|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/2382 |
3.11.2026 |
VERORDENING (EU) 2026/2382 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 21 oktober 2026
tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1907/2006, (EG) nr. 1272/2008, (EU) nr. 528/2012, (EU) 2019/1021 en (EU) 2021/697 wat betreft defensiegereedheid en het faciliteren van defensie-investeringen en voorwaarden voor de defensie-industrie
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, artikel 173, lid 3, artikel 182, lid 4, artikel 183, artikel 188, tweede alinea, en artikel 192, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om investeringen in defensie door de lidstaten te vergemakkelijken, moeten de regeldruk en administratieve lasten voor defensiegereedheid worden verlicht en de goedkeurings- en vergunningsprocedures worden bespoedigd. De vergemakkelijking van die investeringen en de vereenvoudiging zullen de geleidelijke groei van de defensie-industrie ondersteunen en bijdragen tot het ondersteunen van de defensiegereedheid van de lidstaten. Het is van belang dat de Unie en de lidstaten de praktische uitdagingen waarmee de defensie-industrie, en met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), te maken heeft, blijven aanpakken en waar nodig aanpassingen overwegen, en dat zij daarbij altijd zorgen voor het juiste evenwicht tussen de handhaving van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en het milieu, een concurrerende interne markt en defensiegereedheid. |
|
(2) |
Hoewel verschillende wetgevingsinstrumenten van de Unie de lidstaten de nodige flexibiliteit bieden om maatregelen te treffen om de Europese defensie-industrie op te schalen, staan de uitvoering daarvan en nationale wetgeving defensiegereedheid vaak in de weg, bijvoorbeeld hoe de lidstaten gebruikmaken van vrijstellingen van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3) waar dat nodig is in het belang van defensie, waaronder defensiegereedheid. |
|
(3) |
Het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 vastgestelde rechtskader moet worden aangepast om rekening te houden met de doelstelling van defensiegereedheid. Om in deze verslechterde geopolitieke situatie de defensiegerelateerde veiligheidsbelangen van de lidstaten en de Unie te waarborgen, is flexibiliteit en behendigheid vereist. Tegelijkertijd is het van fundamenteel belang om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en het milieu, alsook juridische duidelijkheid te handhaven. Er zijn aanwijzingen dat bij de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1907/2006 in sommige lidstaten niet volledig rekening wordt gehouden met de flexibiliteit waarin die verordening voorziet. De huidige vrijstelling wat defensie betreft kan worden verbeterd om de rechtszekerheid te waarborgen en snellere maatregelen mogelijk te maken. Het is daarom passend het toepassingsgebied van de bestaande vrijstellingen op het gebied van nationale defensie in het kader van Verordening (EG) nr. 1907/2006 uit te breiden en de lidstaten de mogelijkheid te bieden ruimere vrijstellingen toe te staan waar dat nodig is in het belang van defensie, met behoud van de fundamentele verantwoordelijkheid om een evenwicht te vinden tussen defensiebehoeften en defensiegerelateerde veiligheidsbehoeften en een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en het milieu. |
|
(4) |
Er moeten soortgelijke wijzigingen worden aangebracht in andere rechtshandelingen met betrekking tot chemische stoffen die voorzien in een soortgelijke nationale vrijstelling, te weten in Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (4) en Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (5), om voor samenhangende regelgeving op het gebied van defensiegereedheid te zorgen. |
|
(5) |
Hoewel de defensiesector bepaalde vrijstellingen van Verordeningen (EG) nr. 1907/2006, (EG) nr. 1272/2008 en (EU) nr. 528/2012 nodig kan hebben om het operationele vermogen en de defensiegereedheid te handhaven, mogen die vrijstellingen alleen worden verleend indien zij gerechtvaardigd zijn in het belang van defensie. |
|
(6) |
Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad (6) geeft uitvoering aan Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (hierna “het verdrag” genoemd) en het Protocol inzake persistente organische verontreinigende stoffen bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand. De partijen bij dat verdrag kunnen geen vrijstellingen verlenen nadat in het kader van het verdrag een besluit is genomen om een chemische stof in bijlage A, B of C bij het verdrag op te nemen die verder gaan dan de vrijstellingen die krachtens het verdrag zijn verleend, tenzij een partij die opname niet aanvaardt. In de voorbereidende fasen in de Unie moet derhalve worden voorzien in de behoeften inzake defensiegereedheid voordat er op internationaal niveau verboden of beperkingen in het verdrag worden vastgelegd. Daarom is het belangrijk dat relevante informatie wordt verzameld, beoordeeld en ingediend met het oog op de fase van de beoordeling van het risicobeheer binnen het proces van de opname van een stof in het verdrag, aangezien de Toetsingscommissie persistente organische verontreinigende stoffen in dat stadium mogelijke vrijstellingen van mogelijke controlemaatregelen voor die stof kan overwegen. |
|
(7) |
Het kan niet worden uitgesloten dat informatie over het gebruik van chemische stoffen gevoelige informatie bevat die moet worden beschermd. Om gevoelige informatie te beschermen, moeten de lidstaten daarom, met inachtneming van het internationaal recht, om redenen van bescherming van defensiebelangen en defensiegerelateerde veiligheidsbelangen van de Unie of van de lidstaten kunnen afwijken van de rapportagevereisten van artikel 13 van Verordening (EU) 2019/1021. |
|
(8) |
Het bij Verordening (EU) 2021/697 van het Europees Parlement en de Raad (7) opgerichte Europees Defensiefonds (EDF) moet bijdragen tot de uitvoering en verwezenlijking van de doelstelling om uiterlijk in 2030 defensiegereedheid te bereiken, zoals aangegeven door de Europese Raad, en zo de strategische autonomie en veerkracht van de Unie versterken ten aanzien van zich ontwikkelende veiligheidsuitdagingen. Dit houdt onder meer in dat de defensievermogens van de lidstaten moeten worden versterkt, zodat een breed scala aan dreigingen, waaronder de dreiging van hybride operaties en het risico van gewapende agressie, doeltreffend kan worden aangepakt. |
|
(9) |
Het EDF moet de veerkracht van de Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB) versterken, onder meer door middel van de ontwikkeling van technologieën en activa die de energie-efficiëntie verhogen en de afhankelijkheid van externe leveranciers van kritieke grondstoffen verminderen. |
|
(10) |
Krachtens Verordening (EU) 2025/2643 van het Europees Parlement en de Raad (8) moet de Unie de Europese defensieprojecten van gemeenschappelijk belang (EDPGB’s) aanwijzen waarop de inspanningen en middelen moeten worden gericht. EDPGB’s moeten industriële samenwerkingsprojecten zijn die erop gericht zijn het concurrentievermogen van de EDTIB in de hele Unie te versterken en tegelijkertijd bij te dragen tot de ontwikkeling van de militaire vermogens van de lidstaten die van cruciaal belang zijn voor de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie. Het EDF zou daarom gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten kunnen ondersteunen die aansluiten bij de in dit verband vereiste activiteiten. |
|
(11) |
In het verslag over de tussentijdse evaluatie van het EDF wordt de algemene doeltreffendheid en relevantie van het EDF bevestigd en wordt benadrukt dat de procedures verder moeten worden gestroomlijnd en waar mogelijk de administratieve lasten moeten worden verminderd, en dat Verordening (EU) 2021/697 ter zake moet worden verduidelijkt, vereenvoudigd en flexibeler moet worden gemaakt om de uitvoering van het EDF te vergemakkelijken. Die verordening moet daarom worden gewijzigd, rekening houdend met de sinds 2021 opgedane ervaring en de feedback die is ontvangen tijdens de raadplegingen in het kader van de tussentijdse evaluatie van het EDF. |
|
(12) |
De administratieve lasten in verband met de deelname aan het EDF moeten verder worden verminderd en de procedures moeten worden vereenvoudigd. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan kmo’s die grensoverschrijdende activiteiten verrichten en kleine midcaps om te zorgen voor eerlijke en billijke toegang tot oproepen tot het indienen van voorstellen in de hele Unie. Om beter tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van kmo’s, is het passend de inschrijvings- en evaluatieprocedures voor oproepen tot het indienen van voorstellen voor kmo’s aanzienlijk te verkorten en te vereenvoudigen. De specifieke voorwaarden voor het verlenen van die onmiddellijke steun mogen een op excellentie gebaseerde benadering niet ondergraven en moeten in het werkprogramma worden vastgelegd. |
|
(13) |
Het EDF moet samenwerking stimuleren die aansluit bij de prioriteiten inzake defensievermogens die de lidstaten gezamenlijk zijn overeengekomen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, met name in de context van de prioriteiten voor vermogensontwikkeling, en bijdragen tot de aanpak van de door de Europese Raad vastgestelde prioritaire vermogensgebieden. |
|
(14) |
Het huidige rechtskader voor de uitvoering van het EDF beperkt het gebruik van indirect beheer tot uitzonderlijke gevallen. Om snellere en flexibelere innovatiecycli mogelijk te maken, zodat het EDF doeltreffender kan inspelen op opkomende defensiebehoeften en technologische ontwikkelingen, en voor een kostenefficiëntere besteding van het EDF, kan een flexibeler gebruik van indirect beheer echter noodzakelijk zijn. Daarom moet de mogelijkheid worden geboden om indirect beheer flexibeler te gebruiken, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en verantwoordingsplicht worden nageleefd en dat het gebruik van indirect beheer onderworpen is aan strenge monitoring en evaluatie om ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie optimaal worden gebruikt. De evaluatie- en toekenningsprocedures worden uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) 2021/697, zoals gewijzigd bij deze verordening, en Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (9), ongeacht of zij in direct of indirect beheer worden uitgevoerd. |
|
(15) |
Gezien de snel veranderende strategische context, met name als gevolg van de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne, is het van cruciaal belang dat de technologische transformatie van de Europese defensie wordt versneld. Het defensie-ecosysteem van Oekraïne is wat veel relevante aspecten van defensietechnologieën betreft innovatief, veerkrachtig en kosteneffectief gebleken. Voor de EDTIB zou het bijzonder waardevol zijn om van deze ervaring en knowhow te profiteren en beste praktijken uit te wisselen teneinde haar innovatiecapaciteit te verbeteren. Het versterken van de samenwerking tussen ontvangers in de Unie en Oekraïense entiteiten door middel van gerichte acties kan aanzienlijk tot dat streven bijdragen. Die samenwerking kan met name mogelijkheden bieden die niet gemakkelijk beschikbaar zijn in de Unie, zoals snel beschikbare resultaten, 24-uurstests en tests onder realistische operationele omstandigheden. Ook kan zij de ontwikkeling en validering van defensietechnologieën en -producten aanzienlijk verbeteren en het gemakkelijker maken om realistische scenario’s te gebruiken voor de verdere ontwikkeling van defensietechnologieën en -producten, wat de EDTIB een technisch en strategisch voordeel geeft. Door toe te staan dat de kosten van in Oekraïne uitgevoerde testactiviteiten voor financiering in aanmerking komen, zou het EDF de ontwikkeling van doeltreffendere en innovatievere defensieoplossingen kunnen ondersteunen en uiteindelijk bijdragen tot de versterking van de defensievermogens van de Unie. De kosten van die testactiviteiten mogen alleen voor financiering in aanmerking komen voor zover dat nodig is voor de verwezenlijking van de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) 2021/697 vastgestelde specifieke doelstellingen van het EDF. |
|
(16) |
Uit de tussentijdse evaluatie van het EDF is gebleken dat de huidige toekenningscriteria voor de beoordeling van voorstellen in het kader van het EDF te complex, onduidelijk en moeilijk in de praktijk te brengen zijn. Dit heeft geleid tot onnodige administratieve lasten en onzekerheden voor de Commissie en de inschrijvers, waardoor de efficiënte besteding van het EDF uiteindelijk wordt belemmerd. De toekenningscriteria moeten worden vereenvoudigd en de toepassing ervan moet flexibeler worden gemaakt om de evaluatie efficiënter, transparanter en doeltreffender te maken. In overeenstemming met een op excellentie gebaseerde benadering van defensieonderzoek en -ontwikkeling moeten voorstellen ten minste worden beoordeeld op basis van excellentie op het gebied van defensie en potentieel met betrekking tot innovatie, met inachtneming van het operationele belang en de meerwaarde voor de Unie, alsmede op basis van een evaluatie van de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van de acties. De mogelijkheid om per oproep een relevante subgroep van toekenningscriteria te selecteren aan de hand van de specifieke doelstellingen van elke oproep tot het indienen van voorstellen zou een op maat gesneden en gerichte evaluatie mogelijk maken, waardoor deze beter kan worden afgestemd op de prioriteiten en doelstellingen van het EDF. Om de opstelling van inschrijvingen te vereenvoudigen, moet het gebruik van subgroepen van criteria en het respectieve gewicht daarvan duidelijk en helder worden gespecificeerd in elke oproep tot het indienen van voorstellen. Met het oog op transparantie moet elk onderwerp in een oproep tot het indienen van voorstellen dezelfde reeks toekenningscriteria bevatten als de reeks die in de oproep tot het indienen van voorstellen van het jaarlijkse werkprogramma wordt vermeld. |
|
(17) |
De besteding van het EDF wordt gehinderd door de vereiste om jaarlijkse werkprogramma’s vast te stellen, wat heeft geleid tot complexe procedures, waardoor het moeilijk is de voorspelbaarheid en continuïteit van de door het EDF ondersteunde acties te waarborgen. Om dit probleem aan te pakken en meer flexibiliteit te bieden bij het beheer van het EDF, moet de mogelijkheid worden ingevoerd om het EDF uit te voeren door middel van jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s. Zo zou de Commissie steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op defensiegebied beter kunnen plannen en coördineren, en wordt tegelijkertijd een efficiënter gebruik van middelen en betere synergieën tussen verschillende projecten en initiatieven mogelijk gemaakt. Door meerjarige werkprogramma’s toe te staan, zou het EDF onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten op lange termijn beter kunnen ondersteunen, de samenwerking tussen belanghebbenden kunnen bevorderen en uiteindelijk bij kunnen dragen tot de versterking van de defensievermogens van de Unie. Als gevolg van het veranderde geopolitieke landschap moet bijzondere aandacht worden besteed aan acties die bijdragen tot het aanpakken van de behoeften van de lidstaten en geassocieerde landen met de grootste blootstelling aan conventionele militaire dreigingen. |
|
(18) |
Om de efficiëntie en doeltreffendheid van het EDF verder te verbeteren, is het van essentieel belang de Commissie de nodige flexibiliteit te bieden om het EDF zodanig te beheren dat het gebruik van middelen wordt geoptimaliseerd en de administratieve lasten tot een minimum worden beperkt. Daartoe moeten de voorwaarden worden verduidelijkt waaronder de Commissie bij wijze van uitzondering gebruik kan maken van rechtstreekse toekenningen, zodat in bepaalde omstandigheden, die duidelijk zijn en relevant worden geacht voor het onderwerp van de oproep, een meer gestroomlijnde en versnelde procedure mogelijk is. De continuïteit van de inspanningen en de efficiënte uitvoering van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten op defensiegebied moeten worden vergemakkelijkt, met inachtneming van een op excellentie gebaseerde benadering en de beginselen van transparantie, billijkheid en gelijke behandeling. De Commissie moet in staat worden gesteld beter in te spelen op de veranderende behoeften van de defensiesector, de samenwerking tussen belanghebbenden moet worden bevorderd en de ontwikkeling van innovatieve en doeltreffende defensieoplossingen moet worden verbeterd, om zo de veiligheid van de Unie en de defensievermogens van de lidstaten te vergroten. |
|
(19) |
Het EDF zou de ontwikkeling van innovatieve defensietechnologieën en -oplossingen kunnen stimuleren door middel van precommerciële inkoop. Het huidige rechtskader is echter te complex en te onduidelijk over de voorwaarden voor precommerciële inkoop in het kader van het EDF, waardoor het doeltreffende gebruik ervan wordt belemmerd. De voorwaarden voor precommerciële inkoop moeten worden vereenvoudigd en verduidelijkt, aangezien de huidige bepalingen de toekenning van meerdere opdrachten binnen dezelfde procedure (“multiple sourcing”) bevorderen, wat niet altijd geschikt is voor de defensiesector. Het opheffen van die beperking zal naar verwachting zorgen voor een duidelijker en doeltreffender kader voor precommerciële inkoop, waardoor het EDF de ontwikkeling van innovatieve oplossingen beter kan ondersteunen, de kloof tussen onderzoek en marktintroductie kan overbruggen en de lidstaten een sterke stimulans kan geven om in defensieonderzoek en -ontwikkeling te investeren. |
|
(20) |
Het huidige rechtskader voor het EDF biedt de lidstaten onvoldoende toegangsrechten tot de resultaten van ontwikkelingsprojecten, met name voor de medefinanciering van die projecten. Om deze zorgen te verlichten en een meer op samenwerking gebaseerde en coöperatieve benadering van onderzoek en ontwikkeling op defensiegebied te bevorderen, moeten de medefinancierende lidstaten het recht krijgen om onder eerlijke voorwaarden toegang te krijgen tot de resultaten van ontwikkelingsprojecten. Die toegangsrechten moeten strikt beperkt blijven tot het in staat stellen van de betrokken nationale autoriteiten om de resultaten van de actie te beoordelen en het mogelijke gebruik ervan voor openbare defensieplanning en -vermogensontwikkeling te evalueren. Die toegangsrechten mogen geen overdracht van de eigendom van intellectuele-eigendomsrechten of knowhow inhouden en moeten beperkt blijven tot niet-commercieel en niet-concurrerend gebruik. Indien lidstaten of met het EDF geassocieerde landen aan bepaalde juridische entiteiten van een consortium medefinanciering hebben toegezegd, weerhouden de bepalingen van Verordening (EU) 2021/697 de juridische entiteiten van het geselecteerde consortium er voorts niet van aan die lidstaten of met het EDF geassocieerde landen rechten te verlenen om de tijdens de actie gegenereerde resultaten te gebruiken of te hebben gebruikt voor tussen lidstaten of met het EDF geassocieerde landen en de juridische entiteiten van het geselecteerde consortium overeen te komen doeleinden, waaronder voor certificering, tests, integratie in nationale systemen en andere defensiedoeleinden. De voorwaarden voor de uitoefening van deze toegangsrechten moeten worden vastgesteld in de contractuele relatie tussen de ontvangers en de nationale autoriteiten die de actie medefinancieren. Dit heeft tot doel de transparantie te vergroten en het onderhandelingsproces tussen de lidstaten en de industrie alsook het besluitvormingsproces te vereenvoudigen. Hierdoor zal naar verwachting een meer gestroomlijnde samenwerking op het gebied van defensieonderzoek en -ontwikkeling worden bevorderd. |
|
(21) |
De subsidiabiliteit van kosten in verband met testactiviteiten in Oekraïne kan de efficiëntie en doeltreffendheid van de in het kader van het EDF gefinancierde projecten verbeteren. Om de voordelen van de wijzigingen van Verordening (EU) 2021/697 zo veel mogelijk te benutten, moeten de wijzigingen van die verordening met betrekking tot de subsidiabiliteit van de betreffende kosten met ingang van 1 januari 2025 met terugwerkende kracht van toepassing zijn. |
|
(22) |
Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het ondersteunen van de defensiegereedheid, het faciliteren van defensie-investeringen en het verbeteren van de voorwaarden voor de defensie-industrie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. |
|
(23) |
De Verordeningen (EG) nr. 1907/2006, (EG) nr. 1272/2008, (EU) nr. 528/2012, (EU) 2019/1021 en (EU) 2021/697 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006
In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt lid 3 vervangen door:
“3. De lidstaten kunnen stoffen, als zodanig of in een mengsel of voorwerp, van de toepassing van deze verordening vrijstellen wanneer zulks noodzakelijk is in het belang van defensie.”.
Artikel 2
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008
In artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 wordt lid 4 vervangen door:
“4. De lidstaten kunnen stoffen en mengsels, alsook voorwerpen als bedoeld in afdeling 2.1 van bijlage I van de toepassing van deze verordening vrijstellen wanneer zulks noodzakelijk is in het belang van defensie.”.
Artikel 3
Wijziging van Verordening (EU) nr. 528/2012
In artikel 2 van Verordening (EU) nr. 528/2012 wordt lid 8 vervangen door:
“8. De lidstaten kunnen biociden, als zodanig of in behandelde voorwerpen, van de toepassing van deze verordening vrijstellen wanneer zulks noodzakelijk is in het belang van defensie.”.
Artikel 4
Wijziging van Verordening (EU) 2019/1021
Verordening (EU) 2019/1021 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
aan artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:
(*1) Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/81/oj).”;" |
|
2) |
in artikel 3 wordt het volgende lid ingevoegd: “4 bis. Bij het verzamelen, beoordelen en indienen van informatie met betrekking tot sociaal-economische overwegingen overeenkomstig bijlage F bij het verdrag met het oog op de in artikel 8, leden 7 en 8, van het verdrag bedoelde evaluatie van het risicobeheer, houden de Commissie en de lidstaten naar behoren rekening met defensiegereedheid en de specifieke kenmerken van de defensiesector, waaronder gevolgen voor de toeleveringsketens voor defensieproductie.” |
|
3) |
aan artikel 13, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd: “Indien nodig kunnen de lidstaten om redenen van bescherming van defensiebelangen van de Unie of van de lidstaten vrijstellingen van dit artikel verlenen teneinde gevoelige informatie te beschermen, mits die vrijstellingen de naleving door de Unie of de lidstaten van hun rapportageverplichtingen uit hoofde van het verdrag niet ondermijnen.”. |
Artikel 5
Wijziging van Verordening (EU) 2021/697
Verordening (EU) 2021/697 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
aan artikel 4 wordt het volgende lid toegevoegd: “6. De aan het fonds gerelateerde vastleggingen in de begroting die acties bestrijken waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.” |
|
3) |
artikel 6 wordt vervangen door: “Artikel 6 Steun voor disruptieve technologieën voor defensie en door kmo’s uitgevoerde onderzoeks- en ontwikkelingsacties 1. Het fonds ondersteunt acties die bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van disruptieve technologieën voor defensie en door kmo’s uitgevoerde onderzoeks- en ontwikkelingsacties op de actiegebieden die in de in artikel 24 bedoelde werkprogramma’s zijn omschreven. 2. In de werkprogramma’s worden de meest geschikte financieringsvormen, de selectie- en toekenningscriteria en -procedures, alsook de uitvoering vastgesteld voor disruptieve technologieën voor defensie en door kmo’s uitgevoerde onderzoeks- en ontwikkelingsacties.” |
|
4) |
in artikel 8 wordt lid 2 vervangen door: “2. In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen, in onderbouwde gevallen, specifieke acties in indirect beheer worden uitgevoerd door organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, punt c), van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (*2), onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in het werkprogramma. (*2) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).”;" |
|
5) |
in artikel 9, lid 6, wordt de derde alinea vervangen door: “De kosten in verband met die activiteiten komen niet in aanmerking voor steun uit het fonds. Indien de bij de actie betrokken ontvangers en subcontractanten echter samenwerken met juridische entiteiten die in Oekraïne gevestigd zijn of onder zeggenschap van Oekraïne of van een Oekraïense entiteit staan, met als enige doel hun infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen te gebruiken voor testactiviteiten als bedoeld in artikel 10, lid 3, punt f), komen de daarmee verband houdende kosten in aanmerking voor steun uit het fonds, mits die kosten ten goede komen aan de gefinancierde acties en noodzakelijk zijn om het concurrentievermogen, de efficiëntie en de innovatiecapaciteit van de EDTIB in de hele Unie te versterken, zoals vastgesteld in artikel 3.” ; |
|
6) |
in artikel 11, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door: “In bepaalde terdege onderbouwde en uitzonderlijke omstandigheden kan Uniefinanciering ook zonder een oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend overeenkomstig artikel 198 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509, waaronder in gevallen als omschreven in de eerste alinea, punt e), van dat artikel.” ; |
|
7) |
artikel 12 wordt vervangen door: “Artikel 12 Toekenningscriteria 1. Overeenkomstig artikel 203 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 wordt elk voorstel beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
2. Naast de in lid 1 bedoelde criteria, wordt elk voorstel bovendien per oproep beoordeeld aan de hand van een of meer van de volgende in het werkprogramma vastgestelde criteria:
3. Details over de selectieprocedures en de toepassing van de in lid 2 vermelde toekenningscriteria worden vastgesteld in het werkprogramma, met inbegrip van de eventuele weging van de criteria, minimumscores en in voorkomend geval regels voor de behandeling van voorstellen met dezelfde score, rekening houdend met de doelstellingen van de oproep tot het indienen van voorstellen.” |
|
8) |
artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
9) |
in artikel 14 wordt lid 1 vervangen door: “1. Niettegenstaande artikel 201 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 wordt enkel de financiële draagkracht van de coördinator geverifieerd.” |
|
10) |
in artikel 17, lid 2, wordt punt b) vervangen door:
; |
|
11) |
artikel 22 wordt geschrapt; |
|
12) |
artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
13) |
in artikel 24 wordt lid 1 vervangen door: “1. Het fonds wordt uitgevoerd door middel van jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s als bedoeld in artikel 110, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509. In de werkprogramma’s wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.”. |
Artikel 6
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 9, lid 6, derde alinea, van Verordening (EU) 2021/697, zoals gewijzigd bij deze verordening, is van toepassing met ingang van 1 januari 2025.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 21 oktober 2026.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
T. DOOLEY
(1) PB C, C/2026/30, 16.1.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/30/oj.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 16 september 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en belsuit van de Raad van 9 oktober 2026.
(3) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1907/oj).
(4) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/1272/oj).
(5) Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/528/oj).
(6) Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 45, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1021/oj).
(7) Verordening (EU) 2021/697 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het Europees Defensiefonds en tot intrekking van Verordening (EU) 2018/1092 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 149, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/697/oj).
(8) Verordening (EU) 2025/2643 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2025 tot vaststelling van het programma voor de Europese defensie-industrie en van een kader van maatregelen ter waarborging van de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten (“EDIP-verordening”) (PB L, 2025/2643, 29.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/2643/oj).
(9) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/2382/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)