijlage maakt integraal deel uit van IFRS 4.

B1

Deze bijlage bevat een leidraad inzake de definitie van een verzekeringscontract in bijlage A. In de bijlage worden de volgende onderwerpen behandeld:

(a)

het begrip „onzekere toekomstige gebeurtenis” (alinea B2 tot en met B4);

(b)

uitkering in natura (alinea B5 tot en met B7);

(c)

onderscheid tussen verzekeringsrisico en andere risico’s (alinea B8 tot en met B17);

(d)

voorbeelden van verzekeringscontracten (alinea B18 tot en met B21);

(e)

aanzienlijk verzekeringsrisico (alinea B22 tot en met B28);

en

(f)

veranderingen in het niveau van verzekeringsrisico (alinea B29 en B30).

Onzekere toekomstige gebeurtenis

B2

Onzekerheid (of risico) vormt de kern van een verzekeringscontract. Derhalve dient bij het afsluiten van een verzekeringscontract onzekerheid te bestaan over ten minste een van de volgende zaken:

(a)

of een verzekerde gebeurtenis zich zal voordoen;

(b)

wanneer deze zich zal voordoen;

of

(c)

hoeveel de verzekeraar zal moeten uitkeren indien de gebeurtenis zich voordoet.

B3

In sommige verzekeringscontracten is de verzekerde gebeurtenis de ontdekking van een schade of verlies gedurende de looptijd van het contract, zelfs indien de schade of het verlies voortvloeit uit een gebeurtenis die zich vóór het afsluiten van het contract afspeelde. In andere verzekeringscontracten is de verzekerde gebeurtenis een gebeurtenis die zich afspeelt gedurende de looptijd van het contract, zelfs indien de resulterende schade of het resulterende verlies wordt ontdekt na het einde van de looptijd van het contract.

B4

Sommige verzekeringscontracten hebben betrekking op gebeurtenissen die zich reeds hebben voorgedaan, maar waarvan de financiële gevolgen onzeker zijn. Een voorbeeld hiervan is een herverzekeringscontract dat de directe verzekeraar beschermt tegen de ongunstige ontwikkeling van claims die reeds door polishouders zijn ingediend. In dergelijke contracten is de verzekerde gebeurtenis de ontdekking van de uiteindelijke kosten van die claims.

Uitkering in natura

B5

Sommige verzekeringscontracten schrijven voor of staan toe dat uitkeringen in natura worden gedaan. Een voorbeeld hiervan betreft de verzekeraar die een gestolen artikel zelf vervangt, in plaats van dat het bedrag aan de polishouder wordt uitgekeerd. Een ander voorbeeld is een verzekeraar die gebruikmaakt van eigen ziekenhuizen en medisch personeel om de medische diensten te verlenen die door de contracten worden gedekt.

B6

Sommige servicecontracten tegen een vaste vergoeding waarbij het serviceniveau afhankelijk is van een onzekere gebeurtenis voldoen aan de definitie van een verzekeringscontract in deze IFRS, maar vallen in sommige landen niet onder de regelgeving inzake verzekeringscontracten. Eén voorbeeld is een onderhoudscontract waarin de dienstverlener overeenkomt om bepaalde bedrijfsinstallaties te repareren na een storing. De vaste servicevergoeding is gebaseerd op het verwachte aantal storingen, maar het is onzeker of een bepaalde bedrijfsinstallatie zal vastlopen. De storing van de bedrijfsinstallatie heeft negatieve gevolgen voor de eigenaar en op grond van het contract ontvangt de eigenaar een uitkering (in natura, in plaats van in geldmiddelen). Een ander voorbeeld is een contract inzake reparatiediensten bij autopech waarin de dienstverlener overeenkomt om tegen een vaste jaarlijkse vergoeding, assistentie langs de weg te verlenen of de auto naar een nabijgelegen garage te slepen. Laatstgenoemd contract zou kunnen voldoen aan de definitie van een verzekeringscontract, zelfs indien de dienstverlener niet overeenkomt om reparaties uit te voeren of onderdelen te vervangen.

B7

Toepassing van IFRS 4 op de in alinea B6 beschreven contracten is waarschijnlijk niet méér belastend dan toepassing van de IFRSs die zouden gelden indien dergelijke contracten buiten het toepassingsgebied van deze IFRS zouden vallen:

(a)

Het is onwaarschijnlijk dat er materiële verplichtingen zijn voor defecten en storingen die zich reeds hebben voorgedaan.

(b)

Bij toepassing van IAS 18 Opbrengsten zou de dienstverlener opbrengsten realiseren naar rato van de voortgang (en met inachtneming van andere bepaalde criteria). Die benadering is ook op grond van deze IFRS aanvaardbaar. IFRS 4 staat toe dat de dienstverlener (i) zijn bestaande grondslagen voor financiële verslaggeving van deze contracten handhaaft tenzij hiermee in strijd wordt gehandeld met alinea 14 en (ii) zijn grondslagen voor financiële verslaggeving verbetert, indien dit op grond van alinea 22 tot en met 30 is toegestaan.

(c)

De dienstverlener gaat na of de kosten van het nakomen van de contractuele verplichting tot verlening van diensten hoger zijn dat de vooruitontvangen opbrengsten. Hiervoor hanteert de dienstverlener de toereikendheidstoets van de verplichtingen die in alinea 15 tot en met 19 van deze IFRS wordt beschreven. Indien deze IFRS niet voor deze contracten zou gelden, dan zou de dienstverlener IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa toepassen om te bepalen of de contracten verlieslatend zijn.

(d)

Het is onwaarschijnlijk dat de vereisten in deze IFRS ten aanzien van de informatieverschaffing voor deze contracten aanzienlijk uitgebreider zijn dan de informatieverschaffing die op grond van andere IFRSs is voorgeschreven.

Onderscheid tussen verzekeringsrisico en andere risico’s

B8

De definitie van verzekeringscontract verwijst naar verzekeringsrisico, dat in deze IFRS wordt gedefinieerd als het risico, niet zijnde financieel risico, dat door de houder van een contract wordt overgedragen aan de emittent. Een contract waarmee de emittent wordt blootgesteld aan een financieel risico zonder een belangrijk verzekeringsrisico is geen verzekeringscontract.

B9

De definitie van financieel risico in bijlage A omvat een opsomming van financiële en niet-financiële variabelen. De opsomming bevat niet-financiële variabelen die niet specifiek voor een contractpartij zijn, zoals een index van aardbevingsverliezen in een bepaalde regio of de temperatuurindex van een bepaalde stad. De opsomming bevat geen niet-financiële variabelen die specifiek voor een contractpartij zijn, zoals het zich al dan niet voordoen van een brand die een actief van die partij beschadigt of vernietigt. Bovendien is het risico van veranderingen in de reële waarde van een niet-financieel actief geen financieel risico indien de reële waarde niet alleen een afspiegeling is van de veranderingen in de marktprijs van dergelijke activa (een financiële variabele), maar ook de voorwaarde van een specifiek niet-financieel actief van een contractpartij (een niet-financiële variabele). Indien bijvoorbeeld een partij die de restwaarde van een specifieke auto garandeert, door de garantie is blootgesteld aan veranderingen in de staat van de auto, dan is dat risico een verzekeringsrisico, geen financieel risico.

B10

Sommige contracten leiden ertoe dat de emittent, naast aanzienlijke verzekeringsrisico’s, wordt blootgesteld aan financiële risico’s. Veel levensverzekeringscontracten bijvoorbeeld garanderen een minimumrendement aan de polishouders (waarmee een financieel risico wordt gecreëerd), en beloven overlijdensuitkeringen die soms aanzienlijk hoger zijn dan het rekeningsaldo van de polishouder (waarmee een verzekeringsrisico in de vorm van een sterfterisico wordt gecreëerd). Dergelijke contracten zijn verzekeringscontracten.

B11

Bij sommige contracten leidt een verzekerde gebeurtenis tot uitkering van een bedrag dat aan een prijsindex is gekoppeld. Dergelijke contracten zijn verzekeringscontracten, mits de uitkering die afhankelijk is van de verzekerde gebeurtenis, aanzienlijk kan zijn. Bijvoorbeeld met een lijfrente op het leven die is gekoppeld aan de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud wordt verzekeringsrisico overgedragen omdat de uitkering plaatsvindt naar aanleiding van een onzekere gebeurtenis – het overleven van de lijfrentetrekker. De koppeling met de prijsindex is een in het contract besloten derivaat, maar hiermee wordt tevens verzekeringsrisico overgedragen. Indien de resulterende overdracht van verzekeringsrisico aanzienlijk is, dan voldoet het in het contract besloten derivaat aan de definitie van een verzekeringscontract. In dat geval hoeft het niet gesplitst en tegen reële waarde gewaardeerd te worden (zie alinea 7 van deze IFRS).

B12

De definitie van verzekeringsrisico verwijst naar risico’s die de verzekeraar accepteert van de polishouder. Verzekeringsrisico is met andere woorden een reeds bestaand risico dat door de polishouder aan de verzekeraar wordt overgedragen. Een door het contract nieuw gecreëerd risico is derhalve geen verzekeringsrisico.

B13

De definitie van een verzekeringscontract verwijst naar nadelige gevolgen voor de polishouder. De definitie beperkt de uitkering door de verzekeraar niet tot een bedrag gelijk aan de financiële gevolgen van de nadelige gebeurtenis. De definitie sluit bijvoorbeeld een „nieuw-voor-oud”-dekking niet uit op grond waarvan de polishouder voldoende wordt uitgekeerd om vervanging van een beschadigd oud actief door een nieuw actief mogelijk te maken. Evenzo legt de definitie geen beperkingen op wat betreft de uitkering op grond van een levensverzekeringscontract met vaste looptijd vanwege de door de personen ten laste van de overledene geleden financiële schade, noch sluit deze definitie uitkering uit van vooraf bepaalde bedragen om de schade als gevolg van overlijden of een ongeluk te weerspiegelen.

B14

Bij sommige contracten is een uitkering vereist indien een bepaalde onzekere gebeurtenis zich voordoet, maar wordt niet als voorwaarde gesteld dat er sprake moet zijn van nadelige gevolgen voor de polishouder. Een dergelijk contract is geen verzekeringscontract, zelfs indien de houder het contract gebruikt om een onderliggende risicopositie te mitigeren. Indien bijvoorbeeld de houder een derivaat gebruikt om een onderliggende niet-financiële variabele af te dekken die in verband staat met de kasstromen uit een actief van de entiteit, dan is het derivaat geen verzekeringscontract omdat de uitkering niet afhankelijk is van het feit of de houder nadelige gevolgen ondervindt als gevolg van een afname van de kasstromen uit het actief. Daar staat tegenover dat de definitie van een verzekeringscontract verwijst naar een onzekere gebeurtenis waarbij een nadelig gevolg voor de polishouder een contractuele voorwaarde is voor uitkering. De verzekeraar is op grond van deze contractuele voorwaarde niet verplicht om te onderzoeken of de gebeurtenis daadwerkelijk nadelige gevolgen heeft gehad, maar de verzekeraar mag uitkering weigeren indien hij er niet van overtuigd is dat de gebeurtenis nadelige gevolgen heeft gehad.

B15

Het risico van beëindiging of voortzetting (dat wil zeggen het risico dat de tegenpartij het contract eerder of later zal annuleren dan de emittent had verwacht bij de prijscalculatie voor het contract) is geen verzekeringsrisico omdat de uitkering aan de tegenpartij niet afhankelijk is van een onzekere toekomstige gebeurtenis die nadelige gevolgen heeft voor de tegenpartij. Evenzo is het kostenrisico (dat wil zeggen het risico van een onverwachte toename van de administratiekosten in verband met het uitvoeren van een contract, en niet van de kosten in verband met verzekerde gebeurtenissen) geen verzekeringsrisico omdat een onverwachte toename van de kosten geen nadelige gevolgen heeft voor de tegenpartij.

B16

Derhalve is een contract waarmee de emittent wordt blootgesteld aan het risico van beëindiging of voortzetting, of het kostenrisico geen verzekeringscontract, tenzij de emittent als gevolg van het contract ook wordt blootgesteld aan verzekeringsrisico. Indien de emittent van dat contract echter dat risico mitigeert door gebruikmaking van een tweede contract waarmee een deel van dat risico aan een andere partij wordt overgedragen, dan wordt die andere partij door het tweede contract aan verzekeringsrisico blootgesteld.

B17

Een verzekeraar kan alleen een aanzienlijk verzekeringsrisico van de polishouder accepteren indien de verzekeraar een entiteit is die losstaat van de polishouder. In geval van een onderlinge verzekeraar aanvaardt de verzekeraar het risico van iedere polishouder en wordt dat risico ondergebracht in een pool. Hoewel de polishouders in hun hoedanigheid van eigenaar dat gepoolde risico collectief dragen, heeft de onderlinge verzekeraar nog steeds het risico aanvaard dat de kern vormt van een verzekeringscontract.

Voorbeelden van verzekeringscontracten

B18

De onderstaande opsomming bevat voorbeelden van contracten die een verzekeringscontract zijn, indien er sprake is van een aanzienlijke overdracht van verzekeringsrisico:

(a)

Verzekering tegen diefstal of materiële schade.

(b)

Verzekering tegen productaansprakelijkheid, beroepsaansprakelijkheid, civielrechtelijke aansprakelijkheid of juridische kosten.

(c)

Levensverzekering en vooruitbetaalde begrafenisregelingen (hoewel overlijden zeker is, is het tijdstip van het overlijden onzeker dan wel, bij sommige soorten levensverzekering, is onzeker of het overlijden zal plaatsvinden binnen de door de verzekering gedekte periode).

(d)

lijfrenten op het leven en pensioenen (dat wil zeggen contracten die een uitkering bieden bij de onzekere toekomstige gebeurtenis – het overleven van de lijfrentetrekker of gepensioneerde – die de lijfrentetrekker of gepensioneerde moeten ondersteunen bij het handhaven van een bepaalde levensstandaard, die door zijn of haar overleven anders nadelig zou worden beïnvloed).

(e)

Dekking bij arbeidsongeschiktheid en van medische zorg.

(f)

Akten van borgtocht, fraudeverzekeringen („fidelity bonds”), uitvoeringsgaranties en biedingsgaranties (dat wil zeggen contracten die dekking bieden indien een andere partij een contractuele verplichting niet nakomt, bijvoorbeeld een verplichting om een gebouw te bouwen).

(g)

Kredietverzekering die voorziet in bepaalde betalingen ter compensatie van de verzekerde in verband met geleden verliezen omdat een bepaalde debiteur zijn betalingsverplichting volgens de oorspronkelijke of herziene voorwaarden van een schuldbewijs niet nakomt. Deze contracten kunnen verschillende juridische vormen hebben, zoals die van financiële garantie, kredietbrief, kredietderivaat („credit default product”), of verzekeringscontract. Hoewel deze contracten buiten het toepassingsgebied van deze IFRS vallen indien de entiteit deze is aangegaan of deze heeft behouden na de overdracht van financiële activa of financiële verplichtingen aan een andere partij, binnen het toepassingsgebied van IAS 39 (zie alinea 4(d)).

(h)

Productgaranties. Productgaranties die door een andere partij zijn uitgegeven voor goederen die door de fabrikant, handelaar of detaillist zijn verkocht, vallen binnen het toepassingsgebied van deze IFRS. Productgaranties die rechtstreeks door de fabrikant, handelaar of detaillist zijn uitgegeven, vallen buiten het toepassingsgebied, omdat deze binnen het toepassingsgebied van IAS 18 Opbrengsten en IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa vallen.

(i)

Verzekering met betrekking tot de eigendomstitel (dat wil zeggen verzekering tegen de ontdekking van gebreken in de eigendomstitel van grond, die niet duidelijk waren toen het verzekeringscontract werd opgesteld. In dat geval is de ontdekking van een gebrek in de eigendomstitel de verzekerde gebeurtenis, niet het gebrek zelf.

(j)

Reishulp (dat wil zeggen de uitkering in geldmiddelen of in natura aan polishouders in verband met tijdens het reizen geleden schade). In de alinea’s B6 en B7 worden sommige van dit soort contracten besproken.

(k)

Zogenaamde „catastrophe bonds” die voorzien in lagere betalingen van aflossing of rente, of beide, indien een bepaalde gebeurtenis nadelige gevolgen heeft voor de emittent van de obligatie (tenzij er door de bepaalde gebeurtenis geen aanzienlijk verzekeringsrisico ontstaat, bijvoorbeeld indien de gebeurtenis een verandering is van een rentevoet of valutakoers).

(l)

Verzekeringsswaps en andere contracten waarbij wordt uitgekeerd op basis van veranderingen in klimatologische, geologische of ander natuurlijke variabelen die specifiek voor een contractpartij zijn.

(m)

Herverzekeringscontracten.

B19

Onderstaand staan voorbeelden van zaken die geen verzekeringscontract zijn:

(a)

Beleggingscontracten met de juridische vorm van een verzekeringscontract, maar waarmee de verzekeraar niet wordt blootgesteld aan een aanzienlijk verzekeringsrisico, bijvoorbeeld levensverzekeringscontracten waarbij de verzekeraar geen aanzienlijk sterfterisico draagt (dergelijke contracten zijn financiële instrumenten of servicecontracten zonder verzekeringskenmerk, zie alinea B20 en B21).

(b)

Contracten waarvan de juridische vorm een verzekeringscontract is, maar waarbij alle belangrijke verzekeringsrisico’s aan de polishouder worden teruggegeven via niet-opzegbare en afdwingbare mechanismen die ervoor zorgen dat toekomstige betalingen door de polishouder worden aangepast als direct gevolg van verzekerde schades. Voorbeelden hiervan zijn sommige financiële herverzekeringscontracten of sommige groepscontracten (dergelijke contracten zijn normaliter financiële instrumenten of servicecontracten zonder verzekeringskenmerk, zie alinea B20 en B21).

(c)

Eigen risico, met andere woorden een risico behouden dat door een verzekering zou kunnen worden gedekt (er is geen verzekeringscontract omdat er geen overeenkomst is met een andere partij).

(d)

Contracten (zoals gokcontracten) op grond waarvan tot uitkering wordt overgegaan indien zich een bepaalde onzekere toekomstige gebeurtenis voordoet, maar waarbij de uitkering niet afhankelijk is van de contractuele voorwaarde dat de gebeurtenis nadelig moet zijn voor de polishouder. Dit sluit echter niet uit dat vooraf een uitkering wordt bepaald die de schade weergeeft die door een bepaalde gebeurtenis, zoals een overlijden of een ongeluk, wordt veroorzaakt (zie tevens alinea B13).

(e)

Derivaten die ervoor zorgen dat één partij wordt blootgesteld aan financieel risico, maar geen verzekeringsrisico, omdat die partij op grond van het derivaat uitsluitend verplicht is tot betaling op basis van veranderingen in één of meer van de volgende variabelen: een bepaalde rentevoet, prijs van een financieel instrument, commodityprijs, valutakoers, index van prijzen of rentevoeten, kredietwaardigheid of andere variabele, mits, in geval van een niet-financiële variabele, de variabele niet specifiek voor een contractpartij is (zie IAS 39).

(f)

Een contract inhoudende een financiële garantie (of een kredietbrief, kredietderivaat („credit default product”) of kredietverzekeringscontract) die uitkering voorschrijft zelfs indien de houder geen verlies heeft geleden in verband met het niet nakomen door de debiteur van zijn betalingsverplichting (zie IAS 39).

(g)

Contracten waarbij de uitkering is gebaseerd op een klimatologische, geologische of een andere natuurlijke variabele die niet specifiek voor een contractpartij is (gewoonlijk omschreven als weerderivaten).

(h)

Zogenaamde „catastrophe bonds” die voorzien in gereduceerde betalingen van aflossing of rente, of beide, gebaseerd op een klimatologische, geologische of andere natuurlijke variabele die niet specifiek voor een contractpartij is.

B20

Indien via de in B19 beschreven contracten financiële activa of financiële passiva worden gecreëerd, dan vallen deze binnen het toepassingsgebied van IAS 39. Dit betekent onder meer dat de contractpartijen gebruikmaken van wat soms wordt aangeduid als „deposit accounting”, dat het volgende inhoudt:

(a)

één partij neemt de ontvangen vergoeding op als een financiële verplichting in plaats van als opbrengst;

(b)

de andere partij neemt de betaalde vergoeding op als een financieel actief, in plaats van als last.

B21

Indien via de in alinea B19 beschreven contracten geen financiële activa of financiële passiva worden gecreëerd, geldt IAS 18. IAS 18 schrijft voor dat opbrengsten in verband met een transactie waarbij diensten worden verleend, worden opgenomen naar rato van de voortgang van de transactie indien de uitkomsten van de transactie betrouwbaar kunnen worden geschat.

Aanzienlijk verzekeringsrisico

B22

Een contract is alleen een verzekeringscontract indien daarmee een aanzienlijk verzekeringsrisico wordt overgedragen. In alinea B8 tot en met B21 wordt het verzekeringsrisico besproken. In de volgende alinea’s wordt ingegaan op de beoordeling of verzekeringsrisico al dan niet aanzienlijk is.

B23

Er is uitsluitend sprake van aanzienlijk verzekeringsrisico indien een verzekeraar als gevolg van een verzekerde gebeurtenis in elk scenario aanzienlijke aanvullende voordelen moet uitkeren, exclusief scenario’s zonder economische betekenis (dat wil zeggen zonder waarneembaar effect op de economische betekenis van de transactie). Indien er in scenario’s met economische betekenis aanzienlijke extra voordelen zouden moeten worden uitgekeerd, dan kan aan de voorwaarde in de vorige zin worden voldaan indien de verzekerde gebeurtenis uiterst onwaarschijnlijk is of zelfs indien de verwachte (dat wil zeggen risicogewogen) contante waarde van de voorwaardelijke kasstromen gering is ten opzichte van de verwachte contante waarde van alle resterende contractuele kasstromen.

B24

De additionele voordelen die in alinea B23 worden beschreven, hebben betrekking op bedragen die hoger zijn dan de bedragen die betaald zouden moeten worden indien er geen verzekerde gebeurtenis zou plaatsvinden (exclusief scenario’s zonder economische betekenis). Deze aanvullende bedragen omvatten de kosten van claimbehandeling en claimbeoordeling, maar omvatten niet:

(a)

het verliezen van de mogelijkheid de polishouder toekomstige diensten in rekening te brengen. Het overlijden van de polishouder betekent bijvoorbeeld bij een levensverzekeringscontract met een beleggingscomponent dat de verzekeraar niet langer vermogensbeheerdiensten kan verrichten en hiervoor een vergoeding kan innen. Dit economische verlies voor de verzekeraar vloeit echter niet voort uit een verzekeringsrisico, evenmin als een beleggingsfondsbeheerder verzekeringsrisico draagt met betrekking tot het mogelijke overlijden van de cliënt. Het mogelijke verlies van de toekomstige vermogensbeheervergoeding is derhalve niet relevant bij de beoordeling van hoeveel verzekeringsrisico door middel van een contract wordt overgedragen.

(b)

kwijtschelding van kosten bij overlijden die bij annulering of afkoop zouden worden gemaakt. Omdat deze kosten door het contract in het leven zijn geroepen, ontvangt de polishouder door kwijtschelding van deze kosten geen vergoeding voor een reeds bestaand risico. Daarom zijn deze niet relevant voor de inschatting van de mate waarin verzekeringsrisico via het contract wordt overdragen.

(c)

een betaling is afhankelijk is van een gebeurtenis die voor de contracthouder niet tot aanzienlijke schade leidt. Een voorbeeld hiervan is een contract op grond waarvan de emittent verplicht is één miljoen valuta-eenheden te betalen indien een actief fysiek raakt beschadigd met als gevolg een onaanzienlijk economisch verlies van één valuta-eenheid voor de houder. De polishouder draagt in dit contract aan de verzekeraar het onaanzienlijke risico over van het verlies van één valuta-eenheid. Tegelijkertijd wordt met het contract een niet-verzekeringsrisico gecreëerd inhoudende dat de emittent 999 999 valuta-eenheden moet betalen indien de bepaalde gebeurtenis plaatsvindt. Omdat de emittent geen aanzienlijk verzekeringsrisico van de houder accepteert, is dit contract geen verzekeringscontract;

(d)

mogelijke compensatie door herverzekering. Deze wordt door de verzekeraar administratief afzonderlijk verwerkt.

B25

Verzekeraars dienen de omvang van het verzekeringsrisico van contract tot contract te bepalen, en niet op basis van de materialiteit die voor de jaarrekening geldt (*1). Een verzekeringsrisico kan dus aanzienlijk zijn, zelfs als er een minimale kans is op materiële verliezen op een hele portefeuille van contracten. Dankzij deze beoordeling per contract is het gemakkelijker om een contract als verzekeringscontract te classificeren. Indien echter vaststaat dat een relatief homogene portefeuille van kleine contracten bestaat uit contracten die allemaal verzekeringsrisico overdragen, hoeft een verzekeraar niet ieder contract binnen die portefeuille te onderzoeken om een paar niet-derivaatcontracten op te sporen waarbij geen sprake is van de overdracht van een onaanzienlijk verzekeringsrisico.

B26

Uit alinea B23 tot en B25 blijkt dat een contract op grond waarvan de uitkering bij overlijden hoger is dan het verschuldigde bedrag bij overleven, een verzekeringscontract is tenzij de aanvullende uitkering bij overlijden onaanzienlijk is (beoordeeld in relatie tot het contract en niet de gehele portefeuille van contracten). Zoals opgemerkt in alinea B24(b) wordt de kwijtschelding van annulerings- of afkoopkosten bij overlijden niet in deze beoordeling meegenomen indien de polishouder via deze kwijtschelding niet wordt gecompenseerd voor een reeds bestaand risico. Evenzo is een lijfrentecontract op grond waarvan periodieke betalingen worden gedaan gedurende het leven van de polishouder, een verzekeringscontract, tenzij het totaal van de levenafhankelijke uitkeringen onaanzienlijk is.

B27

In alinea B23 wordt gerefereerd aan aanvullende voordelen. Deze aanvullende voordelen zouden de verplichting kunnen omvatten om voordelen eerder uit te keren indien de verzekerde gebeurtenis eerder plaatsvindt en de uitkering niet wordt aangepast in verband met de tijdswaarde van geld. Een voorbeeld is levensverzekering met een spaarelement („whole life insurance”) met een vaste uitkering (met andere woorden een verzekering op grond waarvan een vaste uitkering plaatsvindt bij overlijden van de polishouder, ongeacht wanneer het overlijden plaatsheeft, zonder een expiratiedatum voor de dekking). Het is zeker dat de polishouder zal overlijden, maar de overlijdensdatum is onzeker. De verzekeraar zal een verlies lijden op die individuele contracten waarbij polishouder vroegtijdig overlijden, zelfs indien er op het niveau van de gehele contractenportefeuille geen sprake is van verlies.

B28

Indien een verzekeringscontract wordt ontbundeld in een depositocomponent en een verzekeringscomponent, dan wordt de mate van risico-overdracht beoordeeld op basis van de verzekeringscomponent. De mate waarin verzekeringsrisico wordt overgedragen door een in een contract besloten derivaat wordt beoordeeld op basis van het in het contract besloten derivaat.

Veranderingen in het niveau van verzekeringsrisico

B29

Bij sommige contracten is er bij afsluiting geen sprake van enige overdracht van verzekeringsrisico aan de emittent, hoewel er op een later tijdstip wel overdracht van verzekeringsrisico plaatsvindt. Een voorbeeld hiervan is een contract dat voorziet in een bepaald beleggingsrendement en dat een optie voor de polishouder bevat om op de vervaldatum met de beleggingsopbrengst een lijfrente op het leven te kopen tegen de actuele lijfrentetarieven die de verzekeraar in rekening brengt aan andere nieuwe lijfrentetrekkers, wanneer de polishouder de optie uitoefent. Via het contract wordt geen verzekeringsrisico overgedragen aan de emittent totdat de optie wordt uitgeoefend, omdat de verzekeraar vrij blijft om bij het bepalen van de prijs van de lijfrente rekening te houden met het verzekeringsrisico dat op dat moment aan de verzekeraar wordt overgedragen. Indien in het contract echter de lijfrentetarieven (of een grondslag voor het bepalen van de lijfrentetarieven) worden gespecificeerd, dan houdt het contract een overdracht in van verzekeringsrisico aan de emittent bij afsluiting van het contract.

B30

Een contract dat voldoet aan de voorwaarden van een verzekeringscontract blijft een verzekeringscontract totdat alle rechten en verplichtingen tenietgaan of aflopen.


(*1)  In dit verband vormen contracten die tegelijkertijd met één tegenpartij zijn gesloten (of contracten die in een ander opzicht onderling afhankelijk zijn) vormen één contract.

BIJLAGE C

Wijzigingen in andere IFRSs

De wijzigingen in deze bijlage dienen te worden toegepast voor verslagperioden die aanvangen op of na 1 januari 2005. Indien een entiteit deze IFRS voor een eerdere periode toepast, dienen deze wijzigingen voor deze eerdere periode te worden toegepast.

Wijzigingen in IAS 32 en IAS 39

C1

In IAS 32 Financiële instrumenten: opname en presentatie (herziene versie van 2003) wordt alinea 4(d) vernummerd tot 4(c). Alinea 4(c) wordt vernummerd tot 4(d) en gewijzigd zoals uiteengezet in alinea C4.

Alinea 6 komt te vervallen.

De volgende zin wordt toegevoegd aan het einde van alinea TL8:

 

Sommige van deze voorwaardelijke rechten en verplichtingen kunnen verzekeringscontracten zijn die vallen binnen het toepassingsgebied van IFRS 4.

C2

In IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering (herziene versie van 2003) wordt alinea 2(e) vernummerd tot alinea 2(d). Alinea 2(d) wordt vernummerd tot 2(e) en gewijzigd zoals uiteengezet in alinea C5. Alinea TL4 luidt na aanpassing als volgt:

TL4.

Deze standaard is van toepassing op de financiële activa en financiële verplichtingen van verzekeraars, met uitzondering van de rechten en verplichtingen die uit hoofde van verzekeringscontracten die in alinea 2(e) worden uitgesloten, omdat zij voortvloeien uit contracten die binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 vallen.

C3

Volgens de alinea’s 4(e) van IAS 32 en 2(h) van IAS 39 vallen derivaten die zijn gebaseerd op klimatologische, geologische of andere natuurlijke variabelen buiten het toepassingsgebied. Deze alinea’s komen te vervallen. Hierdoor vallen dergelijke derivaten wel binnen het toepassingsgebied van IAS 32 en IAS 39, tenzij de derivaten voldoen aan de definitie van een verzekeringscontract en binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 vallen. Bovendien wordt alinea TL1 van IAS 39 als volgt aangepast:

TL1.

Sommige contracten schrijven een betaling voor gebaseerd op klimatologische, geologische of andere natuurlijke variabelen. (Contracten op basis van klimatologische variabelen worden ook wel „weerderivaten” genoemd.) Indien die contracten niet binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 Verzekeringscontracten vallen, vallen zij binnen het toepassingsgebied van deze standaard.

C4

In IAS 32 wordt een nieuwe alinea, 4(e), toegevoegd. Na deze wijziging en de wijzigingen ingevolge alinea C1 en C3, en ingevolge IFRS 3 Bedrijfscombinaties, luiden sub (c) tot en met (e) van alinea 4 als volgt:

(c)

contracten op basis van een voorwaardelijke vergoeding bij een bedrijfscombinatie (zie IFRS 3 Bedrijfscombinaties). Deze vrijstelling geldt alleen voor de overnemende partij;

(d)

verzekeringscontracten zoals gedefinieerd in IFRS 4 Verzekeringscontracten. Deze standaard is echter wel van toepassing op derivaten die besloten zijn in verzekeringscontracten indien IAS 39 voorschrijft dat de entiteit deze administratief afzonderlijk moet verwerken.

(e)

financiële instrumenten die binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 vallen omdat zij een discretionaire-winstdelingselement bevatten. De emittent van deze instrumenten is vrijgesteld van de toepassing op deze component van alinea 15 tot en met 32 en TL25 tot en met TL35 van deze standaard betreffende het onderscheid tussen financiële verplichtingen en eigen-vermogensinstrumenten. Alle overige vereisten van deze standaard zijn echter wel op deze instrumenten van toepassing. Bovendien geldt deze standaard voor derivaten die in deze instrumenten zijn besloten (zie IAS 39).

Alinea 4(f), die is ingevoegd op grond van IFRS 2 Op aandelen gebaseerde betalingen, blijft ongewijzigd.

C5

Alinea 2(f) van IAS 39 komt te vervallen. Na deze wijziging en de wijzigingen ingevolge alinea C2 en C3, en ingevolge IFRS 3 Bedrijfscombinaties, luiden sub (d) tot en met (g) van alinea 2 als volgt:

(d)

door de entiteit uitgegeven financiële instrumenten die voldoen aan de in IAS 32 vermelde definitie van een eigen-vermogensinstrument (met inbegrip van opties en warrants). De houder van dergelijke eigen-vermogensinstrumenten dient deze standaard echter op die instrumenten toe te passen, tenzij deze op grond van (a) hierboven zijn uitgezonderd;

(e)

rechten en verplichtingen ingevolge een verzekeringscontract zoals gedefinieerd in IFRS4 Verzekeringscontracten of ingevolge een contract dat binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 valt omdat het een discretionaire-winstdelingselement bevat. Deze standaard geldt echter wel voor een derivaat dat in een dergelijk contract is besloten indien het derivaat op zichzelf geen contract is dat binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 valt (zie alinea 10 tot en met 13 en bijlage A, alinea TL23 tot en met TL33). Bovendien dient de emittent deze standaard toe te passen op verzekeringscontracten die een financiële garantie inhouden, die zijn aangegaan, of worden aangehouden, bij de overdracht aan een andere partij van financiële activa of financiële verplichtingen binnen het toepassingsgebied van deze standaard (zie alinea 3 en bijlage A, alinea TL4A).

(f)

contracten op basis van een voorwaardelijke vergoeding bij een bedrijfscombinatie (zie IFRS 3 Bedrijfscombinaties). Deze vrijstelling geldt alleen voor de overnemende partij.

(g)

contracten tussen een overnemende partij en een verkopende partij bij een bedrijfscombinatie tot aankoop of verkoop van een overgenomen partij in de toekomst.

Sub (i) en (j) van alinea 2 worden vernummerd tot sub (h) en (i) van alinea 2. Alinea 2(i) is ingevoegd op grond van IFRS 2 Op aandelen gebaseerde betalingen.

Alinea 3 komt te vervallen en wordt vervangen door een nieuwe alinea 3, en alinea TL4A wordt toegevoegd. Deze luiden als volgt:

3.

Sommige contracten inhoudende een financiële garantie schrijven voor dat de emittent bepaalde betalingen verricht ter compensatie van de houder in verband met geleden verliezen omdat een bepaalde debiteur zijn betalingsverplichting volgens de oorspronkelijke of herziene voorwaarden van een schuldbewijs niet nakomt. Indien door middel van dit vereiste sprake is van aanzienlijke risico-overdracht aan de emittent, dan is het contract een verzekeringscontract overeenkomstig de definitie in IFRS 4 (zie alinea 2(e) en TL4A). Andere contracten inhoudende een financiële garantie vereisen dat betalingen worden gedaan naar aanleiding van veranderingen in een bepaalde rentevoet, prijs van een financieel instrument, commodityprijs, valutakoers, index van prijzen of rentevoeten, kredietwaardigheid of andere variabele, mits, in geval van een niet-financiële variabele, de variabele niet specifiek voor een contractpartij is. Dergelijke contracten vallen binnen het toepassingsgebied van deze standaard.

AG4A.

Contracten inhoudende een financiële garantie kunnen verschillende juridische vormen aannemen, zoals een financiële garantie, kredietbrief, kredietderivaat („credit default contract”) of verzekeringscontract. De wijze van administratieve verwerking is niet afhankelijk van de juridische vorm. Voorbeelden van de geëigende behandeling (zie alinea 2(e) en 3) zijn onderstaand opgenomen:

(a)

Indien het contract geen verzekeringscontract is, volgens de definitie van IFRS 4, dan past de emittent deze standaard toe. Een contract inhoudende een financiële garantie dat voorziet in betalingen indien de kredietwaardigheid van een debiteur onder een bepaald niveau daalt, valt binnen het toepassingsgebied van deze standaard.

(b)

De emittent past deze standaard toe indien de emittent de financiële garantie heeft verstrekt of behouden bij de overdracht aan een andere partij van financiële activa of financiële verplichtingen, binnen het toepassingsgebied van deze standaard.

(c)

Indien het contract volgens de definitie in IFRS 4 geen verzekeringscontract is, past de emittent IFRS 4 toe tenzij (b) van toepassing is.

(d)

Indien de emittent een financiële garantie heeft verstrekt in verband met de verkoop van goederen, dan past de emittent IAS 18 toe om te bepalen wanneer de resulterende opbrengst in de winst- en verliesrekening wordt opgenomen.

C6

In alinea 9 van IAS 39 wordt de term „andere variabele” in de definitie van een derivaat vervangen door „andere variabele, mits, ingeval van een niet-financiële variabele, de variabele niet specifiek voor een contractpartij is”. Dezelfde wijziging wordt aangebracht in alinea 10 van IAS 39. De volgende nieuwe alinea, TL12A, wordt aan IAS 39 toegevoegd:

TL12A.

In de definitie van een derivaat wordt verwezen naar niet-financiële variabelen die niet specifiek voor een contractpartij zijn. Deze omvatten een index van aardbevingsschade in een bepaalde regio of de temperatuurindex van een bepaalde stad. Niet-financiële variabelen die specifiek voor een contractpartij zijn, zijn onder meer het zich al dan niet voordoen van een brand die een actief van een contractpartij beschadigt of vernietigt. Een verandering in de reële waarde van een niet-financieel actief is specifiek voor de eigenaar indien de reële waarde niet alleen een afspiegeling is van de veranderingen in de marktprijs van dergelijke activa (een financiële variabele), maar ook van de staat van het gehouden specifieke niet-financiële actief (een niet-financiële variabele). Indien bijvoorbeeld een partij die de restwaarde van een bepaalde auto garandeert, door de garantie is blootgesteld aan het risico van veranderingen in de staat van de auto, dan is de verandering in die restwaarde specifiek voor de eigenaar van de auto.

C7

In IAS 32 wordt een nieuwe alinea, 91A, ingevoegd, en in alinea 86 wordt de verwijzing naar alinea 90 uitgebreid met alinea 91A. Alinea 91A luidt als volgt:

91A.

Sommige financiële activa en financiële verplichtingen bevatten een discretionaire-winstdelingselement zoals beschreven in IFRS 4 Verzekeringscontracten. Indien een entiteit de reële waarde van die component niet betrouwbaar kan bepalen, dient de entiteit dat feit te vermelden tezamen met een beschrijving van het contract, de boekwaarde van het contract, de reden waarom de reële waarde niet betrouwbaar kan worden bepaald en, indien mogelijk, de bandbreedte van schattingen waarbinnen de reële waarde zich waarschijnlijk bevindt.

In alinea 49(e) wordt „verzekeringspolis” vervangen door „verzekeringscontract”.

C8

Alinea TL30 in IAS 39 bevat voorbeelden van in contracten besloten derivaten die worden beschouwd als niet nauw verbonden met een basiscontract, en in alinea TL33 zijn voorbeelden opgenomen van in contracten besloten derivaten die worden beschouwd als nauw verbonden met een basiscontract. De alinea’s TL30(g) en TL33 (a), (b) en (d) worden gewijzigd door invoeging van een verwijzing naar verzekeringscontracten, en alinea TL33 wordt uitgebreid met (g) en (h), als volgt:

TL30

(g)

Een call-, put of vooruitbetalingsoptie die is besloten in een als basiscontract fungerende schuld of een als basiscontract fungerend verzekeringscontract is waarschijnlijk niet nauw verbonden met het basiscontract, tenzij de uitoefenprijs van de optie op iedere uitoefendatum ongeveer gelijk is aan de geamortiseerde kostprijs van de als basiscontract fungerende schuld, of de boekwaarde van het als basiscontract fungerende verzekeringscontract. Vanuit het oogpunt van de emittent van een converteerbaar schuldbewijs met een daarin besloten call- of putoptie wordt de beoordeling van de al dan niet nauwe verbondenheid met de als basiscontract fungerende schuld, uitgevoerd voordat het eigen-vermogenselement overeenkomstig IAS 32 wordt afgescheiden.

TG33

(a)

Een in een contract besloten derivaat waarvan de onderliggende variabele een rentevoet of een rente-index is waarbij het rentebedrag dat anders op een als basiscontract fungerende rentedragende schuld of als basiscontract fungerend verzekeringscontract zou worden betaald of ontvangen, kan veranderen, is nauw met het basiscontract verbonden, tenzij het samengestelde contract op zodanige wijze kan worden afgewikkeld dat de houder niet nagenoeg zijn gehele in de balans opgenomen belegging zou realiseren, of tenzij dankzij het in het contract besloten derivaat het initiële rendement op het basiscontract van de houder ten minste zou kunnen verdubbelen en zou kunnen resulteren in een rendement dat ten minste 100 % hoger ligt dan het marktrendement op een contract met dezelfde voorwaarden als het basiscontract.

(b)

Een in een contract besloten onder- of bovengrens aan de rente van een schuldbewijs is nauw verbonden met een als basiscontract fungerende schuld of een als basiscontract fungerend verzekeringscontract, mits de bovengrens op of boven het niveau van de marktrente ligt, of de ondergrens op of onder het niveau van de marktrente ligt bij uitgifte van het contract, en er bij de boven- of ondergrens geen sprake is van hefboomwerking ten opzichte van het basiscontract. Evenzo zijn bepalingen in een contract voor de aankoop of verkoop van een actief (bijvoorbeeld een commodity) op grond waarvan een boven- en ondergrens wordt vastgesteld voor de prijs die voor het actief wordt betaald of ontvangen, nauw verbonden met het basiscontract indien zowel de boven- als ondergrens bij aanvang „out of the money” zijn en er geen sprake is van hefboomwerking ten opzichte van het basiscontract.

(d)

Een in een basiscontract besloten valutaderivaat, dat een verzekeringscontract is of geen financieel instrument is (zoals een contract voor de aankoop of verkoop van een niet-financieel goed waarbij de prijs in een vreemde valuta luidt), is nauw verbonden met het basiscontract, mits er geen sprake is van hefboomwerking ten opzichte van het basiscontract, het geen optiekenmerk bevat en betaling voorschrijft in een van de volgende valuta’s:

(i)

de functionele valuta van een belangrijke partij bij het contract;

(ii)

de valuta waarin de prijs van het verbonden goed dat wordt verworven of geleverd, of de verbonden dienst die wordt afgenomen of verleend gewoonlijk in de internationale handel wordt uitgedrukt (bijvoorbeeld de Amerikaanse dollar voor transacties in ruwe olie);

of

(iii)

een valuta die veelvuldig wordt gebruikt in contracten voor de aankoop of verkoop van niet-financiële goederen in de economische omgeving waarin de transactie plaatsvindt (bijvoorbeeld een relatief stabiele en verhandelbare valuta die veelvuldig bij bedrijfstransacties of externe handel wordt gebruikt).

(g)

Een beleggingskenmerk dat in een als basiscontract fungerend financieel instrument of verzekeringscontract is besloten, hangt nauw samen met het basisinstrument of basiscontract indien de betalingen in deelnamebewijzen worden bepaald op basis van de actuele waarde per deelnamebewijs die een afspiegeling is van de reële waarde van de activa van het fonds. Een beleggingskenmerk is een contractuele bepaling op grond waarvan betaling in deelnamebewijzen van een intern of extern beleggingsfonds is voorgeschreven.

(h)

Een derivaat dat in een verzekeringscontract is besloten hangt nauw samen met het als basiscontract fungerende verzekeringscontract indien het desbetreffende derivaat en het desbetreffende basiscontract zo onderling afhankelijk zijn dat een entiteit het in het basiscontract besloten derivaat niet afzonderlijk kan waarderen (dat wil zeggen zonder het basiscontract in ogenschouw te nemen).

Wijzigingen in andere IFRSs

C9

IAS 18 Opbrengsten wordt gewijzigd zoals onderstaand vermeld.

Alinea 6(c) wordt als volgt aangepast:

(c)

verzekeringscontracten die binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 Verzekeringscontracten vallen;

C10

In IAS 19 Personeelsbeloningen wordt de volgende voetnoot toegevoegd aan de definitie in alinea 7 van een in aanmerking komend verzekeringscontract, na de eerste vermelding van het woord „contract”:

(*)

Een in aanmerking komend verzekeringscontract is niet noodzakelijkerwijs een verzekeringscontract volgens de definitie in IFRS 4 Verzekeringscontracten.

C11

In IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa komen de alinea’s 1(b) en 4 te vervallen en wordt een nieuwe alinea, 5(e), ingevoegd. Deze luidt als volgt:

(e)

verzekeringscontracten (zie IFRS 4 Verzekeringscontracten). Deze standaard geldt echter voor de voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa van een verzekeraar, behoudens de voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa die voortvloeien uit de contractuele verplichtingen en rechten van de verzekeraar uit hoofde van verzekeringscontracten die binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 vallen.

De laatste zin in alinea 2 (zoals herzien door IAS 39 in 2003) komt te vervallen.

C12

In IAS 40 Vastgoedbeleggingen (herziene versie van 2003) worden de alinea’s 32A tot en met 32C en 75(f)(iv) toegevoegd, en in alinea 30 wordt een verwijzing naar alinea 32A opgenomen, als volgt:

30.

Behoudens de in alinea 32 en 34A vermelde uitzonderingen dient een entiteit als grondslag voor financiële verslaggeving te kiezen voor ofwel waardering tegen reële waarde (reële-waardemodel, zie alinea 33 tot en met 55) ofwel waardering tegen historische kosten (kostprijsmodel, zie alinea 56). Deze grondslag dient op al haar vastgoedbeleggingen te worden toegepast.

Vastgoedbeleggingen die aan verplichtingen zijn gekoppeld

32A.

Een entiteit mag:

(a)

voor alle vastgoedbeleggingen die dienen ter dekking van verplichtingen met een rendement dat direct is gekoppeld aan de reële waarde van, of het rendement op, bepaalde activa met inbegrip van de desbetreffende vastgoedbeleggingen, kiezen voor het reële-waardemodel of het kostprijsmodel;

en

(b)

voor alle overige vastgoedbeleggingen hetzij het reële-waardemodel of het kostprijsmodel kiezen, ongeacht de keuze die ingevolge (a) is gemaakt.

32B.

Sommige verzekeraars en andere entiteiten hebben een intern vastgoedfonds dat fictieve deelnamebewijzen uitgeeft, waarbij sommige deelnamebewijzen door beleggers worden gehouden via gekoppelde contracten, en andere door de entiteit. Entiteiten mogen op grond van alinea 32A het door het fonds gehouden vastgoed niet gedeeltelijk waarderen tegen kostprijs en gedeeltelijk tegen reële waarde.

32C.

Indien een entiteit voor de twee categorieën die in alinea 32A worden beschreven een verschillend model kiest, dan dienen verkopen van vastgoedbeleggingen tussen pools van activa die volgens een verschillend model worden gewaardeerd, op basis van de reële waarde te worden opgenomen, en de cumulatieve verandering in de reële waarde dient in de winst- en verliesrekening te worden verwerkt. Indien een vastgoedbelegging van een pool waarvoor het reële-waardemodel wordt toegepast, wordt verkocht aan een pool waarvoor het kostprijsmodel wordt toegepast, dan wordt de reële waarde op de verkoopdatum de veronderstelde kostprijs van de vastgoedbelegging.

75(f)(iv)

de cumulatieve verandering in de reële waarde opgenomen in de winst- en verliesrekening die naar aanleiding van de verkoop van vastgoedbeleggingen uit een pool van activa waarvoor het kostprijsmodel wordt toegepast aan een pool waarvoor het reële-waardemodel wordt toegepast (zie alinea 32C).

C13

IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards wordt gewijzigd zoals onderstaand beschreven.

In alinea 12 wordt de verwijzing naar alinea 13 tot en met 25C vervangen door een verwijzing naar alinea 13 tot en met 25D.

Alinea 13 sub (g) en (h) worden gewijzigd en alinea 13(h) wordt ingevoegd, als volgt:

(g)

aanwijzing van voorheen opgenomen financiële instrumenten (alinea 25A);

(h)

op aandelen gebaseerde betalingstransacties (alinea 25B en 25C);

en

(i)

verzekeringscontracten (alinea 25D).

Na alinea 25C worden een nieuwe koptekst en een alinea, 25D, toegevoegd, als volgt:

Verzekeringscontracten

25D

Eerste toepassers mogen gebruikmaken van de overgangsbepalingen in IFRS 4 Verzekeringscontracten. IFRS 4 beperkt de wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaggeving van verzekeringscontracten, met inbegrip van de wijzigingen door een eerste toepasser.

Alinea 36A en de daaraan voorafgaande koptekst worden gewijzigd door een verwijzing naar IFRS 4 op te nemen. Deze luiden als volgt:

 

Vrijstelling van het vereiste tot aanpassing van vergelijkende gegevens voor IAS 39 en IFRS 4

36A

Een entiteit die de IFRSs vóór 1 januari 2006 toepast, presenteert voor ten minste één jaar vergelijkende informatie in de eerste IFRS-jaarrekening, maar deze informatie hoeft niet in overeenstemming te zijn met IAS 32, IAS 39 en IFRS 4. Een entiteit die ervoor kiest om in het overgangsjaar vergelijkende informatie te presenteren die niet in overeenstemming is met IAS 32, IAS 39 en IFRS 4 dient:

(a)

voor de vergelijkende informatie de voorheen toegepaste GAAP toe te passen op financiële instrumenten die binnen het toepassingsgebied van IAS 32 en IAS 39 vallen en op verzekeringscontracten die binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 vallen;

(b)

dit feit te vermelden, samen met de grondslag volgens welke deze informatie wordt opgesteld;

en

(c)

de aard van de belangrijkste aanpassingen te vermelden die vereist zijn om de informatie in overeenstemming met IAS 32, IAS 39 en IFRS 4 te brengen. De entiteit hoeft deze aanpassingen niet te kwantificeren. De entiteit dient echter elke aanpassing tussen de balans per de verslagdatum van de vergelijkende periode (dat wil zeggen de balans waarin de vergelijkende informatie volgens de voorheen toegepaste GAAP is opgenomen) en de balans bij aanvang van de eerste IFRS-verslagperiode (dat wil zeggen de eerste periode waarover informatie is opgenomen in overeenstemming met IAS 32, IAS 39 en IFRS 4) te behandelen als een wijziging in de grondslagen voor financiële verslaggeving en de op grond van alinea 28(a) tot en met (e) en (f)(i) van IAS 8 vereiste toelichting te geven.

Alinea 28(f)(i) geldt alleen voor bedragen die in de balans per de verslagdatum van de vergelijkende periode worden gepresenteerd.

In geval van een entiteit die ervoor kiest om vergelijkende informatie te presenteren die niet in overeenstemming is met IAS 32, IAS 39 en IFRS 4 betreffen verwijzingen naar de „overgangsdatum naar IFRSs”, uitsluitend in het geval van die standaarden, het begin van de eerste IFRS-verslagperiode.

C14

SIC 27 Evaluatie van de economische realiteit van transacties in de juridische vorm van een lease-overeenkomst (zoals herzien door IAS 39) wordt aangepast zoals onderstaand beschreven.

Alinea 7 wordt als volgt gewijzigd:

7.

Andere verplichtingen van een overeenkomst, met inbegrip van eventuele verstrekte garanties en verplichtingen die ontstaan bij voortijdige beëindiging moeten administratief worden verwerkt in overeenstemming met IAS 37, IAS 39 of IFRS 4, afhankelijk van de bepalingen van de overeenkomst.

INTERNATIONAL FINANCIAL REPORTING STANDARD 5

Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten

INHOUD

Doel 1
Toepassingsgebied 2-5
Classificatie van vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) als aangehouden voor verkoop 6-14
Vaste activa die moeten worden opgegeven 13-14
Waardering van vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop 15-29
Waardering van een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) 15-19
Opname van bijzondere waardeverminderingsverliezen en terugboekingen 20-25
Wijzigingen in een plan tot verkoop 26-29
Presentatie en informatieverschaffing 30-42
Presentatie beëindigde bedrijfsactiviteiten 31-36
Winsten of verliezen met betrekking tot voortgezette bedrijfsactiviteiten 37
Presentatie van een vast actief of van een groep activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop 38-40
Additionele informatieverschaffing 41-42
Overgangsbepalingen 43
Ingangsdatum 44
Intrekking van IAS 35 45

DOEL

1.

Het doel van deze International Financial Reporting Standard is om de verwerking van activa, die voor verkoop worden aangehouden, en de presentatie van en informatieverschaffing over beëindigde bedrijfsactiviteiten te specificeren. De International Financial Reporting Standards vereisen met name:

(a)

dat activa, die voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, moeten worden gewaardeerd tegen de laagste waarde van de boekwaarde en de reële waarde minus verkoopkosten en dat op dergelijke activa niet meer wordt afgeschreven;

en

(b)

activa die voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop moeten afzonderlijk in de balans worden gepresenteerd en de resultaten van de beëindigde bedrijfsactiviteiten moeten afzonderlijk in winst- en verliesrekening worden gepresenteerd.

Toepassingsgebied

2.

De vereisten inzake de classificatie en de presentatie van deze International Financial Reporting Standard zijn van toepassing op alle opgenomen vaste activa (*1) en op alle groepen activa die worden afgestoten van een entiteit. De waarderingsvereisten in deze International Financial Reporting Standard zijn van toepassing op alle opgenomen vaste activa en groepen activa die worden afgestoten (zoals uiteengezet wordt in alinea 4), met uitzondering van die activa die in alinea 5 zijn opgesomd, die gewaardeerd moeten blijven volgens de aangegeven standaard.

3.

Activa die volgens IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2003) zijn geclassificeerd als vaste activa, dienen niet te worden geherclassificeerd naar vlottende activa totdat deze activa voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, overeenkomstig deze International Financial Reporting Standard. Activa die een entiteit normaliter zou beschouwen als vaste activa die uitsluitend zijn verworven om te worden doorverkocht, dienen niet als vlottende activa te worden geclassificeerd tenzij zij, overeenkomstig deze International Financial Reporting Standard, voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop.

4.

Soms stoot een entiteit een groep activa, mogelijk met bepaalde, direct daaraan gerelateerde verplichtingen, samen in één transactie af. Een dergelijke groep activa die wordt afgestoten kan een groep van kasstroomgenererende eenheden, een enkele kasstroomgenererende eenheid of een gedeelte van een kasstroomgenererende eenheid betreffen. (*2) De groep kan alle mogelijke activa en verplichtingen van de entiteit omvatten, met inbegrip van vlottende activa, kortlopende verplichtingen en activa die door alinea 5 uitgesloten zijn van de waarderingsvereisten van deze International Financial Reporting Standard. Wanneer een vast actief dat binnen het toepassingsgebied valt van de waarderingsvereisten in deze International Financial Reporting Standard, deel uitmaakt van een groep activa die wordt afgestoten, worden de waarderingsvereisten in deze International Financial Reporting Standard op de gehele groep toegepast, zodat de groep gewaardeerd wordt tegen de laagste waarde van haar boekwaarde en de reële waarde minus verkoopkosten. De waarderingsvereisten van afzonderlijke activa en verplichtingen in de groep activa die wordt afgestoten, zijn uiteengezet in alinea’s 18, 19 en 23.

5.

De bepalingen van deze International Financial Reporting Standard ten aanzien van de waardering (*3) zijn niet van toepassing op de volgende activa, die worden behqndeld in de standaarden, hetzij als afzonderlijke activa, hetzij als onderdeel van een groep activa die wordt afgestoten:

(a)

uitgestelde belastingvorderingen (IAS 12 Winstbelastingen).

(b)

activa die voortvloeien uit personeelsbeloningen (IAS 19, Personeelsbeloningen).

(c)

financiële activa die binnen het toepassingsgebied vallen van IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering.

(d)

vaste activa die verwerkt worden volgens het reële-waardemodel in IAS 40 Vastgoedbeleggingen.

(e)

vaste activa die gewaardeerd worden tegen reële waarde minus de geschatte kosten van het verkooppunt overeenkomstig IAS 41 Landbouw.

(f)

contractuele rechten uit hoofde van een verzekeringscontracten zoals gedefinieerd in International Financial Reporting Standard 4 Verzekeringscontracten.

CLASSIFICATIE VAN VASTE ACTIVA (OF GROEPEN ACTIVA DIE WORDEN AFGESTOTEN) ALS AANGEHOUDEN VOOR VERKOOP

6.

Een entiteit dient een vast actief (of een groep activa die wordt afgestoten) te classificeren als aangehouden voor verkoop wanneer zijn boekwaarde hoofdzakelijk zal worden gerealiseerd in een verkooptransactie en niet door het voortgezette gebruik ervan.

7.

Het actief (of de groep activa die wordt afgestoten) moet in zijn huidige staat, wil hiervan sprake zijn, onmiddellijk beschikbaar zijn voor verkoop en alleen onderworpen zijn aan bepalingen die gebruikelijk zijn voor de verkoop van dergelijke activa (of groepen activa die worden afgestoten). Ook dient de verkoop zeer waarschijnlijk te zijn.

8.

Het gepast managementniveau moet zich verbinden aan een plan tot verkoop van het actief (of groep activa die wordt afgestoten) en een operationeel plan om een koper te vinden en het plan te voltooien moet opgestart zijn, voordat er sprake is van een hoogst waarschijnlijke verkoop. Bovendien moet het actief (of groep activa die wordt afgestoten) op actieve wijze voor verkoop op de markt gebracht worden tegen een prijs die redelijk is ten opzichte van zijn actuele reële waarde. Bovendien dient de verkoop, een jaar na de datum van de classificatie, geacht in aanmerking te komen voor opname als voltooide verkoop, behoudens het vermelde in alinea 9, en handelingen die nodig zijn om het plan te voltooien dienen aan te geven dat het onwaarschijnlijk is dat belangrijke wijzigingen aan het plan worden aangebracht of dat het ingetrokken zal worden.

9.

Gebeurtenissen en omstandigheden kunnen de periode om de verkoop te voltooien na één jaar verlengen. Een verlenging van de periode die nodig is om een verkoop te voltooien sluit niet uit dat een actief (of groep activa die wordt afgestoten) wordt geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, wanneer het uitstel wordt veroorzaakt door gebeurtenissen of omstandigheden waarop de entiteit geen invloed heeft en wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat de entiteit verbonden blijft aan haar plan om het actief (of de groep activa die wordt afgestoten) te verkopen. Hiervan zal sprake zijn wanneer aan de criteria in Bijlage B voldaan wordt.

10.

Verkooptransacties omvatten de ruil van vaste activa tegen andere vaste activa wanneer de ruil een commerciële realiteit vormt overeenkomstig IAS 16 Materiële vaste activa.

11.

Wanneer een entiteit een vast actief verwerft (of groep activa die wordt afgestoten) uitsluitend met de bedoeling om het later af te stoten, dient zij het vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) op de overnamedatum alleen te classificeren als aangehouden voor verkoop wanneer aan het criterium van één jaar in alinea 8 is voldaan (behoudens het vermelde in alinea 9) en het hoogst waarschijnlijk is dat aan andere, in alinea’s 7 en 8 vermelde criteria, waaraan op die datum niet wordt voldaan, in een korte periode na de overname zal worden voldaan (meestal binnen drie maanden).

12.

Wanneer aan de in alinea’s 7 en 8 vermelde criteria na de balansdatum wordt voldaan, dient een entiteit een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) niet te classificeren als aangehouden voor verkoop in die jaarrekening bij uitgifte. Wanneer aan deze criteria echter na de balansdatum wordt voldaan maar voordat de jaarrekening voor uitgifte is goedgekeurd, dient de entiteit de in alinea 41(a), (b) en (d) gespecificeerde informatie in de toelichting te vermelden.

Vaste activa die moeten worden opgegeven

13.

Een entiteit dient een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) dat wordt opgegeven, niet te classificeren als aangehouden voor verkoop. De reden hiervan is dat zijn boekwaarde hoofdzakelijk gerealiseerd zal worden door het voortgezette gebruik. Wanneer de groep activa die wordt opgegeven echter aan de in alinea 32(a)-(c) vermelde criteria voldoet, dient de entiteit overeenkomstig alinea’s 33 en 34 de resultaten en de kasstromen van de groep activa die wordt afgestoten als beëindigde bedrijfsactiviteiten te presenteren vanaf de datum waarop ze niet langer operationeel is. Vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die moeten worden opgegeven, omvatten vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die tot het einde van hun economische levensduur worden gebruikt en vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die stopgezet moeten worden en niet verkocht worden.

14.

Een entiteit dient een vast actief dat tijdelijk op non-actief is gesteld niet te verwerken als een actief dat opgegeven is.

WAARDERING VAN VASTE ACTIVA (OF GROEPEN ACTIVA DIE WORDEN AFGESTOTEN) DIE ZIJN GECLASSIFICEERD ALS AANGEHOUDEN VOOR VERKOOP

Waardering van een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten)

15.

Een entiteit dient een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) geclassificeerd als aangehouden voor verkoop te waarderen tegen de laagste waarde van zijn boekwaarde en zijn reële waarde minus de verkoopkosten.

16.

Wanneer een recentelijk verworven actief (of groep activa die wordt afgestoten) voldoet aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (zie alinea 11), zal de toepassing van alinea 15 als gevolg hebben dat het actief (of groep activa die worden afgestoten) bij eerste opname wordt gewaardeerd tegen de laagste waarde van zijn boekwaarde, indien het niet zodanig was geclassificeerd (bijvoorbeeld tegen kostprijs), en de reële waarde minus de verkoopkosten. Wanneer het actief (of groep activa die wordt afgestoten) wordt verworven als onderdeel van een bedrijfscombinatie, dient het daarom tegen reële waarde minus verkoopkosten te worden gewaardeerd.

17.

Wanneer de verkoop verwacht wordt na meer dan een jaar plaats te zullen vinden, dient de entiteit de verkoopkosten te waarderen tegen hun contante waarde. Elke toename van de contante waarde van de verkoopkosten die voortvloeit uit het verstrijken van de tijd dient in de winst- en verliesrekening te worden gepresenteerd als een financieringslast.

18.

Onmiddellijk voordat het actief (of groep activa die wordt afgestoten) voor het eerst wordt geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, dient de boekwaarde van het actief (of van alle activa en verplichtingen in de groep), overeenkomstig de van toepassing zijnde International Financial Reporting Standards, te worden gewaardeerd.

19.

Bij een latere herwaardering van een groep activa die wordt afgestoten, moeten de boekwaarden van alle activa en verplichtingen die niet binnen het toepassingsgebied van de waarderingsvereisten van deze International Financial Reporting Standards vallen, maar die zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, geherwaardeerd worden overeenkomstig de van toepassing zijnde International Financial Reporting Standards, voordat de reële waarde minus de verkoopkosten van de groep activa die wordt afgestoten, geherwaardeerd wordt.

Opname van bijzondere waardeverminderingsverliezen en terugboekingen

20.

Een entiteit dient een bijzonder waardeverminderingsverlies op te nemen voor elke eerste of latere afschrijving van een actief (of groep activa die wordt afgestoten) tot de reële waarde minus verkoopkosten, voor zover het niet volgens alinea 19 is opgenomen.

21.

Een entiteit dient een winst voor elke latere vermeerdering van de reële waarde minus verkoopkosten van een actief op te nemen, maar niet meer dan het geaccumuleerd bijzonder waardeverminderingsverlies dat ofwel volgens deze International Financial Reporting Standard, ofwel voorheen volgens IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa is opgenomen.

22.

Een entiteit dient een winst op te nemen voor elke latere vermeerdering van de reële waarde minus verkoopkosten van een groep activa die wordt afgestoten.

(a)

voor zover het niet is opgenomen overeenkomstig alinea 19,

doch

(b)

niet meer dan het geaccumuleerd bijzonder waardeverminderingsverlies dat ofwel volgens deze International Financial Reporting Standard, ofwel voorheen volgens IAS 36 is opgenomen voor vaste activa die binnen het toepassingsgebied vallen van de waarderingsvereisten van deze International Financial Reporting Standard.

23.

Het bijzonder waardeverminderingsverlies, (of elke latere winst) dat voor een groep activa die wordt afgestoten is opgenomen, moet de boekwaarde van de vaste activa in de groep, die binnen het toepassingsgebied van de waarderingsvereisten van deze International Financial Reporting Standard vallen, in de volgorde van toerekening die in alinea’s 104(a) en (b) en 122 van IAS 36 (herziene versie van 2004) is uiteengezet, verminderen (of verhogen).

24.

Een winst die of een verlies dat voorheen niet is opgenomen op de verkoopdatum van een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten), dient te worden opgenomen op de datum waarop het actief niet langer in de balans opgenomen wordt. Vereisten voor het niet langer opnemen in de balans zijn uiteengezet in:

(a)

alinea’s 67 tot en met 72 van IAS 16 (herziene versie van 2003) voor materiële vaste activa;

en

(b)

alinea’s 112 tot en met 117 van IAS 38 Immateriële activa (herziene versie van 2004) voor immateriële activa.

25.

Een entiteit dient een vast actief niet af te schrijven wanneer het geclassificeerd is als aangehouden voor verkoop of wanneer het deel uitmaakt van een groep activa die wordt afgestoten, geclassificeerd als aangehouden voor verkoop. Rente en andere lasten die toerekenbaar zijn aan de verplichtingen van een groep activa die wordt afgestoten, geclassificeerd als aangehouden voor verkoop dienen opgenomen te blijven.

Wijzigingen in een plan tot verkoop

26.

Wanneer een entiteit een actief (of groep activa die wordt afgestoten) geclassificeerd heeft als aangehouden voor verkoop, maar wanneer niet langer aan de in alinea’s 7 tot en met 9 vermelde criteria wordt voldaan, dient de entiteit het actief (of groep activa die wordt afgestoten) niet langer te classificeren als aangehouden voor verkoop.

27.

De entiteit dient een vast actief dat niet langer wordt geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of niet langer opgenomen wordt in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) te waarderen tegen de laagste waarde van:

(a)

zijn boekwaarde voordat het actief (of groep activa die wordt afgestoten) werd geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, aangepast voor eventuele afschrijvingen of herwaarderingen die zouden zijn opgenomen wanneer het actief (of de groep activa die wordt afgestoten) niet geclassificeerd was als aangehouden voor verkoop,

en

(b)

zijn realiseerbare waarde op de datum waarop later wordt beslist niet tot verkoop over te gaan. (*4)

28.

De entiteit dient elke vereiste aanpassing aan de boekwaarde van een vast actief, dat niet langer geclassificeerd is als aangehouden voor verkoop, als baten op te nemen (*5) uit voortgezette bedrijfsactiviteiten in de periode waarin niet langer wordt voldaan aan de in alinea’s 7 tot en met 9 vermelde criteria. De entiteit dient die aanpassing onder dezelfde rubriek in de winst- en verliesrekening te presenteren, die gebruikt wordt om een eventuele winst of een eventueel verlies overeenkomstig alinea 37 op te nemen.

29.

Wanneer een entiteit een individueel actief of een individuele verplichting verwijdert uit een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, dienen de resterende activa en verplichtingen van de groep activa die wordt afgestoten alleen te blijven gewaardeerd als groep wanneer de groep voldoet aan de criteria van alinea’s 7 tot en met 9. Zo niet dan dienen de resterende vaste activa van de groep die individueel voldoen aan de criteria om als actief geclassificeerd te worden als aangehouden voor verkoop afzonderlijk gewaardeerd te worden tegen de laagste waarde van hun boekwaarde en hun reële waarde minus verkoopkosten op die datum. Alle vaste activa die niet voldoen aan de criteria dienen niet langer geclassificeerd te worden als aangehouden voor verkoop overeenkomstig alinea 26.

PRESENTATIE EN INFORMATIEVERSCHAFFING

30.

Een entiteit dient informatie te presenteren en te vermelden die gebruikers van jaarrekeningen in staat stellen om de financiële gevolgen van beëindigde bedrijfsactiviteiten en afstoting van vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) te evalueren.

Presentatie beëindigde bedrijfsactiviteiten

31.

Een component van een entiteit omvat bedrijfsactiviteiten en kasstromen die, ten behoeve van operationele en financiële verslaggeving, duidelijk onderscheiden kunnen worden van de rest van de entiteit. Met andere woorden, een component van een entiteit wordt voor gebruik aangehouden en heeft een kasstroomgenererende eenheid of een groep kasstroomgenererende eenheden.

32.

Een beëindigde bedrijfsactiviteit is een component van een entiteit die ofwel is afgestoten, ofwel is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop;

en

(a)

een afzonderlijke belangrijke bedrijfsactiviteit of geografisch bedrijfsgebied vertegenwoordigt;

(b)

deel uitmaakt van een enkel coördinatieplan om een afzonderlijke belangrijke bedrijfsactiviteit of geografisch bedrijfsgebied af te stoten

of

(c)

betreft een dochteronderneming die uitsluitend is overgenomen met de bedoeling te worden doorverkocht.

33.

Een entiteit dient:

(a)

één bedrag in de winst- en verliesrekening te vermelden dat het totaalbedrag omvat van:

(i)

de winst of het verlies na belastingen van beëindigde bedrijfsactiviteiten

en

(ii)

de winst die of het verlies dat na belastingen is opgenomen bij de waardering tegen reële waarde minus verkoopkosten of bij afstoting van de activa of groep(en) activa die worden afgestoten die de beëindigde bedrijfsactiviteiten vormen.

(b)

een analyse van het enkelvoudig bedrag in (a) in:

(i)

de opbrengsten, de lasten en de winst of het verlies vóór belastingen van beëindigde bedrijfsactiviteiten;

(ii)

de gerelateerde last uit hoofde van winstbelastingen zoals vereist in alinea 81(h) van IAS 12;

(iii)

de winst die of het verlies dat is opgenomen bij de waardering tegen reële waarde minus verkoopkosten of bij afstoting van de activa of groep(en) activa die worden afgestoten die de beëindigde bedrijfsactiviteiten vormen;

en

(iv)

de daarmee verband houdende lasten uit hoofde van winstbelastingen zoals vereist in alinea 81(h) van IAS 12.

Deze analyse kan gepresenteerd worden in de toelichting of in de winst- en verliesrekening. Wanneer de presentatie plaatsvindt in de winst- en verliesrekening dient de ontleding te worden gepresenteerd in een rubriek aangemerkt als betrekking hebbend op beëindigde bedrijfsactiviteiten, dat wil zeggen gescheiden van voortgezette bedrijfsactiviteiten. De analyse is niet vereist voor groepen activa die worden afgestoten en die recentelijk overgenomen dochterondernemingen betreffen die bij overname aan de criteria voldoen om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (zie alinea 11).

(c)

de nettokasstromen die kunnen worden toegerekend aan de bedrijfs-, investerings- en financieringsactiviteiten van beëindigde bedrijfsactiviteiten. Deze informatieverschaffingen kunnen ofwel gepresenteerd worden in de toelichting ofwel in de jaarrekening. De informatieverschaffingen zijn niet vereist voor groepen activa die worden afgestoten en die recentelijk overgenomen dochterondernemingen betreffen die bij overname aan de criteria voldoen om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (zie alinea 11).

34.

Een entiteit dient de te vermelden informatieverschaffingen in alinea 33 opnieuw te presenteren voor voorgaande periodes die in de jaarrekening zijn gepresenteerd, zodat de te vermelden informatieverschaffingen betrekking hebben op alle bedrijfsactiviteiten die op de balansdatum van de laatst gepresenteerde periode beëindigd zijn.

35.

Aanpassingen in de lopende periode aan bedragen die voorheen zijn gepresenteerd in beëindigde bedrijfsactiviteiten, die rechtstreeks betrekking hebben op de afstoting van een beëindigde bedrijfsactiviteit in een voorgaande periode, dienen afzonderlijk in beëindigde bedrijfsactiviteiten te worden geclassificeerd. De aard en het bedrag van dergelijke aanpassingen dienen te worden vermeld. Voorbeelden van omstandigheden waarin deze aanpassingen zich kunnen voordoen zijn onder meer:

(a)

de oplossing van onzekerheden die voortvloeien uit de termen van de transactie die afstoting beoogt, zoals de oplossing van aangepaste aankoopprijzen en vraagstukken inzake schadevergoeding tegenover de koper.

(b)

de oplossing van onzekerheden die voortvloeien uit en rechtstreeks gerelateerd zijn aan activiteiten van de component voor afstoting, zoals de door de verkoper gehandhaafde verplichtingen inzake milieu en productgaranties.

(c)

de betaling van verplichtingen uit hoofde van een beloningsregeling voor het personeel, op voorwaarde dat de betaling rechtstreeks betrekking heeft op een transactie die afstoting beoogt.

36.

Wanneer een entiteit niet langer een component van een entiteit classificeert als aangehouden voor verkoop, dienen de resultaten van bedrijfsactiviteiten van de component, die voorheen werden gepresenteerd in beëindigde bedrijfsactiviteiten overeenkomstig alinea’s 33 tot en met 35, voor alle gepresenteerde perioden opnieuw ingedeeld te worden en te worden opgenomen als baten uit voortgezette bedrijfsactiviteiten. De bedragen voor voorgaande perioden dienen te worden omschreven als bedragen die opnieuw zijn gepresenteerd.

Winsten of verliezen met betrekking tot voortgezette bedrijfsactiviteiten

37.

Elke winst of elk verlies bij de herwaardering van een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) dat is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en dat niet beantwoordt aan de definitie van een beëindigde bedrijfsactiviteit, dient in de winst- en verliesrekening van de voortgezette bedrijfsactiviteiten te worden opgenomen.

Presentatie van een vast actief of van een groep activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop

38.

Een entiteit dient een vast actief dat geclassificeerd is als aangehouden voor verkoop en de activa van een groep activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop apart in de balans te presenteren. De verplichtingen van een groep activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop dienen afzonderlijk van andere verplichtingen in de balans te worden gepresenteerd. Dergelijke activa en verplichtingen dienen niet te worden gesaldeerd en gepresenteerd te worden als een enkelvoudig bedrag. De belangrijkste categorieën activa en verplichtingen die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop dienen afzonderlijk te worden vermeld; ofwel in de toelichting ofwel in de balans, behoudens het vermelde in alinea 39. Een entiteit dient alle geaccumuleerde baten en lasten, die rechtstreeks in het eigen vermogen zijn verwerkt, afzonderlijk te presenteren, wanneer zij betrekking hebben op een vast actief dat (of een groep activa die wordt afgestoten) is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop.

39.

Wanneer de groep activa die wordt afgestoten een recentelijk overgenomen dochteronderneming is die bij overname voldoet aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (zie alinea 11), is informatieverschaffing over de belangrijkste categorieën activa en verplichtingen niet vereist.

40.

Een entiteit dient bedragen, die gepresenteerd zijn in de balans van voorgaande perioden, van vaste activa of activa en verplichtingen van groepen activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, niet opnieuw in te delen of opnieuw te presenteren, teneinde de classificatie in de meest recentelijk gepresenteerde balans te weerspiegelen.

Additionele informatieverschaffing

41.

Een entiteit dient de volgende informatie in de toelichting van de periode te vermelden waarin een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) ofwel is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, ofwel verkocht is:

(a)

een beschrijving van het vast actief (of groep activa die wordt afgestoten);

(b)

een beschrijving van de feiten en omstandigheden van de verkoop, of die zullen leiden tot de verwachte afstoting, en de wijze en het tijdstip waarop die afstoting naar verwachting plaats zal vinden;

(c)

de winst die of het verlies dat overeenkomstig alinea’s 20 tot en met 22 is opgenomen en, wanneer niet afzonderlijk gepresenteerd in de winst- en verliesrekening, de rubriek waarin die winst of dat verlies is opgenomen;

(d)

in voorkomend geval, het segment waarin het vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) gepresenteerd is overeenkomstig IAS 14 Gesegmenteerde informatie.

42.

Wanneer ofwel alinea 26 ofwel alinea 29 van toepassing is, dient een entiteit, in de periode waarin wordt beslist om het plan tot verkoop van het vast actief (of de groep activa die wordt afgestoten) te wijzigen, een beschrijving te vermelden van de feiten en omstandigheden die tot de beslissing hebben geleid en de gevolgen van de beslissing op de resultaten van de activiteiten voor de periode en voor alle eerder gepresenteerde perioden.

OVERGANGSBEPALINGEN

43.

De International Financial Reporting Standard dient op prospectieve wijze te worden toegepast op vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die voldoen aan de criteria om als aangehouden voor verkoop te worden geclassificeerd en bedrijfsactiviteiten die voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als beëindigde bedrijfsactiviteiten, na de ingangsdatum van de International Financial Reporting Standard. Een entiteit kan de vereisten van de International Financial Reporting Standard toepassen op alle vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en op bedrijfsactiviteiten die voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als beëindigde bedrijfsactiviteiten, op elke datum die anterieur is aan de ingangsdatum van de International Financial Reporting Standard, op voorwaarde dat de waarderingen en andere informatie die nodig is om de International Financial Reporting Standard toe te passen beschikbaar waren op het tijdstip waaraan voor het eerst aan die criteria werd voldaan.

INGANGSDATUM

44.

Een entiteit dient deze International Financial Reporting Standard toe te passen voor verslagperioden die op of na 1 januari 2005 aanvangen. Eerdere toepassing wordt aangemoedigd. Indien een entiteit deze IFRS toepast voor jaarrekeningen die betrekking hebben op verslagperioden die aanvangen vóór 1 januari 2005 dient zij dit feit te vermelden.

INTREKKING VAN IAS 35

45.

Deze International Financial Reporting Standard vervangt IAS 35 Beëindiging van bedrijfsactiviteiten.


(*1)  Voor activa die zijn geclassificeerd in de volgorde van liquiditeit, zijn vaste activa activa die bedragen omvatten waarvan verwacht wordt dat ze pas later dan twaalf maanden na de balansdatum zullen worden geïnd. Alinea 3 is van toepassing op de indeling van dergelijke activa.

(*2)  Wanneer echter kasstromen van een actief of groep activa verwacht worden hoofdzakelijk te zullen voortvloeien uit verkoop in plaats van uit het voortgezette gebruik, worden deze kasstromen minder afhankelijk van kasstromen die uit andere activa voortvloeien, en een groep activa die wordt afgestoten en deel uitmaakte van een kasstroomgenererende eenheid wordt een afzonderlijke kasstroomgenererende eenheid.

(*3)  Behoudens alinea 18 en 19, die vereisen dat de desbetreffende activa worden gewaardeerd in overeenstemming met andere van toepassing zijnde International Financial Reporting Standards.

(*4)  wanneer het vast actief deel uitmaakt van een kasstroomgenererende eenheid, is zijn realiseerbare waarde de boekwaarde die zou zijn opgenomen na de toerekening van eventuele bijzondere waardeverminderingsverliezen die uit die kasstroomgenererende eenheid voortvloeien, overeenkomstig IAS 36.

(*5)  Tenzij het actief een materieel vast actief of een immaterieel actief betreft dat geherwaardeerd is voor classificatie als actief dat voor verkoop wordt aangehouden, overeenkomstig IAS 16 of IAS 38. In dit geval dienen de aanpassingen te worden verwerkt als een herwaarderingstoename of een -afname.

BIJLAGE A

Definities

Deze bijlage maakt integraal deel uit van de International Financial Reporting Standards.

kasstroomgenererende eenheid

De kleinste identificeerbare groep activa die een instroom van kasmiddelen genereert die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen van andere activa of groepen van activa.

component van een entiteit

Bedrijfsactiviteiten en kasstromen die, ten behoeve van operationele en financiële verslaggeving, duidelijk onderscheiden kunnen worden van de rest van de entiteit.

verkoopkosten

Marginale kosten die direct toe te schrijven zijn aan de vervreemding van een actief (of groep activa die wordt afgestoten), met uitzondering van financieringskosten en lasten uit winstbelasting.

vlottend actief

Een actief dat aan de volgende criteria voldoet:

(a)

verwacht wordt dat het actief zal worden gerealiseerd of bestemd is voor verkoop of verbruik in de normale exploitatiecyclus van de entiteit;

(b)

het actief wordt voornamelijk aangehouden met het oog om verhandeld te worden;

(c)

verwacht wordt dat het actief gerealiseerd wordt binnen twaalf maand na de balansdatum;

of

(d)

het actief geldmiddelen of een kasequivalent actief is, tenzij het gebruik voor ruil of voor afwikkeling van een verplichting beperkt is gedurende minstens twaalf maand na de balansdatum.

beëindigde bedrijfsactiviteit

Een component van een entiteit die ofwel is afgestoten ofwel is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en;

(a)

een afzonderlijke belangrijke bedrijfsactiviteit of geografisch bedrijfsgebied vertegenwoordigt;

(b)

deel uitmaakt van een enkel coördinatieplan om een afzonderlijke belangrijke bedrijfsactiviteit of geografisch bedrijfsgebied af te stoten

of

(c)

betreft een dochteronderneming die uitsluitend is overgenomen met de bedoeling te worden doorverkocht.

groep activa die wordt afgestoten

Een groep activa die in groepsverband in één enkele transactie afgestoten worden, door verkoop of anderszins, en de in de transactie over te dragen verplichtingen, die rechtstreeks aan deze activa verbonden zijn. De groep omvat goodwill verworven in een bedrijfscombinatie wanneer de groep een kasstroomgenererende eenheid is waaraan goodwill is toegerekend overeenkomstig de vereisten van alinea’s 80 tot en met 87 van IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa (herziene versie van 2004) of wanneer het een bedrijfsactiviteit betreft in een dergelijke kasstroomgenererende eenheid.

reële waarde

Het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een verplichting kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde (onafhankelijke) partijen op zakelijke en objectieve grondslag.

een vaststaande kooptoezegging

Een overeenkomst met een niet-verbonden partij, die bindend is voor beide partijen en gewoonlijk een in rechte afdwingbaar recht is, die (a) alle belangrijke termen specificeert, met inbegrip van de prijs en het tijdstip waarop de transacties zullen plaatsvinden (b) en een belemmering omvat voor niet-prestatie die voldoende groot is om te stellen dat de prestatie hoogst waarschijnlijk te maken.

hoogst waarschijnlijk

De kans is aanmerkelijk groter dan waarschijnlijk.

vast actief

Een actief dat niet beantwoordt aan de definitie van een vlottend actief.

waarschijnlijk

Grote waarschijnlijkheid.

realiseerbare waarde

De hoogste waarde van de reële waarde van het actief minus verkoopkosten en haar bedrijfswaarde.

bedrijfswaarde

De contante waarde van geschatte toekomstige kasstromen die naar verwachting zullen voortvloeien uit het voortgezette gebruik van een actief en uit zijn vervreemding aan het einde van zijn gebruiksduur.

BIJLAGE B

Toepassingssupplement

Deze bijlage maakt integraal deel uit van de International Financial Reporting Standards.

VERLENGING VAN DE PERIODE DIE VEREIST IS OM EEN VERKOOP TE VOLTOOIEN

B1

Zoals vermeldt in alinea 9, een verlenging van de periode die nodig is om een verkoop te voltooien sluit niet uit dat een actief (of groep activa die wordt afgestoten) geclassificeerd moet worden als aangehouden voor verkoop, wanneer het uitstel wordt veroorzaakt door gebeurtenissen of omstandigheden waarop de entiteit geen invloed heeft en wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat de entiteit verbonden blijft aan haar plan om het actief (of de groep activa die wordt afgestoten) te verkopen. Een uitzondering op de vereiste van één jaar in alinea 8 dient daarom te worden toegepast in de volgende situaties waarin dergelijke gebeurtenissen of omstandigheden zich voordoen:

(a)

op de datum dat een entiteit haar zelf verbindt aan een plan tot verkoop van een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) verwacht ze in redelijkheid dat derden (niet een koper) voorwaarden zullen stellen ten aanzien van de overdracht van het actief (of groep activa die wordt afgestoten) die de vereiste periode om de verkoop te voltooien zullen verlengen, en:

(i)

handelingen die nodig zijn om aan deze voorwaarden te voldoen kunnen niet worden gestart tot een vaststaande kooptoezegging is ontvangen;

en

(ii)

een vaststaande kooptoezegging zal hoogst waarschijnlijk binnen één jaar worden ontvangen.

(b)

een entiteit een vaststaande kooptoezegging ontvangt, en bijgevolg, een koper of derden onverwachts voorwaarden stelt (stellen) aan de overdracht van een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) dat voorheen was geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, waardoor de periode die vereist is om de verkoop te voltooien, verlengd wordt, en:

(i)

de nodige handelingen tijdig zijn uitgevoerd om aan de voorwaarden te beantwoorden,

en

(ii)

een gunstige oplossing wordt verwacht van de oorzaken die voor vertraging zorgen.

(c)

in de eerste één-jaar-periode omstandigheden zich voordoen die voorheen als onwaarschijnlijk werden beschouwd en bijgevolg, een vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) dat voorheen was geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, niet wordt verkocht tegen het einde van die periode, en:

(i)

gedurende de eerste één-jaar-periode de entiteit de nodige handeling heeft verricht om te reageren op de gewijzigde omstandigheden;

(ii)

het vast actief (of groep activa die wordt afgestoten) op actieve wijze op de markt wordt gebracht tegen een redelijke prijs, gegeven de gewijzigde omstandigheden,

en

(iii)

aan de criteria in alinea’s 7 en 8 wordt voldaan.

BIJLAGE C

Wijzigingen in de andere International Financial Reporting Standards

De wijzigingen in deze bijlage dienen te worden toegepast op verslagperioden die op of na 1 januari 2005 aanvangen. Als een entiteit deze International Financial Reporting Standard toepast op een eerdere verslagperiode, dienen deze wijzigingen op deze eerdere verslagperiode te worden toegepast.

C1

IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2003) is als volgt gewijzigd.

Alinea 68 is als volgt gewijzigd:

68.

De balans moet ten minste posten omvatten die de volgende bedragen voorstellen, voor zover zij niet in overeenstemming met alinea 68A worden gepresenteerd:

(a)

…

Alinea 68A wordt als volgt toegevoegd:

68A.

Een balans dient ook posten te bevatten die de volgende bedragen voorstellen:

(a)

het totaalbedrag van activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en activa in groepen activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten;

en

(b)

verplichtingen opgenomen in groepen activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5.

Alinea 81 wordt als volgt gewijzigd:

81.

Een winst- en verliesrekening dient ten minste de posten te bevatten die de volgende bedragen over de periode presenteren:

…

(d)

belastinglasten;

(e)

een enkelvoudig bedrag dat bestaat uit het totaal van (i) de winst of het verlies na belastingen op beëindigde bedrijfsactiviteiten en (ii) uit de winst die of het verlies dat na belastingen is gewaardeerd tegen reële waarde minus verkoopkosten of bij de afstoting van de activa of van de groep(en) activa die worden afgestoten die de beëindigde bedrijfsactiviteit vormen;

en

(f)

winst of verlies.

Alinea 87(e) wordt als volgt gewijzigd:

(e)

beëindigde bedrijfsactiviteiten;

C2

In IAS 10 Gebeurtenissen na balansdatum, wordt alinea 22(b) en (c) als volgt gewijzigd:

(b)

aankondiging van een plan om een bedrijfsactiviteit te beëindigen;

(c)

belangrijke aankopen van activa, classificatie van activa als aangehouden voor verkoop overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten, andere afstotingen van activa of onteigening van belangrijke activa door de overheid;

C3

IAS 14 Gesegmenteerde informatie is als volgt gewijzigd.

Alinea 52 is als volgt gewijzigd:

52.

Een entiteit dient het resultaat van een segment te vermelden voor elk te rapporteren segment, waarbij het resultaat uit voortgezette bedrijfsactiviteiten afzonderlijk wordt gepresenteerd van het resultaat uit beëindigde bedrijfsactiviteiten.

Alinea 52A wordt als volgt toegevoegd:

52A.

Een entiteit dient resultaten van segmenten die in de vorige periode in de jaarrekening zijn gepresenteerd aan te passen, zodat de in alinea 52 vereiste vermeldingen in de jaarrekening met betrekking tot beëindigde bedrijfsactiviteiten betrekking hebben op alle bedrijfsactiviteiten die geclassificeerd zijn als beëindigde bedrijfsactiviteiten op de balansdatum van de laatst gepresenteerde periode.

Alinea 67 wordt als volgt gewijzigd:

67.

Een entiteit dient aansluitingen te tonen tussen de gepresenteerde, gesegmenteerde informatie en de geaggregeerde informatie in de geconsolideerde of enkelvoudige jaarrekening. Bij de presentatie van de aansluiting, dient de entiteit de opbrengsten van een segment aan te sluiten bij de opbrengsten van de entiteit uit externe cliënten (met inbegrip van de vermelding in de toelichting van de opbrengst van de entiteit uit externe cliënten die in geen enkel segment is opgenomen); het resultaat van een segment uit voortgezette bedrijfsactiviteiten dient aan te sluiten bij een vergelijkbare waardering van de exploitatiewinst of het –verlies van de entiteit uit voortgezette bedrijfsactiviteiten, maar ook bij de winst of het verlies van de entiteit uit voortgezette bedrijfsactiviteiten; het resultaat van een segment uit beëindigde bedrijfsactiviteiten dient aan te sluiten bij de winst of het verlies van de entiteit uit beëindigde bedrijfsactiviteiten, activa van een segment dienen…

C4

IAS 16 Materiële vaste activa (herziene versie van 2003) wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 3 wordt als volgt gewijzigd:

3.

Deze standaard is niet van toepassing op:

(a)

materiële vaste activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.

(b)

biologische activa…;

of

(c)

rechten om mineralen te winnen…

Deze standaard is echter van toepassing op materiële vaste activa die worden gebruikt om de in (b) en (c) vermelde activa te ontwikkelen of in stand te houden.

Alinea 55 wordt als volgt gewijzigd:

55.

… Afschrijvingen van een actief dienen te worden beëindigd op de datum waarop het als actief is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of wanneer het is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5, of op de datum waarop het actief niet langer in de balans wordt opgenomen, als deze datum voorafgaat aan de eerste. Derhalve worden afschrijvingen niet beëindigd wanneer het actief niet langer wordt gebruikt of buiten gebruik wordt gesteld, tenzij het actief volledig is afgeschreven. Echter, …

Alinea 73(e) (ii) wordt als volgt gewijzigd:

(ii)

activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop of zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5) en voor andere wijzen van vervreemding;

Alinea 79(c) wordt als volgt gewijzigd:

(c)

de boekwaarde van materiële vaste activa die buiten dienst zijn gesteld en niet zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5;

C5

In IAS 17 Lease-overeenkomsten, herziene versie van 2003, wordt alinea 41A toegevoegd die als volgt luidt:

41A.

Een actief onder een financiële leasing die is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of opgenomen is in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5 dient overeenkomstig diezelfde International Financial Reporting Standard te worden verwerkt.

C6

IAS 27 Geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening is als volgt gewijzigd.

Alinea 12 is als volgt gewijzigd:

12.

De geconsolideerde jaarrekening dient alle dochterondernemingen van de moedermaatschappij te omvatten.(*)

Een voetnoot wordt aan alinea 12 toegevoegd en luidt als volgt:

(*)

Indien bij overname een dochteronderneming voldoet aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5 activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten, dient ze volgens die standaard te worden verwerkt.

De alinea’s 16 tot en met 18 zijn verwijderd.

Alinea 37 wordt als volgt gewijzigd:

37.

Wanneer de enkelvoudige jaarrekening wordt opgesteld, dienen investeringen in dochterondernemingen, entiteiten waarover de gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend en geassocieerde deelnemingen, die niet zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5 te worden verwerkt ofwel:

(a)

tegen kostprijs,

of

(b)

in overeenstemming met IAS 39

Dezelfde administratieve verwerking dient te worden toegepast op elke categorie investeringen. Investeringen in dochterondernemingen, entiteiten waarover de gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend en geassocieerde deelnemingen die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop), overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5, dienen overeenkomstig diezelfde International Financial Reporting Standard te worden verwerkt.

Alinea 39 wordt als volgt gewijzigd:

39.

Investeringen in dochterondernemingen, in entiteiten waarover de gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend en geassocieerde deelnemingen die overeenkomstig IAS 39 administratief worden verwerkt in de geconsolideerde jaarrekening, dienen op dezelfde wijze te worden verwerkt in de enkelvoudige jaarrekening van de belegger.

Alinea 40(a) en (b) wordt verwijderd.

C7

IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 13 wordt als volgt gewijzigd:

13.

Een investering in een geassocieerde deelneming dient te worden verwerkt volgens de „equity”-methode, behalve:

(a)

wanneer de investering is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.

(b)

…

Alinea 14 wordt als volgt gewijzigd:

14.

De in alinea 13(a) beschreven investeringen dienen overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5 te worden verwerkt.

Alinea 15 wordt gewijzigd en luidt, nadat de verwijzing naar IAS 22 Bedrijfscombinaties in de International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties is verwijderd, als volgt:

15.

Wanneer een investering in een geassocieerde deelneming, die voorheen was geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, niet langer beantwoordt aan de criteria voor deze indeling, dient ze te worden verwerkt volgens de „equity”-methode vanaf de datum waarop ze is geclassifceerd als aangehouden voor verkoop. De jaarrekeningen dienen overeenkomstig te worden aangepast voor de verslagperioden sinds de toepassing van de classificatie als aangehouden voor verkoop.

Alinea 16 wordt verwijderd.

Alinea 38 wordt als volgt gewijzigd:

38.

…informatieverschaffing. Het aandeel van de belegger in eventuele beëindigde bedrijfsactiviteiten van dergelijke geassocieerde deelnemingen dient eveneens afzonderlijk te worden vermeld.

C8

IAS 31 Belangen in joint ventures wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 2(a) wordt als volgt gewijzigd:

(a)

het belang is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten;

Alinea 42 wordt als volgt gewijzigd:

42.

Belangen in entiteiten waarover de gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5, dienen volgens die standaard te worden verwerkt.

Alinea 43 wordt gewijzigd en luidt, nadat de verwijzing naar IAS 22 Bedrijfscombinaties in de International Financial Reporting Standard 3 is verwijderd, als volgt:

43.

Wanneer een belang in een entiteit waarover gezamenlijke zeggenschap wordt uitgeoefend, dat voorheen was geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, niet langer beantwoordt aan de criteria voor deze indeling, dient het te worden verwerkt volgens de proportionele consolidatiemethode of de „equity”-methode vanaf de datum waarop het is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop. De jaarrekeningen dienen overeenkomstig te worden aangepast voor de verslagperioden sinds de toepassing van de classificatie als aangehouden voor verkoop.

Alinea 44 wordt verwijderd.

C9

IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa (uitgegeven in 1998)wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 1 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Deze standaard moet worden toegepast bij de administratieve verwerking van alle activa die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan, met uitzondering van:

(a)

…

(f)

… (zie IAS 40 Vastgoedbeleggingen);

(g)

… (zie IAS 41 Landbouw);

en

(h)

vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.

Alinea 2 wordt als volgt gewijzigd:

2.

Deze standaard is niet van toepassing op voorraden, activa die resulteren uit onderhanden projecten in opdracht van derden, uitgestelde belastingvorderingen of activa die resulteren uit personeelsbeloningen of activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of die zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) aangezien de bestaande standaarden die op deze activa van toepassing zijn reeds specifieke vereisten bevatten voor de opname en waardering van deze activa.

In alinea 5 wordt de definitie van een kasstroomgenererende eenheid als volgt gewijzigd:

Een kasstroomgenererende eenheid is de kleinste identificeerbare groep activa die een instroom van kasmiddelen genereert die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen van andere activa of groepen van activa.

Een voetnoot wordt toegevoegd aan de laatste zin van alinea 9(f) en luidt als volgt:

(*)

Zodra een actief voldoet aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop), is het actief uitgesloten van het toepassingsgebied van IAS 36 en wordt het verwerkt volgens de International Financial Reporting Standard 5.

C10

IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa (herziene versie van 2004)wordt als volgt gewijzigd.

Alle verwijzingen naar de „opbrengstwaarde” zijn vervangen door „reële waarde minus verkoopkosten”.

Alinea 2 wordt als volgt gewijzigd:

2.

Deze standaard moet worden toegepast bij de administratieve verwerking van alle activa die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan, met uitzondering van:

(a)

…

(i)

vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.

Alinea 3 wordt als volgt gewijzigd:

3.

Deze standaard is niet van toepassing op voorraden, activa die resulteren uit onderhanden projecten in opdracht van derden, uitgestelde belastingvorderingen, activa die resulteren uit personeelsbeloningen of activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of die zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) aangezien de bestaande standaarden die op deze activa van toepassing zijn vereisten bevatten voor de opname en waardering van deze activa.

In alinea 6 wordt de definitie van een kasstroomgenererende eenheid als volgt gewijzigd:

Een kasstroomgenererende eenheid is de kleinste identificeerbare groep activa die een instroom van kasmiddelen genereert die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen van andere activa of groepen van activa.

Een voetnoot wordt toegevoegd aan de laatste zin van alinea 12(f) en luidt als volgt:

(*)

Zodra een actief voldoet aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop), is het actief uitgesloten van het toepassingsgebied van de standaard en wordt het verwerkt volgens de International Financial Reporting Standard 5.

C11

In IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa wordt alinea 9 als volgt gewijzigd:

9.

Deze standaard is van toepassing op voorzieningen voor reorganisaties (met inbegrip van beëindigde bedrijfsactiviteiten). Wanneer een reorganisatie voldoet aan de definitie van een beëindigde bedrijfsactiviteit, kan op grond van IAS 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten, aanvullende informatie zijn vereist.

C12

IAS 38 Immateriële activa (uitgegeven in 1998) (*1) wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 2 wordt als volgt gewijzigd:

2.

…Deze standaard is bijvoorbeeld niet van toepassing op:

(a)

…

(e)

…;

(f)

… en waardering);

en

(g)

vaste immateriële activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of die zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.

Alinea 79 wordt als volgt gewijzigd:

79.

… Afschrijvingen dienen te worden beëindigd op de datum waarop het actief is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of wanneer het is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten of op de datum waarop het actief niet langer in de balans wordt opgenomen, als deze datum voorafgaat aan de eerste.

Alinea 106 wordt als volgt gewijzigd:

106.

Afschrijvingen van het immaterieel actief worden niet beëindigd wanneer het niet langer wordt gebruikt, tenzij het actief volledig is afgeschreven, of is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of wanneer het is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop), overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5.

Alinea 107(e) (ii) wordt als volgt gewijzigd:

(ii)

activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop of zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5) en voor andere wijzen van vervreemding;

C13

IAS 38 Immateriële activa (herziene versie van 2004)wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 3 wordt als volgt gewijzigd:

3.

… Deze standaard is bijvoorbeeld niet van toepassing op:

(a)

…

(h)

vaste immateriële activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of die zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.

Alinea 97 wordt als volgt gewijzigd:

97.

… Afschrijvingen dienen te worden beëindigd op de datum waarop het actief is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of wanneer het is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten of op de datum waarop het actief niet langer in de balans wordt opgenomen, als deze datum voorafgaat aan de eerste.

Alinea 117 wordt als volgt gewijzigd:

117.

Afschrijvingen van een immaterieel actief met een beperkte gebruiksduur worden niet beëindigd wanneer het immaterieel actief niet langer wordt gebruikt, tenzij het actief volledig is afgeschreven, of is geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop), overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5.

Alinea 118(e) (ii) wordt als volgt gewijzigd:

(ii)

activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop of zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5) en voor andere wijzen van vervreemding;

C14

IAS 40 Vastgoedbeleggingen, herziene versie van 2003, wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 9(a) wordt als volgt gewijzigd:

(a)

vastgoed dat bestemd is voor verkoop in het kader van de normale bedrijfsvoering.

Alinea 56 wordt als volgt gewijzigd:

56.

Na de eerste opname, dient een entiteit die voor het kostprijsmodel heeft gekozen al haar vastgoedbeleggingen te waarderen overeenkomstig de vereisten in IAS 16 voor dat model, met uitzondering van dat vastgoed dat voldoet aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of die zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig IFRS 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten Vastgoedbeleggingen die voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of die zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) dienen overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5 te worden gewaardeerd.

Alinea 76(c) wordt als volgt gewijzigd:

(c)

activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop of zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5) en voor andere wijzen van vervreemding;

Alinea 79(d)(iii) wordt als volgt gewijzigd:

(iii)

activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop of zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5) en voor andere wijzen van vervreemding;

C15

IAS 41 Landbouw wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 30 wordt als volgt gewijzigd:

30.

Verondersteld wordt dat de reële waarde van een biologisch actief betrouwbaar kan worden gewaardeerd. Deze veronderstelling kan echter alleen bij de eerste opname worden weerlegd voor een biologisch actief waarvoor geen door de markt bepaalde prijzen of marktwaarden beschikbaar zijn en waarvoor alternatieve schattingen van de reële waarde als duidelijk onbetrouwbaar worden beschouwd. In een dergelijk geval dient dit biologisch actief te worden gewaardeerd tegen zijn kostprijs minus de geaccumuleerde afschrijving en geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingsverliezen. Zodra de reële waarde van een dergelijk biologisch actief betrouwbaar kan worden gewaardeerd, dient een entiteit het te waarderen tegen zijn reële waarde minus de geschatte kosten van het verkooppunt. Wanneer een biologisch actief eenmaal voldoet aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten, wordt verondersteld dat de reële waarde op betrouwbare wijze kan worden gewaardeerd.

Alinea 50(c) wordt als volgt gewijzigd:

(c)

verminderingen die toerekenbaar zijn aan verkopen en biologische activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of die zijn opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5;

C16

IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 12(b) wordt als volgt gewijzigd:

(b)

op grond van alinea 26 tot en met 34B is retrospectieve toepassing van enkele aspecten van andere International Financial Reporting Standards niet toegestaan.

Alinea 26 wordt als volgt gewijzigd:

26.

Deze International Financial Reporting Standard verbiedt retrospectieve toepassing van een aantal bepalingen van andere International Financial Reporting Standards met betrekking tot:

(a)

…

(b)

de administratieve verwerking van afdekkingstransacties (alinea 28 tot en met 30);

(c)

schattingen (alinea 31 tot en met 34);

en

(d)

activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.

Alinea 34A wordt als volgt toegevoegd:

34A.

De International Financial Reporting Standard 5 vereist dat deze op prospectieve wijze dient te worden toegepast op vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en bedrijfsactiviteiten die voldaan aan de criteria om te worden geclassificeerd als beëindigde bedrijfsactiviteiten, na de ingangsdatum van de International Financial Reporting Standard. International Financial Reporting Standard 5 geeft een entiteit toestemming om de vereisten van de International Financial Reporting Standard toe te passen op alle vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en op bedrijfsactiviteiten die voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als beëindigde bedrijfsactiviteiten, op elke datum die anterieur is aan de ingangsdatum van de International Financial Reporting Standard, op voorwaarde dat de waarderingen en andere informatie die nodig is om de International Financial Reporting Standard toe te passen beschikbaar waren op het tijdstip waaraan voor het eerst aan die criteria werd voldaan.

Alinea 34B wordt als volgt toegevoegd:

34B.

Een entiteit waarvan de overgangsdatum naar de International Financial Reporting Standards anterieur is aan 1 januari 2005, dient de overgangsbepalingen van International Financial Reporting Standard 5 toe te passen. Een entiteit met een overgangsdatum naar de International Financial Reporting Standards die op of na 1 januari 2005 valt, dient de International Financial Reporting Standard 5 op retrospectieve wijze toe te passen.

C17

IAS 3 Bedrijfscombinaties wordt als volgt gewijzigd.

Alinea 36 wordt als volgt gewijzigd:

36.

De overnemende partij dient op de overnamedatum de kostprijs van een bedrijfscombinatie toe te rekenen door de identificeerbare activa, de verplichtingen en de voorwaardelijke verplichtingen, die voldoen aan de opnamecriteria van alinea 37, van de overgenomen partij op te nemen tegen reële waarde op die datum, met uitzondering van vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) die worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.Deze dienen tegen reële waarde minus verkoopkosten te worden opgenomen. Elk verschil…

Alinea 75(b) en (d) wordt als volgt gewijzigd:

(b)

aanvullende goodwill die gedurende de periode is opgenomen, met uitzondering van goodwill die is opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten, welke bij overname voldoet aan de criteria om te worden geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, in overeenstemming met de International Financial Reporting Standard 5;

(d)

goodwill die is opgenomen in een groep activa die afgestoten wordt geclassificeerd als aangehouden voor verkoop, overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5, en goodwill die tijdens de periode niet langer wordt opgenomen, zonder voorheen te zijn opgenomen in een groep activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop;

C18

In de International Financial Reporting Standards, met inbegrip van de International Accounting Standards en Interpretaties die op 31 maart 2004 van toepassing zijn, zijn verwijzingen naar „beëindiging van bedrijfsactiviteiten” vervangen door verwijzigingen naar „beëindigde bedrijfsactiviteiten”.


(*1)  Volgens wijzigingen in IAS 16, versie 2003.

INTERNATIONAL ACCOUNTING STANDARD 36

Bijzondere waardevermindering van activa

INHOUD

Doel 1
Toepassingsgebied 2-5
Definities 6
Identificatie van een actief dat mogelijk een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan 7-17
Waardering van de realiseerbare waarde 18-57
Waardering van de realiseerbare waarde van een immaterieel actief met een onbeperkte gebruiksduur 24
Reële waarde minus verkoopkosten 25-29
Bedrijfswaarde 30-57
Grondslag voor schattingen van toekomstige kasstromen 33-38
Samenstelling voor schattingen van toekomstige kasstromen 39-53
Toekomstige kasstromen in vreemde valuta 54
Disconteringsvoet 55-57
Opname en waardering van een bijzonder waardeverminderingsverlies 58-64
Kasstroomgenererende eenheden en goodwill 65-108
Identificatie van de kasstroomgenererende eenheid waartoe een actief behoort 66-73
Realiseerbare waarde en boekwaarde van een kasstroomgenererende eenheid 74-103
Goodwill 80-99
Toerekening van goodwill aan kasstroomgenererende eenheden 80-87
Onderzoek van kasstroomgenererende eenheden met goodwill op bijzondere waardevermindering. 88-90
Minderheidsbelang 91-95
Tijdsbepaling voor het toetsen van bijzondere waardevermindering 96-99
Algemene bedrijfsactiva 100-103
Bijzonder waardeverminderingsverlies voor een kasstroomgenererende eenheid 104-108
Terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies 109-125
Terugboeken van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor een afzonderlijk actief 117-121
Terugboeken van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor een kasstroomgenererende eenheid 122-123
Terugboeken van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor goodwill 124-125
Informatieverschaffing 126-137
Gehanteerde schattingen om de realiseerbare waarde van kasstroomgenererende eenheden te waarderen waarin goodwill of immateriële activa met een onbeperkte gebruiksduur zijn opgenomen 134-137
Overgangsbepalingen en ingangsdatum 138-140
Intrekking van IAS 36 (uitgegeven in 1998) 141

Deze herziene Standaard vervangt IAS 36 (1998) Bijzondere waardevermindering van activa en dient te worden toegepast:

(a)

bij overname op goodwill en immateriële activa verworven in bedrijfscombinaties waarvan de datum van overeenkomst op of na 31 maart 2004 valt.

(b)

op alle andere activa voor verslagperioden die op of na 31 maart 2004 aanvangen.

Eerdere toepassing wordt aangemoedigd.

DOEL

1.

Het doel van deze standaard is voor te schrijven welke procedures een entiteit dient toe te passen zodat haar activa niet tegen een hoger bedrag worden geboekt dan hun realiseerbare waarde. Een actief wordt geboekt tegen een hoger bedrag dan zijn realiseerbare waarde als zijn boekwaarde hoger ligt dan het bedrag dat uit het gebruik of de verkoop van het actief kan worden gerealiseerd. Als dit het geval is, heeft het actief een bijzondere waardevermindering ondergaan en schrijft deze standaard voor dat de entiteit een bijzonder waardeverminderingsverlies dient op te nemen. De standaard behandelt eveneens wanneer een entiteit een bijzonder waardeverminderingsverlies dient terug te boeken en welke informatie moet worden gepresenteerd.

TOEPASSINGSGEBIED

2.

Deze standaard moet worden toegepast bij de administratieve verwerking van alle activa die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan, met uitzondering van:

(a)

voorraden (zie IAS 2 Voorraden);

(b)

activa die resulteren uit onderhanden projecten in opdracht van derden (zie IAS 11 Onderhanden projecten in opdracht van derden);

(c)

uitgestelde belastingvorderingen (zie IAS 12 Winstbelastingen);

(d)

activa die resulteren uit personeelsbeloningen (zie IAS 19 Personeelsbeloningen);

(e)

financiële activa die binnen het toepassingsgebied vallen van IAS 39 Financiële instrumenten:opname en waardering;

(f)

vastgoedbeleggingen die tegen reële waarde worden gewaardeerd (zie IAS 40 Vastgoedbeleggingen);

(g)

biologische activa die verband houden met agrarische activiteiten en die gewaardeerd worden tegen reële waarde minus de geschatte kosten van het verkooppunt (zie IAS 41 Landbouw);

(h)

uitgestelde acquisitiekosten en immateriële activa die voortvloeien uit contractuele verzekeringsrechten ingevolge verzekeringscontracten welke binnen het toepassingsgebied van de International Financial Reporting Standard 4 Verzekeringscontracten vallen;

en

(i)

vaste activa (of groepen activa die worden afgestoten) geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.

3.

Deze standaard is niet van toepassing op voorraden, activa die resulteren uit onderhanden projecten in opdracht van derden, uitgestelde belastingvorderingen of activa die resulteren uit personeelsbeloningen of activa geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of behorend tot een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) aangezien de bestaande standaarden die op deze activa moeten worden toegepast vereisten bevatten voor de opname en waardering van deze activa.

4.

Deze standaard is van toepassing op financiële activa ingedeeld als:

(a)

dochterondernemingen zoals gedefinieerd in IAS 27 Geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening;

(b)

geassocieerde deelnemingen, zoals gedefinieerd in IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen;

en

(c)

joint ventures, zoals gedefinieerd in IAS 31 Belangen in joint ventures.

Voor de bijzondere waardevermindering van andere financiële activa wordt verwezen naar IAS 39.

5.

Deze standaard is niet van toepassing op financiële activa die binnen het toepassingsgebied van IAS 39 vallen, noch op vastgoedbeleggingen gewaardeerd tegen reële waarde overeenkomstig IAS 40 en evenmin op biologische activa die verband houden met een agrarische activiteit die tegen reële waarde worden gewaardeerd minus de geschatte kosten van het verkooppunt volgens IAS 41. Deze standaard is echter van toepassing op activa die tegen het geherwaardeerde bedrag (dat wil zeggen de reële waarde) worden geboekt overeenkomstig andere standaarden, zoals het herwaarderingsmodel in IAS 16 Materiële vaste activa. De bepaling of een geherwaardeerd actief mogelijk een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, is afhankelijk van de grondslag die werd gehanteerd om de reële waarde te bepalen:

(a)

als de reële waarde van het actief zijn marktwaarde is, is het enige verschil tussen de reële waarde van het actief en zijn reële waarde verminderd met verkoopkosten, de directe marginale kosten voor de vervreemding van het actief:

(i)

als de verkoopkosten verwaarloosbaar zijn, ligt de realiseerbare waarde van het geherwaardeerde actief per definitie in de buurt van, of is deze groter dan het geherwaardeerde bedrag (dat wil zeggen reële waarde). In dit geval is het, na toepassing van de herwaarderingsvereisten, onwaarschijnlijk dat het geherwaardeerde actief een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, en hoeft de realiseerbare waarde niet te worden geschat.

(ii)

als de verkoopkosten niet verwaarloosbaar zijn, ligt de reële waarde minus de verkoopkosten van het geherwaardeerde actief per definitie onder de reële waarde. Daarom heeft het geherwaardeerde actief een bijzondere waardevermindering ondergaan als zijn bedrijfswaarde lager is dan zijn geherwaardeerde waarde (dat wil zeggen reële waarde). In dit geval past een entiteit, na toepassing van de herwaarderingsvereisten, deze standaard toe om te bepalen of het actief mogelijk een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan.

(b)

als de reële waarde van het actief op een andere grondslag wordt bepaald dan zijn marktwaarde, kan zijn geherwaardeerde waarde (dat wil zeggen reële waarde) hoger of lager zijn dan zijn realiseerbare waarde. Na toepassing van de herwaarderingsvereisten, past een entiteit bijgevolg deze standaard toe om te bepalen of het actief mogelijk een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan.

DEFINITIES

6.

De volgende begrippen worden in deze standaard gebruikt met de hierna omschreven betekenis:

Een actieve markt is een markt die voldoet aan de volgende voorwaarden:

(a)

de goederen die op de markt worden verhandeld zijn homogeen;

(b)

er kunnen normaliter op elk moment kopers en verkopers worden gevonden;

en

(c)

de prijzen zijn beschikbaar voor het publiek.

De datum van overeenkomst voor een bedrijfscombinatie is de datum waarop door de verenigde partijen een substantiële overeenkomst is bereikt die, bij beursgenoteerde entiteiten, publiekelijk wordt bekendgemaakt. In geval van agressieve overname is de vroegste datum waarop een substantiële overeenkomst is bereikt tussen verenigde partijen de datum waarop een voldoende aantal eigenaren van de overgenomen partij het aanbod van de overnemende partij heeft geaccepteerd om aan de overnemende partij de zeggenschap van de overgenomen partij over te dragen.

De boekwaarde is het bedrag waarvoor een actief opgenomen wordt, na aftrek van eventuele daarop geaccumuleerde afschrijvingen en geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingsverliezen.

Een kasstroomgenererende eenheid is de kleinste identificeerbare groep van activa die een instroom van kasmiddelen genereert die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen van andere activa of groepen van activa.

Algemene bedrijfsactiva zijn activa, met uitzondering van goodwill, die bijdragen tot de toekomstige kasstromen van zowel de te beoordelen kasstroomgenererende eenheid en andere kasstroomgenererende eenheden.

Kosten van vervreemding zijn marginale kosten die direct zijn toe te schrijven aan de vervreemding van een actief of van een kasstroomgenererende eenheid, met uitzondering van financieringskosten en lasten uit hoofde van winstbelastingen.

Het af te schrijven bedrag is de kostprijs van een actief, of een ander bedrag dat in de jaarrekening de kostprijs vervangt, verminderd met zijn restwaarde.

Afschrijving is de systematische toerekening van het af te schrijven bedrag van een actief over zijn gebruiksduur.

De reële waarde minus de verkoopkosten is het bedrag dat kan worden verkregen uit de verkoop van een actief of een kasstroomgenererende eenheid in een transactie tussen (onafhankelijke) partijen op zakelijke en objectieve grondslag tussen goed ingelichte partijen waartussen wilsovereenstemming bestaat, na aftrek van de vervreemdingskosten.

Een bijzonder waardeverminderingsverlies is het bedrag waarmee de boekwaarde van een actief of een kasstroomgenererende eenheid zijn realiseerbare waarde overtreft.

De realiseerbare waarde van een actief of een kasstroomgenererende eenheid is de hoogste waarde van de reële waarde minus de verkoopkosten en zijn bedrijfswaarde.

De gebruiksduur is ofwel:

(a)

de periode waarin de entiteit het actief verwacht te gebruiken;

ofwel

(b)

het aantal productie- of vergelijkbare eenheden dat de entiteit van het actief verwacht te verkrijgen.

De bedrijfswaarde is de contante waarde van de kasstromen die verwacht worden voort te komen uit een actief of een kasstroomgenererende eenheid.

IDENTIFICATIE VAN EEN ACTIEF DAT MOGELIJK EEN BIJZONDERE WAARDEVERMINDERING HEEFT ONDERGAAN

7.

In alinea’s 8 tot en met 17 wordt uiteengezet wanneer de realiseerbare waarde moet worden bepaald. Deze vereisten hanteren het begrip „een actief”, maar zijn evenzeer van toepassing op een afzonderlijk actief of een kasstroomgenererende eenheid. De rest van deze standaard is als volgt samengesteld:

(a)

in alinea 18 tot en met 57 worden de vereisten uiteengezet voor de waardering van de realiseerbare waarde. Deze vereisten hanteren ook het begrip „een actief”, maar zijn zowel van toepassing op een afzonderlijk actief als op een kasstroomgenererende eenheid.

(b)

in alinea 58 tot en met 108 worden de vereisten uiteengezet voor de opname en waardering van bijzondere waardeverminderingsverliezen. De opname en waardering van bijzondere waardeverminderingsverliezen voor individuele activa die geen goodwill zijn, worden behandeld in alinea 58 tot en met 64. In alinea’s 65 tot en met 108 worden de opname en waardering van bijzondere waardeverminderingsverliezen voor kasstroomgenererende eenheden en goodwill behandeld.

(c)

In alinea’s 109 tot en met 116 worden de vereisten uiteengezet voor de terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies dat in voorgaande perioden is opgenomen voor een actief of een kasstroomgenererende eenheid. Deze vereisten hanteren opnieuw het begrip „een actief”, maar zijn evenzeer van toepassing op een afzonderlijk actief of een kasstroomgenererende eenheid. Aanvullende vereisten voor een individueel actief zijn uiteengezet in alinea 117 tot en met 121, voor een kasstroomgenererende eenheid in alinea 122 tot en met 123 en voor goodwill in alinea 124 tot en met 125.

(d)

In alinea’s 126 tot en met 133 wordt vermeld welke informatie verschaft dient te worden over bijzondere waardeverminderingsverliezen en terugboeking van bijzondere waardeverminderingsverliezen voor activa en kasstroomgenererende eenheden. Alinea’s 134 tot en met 137 vermelden aanvullende vereisten inzake informatieverschaffing voor kasstroomgenererende eenheden waaraan goodwill of immateriële activa met onbeperkte gebruiksduur zijn toegerekend om te onderzoeken of er sprake is van bijzondere waardevermindering.

8.

Een actief is aan een bijzondere waardevermindering onderhevig indien zijn boekwaarde hoger is dan zijn realiseerbare waarde. In alinea’s 12 tot en met 14 worden enkele indicaties beschreven die wijzen op een mogelijk bijzonder waardeverminderingsverlies. Als een van deze indicaties zich voordoet, is een entiteit vereist om een formele schatting te maken van de realiseerbare waarde. Deze standaard vereist niet dat een entiteit een formele schatting maakt van de realiseerbare waarde indien er geen aanwijzingen bestaan die duiden op een bijzonder waardeverminderingsverlies, behalve wanneer hetgeen vermeldt staat in alinea 10 van toepassing is.

9.

Een entiteit dient op elke verslagdatum te beoordelen of er een indicatie is die wijst op een mogelijke bijzondere waardevermindering van een actief. Indien een dergelijke indicatie bestaat, dient de entiteit de realiseerbare waarde van het actief te schatten.

10.

Een entiteit dient ook, ongeacht of er aanwijzingen bestaan voor een bijzondere waardevermindering:

(a)

jaarlijks te onderzoeken of een immaterieel actief met een onbeperkte gebruiksduur of een immaterieel actief dat nog niet gebruiksklaar is niet een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, door zijn boekwaarde met zijn realiseerbare waarde te vergelijken. Dit onderzoek op bijzondere waardevermindering kan op elk willekeurig ogenblik in de verslagperiode worden uitgevoerd, onder voorwaarde dat de toets elk jaar op hetzelfde tijdstip wordt uitgevoerd. Verschillende immateriële activa kunnen op verschillende tijdstippen worden onderzocht op bijzondere waardevermindering. Indien echter de eerste opname van een dergelijk immaterieel actief tijdens de lopende verslagperiode heeft plaatsgevonden, dient vóór het einde van de lopende verslagperiode onderzocht te worden of het immaterieel actief een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan.

(b)

jaarlijks te onderzoeken of goodwill die in het kader van een bedrijfscombinatie is verworven een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, overeenkomstig de alinea’s 80 tot en met 99.

11.

Over het vermogen van een immaterieel actief om zodanige toekomstige economische voordelen te genereren dat de boekwaarde gerealiseerd kan worden, bestaat doorgaans meer onzekerheid wanneer het actief niet gebruiksklaar is dan wanneer dit wel het geval is. Daarom vereist deze standaard dat een entiteit ten minste jaarlijks de boekwaarde van een immaterieel actief dat nog niet gebruiksklaar is toetst op bijzondere waardevermindering.

12.

Bij de beoordeling of er indicaties zijn die wijzen op een mogelijke bijzondere waardevermindering van een actief, dient een entiteit ten minste de volgende indicaties in aanmerking te nemen:

Externe informatiebronnen

(a)

gedurende de verslagperiode is de marktwaarde van een actief beduidend meer gedaald dan verwacht zou mogen worden als gevolg van het verstrijken van de tijd of normaal gebruik.

(b)

belangrijke veranderingen met een nadelig effect op de entiteit hebben zich gedurende de verslagperiode voorgedaan of zullen zich in de nabije toekomst voordoen in de markt, de technologische, economische of juridische omgeving waarin de entiteit actief is dan wel in de markt waaraan een actief dienstbaar is.

(c)

marktrentevoeten of andere marktpercentages voor het rendement van beleggingen zijn gedurende de verslagperiode gestegen en zullen naar verwachting invloed hebben op de disconteringsvoet die wordt gebruikt voor de berekening van de bedrijfswaarde van een actief, en de realiseerbare waarde van het actief materieel verlagen.

(d)

de boekwaarde van de nettoactiva van de entiteit is hoger dan haar marktkapitalisatie.

Interne informatiebronnen

(e)

er zijn duidelijke aanwijzingen van economische veroudering van of fysieke schade aan een actief

(f)

belangrijke veranderingen met een nadelig effect op de entiteit hebben zich in de verslagperiode voorgedaan of zullen zich naar verwachting in de nabije toekomst voordoen, in de mate waarin of de manier waarop een actief wordt gebruikt of naar verwachting zal worden gebruikt. Deze veranderingen zijn onder meer het actief dat niet langer gebruikt wordt, plannen om de bedrijfsactiviteit waartoe een actief behoort te beëindigen of te reorganiseren, plannen om een actief te vervreemden op een eerdere datum dan verwacht en herbeoordelen van de gebruiksduur van een actief als beperkt eerder dan als onbeperkt  (*1) .

(g)

uit interne rapportering blijkt duidelijk dat de economische prestaties van een actief beduidend minder (zullen) zijn dan verwacht.

13.

De lijst in alinea 12 is niet exhaustief. Een entiteit kan andere indicaties in aanmerking nemen die wijzen op een mogelijke bijzondere waardevermindering van een actief. Ook in dit geval is de entiteit vereist om de realiseerbare waarde van het actief te bepalen. In geval van goodwill dient de entiteit te onderzoeken of er sprake is van een bijzondere waardevermindering overeenkomstig alinea’s 80 tot en met 99.

14.

Bewijzen uit interne rapportering die wijzen op een mogelijke bijzondere waardevermindering van een actief, zijn onder meer het bestaan van:

(a)

kasstromen voor de verwerving van het actief, of de verdere behoeften aan kasstromen voor de werking of het onderhoud ervan, die aanzienlijk hoger liggen dan aanvankelijk begroot;

(b)

werkelijke nettokasstromen of exploitatiewinst of -verlies uit het actief die beduidend slechter zijn dan gebudgetteerd;

(c)

een aanzienlijke afname in de gebudgetteerde nettokasstromen of exploitatiewinst, of een aanzienlijke toename in het gebudgetteerde verlies uit het actief;

of

(d)

exploitatieverliezen of de uitstroom van nettokasmiddelen voor het actief wanneer de bedragen voor de lopende verslagperiode worden opgeteld bij de gebudgetteerde bedragen voor de toekomst.

15.

Zoals in alinea 10 staat vermeld vereist deze standaard dat ten minste één keer per jaar een immaterieel actief met een onbeperkte gebruiksduur of dat nog niet gebruiksklaar is en goodwill getest worden op bijzondere waardevermindering. Behalve wanneer de vereisten in alinea 10 van toepassing zijn, dient bij de vraag of het noodzakelijk is de realiseerbare waarde van een actief te schatten het begrip materialiteit in aanmerking te worden genomen. Als vorige berekeningen bijvoorbeeld aantonen dat de realiseerbare waarde van een actief aanzienlijk hoger ligt dan zijn boekwaarde, hoeft de entiteit de realiseerbare waarde van het actief niet opnieuw te schatten als er inmiddels geen gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die dat verschil zouden wegnemen. Ook kan uit een vorige analyse blijken dat de realiseerbare waarde van een actief niet gevoelig is voor een (of meer) indicaties die in alinea 12 worden opgesomd.

16.

Als illustratie van alinea 15, als de marktrente of andere marktpercentages voor het rendement van beleggingen tijdens de verslagperiode zijn gestegen, hoeft een entiteit in de volgende gevallen geen formele schatting te maken van de realiseerbare waarde van een actief:

(a)

als het onwaarschijnlijk is dat de disconteringsvoet die wordt gebruikt om de bedrijfswaarde van het actief te berekenen, invloed zal ondervinden van de stijging in deze marktpercentages. Stijgingen van de kortetermijnrente hebben bijvoorbeeld mogelijk geen materieel effect op de disconteringsvoet die wordt gehanteerd voor een actief met een lange resterende gebruiksduur.

(b)

als het waarschijnlijk is dat de disconteringsvoet die wordt gebruikt om de bedrijfswaarde van het actief te berekenen, invloed zal ondervinden van de stijging in deze marktpercentages, maar een voorgaande gevoeligheidsanalyse van de realiseerbare waarde aantoont dat:

(i)

het onwaarschijnlijk is dat de realiseerbare waarde materieel zal afnemen omdat het ook waarschijnlijk is dat de toekomstige kasstromen zullen toenemen (bijvoorbeeld in sommige gevallen kan een entiteit in staat zijn om aan te tonen dat zij haar opbrengsten aanpast om eventuele rentestijgingen te compenseren);

of

(ii)

het onwaarschijnlijk is dat de daling van de realiseerbare waarde zal leiden tot een materieel bijzonder waardeverminderingsverlies.

17.

Als er een indicatie is dat een actief mogelijk een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, kan dit erop wijzen dat de resterende gebruiksduur, de afschrijvingsmethode of de restwaarde voor het actief moet worden beoordeeld en aangepast volgens de standaard die op het actief van toepassing is, zelfs indien er voor het actief geen bijzonder waardeverminderingsverlies is opgenomen.

WAARDERING VAN DE REALISEERBARE WAARDE

18.

In deze standaard wordt realiseerbare waarde gedefinieerd als de hoogste waarde van de reële waarde minus de verkoopkosten of de bedrijfswaarde van een actief of een kasstroomgenererende eenheid. In alinea’s 19 tot en met 57 worden de vereisten uiteengezet voor de waardering van de realiseerbare waarde. Deze vereisten hanteren het begrip „een actief”, maar zijn evenzeer van toepassing op een afzonderlijk actief of een kasstroomgenererende eenheid.

19.

Het is niet altijd noodzakelijk om zowel de reële waarde verminderd met de verkoopkosten als de bedrijfswaarde van een actief te bepalen. Als geen van deze waarden de boekwaarde van het actief overtreft, heeft het actief geen bijzondere waardevermindering ondergaan en is het bijgevolg niet nodig om de andere waarde te schatten.

20.

Het kan mogelijk zijn om de reële waarde minus de verkoopkosten van een actief te bepalen, zelfs als het niet op een actieve markt wordt verhandeld. Soms zal het echter niet mogelijk zijn om de reële waarde minus de verkoopkosten te bepalen omdat er geen grondslag voorhanden is om een betrouwbare schatting te maken van het bedrag dat uit de verkoop van het actief zou kunnen worden verkregen in een zakelijke objectieve transactie tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn. In dit geval kan een entiteit zich baseren op de bedrijfswaarde en de realiseerbare waarde van het actief.

21.

Als er geen redenen zijn om aan te nemen dat de bedrijfswaarde van een actief zijn reële waarde minus verkoopkosten materieel overtreft, mag de reële waarde minus de verkoopkosten van het actief worden gebruikt als zijn realiseerbare waarde. Dit zal vaak het geval zijn voor activa die worden gehouden met het oog op vervreemding. De reden hiervoor is dat de bedrijfswaarde van een actief dat gehouden wordt voor vervreemding hoofdzakelijk zal bestaan uit de nettoverkoopopbrengsten, aangezien de toekomstige kasstromen uit het voortgezette gebruik van het actief tot zijn vervreemding waarschijnlijk verwaarloosbaar zullen zijn.

22.

De realiseerbare waarde wordt bepaald voor een afzonderlijk actief, tenzij het actief geen instroom van kasmiddelen genereert die in ruime mate onafhankelijk is van die van andere activa of groepen activa. Indien dit het geval is, wordt de realiseerbare waarde bepaald voor de kasstroomgenererende eenheid waartoe het actief behoort (zie alinea’s 65 tot en met 103), tenzij:

(a)

de reële waarde minus verkoopkosten van het actief hoger is dan zijn boekwaarde;

of

(b)

de bedrijfswaarde van het actief kan worden geschat op een bedrag dat nauw aanleunt bij zijn reële waarde minus verkoopkosten en het mogelijk is om de reële waarde minus verkoopkosten te bepalen.

23.

In sommige gevallen kunnen schattingen, gemiddelden en verkorte berekeningen een betrouwbare benadering vormen van de gedetailleerde berekeningen die in deze standaard worden geïllustreerd voor de bepaling van de reële waarde minus verkoopkosten of de bedrijfswaarde.

Waardering van de realiseerbare waarde van een immaterieel actief met een onbeperkte gebruiksduur

24.

Alinea 10 vereist dat een immaterieel actief met een onbeperkte gebruiksduur jaarlijks zal worden getest op een bijzondere waardevermindering, door zijn boekwaarde met zijn realiseerbare waarde te vergelijken, ongeacht van de vraag of er eventueel aanwijzingen voor een bijzondere waardevermindering bestaan. De recentste gedetailleerde berekening van de realiseerbare waarde van een dergelijk actief die in een voorgaande verslagperiode gemaakt is mag voor het actief dat op bijzondere waardevermindering wordt onderzocht in de lopende verslagperiode worden gebruikt, op voorwaarde dat aan alle onderstaande criteria wordt voldaan:

(a)

indien het immaterieel actief geen instromen van kasmiddelen genereert uit voortgezet gebruik die in ruime mate onafhankelijk zijn van andere activa of groepen activa en het actief bijgevolg, als onderdeel van de kasstroomgenererende eenheid waartoe het behoort, getest wordt op bijzondere waardevermindering, zijn de activa en verplichtingen waaruit deze eenheid is samengesteld sinds de laatst gemaakte berekening van de realiseerbare waarde niet in belangrijke mate gewijzigd.

(b)

de recentste berekening van de realiseerbare waarde resulteerde in een bedrag dat de boekwaarde van het actief met een substantieel marge overtrof;

en

(c)

wanneer op basis van een analyse van gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan en omstandigheden die zijn gewijzigd sinds de recentste berekening van de realiseerbare waarde, het onwaarschijnlijk is dat een actuele berekening van de realiseerbare waarde geringer uitvalt dan de boekwaarde van het actief.

Reële waarde minus verkoopkosten

25.

De beste indicatie voor de reële waarde minus verkoopkosten van een actief is een prijs in een bindende verkoopovereenkomst in een transactie tussen (onafhankelijke) partijen op zakelijke en objectieve grondslag, aangepast om rekening te houden met de marginale kosten die direct zouden zijn toe te rekenen aan de vervreemding van het actief.

26.

Als er geen bindende verkoopovereenkomst bestaat, maar het actief op een actieve markt wordt verhandeld, is de reële waarde minus verkoopkosten de marktprijs van het actief verminderd met de kosten van de vervreemding. De aangepaste marktprijs is doorgaans de actuele biedprijs. Als geen actuele biedprijzen beschikbaar zijn, kan de prijs van de recentste transactie een basis verschaffen voor de schatting van de reële waarde minus verkoopkosten, op voorwaarde dat er tussen de datum van de transactie en de datum waarop de schatting gebeurt geen aanzienlijke wijziging in de economische omstandigheden heeft plaatsgevonden.

27.

Als er voor een actief geen bindende verkoopovereenkomst is, noch een actieve markt, wordt de reële waarde minus verkoopkosten gebaseerd op de beste beschikbare informatie om te komen tot het bedrag dat een entiteit op de balansdatum zou kunnen verkrijgen uit de vervreemding van het actief in een transactie tussen (onafhankelijke) partijen op zakelijke en objectieve grondslag tussen goed ingelichte partijen waartussen wilsovereenstemming bestaat, na aftrek van de kosten van de vervreemding. Bij de bepaling van deze waarde, houdt een entiteit rekening met de resultaten van recente transacties voor soortgelijke activa binnen dezelfde bedrijfstak. De reële waarde minus verkoopkosten weerspiegelt geen gedwongen verkoop, tenzij het management zich genoodzaakt ziet om onmiddellijk te verkopen.

28.

Bij de bepaling van de reële waarde minus verkoopkosten worden de kosten van de vervreemding in mindering gebracht, met uitzondering van de kosten die als verplichtingen zijn opgenomen. Voorbeelden van dergelijke kosten zijn juridische kosten, zegelrechten en soortgelijke belastingen op transacties, de kosten voor de verwijdering van het actief en de directe marginale kosten om het actief verkoopklaar te maken. Anderzijds zijn ontslagvergoedingen (zoals gedefinieerd in IAS 19 Personeelsbeloningen) en kosten in verband met de inperking of reorganisatie van een bedrijf na de vervreemding van een actief geen directe marginale kosten die aan de vervreemding van het actief zijn toe te rekenen.

29.

Soms is bij de vervreemding van een actief de koper vereist een verplichting over te nemen, en is slechts één reële waarde minus verkoopkosten beschikbaar voor zowel het actief als de verplichting. In alinea 78 wordt verklaard hoe dergelijke gevallen moeten worden behandeld.

Bedrijfswaarde

30.

De volgende elementen dienen te worden weergegeven in de berekening van de bedrijfswaarde van een actief:

(a)

een schatting van de toekomstige kasstromen die de entiteit verwacht te ontlenen aan het actief;

(b)

verwachtingen met betrekking tot mogelijke wijzigingen in het bedrag of de tijdsbepaling van dergelijke toekomstige kasstromen;

(c)

de tijdwaarde van geld, voorgesteld door de actuele risicovrije marktrentevoet;

(d)

de prijs voor de aan het actief inherente onzekerheid;

en

(e)

andere factoren zoals de afwezigheid van liquiditeit, die marktdeelnemers zouden opnemen in de waardering van toekomstige kasstromen die de entiteit verwacht aan het actief te ontlenen.

31.

Voor het schatten van de bedrijfswaarde van een actief moeten de volgende stappen worden doorlopen:

(a)

een schatting van de toekomstige instroom en uitstroom van kasmiddelen afkomstig uit het voortgezette gebruik van het actief en zijn uiteindelijke vervreemding;

en

(b)

de toepassing van de geëigende disconteringsvoet op deze toekomstige kasstromen.

32.

De in alinea 30(b), (d) en (e) bepaalde elementen kunnen ofwel als aanpassingen op toekomstige kasstromen ofwel als aanpassingen op de disconteringsvoet worden weergegeven. Ongeacht de methode die de entiteit hanteert om de verwachtingen aangaande mogelijke wijzigingen in het bedrag of de tijdsbepaling van toekomstige kasstromen weer te geven, het resultaat dient de verwachte contante waarde van de toekomstige kasstromen te weerspiegelen, dat wil zeggen het gewogen gemiddelde van alle mogelijke resultaten. Bijlage A verstrekt aanvullende leidraden voor de wijze waarop contante waarde technieken toegepast moeten worden in de waardering van de bedrijfswaarde van een actief.

Grondslag voor schattingen van toekomstige kasstromen

33.

Voor de waardering van de bedrijfswaarde dient een entiteit:

(a)

kasstroomprognoses te baseren op redelijke en gefundeerde veronderstellingen die de beste inschatting door het management vertegenwoordigen van de economische omstandigheden die gedurende de resterende gebruiksduur van het actief zullen bestaan. Er dient meer belang te worden gehecht aan externe bewijzen.

(b)

kasstroomprognoses te baseren op de recentste, door het management goedgekeurde financiële budgetten en voorspellingen. Zij dient echter eventuele toekomstige instromen of uitstromen van kasmiddelen die verwacht worden voort te zullen vloeien uit toekomstige herstructurering of uit verbetering of verhoging van de prestatie van een actief uit te sluiten. Prognoses op basis van deze budgetten/voorspellingen dienen maximaal vijf jaar te beslaan, tenzij een langere periode gerechtvaardigd kan worden.

(c)

kasstroomprognoses te schatten na de periode die door de meest recente budgetten/voorspellingen worden gedekt, door de op de budgetten/voorspellingen gebaseerde prognoses te extrapoleren en daarbij voor de volgende jaren een stabiele of afnemende groei te hanteren, tenzij een groeipercentage gerechtvaardigd kan worden. Dit groeipercentage mag niet hoger liggen dan het gemiddelde groeipercentage op lange termijn voor de producten, de sectoren, het land of de landen waarin de entiteit actief is, of voor de markt waarin het actief wordt gebruikt, tenzij een hoger percentage gerechtvaardigd kan worden.

34.

Het management beoordeelt de redelijkheid van de veronderstellingen waarop de actuele kasstroomprognoses zijn gebaseerd, door de oorzaken van de verschillen tussen kasstroomprognoses uit het verleden en de actuele kasstromen te onderzoeken. Het management dient ervoor te zorgen dat de veronderstellingen waarop haar huidige kasstroomprognoses zijn gebaseerd consistent zijn met de feitelijke resultaten uit het verleden, op voorwaarde dat dit gepast is op grond van latere gebeurtenissen of omstandigheden die zich niet hebben voorgedaan op het moment waarop die feitelijke kasstromen gegenereerd zijn.

35.

Gedetailleerde, expliciete en betrouwbare financiële budgetten/voorspellingen van toekomstige kasstromen over perioden van meer dan vijf jaar, zijn doorgaans niet beschikbaar. Daarom worden de schattingen van het management voor de toekomstige kasstromen gebaseerd op de meest recente budgetten/voorspellingen, met een maximum van vijf jaar. Het management kan kasstroomprognoses gebruiken die gebaseerd zijn op financiële budgetten/voorspellingen over een langere periode dan vijf jaar, als het management ervan overtuigd is dat deze prognoses betrouwbaar zijn en het op basis van ervaringen uit het verleden kan aantonen dat het in staat is om op nauwkeurige wijze kasstromen te voorspellen voor die langere periode.

36.

Kasstroomprognoses tot het einde van de gebruiksduur van een actief worden gedaan door de kasstroomprognoses op basis van de financiële budgetten/voorspellingen te extrapoleren aan de hand van een groeipercentage voor de volgende jaren. Dit percentage is stabiel of neemt af, tenzij een stijging van het percentage aansluit bij objectieve informatie over patronen over de levensduur van een product of sector. Waar dat gepast is, is het groeipercentage nul of negatief.

37.

Wanneer de omstandigheden gunstig zijn, is het waarschijnlijk dat er concurrenten actief worden en de groei beperken. Bijgevolg is het voor entiteiten moeilijk om het gemiddelde historische groeipercentage op lange termijn (ca. twintig jaar) te overtreffen voor de producten, de sectoren, het land of de landen waarin de entiteit actief is, of voor de markt waarin het actief wordt gebruikt.

38.

In haar gebruik van informatie uit financiële budgetten/voorspellingen gaat de entiteit na of de informatie redelijke en gefundeerde veronderstellingen weerspiegelt en de beste schatting van het management vertegenwoordigt in verband met de economische omstandigheden die gedurende de resterende gebruiksduur van het actief zullen bestaan.

Samenstelling voor schattingen van toekomstige kasstromen

39.

Schattingen van toekomstige kasstromen dienen het volgende te omvatten:

(a)

prognoses van de instroom van kasmiddelen uit het voortgezette gebruik van het actief;

(b)

prognoses van de uitstroom van kasmiddelen die onvermijdelijk plaats moeten vinden om de instroom van kasmiddelen uit het voortgezette gebruik van het actief te genereren (met inbegrip van de uitstroom van kasmiddelen om het actief voor te bereiden op zijn gebruik), en direct aan het actief kunnen worden toegeschreven of op redelijke en consistente basis aan het actief kunnen worden toegerekend;

en

(c)

de eventuele te ontvangen (of te betalen) nettokasstromen voor de vervreemding van het actief aan het einde van zijn gebruiksduur.

40.

Schattingen van toekomstige kasstromen en de disconteringsvoet weerspiegelen consistente veronderstellingen over prijsstijgingen toe te schrijven aan algemene inflatie. Als in de disconteringsvoet het effect van prijsstijgingen toe te schrijven aan algemene inflatie is vervat, worden toekomstige kasstromen bijgevolg in nominale termen geschat. Als het effect van prijsstijgingen toe te schrijven aan algemene inflatie niet in de disconteringsvoet is vervat, worden de toekomstige kasstromen in reële termen geschat (maar omvatten ze wel toekomstige specifieke prijsstijgingen of -dalingen).

41.

Prognoses van de uitstroom van kasmiddelen omvatten de dagelijkse onderhoudskosten van het actief alsook de toekomstige overheadkosten die direct aan het gebruik van het actief kunnen worden toegeschreven, of die op een redelijke en consistente basis aan het gebruik van het actief kunnen worden toegerekend.

42.

Indien de boekwaarde van een actief nog niet alle uitstromen van kasmiddelen omvat die moeten plaatsvinden vóór het actief klaar is voor gebruik of verkoop, omvat de schatting van de toekomstige uitstroom van kasmiddelen een schatting van enige verdere uitstroom van kasmiddelen die naar verwachting zal gebeuren vóór het actief klaar is voor gebruik of verkoop. Dit is bijvoorbeeld het geval voor een gebouw in aanbouw, of voor een ontwikkelingsproject dat nog niet is voltooid.

43.

Om dubbeltelling te vermijden, omvatten schattingen van toekomstige kasstromen geen:

(a)

instroom van kasmiddelen uit activa die een instroom van kasmiddelen genereren die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen uit het te beoordelen actief (bijvoorbeeld financiële activa, zoals vorderingen);

en

(b)

uitstroom van kasmiddelen die verband houdt met posten die als verplichtingen zijn opgenomen (bijvoorbeeld te betalen posten, pensioenen of voorzieningen).

44.

Toekomstige kasstromen dienen te worden geschat voor het actief in zijn huidige toestand. Schattingen van toekomstige kasstromen dienen geen geschatte toekomstige instroom of uitstroom van kasmiddelen te omvatten die naar verwachting zullen voortvloeien uit:

(a)

een toekomstige reorganisatie waartoe een entiteit zich nog niet heeft verbonden;

of

(b)

prestatieverbetering of -verhoging van het actief.

45.

Aangezien toekomstige kasstromen worden geschat voor het actief in zijn huidige toestand, weerspiegelt de bedrijfswaarde niet:

(a)

de toekomstige uitstroom van kasmiddelen of gerelateerde kostenbesparingen (bijvoorbeeld verlagingen van de personeelskosten) of voordelen die naar verwachting zullen voortvloeien uit een toekomstige reorganisatie waartoe een entiteit zich nog niet heeft verbonden;

of

(b)

toekomstige uitstroom van kasmiddelen die de prestatie van het actief zal verbeteren of verhogen of de gerelateerde instroom van kasmiddelen die verwacht wordt voort te zullen vloeien uit een dergelijke uitstroom van kasmiddelen.

46.

Een reorganisatie is een programma dat door het management wordt gepland en waarover het management de zeggenschap heeft, en dat tot materiële wijzigingen leidt in hetzij het toepassingsgebied van de activiteiten van een entiteit, hetzij de manier waarop de bedrijfsvoering geschiedt. IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa omvat leidraden die verduidelijken wanneer een entiteit zich tot een reorganisatie verbindt.

47.

Als een entiteit zich tot een reorganisatie verbindt, is het waarschijnlijk dat bepaalde activa door deze reorganisatie zullen worden beïnvloed. Wanneer de entiteit zich eenmaal tot de reorganisatie heeft verbonden:

(a)

weerspiegelen haar schattingen van de toekomstige instroom en uitstroom van kasmiddelen voor de bepaling van de bedrijfswaarde de kostenbesparingen en andere voordelen uit de reorganisatie (op basis van de meest recente financiële budgetten/voorspellingen die door het management goedgekeurde);

en

(b)

worden haar schattingen van de toekomstige uitstroom van kasmiddelen voor de reorganisatie opgenomen in een voorziening voor reorganisatie, overeenkomstig IAS 37.

In voorbeeld 5 wordt het effect van een toekomstige reorganisatie op de berekening van de bedrijfswaarde geïllustreerd.

48.

Tot op het moment dat een entiteit overgaat tot een uitstroom van kasmiddelen die de prestatie van een actief bevordert of verbetert, omvatten schattingen van toekomstige kasstromen niet de geschatte instroom van toekomstige kasmiddelen die naar verwachting uit deze aan de uitstroom van kasmiddelen gerelateerde toename van economische voordelen zal voortvloeien (zie illustrerend voorbeeld 6).

49.

Schattingen van toekomstige kasstromen omvatten de toekomstige uitstroom van kasmiddelen die nodig is om het peil van de economische voordelen die verwacht wordt voort te zullen vloeien uit de actuele staat van het actief te handhaven. Wanneer een kasstroomgenererende eenheid bestaat uit activa met een naar verwachting verschillende gebruiksduur, welke alle van relevant belang zijn voor de voortzetting van de activiteiten van de eenheid, wordt de vervanging van activa die een kortere gebruiksduur hebben geacht deel uit te maken van de dagelijkse onderhoudskosten van de eenheid bij de schatting van haar toekomstige kasstromen. Wanneer een enkel actief bestaat uit elementen met naar verwachting een verschillende gebruiksduur, wordt de vervanging van de elementen die een kortere gebruiksduur hebben eveneens geacht deel uit te maken van de dagelijkse onderhoudskosten van het actief bij de schatting van de toekomstige kasstromen die door het actief gegenereerd zullen worden.

50.

Schattingen van toekomstige kasstromen dienen niet te omvatten:

(a)

instroom of uitstroom van kasmiddelen uit financieringsactiviteiten;

of

(b)

ontvangsten of betalingen uit hoofde van winstbelastingen.

51.

Geschatte toekomstige kasstromen weerspiegelen veronderstellingen die consistent zijn met de manier waarop de disconteringsvoet wordt bepaald. Anders wordt het effect van bepaalde veronderstellingen dubbel gerekend of niet meegerekend. Aangezien rekening wordt gehouden met de tijdwaarde van geld door de geschatte toekomstige kasstromen te disconteren, omvatten deze kasstromen geen instroom of uitstroom van kasmiddelen uit financieringsactiviteiten. Evenzo worden toekomstige kasstromen geschat vóór belastingen, aangezien de disconteringsvoet vóór belastingen wordt bepaald.

52.

De schatting van nettokasstromen die moeten worden ontvangen (of moeten worden betaald) voor de vervreemding van een actief aan het einde van zijn gebruiksduur, dient het bedrag te zijn dat een entiteit verwacht te verkrijgen uit de vervreemding van het actief in een zakelijke, objectieve transactie tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn, na aftrek van de geschatte kosten van de vervreemding.

53.

De schatting van de nettokasstromen die moeten worden ontvangen (of betaald) voor de vervreemding van een actief aan het einde van zijn gebruiksduur wordt op een vergelijkbare manier bepaald als de reële waarde minus verkoopkosten van het actief, behalve dat bij de schatting van die nettokasstromen:

(a)

een entiteit prijzen hanteert die op de datum van de schatting prevaleren voor soortgelijke activa die het einde van hun gebruiksduur hebben bereikt en die operationeel zijn geweest in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die waarin het actief zal worden gebruikt.

(b)

de entiteit past deze prijzen aan om rekening te houden met het effect van zowel toekomstige prijsstijgingen te wijten aan de algemene inflatie als specifieke toekomstige prijsstijgingen of -dalingen. Als schattingen van toekomstige kasstromen uit het voortgezette gebruik van het actief en de disconteringsvoet echter geen rekening houden met het effect van de algemene inflatie, wordt dit effect evenmin door de entiteit opgenomen in de schatting van de nettokasstromen bij vervreemding.

Toekomstige kasstromen in vreemde valuta

54.

Toekomstige kasstromen worden geschat in de valuta waarin zij zullen worden gegenereerd en vervolgens gedisconteerd aan de hand van een disconteringsvoet die voor die valuta geëigend is. Een entiteit gebruikt bij de omrekening van de contante waarde de contante wisselkoers die geldt op de datum waarop de bedrijfswaarde berekend wordt.

Disconteringsvoet

55.

De disconteringsvoet(en) dient (dienen) (een) percentage(s) te zijn voor belastingen die de huidige marktbeoordelingen weerspiegelt (weerspiegelen) van:

(a)

de tijdwaarde van geld;

en

(b)

de aan het actief verbonden risico’s waarvoor de schattingen van toekomstige kasstromen niet zijn aangepast.

56.

Een disconteringsvoet die rekening houdt met de huidige marktbeoordelingen van de tijdwaarde van geld en de specifieke risico’s van het actief, is de rendementseis die beleggers zouden stellen indien zij een belegging kozen die kasstromen zou genereren die qua bedrag, tijdstip en risicoprofiel vergelijkbaar zijn met de kasstromen die de entiteit uit het actief verwacht te verkrijgen. Deze disconteringsvoet wordt geschat op basis van het percentage dat wordt gebruikt in actuele markttransacties voor vergelijkbare activa of op basis van de gewogen gemiddelde vermogenskosten van een beursgenoteerde entiteit die een enkel actief heeft (of een portefeuille van activa), in termen van capaciteit en risico’s vergelijkbaar met het te beoordelen actief. De disconteringsvoet(en) die gebruikt wordt (worden) bij de waardering van de bedrijfswaarde van een actief dient (dienen) geen rekening te houden met risico’s waarmee al rekening is gehouden in schattingen van toekomstige kasstromen. Anders wordt het effect van bepaalde veronderstellingen dubbel gerekend.

57.

Als de markt geen specifieke disconteringsvoet voor het actief kent, gebruikt de entiteit alternatieve methoden om de disconteringsvoet te schatten. Bijlage A verschaft aanvullende leidraden om de disconteringsvoet in dergelijke omstandigheden te schatten.

OPNAME EN WAARDERING VAN EEN BIJZONDER WAARDEVERMINDERINGSVERLIES

58.

In de alinea’s 59 tot en met 64 worden de vereisten beschreven voor de opname en waardering van bijzondere waardeverminderingsverliezen voor een afzonderlijk actief die geen goodwill is. De opname en waardering van bijzondere waardeverminderingsverliezen voor kasstroomgenererende eenheden en goodwill worden behandeld in alinea 65 tot en met 108.

59.

Als en slechts alleen als de realiseerbare waarde van een actief onder zijn boekwaarde ligt, dient de boekwaarde van het actief te worden verlaagd tot zijn realiseerbare waarde. Deze verlaging is een bijzonder waardeverminderingsverlies.

60.

Een bijzonder waardeverminderingsverlies dient onmiddellijk in de winst- en verliesrekening te worden opgenomen, tenzij het actief overeenkomstig een andere standaard tegen de geherwaardeerde waarde wordt geboekt (bijvoorbeeld in overeenstemming met het herwaarderingsmodel in IAS 16 Materiële vaste activa). Een bijzonder waardeverminderingsverlies van een geherwaardeerd actief dient in overeenstemming met die andere standaard te worden behandeld als een herwaarderingsafname.

61.

Een bijzonder waardeverminderingsverlies op een niet-geherwaardeerd actief wordt in de winst- en verliesrekening opgenomen. Een bijzonder waardeverminderingsverlies op een geherwaardeerd actief wordt echter direct opgenomen in de herwaarderingsreserve voor het actief, voor zover het bijzonder waardeverminderingsverlies niet meer bedraagt dan het bedrag van de herwaarderingsreserve voor datzelfde actief.

62.

Indien het geschatte bedrag van een bijzonder waardeverminderingsverlies hoger is dan de boekwaarde van het gerelateerde actief, dient een entiteit uitsluitend een verplichting op te nemen als en slechts als dit door een andere standaard wordt voorgeschreven.

63.

Na de opname van een bijzonder waardeverminderingsverlies dient de afschrijvingslast voor toekomstige perioden te worden aangepast om de aangepaste boekwaarde, verminderd met de eventuele restwaarde, systematisch over de resterende gebruiksduur te spreiden.

64.

Als een bijzonder waardeverminderingsverlies wordt opgenomen, worden daaraan gerelateerde uitgestelde belastingvorderingen of -verplichtingen bepaald in overeenstemming met IAS 12 Winstbelastingen door de aangepaste boekwaarde van het actief te vergelijken met zijn fiscale boekwaarde (zie voorbeeld 3).

KASSTROOMGENERERENDE EENHEDEN EN GOODWILL

65.

In alinea’s 66 tot en met 108 worden de vereisten uiteengezet voor de identificatie van de kasstroomgenererende eenheid waartoe een actief behoort, voor de bepaling van de boekwaarde en de opname van bijzondere waardeverminderingsverliezen voor kasstroomgenererende eenheden en goodwill.

Identificatie van de kasstroomgenererende eenheid waartoe een actief behoort

66.

Indien er enige aanwijzing bestaat dat een actief een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, dient de realiseerbare waarde te worden geschat voor het individuele actief. Indien het niet mogelijk is de realiseerbare waarde van het individuele actief te schatten, dient een entiteit de realiseerbare waarde te bepalen van de kasstroomgenererende eenheid waartoe het actief behoort (de kasstroomgenererende eenheid van het actief).

67.

De realiseerbare waarde van een individueel actief kan niet worden bepaald indien:

(a)

de bedrijfswaarde van het actief niet kan worden geschat op een bedrag dat nauw aanleunt bij zijn reële waarde minus verkoopkosten (bijvoorbeeld als de toekomstige kasstromen uit voortgezet gebruik van het actief niet als verwaarloosbaar kunnen worden beschouwd);

en

(b)

het actief dat geen instroom van kasmiddelen genereert die in ruime mate onafhankelijk zijn van die van andere activa.

In dergelijke gevallen kan de bedrijfswaarde, en bijgevolg ook de realiseerbare waarde, alleen worden bepaald voor de kasstroomgenererende eenheid van het actief.

Voorbeeld

Een mijnbouwentiteit beschikt over een private spoorweg ter ondersteuning van haar mijnbouwactiviteiten. De private spoorweg zou alleen tegen schrootwaarde kunnen worden verkocht en genereert geen instroom van kasmiddelen die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen uit de andere activa van de mijn.

Het is niet mogelijk om de realiseerbare waarde van de private spoorweg te schatten, omdat zijn bedrijfswaarde niet kan worden bepaald en waarschijnlijk verschillend is van de schrootwaarde. Bijgevolg schat de entiteit de realiseerbare waarde van de kasstroomgenererende eenheid waartoe de private spoorweg behoort, dat wil zeggen de mijn als geheel.

68.

Zoals gedefinieerd in alinea 6 is de kasstroomgenererende eenheid van een actief de kleinste identificeerbare groep van activa waartoe het actief behoort en een instroom van kasmiddelen genereert die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen van andere activa of groepen van activa. Voor de identificatie van de kasstroomgenererende eenheid van een actief is oordeelsvorming vereist. Als de realiseerbare waarde van een individueel actief niet kan worden bepaald, identificeert de entiteit de kleinste aggregatie van activa die een in ruime mate onafhankelijke instroom van kasmiddelen genereert.

Voorbeeld

Een busmaatschappij verleent diensten op grond van een overeenkomst met een gemeente. Deze overeenkomst vereist een minimale dienstverlening op elk van de vijf verschillende routes. De activa die aan elke route kunnen worden toegeschreven en de kasstromen uit elke route kunnen afzonderlijk worden geïdentificeerd. Op een van de routes wordt een aanzienlijk verlies geleden.

Omdat de entiteit niet de mogelijkheid heeft om een busroute in te perken, is het laagste niveau van de identificeerbare instroom van kasmiddelen die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen van andere activa of groepen activa, de instroom van kasmiddelen die door de vijf routes samen wordt gegenereerd. De kasstroomgenererende eenheid voor elke route is de busmaatschappij als geheel.

69.

De instroom van kasmiddelen verwijst naar de instroom van geldmiddelen en kasequivalenten die worden ontvangen van partijen buiten de entiteit. Bij de bepaling of de instroom van kasmiddelen van een actief (of groep van activa) in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen van andere activa (of groepen van activa), overweegt een entiteit verschillende factoren, waaronder de manier waarop het management toeziet op de activiteiten van de entiteit (zoals per productlijn, per bedrijfssegment, per locatie, district, regio) of de manier waarop het management beslissingen neemt over het voortgezette gebruik dan wel de vervreemding van de activa van de entiteit en de continuïteit of afstoting van haar activiteiten. In voorbeeld 1, zijn enkele voorbeelden opgenomen voor de identificatie van een kasstroomgenererende eenheid.

70.

Als er voor de productie van een actief of groep van activa een actieve markt bestaat, dient dat actief of die groep van activa te worden geïdentificeerd als een kasstroomgenererende eenheid, zelfs indien (een deel van) de productie intern wordt gebruikt.  Indien de instroom van kasmiddelen gegenereerd door een actief of een kasstroomgenererende eenheid beïnvloed wordt door interne overdrachtsprijzen, dient een entiteit de beste schattingen van het management voor (de) toekomstige prijs (prijzen) te gebruiken die verkregen zou(den) kunnen worden in een transactie tussen (onafhankelijke) partijen op zakelijke en objectieve grondslag door een schatting te maken van:

(a)

de toekomstige instroom van kasmiddelen die gebruikt wordt om de bedrijfswaarde van het actief of de kasstroomgenererende eenheid te bepalen;

en

(b)

de toekomstige uitstroom van kasmiddelen die gebruikt wordt om de bedrijfswaarde van alle andere activa of kasstroomgenererende eenheden te bepalen die door de interne overdrachtsprijzen zijn beïnvloed.

71.

Zelfs indien een deel van de productie of de volledige productie van een actief of groep van activa gebruikt wordt door andere eenheden van de entiteit (bijvoorbeeld halffabrikaten in een productieproces), vormt dit actief of deze groep van activa een aparte kasstroomgenererende eenheid als de entiteit de productie op een actieve markt zou kunnen verkopen. De reden hiervoor is dat het actief of deze groep van activa een instroom van kasmiddelen zou kunnen genereren die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen van andere activa of groep van activa. Als er informatie wordt gebruikt die gebaseerd is op financiële budgetten/voorspellingen die met een dergelijke kasstroomgenererende eenheid verband houdt of met elke ander actief of elke andere kasstroomgenererende eenheid die door interne overdrachtprijzen beïnvloed is, past een entiteit deze informatie aan als de interne overdrachtsprijzen geen weergave zijn van de beste schatting van het management voor toekomstige prijzen die bereikt zouden kunnen worden in transactie tussen (onafhankelijke) partijen op zakelijke en objectieve grondslag.

72.

Kasstroomgenererende eenheden dienen voor elke periode consistent te worden geïdentificeerd voor hetzelfde actief of dezelfde soort activa, tenzij een wijziging gerechtvaardigd is.

73.

Als een entiteit bepaalt dat een actief tot een andere kasstroomgenererende eenheid behoort dan in voorgaande perioden, of dat de soorten activa die voor de kasstroomgenererende eenheid van het actief zijn samengevoegd zijn gewijzigd, vereist alinea 130 dat informatie over de kasstroomgenererende eenheid wordt vermeld als een bijzonder waardeverminderingsverlies opgenomen of teruggeboekt wordt voor de kasstroomgenererende eenheid.

Realiseerbare waarde en boekwaarde van een kasstroomgenererende eenheid

74.

De realiseerbare waarde van een kasstroomgenererende eenheid is de hoogste waarde van de reële waarde minus verkoopkosten van de kasstroomgenererende eenheid en zijn bedrijfswaarde. Voor de bepaling van de realiseerbare waarde van een kasstroomgenererende eenheid dienen alle verwijzingen naar „een actief” in alinea 19 tot en met 57 te worden gelezen als verwijzingen naar „een kasstroomgenererende eenheid”.

75.

De boekwaarde van een kasstroomgenererende eenheid dient te worden bepaald op een basis die consistent is met de wijze waarop de realiseerbare waarde van de kasstroomgenererende eenheid wordt bepaald.

76.

De boekwaarde van een kasstroomgenererende eenheid:

(a)

omvat de boekwaarde van alleen die activa die direct kunnen worden toegeschreven aan de kasstroomgenererende eenheid of die er op een redelijke en consistente basis aan kunnen worden toegerekend en de toekomstige instroom van kasmiddelen zullen genereren die gebruikt is bij de bepaling van de bedrijfswaarde van de kasstroomgenererende eenheid;

en

(b)

omvat niet de boekwaarde van enige opgenomen verplichting, tenzij de realiseerbare waarde van de kasstroomgenererende eenheid niet kan worden bepaald zonder rekening te houden met deze verplichting.

De reden hiervoor is dat de reële waarde minus verkoopkosten en de bedrijfswaarde van een kasstroomgenererende eenheid worden bepaald zonder de kasstromen die betrekking hebben op activa die geen deel uitmaken van de kasstroomgenererende eenheid en op verplichtingen die zijn opgenomen (zie alinea’s 28 en 43).

77.

Wanneer activa voor de beoordeling van de realiseerbare waarde worden samengevoegd, is het belangrijk dat in de kasstroomgenererende eenheid alle activa worden opgenomen die de relevante instroom van kasmiddelen genereren of in het verleden hebben gegenereerd. Anders zou de indruk kunnen worden gewekt dat de kasstroomgenererende eenheid volledig realiseerbaar is, terwijl eigenlijk een bijzonder waardeverminderingsverlies heeft plaatsgevonden. Ofschoon bepaalde activa bijdragen tot de geschatte toekomstige kasstromen van een kasstroomgenererende eenheid, kunnen ze niet op een redelijke en consistente basis aan de kasstroomgenererende eenheid worden toegeschreven. Dit kan het geval zijn voor goodwill of algemene bedrijfsactiva, zoals de activa van het hoofdkantoor. In alinea’s 80 tot en met 103 wordt verklaard hoe deze activa moeten worden behandeld wanneer een kasstroomgenererende eenheid op bijzondere waardevermindering wordt getoetst.

78.

Het kan noodzakelijk zijn om sommige opgenomen verplichtingen in aanmerking te nemen om de realiseerbare waarde van een kasstroomgenererende eenheid te bepalen. Dit kan gebeuren indien bij de vervreemding van een kasstroomgenererende eenheid de koper verplicht is de verplichting over te nemen. In dit geval is de reële waarde minus verkoopkosten (of de geschatte kasstroom uit de uiteindelijke vervreemding) van de kasstroomgenererende eenheid, de geschatte verkoopprijs voor de activa van de kasstroomgenererende eenheid en de verplichting samen, verminderd met de kosten van de vervreemding. Om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de boekwaarde van de kasstroomgenererende eenheid en haar realiseerbare waarde, wordt bij de bepaling van zowel de bedrijfswaarde als de boekwaarde van de kasstroomgenererende eenheid de boekwaarde van de verplichting in mindering gebracht.

Voorbeeld

Een mijnbouwonderneming is actief in een land waar de wetgeving vereist dat de eigenaar van de mijn het terrein na afloop van de ontginningsactiviteiten in zijn oorspronkelijke staat herstelt. De kosten voor het herstel van de omgeving omvatten de vervanging van de deklaag, die moet worden verwijderd vóór de aanvang van de ontginning. Op het moment dat de deklaag werd verwijderd, is een voorziening opgenomen voor de kosten om de deklaag opnieuw aan te brengen. Het voorziene bedrag werd opgenomen als deel van de kosten van de mijn, en wordt afgeschreven over de gebruiksduur van de mijn. De boekwaarde van de voorziening voor de herstelkosten bedraagt 500 VE (*2), gelijk aan de contante waarde van de herstelkosten.

De entiteit onderzoekt of de mijn een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan. De kasstroomgenererende eenheid voor de mijn is de mijn als geheel. De entiteit heeft verschillende biedprijzen ontvangen om de mijn te kopen voor circa 800 VE. De prijs houdt rekening met het feit dat de koper de verplichting op zich neemt de deklaag te herstellen. De vervreemdingskosten voor de mijn zijn verwaarloosbaar. De bedrijfswaarde van de mijn bedraagt circa 1 200 VE, zonder herstelkosten. De boekwaarde van de mijn bedraagt 1 000 VE.

De reële waarde minus verkoopkosten van de kasstroomgenererende eenheid bedraagt 800 VE. Dit bedrag houdt rekening met de reeds voorziene herstelkosten. Bijgevolg wordt de bedrijfswaarde voor de kasstroomgenererende eenheid bepaald na rekening te hebben gehouden met de herstelkosten en wordt deze geschat op 700 VE (1 200 VE minus 500 VE). De boekwaarde van de kasstroomgenererende eenheid is 500 VE, namelijk de boekwaarde van de mijn (1 000 VE) minus de boekwaarde van de voorziening voor herstelkosten (500 VE). Daarom overtreft de realiseerbare waarde van de kasstroomgenererende eenheid haar boekwaarde.

79.

Om praktische redenen wordt de realiseerbare waarde van een kasstroomgenererende eenheid soms bepaald na rekening te hebben gehouden met activa die geen deel uitmaken van de kasstroomgenererende eenheid (bijvoorbeeld vorderingen of andere financiële activa) of verplichtingen die zijn opgenomen (bijvoorbeeld te betalen posten, pensioenen en andere voorzieningen). In dergelijke gevallen wordt de boekwaarde van de kasstroomgenererende eenheid verhoogd met de boekwaarde van die activa en verlaagd met de boekwaarde van die verplichtingen.

Goodwill

Toerekening van goodwill aan kasstroomgenererende eenheden

80.

In het belang van het onderzoek op bijzondere waardevermindering, dient goodwill die verworven is in een bedrijfscombinatie vanaf de datum van overname toegerekend te worden aan alle kasstroomgenererende eenheden of aan elke groep kasstroomgenererende eenheden van de overnemende partij, die naar verwachting voordeel zullen halen uit de synergie in de bedrijfscombinatie, ongeacht van de vraag of vorderingen of verplichtingen van de overgenomen partij aan die eenheden of groepen eenheden zijn toegekend. Elke eenheid of groep eenheden waaraan goodwill op die wijze is toegerekend dient:

(a)

het laagste niveau binnen de entiteit te vertegenwoordigen waarop goodwill opgevolgd wordt voor interne management doeleinden;

en

(b)

niet groter te zijn dan een deel gebaseerd op ofwel de entiteit primaire ofwel secundaire indeling van de gegevens bepaald in overeenstemming met IAS 14 Gesegmenteerde informatie.

81.

Goodwill die verworven wordt in een bedrijfscombinatie komt overeen met een betaling die door de overnemende partij gedaan is voordat toekomstige economische voordelen verkregen kunnen worden uit activa die niet afzonderlijk geïdentificeerd en opgenomen kunnen worden. Goodwill genereert geen kasstromen los van andere activa of groepen van activa, en draagt vaak bij aan kasstromen van meerdere kasstroomgenererende eenheden. Goodwill kan soms niet op een niet-arbitraire basis worden toegerekend aan individuele kasstroomgenererende eenheden, maar slechts aan groepen van kasstroomgenererende eenheden. Bijgevolg omvat het laagste niveau binnen de entiteit waarop goodwill opgevolgd wordt voor interne management doeleinden soms een aantal kasstroomgenererende eenheden waarop de goodwill betrekking heeft maar waaraan het niet kan worden toegerekend. Verwijzigingen in alinea 83 tot en met 99 naar een kasstroomgenererende eenheid waaraan goodwill is toegerekend dient te worden geïnterpreteerd als zijnde verwijzingen naar een groep van kasstroomgenererende eenheden waaraan goodwill is toegerekend.

82.

De toepassing van de vereisten in alinea 80 heeft als gevolg dat goodwill op bijzondere waardevermindering getoetst wordt op een niveau, dat overeenstemt met de wijze waarop de entiteit haar bedrijfsactiviteiten beheert en waarmee de goodwill van nature is verbonden. Om deze reden is de ontwikkeling van aanvullende financiële verslaggevingsmethoden gewoonlijk niet nodig.

83.

Een kasstroomgenererende eenheid waaraan goodwill is toegerekend om te onderzoeken of er sprake is van bijzondere waardevermindering kan mogelijk niet overeenkomen met het niveau waarop goodwill toegerekend is volgens IAS 21 De gevolgen van wisselkoerswijzigingen voor de waardering van winsten of verliezen van vreemde valuta. Als een entiteit volgens IAS 21 bijvoorbeeld vereist is goodwill op relatief lage niveaus toe te rekenen om winsten en verliezen van vreemde valuta te waarderen, is het niet verplicht om de goodwill op bijzondere waardevermindering te toetsen op datzelfde niveau, tenzij zij ook de goodwill opvolgt voor interne management doeleinden.

84.

Als de eerste toerekening van goodwill die in een bedrijfscombinatie is verworven niet volledig uitgevoerd kan worden vóór het einde van de verslagperiode waarin de bedrijfscombinatie tot stand is gekomen, dient die eerste toerekening voltooid te worden vóór het einde van de eerste verslagperiode die aanvangt na de datum van overname.

85.

Als de eerste verwerking van een bedrijfscombinatie aan het einde van de periode waarin de bedrijfscombinatie tot stand is gekomen slechts voorlopig kan worden bepaald, overeenkomstig International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties:

(a)

verwerkt de overnemende partij de bedrijfscombinatie op basis van die voorlopige waarden;

en

(b)

neemt de overnemende partij alle aanpassingen op die voorlopige waarden op, als gevolg van het afronden van de eerste verwerking binnen twaalf maanden na datum van overname.

In dergelijke omstandigheden kan ook de voltooiing van de eerste toerekening van goodwill die in de bedrijfscombinatie is verworven vóór het einde van de verslagperiode waarin de bedrijfscombinatie tot stand is gekomen niet mogelijk blijken te zijn. In voorkomend geval verschaft de entiteit de in alinea 133 vereiste informatie.

86.

Als goodwill toegerekend is aan een kasstroomgenererende eenheid en de entiteit een activiteit binnen die eenheid afstoot, dient de aan de activiteit gerelateerde goodwill die afgestoten wordt:

(a)

te worden opgenomen in de boekwaarde van de activiteit bij de bepaling van de winst of het verlies bij de afstoting;

en

(b)

te worden gewaardeerd op basis van de betreffende waarden van de afgestoten activiteit en van het gedeelte van de kasstroomgenererende eenheid dat niet wordt afgeschaft, tenzij de entiteit kan aantonen dat een andere methode de aan de afgestoten activiteit gerelateerde goodwill beter kan weergeven.

Voorbeeld

Een entiteit verkoopt een activiteit voor 100 VE die deel uitmaakte van een kasstroomgenererende eenheid waaraan goodwill was toegerekend. De aan de eenheid toegerekende goodwill kan niet bepaald of geassocieerd worden met een groep activa op een lager niveau dan dat van de entiteit, behalve op arbitraire wijze. De realiseerbare waarde van het gedeelte van de kasstroomgenererende eenheid dat niet wordt afgeschaft bedraagt 300 VE.

Omdat de aan de kasstroomgenererende eenheid gerelateerde goodwill niet op niet-arbitraire wijze kan worden bepaald noch geassocieerd kan worden met een groep activa op een lager niveau dan dat van die eenheid, wordt de goodwill die geassocieerd is met de afgestoten activiteit gewaardeerd op basis van de waarden die betrekking hebben op het afgestoten actief en het gedeelte van de eenheid dat niet wordt afgeschaft. Om die reden is 25 percent van de aan de kasstroomgenererende eenheid toegerekende goodwill opgenomen in de boekwaarde van de verkochte activiteit.

87.

Als een entiteit haar financiële verslaggeving op zodanige manier reorganiseert zodat de samenstelling van één of meer kasstroomgenererende eenheden, waaraan goodwill is toegerekend, gewijzigd wordt, dient goodwill opnieuw aan de betreffende eenheden te worden toegerekend. Deze nieuwe toerekening zal worden uitgevoerd aan de hand van een relatieve waardemethode die lijkt op de methode die gehanteerd wordt wanneer een entiteit een activiteit binnen de kasstroomgenererende eenheid afstoot, tenzij de entiteit kan aantonen dat een andere methode de goodwill die gerelateerd is aan de geherstructureerde eenheden beter kan weergeven.

Voorbeeld

Goodwill is in vorige perioden toegerekend aan kasstroomgenererende eenheid A. De aan eenheid A toegerekende goodwill kan niet bepaald of geassocieerd worden met een groep activa op een lager niveau dan dat van A, behalve op arbitraire wijze. A moet opgesplitst en geïntegreerd worden in drie andere kasstroomgenererende eenheden B, C en D.

Omdat de aan de eenheid A gerelateerde goodwill niet op niet-arbitraire wijze kan worden bepaald noch geassocieerd kan worden met een groep activa op een lager niveau dan dat van A, wordt de goodwill opnieuw toegerekend aan de eenheden B, C en D op basis van de waarden die betrekking hebben op de drie onderdelen van A, voordat die onderdelen samengevoegd werden tot B, C en D.

Onderzoek van kasstroomgenererende eenheden met goodwill op bijzondere waardevermindering.

88.

Wanneer goodwill die betrekking heeft op een kasstroomgenererende eenheid maar die niet aan die eenheid is toegerekend, overeenkomstig de beschrijving in alinea 81, dient de eenheid op bijzondere waardevermindering te worden getoetst, mocht een aanwijzing erop duiden dat de eenheid een bijzondere waardevermindering zou hebben kunnen ondergaan, door de boekwaarde van de eenheid, met uitzondering van goodwill, met haar realiseerbare waarde te vergelijken. Een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies dient overeenkomstig alinea 104 te worden opgenomen.

89.

Indien een in alinea 88 vermelde kasstroomgenererende eenheid in haar boekwaarde een immaterieel actief met een onbeperkte gebruiksduur heeft opgenomen, of dat nog niet gebruiksklaar is en dat actief alleen als onderdeel van een kasstroomgenererende eenheid op een bijzondere waardevermindering kan worden getoetst, vereist alinea 10 dat de eenheid jaarlijks op bijzondere waardevermindering wordt getoetst.

90.

Een kasstroomgenererende eenheid waaraan goodwill is toegerekend dient jaarlijks op bijzondere waardevermindering te worden getoetst, en elke keer wanneer een aanwijzing bestaat dat de eenheid mogelijk een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, door de boekwaarde van de eenheid, met inbegrip van goodwill, met de realiseerbare waarde van de eenheid te vergelijken. Indien de realiseerbare waarde van de eenheid de boekwaarde van de eenheid overtreft, dient ervan uit gegaan te worden dat de eenheid en de goodwill die aan die eenheid toegerekend is niet een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan. Indien de boekwaarde van de eenheid de realiseerbare waarde van de eenheid overtreft, dient de entiteit het bijzonder waardeverminderingsverlies overeenkomstig alinea 104 op te nemen.

Minderheidsbelang

91.

Volgens International Financial Reporting Standard 3 wordt goodwill die opgenomen is in een bedrijfscombinatie eerder beschouwd als goodwill die verworven is door de moedermaatschappij op basis van het eigendomsbelang van de moedermaatschappij, dan als goodwill waarover de moedermaatschappij zeggenschap uitoefent ingevolge de bedrijfscombinatie. Daarom wordt goodwill toegerekend aan een minderheidsbelang niet opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij. Als aan een minderheidsbelang in een kasstroomgenererende eenheid goodwill is toegerekend, omvat de boekwaarde van die eenheid bijgevolg:

(a)

zowel het belang van de moedermaatschappij als het minderheidsbelang in de identificeerbare netto activa van de eenheid;

en

(b)

het belang van de moedermaatschappij in de goodwill.

Een gedeelte van de realiseerbare waarde van de kasstroomgenererende eenheid die overeenkomstig deze standaard is bepaald wordt echter toegerekend aan het minderheidsbelang in goodwill.

92.

Dientengevolge wordt voor het onderzoek op bijzondere waardevermindering van een kasstroomgenererende eenheid met goodwill zonder absolute zeggenschap, de boekwaarde van die eenheid nominaal aangepast voordat ze met haar realiseerbare waarde wordt vergeleken. Dit komt tot stand door de brutowaarde te berekenen van de boekwaarde van goodwill die aan de eenheid is toegerekend door de goodwill die toerekenbaar is in het minderheidsbelang op te nemen. Deze nominaal aangepaste boekwaarde wordt daarna vergeleken met de realiseerbare waarde van de eenheid om te bepalen of de kasstroomgenererende eenheid een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan. Indien dit het geval is rekent de entiteit het bijzonder waardeverminderingsverlies overeenkomstig alinea 104 eerst toe aan de vermindering van de boekwaarde van de goodwill die aan de eenheid is toegerekend.

93.

Aangezien goodwill echter alleen opgenomen wordt in de mate van het eigendomsbelang van de moedermaatschappij, wordt een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies met betrekking tot goodwill verdeeld tussen het gedeelte dat aan de moedermaatschappij en het gedeelte dat aan het minderheidsbelang toerekenbaar is, waarbij de eerstgenoemde alleen opgenomen wordt als bijzonder waardeverminderingsverlies op goodwill.

94.

Indien het totaal van het bijzonder waardeverminderingsverlies op goodwill geringer is dat het bedrag waarmee de nominaal aangepaste boekwaarde van de kasstroomgenererende eenheid haar realiseerbare waarde overschrijdt, vereist alinea 104 dat het resterende surplus naar evenredigheid van de boekwaarde van elk actief in de eenheid aan de andere activa van de eenheid wordt toegerekend.

95.

Voorbeeld 7 illustreert hoe een kasstroomgenererende eenheid met goodwill zonder absolute zeggenschap onderzocht wordt op bijzondere waardevermindering.

Tijdsbepaling voor het toetsen van bijzondere waardevermindering

96.

Dit jaarlijkse onderzoek op bijzondere waardevermindering voor een kasstroomgenererende eenheid waaraan goodwill is toegerekend is kan op elk willekeurig ogenblik in een verslagperiode worden uitgevoerd, onder voorwaarde dat de toets elk jaar op hetzelfde tijdstip wordt uitgevoerd. Verschillende kasstroomgenererende eenheden kunnen op verschillende tijdstippen worden getoetst op bijzondere waardevermindering. Indien echter een gedeelte of de gehele goodwill die aan een kasstroomgenererende eenheid is toegerekend tijdens de lopende verslagperiode is verworven in een bedrijfscombinatie, dient die eenheid vóór het einde van de lopende verslagperiode getoetst te worden op bijzondere waardevermindering.

97.

Indien de activa die de kasstroomgenererende eenheid vormen waaraan goodwill is toegerekend gelijktijdig op bijzondere waardevermindering worden getoetst als de eenheid waarin de goodwill opgenomen is, dienen deze te worden getoetst op bijzondere waardevermindering voordat de eenheid waarin de goodwill is opgenomen hiertoe overgaat. Wanneer kasstroomgenererende eenheden die een groep kasstroomgenererende eenheden vormen, waaraan goodwill is toegerekend, gelijktijdig op bijzondere waardevermindering worden getoetst als de groep eenheden waarin de goodwill is opgenomen, dienen op gelijke wijze de individuele eenheden te worden getoetst op bijzondere waardevermindering voordat de groep eenheden, waarin de goodwill is opgenomen, hiertoe overgaat.

98.

Op het moment waarop de kasstroomgenererende eenheid waaraan goodwill is toegerekend op bijzondere waardevermindering wordt onderzocht, kan er mogelijk een aanwijzing bestaan dat een actief binnen de eenheid waarin de goodwill is opgenomen een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan. In voorkomende gevallen toetst de entiteit eerst het actief op bijzondere waardevermindering, en neemt ze een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies voor dat actief op, voordat de kasstroomgenererende eenheid, waarin de goodwill is opgenomen, op bijzondere waardevermindering wordt getoetst. Zo kan er ook een aanwijzing bestaan dat een kasstroomgenererende eenheid binnen een groep eenheden, waarin de goodwill is opgenomen, een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan. In voorkomende gevallen toetst de entiteit eerst de kasstroomgenererende eenheid op bijzondere waardevermindering, en neemt ze een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies voor die eenheid op, voordat de groep eenheden, waaraan de goodwill is toegerekend, op bijzondere waardevermindering wordt getoetst.

99.

De meest recent gedetailleerde berekening die in een voorgaande periode gemaakt is voor de realiseerbare waarde van een kasstroomgenererende eenheid waaraan goodwill is toegerekend, mag voor die eenheid die op bijzondere waardevermindering wordt onderzocht in de lopende verslagperiode worden gebruikt, op voorwaarde dat aan alle onderstaande criteria wordt voldaan:

(a)

de activa en verplichtingen die de eenheid vormen zijn niet aanzienlijk gewijzigd sinds de realiseerbare waarde voor het laatst berekend is;

(b)

de meest recente berekening van de realiseerbare waarde resulteerde in een bedrag dat de boekwaarde van de eenheid met een substantiële marge overtrof;

en

(c)

wanneer op basis van een analyse van gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan en omstandigheden die zijn gewijzigd sinds de laatste berekening van de realiseerbare waarde, het onwaarschijnlijk is dat een actuele berekening van de realiseerbare waarde geringer uitvalt dan de actuele boekwaarde van de eenheid.

Algemene bedrijfsactiva

100.

Algemene bedrijfsactiva omvatten activa van de groep of van een divisie, zoals het gebouw van het hoofdkantoor of een afdeling van de entiteit, informatica-apparatuur of een onderzoekscentrum. De structuur van een entiteit bepaalt of een actief voldoet aan de in deze standaard opgenomen definitie van algemene bedrijfsactiva voor een bepaalde kasstroomgenererende eenheid. De onderscheidende kenmerken van algemene bedrijfsactiva zijn dat zij geen instroom van kasmiddelen genereren die in ruime mate onafhankelijk is van andere activa of groepen van activa en dat hun boekwaarde niet volledig kan worden toegerekend aan de te beoordelen kasstroomgenererende eenheid.

101.

Omdat algemene bedrijfsactiva geen afzonderlijke instroom van kasmiddelen genereren, kan de realiseerbare waarde van een afzonderlijk algemeen bedrijfsactief niet worden bepaald tenzij het management heeft besloten om het actief te vervreemden. Als er geen aanwijzing bestaat dat een algemeen bedrijfsactief een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, wordt de realiseerbare waarde bijgevolg bepaald voor de kasstroomgenererende eenheid of groep van kasstroomgenererende eenheden waartoe het algemene bedrijfsactief behoort, en wordt ze vergeleken met de boekwaarde van deze kasstroomgenererende eenheid of groep van kasstroomgenererende eenheden. Een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies wordt overeenkomstig alinea 104 opgenomen.

102.

Wanneer een entiteit onderzoekt of een kasstroomgenererende eenheid een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, dient zij alle algemene bedrijfsactiva te identificeren die betrekking hebben op de betreffende kasstroomgenererende eenheid. Wanneer een gedeelte van de boekwaarde van een algemeen bedrijfsactief:

(a)

op een redelijke en consistente basis kan worden toegerekend aan die eenheid, dient de entiteit de boekwaarde van de eenheid, met inbegrip van het gedeelte van de boekwaarde van het algemeen bedrijfsactief dat aan de eenheid is toegerekend, met haar realiseerbare waarde te vergelijken. Een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies dient overeenkomstig alinea 104 te worden opgenomen.

(b)

niet op een redelijke en consistente basis aan die eenheid kan worden toegerekend, moet de entiteit:

(i)

de boekwaarde van de eenheid vergelijken met haar realiseerbare waarde, met uitsluiting van het algemeen bedrijfsactief en een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies, overeenkomstig alinea 104, opnemen;

(ii)

de kleinste groep van kasstroomgenererende eenheden identificeren die de te beoordelen kasstroomgenererende eenheden omvatten en waaraan een gedeelte van de boekwaarde van het algemeen bedrijfsactief op een redelijke en consistente basis kan worden toegerekend;

en

(iii)

de boekwaarde van die groep van kasstroomgenererende eenheden, met inbegrip van het gedeelte van de boekwaarde van het algemeen bedrijfsactief dat aan die groep van eenheden is toegerekend, vergelijken met de realiseerbare waarde van de groep van eenheden. Een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies dient overeenkomstig alinea 104 te worden opgenomen.

103.

Voorbeeld 8 illustreert hoe deze vereisten op algemene bedrijfsactiva moeten worden toegepast.

Bijzonder waardeverminderingsverlies voor een kasstroomgenererende eenheid

104.

Een bijzonder waardeverminderingsverlies voor een kasstroomgenererende eenheid dient te worden opgenomen (de kleinste groep van kasstroomgenererende eenheden waaraan goodwill of een algemeen bedrijfsactief is toegerekend) als, en slechts als de realiseerbare waarde van de eenheid (groep van eenheden) geringer is dan de boekwaarde van de eenheid (groep van eenheden). Het bijzonder waardeverminderingsverlies dient als volgt te worden toegerekend zodat de boekwaarde van de activa van de eenheid (groep van eenheden) wordt verlaagd:

(a)

ten eerste dient de boekwaarde van eventuele aan de kasstroomgenererende eenheid (groep van eenheden) toegerekende goodwill te worden verlaagd;

en

(b)

vervolgens op de andere activa van de eenheid (groepen van eenheden), naar rato van de boekwaarde van elk actief in de eenheid (groep van eenheden).

Deze verlagingen van de boekwaarde dienen te worden behandeld als bijzondere waardeverminderingsverliezen op individuele activa en dienen te worden opgenomen in overeenstemming met alinea 60.

105.

Bij de toerekening van een bijzonder waardeverminderingsverlies in overeenstemming met alinea 104 dient een entiteit de boekwaarde van een actief niet verder te verlagen dan de hoogste waarde van:

(a)

de reële waarde minus verkoopkosten (indien deze kan worden bepaald);

(b)

de bedrijfswaarde (indien deze kan worden bepaald);

en

(c)

nul.

Het bedrag van het bijzonder waardeverminderingsverlies dat anders aan het actief zou zijn toegerekend, dient op pro rato basis aan de andere activa van de eenheid (groep van eenheden) te worden toegerekend.

106.

Als het niet uitvoerbaar is om de realiseerbare waarde van elk individueel actief van een kasstroomgenererende eenheid te schatten, schrijft deze standaard voor dat een bijzonder waardeverminderingsverlies arbitrair aan de activa van die eenheid, met uitzondering van de goodwill, mag worden toegerekend, omdat alle activa van een kasstroomgenererende eenheid samenwerken.

107.

Als de realiseerbare waarde van een individueel actief niet kan worden bepaald (zie alinea 67):

(a)

wordt voor het actief een bijzonder waardeverminderingsverlies opgenomen als zijn boekwaarde hoger is dan de hoogste waarde van zijn reële waarde minus verkoopkosten en de resultaten van de toerekeningsprocedures beschreven in alinea 104 en 105;

en

(b)

wordt voor het actief geen bijzonder waardeverminderingsverlies opgenomen indien de gerelateerde kasstroomgenererende eenheid geen bijzondere waardevermindering heeft ondergaan. Dit geldt ook indien de reële waarde minus verkoopkosten van het actief lager is dan zijn boekwaarde.

Voorbeeld

Een machine heeft fysieke schade geleden, maar werkt nog steeds, zij het niet zo goed als voor ze schade opliep. De reële waarde minus verkoopkosten van de machine is lager dan haar boekwaarde. De machine genereert geen onafhankelijke instroom van kasmiddelen. De kleinste identificeerbare groep van activa waartoe de machine behoort en die een instroom van kasmiddelen genereert die in ruime mate onafhankelijk is van de instroom van kasmiddelen van andere activa, is de productielijn waartoe de machine behoort. De realiseerbare waarde van de productielijn toont aan dat de productielijn als geheel geen bijzondere waardevermindering heeft ondergaan.

Veronderstelling 1: uit de door het management goedgekeurde budgetten/voorspellingen blijkt niet dat het management zich heeft verbonden tot de vervanging van de machine.

De realiseerbare waarde van de machine alleen kan niet worden geschat, omdat de bedrijfswaarde van de machine:

(a)

mogelijk verschilt van zijn reële waarde minus verkoopkosten;

en

(b)

alleen kan worden bepaald voor de kasstroomgenererende eenheid waartoe de machine behoort (de productielijn).

De productielijn heeft geen bijzondere waardevermindering ondergaan. Daarom wordt geen bijzonder waardeverminderingsverlies voor de machine opgenomen. Niettemin kan het noodzakelijk zijn dat de entiteit de afschrijvingsperiode of –methode voor de machine opnieuw beoordeelt. Misschien is er een kortere afschrijvingsperiode of een snellere afschrijvingsmethode vereist om de verwachte resterende gebruiksduur van de machine weer te geven, of het patroon volgens hetwelk de economische voordelen naar verwachting door de entiteit worden verbruikt.

Veronderstelling 2: uit de door het management goedgekeurde budgetten/voorspellingen blijkt dat het management zich heeft verbonden tot de vervanging van de machine, en dat de machine in de nabije toekomst zal worden verkocht. De kasstromen uit het voortgezette gebruik van de machine tot aan de vervreemding worden verwaarloosbaar geacht.

De bedrijfswaarde van de machine kan worden geschat op een bedrag dat nauw aanleunt bij haar reële waarde minus verkoopkosten. Bijgevolg kan de realiseerbare waarde van de machine worden bepaald en wordt er geen rekening gehouden met de kasstroomgenererende eenheid waartoe de machine behoort (dat wil zeggen de productielijn). Aangezien de reële waarde minus verkoopkosten van de machine lager is dan zijn boekwaarde, wordt voor de machine een bijzonder waardeverminderingsverlies opgenomen.

108.

Na toepassing van de vereisten van alinea’s 104 en 105 dient voor enig resterend bedrag van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor een kasstroomgenererende eenheid uitsluitend een verplichting te worden opgenomen als en slechts als dit door een andere standaard wordt voorgeschreven.

TERUGBOEKING VAN EEN BIJZONDER WAARDEVERMINDERINGSVERLIES

109.

In alinea’s 110 tot en met 116 worden de vereisten uiteengezet voor de terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies dat in voorgaande verslagperioden is opgenomen voor een actief of een kasstroomgenererende eenheid. Deze vereisten hanteren het begrip „een actief”, maar zijn evenzeer van toepassing op een afzonderlijk actief of een kasstroomgenererende eenheid. Aanvullende vereisten voor een individueel actief zijn uiteengezet in alinea 117 tot en met 121, voor een kasstroomgenererende eenheid in alinea 122 tot en met 123 en voor goodwill in alinea 124 tot en met 125.

110.

Een entiteit dient op elke verslagdatum te beoordelen of er een aanwijzing bestaat dat een bijzonder waardeverminderingsverlies dat in voorgaande perioden is opgenomen voor een actief, met uitsluiting van goodwill, niet meer bestaat of mogelijk is afgenomen. Indien een dergelijke indicatie bestaat, dient de entiteit de realiseerbare waarde van dat actief te schatten.

111.

Bij de beoordeling of er aanwijzingen bestaan dat een bijzonder waardeverminderingsverlies dat in voorgaande perioden voor een actief, met uitsluiting van goodwill, is opgenomen niet langer bestaat of mogelijk is afgenomen, dient een entiteit ten minste de volgende aanwijzingen te overwegen:

Externe informatiebronnen

(a)

de marktwaarde van het actief is tijdens de verslagperiode aanzienlijk toegenomen.

(b)

belangrijke veranderingen met een gunstig effect op de entiteit hebben zich gedurende de verslagperiode voorgedaan of zullen zich in de nabije toekomst voordoen in de markt, de technologische, economische of juridische omgeving waarin de entiteit actief is dan wel in de markt waaraan het actief dienstbaar is.

(c)

marktrentevoeten of andere marktpercentages voor het rendement van beleggingen zijn gedurende de verslagperiode gedaald en zullen naar verwachting invloed hebben op de disconteringsvoet die wordt gebruikt voor de berekening van de bedrijfswaarde van een actief, en de realiseerbare waarde van het actief materieel verhogen.

Interne informatiebronnen

(d)

belangrijke veranderingen met een gunstig effect op de entiteit hebben zich in de verslagperiode voorgedaan of zullen zich naar verwachting in de nabije toekomst voordoen, in de mate waarin of de manier waarop het actief wordt gebruikt of naar verwachting zal worden gebruikt. Deze wijzigingen omvatten kosten die tijdens de periode zijn gemaakt om de prestatie van het actief te verbeteren of te verhogen, of om de bedrijfsactiviteit waartoe het actief behoort te reorganiseren.

(e)

uit interne rapportering blijkt duidelijk dat de economische prestaties van het actief beduidend beter (zullen) zijn dan verwacht.

112.

Aanwijzingen van een potentiële vermindering van een bijzonder waardeverminderingsverlies in alinea 111 weerspiegelen in hoofdzaak de aanwijzingen van een mogelijk bijzonder waardeverminderingsverlies in alinea 12.

113.

Als er een indicatie is dat een bijzonder waardeverminderingsverlies dat voor een actief, met uitsluiting van goodwill, is opgenomen mogelijk niet langer bestaat of is afgenomen, kan dit erop wijzen dat de resterende gebruiksduur, de afschrijvingsmethode of de restwaarde moet worden beoordeeld en aangepast in overeenstemming met de standaard die op het actief van toepassing is, zelfs indien voor het actief geen bijzonder waardeverminderingsverlies is teruggeboekt.

114.

Een bijzonder waardeverminderingsverlies dat in voorgaande perioden voor een actief, met uitsluiting van goodwill, werd opgenomen moet uitsluitend worden teruggeboekt als en slechts als er sinds de opname van het laatste bijzonder waardeverminderingsverlies een wijziging heeft plaatsgevonden in de schattingen die gebruikt worden om de realiseerbare waarde van het actief te bepalen. Indien dit het geval is, dient de boekwaarde van het actief, met uitzondering van de bepalingen in alinea 117, te worden verhoogd tot zijn realiseerbare waarde. Die verhoging is een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies.

115.

Een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies weerspiegelt een stijging in het geschatte dienstenpotentieel van een actief, hetzij uit gebruik of verkoop, sinds de datum waarop een entiteit voor het laatst een bijzonder waardeverminderingsverlies voor dat actief heeft opgenomen. Alinea 130 vereist dat een entiteit de wijziging in de schattingen identificeert die de stijging van het geschatte dienstenpotentieel veroorzaakt. Voorbeelden van schattingswijzigingen omvatten:

(a)

een wijziging in de basis voor de realiseerbare waarde (met name of de realiseerbare waarde gebaseerd is op de reële waarde minus verkoopkosten of de bedrijfswaarde);

(b)

indien de realiseerbare waarde gebaseerd was op de bedrijfswaarde, een wijziging in het bedrag of het tijdstip van geschatte toekomstige kasstromen of in de disconteringsvoet;

of

(c)

indien de realiseerbare waarde gebaseerd was op de reële waarde minus verkoopkosten, een wijziging in de schatting van de componenten van de reële waarde minus verkoopkosten.

116.

De bedrijfswaarde van een actief kan hoger komen te liggen dan de boekwaarde van het actief om de eenvoudige reden dat de contante waarde van de toekomstige instroom van kasmiddelen toeneemt naarmate zij naderen. Anderzijds is het dienstenpotentieel van het actief niet toegenomen. Bijgevolg wordt geen bijzonder waardeverminderingsverlies teruggeboekt, louter wegens het verstrijken van de tijd (soms ook het „verloop” van de disconto genoemd), zelfs niet indien de realiseerbare waarde van het actief hoger komt te liggen dan zijn boekwaarde.

Terugboeken van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor een afzonderlijk actief

117.

De verhoogde boekwaarde van een actief, met uitsluiting van goodwill, die toerekenbaar is aan een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies, mag niet hoger liggen dan de boekwaarde die zou zijn bepaald (na afschrijvingen) als in voorgaande jaren geen bijzonder waardeverminderingsverlies voor het actief was opgenomen.

118.

Enige verhoging in de boekwaarde van een actief, met uitsluiting van goodwill, tot boven de boekwaarde die zou zijn bepaald (na afschrijvingen) indien in voorgaande jaren geen bijzonder waardeverminderingsverlies voor het actief was opgenomen, is een herwaardering. Bij de administratieve verwerking van een dergelijke herwaardering, past de entiteit de standaard toe die op het actief van toepassing is.

119.

Een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies van een actief, met uitsluiting van goodwill, dient onmiddellijk in de winst-en verliesrekening te worden opgenomen, tenzij het actief in overeenstemming met een andere standaard tegen geherwaardeerde waarde wordt geboekt (bijvoorbeeld het herwaarderingsmodel in IAS 16 Materiële vaste activa). Een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies van een geherwaardeerd actief dient in overeenstemming met die andere standaard te worden behandeld als een herwaarderingstoename.

120.

Een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies op een geherwaardeerd actief wordt direct toegerekend aan het eigen vermogen onder de rubriek herwaarderingsreserve. In zoverre een bijzonder waardeverminderingsverlies op hetzelfde geherwaardeerde actief voorheen was opgenomen in de winst- en verliesrekening, wordt een terugboeking van dat bijzonder waardeverminderingsverlies ook in de winst- en verliesrekening opgenomen.

121.

Nadat een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies is opgenomen, dient de afschrijvingslast voor het actief voor toekomstige perioden te worden aangepast om de aangepaste boekwaarde, verminderd met de eventuele restwaarde, systematisch te spreiden over de resterende gebruiksduur.

Terugboeken van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor een kasstroomgenererende eenheid

122.

Een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor een kasstroomgenererende eenheid dient naar evenredigheid van de boekwaarde van die activa, aan de activa van de eenheid te worden toegerekend, met uitsluiting van goodwill. Deze verhogingen van de boekwaarde dienen te worden behandeld als terugboekingen van bijzondere waardeverminderingsverliezen voor individuele activa en dienen te worden opgenomen in overeenstemming met alinea 119.

123.

Bij de toerekening van een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor een kasstroomgenererende eenheid in overeenstemming met alinea 122, mag de boekwaarde van een actief niet worden verhoogd tot boven de laagste waarde van:

(a)

de realiseerbare waarde (indien deze kan worden bepaald);

en

(b)

de boekwaarde die zou zijn bepaald (netto van afschrijvingen of waardeverminderingen) indien in voorgaande perioden geen bijzonder waardeverminderingsverlies voor het actief werd opgenomen.

Het bedrag van de terugboeking van het bijzonder waardeverminderingsverlies dat anders aan het actief zou zijn toegerekend, dient op pro rato basis aan de andere activa van de eenheid te worden toegerekend, uitgezonderd voor goodwill.

Terugboeken van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor goodwill

124.

Een bijzonder waardeverminderingsverlies dat voor goodwill is opgenomen dient niet in een latere periode te worden teruggeboekt.

125.

IAS 38 Immateriële activa verbiedt de opname van intern gegenereerde goodwill. Een eventuele stijging van de realiseerbare waarde van goodwill in perioden na de opname van een bijzonder waardeverminderingsverlies voor die goodwill is waarschijnlijk eerder een stijging van een intern gegenereerde goodwill dan een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies die voor de verworven goodwill is opgenomen.

INFORMATIEVERSCHAFFING

126.

Voor elke categorie van activa dient een entiteit het volgende te vermelden:

(a)

het bedrag van de bijzondere waardeverminderingsverliezen dat gedurende de verslagperiode in de winst- en verliesrekening is opgenomen en de post(en) van de winst- en verliesrekening waarin deze bijzondere waardeverminderingsverliezen zijn opgenomen.

(b)

het bedrag van terugboekingen van bijzondere waardeverminderingsverliezen dat gedurende de verslagperiode in de winst- en verliesrekening is opgenomen en de post(en) van de winst- en verliesrekening waarin deze bijzondere waardeverminderingsverliezen zijn teruggeboekt.

(c)

het bedrag van de bijzondere waardeverminderingsverliezen op geherwaardeerde activa die tijdens de periode direct in het eigen vermogen zijn opgenomen.

(d)

het bedrag van terugboekingen van bijzondere waardeverminderingsverliezen op geherwaardeerde activa die tijdens de periode direct in het eigen vermogen zijn opgenomen.

127.

Een categorie van activa is een groepering van activa met een gelijksoortige aard en een gelijksoortig gebruik in de activiteiten van de entiteit.

128.

De informatie die vereist is in alinea 126 mag samen met andere informatie over de categorie van activa worden gepresenteerd. Deze informatie mag bijvoorbeeld worden opgenomen in een aansluiting van de boekwaarde van materiële vaste activa aan het begin en einde van de periode, zoals voorgeschreven door IAS 16 Materiële vaste activa.

129.

Een entiteit die gesegmenteerde informatie rapporteert in overeenstemming met IAS 14 Gesegmenteerde informatie, dient voor elk te rapporteren segment op basis van de primaire segmentatiebasis van een entiteit de volgende informatie te vermelden:

(a)

het bedrag van de bijzondere waardeverminderingsverliezen die tijdens de periode in de winst- en verliesrekening en direct in het eigen vermogen zijn opgenomen.

(b)

het bedrag van de terugboekingen van bijzondere waardeverminderingsverliezen die tijdens de periode in de winst- en verliesrekening en direct in het eigen vermogen zijn opgenomen.

130.

Een entiteit dient de volgende informatie te vermelden voor elke materieel bijzonder waardeverminderingsverlies dat voor een individueel actief, met inbegrip van goodwill, of een kasstroomgenererende eenheid, tijdens de periode opgenomen of teruggeboekt is:

(a)

de gebeurtenissen en omstandigheden die tot de opname of terugboeking van het bijzonder waardeverminderingsverlies hebben geleid.

(b)

het bedrag van het opgenomen of teruggeboekte bijzonder waardeverminderingsverlies.

(c)

voor een individueel actief:

(i)

de aard van het actief;

en

(ii)

als de entiteit gesegmenteerde informatie overeenkomstig IAS 14 rapporteert, het te rapporteren segment waartoe het actief behoort, op basis van de primaire segmentatiebasis van de entiteit.

(d)

voor een kasstroomgenererende eenheid:

(i)

een beschrijving van de kasstroomgenererende eenheid (bijvoorbeeld of het gaat om een productielijn, een bedrijfsactiviteit, een geografisch gebied of een te rapporteren segment zoals gedefinieerd in IAS 14);

(ii)

het bedrag van het opgenomen of teruggeboekte bijzonder waardeverminderingsverlies per categorie van activa en, indien de entiteit gesegmenteerde informatie rapporteert overeenkomstig IAS 14, dezelfde informatie voor elk te rapporteren segment op basis van de primaire segmentatiebasis van de entiteit;

en

(iii)

als de samenvoeging van activa voor de identificatie van de kasstroomgenererende eenheid is gewijzigd sinds de eventuele vorige schatting van de realiseerbare waarde van de kasstroomgenererende eenheid, een beschrijving van de huidige en vroegere wijze waarop activa worden en werden samengevoegd, alsmede de reden voor de wijziging van de manier waarop de kasstroomgenererende eenheid wordt geïdentificeerd.

(e)

of de realiseerbare waarde van het actief (kasstroomgenererende eenheid) de reële waarde minus verkoopkosten of de bedrijfswaarde is.

(f)

als de realiseerbare waarde de reële waarde minus verkoopkosten is, de gehanteerde basis voor de bepaling van de reële waarde minus verkoopkosten (zoals de vraag of de reële waarde werd bepaald op basis van een actieve markt).

(g)

als de realiseerbare waarde de bedrijfswaarde is, de gehanteerde disconteringsvoet(en) voor de huidige schatting en de eventuele vorige schatting van de bedrijfswaarde.

131.

Een entiteit dient de volgende informatie te vermelden voor het totaal van de bijzondere waardeverminderingsverliezen en het totaal van de terugboekingen van bijzondere waardeverminderingsverliezen die tijdens de periode zijn opgenomen waarin geen informatie is vermeld in overeenstemming met alinea 130:

(a)

de voornaamste categorieën activa die bijzondere waardeverminderingsverliezen hebben ondergaan en de voornaamste categorieën activa die beïnvloed zijn door terugboekingen van bijzondere waardeverminderingsverliezen.

(b)

de voornaamste gebeurtenissen en omstandigheden die tot de opname of terugboeking van deze bijzondere waardeverminderingsverliezen hebben geleid.

132.

Een entiteit wordt aangemoedigd om de veronderstellingen te vermelden die gedurende de verslagperiode werden gehanteerd voor de bepaling van de realiseerbare waarde van activa (kasstroomgenererende eenheden). Alinea 134 vereist echter dat een entiteit informatie vermeld over de schattingen die gebruikt worden om de realiseerbare waarde van een kasstroomgenererende eenheid te bepalen, wanneer goodwill of een immaterieel actief met een onbeperkte gebruiksduur in de boekwaarde van die eenheid is opgenomen.

133.

Als, in overeenstemming met alinea 84, een gedeelte van de in een bedrijfscombinatie tijdens de periode verworven goodwill op de verslagdatum niet aan een kasstroomgenererende eenheid (of groep van eenheden) is toegerekend, dient het bedrag van de niet toegerekende goodwill te worden vermeld, alsook de redenen waarom dat bedrag nog niet toegerekend is.

Gehanteerde schattingen om de realiseerbare waarde van kasstroomgenererende eenheden te waarderen waarin goodwill of immateriële activa met een onbeperkte gebruiksduur zijn opgenomen

134.

Een entiteit dient de in alinea (a) tot en met (f) vereiste informatie te vermelden voor elke kasstroomgenererende eenheid (groep van eenheden) waaraan goodwill of immateriële activa met een onbeperkte gebruiksduur met een significante boekwaarde is toegerekend in vergelijking met de totale boekwaarde van goodwill of immateriële activa met onbeperkte gebruiksduur van de entiteit:

(a)

de boekwaarde van de aan de kasstroomgenererende eenheid (groep van eenheden) toegerekende goodwill.

(b)

de boekwaarde van de aan de kasstroomgenererende eenheid (groep van eenheden) toegerekende immateriële activa met onbeperkte gebruiksduur.

(c)

de basis die gebruikt is voor de bepaling van de realiseerbare waarde van de eenheid (groep van eenheden) (dat wil zeggen de bedrijfswaarde of de reële waarde minus verkoopkosten).

(d)

indien de realiseerbare waarde van de eenheid (groep van eenheden) gebaseerd was op de bedrijfswaarde:

(i)

een beschrijving van elke belangrijke veronderstelling waarop het management zijn kasstroomvoorspellingen gebaseerd heeft voor de periode waarop de meest recente budgetten/voorspellingen betrekking hebben. Belangrijke veronderstellingen zijn die veronderstellingen waarop de realiseerbare waarde van de eenheid (groep van eenheden) snel reageert.

(ii)

een beschrijving van de methode van het management om de aan elke belangrijke veronderstelling toegewezen waarde(n) te bepalen, of (een) dergelijke waarde(n) de ervaring uit het verleden weergeeft (weergeven) en of, in voorkomend geval, ze consistent zijn met externe informatiebronnen en zo niet, op welke wijze en waarom ze afwijken van ervaringen uit het verleden of van externe informatiebronnen.

(iii)

de periode waarover het management kasstromen, gebaseerd op door het management goedgekeurde financiële budgetten/voorspellingen, heeft geraamd, en, wanneer voor een kasstroomgenererende eenheid (groep van eenheden) een langere periode wordt gebruikt dan vijf jaar, een verklaring waarom die langere periode gerechtvaardigd is.

(iv)

het groeipercentage dat toegepast wordt bij de extrapolatie van kasstroomramingen die buiten de periode vallen waarop de meest recente budgetten/voorspellingen betrekking hebben, en de verklaring voor het gebruik van een eventueel hoger groeicijfer dan het gemiddelde groeicijfer op lange termijn voor de producten, de sectoren, het land of de landen waarin de entiteit actief is, of voor de markt waarin de eenheid (groep van eenheden) dienstbaar is.

(v)

de op de kasstroomramingen toegepaste disconteringsvoet(en).

(e)

indien de realiseerbare waarde van de eenheid (groep van eenheden) gebaseerd is op de reële waarde minus verkoopkosten, de methode die gebruikt is om de reële waarde minus verkoopkosten te bepalen. Indien de reële waarde minus verkoopkosten niet bepaald is aan de hand van een marktprijs voor de eenheid (groep van eenheden), dient de volgende informatie te worden verschaft:

(i)

een beschrijving van elke belangrijke veronderstelling waarop het management zijn bepaling van de reële waarde minus verkoopkosten heeft gebaseerd. Belangrijke veronderstellingen zijn die veronderstellingen waarop de realiseerbare waarde van de eenheid (groep van eenheden) snel reageert.

(ii)

een beschrijving van de methode van het management om de aan elke belangrijke veronderstelling toegewezen waarde(n) te bepalen, of (een) dergelijke waarde(n) de ervaring uit het verleden weergeeft (weergeven) en of, in voorkomend geval, ze consistent zijn met externe informatiebronnen en zo niet, op welke wijze en waarom ze afwijken van ervaringen uit het verleden of van externe informatiebronnen.

(f)

als redelijkerwijs een mogelijke wijziging in een belangrijke veronderstelling, waarop het management de realiseerbare waarde van de eenheid (groep van eenheden) heeft gebaseerd, ertoe zou leiden dat de boekwaarde van de eenheid (groep van eenheden) haar realiseerbare waarde zou overtreffen.

(i)

het bedrag waarmee de realiseerbare waarde van de eenheid (groep van eenheden) haar boekwaarde overtreft.

(ii)

de waarde die toegekend is aan de belangrijke veronderstelling.

(iii)

het bedrag waarmee de waarde die aan de belangrijke veronderstelling is toegekend gewijzigd moet worden, na opname van eventuele resulterende gevolgen van die wijziging op de andere variabelen die gebruikt zijn om de realiseerbare waarde te waarderen, zodat de realiseerbare waarde van de eenheid (groep van eenheden) gelijk is aan haar boekwaarde.

135.

Als sommige of alle boekwaarden van goodwill of immateriële activa met een onbeperkte gebruiksduur toegekend zijn aan verschillende kasstroomgenererende eenheden (groepen van eenheden), en wanneer het bedrag dat op die wijze toegekend is aan elke eenheid (groep van eenheden) niet relevant is ten opzichte van de totale boekwaarde van de entiteit voor goodwill of immateriële activa met onbeperkte gebruiksduur, dient dat feit te worden vermeld, alsook de totale boekwaarde van goodwill of immateriële activa met onbeperkte gebruiksduur die aan die eenheden (groepen van eenheden) is toegekend. Als bovendien de realiseerbare waarde van één van deze eenheden (groepen van eenheden) gebaseerd is op dezelfde belangrijke veronderstelling(en) en de aan hen toegekende totale boekwaarde van goodwill of immateriële activa met een onbeperkte gebruiksduur betekenisvol is in verhouding tot de totale boekwaarde van goodwill of immateriële activa met onbeperkte gebruiksduur van de entiteit, dient de entiteit dat feit te vermelden alsook:

(a)

de totale boekwaarde van de goodwill toegerekend aan die eenheden (groepen van eenheden).

(b)

de totale boekwaarde van immateriële activa met onbeperkte gebruiksduur toegerekend aan die eenheden (groepen van eenheden).

(c)

een beschrijving van de belangrijke veronderstelling(en).

(d)

een beschrijving van de methode van het management om de aan de belangrijke veronderstelling(en) toegewezen waarde(n) te bepalen, of (een) dergelijke waarde(n) de ervaring uit het verleden weergeeft (weergeven) en of, in voorkomend geval, ze consistent zijn met externe informatiebronnen en zo niet, op welke wijze en waarom ze afwijken van ervaringen uit het verleden of van externe informatiebronnen.

(e)

als redelijkerwijs een mogelijke wijziging in de belangrijke veronderstelling(en) ertoe zou kunnen leiden dat de totale boekwaarde van de eenheid (groepen van eenheden) het totaal van haar realiseerbare waarde overtreft:

(i)

het bedrag waarmee de totale realiseerbare waarde van de eenheden (groepen van eenheden) hun totale boekwaarde overtreft.

(ii)

de waarde(n) die toegekend is (zijn) aan de belangrijke veronderstelling(en).

(iii)

het bedrag waarmee de waarde(n) toegekend aan de belangrijke veronderstelling(en) moeten wijzigen, na opname van om het even welke voortvloeiende gevolgen van de wijziging op de andere variabelen die gebruikt zijn om de realiseerbare waarde te waarderen, zodat de totale realiseerbare waarde van de eenheden (groepen van eenheden) gelijk is aan hun totale boekwaarde.

136.

De meest recent gedetailleerde berekening die in een voorgaande periode gemaakt is voor de realiseerbare waarde van een kasstroomgenererende eenheid (groepen van eenheden) mag, in overeenstemming met alinea 24 of 99, overgedragen en gebruikt worden om die eenheid in de lopende periode op belangrijke waardevermindering te onderzoeken, op voorwaarde dat aan specifieke criteria wordt voldaan. In dit geval heeft de informatie voor die eenheid (groep van eenheden) die opgenomen is in de door alinea’s 134 en 135 vereiste informatieverschaffing betrekking op de berekening van de over te dragen realiseerbare waarde.

137.

Voorbeeld 9 illustreert de door alinea’s 134 en 135 vereiste informatieverschaffingen.

OVERGANGSBEPALINGEN EN INGANGSDATUM

138.

Indien een entiteit overeenkomstig alinea 85 van International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties ervoor kiest IFRS 3 vóór de in alinea 78 tot en met 84 van IFRS uiteengezette ingangsdata toe te passen, dient zij deze standaard ook in de toekomst vanaf dezelfde datum toe te passen.

139.

In de andere gevallen dient een entiteit deze standaard toe te passen:

(a)

op goodwill en immateriële activa verworven in bedrijfscombinaties waarvan de datum van overeenkomst op of na 31 maart 2004 valt;

en.

(b)

op alle andere activa in de toekomst met ingang van de eerste verslagperiode die op of na 31 maart 2004 aanvangt.

140.

Entiteiten waarop alinea 139 van toepassing is, worden aangemoedigd om de vereisten van deze standaard toe te passen vóór de ingangsdata die in alinea 139 vermeld staan. Indien een entiteit echter deze standaard vóór deze ingangsdata toepast dient zij ook gelijktijdig International Financial Reporting Standard 3 en IAS 38 Immateriële activa (herziene versie van 2004) toe te passen.

INTREKKING VAN IAS 36 (UITGEGEVEN IN 1998)

141.

Deze standaard vervangt IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa (uitgegeven in 1998).


(*1)  Zodra een actief beantwoordt aan de criteria om geclassificeerd te worden als aangehouden voor verkoop (of behorend tot een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop), is het actief uitgesloten van het toepassingsgebied van deze standaard en wordt het verwerkt volgens International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindiging van bedrijfsactiviteiten.

(*2)  In deze Standaard luiden geldbedragen in „geldeenheden” („currency units”, CU).

BIJLAGE A

Gebruik van contante waarde technieken om de bedrijfswaarde te waarderen.

Deze bijlage maakt integraal deel uit van de standaard. De bijlage verstrekt aanvullende leidraden voor de wijze waarop contante waarde technieken toegepast moeten worden bij de waardering van de bedrijfswaarde. Hoewel de leidraden het begrip „actief” gebruiken, zijn ze evenzeer van toepassing op een groep van activa die een kasstroomgenererende eenheid vormen.

De componenten van een waardering van de contante waarde

A1.

De volgende elementen samen komen overeen met de economische verschillen tussen de activa:

(a)

een schatting van de toekomstige kasstroom, of in meer ingewikkelde gevallen, toekomstige series kasstromen die de entiteit verwacht te ontlenen aan het actief;

(b)

verwachtingen met betrekking tot mogelijke wijzigingen in het bedrag of de tijdsbepaling van dergelijke kasstromen;

(c)

de tijdswaarde van geld, voorgesteld door de actuele risicovrije marktrentevoet;

(d)

de prijs voor de aan het actief inherente onzekerheid;

en

(e)

andere, soms niet identificeerbare factoren (zoals de afwezigheid van liquiditeit), die marktdeelnemers zouden opnemen in de waardering van toekomstige kasstromen die de entiteit verwacht aan het actief te ontlenen.

A2.

Deze bijlage stelt twee methoden voor de berekening van de contante waarde tegenover elkaar. Beide kunnen, afhankelijk van de omstandigheden, gebruikt worden voor de schatting van de bedrijfswaarde van een actief. Volgens de „traditionele methode” zijn de in alinea A1 vermelde aanpassingen voor factoren (b) tot en met (e) besloten in de disconteringsvoet. Volgens de „methode van verwachte kasstromen” leiden factoren (b), (d) en (e) tot aanpassingen bij opname in verwachte kasstromen die op risico zijn aangepast. Het resultaat dient de verwachte contante waarde van de toekomstige kasstromen te weerspiegelen, dat wil zeggen het gewogen gemiddelde van alle mogelijke resultaten, ongeacht de methode die de entiteit hanteert om verwachtingen aangaande eventuele wijzigingen in het bedrag of de tijdsbepaling van toekomstige kasstromen weer te geven.

Algemene definities

A3.

De technieken toegepast om toekomstige kasstromen en rentevoeten te schatten zullen van de ene situatie tot de andere verschillen, afhankelijk van de omstandigheden omtrent het betreffende actief. De volgende algemene principes zijn echter bepalend voor elke toepassing van contante waarde technieken bij de waardering van activa:

(a)

rentevoeten die gebruikt worden om de kasstromen te disconteren dienen veronderstellingen weer te geven die consistent zijn met die eigen aan de geschatte kasstromen. Anders wordt het effect van bepaalde veronderstellingen dubbel gerekend of niet meegerekend. Een disconteringsvoet van 12 procent mag bijvoorbeeld worden toegepast op contractuele kasstromen van een uitgegeven lening. Dat percentage weerspiegelt verwachtingen van toekomstige gebreken bij leningen met bijzondere eigenschappen. Datzelfde percentage van 12 procent moet niet gebruikt worden om de verwachte kasstromen te disconteren, omdat deze kasstromen reeds rekening houden met de veronderstelling dat zich in toekomst gebreken kunnen voordoen.

(b)

geschatte kasstromen en disconteringsvoeten dienen noch onderhevig te zijn aan vooringenomenheid als aan factoren die niet betrekking hebben op het terzake doende actief. Doelbewust de geschatte netto kasstromen onderwaarderen om de klaarblijkelijke, toekomstige winstgevendheid van een actief te verhogen impliceert bijvoorbeeld een vooringenomenheid bij de waardering.

(c)

geschatte kasstromen of disconteringsvoeten dienen veeleer de verschillende mogelijke resultaten weer te geven in plaats van een enkel, meest waarschijnlijk minimaal of maximaal bedrag.

Traditionele methode en methode van verwachte kasstromen voor contante waarde

De traditionele methode

A4.

Verwerkingsmethoden voor contante waarde, hebben zich gebruikelijk gebaseerd op een enkele reeks van geschatte kasstromen en op een enkele disconteringsvoet, dat ook vaak „het aan risico evenredig percentage” wordt genoemd. Eigenlijk veronderstelt de traditionele methode dat in een overeenkomst met een enkele disconteringsvoet alle verwachtingen van toekomstige kasstromen en de geëigende risicopremie opgenomen kunnen zijn. Daarom wordt het accent bij de traditionele methode meestal op de keuze van de disconteringsvoet gelegd.

A5.

In sommige omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer op de markt vergelijkbare activa kunnen worden gevolgd, is de traditionele methode betrekkelijk gemakkelijk toepasbaar. Voor activa met contractuele kasstromen, is deze methode consistent met de manier waarop marktdeelnemers activa omschrijven, zoals in „een obligatie van 12 procent”.

A6.

Het is echter mogelijk dat de traditionele methode niet op gepaste wijze sommige ingewikkelde waarderingsproblemen behandelt, zoals de waardering van niet-financiële activa waarvoor geen markt of vergelijkbare post bestaat. Voor een goed onderzoek naar „het met risico evenredige percentage” vereist de analyse van ten minste twee posten: een actief dat reeds op de markt bestaat met een bekende rentevoet en het actief dat gewaardeerd wordt. De aangepaste disconteringsvoet voor de kasstromen die gewaardeerd worden, moet worden afgeleid van de waarneembare rentevoet van dat andere actief. Om deze gevolgtrekking te kunnen maken dienen de eigenschappen van de kasstromen van het andere actief gelijksoortig te zijn aan die van het actief dat gewaardeerd wordt. Dientengevolge dient degene die de waardering uitvoert het volgende te verrichten:

(a)

de reeks kasstromen te bepalen die gedisconteerd zullen worden;

(b)

een ander actief op de markt te identificeren dat soortgelijke kasstroomeigenschappen blijkt te bezitten;

(c)

de reeks kasstromen uit de twee posten te vergelijken om er zeker van te zijn dat ze gelijksoortig zijn (bijvoorbeeld, zijn beide contractuele kasstromen, of is één contractueel en is de ander een geschatte kasstroom?);

(d)

te beoordelen of er in een post een element is opgenomen dat ontbreekt in het andere actief (bijvoorbeeld, is de liquiditeit van één post minder dan van de andere post?);

en

(e)

te beoordelen of beide reeks kasstromen waarschijnlijk op soortgelijke wijze zullen evolueren (dat wil zeggen variëren), wanneer de economische omstandigheden veranderen.

Methode van verwachte kasstromen

A7.

De methode van verwachte kasstromen is in sommige gevallen een doeltreffender waarderingsmiddel dan de traditionele methode. Bij het uitwerken van de waardering, baseert de methode van verwachte kasstromen zich op alle verwachtingen inzake mogelijke kasstromen en niet op slechts één kasstroom, die het meest waarschijnlijk wordt geacht. Bijvoorbeeld een kasstroom kan 100 VE, 200 VE of 300 VE bedragen en respectievelijk een waarschijnlijkheid van 10, 60 en 30 procent hebben. De verwachte kasstroom is 220 VE. De methode van verwachte kasstromen verschilt dus van de traditionele methode doordat ze zich concentreert op de rechtstreekse analyse van de betreffende kasstromen en op een uitgebreidere uitleg van de in de waardering gebruikte veronderstellingen.

A8.

De methode van verwachte kasstromen staat ook het gebruik van contante waarde technieken toe, wanneer de tijdsbepaling onzeker is waarop de kasstromen zich zullen voordoen. Een kasstroom van 1 000 VE kan bijvoorbeeld worden ontvangen in één, twee of drie jaar en respectievelijk een waarschijnlijkheid hebben van 10, 60 en 30 procent. Het navolgend voorbeeld laat bijvoorbeeld de berekening zien van de verwachte contante waarde in die situatie.

Contante waarde van 1 000 VE in 1 jaar à 5 %

952.38 VE

 

Waarschijnlijkheid

10.00 %

95.24 VE

Contante waarde van 1 000 VE in 2 jaar à 5,25 %

902.73 VE

 

Waarschijnlijkheid

60.00 %

541.64 VE

Contante waarde van 1 000 VE in 3 jaar à 5,50 %

851.61 VE

 

Waarschijnlijkheid

30.00 %

255.48 VE

Verwachte contante waarde

 

892.36 VE

A9.

De verwachte contante waarde van 892.36 VE verschilt met het traditionele begrip van de beste schatting, die op 902.73 VE uitkomt (met een waarschijnlijkheidspercentage van 60 %). De toepassing van een traditionele contante waardeberekening op dit voorbeeld vereist dat een beslissing gemaakt wordt over welke van de mogelijke data waarop de kasstromen zich kunnen voordoen zal gebruikt worden en die bijgevolg, niet de waarschijnlijkheid van de andere data weerspiegelt. Dit is omdat de disconteringsvoet in een traditionele contante waardeberekening niet de onzekerheid van tijdsbepaling kan weerspiegelen.

A10.

De toepassing van kansberekeningen is een essentieel onderdeel van de methode van verwachte kasstromen. Sommigen vragen zich af of de toekenning van kansberekeningen aan bijzonder subjectieve schattingen een grotere precisie veronderstelt dan feitelijk het geval is. De juiste toepassing echter van de traditionele methode (zoals beschreven in alinea A6) vereist dezelfde schattingen en subjectiviteit, zonder de transparante berekening te moeten verschaffen van de methode van de verwachte kasstromen.

A11.

In veel gemaakte schattingen in de praktijk zijn reeds op informele wijze de elementen van verwachte kasstromen opgenomen. Bovendien worden accountants vaak geconfronteerd met de noodzaak een actief te waarderen op basis van beperkte informatie over de kansberekening van mogelijke kasstromen. Zo kan de accountant bijvoorbeeld met de volgende situaties worden geconfronteerd:

(a)

het geschatte bedrag komt ergens uit tussen 50 VE en 250 VE, maar de waarschijnlijkheid van de bedragen in de reeks is gelijk voor elk bedrag. Op basis van die beperkte informatie is de schatting van de verwachte kasstroom 150 VE [(50 + 250)/2].

(b)

het geschatte bedrag komt ergens uit tussen 50 VE en 250 VE. Het bedrag met de hoogste waarschijnlijkheid bedraagt 100 VE. De aan elk bedrag geassocieerde waarschijnlijkheid is echter onbekend. Op basis van die beperkte informatie is de schatting van de verwachte kasstroom 133.33 VE [(50 + 100+250)/3].

(c)

het geschatte bedrag zal uitkomen op 50 VE (met een waarschijnlijkheid van 10 procent), 250 VE (met een waarschijnlijkheid van 30 procent) of 100 VE (met een waarschijnlijkheid van 60 procent). Op basis van die beperkte informatie is de schatting van de verwachte kasstroom 140 VE [(50 x 0.10) + (250 x 0.30) + (100 x 0.60)].

In elk situatie geeft de geschatte, verwachte kasstroom waarschijnlijk een betere raming van de bedrijfswaarde dan alleen het minimale of maximale bedrag met de hoogste waarschijnlijkheid.

A12.

De toepassing van de methode van verwachte kasstromen is afhankelijk van een beperking van de kostenvermindering. Soms kan een entiteit toegang hebben tot uitgebreide informatie en kan zij in staat worden gesteld veel kasstroomscenario’s uit te werken. In andere gevallen kan de entiteit slechts algemene verklaringen opstellen over de veranderlijkheid van de kasstromen zonder aanzienlijke kosten op te lopen. De entiteit moet de kosten om aanvullende informatie te verkrijgen afwegen tegen bijkomende betrouwbaarheid dat die informatie zal brengen voor de waardering.

A13.

Sommige beweren dat technieken voor verwachte kasstromen ongepast zijn voor de waardering van een enkel actief of een post met een beperkt aantal potentiële resultaten. Ze geven een voorbeeld van een actief met twee mogelijke resultaten: een waarschijnlijkheid van 90 procent dat de kasstroom uitkomt op 10 VE en een waarschijnlijkheid van 10 procent dat de kasstroom op 1 000 VE uit zal komen. Ze hebben opgemerkt dat de verwachte kasstroom in dat voorbeeld 109 VE bedraagt, en bekritiseren dat resultaat omdat het geen enkel bedrag vertegenwoordigt dat uiteindelijk zal worden betaald.

A14.

Beweringen zoals die zojuist geschetst zijn geven uiting aan een werkelijk meningsverschil over de doelstelling van de waardering. Indien het doel is om geaccumuleerde kosten op te nemen, geven verwachte kasstromen mogelijk geen getrouw beeld van de schatting van de verwachte kosten. Deze standaard behandelt echter de waardering van de realiseerbare waarde van een actief. De realiseerbare waarde van het actief in dit voorbeeld is waarschijnlijk niet 10 VE, hoewel dit bedrag de meest waarschijnlijke kasstroom is, omdat de waardering van 10 VE geen rekening houdt met de onzekerheid van de kasstroom bij de waardering van het actief De niet met zekerheid vastgestelde kasstroom wordt gepresenteerd alsof het om een kasstroom gaat waarover totale zekerheid bestaat. Geen enkele rationele entiteit zou een actief met deze eigenschappen voor 10 VE willen verkopen.

Disconteringsvoet

A15.

Rentevoeten die toegepast worden bij de discontering van kasstromen dienen geen rekening te houden met risico’s waarmee al rekening is gehouden bij de schattingen van toekomstige kasstromen, ongeacht de door de entiteit toegepaste methode om de bedrijfswaarde van een actief te waarderen. Anders wordt het effect van bepaalde veronderstellingen dubbel gerekend.

A16.

Als de markt geen specifieke disconteringsvoet voor het actief kent, gebruikt de entiteit alternatieve methoden om de disconteringsvoet te schatten. Het doel is zo goed mogelijk een marktbeoordeling te bepalen van:

(a)

de tijdwaarde van geld voor de perioden tot aan het einde van de gebruiksduur van het actief;

en

(b)

in alinea A1 beschreven factoren (b), (d) en (e), in zoverre deze factoren geen aanleiding hebben gegeven tot aanpassingen bij hun opname in geschatte kasstromen.

A17.

Als uitgangspunt bij het maken van een dergelijke schatting mag de entiteit de volgende disconteringsvoeten hanteren:

(a)

de gewogen gemiddelde vermogenskosten van de entiteit, bepaald aan de hand van technieken zoals het "capital asset pricing model";

(b)

de marginale rentevoet van de entiteit;

en

(c)

andere marktrentevoeten.

A18.

Deze percentages moeten echter worden aangepast:

(a)

om weer te geven hoe de markt de specifieke risico’s zou beoordelen in verband met de verwachte kasstromen van het actief;

en

(b)

om risico’s uit te sluiten die niet relevant zijn voor de verwachte kasstromen van het actief of waarvoor de verwachte kasstromen zijn gewijzigd.

Er dient rekening te worden gehouden met risico’s zoals risico’s die verbonden zijn aan landen, valutarisico en prijsrisico.

A19.

De disconteringsvoet is onafhankelijk van de vermogensstructuur van de entiteit en van de manier waarop de entiteit de aankoop van het actief heeft gefinancierd, aangezien de toekomstige kasstromen die naar verwachting uit een actief zullen voortkomen op geen enkele wijze afhankelijk zijn van de manier waarop de entiteit de aankoop van het actief heeft gefinancierd.

A20.

Alinea 55 vereist dat de toegepaste disconteringsvoet vóór belastingen dient te worden bepaald. Als de basis die gebruikt wordt voor de schatting van de disconteringsvoet een basis is na belastingen, wordt deze daarom aangepast om een disconteringsvoet vóór belastingen weer te geven.

A21.

Een entiteit gebruikt normaliter een enkele disconteringsvoet om de bedrijfswaarde van een actief te schatten. Indien de bedrijfswaarde echter gevoelig is voor verschillen in risico voor verschillende perioden of voor de termijnstructuur van rentevoeten, hanteert de entiteit verschillende disconteringsvoeten voor verschillende toekomstige perioden.

BIJLAGE B

Wijziging in IAS 16

De wijziging in deze bijlage dient te worden toegepast wanneer een entiteit IAS 16 Materiële vaste activa (herziene versie in 2003) toepast. Deze wordt afgeschaft wanneer IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa (herziene versie van 2004) van kracht wordt. Deze bijlage vervangt de resulterende wijzigingen die door IAS 16 (herziene versie van 2003) aangebracht zijn in IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa (uitgegeven in 1998). In IAS 36 (herziene versie van 2004) zijn de vereisten van de alinea’s in deze bijlage opgenomen. De wijzigingen in IAS 16 (herziene versie van 2003) doen bijgevolg niet meer terzake vanaf het moment waarop de entiteit onderworpen is aan IAS 36 (herziene versie van 2004). Deze bijlage is dientengevolge alleen van toepassing op entiteiten die ervoor kiezen IAS 16 (herziene versie van 2003) toe te passen vóór zijn ingangsdatum.

B1.

IAS 16 Materiële vaste activa is als volgt gewijzigd.

In de Bijlage is alinea A4 als volgt gewijzigd:

A4.

IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa (uitgegeven in 1998)is als volgt gewijzigd.

In de standaard zijn de alinea’s 4, 9, 34, 37, 38, 41, 42, 59, 96 en 104 als volgt gewijzigd:

4.

Deze standaard is van toepassing op activa die tegen het geherwaardeerde bedrag (reële waarde) worden geboekt op grond van andere standaarden, zoals het herwaarderingsmodel in IAS 16 Materiële vaste activa. De bepaling of een geherwaardeerd actief mogelijk een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, is echter afhankelijk van de grondslag die werd gehanteerd om reële waarde te bepalen:

…

9.

Bij de beoordeling of er indicaties zijn die wijzen op een mogelijke bijzondere waardevermindering van een actief, dient een entiteit ten minste de volgende indicaties in aanmerking te nemen:

…

Interne informatiebronnen

…

(f)

belangrijke veranderingen met een nadelig effect op de entiteit hebben zich in de verslagperiode voorgedaan of zullen zich naar verwachting in de nabije toekomst voordoen, in de mate waarin of de manier waarop een actief wordt gebruikt of naar verwachting zal worden gebruikt. Deze veranderingen zijn onder meer wanneer het actief niet langer gebruikt wordt, of plannen om de bedrijfsactiviteit waartoe een actief behoort te beëindigen of te reorganiseren, en, plannen om een actief te vervreemden op een eerdere datum dan verwacht;

en

…

34.

Prognoses van de uitstroom van kasmiddelen omvatten de dagelijkse onderhoudskosten van het actief alsook de toekomstige overheadkosten die direct aan het gebruik van het actief kunnen worden toegeschreven, of die op een redelijke en consistente basis aan het gebruik van het actief kunnen worden toegerekend.

37.

Toekomstige kasstromen dienen te worden geschat voor het actief in zijn huidige toestand. Schattingen van toekomstige kasstromen dienen geen geschatte toekomstige instroom of uitstroom van kasmiddelen te omvatten die naar verwachting zullen voortvloeien uit:

…

(b)

prestatieverbetering of -verhoging van het actief.

38.

Aangezien toekomstige kasstromen worden geschat voor het actief in zijn huidige toestand, weerspiegelt de bedrijfswaarde niet:

…

(b)

toekomstige uitstroom van kasmiddelen die de prestatie van het actief zal verbeteren of verhogen of de gerelateerde instroom van kasmiddelen die verwacht wordt voort te zullen vloeien uit een dergelijke uitstroom van kasmiddelen.

41.

Tot op het moment dat een entiteit overgaat tot een uitstroom van kasmiddelen die de prestatie van een actief bevordert of verbetert, omvatten schattingen van toekomstige kasstromen niet de geschatte instroom van toekomstige kasmiddelen die naar verwachting uit deze aan de uitstroom van kasmiddelen gerelateerde toename van economische voordelen zal voortvloeien (zie Bijlage A, voorbeeld 6).

42.

Schattingen van toekomstige kasstromen omvatten de toekomstige uitstroom van kasmiddelen die nodig is om het peil van de economische voordelen die verwacht wordt voort te zullen vloeien uit de actuele staat van het actief te handhaven. Wanneer een kasstroomgenererende eenheid bestaat uit activa met een naar verwachting verschillende gebruiksduur, welke alle van relevant belang zijn voor de voortzetting van de activiteiten van de eenheid, wordt de vervanging van activa die een kortere gebruiksduur hebben geacht deel uit te maken van de dagelijkse onderhoudskosten van de eenheid bij de schatting van haar toekomstige kasstromen. Wanneer een enkel actief bestaat uit elementen met naar verwachting een verschillende gebruiksduur, wordt de vervanging van de elementen die een kortere gebruiksduur hebben eveneens geacht deel uit te maken van de dagelijkse onderhoudskosten van het actief bij de schatting van de toekomstige kasstromen die door het actief gegenereerd zullen worden.

59.

Een bijzonder waardeverminderingsverlies dient onmiddellijk als een last te worden opgenomen in de winst- en verliesrekening, tenzij het actief op grond van een andere standaard tegen de geherwaardeerde waarde wordt geboekt (bijvoorbeeld in overeenstemming met het herwaarderingsmodel in IAS 16 Materiële vaste activa). Een bijzonder waardeverminderingsverlies van een geherwaardeerd actief dient in overeenstemming met die andere standaard te worden behandeld als een herwaarderingsafname.

96.

Bij de beoordeling of er aanwijzingen bestaan dat een bijzonder waardeverminderingsverlies dat in voorgaande jaren voor een actief is opgenomen niet langer bestaat of mogelijk is afgenomen, dient een entiteit ten minste de volgende aanwijzingen te overwegen:

…

Interne informatiebronnen

(d)

belangrijke veranderingen met een gunstig effect op de entiteit hebben zich in de verslagperiode voorgedaan of zullen zich naar verwachting in de nabije toekomst voordoen, in de mate waarin of de manier waarop het actief wordt gebruikt of naar verwachting zal worden gebruikt. Deze wijzigingen omvatten kosten die tijdens de periode zijn gemaakt om de prestatie van het actief te verbeteren of te verhogen, of om de bedrijfsactiviteit waartoe het actief behoort te reorganiseren;

en

…

104.

Een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies van een actief dient onmiddellijk als een baten te worden opgenomen in de winst- en verliesrekening, tenzij het actief op grond van een andere standaard tegen geherwaardeerde waarde wordt geboekt (bijvoorbeeld in overeenstemming met het herwaarderingsmodel in IAS 16 Materiële vaste activa). Een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies van een geherwaardeerd actief dient in overeenstemming met die andere standaard te worden behandeld als een herwaarderingstoename.

INTERNATIONAL ACCOUNTING STANDARD 38

Immateriële activa

INHOUD

Doel 1
Toepassingsgebied 2-7
Definities 8-17
Immateriële activa 9-17
Identificeerbaarheid 11-12
Zeggenschap 13-16
Toekomstige economische voordelen 17
Opname en waardering 18-67
Afzonderlijke verwerving 25-32
Verwerving als onderdeel van een bedrijfscombinatie 33-43
Waardering van de reële waarde van een in een bedrijfscombinatie verworven immaterieel actief. 35-41
Latere uitgaven gedaan voor een overgenomen, lopend onderzoeks- en ontwikkelingsproject 42-43
Verwerving via een overheidssubsidie 44
Ruil van activa 45-47
Intern gegenereerde goodwill 48-50
Intern gegenereerde immateriële activa 51-67
Onderzoeksfase 54-56
Ontwikkelingsfase 57-64
Kostprijs van een intern gegenereerd immaterieel actief 65-67
Opname van een last 68-71
Lasten uit het verleden die niet mogen worden opgenomen als een actief 71
Waardering na opname 72-87
Kostprijsmodel 74
Herwaarderingsmodel 75-87
Gebruiksduur 88-96
Immateriële activa met een beperkte gebruiksduur 97-106
Afschrijvingsperiode en afschrijvingsmethode 97-99
Restwaarde 100-103
Beoordeling van de afschrijvingsperiode en afschrijvingsmethode 104-106
Immateriële activa met een onbepaalde gebruiksduur 107-110
Opnieuw beoordelen van de gebruiksduur 109-110
Realiseerbaarheid van de boekwaarde - bijzondere waardeverminderingsverliezen 111
Buitengebruikstelling en vervreemding 112-117
Informatieverschaffing 118-128
Algemeen 118-123
Immateriële activa gewaardeerd na opname volgens het herwaarderingsmodel 124-125
Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling 126-127
Overige informatie 128
Overgangsbepalingen en ingangsdatum 129-132
Ruil van soortgelijke activa 131
Eerdere toepassing 132
Intrekking van IAS 38 (uitgegeven in 1998) 133

Deze herziene Standaard vervangt IAS 38 (1998) Immateriële activa en dient te worden toegepast:

(a)

bij verwerving van immateriële activa in bedrijfscombinaties waarvan de datum van overeenkomst op of na 31 maart 2004 valt.

(b)

op alle andere immateriële activa voor verslagperioden die op of na 31 maart 2004 aanvangen.

Eerdere toepassing wordt aangemoedigd.

DOEL

1.

Het doel van deze standaard is het voorschrijven van de verwerkingswijze voor immateriële activa die niet specifiek worden behandeld in een andere Standaard. Deze standaard bepaalt dat een entiteit een immaterieel actief uitsluitend mag opnemen als en slechts als specifieke criteria vervuld zijn. De standaard specificeert ook hoe de boekwaarde van immateriële activa moet worden bepaald, en schrijft voor dat specifieke informatie over immateriële activa moet worden vermeld.

TOEPASSINGSGEBIED

2.

Deze standaard dient te worden toegepast bij de administratieve verwerking van immateriële activa, met uitzondering van:

(a)

immateriële activa die binnen het toepassingsgebied van een andere standaard vallen;

(b)

financiële activa, zoals gedefinieerd in IAS 39 Financiële instrumenten:Opname en waardering;

en

(c)

rechten om mineralen te winnen, uitgaven voor de exploratie, ontwikkeling en ontginning van mineralen, aardolie, aardgas en soortgelijke niet-regenererende hulpbronnen.

3.

Als een andere Standaard de verwerkingswijze voor een specifiek type van immateriële activa voorschrijft, moet een entiteit die standaard in plaats van deze standaard toepassen. Deze standaard is bijvoorbeeld niet van toepassing op:

(a)

immateriële activa die door een entiteit worden aangehouden voor verkoop in het kader van de normale bedrijfsvoering (zie IAS 2 Voorraden en IAS 11 Onderhanden projecten in opdracht van derden).

(b)

uitgestelde belastingvorderingen (zie IAS 12 Winstbelastingen).

(c)

lease-overeenkomsten die tot het toepassingsgebied van IAS 17 Lease-overeenkomsten behoren.

(d)

activa die voortvloeien uit personeelsbeloningen (zie IAS 19, Personeelsbeloningen).

(e)

financiële activa zoals gedefinieerd in IAS 39. De opname en waardering van sommige financiële activa worden gedekt door IAS 27 Geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening, IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen en IAS 31 Belangen in joint ventures.

(f)

goodwill verworven in een bedrijfscombinatie (zie International Financial Reporting Standards 3, Bedrijfscombinaties).

(g)

uitgestelde overnamekosten en immateriële activa die voortvloeien uit contractuele verzekeringsrechten ingevolge verzekeringscontracten welke binnen het toepassingsgebied van de International Financial Reporting Standard 4 Verzekeringscontracten vallen. De International Financial Reporting Standard 4 zet de specifieke vereisten voor informatieverschaffing van deze uitgestelde overnamekosten uiteen, maar niet de vereisten voor deze immateriële activa. Om deze reden hebben de in deze Standaard opgenomen vereisten inzake informatieverschaffing betrekking op zulke immateriële activa.

(h)

vaste immateriële activa geclassificeerd als aangehouden voor verkoop (of die opgenomen zijn in een groep activa die wordt afgestoten en geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten.

4.

Sommige immateriële activa kunnen vastliggen in of op een fysieke drager, zoals een cd-rom (in het geval van computersoftware), juridische documenten (in het geval van een licentie of octrooi) of film. Bij de bepaling in hoeverre een actief met zowel materiële als immateriële elementen moet worden behandeld overeenkomstig IAS 16 Materiële vaste activa dan wel als een immaterieel actief conform deze standaard, beoordeelt een entiteit welk element het belangrijkst is. Bijvoorbeeld software voor een computergestuurde machine die niet kan werken zonder deze specifieke software, maakt integraal deel uit van deze machine en moet worden verwerkt als een materieel vast actief. Hetzelfde geldt voor het besturingssysteem van een computer. Wanneer de software echter niet integraal deel uitmaakt van de betrokken hardware, wordt deze software verwerkt als een immaterieel actief.

5.

Deze standaard is onder meer van toepassing op uitgaven voor reclame, opleidingen, opstartactiviteiten en onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling van kennis. Bijgevolg is, ook al kunnen deze activiteiten resulteren in een actief met een fysieke vorm (bijvoorbeeld een prototype), het fysieke element van het actief ondergeschikt aan zijn immateriële component, namelijk de kennis die erin vervat is.

6.

In het geval van financiële lease kan het onderliggende actief zowel van materiële als immateriële aard zijn. Na de eerste opname verwerkt een lessee een in het kader van een financiële lease aangehouden immaterieel actief conform deze standaard. Rechten uit hoofde van licentieovereenkomsten voor zaken als speelfilms, video-opnamen, toneelstukken, manuscripten, octrooien en auteursrechten vallen niet onder het toepassingsgebied van IAS 17, maar wel onder dat van deze standaard.

7.

Wanneer activiteiten of transacties zo gespecialiseerd zijn dat ze aanleiding geven tot verwerkingsvraagstukken die op een andere manier moeten worden behandeld, worden ze uitgesloten van het toepassingsgebied van een Standaard. Dergelijke vraagstukken ontstaan bij de verwerking van uitgaven voor de exploratie, ontwikkeling en extractie van aardolie, aardgas en minerale ertsen in winningsindustrieën en in het geval van verzekeringscontracten. Deze standaard is bijgevolg niet van toepassing op uitgaven voor dergelijke activiteiten en contracten. Deze standaard is echter wel van toepassing op andere immateriële activa (zoals computersoftware) en andere opgelopen uitgaven (zoals opstartkosten) in winningsindustrieën of door verzekeraars.

DEFINITIES

8.

De volgende begrippen worden in deze standaard gebruikt met de hierna omschreven betekenis:

Een actieve markt is een markt die voldoet aan de volgende voorwaarden:

(a)

de goederen die op de markt worden verhandeld zijn homogeen;

(b)

er kunnen normaliter op elk moment kopers en verkopers worden gevonden;

en

(c)

de prijzen zijn beschikbaar voor het publiek.

De datum van overeenkomst voor een bedrijfscombinatie is de datum waarop door de verenigde partijen een substantiële overeenkomst is bereikt die, bij beursgenoteerde entiteiten, publiekelijk wordt bekendgemaakt. In geval van agressieve overname is de vroegste datum waarop een substantiële overeenkomst is bereikt tussen verenigde partijen de datum waarop een voldoende aantal eigenaren van de overgenomen partij het aanbod van de overnemende partij heeft geaccepteerd om aan de overnemende partij de zeggenschap van de overgenomen partij over te dragen.

Afschrijving is de stelselmatige toerekening van het af te schrijven bedrag van een immaterieel actief over zijn gebruiksduur.

Een actief is een middel:

(a)

dat uit gebeurtenissen in het verleden is voortgekomen en waarover een entiteit de zeggenschap heeft;

en

(b)

waaruit naar verwachting toekomstige economische voordelen naar de entiteit zullen vloeien.

De boekwaarde is het bedrag waarvoor een actief in de balans wordt opgenomen, na aftrek van eventuele geaccumuleerde afschrijvingen en geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingsverliezen.

De kostprijs is het bedrag van de geldmiddelen of kasequivalenten die worden betaald of de reële waarde van een andere vergoeding die wordt gegeven om een actief te verwerven op het ogenblik dat het wordt verworven of gebouwd, of, wanneer van toepassing, het bedrag dat toegekend werd aan dat actief toen het overeenkomstig de specifieke vereisten van andere International Financial Reporting Standards, bijvoorbeeld IFRS 2, Betaling op basis van aandelen aanvankelijk werd opgenomen.

Het af te schrijven bedrag is de kostprijs van een actief, of een ander kostprijs vervangend bedrag, verminderd met zijn restwaarde.

Ontwikkeling betreft de toepassing van kennis verkregen door onderzoek of op een andere wijze, leidend tot een plan of ontwerp voor de productie van nieuwe of aanzienlijk verbeterde materialen, apparaten, producten, processen, systemen of diensten, voorafgaand aan het begin van commerciële productie of gebruik.

De entiteitsgebonden waarde is de contante waarde van kasstromen die naar verwachting van een entiteit zullen voortvloeien uit het voortgezette gebruik van een actief en uit zijn vervreemding aan het einde van zijn gebruiksduur of waarvan zij verwacht dat deze plaats zal vinden bij de vereffening van een verplichting.

De reële waarde van een actief is het bedrag waarvoor dat actief kan worden verhandeld tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn.

Een bijzonder waardeverminderingsverlies is het bedrag waarmee de boekwaarde van een actief zijn realiseerbare waarde overtreft.

Een immaterieel actief is een identificeerbaar, niet-monetair actief zonder fysieke vorm.

Monetaire activa zijn aangehouden liquide middelen en activa die moeten worden ontvangen in vaste of bepaalbare bedragen.

Onderzoek betreft het vernieuwend en planmatig onderzoekswerk met het oog op het verwerven van nieuwe wetenschappelijke of technische kennis en inzichten.

De restwaarde van een immaterieel actief is het bedrag dat een entiteit naar verwachting momenteel voor het actief zou ontvangen bij vervreemding, na aftrek van de verwachte vervreemdingskosten, indien het actief reeds de verwachte ouderdom zou hebben en in de staat zou verkeren die aan het einde van de gebruiksduur wordt verwacht.

De gebruiksduur is:

(a)

de periode gedurende welke een actief naar verwachting voor een entiteit beschikbaar is voor gebruik;

of

(b)

het aantal productie- of vergelijkbare eenheden dat de entiteit van het actief verwacht te verkrijgen.

Immateriële activa

9.

Door entiteiten worden regelmatig middelen besteed of verplichtingen aangegaan ter verwerving, ontwikkeling, onderhoud of verbetering van immateriële middelen, zoals wetenschappelijke of technische kennis, ontwerp en implementatie van nieuwe processen of systemen, licenties, intellectuele eigendom, marktkennis en handelsmerken (inclusief merknamen en uitgaverechten). Gangbare voorbeelden van zaken die onder deze brede noemer vallen, zijn computersoftware, octrooien, auteursrechten, speelfilms, klantenbestanden, rechten van dienstverlening aan hypothecaire schuldenaren met betrekking tot (tijdige) voldoening van rente- en aflossingsverplichtingen aan kredietverstrekkers, visvergunningen, importquota, franchises, klant- en leveranciersrelaties, klantenbinding, marktaandeel en marketingrechten.

10.

Niet alle voorbeelden vermeld in alinea 9 voldoen aan de definitie van een immaterieel actief, dat wil zeggen dat ze identificeerbaar zijn, dat de betrokken onderneming er de zeggenschap over heeft en dat ze toekomstige economische voordelen opleveren. Als een post die onder het toepassingsgebied van deze standaard valt niet voldoet aan de definitie van een immaterieel actief, worden de uitgaven om die te verwerven of intern te genereren opgenomen als last op het moment dat ze gedaan worden. Als de post echter verworven wordt in een bedrijfscombinatie, maakt zij deel uit van de goodwill die moet worden opgenomen op de overnamedatum (zie alinea 68).

Identificeerbaarheid

11.

De definitie van een immaterieel actief vereist dat dit identificeerbaar is om het te kunnen onderscheiden van goodwill. Goodwill die verworven wordt in een bedrijfscombinatie komt overeen met een betaling die door de overnemende partij gedaan is in afwachting van toekomstige economische voordelen van activa die niet afzonderlijk geïdentificeerd en opgenomen kunnen worden. De toekomstige economische voordelen kunnen resulteren uit de synergie tussen de identificeerbare verworven activa of uit activa die individueel niet in aanmerking komen voor opname in de jaarrekening maar waarvoor de overnemende partij bereid is een bedrag te betalen aan de bedrijfscombinatie.

12.

Een actief beantwoordt aan het criterium van identificeerbaarheid in de definitie van een immaterieel actief wanneer:

(a)

het actief afscheidbaar is, dat wil zeggen wanneer het onderscheiden of gescheiden kan worden van de entiteit en het verkocht, overgeplaatst kan worden, wanneer er vergunningsrechten aan kunnen worden toegekend, wanneer het gehuurd of verruild kan worden, ofwel als opzichzelfstaand actief, ofwel in combinatie met een verwant contract, een actief of een verplichting;

of

(b)

het voortvloeit uit contractuele of andere juridische rechten, ongeacht of deze rechten overdraagbaar zijn aan of gescheiden kunnen worden van de entiteit of van andere rechten en verplichtingen.

Zeggenschap

13.

Een entiteit heeft de zeggenschap over een actief als zij kan beschikken over de toekomstige economische voordelen die voortvloeien uit het onderliggend middel, en als zij de toegang van derden tot deze voordelen kan beperken. Het vermogen van een entiteit om over de toekomstige economische voordelen van een immaterieel actief te beschikken vindt normaliter zijn oorsprong in rechten die juridisch afdwingbaar zijn. Als er geen juridisch afdwingbare rechten zijn, is het moeilijker om de zeggenschap aan te tonen. De juridische afdwingbaarheid van een recht is echter geen noodzakelijke voorwaarde voor zeggenschap aangezien een entiteit in staat kan zijn om op een andere wijze te beschikken over de toekomstige economische voordelen.

14.

Marktkennis en technische kennis kunnen aanleiding geven tot toekomstige economische voordelen. Een entiteit beschikt over deze voordelen als bijvoorbeeld de kennis wordt beschermd door juridisch afdwingbare rechten, zoals auteursrechten, een handelsrestrictie (indien toegestaan) of een juridische geheimhoudingsplicht van werknemers.

15.

Een entiteit kan een team van geschoold personeel hebben en in staat zijn om additionele vaardigheden van het personeel te identificeren, die tot toekomstige economische voordelen leiden. De entiteit kan tevens verwachten dat het personeel zijn vaardigheden ter beschikking zal blijven stellen aan de entiteit. Een entiteit heeft normaliter echter onvoldoende zeggenschap over de verwachte toekomstige economische voordelen die voortvloeien uit een team van geschoold personeel en van opleidingsactiviteiten, om te kunnen stellen dat deze voldoen aan de definitie van een immaterieel actief. Om een soortgelijke reden is het onwaarschijnlijk dat specifieke management- of technische talenten vallen onder de definitie van een immaterieel actief, tenzij ze worden beschermd door juridisch afdwingbare rechten om ze te gebruiken en om de hieruit verwachte toekomstige economische voordelen te verkrijgen, en ze tevens voldoen aan de andere bepalingen van de definitie.

16.

Een entiteit kan een klantenbestand of een marktaandeel bezitten en de verwachting hebben dat door de opbouw van klantenrelaties en klantentrouw, de cliënten met de entiteit zaken zullen blijven doen. Indien er echter geen juridisch afdwingbare rechten bestaan en er ook geen andere manieren zijn om de relaties met de cliënten en de klantentrouw aan de entiteit te beschermen, is de zeggenschap over de verwachte economische voordelen uit de klantenrelaties en klantentrouw meestal onvoldoende om te stellen dat dergelijke posten (bijvoorbeeld klantenbestand, marktaandelen, klantenrelaties en klantentrouw) voldoen aan de definitie van immateriële activa. Indien er geen juridische afdwingbare rechten bestaan om de klantenrelaties te beschermen, zijn ruiltransacties met dezelfde of soortgelijke niet-contractuele klantenrelaties (die niet deel uitmaken van een bedrijfscombinatie) het bewijs dat de entiteit niettemin in staat is zeggenschap te kunnen uitoefenen over verwachte toekomstige economische voordelen die voortvloeien uit klantenrelaties. Omdat dergelijke ruiltransacties ook het bewijs leveren dat de klantenrelaties afscheidbaar zijn, beantwoorden zulke klantenrelaties aan de definitie van immateriële activa.

Toekomstige economische voordelen

17.

De toekomstige economische voordelen die voortvloeien uit een immaterieel actief kunnen de opbrengsten uit de verkoop van goederen of diensten omvatten, alsmede kostenbesparingen of andere voordelen die voortkomen uit het gebruik van het actief door de entiteit. Zo kan het gebruik van intellectueel eigendom in een productieproces toekomstige productiekosten beperken in plaats van toekomstige opbrengsten verhogen.

OPNAME EN WAARDERING

18.

Voor de opname van een post als een immaterieel actief moet een entiteit aantonen dat de post beantwoordt aan:

(a)

de definitie van een immaterieel actief (zie alinea’s 8 tot en met 17);

en

(b)

de opnamecriteria (zie alinea’s 21 tot en met 23).

Deze vereiste is van toepassing op kosten die aanvankelijk gemaakt zijn voor het verwerven of intern genereren van een immaterieel actief en de kosten die later gemaakt zijn om nieuwe bestanddelen aan deze post toe te voegen, deze gedeeltelijk te vervangen of te onderhouden.

19.

Alinea’s 25 tot en met 32 behandelen de opnamecriteria die van toepassing zijn op afzonderlijk verworven immateriële activa terwijl alinea’s 33 tot en met 43 de toepassing van de opnamecriteria op immateriële activa behandelen die verworven zijn in een bedrijfscombinatie. Alinea 44 behandelt de eerste waardering van immateriële activa die via een overheidssubsidie zijn verworven. Alinea’s 45 tot en met 47 behandelen de inruil van immateriële activa terwijl alinea’s 48 tot en met 50 de intern gegenereerde goodwill behandelen. Alinea’s 51 tot en met 67 behandelen de eerste opname en waardering van intern gegenereerde immateriële activa.

20.

De immateriële activa zijn van dien aard dat in de meeste gevallen geen nieuwe bestanddelen aan een dergelijk actief worden toegevoegd of gedeeltelijk wordt vervangen. Dienovereenkomstig zullen waarschijnlijk de meeste, later gedane uitgaven veeleer de verwachte toekomstige economische voordelen, die een bestaand immaterieel actief in zich bergt, in stand houden dan aan de definitie van een immaterieel actief en de opnamecriteria in deze standaard te beantwoorden. Voorts is het vaak moeilijk om dergelijke latere uitgaven direct toe te rekenen aan een bepaald immaterieel actief in plaats van aan de onderneming in haar geheel. Daarom zullen uitgaven na de eerste opname van een verworven immaterieel actief of na de voltooiing van een intern gegenereerd immaterieel actief slechts zelden in de boekwaarde van een actief worden opgenomen. In overeenstemming met alinea 63 worden latere uitgaven voor merken, impressa, uitgaverechten, klantenbestanden en inhoudelijk vergelijkbare posten (zowel extern verworven als intern gegenereerd) altijd opgenomen in de winst-en-verliesrekening op het moment waarop zij gedaan worden. Dit vanwege het feit dat een dergelijke uitgave niet kan worden onderscheiden van uitgaven die voor de ontwikkeling van de onderneming in haar geheel gedaan zijn.

21.

Een immaterieel actief moet alleen worden opgenomen als en slechts als:

(a)

het waarschijnlijk is dat de verwachte toekomstige economische voordelen die kunnen worden toegerekend aan het actief naar de entiteit zullen vloeien;

en

(b)

de kostprijs van het actief betrouwbaar kan worden bepaald.

22.

Een entiteit dient de waarschijnlijkheid van verwachte toekomstige economische voordelen te beoordelen op basis van redelijke en gefundeerde veronderstellingen die de beste inschatting door het management vertegenwoordigen van de economische omstandigheden die gedurende de gebruiksduur van het actief zullen bestaan.

23.

Een entiteit dient naar beste vermogen te beoordelen met welke mate van waarschijnlijkheid de toekomstige economische voordelen in verband met het gebruik van het actief naar de onderneming zullen vloeien, en dit op basis van de gegevens die beschikbaar zijn op het moment van de eerste opname, waarbij een groter belang wordt toegekend aan externe gegevens.

24.

Een immaterieel actief dient de eerste keer tegen kostprijs te worden gewaardeerd.

Afzonderlijke verwerving

25.

De prijs die een entiteit betaalt voor een afzonderlijk verworven immaterieel actief weerspiegelt normaliter de waarschijnlijkheid waarmee verwacht wordt dat de verwachte economische voordelen die het actief in zich bergt naar de entiteit zullen vloeien. Met andere woorden de verwezenlijking van de waarschijnlijkheid weerspiegelt zich in de kostprijs van het actief. Daarom moet altijd aan de waarschijnlijkheid van het opnamecriterium in alinea 21(a) worden voldaan voor afzonderlijk verworven immateriële activa.

26.

Bovendien kan de kostprijs van het afzonderlijk verworven immaterieel actief gewoonlijk betrouwbaar worden gewaardeerd. Dit is met name het geval indien de koopsom de vorm aanneemt van geldmiddelen of andere monetaire activa.

27.

De kostprijs van een afzonderlijk verworven immaterieel actief omvat:

(a)

de aankoopprijs, met inbegrip van invoerrechten en niet-restitueerbare omzetbelasting, na aftrek van handelskortingen en andere kortingen;

en

(b)

alle kosten die rechtstreeks toe te rekenen zijn aan de voorbereiding van het actief voor zijn beoogd gebruik.

28.

Voorbeelden van rechtstreeks toerekenbare kosten zijn:

(a)

kosten van personeelsbeloningen (zoals gedefinieerd in IAS19 Personeelsbeloningen) die rechtstreeks voortkomen uit het gebruiksklaar maken van een actief;

(b)

honoraria die rechtstreeks voortkomen uit het gebruiksklaar maken van een actief;

en

(c)

kosten om te testen of het actief op adequate wijze functioneert.

29.

Voorbeelden van uitgaven die geen deel uitmaken van de kostprijs van een immaterieel actief zijn:

(a)

kosten om een nieuw product of een nieuwe dienst te lanceren (met inbegrip van advertentie- en promotiekosten);

(b)

kosten voor bedrijfsvoering op een nieuwe locatie of met een nieuwe cliëntencategorie (met inbegrip van opleidingskosten voor het personeel);

en

(c)

administratie- en andere algemene overheadkosten.

30.

Opname van kosten in de boekwaarde van een immaterieel actief wordt beëindigd wanneer het actief in staat is te kunnen functioneren op de wijze zoals die door het management bedoeld is. Derhalve worden kosten die gemaakt zijn voor het gebruik of een nieuwe opstelling van een immaterieel actief niet in de boekwaarde van dat actief opgenomen. De volgende kosten worden bijvoorbeeld niet in de boekwaarde van een immaterieel actief opgenomen:

(a)

kosten die gemaakt zijn voor een actief dat nog gebruiksklaar moet gemaakt worden, ondanks dat het in staat is te functioneren op de door het management beoogde wijze;

en

(b)

eerste exploitatieverliezen zoals de verliezen die geleden worden wanneer de vraag naar de output van het actief in opbouw is.

31.

Sommige bedrijfsactiviteiten houden verband met de ontwikkeling van een immaterieel actief, maar zijn niet noodzakelijk om het actief gebruiksklaar te maken om te kunnen functioneren op de wijze zoals die door het management bedoeld is. Deze bijkomstige bedrijfsactiviteiten kunnen voor of gedurende de ontwikkeling plaatsvinden. Omdat bijkomstige bedrijfsactiviteiten niet noodzakelijk zijn om het actief bedrijfsklaar te maken om te kunnen functioneren op de wijze zoals die door het management bedoeld is, worden de opbrengst en de daaraan gerelateerde kosten van bijzondere bedrijfsactiviteiten onmiddellijk in de winst- en verliesrekening voorwaarts te verrekenen belastingverliezen als onderdeel van de opbrengst- en kostencategorieën waartoe zij behoren.

32.

Indien de betaling voor een immaterieel actief wordt uitgesteld tot na de gebruikelijke betalingstermijn, is de kostprijs het equivalent van de contante prijs. Het verschil tussen dit bedrag en het totaal van de betalingen wordt opgenomen als rentelast gedurende de financieringsperiode, tenzij het wordt geactiveerd volgens de activeringsmethode toegestaan in IAS 23 Financieringskosten.

Verwerving als onderdeel van een bedrijfscombinatie

33.

Volgens International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties wordt de kostprijs van een immaterieel actief dat wordt verworven in het kader van een bedrijfscombinatie gewaardeerd tegen de reële waarde op de overnamedatum. De reële waarde van een immaterieel actief weerspiegelt de waarschijnlijkheid waarmee de markt verwacht dat de economische voordelen die het actief in zich bergt naar de entiteit zullen vloeien. Met andere woorden de verwezenlijking van de waarschijnlijkheid weerspiegelt zich in de waardering van de reële waarde van het immaterieel actief. Daarom moet altijd aan de waarschijnlijkheid van het opnamecriterium in alinea 21(a) worden voldaan voor immateriële activa die in bedrijfscombinaties worden verworven.

34.

Dientengevolge en in overeenstemming met deze standaard en International Financial Reporting Standard 3, neemt een overnemende partij op de overnamedatum een immaterieel actief van de overgenomen partij afzonderlijk op van goodwill, indien zijn reële waarde betrouwbaar kan worden gewaardeerd, ongeacht of het actief door de overgenomen partij is opgenomen vóór de bedrijfscombinatie. Dit betekent dat de overnemende partij een lopend onderzoeks- en ontwikkelingsproject van de overgenomen partij als actief afzonderlijk van goodwill opneemt indien het project beantwoordt aan de definitie van een immaterieel actief en zijn reële waarde betrouwbaar kan worden gewaardeerd. Een lopend onderzoeks- en ontwikkelingsproject van de overgenomen partij beantwoordt aan de definitie van een immaterieel actief wanneer:

(a)

het beantwoordt aan de definitie van een actief;

en

(b)

het identificeerbaar is, dat wil zeggen afscheidbaar of wanneer het voortkomt uit contractuele of andere juridische rechten.

Waardering van de reële waarde van een in een bedrijfscombinatie verworven immaterieel actief.

35.

De reële waarde van in bedrijfscombinaties verworven immateriële activa kan normaliter met voldoende betrouwbaarheid worden gewaardeerd om afzonderlijk van goodwill te kunnen worden opgenomen. Wanneer bij de ramingen die gebruikt worden om de reële waarde van een immaterieel actief te waarderen verschillende resultaten gegenereerd worden met een verschillende mate van waarschijnlijkheid, is de waardering van de reële waarde veeleer twijfelachtig dan dat er sprake is van onvermogen om de reële waarde betrouwbaar te kunnen waarderen. Indien een in een bedrijfscombinatie verworven immaterieel actief een beperkte gebruiksduur heeft, bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat zijn reële waarde betrouwbaar kan worden gewaardeerd.

36.

Een in een bedrijfscombinatie verworven immaterieel actief kan afscheidbaar zijn, doch uitsluitend in combinatie met een aanverwant materieel of immaterieel actief. Bijvoorbeeld een uitgaverecht van een magazine kan mogelijk niet verkocht worden zonder een daaraan gerelateerde database van abonnees, of een handelsmerk van natuurlijk bronwater kan gerelateerd zijn aan een bijzondere bron en zou mogelijk niet zonder die bron verkocht kunnen worden. In dergelijke gevallen neemt de overnemende partij de groep van activa als één actief op, los van goodwill, indien de individuele, reële waarden van de activa binnen de groep niet op betrouwbare wijze kunnen worden gewaardeerd.

37.

Zo worden ook begrippen zoals „merk” en „merknaam” vaak als synoniem gebruikt voor handelsmerken en andere merken. De eerste begrippen zijn echter algemene marketingbegrippen die gewoonlijk gebruikt worden om te verwijzen naar een groep van complementaire activa zoals een handelsmerk (of dienstverleningsmerk) en zijn aanverwante handelsnaam, formules, recepten en technologische deskundigheid. De overnemende partij neemt de groep van elkaar aanvullende immateriële activa die een merk vormen op als één actief, wanneer de individuele reële waarden van de complementaire activa niet op betrouwbare wijze kunnen worden gewaardeerd. Indien de individuele reële waarden van de elkaar aanvullende activa op betrouwbare wijze kunnen worden gewaardeerd, kan een overnemende partij ze als één actief opnemen, op voorwaarde dat de individuele activa een soortgelijke gebruiksduur hebben.

38.

De enige omstandigheden waarin het niet mogelijk kan zijn om op betrouwbare wijze de reële waarde van een in een bedrijfscombinatie verworven immaterieel actief te waarderen zijn die omstandigheden waarin het immaterieel actief voortvloeit uit juridische of andere contractuele rechten, en evenmin wanneer:

(a)

het niet afscheidbaar is;

of

(b)

het wel afscheidbaar is, maar wanneer het historiek of bewijsmateriaal van ruiltransacties ontbreekt voor hetzelfde of een soortgelijk actief en anderszins wanneer de raming van de reële waarde afhankelijk zou zijn van onmetelijke variabelen.

39.

De genoteerde marktprijzen in een actieve markt geven de meest betrouwbare schatting van de reële waarde van een immaterieel actief (zie ook alinea 78). De geëigende marktprijs is doorgaans de actuele biedprijs. Als er geen actuele biedprijzen beschikbaar zijn, kan de prijs van de recentste gelijksoortige transactie een basis verschaffen voor de schatting van de reële waarde, op voorwaarde dat er geen aanzienlijke wijziging in de economische omstandigheden heeft plaatsgevonden tussen de datum van de transactie en de datum waarop de reële waarde van het actief wordt geschat.

40.

Indien er voor een immaterieel actief geen actieve markt bestaat, wordt zijn reële waarde gevormd door het bedrag dat de entiteit op de verwervingsdatum zou hebben betaald voor het actief in een transactie tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn, gebaseerd op de beste beschikbare informatie. Bij de bepaling van deze waarde houdt een entiteit rekening met de resultaten van recente transacties voor soortgelijke activa.

41.

Entiteiten die regelmatig betrokken zijn bij de aankoop en verkoop van unieke immateriële activa hebben mogelijk technieken ontwikkeld om de reële waarde ervan indirect te bepalen. Deze technieken kunnen worden gehanteerd voor de eerste waardering van een immaterieel actief dat is verworven in een bedrijfscombinatie als ze tot doel hebben de reële waarde te schatten en als deze technieken actuele transacties en gebruiken weerspiegelen in de bedrijfstak waartoe het actief behoort. Deze technieken omvatten in voorkomend geval:

(a)

toepassing van conversietabellen die de actuele markttransacties weerspiegelen van indicatoren waarop de winstgevendheid van het actief gebaseerd zijn (zoals de opbrengst, de marktaandelen en de exploitatiewinst) of van de royalty’s die verkregen zouden kunnen worden door een vergunning van het immaterieel actief aan een andere partij te verlenen in een transactie tussen (onafhankelijke) partijen op zakelijke en objectieve grondslag (zoals in de methode „ondersteuning door royalty’s”);

of

(b)

discontering van toekomstige geschatte netto kasstomen uit het actief.

Latere uitgaven gedaan voor een overgenomen, lopend onderzoeks- en ontwikkelingsproject

42.

Onderzoeks- of ontwikkelingsuitgaven die:

(a)

verband houden met een lopend onderzoeks- of ontwikkelingsproject dat afzonderlijk of in het kader van een bedrijfscombinatie is overgenomen en dat is opgenomen als immaterieel actief;

en

(b)

gedane uitgaven na de overname van dat project dienen volgens alinea’s 54 tot en met 62 te worden verwerkt.

43.

Toepassing van de vereisten in de alinea’s 54 tot en met 62 betekent dat een latere uitgave voor een lopend onderzoeks- of ontwikkelingsproject, dat afzonderlijk of in het kader van een bedrijfscombinatie is overgenomen en dat opgenomen is als immaterieel actief:

(a)

als last bij uitgave wordt opgenomen en het een uitgave voor onderzoek betreft;

(b)

als last bij uitgave wordt opgenomen wanneer het een uitgave voor ontwikkeling betreft die niet beantwoordt aan de opnamecriteria voor een immaterieel actief in alinea 57;

en

(c)

opgeteld wordt bij de boekwaarde van het overgenomen lopende onderzoeks- of ontwikkelingsproject, indien het een uitgave voor ontwikkeling betreft die beantwoordt aan de opnamecriteria in alinea 57.

Verwerving via een overheidssubsidie

44.

In sommige gevallen kan een immaterieel actief gratis of tegen een nominale vergoeding worden verworven door middel van een overheidssubsidie. Dit komt bijvoorbeeld voor indien een overheidsinstantie immateriële activa zoals landingsrechten, radio- of tv-uitzendlicenties, invoerrechten of -quota of toegangsrechten tot schaarse middelen overdraagt of toewijst aan een entiteit. Overeenkomstig IAS 20 Administratieve verwerking van overheidssubsidies en informatieverschaffing over overheidssteun mag een entiteit kiezen om zowel het immaterieel actief als de subsidie bij de eerste opname op te nemen tegen reële waarde. Als een entiteit ervoor kiest het actief bij de eerste opname niet op te nemen tegen de reële waarde, moet de entiteit het actief bij de eerste opname opnemen tegen een nominaal bedrag (de alternatieve verwerkingswijze die is toegestaan op grond van IAS 20) vermeerderd met de eventuele uitgaven die direct zijn toe te rekenen aan het geschikt maken van het actief voor zijn beoogde gebruik.

Ruil van activa

45.

Een immaterieel actief of meerdere immateriële activa kunnen worden verworven in ruil tegen een niet-monetair actief of niet-monetaire activa, of een combinatie van monetaire en niet-monetaire activa. De volgende beschouwing verwijst eenvoudigweg naar een ruil van een niet-monetair actief tegen een monetair-actief, maar het is ook van toepassing op alle ruiltransacties die in de voorgaande zin beschreven zijn. De kostprijs van een dergelijk immaterieel actief wordt gewaardeerd tegen reële waarde tenzij (a) de commerciële realiteit in de ruiltransactie ontbreekt of (b) wanneer reële waarde van zowel het ingebrachte als het afgestane actief niet op betrouwbare wijze te waarderen is. Het verworven actief wordt op deze wijze gewaardeerd, zelfs wanneer een entiteit niet onmiddellijk het afgestane actief uit de balans kan verwijderen. Indien het verworven actief niet tegen reële waarde wordt gewaardeerd, wordt zijn kostprijs tegen de boekwaarde van het afgestane actief gewaardeerd.

46.

Een entiteit bepaalt of een ruiltransactie op commerciële realiteit gebaseerd is, door te beoordelen in welke mate zij verwacht dat toekomstige kasstromen zullen wijzigen als gevolg van de transactie. Een ruiltransactie vormt een commerciële realiteit indien:

(a)

de samenstelling (dat wil zeggen het risico, het tijdstip en het bedrag) van de kasstromen van het ingebrachte actief verschilt van de samenstelling van de kasstromen van de overgedragen activa;

of

(b)

de entiteitsgebonden waarde van het gedeelte van de bedrijfsvoering van de entiteit dat door de transactie beïnvloed is wijzigt, als gevolg van de ruil;

en

(c)

de verschillen onder (a) of (b) belangrijk zijn met betrekking tot de reële waarde van de geruilde activa.

Om te bepalen of ruiltransacties een commerciële realiteit vormen, dient de entiteitsgebonden waarde van het gedeelte van de bedrijfsactiviteiten van de entiteit dat door de transactie is beïnvloed de kasstromen na aftrek van belastingen weer te geven. Het resultaat van deze analyses kan duidelijk zijn zonder dat de entiteit gedetailleerde berekeningen hoeft uit te voeren.

47.

Alinea 21(b) vermeldt dat een voorwaarde voor de opname van een immaterieel actief is dat de kostprijs van het actief op betrouwbare wijze kan worden gewaardeerd. De reële waarde van een immaterieel actief waarvoor vergelijkbare markttransacties ontbreken kan betrouwbaar worden bepaald indien (a) bij dat actief geen sprake is van een aanzienlijke mate van variabiliteit in de bandbreedte van redelijke schattingen van reële waarde of indien (b) de waarschijnlijkheid van de verschillende schattingen binnen de bandbreedte redelijk goed kan worden beoordeeld en kan worden gebruikt voor het schatten van de reële waarde. Indien een entiteit in staat is op betrouwbare wijze de reële waarde te bepalen van ofwel het ingebrachte actief ofwel van het afgestane actief, dan wordt de reële waarde van het afgestane actief gebruikt om de kostprijs te waarderen, tenzij de reële waarde van het ingebrachte actief op meer betrouwbare wijze kan worden vastgesteld.

Intern gegenereerde goodwill

48.

Intern gegenereerde goodwill dient niet te worden opgenomen als een actief.

49.

In sommige gevallen worden uitgaven gedaan om toekomstige economische voordelen te genereren, maar resulteren deze uitgaven echter niet in het ontstaan van een immaterieel actief dat beantwoordt aan de opnamecriteria in deze standaard. Dergelijke uitgaven worden vaak beschreven als een bijdrage tot de intern gegenereerde goodwill. Intern gegenereerde goodwill wordt niet opgenomen als een actief omdat het geen identificeerbaar middel is (dat wil zeggen dat het niet afscheidbaar is noch voortvloeit uit contractuele of andere legale rechten) waarover de entiteit de zeggenschap heeft en dat betrouwbaar kan worden gewaardeerd tegen kostprijs.

50.

Verschillen tussen de marktwaarde van een entiteit en de boekwaarde van haar identificeerbare nettoactiva op een willekeurig moment kunnen overeenstemmen met een reeks factoren die de waarde van de entiteit beïnvloeden. Dergelijke verschillen vertegenwoordigen echter niet de kostprijs van immateriële activa waarover de entiteit de zeggenschap heeft.

Intern gegenereerde immateriële activa

51.

Het is soms moeilijk om te beoordelen of een intern gegenereerd immaterieel actief voldoet aan de criteria voor opname vanwege problemen:

(a)

om te identificeren of en wanneer er een identificeerbaar actief is dat verwachte toekomstige economische voordelen zal genereren;

en

(b)

om de kostprijs van het actief betrouwbaar te bepalen. In sommige gevallen kan de kostprijs van een intern gegenereerd immaterieel actief niet worden onderscheiden van de kosten om de intern gegenereerde goodwill van de entiteit te handhaven of te verhogen of om de dagelijkse bedrijfsactiviteiten uit te voeren.

Naast het naleven van de algemene vereisten voor de opname en eerste waardering van een immaterieel actief, past een entiteit de vereisten en leidraden uit alinea's 52 tot en met 67 toe op alle intern gegenereerde immateriële activa.

52.

Om te beoordelen of een intern gegenereerd immaterieel actief voldoet aan de criteria voor opname, classificeert een entiteit het genereren van het actief in:

(a)

een onderzoeksfase;

en

(b)

een ontwikkelingsfase.

Hoewel de termen „onderzoek” en „ontwikkeling” een vaste definitie hebben, hebben de termen „onderzoeksfase” en „ontwikkelingsfase” een ruimere betekenis binnen het bestek van deze standaard.

53.

Als een entiteit bij een intern project dat gericht is op het genereren van een immaterieel actief de onderzoeksfase niet kan onderscheiden van de ontwikkelingsfase, verwerkt zij de uitgaven voor dat project alsof deze alleen werden gedaan in de onderzoeksfase.

Onderzoeksfase

54.

Er dienen geen immateriële activa te worden opgenomen die ontstaan uit onderzoek (of uit de onderzoeksfase van een intern project). Uitgaven voor onderzoek (of voor de onderzoeksfase van een intern project) dienen als last te worden opgenomen op het moment waarop ze worden gedaan.

55.

In de onderzoeksfase van een intern project kan een entiteit niet aantonen dat een immaterieel actief bestaat dat waarschijnlijk toekomstige economische voordelen zal genereren. Deze uitgaven worden bijgevolg als last opgenomen op het moment waarop ze gedaan worden.

56.

Voorbeelden van onderzoeksactiviteiten zijn:

(a)

activiteiten gericht op de verwerving van nieuwe kennis;

(b)

het zoeken naar en evalueren, definitief kiezen en toepassen van onderzoeksresultaten of andere kennis;

(c)

het zoeken naar alternatieven voor materialen, apparaten, producten, processen, systemen of diensten;

en

(d)

het formuleren, ontwerpen, evalueren en het maken van een definitieve keuze uit mogelijke alternatieven voor nieuwe of verbeterde materialen, apparaten, producten, processen, systemen of diensten.

Ontwikkelingsfase

57.

Een immaterieel actief dat voortvloeit uit de ontwikkeling (of uit de ontwikkelingsfase van een intern project) dient alleen te worden opgenomen als en slechts als een entiteit alle navolgende punten kan aantonen:

(a)

de technische uitvoerbaarheid om het immaterieel actief te voltooien, zodat het beschikbaar zal zijn voor gebruik of verkoop.

(b)

haar intentie om het immaterieel actief te voltooien en te gebruiken of te verkopen.

(c)

haar vermogen om het immaterieel actief te gebruiken of te verkopen.

(d)

hoe het immaterieel actief waarschijnlijke toekomstige economische voordelen zal genereren. Onder andere kan de entiteit aantonen dat er een markt bestaat voor de goederen of diensten die met het immaterieel actief worden voortgebracht dan wel voor het immaterieel actief zelf of, als het intern wordt gebruikt, de bruikbaarheid van het immaterieel actief.

(e)

de beschikbaarheid van adequate technische, financiële en andere middelen om de ontwikkeling te voltooien en het immaterieel actief te gebruiken of te verkopen.

(f)

het vermogen om de uitgaven die aan het immaterieel actief kunnen worden toegerekend tijdens zijn ontwikkeling betrouwbaar te waarderen.

58.

In de ontwikkelingsfase van een intern project kan een entiteit in sommige gevallen een immaterieel actief identificeren en aantonen dat het actief waarschijnlijke toekomstige economische voordelen zal genereren. Dit komt omdat de ontwikkelingsfase van een project een latere, verder gevorderde fase is dan de onderzoeksfase.

59.

Voorbeelden van ontwikkelingsactiviteiten zijn:

(a)

het ontwerpen, bouwen en testen van prototypes en modellen, voorafgaand aan de productie of het gebruik;

(b)

het ontwerpen van gereedschap, mallen en matrijzen met betrekking tot nieuwe technologie;

(c)

het ontwerpen, bouwen en in gebruik nemen van een proeffabriek die nog niet geschikt is voor commerciële productie;

en

(d)

het ontwerpen, bouwen en testen van een gekozen alternatief voor nieuwe of verbeterde materialen, apparaten, producten, processen, systemen of diensten.

60.

Om aan te tonen hoe een immaterieel actief in de toekomst waarschijnlijke economische voordelen zal voortbrengen, beoordeelt de entiteit de uit het actief te ontvangen toekomstige economische voordelen in overeenstemming met de grondslagen die zijn uiteengezet in IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa. Als het actief alleen in combinatie met andere activa economische voordelen zal voortbrengen, past de entiteit het concept van kasstroomgenererende eenheden toe van IAS 36.

61.

De beschikbaarheid van middelen om een immaterieel actief te voltooien, te gebruiken en de eraan verbonden voordelen te verkrijgen kan bijvoorbeeld worden aangetoond in een ondernemingsplan waarin de benodigde technische, financiële en overige middelen alsmede het vermogen van de entiteit om deze middelen zeker te stellen, worden aangetoond. In sommige gevallen toont een entiteit de beschikbaarheid van externe financiering aan door het verkrijgen van een kennisgeving van een leninggever waarin deze aangeeft bereid te zijn het plan te financieren.

62.

De kostprijs om een immaterieel actief intern te genereren, zoals salarissen en andere uitgaven die worden gedaan ten behoeve van auteursrechten of licenties of de ontwikkeling van software, kan vaak betrouwbaar worden gewaardeerd op basis van de kostenregistratiesystemen van de entiteit.

63.

Intern gegenereerde merken, uitgaverechten, cliëntenbestanden en inhoudelijk gelijksoortige posten dienen niet als immateriële activa te worden opgenomen.

64.

Uitgaven voor intern gegenereerde merken, uitgaverechten, cliëntenbestanden en inhoudelijk gelijksoortige posten kunnen niet worden onderscheiden van kosten voor de ontwikkeling van de onderneming als geheel. Daarom worden dergelijke posten niet opgenomen als immateriële activa.

Kostprijs van een intern gegenereerd immaterieel actief

65.

De kostprijs van een intern gegenereerd immaterieel actief binnen het bestek van alinea 24 is de som van de uitgaven die zich voordoen vanaf de datum waarop het immaterieel actief voor het eerst voldoet aan de opnamecriteria in alinea's 21, 22 en 57. Alinea 71 verbiedt de heropname van uitgaven die voorheen waren opgenomen als last.

66.

De kostprijs van een intern gegenereerd immaterieel actief omvat alle kosten die rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het tot stand brengen, de productie en de voorbereiding van het actief, zodat het kan functioneren op de wijze zoals die door het management bedoeld is. Voorbeelden van rechtstreeks toerekenbare kosten zijn:

(a)

kosten die gebruikt of verbruikt zijn voor materialen en diensten bij het genereren van het immaterieel actief;

(b)

kosten van personeelsbeloningen (zoals gedefinieerd in IAS19 Personeelsbeloningen) die rechtstreeks voortkomen uit het genereren van de immateriële activa;

(c)

honoraria om een juridisch afdwingbaar recht te registreren;

en

(d)

afschrijving van octrooien en licenties welke gebruikt worden om de immateriële activa te genereren.

IAS 23 Financieringskosten vermeldt criteria voor de opname van rente als een kostprijselement van een intern gegenereerd immaterieel actief.

67.

De volgende componenten zijn geen onderdeel van de kostprijs van een intern gegenereerd immaterieel actief:

(a)

verkoop- en administratiekosten en andere algemene overheadkosten, tenzij deze uitgaven direct kunnen worden toegerekend aan het gebruiksklaar maken van het actief;

(b)

geïdentificeerde inefficiënties en initiële exploitatieverliezen die zich voordoen voordat een actief de beoogde prestatieniveaus heeft bereikt;

en

(c)

uitgaven voor de opleiding van het personeel dat het actief bedient.

Voorbeeld ter illustratie van alinea 65

Een entiteit ontwikkelt een nieuw productieproces. In de loop van 20X5 werden uitgaven gedaan voor een bedrag van 1 000  (*1) VE, waarvan 900 VE voor 1 december 20X5 en 100 VE tussen 1 december 20X5 en 31 december 20X5. De entiteit kan aantonen dat het productieproces op 1 december 20X5 beantwoordde aan de criteria voor opname als een immaterieel actief. De realiseerbare waarde van de in het proces vervatte knowhow (inclusief toekomstige uitstromen van kasmiddelen om het proces te voltooien voor het gebruiksklaar is) wordt geschat op 500 VE.

Aan het einde van 20X5 wordt het productieproces opgenomen als een immaterieel actief tegen een kostprijs van 100 VE (uitgaven gedaan sinds de datum waarop de opnamecriteria werden vervuld, dat wil zeggen sinds 1 december 20X5). De uitgaven ten bedrage van 900 VE die gedaan werden vóór 1 december 20X5 worden als last opgenomen omdat de opnamecriteria pas vervuld waren op 1 december 20X5. Deze uitgaven zullen geen deel uitmaken van de kostprijs van het in de balans opgenomen productieproces.

In 20X6 werd voor een bedrag van 2 000 VE uitgaven gedaan. Aan het einde van 20X6 wordt de realiseerbare waarde van de in het proces vervatte knowhow (inclusief toekomstige uitstromen van kasmiddelen om het proces te voltooien vóór het gebruiksklaar is) geschat op 1 900 VE.

Aan het einde van 20X6 bedraagt de kostprijs van het productieproces 2 100 VE (uitgaven ten bedrage van 100 VE opgenomen aan het einde van 20X5 plus uitgaven ten bedrage van 2 000 VE opgenomen in 20X6). De entiteit neemt een bijzonder waardeverminderingsverlies van 200 VE op om de boekwaarde van het proces vóór het bijzonder waardeverminderingsverlies (2 100 VE) aan te passen aan de realiseerbare waarde (1 900 VE). Dit bijzonder waardeverminderingsverlies zal in een latere periode worden teruggeboekt indien de in IAS 36 beschreven vereisten voor de terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies zijn vervuld.

OPNAME VAN EEN LAST

68.

Uitgaven voor een immaterieel actief moeten als last worden opgenomen op het moment dat ze gedaan worden, tenzij:

(a)

ze een onderdeel vormen van de kostprijs van een immaterieel actief dat voldoet aan de opnamecriteria (zie alinea's 18 tot en met 67);

of

(b)

het actief is verworven in een bedrijfscombinatie en niet kan worden opgenomen als een immaterieel actief. Indien dit het geval is, moeten deze uitgaven (die begrepen zijn in de kostprijs van de bedrijfscombinatie) een onderdeel vormen van het bedrag dat wordt toegerekend aan de goodwill op de overnamedatum (zie International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties).

69.

In sommige gevallen worden uitgaven gedaan om toekomstige economische voordelen te behalen voor een entiteit, terwijl geen (immaterieel) actief wordt verworven of gecreëerd dat kan worden opgenomen. In deze gevallen worden de uitgaven als last opgenomen op het moment dat ze gedaan worden. Uitgaven voor onderzoek worden bijvoorbeeld als last opgenomen op het moment dat ze gedaan worden (zie alinea 54), behalve wanneer ze onderdeel vormen van de kostprijs van een bedrijfscombinatie. Andere voorbeelden van uitgaven die worden opgenomen als last wanneer ze worden gedaan, zijn:

(a)

uitgaven voor opstartactiviteiten (dat wil zeggen opstartkosten), tenzij deze uitgaven opgenomen zijn in de kostprijs van een post van het materieel vast actief overeenkomstig IAS 16 Materiële vaste activa. Opstartkosten kunnen bestaan uit oprichtingskosten, zoals juridische en administratieve kosten die gemaakt zijn voor het oprichten van een rechtspersoon, uitgaven voor het openen van een nieuwe vestiging of een nieuw bedrijf (kosten vóór de opening) of uitgaven voor het starten van nieuwe bedrijfsactiviteiten of het lanceren van nieuwe producten of processen (kosten vóór de exploitatie).

(b)

uitgaven voor opleidingsactiviteiten.

(c)

uitgaven voor reclame en promotie.

(d)

uitgaven voor het verhuizen of reorganiseren van een deel van een entiteit of een gehele entiteit.

70.

Alinea 68 sluit de opname van een vooruitbetaling als actief niet uit indien de betaling voor de levering van goederen of diensten plaatsvond voordat de goederen geleverd of de diensten verricht werden.

Lasten uit het verleden die niet mogen worden opgenomen als een actief

71.

Uitgaven voor een immaterieel actief die bij de eerste opname als last waren opgenomen dienen niet te worden opgenomen als onderdeel van de kostprijs van een immaterieel actief op een latere datum.

WAARDERING NA OPNAME

72.

Een entiteit dient als grondslagen voor financiële verslaggeving ofwel voor het kostprijsmodel in alinea 74 ofwel voor het herwaarderingsmodel in alinea 75.te kiezen. Als een immaterieel actief verwerkt wordt volgens het herwaarderingsmodel, dienen ook alle andere activa in dezelfde categorie te worden verwerkt volgens hetzelfde model, tenzij er voor deze activa geen actieve markt bestaat.

73.

Een categorie van immateriële activa is een groepering van activa met een soortgelijke aard en een gelijksoortig gebruik in de activiteiten van een entiteit. De posten binnen een categorie van immateriële activa worden gelijktijdig geherwaardeerd om te voorkomen dat activa selectief worden geherwaardeerd en dat de jaarrekening waarden weergeeft die een mengeling van kosten en waarden op verschillende data vertegenwoordigen.

Kostprijsmodel

74.

Na de eerste opname dient een immaterieel actief te worden geboekt tegen kostprijs verminderd met de eventuele geaccumuleerde afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingsverliezen.

Herwaarderingsmodel

75.

Na de eerste opname dient een immaterieel actief te worden geboekt tegen een geherwaardeerd bedrag, zijnde zijn reële waarde op de datum van de herwaardering verminderd met de eventuele latere geaccumuleerde afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingsverliezen. Ten behoeve van herwaarderingen volgens deze standaard moet de reële waarde worden bepaald op basis van een actieve markt. Herwaarderingen moeten met een zodanige regelmatigheid worden uitgevoerd, dat de boekwaarde van het actief niet beduidend verschilt van de reële waarde op de balansdatum.

76.

Het herwaarderingsmodel staat het volgende niet toe:

(a)

de herwaardering van immateriële activa die voorheen niet waren opgenomen als activa;

of

(b)

de eerste opname van immateriële activa tegen andere bedragen dan de kostprijs.

77.

Het herwaarderingsmodel wordt toegepast nadat een actief bij de eerste opname is opgenomen tegen kostprijs. Als echter slechts een deel van de kostprijs van een immaterieel actief is opgenomen als een actief omdat het actief niet beantwoordde aan de criteria voor opname tot het proces reeds in zekere mate gevorderd was (zie alinea 65), mag het herwaarderingsmodel worden toegepast op het geheel van dat actief. Daarnaast mag het herwaarderingsmodel worden toegepast op een immaterieel actief dat is ontvangen door middel van een overheidssubsidie en opgenomen tegen een nominaal bedrag (zie alinea 44).

78.

Het is weinig gebruikelijk dat er een actieve markt met de in alinea 8 beschreven kenmerken zou bestaan voor een immaterieel actief, al is dit soms wel het geval. In sommige rechtsgebieden bijvoorbeeld kan een actieve markt bestaan voor vrijelijk overdraagbare taxivergunningen, visvergunningen of productiequota’s. Een actieve markt kan echter niet bestaan voor merken, uitgaverechten voor kranten, muziek en filmrechten, octrooien of handelsmerken, omdat elk dergelijk actief enig in zijn soort is. Hoewel immateriële activa worden gekocht en verkocht, worden de contracten bovendien onderhandeld tussen individuele kopers en verkopers en vinden transacties relatief weinig plaats. Om deze redenen vormt de prijs die betaald is voor een bepaald actief niet noodzakelijk een voldoende indicatie van de reële waarde van een ander actief. Bovendien zijn de prijzen vaak niet beschikbaar voor het publiek.

79.

De frequentie van herwaarderingen hangt af van de volatiliteit van de reële waarde van de immateriële activa die worden geherwaardeerd. Indien de reële waarde van een geherwaardeerd actief materieel verschilt van zijn boekwaarde, is een verdere herwaardering noodzakelijk. Sommige immateriële activa kunnen aanzienlijke en volatiele wijzigingen in reële waarde ondergaan, wat een jaarlijkse herwaardering vereist. Deze frequente herwaarderingen zijn echter niet nodig voor immateriële activa die slechts geringe wijzigingen in reële waarde ondergaan.

80.

Als een immaterieel actief wordt geherwaardeerd, wordt een eventuele geaccumuleerde afschrijving op de datum van de herwaardering:

(a)

evenredig aangepast met de wijziging van de brutoboekwaarde van het actief, zodat de boekwaarde van het actief na de herwaardering gelijk is aan de geherwaardeerde waarde; of

(b)

geëlimineerd tegen de brutoboekwaarde van het actief, waarbij de nettowaarde wordt aangepast aan de geherwaardeerde waarde van het actief.

81.

Als een immaterieel actief in een categorie van geherwaardeerde immateriële activa niet kan worden geherwaardeerd omdat er voor dit actief geen actieve markt bestaat, moet het actief worden geboekt tegen kostprijs verminderd met eventuele geaccumuleerde afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingsverliezen.

82.

Als de reële waarde van een geherwaardeerd immaterieel actief niet langer kan worden bepaald op basis van een actieve markt, moet als boekwaarde van het actief zijn geherwaardeerde waarde op de datum van de laatste herwaardering op basis van de actieve markt worden genomen, verminderd met eventuele latere geaccumuleerde afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingsverliezen.

83.

Het feit dat een actieve markt voor een geherwaardeerd immaterieel actief niet langer bestaat kan erop wijzen dat het actief een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan en dat het onderzocht moet worden overeenkomstig IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa.

84.

Indien de reële waarde van het actief kan worden bepaald op basis van een actieve markt op een latere waarderingsdatum, wordt vanaf die datum het herwaarderingsmodel toegepast.

85.

Indien de boekwaarde van een immaterieel actief is gestegen als gevolg van een herwaardering, moet de stijging direct in het eigen vermogen worden verwerkt als herwaarderingsreserve. De stijging echter moet echter in de winst-en-verliesrekening worden opgenomen, in zoverre zij een afwaardering van hetzelfde actief terugdraait die voorheen in de winst-en-verliesrekening was opgenomen.

86.

Indien de boekwaarde van een immaterieel actief daalt als gevolg van een herwaardering, moet de daling in de winst-en-verliesrekening worden opgenomen. De afwaardering moet direct in het eigen vermogen als herwaarderingsreserve worden verwerkt, in zoverre de herwaarderingsreserve die op dat actief betrekking heeft over een creditsaldo beschikt.

87.

De in het eigen vermogen verwerkte cumulatieve herwaarderingsreserve mag direct naar de ingehouden winsten worden overgedragen wanneer de reserve wordt gerealiseerd. De volledige reserve mag bij de buitengebruikstelling of vervreemding van het actief worden gerealiseerd. Een gedeelte van de reserve mag echter worden gerealiseerd naarmate het actief door de entiteit wordt gebruikt. In dit geval is de waarde van de gerealiseerde reserve gelijk aan het verschil tussen de afschrijving op basis van de geherwaardeerde boekwaarde van het actief en de afschrijving die zou zijn opgenomen op basis van de historische kostprijs van het actief. De overboeking van herwaarderingsreserve naar ingehouden winsten gebeurt niet via de winst- en verliesrekening.

GEBRUIKSDUUR

88.

Een entiteit dient te beoordelen of de gebruiksduur van een immaterieel actief beperkt of onbeperkt is. Indien deze beperkt is dient zij de duur, of het productieaantal of het gelijksoortig aantal eenheden die de gebruiksduur vormen te bepalen. De entiteit dient te beschouwen dat een immaterieel actief een onbepaalde gebruiksduur heeft wanneer, op basis van een analyse van alle ter zake doende factoren, er geen voorspelbare beperking is voor de periode waarin verwacht wordt dat het actief een netto-instroom aan geldmiddelen zal genereren voor de entiteit.

89.

De verwerking van een immaterieel actief is gebaseerd op zijn gebruiksduur. Een immaterieel actief met een beperkte gebruiksduur wordt afgeschreven (zie alinea’s 97 tot en met 106) terwijl dit niet het geval is voor een immaterieel actief met een onbepaalde gebruiksduur (zie alinea’s 107 tot en met 110). De illustratieve voorbeelden die in deze standaard zijn opgenomen illustreren hoe de gebruiksduur voor de verschillende immateriële activa bepaald wordt en de latere verwerking van deze activa op basis van de bepaling van hun gebruiksduur.

90.

Vele factoren worden in overweging genomen bij het bepalen van de gebruiksduur van een immaterieel actief, zoals:

(a)

het verwachte gebruik van het actief door de entiteit, en of het actief doelmatig beheerd zou kunnen worden door een ander managementteam;

(b)

de typische levenscyclus van het actief en publieke informatie over schattingen van de gebruiksduur van soortgelijke activa die op vergelijkbare wijze worden gebruikt;

(c)

technische, technologische of commerciële veroudering, of andere vormen van economische veroudering;

(d)

de stabiliteit van de betreffende bedrijfstak en veranderingen in de marktvraag naar de met het actief vervaardigde producten of diensten;

(e)

verwachte acties door concurrenten of potentiële concurrenten;

(f)

het niveau van onderhoudsuitgaven die vereist zijn om de verwachte toekomstige economische voordelen van het actief te verkrijgen, en de mogelijkheid en intentie van de entiteit om een dergelijk niveau te bereiken;

(g)

de duur van de periode waarin de entiteit over het actief kan beschikken en juridische en soortgelijke beperkingen met betrekking tot het gebruik van het actief, zoals de vervaldata van op het actief betrekking hebbende lease-overeenkomsten;

en

(h)

de vraag of de gebruiksduur van het actief afhangt van de gebruiksduur van andere activa van de entiteit.

91.

De term „onbepaald” betekent niet „onbeperkt”. De gebruiksduur van een immaterieel actief weerspiegelt slechts de toekomstige uitgaven die nodig zijn om de prestatienorm van het actief te handhaven op het niveau dat bepaald werd op het moment waarop de gebruiksduur van het actief werd geraamd en de mogelijkheid en de intentie van een entiteit om een dergelijk niveau te bereiken. De conclusie die stelt dat de gebruiksduur van een immaterieel actief onbepaald is dient niet afhankelijk te zijn van geraamde toekomstige uitgaven boven die uitgaven die nodig zijn om het actief op die prestatienorm te handhaven.

92.

Wegens de snelle veranderingen in de technologie zijn computersoftware en vele andere immateriële activa onderhevig aan technologische veroudering. Bijgevolg is het waarschijnlijk dat de gebruiksduur van deze activa kort is.

93.

De gebruiksduur van een immaterieel actief kan zeer lang zijn of zelfs onbepaald. Onzekerheid rechtvaardigt dat de gebruiksduur van een immaterieel actief op een voorzichtige basis wordt geschat, maar rechtvaardigt geen onrealistisch korte gebruiksduur.

94.

De gebruiksduur van een immaterieel actief dat voortvloeit uit contractuele of andere juridische rechten zal niet de periode overschrijden van de contractuele of andere juridische rechten, maar kan wel korter zijn afhankelijk van de periode waarin de entiteit verwacht het actief te zullen gebruiken. Indien de contractuele of andere juridische rechten overgedragen worden voor een beperkte duur die verlengd kan worden, dient de gebruiksduur van het immaterieel actief de periode(n) van verlenging slechts dan te omvatten wanneer er aanduidingen bestaan dat de entiteit zonder hoge kosten gebruik zal maken van de verlenging.

95.

Soms kunnen zowel economische als juridische factoren de gebruiksduur van een immaterieel actief beïnvloeden. Economische factoren bepalen de periode waarin toekomstige economische voordelen door de entiteit zullen worden verkregen. Juridische factoren kunnen de periode beperken waarin de entiteit de zeggenschap heeft over deze voordelen. De gebruiksduur is de kortste van de perioden die door deze factoren zijn bepaald.

96.

Wanneer onder meer de volgende factoren aanwezig zijn, bestaat er een aanwijzing dat een entiteit in staat zal zijn om de contractuele of andere juridische rechten zonder hoge kosten te vernieuwen:

(a)

het is aantoonbaar, mogelijk op basis van ervaring, dat de contractuele of andere juridische rechten zullen worden verlengd. Indien de verlenging afhangt van de goedkeuring door een derde, houdt dit ook in dat er aanwijzingen bestaan dat de derde zijn goedkeuring zal geven;

(b)

er bestaan aanwijzingen dat aan alle benodigde voorwaarden om de goedkeuring te ontvangen zal worden voldaan;

en

(c)

de kostprijs voor de entiteit voor verlening is niet significant in vergelijking met de toekomstige economische voordelen die verwacht worden door de verlenging naar de entiteit te zullen vloeien.

Indien de kostprijs van de verlening significant is in vergelijking met de toekomstige economische voordelen die verwacht worden door de verlenging naar de entiteit te zullen vloeien, vertegenwoordigt de kostprijs van de „verlenging” in feite de kostprijs om een nieuw immaterieel actief te verwerven op de verlengingsdatum.

IMMATERIËLE ACTIVA MET EEN BEPERKTE GEBRUIKSDUUR

Afschrijvingsperiode en afschrijvingsmethode

97.

Het af te schrijven bedrag van een immaterieel actief met een beperkte gebruiksduur moet stelselmatig worden toegerekend over zijn gebruiksduur. De afschrijving van een actief dient aan te vangen wanneer het gereed is voor gebruik, dat wil zeggen wanneer het actief op de noodzakelijke locatie en in de noodzakelijke conditie is om te functioneren op de wijze zoals die door het management is bedoeld. De afschrijving dient te worden beëindigd op de datum waarop het actief geclassificeerd is als aangehouden voor verkoop (of wanneer het deel uitmaakt van een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop) overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 Vaste Activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten of op de datum waarop het actief niet langer in de balans wordt opgenomen, als deze datum voorafgaat aan de eerste. De gebruikte afschrijvingsmethode moet het schema weergeven volgens hetwelk de toekomstige economische voordelen van het actief verwacht worden door de entiteit te worden verbruikt. Als dat schema niet betrouwbaar kan worden bepaald, moet de lineaire methode worden toegepast. De afschrijvingskosten voor elke periode moeten in de winst-en-verliesrekening worden opgenomen, tenzij deze of een andere standaard toestaat of voorschrijft dat ze wordt opgenomen in de boekwaarde van een ander actief.

98.

Er kunnen diverse afschrijvingsmethoden worden gehanteerd om het af te schrijven bedrag van een actief stelselmatig te spreiden over zijn gebruiksduur. Deze methoden omvatten de lineaire afschrijvingsmethode, de degressieve afschrijvingsmethode en de afschrijvingsmethode op basis van verbruikte werkeenheden. De toegepaste methode wordt gekozen op basis van het veronderstelde schema volgens welk de verwachte toekomstige economische voordelen die het actief in zich bergt verbruikt zullen worden. Deze methode wordt in elke periode consistent toegepast, tenzij het verwachte verbruikspatroon van deze toekomstige economische voordelen verandert. Het is zeer onwaarschijnlijk te verdedigen voor immateriële activa met een beperkte gebruiksduur een afschrijvingsmethode te kiezen die resulteert in lagere geaccumuleerde afschrijvingen dan volgens de lineaire methode.

99.

Afschrijvingen worden gewoonlijk opgenomen in de winst-en-verliesrekening. In sommige omstandigheden worden de toekomstige economische voordelen die een actief in zich bergt echter gebruikt bij de productie van andere activa. In dit geval vormen de afschrijvingskosten een gedeelte van de kostprijs van het andere actief en worden ze opgenomen in de boekwaarde van dat actief. Zo wordt de afschrijving van immateriële activa die worden gebruikt in een productieproces opgenomen in de boekwaarde van voorraden (zie IAS 2 Voorraden).

Restwaarde

100.

Er moet van worden uitgegaan dat de restwaarde van een immaterieel actief met een beperkte gebruiksduur gelijk is aan nul, tenzij:

(a)

een derde zich ertoe heeft verbonden om het actief aan te kopen aan het einde van zijn gebruiksduur;

of

(b)

er een actieve markt is voor het actief en:

(i)

de restwaarde kan worden bepaald op basis van die markt;

en

(ii)

het waarschijnlijk is dat er nog een actieve markt voor het actief zal bestaan aan het einde van de gebruiksduur van het actief.

101.

Het af te schrijven bedrag van een actief met een beperkte gebruiksduur wordt bepaald na aftrek van zijn restwaarde. Als de restwaarde niet gelijk is aan nul, houdt dit in dat de entiteit het immaterieel actief verwacht te vervreemden vóór het einde van zijn economische levensduur.

102.

Een schatting van de restwaarde van een actief is gebaseerd op de realiseerbare waarde bij vervreemding van een soortgelijk actief dat het einde van zijn gebruiksduur heeft bereikt en dat onder soortgelijke omstandigheden werd gebruikt als die waaronder het actief zal worden gebruikt, aan de hand van prijzen die op de datum van de schatting golden. De restwaarde wordt ten minste aan het einde van elk boekjaar opnieuw bekeken. Een wijziging in de restwaarde van een actief wordt als een schattingswijziging verwerkt in overeenstemming met IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, verwerkingswijze voor schattingswijzigingen en fouten.

103.

De restwaarde van een immaterieel actief kan tot een bedrag stijgen dat gelijk of hoger is dan de boekwaarde van het actief. Indien dit het geval is zijn de afschrijvingskosten nihil, tenzij en totdat zijn restwaarde later daalt tot beneden het bedrag van de boekwaarde van het actief.

Beoordeling van de afschrijvingsperiode en afschrijvingsmethode

104.

De afschrijvingsperiode en de afschrijvingsmethode voor een immaterieel actief met een beperkte gebruiksduur moeten minstens aan het einde van elk boekjaar worden beoordeeld. Als de verwachte gebruiksduur van het actief aanzienlijk verschilt van voorgaande schattingen, moet de afschrijvingsperiode dienovereenkomstig worden gewijzigd. Als het verwachte verbruikspatroon van toekomstige economische voordelen die het actief in zich bergt is veranderd, moet de afschrijvingsmethode worden gewijzigd om het gewijzigde patroon te weerspiegelen. Dergelijke wijzigingen dienen te worden verwerkt als schattingswijzigingen, in overeenstemming met IAS 8.

105.

Tijdens de levensduur van een immaterieel actief kan blijken dat de schatting van zijn gebruiksduur niet correct is. Bijvoorbeeld de opname van een bijzonder waardeverminderingsverlies kan erop wijzen dat de afschrijvingsperiode dient te worden gewijzigd.

106.

Na verloop van tijd kan er zich een wijziging voordoen in het patroon van de toekomstige economische voordelen uit een immaterieel actief die naar verwachting naar een entiteit zullen vloeien. Zo kan het duidelijk worden dat een degressieve afschrijvingsmethode meer geëigend is dan een lineaire methode. Een ander voorbeeld is als het gebruik van de rechten die worden vertegenwoordigd door een licentie wordt uitgesteld in afwachting van acties rond andere onderdelen van het ondernemingsplan. In dit geval kan het gebeuren dat de economische voordelen die uit het actief vloeien pas in latere perioden zullen worden ontvangen.

IMMATERIËLE ACTIVA MET EEN ONBEPAALDE GEBRUIKSDUUR

107.

Een immaterieel actief met een onbepaalde gebruiksduur dient niet te worden afgeschreven.

108.

Volgens IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa is een entiteit verplicht te onderzoeken of er bij een immaterieel actief met een onbepaalde gebruiksduur niet sprake is van een bijzondere waardevermindering, door zijn realiseerbare waarde met zijn boekwaarde te vergelijken

(a)

jaarlijks;

en

(b)

wanneer er een aanwijzing bestaat van een bijzondere waardevermindering van het immaterieel actief.

Opnieuw beoordelen van de gebruiksduur

109.

De gebruiksduur van een immaterieel actief dat niet afgeschreven wordt dient elke verslagperiode te worden herzien teneinde te bepalen of gebeurtenissen en omstandigheden nog steeds de beoordeling onderbouwen dat het actief een onbepaalde gebruiksduur heeft. Wanneer dit niet het geval is, dient de wijziging in de beoordeling dat de gebruiksduur niet langer onbepaald is te worden verwerkt als een schattingswijziging in overeenstemming met IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, verwerkingswijze voor schattingswijzigingen en fouten.

110.

Volgens IAS 36 kan de nieuwe beoordeling om de gebruiksduur van een immaterieel actief eerder als beperkt dan onbepaald aan te merken een aanwijzing vormen dat het actief een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan. Dientengevolge onderzoekt de entiteit of het actief een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, door zijn realiseerbare waarde, vastgesteld in overeenstemming met IAS 36, met zijn boekwaarde te vergelijken, en het eventuele bedrag waarmee de boekwaarde de realiseerbare waarde overschrijdt op te nemen als een bijzonder waardeverminderingsverlies.

REALISEERBAARHEID VAN DE BOEKWAARDE - BIJZONDERE WAARDEVERMINDERINGSVERLIEZEN

111.

Om te bepalen of er sprake is van een bijzondere waardevermindering van een immaterieel actief, past een entiteit IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa, toe. In deze standaard wordt verklaard wanneer en op welke wijze een entiteit de boekwaarde van haar activa herziet, hoe ze de realiseerbare waarde van een actief bepaalt en wanneer ze een bijzonder waardeverminderingsverlies opneemt of terugboekt.

BUITENGEBRUIKSTELLING EN VERVREEMDING

112.

Een immaterieel actief dient niet langer in de balans te worden opgenomen:

(a)

na vervreemding;

of

(b)

wanneer geen toekomstige economische voordelen meer te verwachten zijn van zijn gebruik of vervreemding.

113.

De winst die of het verlies dat voortvloeit uit het niet langer opnemen van een immaterieel actief in de balans dient te worden beperkt tot het verschil tussen de eventuele netto-opbrengst bij vervreemding en de boekwaarde van het actief. Het dient in de winst-en-verliesrekening te worden opgenomen indien het actief niet langer in de balans wordt opgenomen (tenzij IAS 17 Lease-overeenkomsten anderszins vereist bij een „sale and leaseback”). Winsten moeten niet als opbrengsten worden ingedeeld.

114.

De vervreemding van een immaterieel actief kan op verschillende wijzen plaatsvinden (bijvoorbeeld door verkoop, door het afsluiten van een financiële leasing of via donatie). Bij de bepaling van de datum van de vervreemding van een dergelijk actief past de entiteit de criteria toe in IAS 18 Opbrengsten voor de opname van opbrengsten uit de verkoop van goederen. IAS 17 is van toepassing op vervreemding via „sale and leaseback”.

115.

Indien volgens het opnameprincipe in alinea 21, een entiteit de vervangingskosten van een gedeelte van een immaterieel actief in de boekwaarde van het actief opneemt, dan neemt zij de boekwaarde van het vervangen gedeelte niet langer in de balans op. Indien voor de entiteit de bepaling van de boekwaarde van het vervangen onderdeel niet gemakkelijk uit te voeren is, mag zij de vervangingskosten als aanwijzing gebruiken om de kostprijs van het vervangen onderdeel te bepalen op het moment dat het gekocht of intern gegenereerd werd.

116.

De te ontvangen vergoeding bij vervreemding van een immaterieel actief wordt aanvankelijk opgenomen tegen reële waarde. Indien de betaling voor het immaterieel actief wordt uitgesteld, wordt de ontvangen vergoeding aanvankelijk opgenomen tegen het equivalent van de contante prijs. Het verschil tussen het nominale bedrag van de vergoeding en het equivalent van de contante prijs, die het effectieve rendement op de vordering weergeeft, wordt overeenkomstig IAS 18 opgenomen als renteopbrengst.

117.

Afschrijvingen van een immaterieel actief met een beperkte gebruiksduur worden niet beëindigd wanneer het immaterieel actief niet langer wordt gebruikt, tenzij het actief volledig afgeschreven is, of geclassificeerd is als aangehouden voor verkoop (of opgenomen is in een groep activa die wordt afgestoten en geclassificeerd als aangehouden voor verkoop), overeenkomstig International Financial Reporting Standard 5.

INFORMATIEVERSCHAFFING

Algemeen

118.

Een entiteit moet voor elke categorie immateriële activa informatie vermelden over de volgende punten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen intern gegenereerde immateriële activa en andere immateriële activa:

(a)

of de gebruiksduur onbepaald of beperkt is en, indien deze beperkt is, de gebruiksduur of de toegepaste afschrijvingspercentages;

(b)

de toegepaste afschrijvingsmethoden voor immateriële activa met een beperkte gebruiksduur;

(c)

de brutoboekwaarde en alle geaccumuleerde afschrijvingen (samengevoegd met de geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingsverliezen) aan het begin en einde van de periode;

(d)

de post(en) van de winst- en verliesrekening waarin alle afschrijvingen van de immateriële activa is (zijn) opgenomen;

(e)

een aansluiting van de boekwaarde aan het begin en einde van de periode, met vermelding van:

(i)

toevoegingen, met afzonderlijke opgave van intern ontwikkelde, afzonderlijk verworven en door bedrijfscombinaties verworven investeringen;

(ii)

activa geclassificeerd als aangehouden voor verkoop of opgenomen in een groep activa die wordt afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig de International Financial Reporting Standard 5 en andere vervreemdingen;

(iii)

stijgingen of dalingen tijdens de periode die voortvloeien uit herwaarderingen volgens alinea's 75, 85 en 86 en uit eventuele bijzondere waardeverminderingsverliezen die direct in het eigen vermogen zijn opgenomen of teruggeboekt volgens IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa (in voorkomend geval);

(iv)

bijzondere waardeverminderingsverliezen die gedurende de periode in de winst- en verliesrekening zijn opgenomen volgens IAS 36 (in voorkomend geval);

(v)

bijzondere waardeverminderingsverliezen die gedurende de periode in de winst- en verliesrekening zijn teruggeboekt volgens IAS 36 (in voorkomend geval);

(vi)

alle in de periode opgenomen afschrijvingen;

(vii)

netto valutakoersverschillen die voortvloeien uit de omrekening van de jaarrekening in de presentatievaluta en uit de omrekening van een buitenlandse activiteit in de presentatievaluta van de entiteit;

en

(viii)

andere wijzigingen in de boekwaarde tijdens de periode.

119.

Een categorie van immateriële activa is een groepering van activa met een soortgelijke aard en een gelijksoortig gebruik in de activiteiten van een entiteit. Voorbeelden van afzonderlijke categorieën zijn:

(a)

merknamen;

(b)

uitgaverechten;

(c)

computersoftware;

(d)

licenties en franchises;

(e)

auteursrechten, octrooien en andere industriële eigendomsrechten, onderhouds- en exploitatierechten;

(f)

recepten, formules, modellen, ontwerpen en prototypes;

en

(g)

immateriële activa in ontwikkeling.

De bovenvermelde categorieën moeten worden opgesplitst in (samengevoegd tot) kleinere (grotere) categorieën als dit resulteert in meer relevante informatie voor de gebruikers van de jaarrekening.

120.

Naast de informatie die vereist is op grond van alinea 118(e)(iii) tot en met (v) presenteert een entiteit informatie over bijzondere waardeverminderingen van immateriële activa overeenkomstig IAS 36.

121.

IAS 8 vereist dat een entiteit de aard en het bedrag van een schattingswijziging vermeldt die een materieel effect heeft in de lopende periode of die naar verwachting een materieel effect zal hebben in toekomstige perioden. Deze vermelding kan het gevolg zijn van wijzigingen in:

(a)

de beoordeling van de gebruiksduur van een immaterieel actief;

(b)

de afschrijvingsmethode;

of

(c)

restwaarden.

122.

Een entiteit dient ook het volgende te vermelden:

(a)

wanneer bepaald is dat een immaterieel actief een onbepaalde gebruiksduur heeft, de boekwaarde van dat actief en de redenen die de bepaling van een onbepaalde gebruiksduur onderbouwen. Bij de vermelding van deze redenen dient de entiteit de factor(en) te beschrijven die een belangrijke rol heeft (hebben) gespeeld bij de bepaling dat het actief een onbepaalde gebruiksduur heeft.

(b)

een omschrijving, de boekwaarde en de resterende afschrijvingsduur van ieder individueel immaterieel actief dat een post van materieel belang vormt in de jaarrekening van de entiteit.

(c)

voor immateriële activa die zijn verworven door middel van overheidssubsidies en bij de eerste opname zijn opgenomen tegen reële waarde (zie alinea 44):

(i)

de reële waarde bij de eerste opname van deze activa;

(ii)

hun boekwaarde;

en

(iii)

of ze na opname volgens het kostprijsmodel of het herwaarderingsmodel zijn gewaardeerd.

(d)

het bestaan en de boekwaarde van immateriële activa met beperkte eigendomsrechten en de boekwaarde van immateriële activa die werden verpand als zekerheid voor verplichtingen.

(e)

het bedrag van de contractuele verbintenissen in verband met de verwerving van immateriële activa.

123.

Als een entiteit de factor(en) beschrijft die een belangrijke rol heeft (hebben) gespeeld bij de bepaling dat de gebruiksduur van een immaterieel actief onbeperkt is, neemt de entiteit de lijst met factoren in alinea 90 in aanmerking.

Immateriële activa gewaardeerd na opname volgens het herwaarderingsmodel

124.

Indien immateriële activa verwerkt worden tegen geherwaardeerde bedragen, dient een entiteit het volgende te vermelden:

(a)

per categorie van immateriële activa:

(i)

de ingangsdatum van de herwaardering;

(ii)

de boekwaarde van de geherwaardeerde immateriële activa;

en

(iii)

de boekwaarde die zou zijn opgenomen als de geherwaardeerde categorie van immateriële activa na opname was gewaardeerd volgens het kostprijsmodel in alinea 74;

(b)

het bedrag van de herwaarderingsreserve die betrekking heeft op immateriële activa aan het begin en einde van de periode, met vermelding van de wijzigingen in de loop van de periode en eventuele beperkingen inzake de uitkering van het saldo aan de aandeelhouders;

en

(c)

de methoden en belangrijke veronderstellingen die zijn toegepast bij de schatting van de reële waarde van de activa.

125.

Het kan echter nodig zijn om de categorieën van geherwaardeerde activa samen te voegen tot grotere categorieën ten behoeve van de vermelding in de jaarrekening. Deze categorieën worden echter niet samengevoegd als dit zou leiden tot de combinatie van een categorie van immateriële activa die bedragen omvat die gewaardeerd zijn volgens zowel het kostprijs- en het herwaarderingsmodel.

Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling

126.

Een entiteit moet informatie verschaffen over het totaalbedrag van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling die over de periode zijn opgenomen als last.

127.

Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling omvatten alle uitgaven die direct kunnen worden toegerekend aan de onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten (zie alinea's 66 en 67 voor leidraden met betrekking tot het type uitgaven dat moet worden opgenomen ten behoeve van de in alinea 126 vereiste informatie).

Overige informatie

128.

Een entiteit wordt aangemoedigd, maar is niet verplicht, om de volgende informatie te verschaffen:

(a)

een beschrijving van de eventuele volledig afgeschreven immateriële activa die nog in gebruik zijn;

en

(b)

een beknopte beschrijving van significante immateriële activa waarover de entiteit de zeggenschap heeft maar die niet zijn opgenomen als activa omdat ze niet voldoen aan de opnamecriteria in deze standaard of omdat ze werden verworven of gegenereerd voordat de in 1998 uitgegeven versie van IAS 38 Immateriële activa van kracht werd.

OVERGANGSBEPALINGEN EN INGANGSDATUM

129.

Indien een entiteit overeenkomstig alinea 85 van International Financial Reporting Standard 3 Bedrijfscombinaties ervoor kiest International Financial Reporting Standard 3 vóór de in alinea’s 78 tot en met 84 van International Financial Reporting Standard uiteengezette ingangsdata toe te passen, dient zij deze standaard ook in de toekomst vanaf dezelfde datum toe te passen. De entiteit dient dus niet de boekwaarde van immateriële activa die op die datum zijn opgenomen aan te passen. De entiteit dient echter op die datum deze standaard toe te passen om de gebruiksduur van haar opgenomen immateriële activa opnieuw te beoordelen. Indien de entiteit als gevolg van deze nieuwe beoordeling de gebruiksduur van een actief wijzigt, dient die wijziging te worden verwerkt als een schattingswijziging overeenkomstig IAS 8Grondslagen voor financiële verslaggeving, verwerkingswijze voor schattingswijzigingen en fouten.

130.

In de andere gevallen dient een entiteit deze standaard toe te passen:

(a)

voor de verwerking van in bedrijfscombinaties verworven immateriële activa waarvan de datum van overeenkomst op of na 31 maart 2004 valt;

en

(b)

voor de verwerking van alle andere immateriële activa in de toekomst met ingang van de eerste verslagperiode die op of na 31 maart 2004 aanvangt. De entiteit dient dus niet de boekwaarde van immateriële activa die op die datum zijn opgenomen aan te passen. De entiteit dient echter op die datum deze standaard toe te passen om de gebruiksduur van dergelijke immateriële activa opnieuw te beoordelen. Indien de entiteit een wijziging aanbrengt in de beoordeling van de gebruiksduur van een actief, als gevolg van deze nieuwe beoordeling, dient die wijziging te worden verwerkt als een schattingswijziging overeenkomstig IAS 8.

Ruil van soortgelijke activa

131.

De vereiste in alinea’s 129 en 130(b) om deze standaard in de toekomst toe te passen houdt in dat indien een ruil van activa was gewaardeerd vóór de ingangsdatum van deze standaard op basis van de boekwaarde van het opgegeven actief, de entiteit de boekwaarde van het verworven actief niet aanpast om zijn reële waarde op de datum van overname weer te geven.

Eerdere toepassing

132.

Entiteiten waarop alinea 130 van toepassing is, worden aangemoedigd om de vereisten van deze standaard toe te passen vóór de ingangsdata die in alinea 130 vermeld staan. Indien een entiteit echter deze standaard vóór deze ingangsdata toepast dient zij ook gelijktijdig International Financial Reporting Standard 3 en IAS 36 Belangrijke waardevermindering van activa (herziene versie van 2004) toe te passen.

INTREKKING VAN IAS 38 (UITGEGEVEN IN 1998)

133.

Deze standaard vervangt IAS 38 Immateriële activa (uitgegeven in 1998).


(*1)  In deze standaard luiden geldbedragen in „geldeenheden” („currency units”, CU).