EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 9.6.2026
COM(2026) 460 final
2026/0144(BUD)
ONTWERP VAN GEWIJZIGDE BEGROTING nr.2
BIJ DE ALGEMENE BEGROTING 2026
Actualisering van de ontvangsten (eigen middelen) en aanpassingen aan de uitgaven
–het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 314, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
–Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, dat op 1 juni 2021 in werking is getreden,
‒Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)
, en met name artikel 44,
‒de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2026, zoals vastgesteld op 26 november 2025,
–ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2026, vastgesteld op 10 april 2026,
dient de Europese Commissie bij het Europees Parlement en de Raad het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2 bij de begroting 2026 in.
WIJZIGINGEN IN DE STAAT VAN ONTVANGSTEN EN UITGAVEN PER AFDELING
De wijzigingen in de algemene staat van ontvangsten en afdeling III zijn beschikbaar via EUR-Lex (
https://eur-lex.europa.eu/budget/www/index-nl.htm
).
Inhoud
1.
Inleiding
2.
Actualisering van de ontvangsten
2.1
Algemene gevolgen van OGB 2/2026 voor de verdeling van de totale eigenmiddelenafdrachten tussen de lidstaten
2.2
Herziening van de ramingen van de TEM en de btw-, KVA- en bni-grondslagen
2.3
Bijdrage van het Verenigd Koninkrijk
2,4
Geldboeten en dwangsommen
2.5
Gevolgen voor de bijdrage aan de eigen middelen op basis van het bni van 2026
3.
Actualisering van de uitgaven
3.1
Verhoging van de betalingskredieten voor cohesie en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
3.2
Verhoging van de landbouwuitgaven
3.3
Extra personeelsformatieposten en kredieten voor de steunlening aan Oekraïne
3.4
Overdrachten van het EEA naar het LIFE-programma
3.5
Wijziging van de toelichting bij begrotingsonderdeel 02 02 02 (EU-garantie van het InvestEU-fonds – Voorziening van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds)
4.
Financiering
5.
Samenvatting per MFK-rubriek
TOELICHTING
1.Inleiding
Het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 2 voor het jaar 2026 bevat een actualisering van zowel de ontvangsten- als de uitgavenzijde van de begroting.
Wat de ontvangstenzijde betreft, wordt in de actualisering rekening gehouden met de meest recente ontwikkelingen met betrekking tot:
–de geactualiseerde ramingen van de eigen middelen voor de begroting 2026, waarover op 29 mei 2026 overeenstemming is bereikt door het Raadgevend Comité voor de eigen middelen (“RCEM”). Deze actualisering wordt doorgaans kort na de RCEM-vergadering over de ramingen gepresenteerd, in overeenstemming met de verwachting van de lidstaten dat de actualiseringen van het RCEM zo spoedig mogelijk in de begroting worden opgenomen;
–de overige inkomsten, zoals geldboeten en de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk.
Wat de uitgavenzijde betreft, bevat OGB 2/2026 de volgende specifieke elementen:
–een verhoging van de betalingskredieten met 7, 6 miljard EUR, waarvan 3,4 miljard EUR voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), 0,6 miljard EUR voor het Cohesiefonds (CF), 1,4 miljard EUR voor het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF +) en 2,2 miljard EUR voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo);
–een verhoging van de landbouwreserve met een bedrag van 300 miljoen EUR aan vastleggings- en betalingskredieten om gerichte, uitzonderlijke steun te verlenen aan landbouwers die met ernstige liquiditeitsproblemen worden geconfronteerd, met name als gevolg van de stijgende kosten van meststoffen;
–een verhoging van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) met 140 miljoen EUR aan vastleggings- en betalingskredieten om te zorgen voor een tijdige terugbetaling van ELGF-uitgaven aan de lidstaten;
–een verhoging van het aantal personeelsformatieposten voor de Commissie, een verhoging van de administratieve uitgaven in rubriek 7 en een verhoging van het begrotingsonderdeel ter ondersteuning van lenings- en schuldbeheeractiviteiten om te zorgen voor een doeltreffend beheer van de steunlening aan Oekraïne, in overeenstemming met het desbetreffende financieel en digitaal memorandum;
–twee begrotingsneutrale overschrijvingen van het Europees Milieuagentschap (EEA) terug naar het LIFE-programma na de intrekking van het voorstel voor Europese bosmonitoring en vertragingen bij de vaststelling van de richtlijn groene claims;
–wijzigingen in de begrotingstoelichting bij begrotingsonderdeel 02 02 02 (EU-garantie van het InvestEU-fonds – Voorziening van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds) om rekening te houden met de mogelijkheid voor lidstaten om middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF) toe te wijzen aan het InvestEU-financieringsinstrument, naar aanleiding van de InvestEU Omnibus II-verordening.
In totaal komt het netto-effect van OGB 2/2026 op de uitgaven neer op een verhoging van de vastleggingskredieten met 444,2 miljoen EUR en een verhoging van de betalingskredieten met 8,0 miljard EUR.
2.Actualisering van de ontvangsten
2.1
Algemene gevolgen van OGB 2/2026 voor de verdeling van de totale eigenmiddelenafdrachten tussen de lidstaten
Over de herziene ramingen voor 2026 is op 29 mei 2026 tijdens de 197e RCEM-vergadering overeenstemming bereikt. De aanpassingen aan de ontvangstenzijde van de begroting zijn vereist om de ramingen van de traditionele eigen middelen (“TEM”) en de eigen middelen op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (“btw”), het niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval (“KVA”) en het bruto nationaal inkomen (“bni”) te actualiseren, rekening houdende met de economische voorjaarsprognoses (zie punt 2.2).
Bovendien is het bedrag aan andere inkomsten geactualiseerd om rekening te houden met de herziene bijdrage van het Verenigd Koninkrijk en de definitief geïnde geldboeten en dwangsommen sinds 1 januari 2026 (zie respectievelijk de punten 2.3 en 2.4).
Het totale effect van de aanpassingen van de ontvangsten in dit OGB is weergegeven in de onderstaande overzichtstabel. Deze tabel geeft ook een uitsplitsing van de totale eigenmiddelenafdrachten tussen de lidstaten: respectievelijk in de oorspronkelijke begroting 2026, in het OGB 1/2026 en tot slot in dit OGB 2/2026.
Uitsplitsing van de totale eigenmiddelenafdrachten per lidstaat (in miljoen EUR)
|
|
Begroting 2026
|
OGB 1/2026
|
OGB 2/2026
|
|
|
(1)
|
(2)
|
(3)
|
|
BE
|
8 315,2
|
8 243,3
|
8 730,7
|
|
BG
|
1 187,9
|
1 175,8
|
1 226,7
|
|
CZ
|
3 375,6
|
3 338,9
|
3 572,1
|
|
DK
|
3 858,4
|
3 809,9
|
3 799,4
|
|
DE
|
41 374,0
|
40 861,9
|
42 837,6
|
|
EE
|
430,4
|
425,7
|
449,2
|
|
IE
|
4 159,8
|
4 114,8
|
4 557,9
|
|
EL
|
2 635,5
|
2 607,8
|
2 733,0
|
|
ES
|
18 097,8
|
17 909,0
|
18 699,7
|
|
FR
|
30 881,0
|
30 541,5
|
31 040,0
|
|
HR
|
966,8
|
956,3
|
1 003,5
|
|
IT
|
23 068,8
|
22 818,2
|
23 634,9
|
|
CY
|
355,4
|
351,7
|
363,4
|
|
LV
|
442,8
|
438,1
|
454,2
|
|
LT
|
876,3
|
867,0
|
919,1
|
|
LU
|
570,9
|
564,3
|
596,4
|
|
HU
|
2 369,5
|
2 345,2
|
2 543,9
|
|
MT
|
228,4
|
226,0
|
247,7
|
|
NL
|
11 800,1
|
11 666,4
|
12 020,6
|
|
AT
|
4 204,4
|
4 149,1
|
4 392,2
|
|
PL
|
9 905,4
|
9 802,4
|
10 355,1
|
|
PT
|
3 205,2
|
3 171,8
|
3 292,1
|
|
RO
|
4 001,0
|
3 957,1
|
3 972,9
|
|
SI
|
846,4
|
838,5
|
888,0
|
|
SK
|
1 476,0
|
1 460,8
|
1 392,8
|
|
FI
|
2 842,3
|
2 810,0
|
2 831,3
|
|
SE
|
5 080,1
|
5 008,6
|
5 268,8
|
|
EU
|
186 555,5
|
184 460,2
|
191 823,1
|
2.2
Herziening van de ramingen van de TEM en de btw-, KVA- en bni-grondslagen
Overeenkomstig artikel 44, lid 1, eerste alinea, punt b), van het Financieel Reglement stelt de Commissie voor om de financiering van de begroting te herzien op basis van bijgewerkte economische prognoses. Volgens vaste praktijk worden de herziene ontvangstenramingen met de lidstaten overeengekomen via de RCEM-ramingsprocedure.
De herziening heeft betrekking op de raming van de TEM die in 2026 moeten worden afgedragen aan de begroting, alsmede op de geraamde btw-, KVA- en bni-grondslagen voor 2026. Over de raming in de vastgestelde begroting 2026 is overeenstemming bereikt tijdens de 194e RCEM-vergadering op 26 mei 2025. In de herziening in dit OGB 2/2026 wordt uitgegaan van de ramingen die op de 197e RCEM-vergadering op 29 mei 2026 zijn goedgekeurd. De actualisering van de raming van de eigen middelen vergroot de nauwkeurigheid van de ontvangstenprognoses en zorgt ervoor dat de bijdragen van de lidstaten aan de EU-begroting beter worden afgestemd op de werkelijke financiële behoeften tijdens het begrotingsjaar.
De inkomstenprognoses van de Commissie zijn gebaseerd op de economische voorjaarsprognoses 2026 van de Commissie, waarin wordt uitgegaan van een zwakkere economische activiteit in 2026, aangezien het conflict in het Midden-Oosten een nieuwe energieschok veroorzaakt, de inflatie aanwakkert en een domper zet op de economische bedrijvigheid.
Vóór eind februari 2026 was de verwachting dat de economie van de EU in een gematigd tempo zou blijven groeien en de inflatie verder zou dalen, maar sinds het uitbreken van het conflict zijn de vooruitzichten ingrijpend veranderd. In maart 2026 begon de inflatie aan te trekken als gevolg van de sterke stijging van de prijzen van energiegrondstoffen, en de economische activiteit verliest aan kracht.
Als gevolg daarvan wordt nu verwacht dat de bbp-groei in de EU zal vertragen tot 1,1 % in 2026 – een neerwaartse bijstelling met 0,3 procentpunt ten opzichte van de economische najaarsprognose 2025 (1,4 %) en een daling ten opzichte van de groei van 1,5 % in 2025. De bbp-groei zal in 2027 naar verwachting stijgen tot 1,4 %. De inflatie in de EU zal in 2026 oplopen tot 3,1 % – een volledig procentpunt hoger dan eerder voorzien – om vervolgens in 2027 weer te dalen tot 2,4 %.
De TEM-prognose is gebaseerd op de prognoses voor de invoer van buiten de EU in de economische voorjaarsprognoses 2026 van de Commissie. De groei in de EU is verzwakt, maar niet ondermijnd, terwijl de wereldhandel naar verwachting gedurende de prognoseperiode zal blijven groeien, zij het in een trager tempo. Ondanks de sterke stijging van de Amerikaanse tarieven, de uitzonderlijk grote onzekerheid over het handelsbeleid en de geopolitieke spanningen is de wereldhandel in 2025 sterk toegenomen, met 4,3 %. Dit werd ondersteund door een sterke technologiegerelateerde handel, de versnelde invoer uit de VS en de aanhoudende robuuste uitbreiding van de dienstengerelateerde handel – een structurele trend die het toenemende aandeel van diensten in de wereldhandel weerspiegelt.
Na verscheidene jaren van zwakke prestaties hebben veel grote geavanceerde economieën, waaronder de EU, het VK en Japan, zich in 2025 enigszins hersteld in de handel in goederen. Hoewel deze onderliggende factoren naar verwachting de wereldhandel zullen blijven ondersteunen, zal de jaarlijkse groei in 2026 lager zijn, aangezien de handelscijfers voor 2025 de versnelde invoer van 2026 omvatten. Bovendien zullen de overloopeffecten van het conflict in het Midden-Oosten op de energiehandelsstromen, toeleveringsketens en verzendkosten ook wegen op de wereldhandel in 2026. Als gevolg daarvan zal de groei van de wereldhandel naar verwachting afnemen tot 2,1 % in 2026, waarmee globaal wordt teruggekeerd naar de recente trend van een groei die iets onder de mondiale bbp-groei ligt. Aangezien de mondiale economische activiteit in 2027 naar verwachting zal aantrekken, zal de groei van de wereldhandel naar verwachting versnellen tot 3 %.
Het economische scenario dat aan de begroting 2026 ten grondslag ligt, wordt de basis voor de recentste ramingen voor de TEM en de geraamde grondslagen van de andere eigen middelen.
·De totale in 2026 te innen douanerechten, exclusief 25 % inningskosten, worden geraamd op 24 350,2 miljoen EUR, wat neerkomt op een daling met 14,0 % ten opzichte van de raming van 21 368,3 miljoen EUR in de begroting 2026. De Commissie heeft de resultaten van de traditionele RCEM-ramingsmethode (gebaseerd op de verwachte groeipercentages van de invoer uit landen buiten de EU) vergeleken met de resultaten van de extrapolatiemethode (gebaseerd op de meest recente feitelijke gegevens voor de geïnde douanerechten, d.w.z. de periode van januari tot april 2026). Net als in de afgelopen jaren hanteert de Commissie een voorzichtige aanpak om een goed financieel beheer van de EU-begroting te waarborgen in een context van volatiliteit en grote economische en financiële onzekerheden. Daarom wordt voorgesteld de traditionele prognosemethode te gebruiken voor de herziening van de TEM-raming 2026. Dit resulteert in hogere ontvangsten van 3,0 miljard EUR in vergelijking met de vastgestelde begroting 2026.
·De totale niet-afgetopte btw-grondslag voor de EU in 2026 wordt geraamd op 8 407 456,0 miljoen EUR, wat neerkomt op een stijging met 1,2 % in vergelijking met de raming van mei 2025 ten belope van 8 305 297,6 miljoen EUR die in de vastgestelde begroting 2026 is opgenomen. De totale afgetopte btw-grondslag voor de EU in 2026 wordt geraamd op 8 362 091,2 miljoen EUR, wat neerkomt op 1,3 % meer dan de in mei 2025 geraamde 8 252 480,7 miljoen EUR. De bijdragen van de lidstaten uit hoofde van de eigen middelen op basis van de afgetopte btw-grondslag zijn opgenomen in de tabellen 2 en 6 van de bijbehorende begrotingsbijlage.
·De raming van niet-gerecycled KVA in de EU bedraagt 9 031 215,2 ton in 2026, wat een daling met 4,1 % is ten opzichte van de in mei 2025 geraamde 9 422 229,9 ton. De bijdragen van de lidstaten uit hoofde van de eigen middelen op basis van niet-gerecycled KVA zijn opgenomen in de tabellen 3 en 6 van de bijbehorende begrotingsbijlage.
·De totale bni-grondslag voor de EU in 2026 wordt geraamd op 19 456 074,9 miljoen EUR, wat neerkomt op een stijging met 0,9 % in vergelijking met de in mei 2025 geraamde 19 277 897,8 miljoen EUR.
Om de in nationale valuta luidende ramingen van btw- en bni-grondslagen om te rekenen naar euro (voor de zes lidstaten die geen lid zijn van de eurozone), is de wisselkoers van 31 december 2025 gebruikt. Dit voorkomt vertekeningen doordat deze koersen dezelfde zijn als die welke worden gebruikt wanneer de in de begroting opgenomen eigen middelen van euro worden omgerekend naar nationale valuta bij de afroeping van de bedragen (overeenkomstig artikel 10 bis, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad).
De herziene ramingen van TEM, niet-afgetopte btw-grondslagen, niet-gerecyclede KVA-grondslagen en bni-grondslagen voor 2026, zoals vastgesteld op de 197e RCEM-vergadering, zijn in onderstaande tabel opgenomen:
Herziene ramingen van TEM, btw-, KVA- en bni-grondslagen voor 2026
|
|
Douane
(75 %)
|
Niet-afgetopte btw-grondslagen
|
Niet-gerecyclede KVA-grondslagen
|
Bni-grondslagen
|
Aftopping
Btw-grondslagen
|
|
|
miljoen EUR
|
Ton
|
miljoen EUR
|
|
BE
|
2 855,0
|
246 029,8
|
146 503,6
|
672 147,0
|
246 029,8
|
|
BG
|
156,1
|
60 063,1
|
60 461,3
|
116 421,7
|
58 210,9
|
|
CZ
|
413,5
|
143 348,2
|
145 795,3
|
354 006,6
|
143 348,2
|
|
DK
|
428,2
|
159 274,8
|
172 954,0
|
431 570,7
|
159 274,8
|
|
DE
|
4 766,7
|
1 926 197,6
|
1 478 042,3
|
4 775 859,1
|
1 926 197,6
|
|
EE
|
43,0
|
23 811,3
|
26 725,6
|
43 348,5
|
21 674,3
|
|
IE
|
493,7
|
148 033,2
|
254 421,8
|
457 422,9
|
148 033,2
|
|
EL
|
339,5
|
122 227,0
|
181 433,0
|
256 347,3
|
122 227,0
|
|
ES
|
2 274,0
|
837 957,2
|
1 018 137,6
|
1 772 531,0
|
837 957,2
|
|
FR
|
2 195,0
|
1 411 044,9
|
1 745 591,1
|
3 108 161,9
|
1 411 044,9
|
|
HR
|
75,0
|
61 109,5
|
54 536,8
|
100 104,7
|
50 052,4
|
|
IT
|
2 648,2
|
990 709,1
|
1 130 437,1
|
2 315 423,8
|
990 709,1
|
|
CY
|
50,4
|
25 019,4
|
12 021,5
|
34 156,5
|
17 078,3
|
|
LV
|
49,1
|
22 084,6
|
11 499,3
|
44 931,3
|
22 084,6
|
|
LT
|
111,0
|
38 876,9
|
61 719,7
|
87 169,6
|
38 876,9
|
|
LU
|
14,2
|
47 306,5
|
12 474,1
|
63 794,7
|
31 897,4
|
|
HU
|
303,1
|
94 679,0
|
303 973,2
|
233 440,3
|
94 679,0
|
|
MT
|
29,2
|
12 308,4
|
15 047,1
|
23 174,5
|
11 587,3
|
|
NL
|
3 554,8
|
526 063,9
|
268 462,8
|
1 212 988,5
|
526 063,9
|
|
AT
|
239,5
|
250 293,0
|
190 742,5
|
529 021,8
|
250 293,0
|
|
PL
|
1 448,3
|
463 931,3
|
648 814,9
|
952 307,6
|
463 931,3
|
|
PT
|
304,0
|
164 482,0
|
226 139,0
|
316 470,2
|
158 235,1
|
|
RO
|
372,7
|
143 594,9
|
378 921,2
|
391 778,3
|
143 594,9
|
|
SI
|
215,8
|
33 946,8
|
31 986,2
|
73 774,1
|
33 946,8
|
|
SK
|
141,6
|
56 888,5
|
65 660,5
|
139 903,8
|
56 888,5
|
|
FI
|
159,3
|
135 868,5
|
115 055,4
|
290 836,4
|
135 868,5
|
|
SE
|
669,3
|
262 306,6
|
273 658,3
|
658 982,1
|
262 306,6
|
|
EU
|
24 350,2
|
8 407 456,0
|
9 031 215,2
|
19 456 074,9
|
8 362 091,2
|
2.3
Bijdrage van het Verenigd Koninkrijk
De bijdrage van het Verenigd Koninkrijk is verschuldigd overeenkomstig artikel 148 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (“het terugtrekkingsakkoord”)
en dekt met name het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de nog betaalbaar te stellen vastleggingen van vóór 2021 die in 2026 moeten worden betaald, alsmede het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de verplichtingen van de Unie (zoals pensioenen), geldboeten en de voorwaardelijke financiële verplichtingen. De totale bijdrage van het Verenigd Koninkrijk omvat ook de bedragen die het Verenigd Koninkrijk verschuldigd is in verband met de correcties en aanpassingen van de eigen middelen voor de begrotingsjaren tot en met 2021.
De bijdrage van het Verenigd Koninkrijk is gebaseerd op het aandeel van het Verenigd Koninkrijk
dat wordt berekend als de verhouding tussen de door het Verenigd Koninkrijk in de jaren 2014 tot en met 2020 beschikbaar gestelde eigen middelen en de eigen middelen die in die periode door alle lidstaten inclusief het Verenigd Koninkrijk beschikbaar zijn gesteld. Het aandeel van het Verenigd Koninkrijk is in 2022 aangepast overeenkomstig artikel 139 van het terugtrekkingsakkoord. Het definitieve aandeel van het Verenigd Koninkrijk is vastgesteld op 12,431681219587700 %.
De tabel hieronder geeft een overzicht van de geactualiseerde bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan de begroting 2026. Ze bevat de elementen die het Verenigd Koninkrijk reeds in januari-mei 2026 heeft betaald als onderdeel van de factuur van september 2025, de elementen op de factuur van april 2026 en ramingen van de elementen die in september 2026 op de factuur moeten worden opgenomen en die in dit stadium bekend zijn. De actualisering resulteert in een lagere bijdrage van het Verenigd Koninkrijk dan de raming in de begroting 2026, voornamelijk als gevolg van de lager dan verwachte besteding van de Brexit-RAL in 2025 en de gerapporteerde bedragen aan voorwaardelijke verplichtingen, netto financiële correcties en geldboeten. Het herziene bedrag van de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk in OGB 2/2026 wordt berekend met inachtneming van de betalingsvoorwaarden van artikel 148 van het terugtrekkingsakkoord.
Daarom wordt voorgesteld de raming die in de begroting 2026 is verwerkt, dienovereenkomstig te actualiseren. In totaal zal de geraamde bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan de begroting 2026 met 562,9 miljoen EUR dalen als gevolg van de daling van de algemene ontvangsten met 557,8 miljoen EUR en de daling van de bestemmingsontvangsten met 5,1 miljoen EUR.
Geactualiseerde bijdrage van het Verenigd Koninkrijk in 2026 (in EUR)
|
|
Verwijzing naar het artikel van het terugtrekkingsakkoord
|
2026
|
|
Totaal bijdrage van het Verenigd Koninkrijk in 2026, waarvan:
|
|
478 248 868
|
|
1. RAL vóór 2021 (met inbegrip van financiële nettocorrecties) – betaling verschuldigd in 2026
|
Art. 140
|
371 149 808
|
|
2. Verplichtingen van de Unie/pensioenen*
|
Art. 142
|
355 397 735
|
|
3. Correcties en aanpassingen van de eigen middelen, waarvan:
|
|
130 223 924
|
|
3.1 Overschotten/tekorten van 2020
|
artikel 136, lid 3, punt a)
|
n.v.t.
|
|
3.2 Bijstellingen van de Britse correctie (2018-2019)
|
Art. 136
|
n.v.t.
|
|
3,3. Btw & bni
|
Art. 136
|
105 372 390
|
|
3,4. TEM
|
art. 136, art. 140, lid 4
|
24 851 534
|
|
4. Geldboeten
|
Art. 141
|
-145 901 554
|
|
5. Voorwaardelijke verplichtingen, waarvan:
|
|
-233 890 775
|
|
5.1 ELM, EFSI, EFDO, leningen (garantiefondsen)
|
Art. 143
|
-198 269 614
|
|
5.2 Financiële instrumenten
|
Art. 144
|
42 661 537
|
|
5.3 Rechtszaken (incl. geldboeten)
|
Art. 147
|
7 040 376
|
|
6. Nettoactiva van het EGKS
|
Art. 145
|
n.v.t.
|
|
7. EIF-investeringen
|
Art. 146
|
n.v.t.
|
|
8. Toegang tot netwerken/systemen/databases**
|
Art. 34, lid 2, Art. 50 en 53, Art. 62, lid 2, Art. 63, lid 1, punt e), Art. 63, lid 2, Art. 99, lid 3, Art. 100, lid 2
|
1 269 729
|
|
* Het bedrag van 326 miljoen EUR zal in de EU-begroting worden opgenomen als bestemmingsontvangsten.
** In de EU-begroting op te nemen als bestemmingsontvangsten.
|
2,4
Geldboeten en dwangsommen
In het licht van de boeten en dwangsommen die sinds 1 januari zijn geïnd, wordt voorgesteld de volgende bedragen in de begroting 2026 op te nemen:
a)855 miljoen EUR aan mededingingsboeten;
a)268 miljoen EUR aan de lidstaten opgelegde dwangsommen en forfaitaire bedragen geboekt wegens niet-nakoming van arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarin wordt vastgesteld dat zij een krachtens de Verdragen op hen rustende verplichting niet zijn nagekomen;
a)97,5 miljoen EUR aan rente op boeten en dwangsommen;
a)22,7 miljoen EUR aan negatieve rendementen op geannuleerde of verlaagde geldboeten.
a)0,8 miljoen EUR aan overige geldboeten en dwangsommen zonder specifieke bestemming, hoofdzakelijk vanwege bijdragen voor buitenmatige emissies.
Daarom wordt voorgesteld het initiële bedrag in de begroting 2026 van 101 miljoen EUR met 199 miljoen EUR te verhogen tot 300 miljoen EUR.
In de onderstaande tabel zijn de cijfers voor de betreffende ontvangsten vermeld:
|
|
|
EUR
|
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten
|
Benaming
|
Begroting 2026
|
OGB 2/2026
|
Nieuw bedrag
|
|
4 2 0
|
Geldboeten in verband met de toepassing van de mededingingsregels
|
100 000 000
|
855 327 953
|
955 327 953
|
|
4 2 1
|
Aan de lidstaten opgelegde dwangsommen en forfaitaire sommen
|
p.m.
|
268 063 119
|
268 063 119
|
|
4 2 4
|
Rente op boeten en dwangsommen
|
1 000 000
|
97 536 784
|
98 536 784
|
|
4 2 5
|
Rente, andere verschuldigde heffingen en negatieve rendementen op nietig verklaarde of verlaagde boeten
|
p.m.
|
-22 715 250
|
-22 715 250
|
|
4 2 9
|
Overige boeten en dwangsommen zonder specifieke bestemming
|
p.m.
|
865 504
|
865 504
|
|
Totaal
|
101 000 000
|
1 199 078 110
|
1 300 078 110
|
2.5
Gevolgen voor de bijdrage aan de eigen middelen op basis van het bni van 2026
Rekening houdende met de herziene ramingen voor TEM, is voor de eigen middelen uit de btw en voor de eigen middelen op basis van niet-gerecycled KVA het bedrag van de eigen middelen met uitzondering van de bni-bijdrage met 2 997,9 miljoen EUR verhoogd. Samen met de stijging van andere ontvangsten met 641,3 miljoen EUR (als gevolg van de stijging van de ontvangsten uit geldboeten met 1 199,1 miljoen EUR en de verlaging van de bijdrage van het VK met 557,8 miljoen EUR) en de verhoging van de betalingskredieten met 8 miljard EUR, verhoogt dit de bni-bijdrage met 4 364,9 miljoen EUR ten opzichte van OGB 1/2026.
In overeenstemming met het in artikel 310, lid 1, VWEU vastgelegde evenwichtsbeginsel dat op de begroting van de Europese Unie van toepassing is, moet het uniforme percentage dat wordt toegepast op de som van het bni van alle lidstaten worden herberekend, rekening houdende met alle andere ontvangsten.
De herziene bijdragen van eigen middelen op basis van het bni, met inachtneming van het nieuwe uniforme percentage, zijn in de onderstaande tabel te vinden:
Begrotingsjaar 2026 (in EUR)
|
Lidstaat
|
1 % van de voor OGB 1/2026 gebruikte bni-grondslag
|
Uniform percentage van eigen middelen op basis van bni (in %) overeenkomstig OGB 1/2026
|
1 % van de bni-grondslag (overeengekomen RCEM-raming)
|
Uniform percentage van eigen middelen op basis van bni (in %) overeenkomstig OGB 2/2026
|
Verschil in bni
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(1)
|
(2)
|
(3)
|
(4)
|
(5) = (3 x 4) - (1 x 2)
|
|
|
BE
|
6 614 962 000
|
|
6 721 470 000
|
|
181 461 482
|
|
|
BG
|
1 116 401 000
|
|
1 164 217 000
|
|
51 464 584
|
|
|
CZ
|
3 376 618 000
|
|
3 540 066 000
|
|
168 804 680
|
|
|
DK
|
4 457 407 000
|
|
4 315 707 000
|
|
- 26 802 157
|
|
|
DE
|
47 117 636 000
|
|
47 758 591 000
|
|
1 210 340 513
|
|
|
EE
|
428 026 000
|
|
433 485 000
|
|
10 741 077
|
|
|
IE
|
4 145 078 000
|
|
4 574 229 000
|
|
366 799 858
|
|
|
EL
|
2 547 929 000
|
|
2 563 473 000
|
|
52 100 311
|
|
|
ES
|
17 368 690 000
|
|
17 725 310 000
|
|
530 206 848
|
|
|
FR
|
31 241 384 000
|
|
31 081 619 000
|
|
394 152 340
|
|
|
HR
|
965 743 000
|
|
1 001 047 000
|
|
40 287 935
|
|
|
IT
|
23 055 104 000
|
|
23 154 238 000
|
|
442 439 474
|
|
|
CY
|
336 266 000
|
0,6821695
|
341 565 000
|
0,6983572
|
9 143 959
|
|
|
LV
|
430 155 000
|
|
449 313 000
|
|
20 342 336
|
|
|
LT
|
857 010 000
|
|
871 696 000
|
|
24 129 073
|
|
|
LU
|
609 823 000
|
|
637 947 000
|
|
29 512 214
|
|
|
HU
|
2 238 976 000
|
|
2 334 403 000
|
|
102 885 946
|
|
|
MT
|
221 079 000
|
|
231 745 000
|
|
11 027 433
|
|
|
NL
|
12 297 977 000
|
|
12 129 885 000
|
|
81 687 401
|
|
|
AT
|
5 090 841 000
|
|
5 290 218 000
|
|
221 645 240
|
|
|
PL
|
9 473 184 000
|
|
9 523 076 000
|
|
188 191 261
|
|
|
PT
|
3 073 087 000
|
|
3 164 702 000
|
|
113 726 127
|
|
|
RO
|
4 042 013 000
|
|
3 917 783 000
|
|
- 21 326 119
|
|
|
SI
|
730 451 000
|
|
737 741 000
|
|
16 915 328
|
|
|
SK
|
1 404 150 000
|
|
1 399 038 000
|
|
19 159 922
|
|
|
FI
|
2 966 604 000
|
|
2 908 364 000
|
|
7 350 100
|
|
|
SE
|
6 572 384 000
|
|
6 589 821 000
|
|
118 568 871
|
|
|
Totaal
|
192 778 978 000
|
|
194 560 749 000
|
|
4 364 956 037
|
|
3.Actualisering van de uitgaven
3.1
Verhoging van de betalingskredieten voor cohesie en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
De cohesieprogramma’s vertoonden in 2025 sterke vooruitgang bij de uitvoering. De in 2025 goedgekeurde begroting is volledig opgebruikt, met inbegrip van de verhoging met 2,7 miljard EUR in gewijzigde begroting nr. 3/2025. Veel lidstaten hebben in 2025 betalingsaanvragen ingediend die veel verder gingen dan het “n + 3”-streefcijfer voor vrijmaking, wat uiteindelijk heeft geleid tot betalingsbehoeften die de beschikbare begrotingsmiddelen overschreden. Bovendien is in de laatste twee weken van het jaar een recordhoogte van 32 % van de totale betalingsaanvragen (een bedrag van 14,4 miljard EUR) bereikt, wat heeft geleid tot een aanzienlijke achterstand bij de aanvragen (18 miljard EUR) die zijn overgedragen en uit de begroting 2026 betaald.
De achterstand op het gebied van cohesie van 2025, in combinatie met het versnelde uitvoeringstempo, zet de begroting 2026 onder druk. De huidige bestedingstrends op het terrein (projecten die 69 % van de middelen voor het cohesiebeleid bestrijken, zijn reeds geselecteerd door de programma-autoriteiten) en de prognoses van de lidstaten wijzen op een volledige uitvoering van de goedgekeurde begroting voor 2026 en op de noodzaak van een verdere verhoging. De voorgestelde verhoging met 5,36 miljard EUR voor het cohesiebeleid, die reeds in dit OGB is opgenomen, beperkt het risico dat tegen eind oktober niet genoeg betalingskredieten zijn. Aan het einde van de zomer zal een verdere beoordeling van de behoeften tot het einde van het jaar worden uitgevoerd, op basis van de prognoses van de lidstaten die uiterlijk eind juli moeten worden ingediend.
Wat de strategische GLB-plannen 2023-2027 in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) betreft, hebben de lidstaten hun prognoses voor dat jaar naar boven bijgesteld. Uit de eerste twee uitgavendeclaraties die tot dusver voor 2026 zijn ontvangen, blijkt ook dat de ramingen van de lidstaten nauwkeuriger zijn. Het versnelde tempo van de uitvoering van de strategische GLB-plannen weerspiegelt zowel een inhaalslag ten opzichte van de onderbesteding in de eerste jaren van deze programmeringsperiode als een kortere duur van de programmeringsperiode (vijf jaar). De versnelling van de uitvoering van de programma’s wijst erop dat de lidstaten prioriteit geven aan de uitvoering van de strategische GLB-plannen, nu de programma’s voor plattelandsontwikkeling voor de periode 2014-2022 de afsluitingsfase hebben bereikt. De Commissie schat daarom dat in 2026 bovenop de goedgekeurde begroting nog eens 2,2 miljard EUR aan betalingskredieten nodig is.
Het algehele effect op de uitgaven is als volgt:
|
EUR
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Benaming
|
Vastleggingskredieten
|
Betalingskredieten
|
|
Afdeling III – Commissie
|
|
08 03 01 01
|
Interventietypes voor plattelandsontwikkeling in het kader van de strategische GLB-plannen
|
0
|
2 200 000 000
|
|
05 02 01
|
EFRO — Beleidsuitgaven
|
0
|
3 376 800 000
|
|
05 03 01
|
CF — Beleidsuitgaven de Connecting Europe Facility (CEF).
|
0
|
589 600 000
|
|
07 02 01
|
ESF+ onderdeel gedeeld beheer — Beleidsuitgaven
|
0
|
1 393 600 000
|
|
Totaal
|
0
|
7 560 000 000
|
Tegelijkertijd blijft de Commissie toezien op de begrotingsbrede uitvoering. Na de zomer zal zij de balans opmaken van de geactualiseerde prognoses van de lidstaten voor het cohesiebeleid en het Elfpo (die respectievelijk eind juli en eind augustus moeten worden ingediend) en van de daadwerkelijke uitvoering van de begroting. In het kader van de algemene overschrijving zal zij vervolgens de begrotingskredieten aanpassen aan de geactualiseerde behoeften voor alle programma’s waarvoor een verdere verhoging van de betalingskredieten voor 2026 nodig kan zijn, met name voor cohesie.
3.2
Verhoging van de landbouwuitgaven
Landbouwers worden momenteel geconfronteerd met ernstige liquiditeitsproblemen als gevolg van de crisis in het Midden-Oosten, met name vanwege de negatieve gevolgen ervan voor de kosten van landbouwproductiemiddelen, namelijk energie en meststoffen. De landbouwsector moet dringend worden gestabiliseerd en de voedselzekerheid en marktstabiliteit in de EU moeten worden gewaarborgd door dringende liquiditeitstekorten onder landbouwers aan te pakken.
Daartoe moet gerichte uitzonderlijke steun worden verleend aan de zwaarst getroffen Europese landbouwers via bestaande crisisinstrumenten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Met het oog hierop heeft de Commissie op 19 mei een actieplan voor meststoffen aangenomen, waarin als een van de onmiddellijke maatregelen om de toegang van landbouwers tot betaalbare meststoffen te verbeteren, een op stapel staand voorstel wordt genoemd om de landbouwreserve te verhogen om landbouwers snel uitzonderlijke hulp te bieden. Gezien het bedrag dat momenteel beschikbaar is in het kader van de landbouwreserve voor 2026, wordt verzocht om een verhoging met 300 miljoen EUR uit de marge onder het ELGF-submaximum in rubriek 3.
Bovendien bevatte de ELGF-begroting 2026, net als in andere jaren, een raming van het bedrag aan bestemmingsontvangsten dat in 2026 moet worden geïnd, waardoor de nieuwe kredieten in de begroting worden verlaagd om de behoeften dienovereenkomstig te dekken. De raming voor 2026 was gebaseerd op voorlopige gegevens in een vroeg stadium van het conformiteitsgoedkeuringsproces. De herziene ramingen, waarin de feitelijke goedkeuringsbesluiten en de compensatiemogelijkheden voor 2026 zijn verwerkt, wijzen nu op een lager niveau van bestemmingsontvangsten dan oorspronkelijk geraamd, waardoor een tekort ontstaat om de behoeften van het ELGF te dekken. Een deel van dit tekort zal worden gedicht door herschikkingen binnen het ELGF. Om het risico van een tekort aan kredieten te voorkomen en te zorgen voor een tijdige terugbetaling van de ELGF-uitgaven aan de lidstaten, wordt verzocht om een verhoging met 140 miljoen EUR uit de marge onder het ELGF-submaximum in rubriek 3.
Het algehele effect op de uitgaven is als volgt:
|
EUR
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Benaming
|
Vastleggingskredieten
|
Betalingskredieten
|
|
Afdeling III – Commissie
|
|
08 02 01
|
Landbouwreserve
|
300 000 000
|
300 000 000
|
|
08 02 04 01
|
Basisinkomenssteun voor duurzaamheid
|
140 000 000
|
140 000 000
|
|
Totaal
|
440 000 000
|
440 000 000
|
3.3
Extra personeelsformatieposten en kredieten voor de steunlening aan Oekraïne
Op 14 januari 2026 presenteerde de Commissie haar voorstellen voor een verordening voor het opzetten van de steunlening aan Oekraïne, die op 24 februari 2026 door het Europees Parlement en de Raad werd aangenomen. De steunlening aan Oekraïne, die in het kader van nauwere samenwerking is ingesteld, brengt een nieuw soort financieel, budgettair en juridisch beheer met zich mee. In combinatie met de omvang en de aard van de te beheren kredieten vereist dit extra deskundigheid in de directoraten-generaal die betrokken zijn bij het opzetten en uitvoering ervan.
In het kader van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) werkt de Commissie volgens het beginsel van stabiele personeelsbezetting. Niettemin zijn verschillende nieuwe taken aan de Commissie toevertrouwd om in te spelen op nieuwe prioriteiten, wat tot een aanzienlijk capaciteitstekort heeft geleid. Ondanks voortdurende inspanningen om synergieën en efficiëntie te vinden, heeft de capaciteit om nieuwe taken op te nemen bij een stabiel personeelsbestand zijn grenzen bereikt. Voor de uitvoering van dit voorstel zijn derhalve in totaal 53 personeelsformatieposten nodig, waarvan 41 posten bovenop de stabiele personeelsbezetting. Dit is in overeenstemming met het financieel en digitaal memorandum bij het voorstel van de Commissie, dat door het Europees Parlement en de Raad is aangenomen.
De extra middelen zullen het mogelijk maken het nieuwe instrument op passende wijze op te zetten en te beheren. Sommige van de nieuwe posten zullen worden ondergebracht in de EU-delegatie in Oekraïne om ter plaatse toezicht te houden op de uitvoering van het nieuwe instrument. In rubriek 7 (Europees openbaar bestuur) wordt een totaalbedrag van 3,2 miljoen EUR aan vastleggings- en betalingskredieten gevraagd ter dekking van de salarissen en vergoedingen van dit extra personeel en de daarmee verband houdende niet-salarisgerelateerde kosten voor 2026, uitgaande van een gemiddelde aanwezigheid van zes maanden in 2026.
Naast de toename van het aantal vaste ambten zijn ook extra ondersteunende uitgaven nodig voor het beheer van de opgenomen leningen in verband met de steunlening voor Oekraïne. De leningen zullen worden gedekt door de uniforme financieringsaanpak van de EU, in het kader waarvan de Commissie EU-obligaties uitgeeft en de opbrengsten toewijst aan een centrale financieringspool, waaruit de steunlening voor Oekraïne zal worden gefinancierd. Daarom wordt in rubriek 2b in totaal 1 miljoen EUR aan vastleggings- en betalingskredieten gevraagd, zodat meer kan worden geleend om de nodige middelen aan te trekken.
Het algehele effect op de uitgaven is als volgt:
|
EUR
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Benaming
|
Vastleggingskredieten
|
Betalingskredieten
|
|
Afdeling III – Commissie
|
|
06 01 03
|
Ondersteunende uitgaven voor lenings- en schuldbeheersactiviteiten van de Europese Unie
|
1 000 000
|
1 000 000
|
|
20 01 02 01
|
Salarissen en vergoedingen — Centrale diensten en vertegenwoordigingen
|
1 864 000
|
1 864 000
|
|
20 01 02 02
|
Uitgaven en vergoedingen voor aanwerving, overplaatsing en beëindiging van de dienst — Centrale diensten en vertegenwoordigingen
|
551 000
|
551 000
|
|
20 01 02 03
|
Salarissen en vergoedingen — Delegaties van de Unie
|
510 000
|
510 000
|
|
20 01 05 01
|
Medische dienst
|
1 000
|
1 000
|
|
20 03 05 01
|
Aankoop, huur en daarmee samenhangende uitgaven
|
239 000
|
239 000
|
|
Totaal
|
4 165 000
|
4 165 000
|
De geactualiseerde personeelsformatie is opgenomen in de begrotingsbijlage.
3.4
Overdrachten van het EEA naar het LIFE-programma
De onderhandelingen over het voorstel voor de richtlijn groene claims liggen stil en in 2026 wordt geen overeenkomst verwacht. De financiële middelen die waren gepland voor de uitvoering van de relevante taken door het Europees Milieuagentschap — in totaal 432 172 EUR aan zowel vastleggings- als betalingskredieten — kunnen dus worden teruggeboekt naar het LIFE-programma, waarvan deze kredieten aanvankelijk werden gecompenseerd. Evenzo zijn één vaste post en één post voor arbeidscontractanten voor dit doel niet langer nodig.
Daarnaast is het voorstel van de Commissie inzake Europese bosmonitoring opgenomen in de lijst van ingetrokken lopende initiatieven in de mededeling over het werkprogramma van de Commissie voor 2026 – Het onafhankelijkheidsmoment van Europa. De financiële middelen die waren gepland voor de uitvoering van de relevante taken door het Europees Milieuagentschap – in totaal 1,1 miljoen EUR aan zowel vastleggings- als betalingskredieten – kunnen dus worden teruggeboekt naar de begrotingsonderdelen van het LIFE-programma, waaruit deze kredieten aanvankelijk werden gecompenseerd. Evenzo zijn twee vaste posten en één arbeidscontractant voor dit doel niet langer nodig.
Het algehele effect op de uitgaven is als volgt:
|
EUR
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Benaming
|
Vastleggingskredieten
|
Betalingskredieten
|
|
Afdeling III – Commissie
|
|
30 02 02
|
Gesplitste kredieten (Reserve voor begrotingsartikel 09 10 02)
|
- 1 537 273
|
- 1 537 273
|
|
09 02 01
|
Natuur en biodiversiteit
|
552 550
|
552 550
|
|
09 02 02
|
Circulaire economie en levenskwaliteit
|
432 172
|
432 172
|
|
09 02 03
|
Klimaatmitigatie en -adaptatie
|
552 551
|
552 551
|
|
Totaal
|
0
|
0
|
De geactualiseerde personeelsformatie is opgenomen in de begrotingsbijlage.
3.5
Wijziging van de toelichting bij begrotingsonderdeel 02 02 02 (EU-garantie van het InvestEU-fonds – Voorziening van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds)
In het kader van de InvestEU Omnibus II-verordening kunnen de lidstaten nu middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF) bijdragen aan het InvestEU-financieringsinstrument. Deze middelen zijn rechtstreekse bijdragen in contanten van de lidstaten aan uitvoerende partners, waarvoor de meest geschikte oplossing is om deze externe bestemmingsontvangsten te boeken onder begrotingsonderdeel 02 02 02. Om rekening te houden met deze wijziging en om tegemoet te komen aan soortgelijke toekomstige verzoeken, wordt voorgesteld de toelichting bij begrotingsonderdeel 02 02 02 in de begroting 2026 als volgt te wijzigen:
Begrotingsonderdeel 02 02 02 – EU-garantie van het InvestEU-fonds — Voorziening van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds
Dit krediet dient ter dekking van de voorziening voor de EU-garantie die op de eerste plaats gericht is op dekking van beroepen op de garantie en de kosten in verband met de uitvoering van de EU-garantie van het InvestEU-fonds.
Bovendien zijn in 2022, 2023 en 2024 bijdragen van vijf lidstaten (Roemenië, Griekenland, Finland, Bulgarije en Malta) en Noorwegen en IJsland ontvangen als aanvullende jaarlijkse bijdragen van de lidstaten en de EVA-staten door de overeenkomstige kredieten van dit artikel te verhogen.
Na de InvestEU Omnibus II-verordening worden aanvullende bijdragen van Italië en Roemenië verwacht die externe bestemmingsontvangsten zullen vormen. Deze middelen maken geen deel uit van de InvestEU-garantie, maar worden als financieringsinstrument in het kader van InvestEU toevertrouwd aan de desbetreffende uitvoerende partners van InvestEU.
4.
Financiering
In totaal komt het netto-effect van OGB 2/2026 op de uitgaven neer op een verhoging van de vastleggingskredieten met 444,2 miljoen EUR en de betalingskredieten met 8 004,2 miljoen EUR. Het voorstel is om de ontvangstenzijde van de begroting aan te passen zoals uiteengezet in dit OGB 2/2026.
Omdat er in subrubriek 2b geen marge of ruimte voor herschikking is, stelt de Commissie voor om overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 het flexibiliteitsinstrument te gebruiken voor vastleggings- en betalingskredieten voor een bedrag van 1 miljoen EUR voor subrubriek 2b om de middelen voor het begrotingsonderdeel te verhogen voor uitgaven ter ondersteuning van lenings- en schuldbeheersactiviteiten.
Omdat er in rubriek 7 geen marge of ruimte voor herschikking is, stelt de Commissie in dezelfde geest voor om overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 het enkelvoudig marge-instrument te gebruiken voor vastleggingskredieten voor een bedrag van 3,165 miljoen EUR voor rubriek 7.
De betalingskredieten voor 2026 in verband met de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument in 2023 tot en met 2026 worden geraamd op 2 286,0 miljoen EUR. Het geraamde betalingsschema van de desbetreffende uitstaande bedragen voor deze jaren wordt in de volgende tabel gespecificeerd:
|
Flexibiliteitsinstrument — betalingsprofiel (in miljoen EUR)
|
|
Jaar van beschikbaarstelling
|
2026
|
2027
|
Na MFK 2021 2027
|
Totaal
|
|
2023
|
83,2
|
0,0
|
0,0
|
83,2
|
|
2024
|
83,7
|
46,3
|
0,0
|
129,9
|
|
2025
|
15,8
|
9,4
|
5,7
|
30,9
|
|
2026
|
2 038,7
|
1,7
|
1,6
|
2 041,9
|
|
Totaal
|
2 221,4
|
57,3
|
7,2
|
2 286,0
|
5.
Samenvatting per MFK-rubriek
|
|
|
|
|
|
|
|
In EUR
|
|
|
Begroting 2026 (incl. OGB 1/2026)
|
Ontwerp van gewijzigde begroting 2/2026
|
Begroting 2026 (incl. OGB 1-2/2026)
|
|
|
|
|
|
|
|
VK
|
BK
|
VK
|
BK
|
VK
|
BK
|
|
1
|
Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid
|
22 162 993 197
|
23 336 627 126
|
|
|
22 162 993 197
|
23 336 627 126
|
|
|
Maximum
|
22 210 000 000
|
|
|
|
22 210 000 000
|
|
|
|
Marge
|
47 006 803
|
|
|
|
47 006 803
|
|
|
2
|
Cohesie, veerkracht en waarden
|
71 649 838 425
|
73 166 657 166
|
1 000 000
|
5 361 000 000
|
71 650 838 425
|
78 527 657 166
|
|
|
Maximum
|
67 523 000 000
|
|
|
|
67 523 000 000
|
|
|
|
waarvan onder flexibiliteitsinstrument
|
2 014 115 425
|
|
1 000 000
|
1 000 000
|
2 015 115 425
|
|
|
|
waarvan onder EURI
|
2 112 723 000
|
|
|
|
2 112 723 000
|
|
|
|
Marge
|
|
|
|
|
|
|
|
2a.
|
Economische, sociale en territoriale cohesie
|
56 594 001 997
|
58 298 110 625
|
|
5 360 000 000
|
56 594 001 997
|
63 658 110 625
|
|
|
Maximum
|
56 593 000 000
|
|
|
|
56 593 000 000
|
|
|
|
waarvan onder flexibiliteitsinstrument
|
1 001 997
|
|
|
|
1 001 997
|
|
|
|
Marge
|
|
|
|
|
|
|
|
2b.
|
Veerkracht en waarden
|
15 055 836 428
|
14 868 546 541
|
1 000 000
|
1 000 000
|
15 056 836 428
|
14 869 546 541
|
|
|
Maximum
|
10 930 000 000
|
|
|
|
10 930 000 000
|
|
|
|
waarvan onder flexibiliteitsinstrument
|
2 013 113 428
|
|
1 000 000
|
1 000 000
|
2 014 113 428
|
|
|
|
waarvan onder EURI
|
2 112 723 000
|
|
|
|
2 112 723 000
|
|
|
|
Marge
|
|
|
|
|
|
|
|
3
|
Natuurlijke hulpbronnen en milieu
|
56 529 415 080
|
52 577 345 231
|
440 000 000
|
2 640 000 000
|
56 969 415 080
|
55 217 345 231
|
|
|
Maximum
|
57 100 000 000
|
|
|
|
57 100 000 000
|
|
|
|
Marge
|
570 584 920
|
|
-440 000 000
|
|
130 584 920
|
|
|
|
waarvan: Marktgerelateerde uitgaven en directe betalingen
|
40 011 259 481
|
39 958 066 815
|
440 000 000
|
440 000 000
|
40 451 259 481
|
40 398 066 815
|
|
|
ELGF-submaximum
|
41 764 000 000
|
|
|
|
41 764 000 000
|
|
|
|
Afrondingsverschil uitgesloten voor de berekening van de submarge
|
773 000
|
|
|
|
773 000
|
|
|
|
Netto-overschrijvingen tussen ELGF en Elfpo
|
-1 222 773 000
|
|
|
|
-1 222 773 000
|
|
|
|
Nettosaldo dat voor uitgaven uit het ELGF beschikbaar is (submaximum gecorrigeerd door overdrachten tussen ELGF en Elfpo)
|
40 542 000 000
|
|
|
|
40 542 000 000
|
|
|
|
ELGF-submarge
|
529 967 519
|
|
-440 000 000
|
|
89 967 519
|
|
|
4
|
Migratie en grensbeheer
|
5 018 866 515
|
3 887 896 129
|
|
|
5 018 866 515
|
3 887 896 129
|
|
|
Maximum
|
5 103 000 000
|
|
|
|
5 103 000 000
|
|
|
|
Marge
|
84 133 485
|
|
|
|
84 133 485
|
|
|
5
|
Veiligheid en defensie
|
2 813 506 939
|
2 253 300 408
|
|
|
2 813 506 939
|
2 253 300 408
|
|
|
Maximum
|
2 810 000 000
|
|
|
|
2 810 000 000
|
|
|
|
waarvan onder flexibiliteitsinstrument
|
3 506 939
|
|
|
|
3 506 939
|
|
|
|
Marge
|
|
|
|
|
|
|
|
6
|
Nabuurschap en internationaal beleid
|
15 600 020 092
|
16 569 670 072
|
|
|
15 600 020 092
|
16 569 670 072
|
|
|
Maximum
|
15 614 000 000
|
|
|
|
15 614 000 000
|
|
|
|
Marge
|
13 979 908
|
|
|
|
13 979 908
|
|
|
7
|
Europees openbaar bestuur
|
13 277 510 287
|
13 277 510 287
|
3 165 000
|
3 165 000
|
13 280 675 287
|
13 280 675 287
|
|
|
Maximum
|
12 506 000 000
|
|
|
|
12 506 000 000
|
|
|
|
waarvan onder flexibiliteitsinstrument
|
23 306 848
|
|
|
|
23 306 848
|
|
|
|
Waarvan in het kader van het enkelvoudig marge-instrument artikel 11, lid 1, punt a)
|
748 203 439
|
|
3 165 000
|
|
751 368 439
|
|
|
|
Marge
|
|
|
|
|
|
|
|
|
waarvan: administratieve uitgaven van de instellingen
|
9 999 745 735
|
9 999 745 735
|
3 165 000
|
3 165 000
|
10 002 910 735
|
10 002 910 735
|
|
|
Submaximum
|
9 464 000 000
|
|
|
|
9 464 000 000
|
|
|
|
Waarvan in het kader van het enkelvoudig marge-instrument artikel 11, lid 1, punt a)
|
535 745 735
|
|
3 165 000
|
|
538 910 735
|
|
|
|
Submarge
|
|
|
|
|
|
|
|
Kredieten voor rubrieken
|
187 052 150 535
|
185 069 006 419
|
444 165 000
|
8 004 165 000
|
187 496 315 535
|
193 073 171 419
|
|
|
Maximum
|
182 866 000 000
|
201 170 000 000
|
|
|
182 866 000 000
|
201 170 000 000
|
|
|
waarvan onder flexibiliteitsinstrument
|
2 040 929 212
|
2 220 417 865
|
1 000 000
|
1 000 000
|
2 041 929 212
|
2 221 417 865
|
|
|
Waarvan in het kader van het enkelvoudig marge-instrument artikel 11, lid 1, punt a)
|
748 203 439
|
|
3 165 000
|
|
751 368 439
|
|
|
|
waarvan onder EURI
|
2 112 723 000
|
2 112 723 000
|
|
|
2 112 723 000
|
2 112 723 000
|
|
|
Marge
|
715 705 116
|
20 434 134 446
|
-440 000 000
|
-8 003 165 000
|
275 705 116
|
12 430 969 446
|
|
|
Thematische speciale instrumenten
|
5 715 921 020
|
5 022 549 248
|
|
|
5 715 921 020
|
5 022 549 248
|
|
Totaal kredieten
|
192 768 071 555
|
190 091 555 667
|
444 165 000
|
8 004 165 000
|
193 212 236 555
|
198 095 720 667
|