25.2.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 46/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/301 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2022

tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 ingestelde definitieve compenserende recht op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot vanuit Marokko verzonden bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko, en tot beëindiging van het onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 ingestelde compenserende maatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit Egypte door de invoer van vanuit Marokko verzonden bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 23,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Bestaande maatregelen

(1)

De Commissie heeft in juni 2020 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 (2) een definitief compenserend recht ingesteld op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels (“SGV”) van oorsprong uit de VRC respectievelijk Egypte (“het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek”). De antisubsidiemaatregelen bestonden uit een ad-valoremrecht variërend van 17 % tot 30,7 % voor invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de VRC”) en een ad-valoremrecht van 10,9 % voor invoer van oorsprong uit Egypte.

1.2.   Verzoek

(2)

De Commissie heeft een verzoek op grond van artikel 23, lid 4, en artikel 24, lid 5, van de basisverordening ontvangen om een onderzoek te openen naar de mogelijke ontwijking van de compenserende maatregelen die zijn ingesteld ten aanzien van de invoer van SGV van oorsprong uit de VRC en Egypte, en om deze invoer aan registratie te onderwerpen.

(3)

Het verzoek werd op 19 mei 2021 ingediend door TECH-FAB Europe e.V., een vereniging van EU-producenten van SGV (“de indiener van het verzoek”).

(4)

In het verzoek werd voldoende aangetoond dat na de instelling van de maatregelen ten aanzien van SGV een verandering in de structuur van het handelsverkeer met betrekking tot de uitvoer uit de VRC, Egypte en Marokko naar de Unie had plaatsgevonden. De verandering in de structuur van het handelsverkeer leek het gevolg te zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, geen gegronde reden of economische rechtvaardiging bestaat.

(5)

Bovendien bevatte het verzoek voldoende bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de praktijken, processen of werkzaamheden de corrigerende werking van de bestaande compenserende maatregelen wat de hoeveelheden en de prijzen betreft ondermijnden. Er bleken aanzienlijke volumes van het onderzochte product de EU-markt te zijn binnengekomen. Voorts was er voldoende bewijs dat SGV tegen schade veroorzakende prijzen werden ingevoerd.

(6)

Ten slotte bevatte het verzoek voldoende bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het onderzochte product en/of delen daarvan nog steeds gesubsidieerd worden. Het onderzochte product en de delen daarvan werden immers geproduceerd en naar Marokko uitgevoerd door ondernemingen in de VRC en Egypte waarvan is vastgesteld dat zij tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies ontvingen voor de productie en de verkoop van het onderzochte product waarop de bestaande maatregelen van toepassing zijn.

1.3.   Betrokken product en onderzocht product

(7)

Bij het betrokken product gaat het om stoffen van geweven en/of gestikte continuglasvezelrovings en/of -draden, al dan niet met andere elementen, met uitzondering van producten die zijn geïmpregneerd of gepreïmpregneerd (pre-preg), en met uitzondering van open weefsels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, op de datum van inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 ingedeeld onder de GN-codes ex 7019 39 00, ex 7019 40 00, ex 7019 59 00 en ex 7019 90 00 (Taric-codes 7019390080, 7019400080, 7019590080 en 7019900080), van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (“het betrokken product”). Dit is het product waarop de thans geldende maatregelen van toepassing zijn.

(8)

Het onderzochte product is hetzelfde als het in de voorgaande overweging omschreven product, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7019 61 00, ex 7019 62 00, ex 7019 63 00, ex 7019 64 00, ex 7019 65 00, ex 7019 66 00, ex 7019 69 10, ex 7019 69 90, ex 7019 72 00, ex 7019 73 00, ex 7019 80 10, ex 7019 80 90 en ex 7019 90 00, maar verzonden vanuit Marokko, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko (Taric-codes 7019 61 00 81, 7019 62 00 81, 7019 63 00 81, 7019 64 00 81, 7019 65 00 81, 7019 66 00 81, 7019 69 10 81, 7019 69 90 81, 7019 72 00 81, 7019 73 00 81, 7019 80 10 81, 7019 80 90 81 en 7019900081) (“het onderzochte product”) (3).

(9)

Uit het onderzoek is gebleken dat uit de VRC en Egypte naar de Unie uitgevoerde SGV en vanuit Marokko verzonden SGV, al dan niet van oorsprong uit Marokko, dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen hebben en daarom worden beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 2, punt c), van de basisverordening.

1.4.   Opening van het onderzoek

(10)

Nadat de Commissie, na de lidstaten te hebben geïnformeerd, had vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was om op grond van artikel 23 van de basisverordening een onderzoek te openen, heeft zij bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/863 van 28 mei 2021 (4) (“de openingsverordening”) het onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de compenserende maatregelen geopend. Overeenkomstig artikel 23, lid 4, en artikel 24, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie bij de openingsverordening de douaneautoriteiten eveneens de opdracht gegeven de invoer van vanuit Marokko verzonden SGV, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko, te registreren.

1.5.   Opmerkingen over de opening van het onderzoek

(11)

Volgens LM Wind Power, een in de Unie gevestigde fabrikant van rotorbladen, bestond er geen grond om een onderzoek naar de ontwijking van de compenserende maatregelen te openen, omdat er onvoldoende bewijsmateriaal was met betrekking tot de in artikel 23, leden 1, 2 en 3, van de basisverordening vermelde factoren.

(12)

Hij voerde aan dat er overeenkomstig artikel 23, lid 3, tweede alinea, voldoende bewijs moet zijn voor als volgt omschreven praktijken, processen of werkzaamheden:

—

het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop de maatregelen normaal niet van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast;

—

het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen;

—

het reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de Unie te laten exporteren via producenten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten.

(13)

LM Wind Power merkte in het bijzonder op dat het in overweging 2 bedoelde verzoek voornamelijk beweringen met betrekking tot assemblagewerkzaamheden en overladingen bevatte, op basis waarvan de Commissie het onderzoek had geopend. Zijn voornaamste argument was dat de beweringen inzake assemblagewerkzaamheden in Marokko voor de opening van een onderzoek naar de ontwijking van de antisubsidiemaatregelen niet ter zake deden. Deze gebruiker betoogde dat in artikel 23, lid 3, tweede alinea, van de basisverordening — anders dan in artikel 13, lid 1, vierde alinea, van de antidumpingbasisverordening (5) — geen assemblagewerkzaamheden zijn opgenomen in de lijst van praktijken, processen of werkzaamheden die ontwijking inhouden. LM Wind Power verzocht de Commissie derhalve dit onderzoek onmiddellijk te beëindigen.

(14)

De Egyptische autoriteiten voerden aan dat zij ten onrechte bij dit onderzoek waren betrokken, omdat er geen sprake was van ontwijkingspraktijken waarbij Egypte betrokken was. In dit verband verklaarden zij dat Egypte sinds het oorspronkelijke antidumpingonderzoek alle noodzakelijke procedures had ingevoerd om ontwijking te voorkomen. Daarnaast betoogden zij, net als LM Wind Power, dat er voor ontwijking onvoldoende bewijs was in de vorm van:

—

ofwel assemblagewerkzaamheden in Marokko met betrekking tot de uitvoer van glasvezelrovings uit Egypte;

—

ofwel overlading tussen Marokko en de EU met betrekking tot SGV uit Egypte.

(15)

De Marokkaanse autoriteiten verzochten de Commissie te concluderen dat PGTEX Morocco SARL de door de Unie ingestelde maatregelen niet ontweek en vroegen haar het lopende onderzoek te beëindigen. Volgens hen was de oprichting van PGTEX Morocco SARL in Marokko het resultaat van een authentiek en langdurig partnerschap waarbij de PGTEX-groep (6) en Marokko betrokken waren. Zij verklaarden eveneens dat met het productieproces van PGTEX Morocco SARL aanzienlijke investeringen en omvangrijke productieactiviteiten gemoeid waren, en dat het productieproces tot de Marokkaanse economie bijdroeg. Ook indien een verandering in de structuur van het handelsverkeer zou kunnen worden vastgesteld, leek die dus niet door ontwijking te zijn veroorzaakt. Ten slotte voerden de Marokkaanse autoriteiten aan dat hun officiële statistieken de bewering van de indiener van het verzoek weerlegden dat PGTEX Morocco SARL de geldende maatregelen door middel van overlading had ontweken.

(16)

Wat de hierboven bedoelde argumenten in verband met de opening van het onderzoek betreft, herinnerde de Commissie eraan dat het onderzoek werd geopend op basis van het in het verzoek verstrekte bewijsmateriaal. Hoewel bij het onderzoek niet kon worden bevestigd dat er sprake was van overlading zonder assemblage, is er wel bewijs aangetroffen voor assemblage- of voltooiingswerkzaamheden. De Commissie wees er in dit verband op dat artikel 23, lid 3, tweede alinea, van de basisverordening uitdrukkelijk spreekt van “onder andere” en dus ook ontwijkingspraktijken zoals assemblagewerkzaamheden omvat, die niet expliciet in het artikel worden vermeld. Het verzoek bevatte voldoende bewijsmateriaal (7) waaruit blijkt dat er sprake was van assemblagewerkzaamheden en dat bij deze assemblagewerkzaamheden glasvezelrovings uit de VRC en Egypte werden gebruikt (8).

(17)

Het verzoek bevatte ook voldoende bewijs dat er, afgezien van de instelling van rechten, geen economische rechtvaardiging bestond, zoals het jaarverslag 2019 van PGTEX China. Volgens dit verslag werd PGTEX Morocco SARL in hoofdzaak opgericht met het doel om “actief te kunnen inspelen op het antidumpingonderzoek van de EU tegen China, haar internationaliseringsstrategie verder te optimaliseren en aan te passen, het marktaandeel van de producten in Europa en de Verenigde Staten te consolideren en te vergroten, aan de vraag van de afnemers te voldoen en de bevoorrading van de afnemers te beschermen”; in het bijzonder had PGTEX blijkens het verslag “besloten in Marokko een volle dochteronderneming op te richten om zich niet te laten weerhouden door de antidumpingonderzoeken van de EU, om afnemers te benaderen, om tegemoet te komen aan de marktvraag alsmede met het oog op aanpassing aan duurzame ontwikkeling” (9). Het uitdrukkelijk genoemde afzonderlijke antidumpingonderzoek werd gelijktijdig uitgevoerd met het antisubsidieonderzoek, dat tot het instellen van de compenserende rechten had geleid. Uit deze verklaring blijkt dus een intentie om de rechten te ontwijken die waren ingesteld naar aanleiding van het onderzoek van de Commissie.

(18)

Derhalve heeft de Commissie de door LM Wind Power alsmede de Marokkaanse en de Egyptische autoriteiten aangevoerde argumenten afgewezen dat het verzoek niet voldoende bewijsmateriaal bevatte om de opening van het onderzoek te rechtvaardigen.

1.6.   Onderzoektijdvak en verslagperiode

(19)

Het onderzoektijdvak liep van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 (“het onderzoektijdvak”). Vóór 2019 werden geen aanzienlijke hoeveelheden SGV uit Marokko naar de Unie uitgevoerd. Er zijn voor het onderzoektijdvak gegevens verzameld om onder meer na te gaan of zich na de instelling van de maatregelen ten aanzien van het betrokken product inderdaad een verandering in de structuur van het handelsverkeer had voorgedaan en of er sprake was van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, geen gegronde reden of economische rechtvaardiging bestond. Voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 (“de verslagperiode” of “VP”) zijn meer gedetailleerde gegevens verzameld, teneinde te onderzoeken of de invoer de corrigerende werking van de geldende maatregelen wat de prijzen en/of de hoeveelheden betreft ondermijnde en of er van subsidiëring sprake was.

1.7.   Onderzoek

(20)

De Commissie heeft de autoriteiten van de VRC, Egypte en Marokko, de producenten-exporteurs in die landen, de bedrijfstak van de Unie en de voorzitter van de Associatieraad EU-Marokko officieel van de opening van het onderzoek in kennis gesteld.

(21)

Daarnaast heeft de Commissie de Vertegenwoordiging van Marokko bij de Europese Unie verzocht haar de namen en adressen te verstrekken van andere producenten-exporteurs dan PGTEX Morocco SARL (de enige producent van het onderzochte product volgens het verzoek) en/of representatieve verenigingen die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek. In antwoord hierop hebben de Marokkaanse autoriteiten een lijst met drie andere ondernemingen ingediend. Twee van deze ondernemingen hebben zich niet gemeld, en de derde onderneming heeft verklaard geen SGV naar de Unie te hebben uitgevoerd.

(22)

De vrijstellingsaanvraagformulieren voor de producenten/exporteurs in Marokko alsmede de vragenlijsten voor de producenten/exporteurs in de VRC en Egypte en voor de importeurs in de Unie werden beschikbaar gesteld op de website van DG Handel.

(23)

Alleen PGTEX Morocco SARL heeft een aanvraagformulier voor vrijstelling ingevuld en tevens een hoorzitting aangevraagd, die op 21 juni 2021 is gehouden. Zoals vermeld in overweging 45, is bovendien de PGTEX-groep op haar verzoek op 10 januari 2022 gehoord door de Commissie en op 12 januari 2022 door de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

(24)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om binnen de bij de openingsverordening vastgestelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Zij zijn ervan in kennis gesteld dat het niet verstrekken van alle relevante informatie of het verstrekken van onvolledige, onjuiste of misleidende informatie kan leiden tot toepassing van artikel 28 van de basisverordening en tot bevindingen die op de beschikbare gegevens worden gebaseerd.

(25)

Op 20 december 2021 (de datum van de mededeling van feiten en overwegingen) heeft de Commissie van de Marokkaanse autoriteiten een (op 16 december 2021 gedateerd) document ontvangen, hetgeen te laat was om nog in aanmerking te kunnen worden genomen in het stadium van de mededeling van feiten en overwegingen. Na de mededeling van feiten en overwegingen hebben de Marokkaanse autoriteiten een tweede document gezonden, waarin zij hun document van 16 december 2021 samenvatten. In wezen herhaalden de Marokkaanse autoriteiten hun verzoek om het onderzoek te beëindigen en voerden zij daartoe de volgende argumenten aan.

(26)

Ten eerste betoogden zij dat de SGV door PGTEX Morocco SARL worden vervaardigd door middel van activiteiten die niet als voltooiings- of assemblagewerkzaamheden kunnen worden aangemerkt. Ten tweede zijn deze producten volgens hen “van oorsprong” uit Marokko in de zin van artikel 29 (10) van de associatieovereenkomst tussen de EU en Marokko (11) en worden deze nader omschreven in de lijst die is opgenomen in bijlage II bij protocol nr. 4 bij de associatieovereenkomst EU-Marokko. Voorts bepaalt artikel 9 van de associatieovereenkomst EU-Marokko dat “[p]roducten van oorsprong uit Marokko […] bij invoer in de Gemeenschap [worden] toegelaten met vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking”, en voorziet de associatieovereenkomst EU-Marokko slechts in enkele uitzonderingen. Deze preferentiële oorsprong werd tevens bevestigd door de Marokkaanse douaneautoriteiten,die ten behoeve van de uitvoer van SGV van PGTEX naar de EU certificaten van preferentiële oorsprong (EUR.1) hadden afgegeven overeenkomstig artikel 17 van protocol nr. 4 bij de associatieovereenkomst EU-Marokko.

(27)

De Commissie heeft het argument afgewezen dat de in Marokko uitgevoerde verwerking van ingevoerde glasvezelrovings tot SGV niet als assemblage- of voltooiingswerkzaamheden kon worden aangemerkt. Zoals vermeld in overweging 16, kunnen de wettelijke normen van artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening naar analogie worden toegepast bij de beoordeling van de antisubsidiezaak in het kader van artikel 23, lid 3, van de basisverordening. In dit verband heeft artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening niet alleen betrekking op de assemblage van (verscheidene) onderdelen tot een eindproduct, maar ook op de voltooiing/conversie van tussenproducten in het betrokken product. Dit volgt met name uit artikel 13, lid 2, punt b), van de antidumpingbasisverordening, dat bepaalt dat “[…] de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan […] bedraagt”. Daarnaast doet het niet ter zake dat de Marokkaanse douaneautoriteiten aan PGTEX Morocco SARL EUR.1-certificaten hadden afgegeven, waarmee de preferentiële oorsprong van de producten in het kader van de associatieovereenkomst werd bevestigd, aangezien de toepasselijke rechtsgrondslag voor dit onderzoek naar ontwijking de basisverordening, en met name artikel 23 daarvan (12), is.

(28)

Voorts voerden de Marokkaanse autoriteiten, ondersteund door PGTEX Morocco SARL, na de mededeling van feiten en overwegingen aan dat het antiontwijkingsonderzoek niet was toegestaan ingevolge artikel 24 van de associatieovereenkomst EU-Marokko, aangezien op grond van dit artikel alleen antidumpingmaatregelen ten aanzien van Marokkaanse producten kunnen worden ingesteld indien aan de voorwaarden van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel is voldaan.

(29)

De Commissie heeft dit argument afgewezen op grond dat artikel 24 van de associatieovereenkomst EU-Marokko antiontwijkingsonderzoeken niet uitsluit, mede gezien het feit dat dit artikel ook verwijst naar de nationale wettelijke regeling ter zake. Toen Marokko en de EU de associatieovereenkomst in 2000 ratificeerden, bevatte de toepasselijke basisverordening reeds antiontwijkingsbepalingen.

(30)

Ten slotte voerden de Marokkaanse autoriteiten en PGTEX Morocco SARL aan dat het antiontwijkingsonderzoek van de Commissie niet was toegestaan op grond van de WTO-regels, met name artikel VI van de GATT en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT.

(31)

De Commissie heeft dit argument afgewezen en verwezen naar overweging 18 van de basisverordening (13), waarin de aanpak van de Commissie in dit verband wordt toegelicht. Zodoende bevat de wetgeving van de Unie, net als die van vele andere WTO-leden, bepalingen om ontwijkingspraktijken tegen te gaan.

2.   RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

2.1.   Algemene overwegingen

(32)

Overeenkomstig artikel 23, lid 3, van de basisverordening is onderzocht of er sprake was van ontwijking door achtereenvolgens na te gaan:

—

of zich een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen (de VRC, Egypte en Marokko) en de Unie had voorgedaan;

—

of die verandering het gevolg was van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, geen gegronde reden of economische rechtvaardiging bestond;

—

of was bewezen dat er sprake was van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, werd ondermijnd, en

—

of de soortgelijke ingevoerde producten en/of delen daarvan nog steeds gesubsidieerd werden.

(33)

Assemblagewerkzaamheden zijn in artikel 23, lid 3, tweede alinea, van de basisverordening niet specifiek opgenomen in de lijst van praktijken, processen of werkzaamheden die ontwijking inhouden. Artikel 23, lid 3, tweede alinea, van de basisverordening spreekt echter uitdrukkelijk van “onder andere”, wat betekent dat het een niet-uitputtende lijst van mogelijke ontwijkingspraktijken bevat. Bijgevolg bestrijkt dit artikel ook andere ontwijkingspraktijken die daarin niet uitdrukkelijk worden genoemd, zoals assemblagewerkzaamheden. Aangezien het door de indiener van het verzoek in het verzoek verstrekte bewijsmateriaal aanwijzingen voor assemblagewerkzaamheden in Marokko bevatte, is de Commissie derhalve ook nagegaan of, mutatis mutandis, aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening werd voldaan, met name:

—

of de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antisubsidieonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en of de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en

—

of de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product, en of de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt.

(34)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de PGTEX-groep aan dat de grondslag ontbrak om de norm van artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening “naar analogie” toe te passen teneinde te beoordelen of er sprake was van ontwijking in de zin van artikel 23, lid 3, van de basisverordening. Zij voerde met name aan dat wanneer het de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest dat de in artikel 23, lid 3, eerste alinea, van de basisverordening bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden ook assemblagewerkzaamheden zouden bestrijken, hij dit expliciet zou hebben vermeld, zoals hij heeft gedaan in artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening. Wat voorts de doelstelling betreft van de regels waarvan artikel 23, lid 3, van de basisverordening deel uitmaakt, hiermee wordt beoogd “elke subsidie te neutraliseren die rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend voor de vervaardiging, de productie, de uitvoer of het vervoer van een product waarvan het in de Unie in het vrije verkeer brengen schade veroorzaakt” (14). Artikel 2, punt a), van de basisverordening bepaalt duidelijk dat een product uitsluitend wordt geacht te worden gesubsidieerd indien een subsidie wordt verleend “door de overheid van het land van oorsprong van het ingevoerde product of door die van een tussenliggend land van waaruit het product naar de Unie wordt uitgevoerd”. In dit verband was de PGTEX-groep van oordeel dat Marokko zowel het land van oorsprong als het land van uitvoer is.

(35)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Zoals reeds vermeld in overweging 16, heeft de Commissie erkend dat assemblagewerkzaamheden in artikel 23, lid 3, tweede alinea, van de basisverordening niet specifiek zijn opgenomen in de lijst van praktijken, processen of werkzaamheden die ontwijking inhouden, maar dat daarin uitdrukkelijk wordt gesproken van “onder andere”. Aangezien een expliciete beperking ontbreekt, moet artikel 23, lid 3, van de basisverordening andere ontwijkingspraktijken bestrijken die daarin niet uitdrukkelijk worden genoemd, zoals assemblagewerkzaamheden. Anders zouden compenserende rechten immers gemakkelijk kunnen worden ontweken.

2.2.   Mate van medewerking

(36)

Uitsluitend PGTEX Morocco SARL heeft een verzoek tot vrijstelling overeenkomstig artikel 23, lid 6, van de basisverordening ingediend. PGTEX Morocco SARL maakt deel uit van de Chinese PGTEX-groep en is gevestigd in een vrijhandelszone in Tanger, Marokko.

(37)

Bovendien hebben haar twee verbonden Chinese ondernemingen Chongqing Polycomp International Corporation (“CPIC”) en PGTEX China Co., Ltd (“PGTEX China”) ook antwoorden op de vragenlijst ingediend. PGTEX Morocco SARL is een volle dochteronderneming van PGTEX China, waarvoor een bij Verordening (EU) 2020/776 ingesteld compenserend recht van 17 % geldt.

—

CPIC is een producent van glasvezelrovings, het voornaamste uitgangsmateriaal voor de vervaardiging van het onderzochte product. Zij verkocht dit uitgangsmateriaal tijdens de verslagperiode aan haar verbonden onderneming PGTEX China, waarvan zij 60 % van de aandelen in handen had;

—

PGTEX China kocht de glasvezelrovings tijdens de verslagperiode bij CPIC. Vervolgens gebruikte zij die om zelf SGV te produceren of verkocht zij die door, onder meer aan PGTEX Morocco SARL. PGTEX China produceerde het belangrijkste uitgangsmateriaal (glasvezelrovings) tijdens de verslagperiode niet.

(38)

De door PGTEX Morocco SARL en haar twee verbonden Chinese ondernemingen (“de PGTEX-groep”) ingediende antwoorden op de vragenlijst, met inbegrip van het antwoord op een verzoek tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens, bleken om de volgende redenen ontoereikend te zijn:

—

PGTEX Morocco SARL verstrekte niet de in het vrijstellingsaanvraagformulier verlangde noodzakelijke informatie. In het bijzonder had zij niet de vereiste onderliggende documenten voor twee verkooptransacties verstrekt. Bijgevolg was de Commissie niet in staat de bewering na te trekken dat PGTEX Morocco SARL pas in april 2020 met haar productie was begonnen. Bovendien ontving de Commissie, hoewel zij om een gedetailleerde verklaring voor de ontbrekende verkoopfactuurnummers had verzocht, hiervoor slechts een algemene verklaring. Zij wees er ook op dat de totale omzet voor de verslagperiode zoals opgegeven in de lijst van verkopen verschilde van de omzet die was opgegeven in de jaarrekening van PGTEX Morocco SARL voor 2020. De Commissie kon de gemelde omvang van de uitvoer naar de Unie derhalve niet bevestigen. In dit verband merkte zij eveneens op dat de opgegeven uitvoer volgens de invoerstatistieken van Eurostat groter was dan de totale invoer in de Unie uit Marokko en dat PGTEX Morocco SARL de enige haar bekende producent in Marokko was die het onderzochte product naar de Unie uitvoerde. Er werd ook tegenstrijdige informatie verstrekt over de werkelijke datum waarop PGTEX Morocco SARL met de productie was begonnen. De informatie over de werkelijke startdatum van de productie in 2020 was nodig om te kunnen vaststellen welk deel van de belangrijkste kostenposten (zoals afschrijvingskosten en huurkosten) aan de productie van het betrokken product kon worden toegeschreven. Bovendien werd in het antwoord op het verzoek om de ontbrekende gegevens aan te leveren geen bevredigende verklaring gegeven voor de aanzienlijke toename van het productievolume in juli 2020, dat ongeveer driemaal groter was dan het productievolume in de voorgaande maand (juni 2020), hoewel het elektriciteitsverbruik in beide maanden min of meer gelijk was.

—

PGTEX China verstrekte niet de verlangde informatie wat betreft het Golden Tax System met betrekking tot haar aankopen bij CPIC en haar verkopen aan PGTEX Morocco SARL.

(39)

Daarom heeft de Commissie de PGTEX-groep op 5 oktober 2021, overeenkomstig artikel 28, lid 4, van de basisverordening, in kennis gesteld van het feit dat de niet-uitputtende lijst van elementen als beschreven in de vorige overweging zou kunnen leiden tot de toepassing van artikel 28 van de basisverordening en tot het gebruik van de beschikbare gegevens. Zij heeft de PGTEX-groep ook verzocht om opmerkingen over de mogelijke toepassing van artikel 28 van de basisverordening.

(40)

Op 12 oktober 2021 heeft de PGTEX-groep aangevoerd dat het in dit geval om de volgende redenen juridisch gezien niet gerechtvaardigd was om van de beschikbare gegevens gebruik te maken:

—

de groep heeft niet verzuimd de “nodige” informatie te verstrekken, als bedoeld in artikel 28 van de basisverordening;

—

de door de PGTEX-groep verstrekte informatie kan niet buiten beschouwing worden gelaten;

—

gebruikmaking van “de beschikbare gegevens” moet hoe dan ook worden beperkt.

(41)

De Commissie heeft de door de PGTEX-groep bij brief van 12 oktober 2021 verstrekte informatie en documenten onderzocht. Zij is tot de conclusie gekomen dat voor de meeste elementen die zij in haar brief van 5 oktober 2021 aan de orde had gesteld, noch bevredigende antwoorden noch overtuigende bewijsstukken waren verstrekt.

(42)

Bijgevolg was de Commissie van oordeel dat de door de PGTEX-groep verstrekte informatie gedeeltelijk onvolledig en tegenstrijdig was, en dat zij zich daar dus niet volledig op kon baseren. De door de PGTEX-groep verstrekte gegevens werden echter niet volledig buiten beschouwing gelaten en de Commissie heeft zowel de door de groep ingediende verkoop- als kostengegevens als uitgangspunt voor haar analyse gebruikt.

(43)

Overeenkomstig artikel 28, lid 1, eerste volzin, en lid 5, van de basisverordening werd de door de PGTEX-groep verstrekte informatie aangevuld met gegevens ontleend aan databanken zoals de Global Trade Atlas (“GTA”) (15) en Eurostat, zoals nader toegelicht in punt 2.3. De invoergegevens werden opgevraagd uit Eurostat, en de GTA werd gebruikt om de omvang van de uitvoer van glasvezelrovings uit de VRC en Egypte naar Marokko te bepalen.

(44)

Tot slot kon de Commissie, gezien de uitbraak van COVID-19 en de inperkingsmaatregelen die door verschillende lidstaten en door verschillende derde landen zijn genomen, geen controlebezoeken op grond van artikel 26 van de basisverordening verrichten bij de medewerkende rechtspersonen. De Commissie heeft de door de PGTEX-groep verstrekte informatie, zoals de antwoorden op vragenlijsten en de antwoorden op verzoeken tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens, bestudeerd in overeenstemming met de Mededeling van 16 maart 2020 over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (16). Een toetsing op afstand van de gegevens werd niet noodzakelijk geacht gelet op de in de voorgaande overwegingen beschreven problemen.

(45)

Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde de PGTEX-groep dat het gebruik van de beschikbare gegevens kennelijk ongegrond en niet gerechtvaardigd was in het licht van de door de haar verstrekte informatie. Bovendien is zij op haar verzoek op 10 januari 2022 gehoord door de Commissie, en vervolgens op 12 januari 2022 door de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures in verband met het gebruik van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening.

(46)

Op de hoorzitting van 12 januari 2022 heeft de Commissie een aanvullende toelichting verstrekt bij haar bevinding dat het antwoord op de artikel 28-brief de bezwaren van de Commissie niet had weggenomen. Zoals uiteengezet in overweging 42, bleef de Commissie bij haar standpunt dat zij zich niet volledig kon baseren op de door de PGTEX-groep verstrekte informatie. Bovendien heeft de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures tijdens de hoorzitting van 12 januari 2022 verklaard dat de Commissie het recht van verweer van de PGTEX-groep had geëerbiedigd.

2.3.   Verandering in de structuur van het handelsverkeer

2.3.1.   Invoer van SGV

(47)

Tabel 1 toont de ontwikkeling van de invoer van SGV uit de VRC, Egypte en Marokko in de periode 2019-2020. Aangezien de Taric-codes pas op 21 februari 2019 werden aangemaakt, heeft de Commissie de gegevens voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 20 februari 2019 geëxtrapoleerd, om voor beide jaren 2019 en 2020 precies dezelfde periode (twaalf maanden) te gebruiken.

Tabel 1

Invoer van SGV voor de jaren 2019 en 2020 (ton)

 

2019

VP

VRC

13 720

19 315

Index (basis = 2019)

100

141

 

Egypte

146

4 302

Index (basis = 2019)

100

2 946

 

Marokko

277

2 809

Index (basis = 2019)

100

1 014

Bron: Eurostat, Taric-codes 7019 39 00 80, 7019 40 00 80, 7019 59 00 80 en 7019 90 00 80

(48)

Tabel 1 laat zien dat de invoer van SGV uit Marokko is gestegen van 277 ton in 2019 tot 2 809 ton in 2020. De significante stijging in 2020 ten opzichte van 2019 viel samen met het begin van de productie door PGTEX Morocco SARL. Hoewel de onderneming officieel op 2 oktober 2019 werd opgericht, verklaarde zij in haar vrijstellingsaanvraag pas vanaf april 2020 met de productie en de uitvoer te zijn begonnen. In dit verband bleek uit de invoergegevens dat de gemiddelde maandelijkse invoer in de periode april-december 2020 ongeveer vijftien keer zo groot was als de gemiddelde maandelijkse invoer in de periode januari 2019-maart 2020.

(49)

De Commissie heeft ook opgemerkt dat de opgegeven uitvoer door PGTEX Morocco SARL hoger was dan de totale invoer in de Unie uit Marokko. Aangezien PGTEX Morocco SARL de enige Marokkaanse onderneming was die bij dit onderzoek met de Commissie samenwerkte en er vóór haar oprichting onbeduidende hoeveelheden SGV uit Marokko naar de Unie werden uitgevoerd, heeft de Commissie het redelijk geacht te concluderen dat PGTEX Morocco SARL de enige producent in Marokko was die tijdens de verslagperiode SGV naar de Unie uitvoerde.

(50)

Zoals blijkt uit tabel 1, is de invoer van SGV uit de VRC gestegen van 13 720 ton in 2019 tot 19 315 ton in 2020, terwijl de invoer van SGV uit Egypte is toegenomen van 146 ton in 2019 tot 4 302 ton in 2020. Zoals vermeld in overweging 48, zijn de gemiddelde maandelijkse invoervolumes afkomstig van PGTEX Morocco SARL vanaf april 2020 aanzienlijk gestegen ten opzichte van de voorgaande perioden.

2.3.2.   Omvang van de uitvoer van glasvezelrovings uit de VRC en Egypte naar Marokko

(51)

Tabel 2 toont de ontwikkeling van de invoer van glasvezelrovings uit de VRC en Egypte in Marokko op basis van de Marokkaanse invoerstatistieken uit de GTA-databank voor de periode 2019-2020.

Tabel 2

Invoer van glasvezelrovings uit de VRC en Egypte in Marokko voor de jaren 2019 en 2020 (ton)

 

2019

VP

VRC

7019 12 glasvezelrovings

2 378

7 839

 

Egypte

7019 12 glasvezelrovings

1 118

3 120

Bron: GTA

(52)

Het belangrijkste uitgangsmateriaal voor de productie van SGV is glasvezelrovings. Dit uitgangsmateriaal wordt vervolgens verder verwerkt om SGV te produceren. Uit het bewijsmateriaal waarover de Commissie beschikt, bleek dat de uit Marokko naar de Unie uitgevoerde SGV voornamelijk van glasvezelrovings werden geproduceerd.

(53)

Tabel 2 laat zien dat de invoer van glasvezelrovings uit de VRC in Marokko aanzienlijk is toegenomen, van 2 378 ton in 2019 tot 7 839 ton in 2020. De invoer van glasvezelrovings uit Egypte in Marokko is eveneens toegenomen, van 1 297 ton in 2019 tot 3 687 ton in 2020. De invoer uit zowel de VRC als Egypte maakt ongeveer 90 % van de totale Marokkaanse invoer van glasvezelrovings voor beide jaren 2019 en 2020 uit.

(54)

PGTEX Morocco SARL voerde aan dat alle glasvezelrovings die zij gebruikte om SGV te produceren, in de VRC waren gekocht (en niet in Egypte), met name bij haar moedermaatschappij PGTEX China. Zij voerde ook aan dat zij deze rovings onder de GS-code 7019 12 invoerde. Bij de invoer uit de VRC in Marokko vertoonde de invoer onder deze code de grootste stijging.

(55)

De aanzienlijke toename van de uit de VRC en Egypte in Marokko ingevoerde hoeveelheden glasvezelrovings wees op een toenemende vraag naar dergelijk uitgangsmateriaal in Marokko, wat ten minste deels kon worden verklaard door de toename van de productie van SGV in en de uitvoer van SGV uit Marokko tijdens de verslagperiode. Dit werd ook bevestigd door de door PGTEX Morocco SARL verstrekte informatie.

(56)

Aangezien PGTEX Morocco SARL, kennelijk de enige exporteur van SGV naar de Unie (zie overweging 49), al haar glasvezelrovings in de VRC kocht, heeft de Commissie geen bewijzen gevonden waaruit blijkt dat de glasvezelrovings uit Egypte hetzij door PGTEX Morocco SARL, hetzij door enige andere producent van SGV in Marokko voor uitvoer naar de Unie werden gebruikt. Wat dit betreft begon de invoer van glasvezelrovings uit de VRC te stijgen vanaf het laatste kwartaal van 2019, d.w.z. het kwartaal waarin PGTEX Morocco SARL werd opgericht. De maandelijkse gemiddelde invoervolumes van glasvezelrovings uit de VRC in het laatste kwartaal van 2019 waren aanzienlijk hoger dan de maandelijkse gemiddelde invoervolumes in de voorgaande perioden. Bovendien lagen de maandelijkse gemiddelde invoervolumes van glasvezelrovings in 2020 (het jaar waarin PGTEX Morocco SARL met haar productie begon) eveneens fors boven de maandelijkse gemiddelde invoervolumes in het laatste kwartaal van 2019. Ondanks de toename van de invoer van glasvezelrovings uit Egypte in Marokko in 2020 heeft de Commissie geen bewijzen gevonden waaruit blijkt dat die ingevoerde rovings in Marokko werden gebruikt voor verdere verwerking tot SGV om vervolgens naar de Unie te worden uitgevoerd. Derhalve kon het bewijsmateriaal waarover de Commissie beschikte niet de bewering onderbouwen dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer met betrekking tot Egypte het gevolg was van praktijken die tot doel hadden de antidumpingmaatregelen ten aanzien van SGV uit Egypte te ontwijken.

(57)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden de PGTEX-groep en LM Wind Power aan dat er geen verandering in de structuur van het handelsverkeer was opgetreden. Volgens de PGTEX-groep ging de opkomst van de invoer van SGV uit Marokko niet ten koste van de invoer van SGV uit de VRC. Integendeel, de toename van de invoer van SGV uit Marokko was minder aanzienlijk dan de parallelle toename van de invoer van SGV uit de VRC.

(58)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 47 tot en met 56, heeft de Commissie een toename van de uitvoer van SGV uit Marokko naar de Unie en een aanzienlijke toename van de invoer van glasvezelrovings uit de VRC in Marokko in 2020 ten opzichte van 2019 vastgesteld. Dit is op zichzelf een verandering in de structuur van het handelsverkeer.

(59)

Hoewel voorts de totale uitvoer van SGV uit de VRC naar de Unie inderdaad was toegenomen, bleek uit de door PGTEX China in het kader van dit antiontwijkingsonderzoek verstrekte overzichtstabellen dat de volumes van de uitvoer van PGTEX China — de moederonderneming van PGTEX Morocco SARL en haar enige leverancier van glasvezelrovings — naar de Unie in 2020 meer dan twee keer kleiner waren dan in 2018, en zelfs meer dan drie keer kleiner dan in 2019.

(60)

De Commissie kon derhalve een verandering in de structuur van het handelsverkeer vaststellen, en zij heeft de argumenten afgewezen.

2.3.3.   Conclusie over de verandering in de structuur van het handelsverkeer

(61)

De toename van de uitvoer van SGV uit Marokko naar de Unie vormt een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Marokko en de Unie in de zin van artikel 23, lid 3, van de basisverordening, samen met de aanzienlijke toename van de Chinese uitvoer van glasvezelrovings naar Marokko in 2020 ten opzichte van 2019 (zie tabel 2). Er werd echter geen bewijsmateriaal gevonden wat betreft de vermeende ontwijking van de compenserende maatregelen ten aanzien van SGV met betrekking tot Egypte.

2.4.   Aard van de ontwijkingspraktijken waarvoor, afgezien van de instelling van het compenserende recht, geen gegronde reden of economische rechtvaardiging bestond

(62)

Artikel 23, lid 3, van de basisverordening bepaalt dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer het gevolg moet zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, geen gegronde reden of economische rechtvaardiging bestaat.

(63)

De Commissie heeft eraan herinnerd dat de praktijken, processen of werkzaamheden het via derde landen verzenden van het product waarop de bestaande maatregelen van toepassing zijn alsmede de assemblage van delen/voltooiingswerkzaamheden in een derde land omvatten, zoals uiteengezet in overweging 16.

(64)

Volgens de in overweging 15 bedoelde opmerkingen van de Marokkaanse autoriteiten dateerde het eerste contact met de PGTEX-groep voor het opzetten van een fabriek in Marokko van 20 maart 2019, dat wil zeggen één maand na de opening van het oorspronkelijke antidumpingonderzoek (17) en twee maanden vóór de opening van het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek (18). PGTEX Morocco SARL werd opgericht op 2 oktober 2019, ongeveer vijf maanden na de opening van het antisubsidieonderzoek. Deze samenloop in de tijd wijst erop dat de mogelijke instelling van de rechten de reden voor de oprichting van PGTEX Morocco SARL was.

(65)

Volgens de door PGTEX Morocco SARL ingediende lijst van verkopen kwam de totale uitvoer van PGTEX Morocco SARL in 2020 op de markt van de Unie terecht, terwijl slechts een klein deel van haar productie in dat jaar op de binnenlandse markt werd verkocht. Bovendien werden alle door haar in 2020 uitgevoerde producten verkocht aan afnemers in de Unie die in het verleden door PGTEX China werden beleverd. Dit wijst er eveneens op dat de mogelijke instelling van de rechten de reden voor de oprichting van PGTEX Morocco SARL was. Dit werd uitdrukkelijk bevestigd in het jaarverslag 2019 van PGTEX China (zie overweging 17).

(66)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de PGTEX-groep aan dat er een gegronde reden en economische rechtvaardiging voor de oprichting van PGTEX Morocco SARL bestonden. Volgens haar was het opzetten van de fabriek in Marokko het sluitstuk van een langdurig proces, waarin onder meer haalbaarheidsstudies waren uitgevoerd en de noodzakelijke vergunningen bij de Chinese en de Marokkaanse overheid waren aangevraagd en verkregen.

(67)

De Commissie heeft opgemerkt dat uit de door de PGTEX-groep op 15 oktober 2021 ingediende documenten was gebleken dat de groep al geruime tijd vóór de opening van het onderzoek in kaart aan het brengen was in welk land zij een onderneming kon oprichten. Er werden verschillende mogelijke landen onderzocht, waaronder Marokko. Feit blijft echter dat PGTEX Morocco SARL uiteindelijk werd opgericht op 2 oktober 2019, ongeveer zeven maanden na de opening van het oorspronkelijke antidumpingonderzoek. Deze samenloop in de tijd wees erop dat het antidumpingonderzoek een reden voor de oprichting van PGTEX Morocco SARL was. Dit werd ook bevestigd door een verklaring van de Marokkaanse autoriteiten dat hun contacten met PGTEX voor het opzetten van een fabriek dateerden van 20 maart 2019, en dus van kort na de opening van het oorspronkelijke onderzoek (19). Hieruit bleek dat de formele contacten met de Marokkaanse autoriteiten voor het oprichten van een onderneming in Marokko dateerden van maart 2019, dat wil zeggen van kort na de opening van het oorspronkelijke antidumpingonderzoek.

(68)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde LM Wind Power aan dat PGTEX haar Marokkaanse fabriek had opgezet om de Marokkaanse markt en de markten van het Midden-Oosten te bedienen, en dat derhalve daaraan een andere economische rechtvaardiging ten grondslag lag dan het ontwijken van rechten.

(69)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Zij heeft verwezen naar bewijsmateriaal waaruit bleek dat er, afgezien van de instelling van rechten, geen economische rechtvaardiging bestond (zie in dit verband het jaarverslag 2019 van PGTEX China als bedoeld in overweging 17). Bovendien had LM Wind Power haar argument dat PGTEX Morocco SARL was opgericht om de Marokkaanse markt en de markten van het Midden-Oosten te bedienen, niet met bewijsmateriaal gestaafd. In dit verband kwam, zoals uiteengezet in overweging 65, de totale uitvoer van PGTEX Morocco SARL op de markt van de Unie terecht en werd slechts een klein deel van haar productie op de binnenlandse markt in Marokko verkocht.

(70)

Gezien het bovenstaande is uit het onderzoek niet gebleken dat er een gegronde reden of economische rechtvaardiging voor het opzetten van een productiefaciliteit voor SGV in Marokko bestond, anders dan om betaling van de momenteel geldende rechten te ontwijken.

2.5.   Aanvang of aanmerkelijke toename van de werkzaamheden

(71)

In artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening (20) is bepaald dat de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek moeten zijn aangevangen of aanmerkelijk moeten zijn toegenomen, en dat de betrokken delen afkomstig moeten zijn uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn. Zoals vermeld in overweging 33, kunnen de wettelijke normen van artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening naar analogie worden toegepast bij de beoordeling van de antisubsidiezaak in het kader van artikel 23, lid 3, van de basisverordening.

(72)

Het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek werd in mei 2019 geopend en in juni 2020 werden definitieve compenserende rechten ingesteld (zie overweging 1). PGTEX Morocco SARL werd officieel op 2 oktober 2019 opgericht en begon volgens de vrijstellingsaanvraag vanaf april 2020 met de productie. Dit valt samen met de in punt 2.3 beschreven verandering in de structuur van het handelsverkeer.

(73)

PGTEX Morocco SARL had een lijst van verkopen ingediend waaruit bleek dat de totale uitvoer van haar zelf geproduceerde SGV tijdens de verslagperiode op de markt van de Unie terechtkwam. Bovendien kocht zij haar belangrijkste uitgangsmateriaal (hoofdzakelijk glasvezelrovings) uitsluitend bij haar verbonden moedermaatschappij in de VRC. Zij kocht geen glasvezelrovings uit Egypte.

(74)

Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat de assemblagewerkzaamheden sinds de opening van het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek zijn aangevangen, zoals vereist op grond van artikel 13, lid 2, punt a), van de antidumpingbasisverordening, en dat de betrokken delen hoofdzakelijk afkomstig zijn uit de VRC, een van de twee landen waarop de oorspronkelijke antisubsidiemaatregelen van toepassing zijn.

2.6.   Waarde van de delen en toegevoegde waarde

(75)

Wat de assemblagewerkzaamheden betreft, is volgens artikel 13, lid 2, punt b), van de antidumpingbasisverordening een andere voorwaarde om van ontwijking te kunnen spreken dat de delen (in dit geval van Chinese oorsprong) 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product, en de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd minder dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt. De wettelijke normen van artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening kunnen naar analogie worden toegepast bij de beoordeling van de antisubsidiezaak in het kader van artikel 23, lid 3, van de basisverordening.

(76)

De belangrijkste grondstof voor de productie van SGV is glasvezelrovings. PGTEX Morocco SARL kocht de glasvezelrovings die zij gebruikte uitsluitend bij haar verbonden moedermaatschappij in de VRC. Door middel van het procedé van naaien en breien (“sewing-knitting”) — een in Marokko verrichte voltooiingswerkzaamheid — werden deze glasvezelrovings tot SGV verwerkt. Volgens de door PGTEX Morocco SARL verstrekte informatie maken de glasvezelrovings bijna 100 % uit van de totale waarde van de delen van het geassembleerde/voltooide product in de zin van artikel 13, lid 2, punt b), van de antidumpingbasisverordening.

(77)

De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat het bij het procedé dat in Marokko plaatsvindt om een voltooiingswerkzaamheid (assemblagewerkzaamheid) gaat en dat werd voldaan aan het 60 %-criterium van artikel 13, lid 2, punt b), van de antidumpingbasisverordening, dat gelet op de formulering van artikel 23, lid 3, van de basisverordening naar analogie wordt toegepast, zoals is uiteengezet in overweging 33.

(78)

Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalden de PGTEX-groep en LM Wind Power hun argument dat de vervaardiging van SGV uit de belangrijkste ingevoerde grondstof — glasvezelrovings — geen “assemblage van delen” in de zin van artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening vormt. In dit verband voerden zij in de eerste plaats aan dat glasvezelrovings geen “delen” van SGV zijn, maar veeleer “goederen die bij de productie van een ander goed een verwerking ondergaan”, en in de tweede plaats dat glasvezelrovings niet tot SGV worden “geassembleerd”, maar tot SGV worden verwerkt door verschillende soorten glasvezelrovings en andere materialen met behulp van complexe machines te verweven en aan elkaar te stikken.

(79)

De Commissie heeft deze argumenten afgewezen. De in overweging 76 beschreven praktijk kan worden aangemerkt als een voltooiingswerkzaamheid die onder het begrip assemblagewerkzaamheden in de zin van artikel 13 van de basisverordening valt, zoals uiteengezet in overweging 33.

(80)

PGTEX Morocco SARL voerde aan dat haar kosten in verband met de waarde die is toegevoegd boven de 25 %-drempel liggen. De twee belangrijkste kostenonderdelen bij de berekening van de toegevoegde waarde waren de afschrijvingskosten en de huurkosten, die waren opgenomen in de financiële gegevens over de verslagperiode die PGTEX Morocco SARL in haar vrijstellingsaanvraag had ingediend.

(81)

Wat de afschrijvingskosten betreft, voerde PGTEX Morocco SARL aan dat er minder dan tien SGV-machines (21) in haar bedrijfsruimten waren geïnstalleerd en dat elk van deze SGV-machines in 2020 gedurende 300 van de 360 dagen in bedrijf was. Voor de verslagperiode had zij het afschrijvingsbedrag berekend op basis van de volgende drie elementen:

—

de aanschafwaarde;

—

een afschrijvingspercentage van 9,5 %, om rekening te houden met de geraamde gebruiksduur (22);

—

de 300 bedrijfsdagen (op een totaal van 360 dagen), zoals hierboven bedoeld.

(82)

De Commissie was het niet eens met deze wijze van berekening van de afschrijvingskosten in het kader van de berekening van de toegevoegde waarde in de zin van artikel 13 van de antidumpingbasisverordening. In het bijzonder kan het volgens de internationale standaarden voor jaarrekeningen aanvaardbaar zijn om de 300 bedrijfsdagen als element bij de berekening van het afschrijvingsbedrag te gebruiken, maar dit leidde er om verschillende redenen toe dat het afschrijvingsbedrag in het kader van de berekening van de toegevoegde waarde door PGTEX Morocco SARL te hoog was opgegeven. Ten eerste hadden de SGV-machines, zoals PGTEX Morocco SARL in haar vrijstellingsaanvraag had aangevoerd, in 2020 een geringe capaciteitsbenutting (werkelijke productie in kg gedeeld door werkelijke productiecapaciteit in kg) (23). Gezien de geringe benutting van de productiecapaciteit werd derhalve vastgesteld dat de afschrijvingskosten te hoog waren opgegeven. Ten tweede werden vier SGV-machines pas in november 2019 per schip van Shanghai naar Tanger vervoerd en konden zij in 2020 niet gedurende 300 dagen in bedrijf zijn geweest, gelet op de tijd die nodig is voor het vervoer van Shanghai naar Tanger en ook op de tijd die is gemoeid met het lossen, installeren en testen van elk van deze 4 SGV-machines. Ten derde voerde PGTEX Morocco SARL in haar vrijstellingsaanvraag aan dat zij pas in april 2020 met de productie was begonnen. Mocht dit inderdaad het geval zijn, dan zou elk van de geïnstalleerde SGV-machines in totaal slechts hooguit 270 dagen in bedrijf kunnen zijn geweest (van april 2020 tot en met december 2020), nog afgezien van eventuele perioden waarin de machines werden stilgelegd en dus niet operationeel waren (noodzakelijk onderhoud, vrije dagen en vakanties). Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat voor de berekening van de kosten in verband met de toegevoegde waarde aanzienlijk lagere afschrijvingskosten in aanmerking moeten worden genomen dan die welke zijn berekend door PGTEX Morocco SARL.

(83)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de PGTEX-groep aan dat de Commissie bij het uitvoeren van berekeningen met betrekking tot de toegevoegde waarde kennelijke beoordelingsfouten had gemaakt en in strijd met artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening had gehandeld. In dit verband moeten volgens de PGTEX-groep de volledige afschrijvingskosten in aanmerking worden genomen, aangezien deze kosten in 2020 daadwerkelijk voor de productie van SGV werden gemaakt.

(84)

De Commissie heeft dit argument om de volgende redenen afgewezen:

—

hoewel afschrijvingskosten in beginsel (24) vaste kosten zijn, omdat zij gedurende de hele gebruiksduur van een actief voor hetzelfde bedrag per periode terugkeren, kon de Commissie de geboekte afschrijvingskosten in het kader van de berekening van de toegevoegde waarde niet volledig aanvaarden. De reden hiervoor is de geringe benutting van de productiecapaciteit, zoals de door de PGTEX-groep verstrekte gegevens aantonen;

—

bovendien kon de Commissie wegens de onvolledige en tegenstrijdige informatie die zij had ontvangen, niet de volledige afschrijvingskosten gebruiken. Zo verklaarde PGTEX Morocco SARL in dit verband enerzijds dat alle machines begin 2020 waren aangeschaft, maar anderzijds dat zij pas in april 2020 met de productie was begonnen (zie de ingevulde vragenlijst). Zij verklaarde ook dat alle machines gedurende 300 dagen operationeel waren.

PGTEX Morocco SARL gebruikte deze 300 dagen (d.w.z. 299 dagen naar boven afgerond tot 300 dagen) voor de berekening van haar afschrijvingskosten en wekte de indruk dat alle door haar geïnstalleerde SGV-machines gedurende het hele jaar 2020 operationeel en volledig in bedrijf waren. Dit bleek echter niet het geval te zijn, aangezien verschillende machines op 1 januari 2020 nog niet in de fabriek in Marokko waren aangekomen (zie overweging 82).

Gezien de bovengenoemde tegenstrijdige verklaringen achtte de Commissie het passend gebruik te maken van de bezettingsgraad voor het hele jaar 2020 zoals die door PGTEX Morocco SARL was meegedeeld en door haar niet werd betwist. De Commissie beschouwde deze bezettingsgraad als een objectieve en duidelijke meetfactor voor het bepalen van de passende afschrijvingskosten in het kader van haar berekening van de toegevoegde waarde.

(85)

Na de mededeling van feiten en overwegingen stelde de PGTEX-groep voor om, voor zover de Commissie vasthield aan de correctie van de afschrijvingskosten op basis van de bezettingsgraad (zoals door de PGTEX-groep meegedeeld in bijlage 7.2 bij haar brief van 12 oktober 2021), gebruik te maken van een van de drie alternatieve methoden die zij in haar opmerkingen na de mededeling van feiten en overwegingen had geopperd:

—

de bezettingsgraad aanpassen om rekening te houden met de maanden gedurende welke de betrokken SGV-machines niet operationeel waren;

—

alleen de kostengegevens over december 2020 gebruiken, d.w.z. de maand tijdens het OT waarin de meeste SGV-machines, met uitzondering van machine nr. 7, operationeel waren;

—

de kostengegevens over juli tot en met december 2020 gebruiken, aangezien de certificering van de belangrijkste afnemers na juni 2020 nagenoeg was afgerond, zodat de productie zou kunnen toenemen.

(86)

De Commissie keurde het gebruik van elke van de drie alternatieve methoden die de PGTEX-groep had voorgesteld af, gelet op een aantal inconsistenties die zij in bijlage 7.2 bij de brief van 12 oktober 2021 met betrekking tot de voorgestelde alternatieve methoden had vastgesteld:

—

de maand maart 2020 werd door PGTEX Morocco SARL in bijlage 7.2 bij de brief van 12 oktober 2021 niet als een productiemaand aangegeven. PGTEX Morocco SARL verklaarde op 12 oktober 2021 voor het eerst (25) dat er in maart 2020 productie had plaatsgevonden, maar dat deze productie van maart 2020 pas was opgenomen in haar productiegegevens voor april 2020. Dit betekent dat de Commissie andere fouten en/of vertragingen bij het registreren van de maandelijkse productie niet kon uitsluiten. Daarom kon de door de PGTEX-groep voorgestelde methode van maandelijkse toerekening van de afschrijvingskosten aan de operationele en aan de niet-operationele SGV-machines niet als basis worden gebruikt;

—

ook kon niet worden aanvaard alleen de kostengegevens over december 2020 te gebruiken, aangezien de bezettingsgraad voor de maand december 2020 niet representatief was voor de bezettingsgraad voor het hele jaar 2020;

—

om dezelfde reden als bij de tweede voorgestelde alternatieve methode kon evenmin het gebruik van de kostengegevens over de periode juli-december 2020 worden aanvaard. De bezettingsgraad voor de periode juli-december 2020 was niet representatief voor de bezettingsgraad voor het hele jaar 2020.

Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat de bezettingsgraad gedurende het hele jaar 2020 de meest geschikte indicator was voor een redelijke verlaging van het volledig opgenomen afschrijvingspercentage in het kader van de berekening van de toegevoegde waarde.

(87)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de indiener van het verzoek aan dat de afschrijvingskosten van de SGV-machines volledig buiten beschouwing moesten blijven bij de berekeningen van de toegevoegde waarde, aangezien deze machines niet bij een onafhankelijke leverancier, maar bij de moedermaatschappij waren aangeschaft.

(88)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Afschrijvingskosten worden algemeen aanvaard conform lokale en internationale boekhoudbeginselen. Met name het boekhoudkundige matchingbeginsel brengt mee dat de kosten in dezelfde periode moeten worden geboekt als waarin de samenhangende opbrengsten worden behaald. Dit betekent dat met gebruikmaking van deze SGV-machines afgewerkte SGV kunnen worden verkocht en daarmee opbrengsten kunnen worden behaald. Afschrijvingen zijn dan de delen van de vaste activa (de SGV-machines) die in de lopende periode worden geacht te zijn verbruikt en dus bij de uitgaven worden opgenomen, ongeacht waar de machines werden gekocht. Hiermee wordt beoogd de boekwaarde van de vaste activa geleidelijk te verminderen naarmate de waarde door de tijd heen wordt verbruikt.

(89)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de indiener van het verzoek ook aan dat, voor zover de Commissie de volledige afschrijving van de door de verbonden onderneming in de VRC aan PGTEX overgedragen SGV-machines niet eenvoudigweg buiten de berekeningen van de toegevoegde waarde zou laten, de vaststelling van het afschrijvingsbedrag de werkelijke gebruiksduur van deze machines en de bijbehorende apparatuur moet weerspiegelen. De indiener van het verzoek wees erop dat het niet ongebruikelijk is dat dergelijke machines langer dan 20 jaar meegaan.

(90)

De Commissie heeft dit argument afgewezen omdat de indiener van het verzoek in zijn verzoek zelf sprak van een gebruiksduur van de SGV-machines van ongeveer 10 jaar. Zijn verklaring dat het niet ongebruikelijk is dat SGV-machines langer dan 20 jaar meegaan, werd niet met bewijs gestaafd.

(91)

Wat de huurkosten betreft, had PGTEX Morocco SARL bij de vrijstellingsaanvraag geen huurovereenkomsten overgelegd, ondanks de aanzienlijke huurkosten die zij in 2020 had gemaakt (26). In haar vrijstellingsaanvraag informeerde zij de Commissie dat al haar SGV-machines op één locatie waren geïnstalleerd (fabriek — fase 1). Aanvankelijk huurde zij naar eigen zeggen enkel deze ene fabriek, gelet op haar verklaring dat zij “slechts over één productielocatie beschikt”, ondanks het verzoek in het vrijstellingsaanvraagformulier om de adressen van al haar productielocaties te verstrekken. Vervolgens legde PGTEX Morocco SARL echter twee huurovereenkomsten over in antwoord op het verzoek van de Commissie om de ontbrekende gegevens aan te leveren, waaruit bleek dat zij tijdens de verslagperiode twee afzonderlijke gebouwen van twee verschillende eigenaren huurde. Aangezien PGTEX Morocco SARL eerder in haar vrijstellingsaanvraag had aangevoerd dat de in 2020 operationele SGV-machines enkel in één van deze twee gehuurde fabrieken waren geïnstalleerd, had de in 2020 voor de tweede fabriek (fabriek — fase 2) betaalde huursom moeten worden uitgesloten van de huurkosten en de kosten in verband met de toegevoegde waarde. Bovendien kon de Commissie, gezien de geringe capaciteitsbenutting, bij haar berekening van de kosten in verband met de toegevoegde waarde evenmin de totale huurkosten voor de fabriek — fase 1 aanvaarden, aangezien deze niet volledig in gebruik was geweest nu de SGV-machines in het eerste kwartaal van 2020 hadden stilgestaan en in de andere kwartalen van 2020 niet op volle capaciteit hadden gedraaid De Commissie heeft de opgegeven totale huurkosten om bovenstaande redenen niet aanvaard.

(92)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de PGTEX-groep aan dat de Commissie kennelijke beoordelingsfouten had gemaakt en in strijd met artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening had gehandeld door niet de volledige huurkosten in aanmerking te nemen.

(93)

De Commissie heeft dit argument afgewezen op grond van de volgende verklaringen van de PGTEX-groep in de loop van het onderzoek. In de eerste plaats heeft de PGTEX-groep in haar antwoord op het verzoek tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens (27) enkel verwezen naar de fabriek — fase 1 wat haar productie, haar opslag van grondstoffen en eindproducten en de administratieve aangelegenheden betreft. In de tweede plaats heeft de PGTEX-groep in haar antwoord op het verzoek tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens (28) verklaard dat haar SGV-machines die in 2020 in bedrijf waren, zich allemaal in de fabriek — fase 1 bevonden. Bijgevolg leidde de Commissie hieruit af dat geen van deze machines die in 2020 operationeel waren, zich in de fabriek — fase 2 bevond. Dit werd ook bevestigd door andere verklaringen van de PGTEX-groep in haar antwoord op het verzoek tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens (29).

(94)

Er werd, rekening houdend met wat hierboven is uiteengezet, een correctie op de opgegeven afschrijvingskosten en huurkosten toegepast, en de aldus vastgestelde gemiddelde toegevoegde waarde in de verslagperiode bleek onder de in artikel 13, lid 2, punt b), van de antidumpingbasisverordening vastgelegde 25 %-drempel te liggen. Ook van een aantal andere kostenonderdelen werd vastgesteld dat zij te hoog waren opgegeven, maar die werden niet gecorrigeerd omdat dergelijke correcties slechts tot een nog lager percentage van de toegevoegde waarde zouden hebben geleid. De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen werd toegevoegd, minder dan 25 % van de fabricagekosten bedroeg, zoals op grond van artikel 13, lid 2, punt b), van de antidumpingbasisverordening is vereist om te kunnen spreken van werkzaamheden die ontwijking inhouden.

(95)

Derhalve is geconcludeerd dat eveneens werd voldaan aan het tweede criterium van artikel 13, lid 2, punt b), van de antidumpingbasisverordening, dat gelet op de formulering van artikel 23, lid 3, van de basisverordening naar analogie wordt toegepast.

2.7.   Ondermijning van de corrigerende werking van het recht

(96)

De Commissie heeft overeenkomstig artikel 23, lid 3, van de basisverordening onderzocht of de invoer van het onderzochte product, zowel wat hoeveelheden als wat prijzen betreft, de corrigerende werking van de thans geldende maatregelen ondermijnde.

(97)

Wat de hoeveelheden betreft, was er sprake van een aanzienlijke toename van de invoer van SGV uit Marokko, zoals uiteengezet in overweging 48. De invoer uit Marokko was met 2 809 ton in 2020 al tien keer zo hoog als in 2019, toen slechts 277 ton werd ingevoerd. Tegelijkertijd werd het verbruik in de Unie voor 2020 door de indiener van het verzoek geschat op 135 000 tot 140 000 ton. Het marktaandeel van de invoer uit Marokko bedroeg als zodanig meer dan 2 %.

(98)

Wat de prijzen betreft, had de Commissie de gemiddelde geen schadeveroorzakende prijs zoals vastgesteld bij het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek vergeleken met de gewogen gemiddelde cif-uitvoerprijzen zoals bepaald op basis van de door PGTEX Morocco SARL verstrekte informatie, met de nodige correcties voor kosten na inklaring. Uit deze prijsvergelijking bleek dat de van PGTEX Morocco SARL afkomstige invoer de prijzen in de Unie met meer dan 10 % onderbood.

(99)

De Commissie heeft geconcludeerd dat de bestaande maatregelen wat hoeveelheden en prijzen betreft werden ondermijnd door de invoer uit Marokko waarop dit onderzoek betrekking heeft.

(100)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de PGTEX-groep aan dat de berekening door de Commissie van de geen schadeveroorzakende prijs alleen de situatie in 2018 weerspiegelde. Zij had echter geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit bleek dat de geen schade veroorzakende prijs die de Commissie had gebruikt, niet nauwkeurig was en/of sinds 2018 was gedaald. Derhalve heeft de Commissie het argument afgewezen.

2.8.   Bewijs van subsidiëring

(101)

Overeenkomstig artikel 23, lid 3, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of de soortgelijke ingevoerde producten en/of delen daarvan nog steeds gesubsidieerd werden.

(102)

Zoals uiteengezet in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie, werd vastgesteld dat Chinese producenten-exporteurs een aantal subsidies ontvingen van de centrale overheid van de VRC, alsook van regionale en plaatselijke besturen in de VRC. In dit verband bleken PGTEX China en CPIC ook in aanmerking te komen voor een aantal subsidieregelingen, zoals preferentiële rente op leningen, subsidieprogramma’s en belastingvoordelen.

(103)

In het kader van dit onderzoek kwam geen nieuwe informatie beschikbaar die de conclusie van het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek dat dergelijke subsidieregelingen niet langer geldig waren, in twijfel zou trekken.

(104)

PGTEX China is de moedermaatschappij van PGTEX Morocco SARL, die de door haar gebruikte glasvezelrovings uitsluitend kocht bij haar verbonden moedermaatschappij PGTEX China, die ze op haar beurt kocht bij CPIC, de fabrikant van deze glasvezelrovings.

(105)

Er kan sprake zijn van een wettelijk vermoeden van doorgifte van subsidies tussen verbonden partijen (30), met name wanneer de verbonden downstreamonderneming het eindproduct assembleerde en naar de Unie uitvoerde. Aangezien PGTEX China en PGTEX Morocco SARL SGV vervaardigen en uitvoeren en door CPIC vervaardigde glasvezelrovings gebruiken, moet in dit geval bij de vaststelling van de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies die hun worden toegekend, rekening worden gehouden met het feit dat zij vanwege hun onderlinge verbondenheid deze voordelen naar eigen goeddunken kunnen benutten voor het naar de Unie uitgevoerde betrokken product.

(106)

De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de soortgelijke ingevoerde producten en/of delen daarvan nog steeds gesubsidieerd worden.

(107)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de PGTEX-groep aan dat er om de volgende redenen geen bewijs was dat voor de invoer van SGV uit Marokko nog steeds voordeel wordt gehaald uit aan Chinese SGV-producenten verleende subsidies. Ten eerste had het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek (zie overweging 1) geen betrekking op de subsidiëring van glasvezelrovings en -draden, maar uitsluitend op de subsidiëring van SGV, een ander product. Ten tweede vallen assemblagewerkzaamheden niet onder de basisverordening, aangezien deze er niet toe kunnen leiden dat een door het land van oorsprong of het land van uitvoer toegekende subsidie ten goede komt aan het product ten aanzien waarvan er sprake zou zijn van ontwijking. Ten derde waren de aankopen door PGTEX Morocco SARL bij PGTEX China en de aankopen door PGTEX China bij CPIC marktconform. In dit verband voerde de PGTEX-groep aan dat PGTEX China vaak een hogere prijs betaalde dan andere afnemers van CPIC. Bijgevolg had CPIC geen door subsidies verkregen voordelen aan PGTEX China en vervolgens aan PGTEX Morocco SARL doorgegeven.

(108)

De Commissie heeft deze argumenten om de volgende redenen afgewezen. Ten eerste, ook al had het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek in de eerste plaats betrekking op de subsidiëring van SGV, verleende de PGTEX-groep volledige medewerking aan dit onderzoek. In dit verband bleek uit het oorspronkelijke antisubsidieonderzoek dat zowel CPIC als PGTEX China, die met PGTEX Morocco SARL verbonden zijn, subsidies van de Chinese overheid ontving. Ten tweede, zoals reeds vermeld in overweging 33, bestrijkt artikel 23, lid 3, van de basisverordening ook andere ontwijkingspraktijken die daarin niet uitdrukkelijk zijn opgenomen, zoals assemblagewerkzaamheden. Ten derde kan er, zoals uiteengezet in overweging 105, sprake zijn van een wettelijk vermoeden van doorgifte van subsidies tussen verbonden partijen, met name wanneer de verbonden downstreamonderneming het eindproduct assembleerde en naar de Unie uitvoerde. Bovendien kan doorgifte aan verbonden ondernemingen op velerlei manieren plaatsvinden (zoals door het aanrekenen van bepaalde beheersvergoedingen) en is deze niet noodzakelijkerwijs beperkt tot het niveau van de prijzen van het uitgangsmateriaal die aan de afnemers in rekening worden gebracht. Hoe dan ook bleek uit een vergelijking van de prijzen van glasvezelrovings en -draden op basis van haar antwoorden op de vragenlijst dat PGTEX China tijdens het onderzoektijdvak aan PGTEX Morocco SARL lagere prijzen in rekening bracht dan aan andere afnemers.

3.   Maatregelen

(109)

Op basis van de bovenstaande bevindingen heeft de Commissie geconcludeerd dat de definitieve compenserende maatregelen die zijn ingesteld ten aanzien van de invoer van SGV van oorsprong uit de VRC, werden ontweken door de invoer van het door PGTEX Morocco SARL uit Marokko verzonden onderzochte product. Aangezien de gerapporteerde uitvoer van PGTEX Morocco SARL meer bedroeg dan de totale invoer in de Unie uit Marokko en geen enkele andere onderneming in Marokko om vrijstelling had verzocht, was de Commissie van oordeel dat de volledige uitvoer van SGV uit Marokko naar de Unie voor rekening van PGTEX kwam. Zij heeft daarom geconcludeerd dat de bevindingen over de met betrekking tot PGTEX Morocco SARL vastgestelde ontwijkingspraktijken naar het hele land moeten worden uitgebreid.

(110)

Er werd geen bewijsmateriaal gevonden met betrekking tot de ontwijking van de maatregelen ten aanzien van SGV wat Egypte betreft. Zoals eerder vermeld, kocht PGTEX Morocco SARL al haar glasvezelrovings in de VRC en niet in Egypte. Het onderzoek wat de vermeende ontwijking ten aanzien van SGV van oorsprong uit Egypte betreft wordt dan ook beëindigd.

(111)

Daarom moeten overeenkomstig artikel 23, lid 1, van de basisverordening de geldende antisubsidiemaatregelen ten aanzien van de invoer van SGV van oorsprong uit de VRC worden uitgebreid tot de invoer van het onderzochte product.

(112)

Ingevolge artikel 23, lid 2, van de basisverordening moet de uit te breiden maatregel de maatregel zijn die in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie is vastgesteld voor “alle andere ondernemingen”, dat wil zeggen een definitief compenserend recht van 30,7 % dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring.

(113)

Overeenkomstig artikel 23, lid 3, en artikel 24, lid 5, van de basisverordening, volgens welke uitgebreide maatregelen moeten worden toegepast op goederen waarvan de invoer in de Unie overeenkomstig de openingsverordening wordt geregistreerd, moeten de rechten worden geïnd op het onderzochte product waarvan de invoer wordt geregistreerd.

4.   Verzoek om vrijstelling

(114)

PGTEX Morocco SARL was de enige Marokkaanse onderneming die overeenkomstig artikel 23, lid 6, van de basisverordening had verzocht van de eventuele uitgebreide maatregelen te worden vrijgesteld.

(115)

Zoals hierboven beschreven, werd vastgesteld dat PGTEX Morocco SARL bij ontwijkingspraktijken betrokken was. Derhalve kan op grond van artikel 23, lid 6, van de basisverordening aan deze onderneming geen vrijstelling worden verleend.

5.   Mededeling van feiten en overwegingen

(116)

Op 20 december 2021 heeft de Commissie aan alle belanghebbenden de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld die tot voornoemde conclusies hebben geleid, en heeft zij de belanghebbenden verzocht om opmerkingen in te dienen.

(117)

De in de onderhavige verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1037 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie ingestelde definitieve compenserende recht op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China wordt uitgebreid tot stoffen van geweven en/of gestikte continuglasvezelrovings en/of -draden, al dan niet met andere elementen, met uitzondering van producten die zijn geïmpregneerd of gepreïmpregneerd (pre-preg), en met uitzondering van open weefsels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7019 61 00, ex 7019 62 00, ex 7019 63 00, ex 7019 64 00, ex 7019 65 00, ex 7019 66 00, ex 7019 69 10, ex 7019 69 90, ex 7019 72 00, ex 7019 73 00, ex 7019 80 10, ex 7019 80 90 en ex 7019 90 00, verzonden vanuit Marokko, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko (Taric-codes 7019 61 00 81, 7019 62 00 81, 7019 63 00 81, 7019 64 00 81, 7019 65 00 81, 7019 66 00 81, 7019 69 10 81, 7019 69 90 81, 7019 72 00 81, 7019 73 00 81, 7019 80 10 81, 7019 80 90 81 en 7019900081).

2.   Het uitgebreide recht is het compenserend recht van 30,7 % dat van toepassing is op “alle andere ondernemingen”.

3.   Het bij de leden 1 en 2 van dit artikel uitgebreide recht wordt geïnd op ingevoerde producten verzonden vanuit Marokko, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko, die zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/863 alsmede artikel 23, lid 4, en artikel 24, lid 5, van Verordening (EU) 2016/1037.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Het bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/863 van de Commissie van 28 mei 2021 geopende onderzoek naar de mogelijke ontwijking bij de invoer van SGV van oorsprong uit Egypte door invoer verzonden vanuit Marokko, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko, en tot registratie van deze invoer, wordt beëindigd.

Artikel 3

De douaneautoriteiten wordt opgedragen de registratie van de invoer die is ingesteld bij artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/863, die wordt ingetrokken, te beëindigen.

Artikel 4

Het door PGTEX Morocco SARL ingediende verzoek om vrijstelling wordt afgewezen.

Artikel 5

1.   Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht moeten schriftelijk worden ingediend in een van de officiële talen van de Europese Unie en zijn ondertekend door een persoon die gemachtigd is om de entiteit die om de vrijstelling verzoekt, te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan het onderstaande adres worden gestuurd:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat G

Kamer CHAR 04/39

1049 Brussel

BELGIË

2.   Overeenkomstig artikel 23, lid 6, van Verordening (EU) 2016/1037 kan de Commissie de invoer van ondernemingen die de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 ingestelde compenserende maatregelen niet ontwijken, bij besluit vrijstellen van het bij artikel 1 uitgebreide recht.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie van 12 juni 2020 tot instelling van definitieve compenserende rechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB L 189 van 15.6.2020, blz. 1).

(3)  De hierboven vermelde GN- en Taric-codes zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2022 en zijn gebaseerd op Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1832 van de Commissie van 12 oktober 2021 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 385 van 29.10.2021, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/863 van de Commissie van 28 mei 2021 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 ingestelde compenserende maatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte, door de invoer van uit Marokko verzonden bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko, en tot registratie van deze invoer (PB L 190 van 31.5.2021, blz. 76).

(5)  Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21).

(6)  Zie voor een beschrijving van de PGTEX-groep ook de overwegingen 36 en 37.

(7)  Zie de openbare versie van het verzoek, blz. 10, punten 40 tot en met 42.

(8)  Zie de openbare versie van het verzoek, blz. 8, punt 29, en blz. 9, punt 41.

(9)  Zie de openbare versie van het verzoek, blz. 7 en 8, punten 26 en 27.

(10)  Artikel 29 van de associatieovereenkomst EU-Marokko bepaalt: “ Het begrip “ producten van oorsprong ” voor de toepassing van deze titel en de desbetreffende methoden van administratieve samenwerking zijn gedefinieerd in protocol nr. 4.”. In dit verband vielen SGV onder post 7019 van de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem, en verkregen zij derhalve preferentiële oorsprong overeenkomstig de lijst die is opgenomen in bijlage II bij protocol nr. 4 bij de associatieovereenkomst EU-Marokko.

(11)  Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB L 70 van 18.3.2000, blz. 2).

(12)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 september 2019, Europese Commissie/Kolachi Raj Industrial (Private) Ltd, C-709/17 P, ECLI:EU:C:2019:717.

(13)  In de formulering van overweging 18 van de basisverordening: “Hoewel de Subsidieovereenkomst geen bepalingen bevat met betrekking tot de ontwijking van compenserende maatregelen, bestaat wel de mogelijkheid van ontwijking op een gelijkaardige, doch niet identieke wijze als bij antidumpingmaatregelen. Het is derhalve wenselijk in deze verordening bepalingen inzake ontwijking op te nemen”.

(14)  Artikel 1 van de basisverordening (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55).

(15)  https://www.gtis.com/gta/

(16)   PB C 86 van 16.3.2020, blz. 6.

(17)   PB C 68 van 21.2.2019, blz. 29.

(18)   PB C 167 van 16.5.2019, blz. 11.

(19)  Commentaires du Ministère de l'Industrie, du Commerce et de l'Economie Verte et Numérique du Royaume du Maroc relatifs à l’ouverture des enquêtes anti-contournement concernant les importations de certains tissus en fibres de verre, 14.7.2021, blz. 2: “…le Ministère souligne que le contact entre PGTEX et les autorités marocaines pour l’implantation d’une usine de PGTEX au Maroc remonte au 20 mars 2019, soit juste après l’initiation de l’enquête antidumping initiale de l’UE…”.

(20)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(21)  Een “SGV-machine” kan worden omschreven als de machine die wordt gebruikt tijdens het assemblageproces, waarbij voornamelijk glasvezelrovings (het belangrijkste uitgangsmateriaal) in SGV worden geconverteerd.

(22)  De gebruiksduur van een SGV-machine wordt geraamd op 10 jaar, met correctie voor een restwaarde van 5 % aan het einde van de gebruiksduur.

(23)  Tabel C.4.1, “Productie en productiecapaciteit”, van het vrijstellingsaanvraagformulier.

(24)  Er is echter één uitzondering. Indien een bedrijf gebruikmaakt van een op het gebruik gebaseerde afschrijvingsmethode, zal de afschrijving een patroon volgen dat beter bij de variabele kosten aansluit. De PGTEX-groep zei niets over deze methode.

(25)  In antwoord op vraag C.4.1 van de vragenlijst had PGTEX Morocco SARL verklaard dat de productie vanaf april 2020 van start was gegaan. Dit had zij in haar antwoord op vraag 1 op bladzijde 1 van het verzoek tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens opnieuw bevestigd.

(26)  De Commissie had alle medewerkende producenten in het vrijstellingsaanvraagformulier verzocht alle belangrijke overeenkomsten, zowel van verbonden als van niet-verbonden partijen, over te leggen.

(27)  Antwoord op het verzoek tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens met betrekking tot PGTEX Morocco SARL: antwoord op vraag 7, blz. 20.

(28)  Antwoord op het verzoek tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens met betrekking tot PGTEX Morocco SARL: antwoord op vraag 6 c, blz. 20.

(29)  Antwoord op het verzoek tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens met betrekking tot PGTEX Morocco SARL: antwoord op vraag 9 m, ii, blz. 23.

(30)  Verslag van de WTO-beroepsinstantie, United States — Final Countervailing Duty Determination with respect to Certain Softwood Lumber from Canada, WT/DS257/AB/R, 19 januari 2004, punt 143.