Zaak C‑281/02
Andrew Owusu
tegen
N. B. Jackson, handelend onder de handelsnaam „Villa Holidays Bal-Inn Villas”, e.a.
[verzoek van de Court of Appeal (England & Wales) Civil Division om een prejudiciële beslissing]
„Executieverdrag – Territoriaal toepassingsgebied van Executieverdrag – Artikel 2 – Bevoegdheid – Ongeval in derde staat – Lichamelijk letsel – Vordering, in verdragsluitende staat ingesteld tegen persoon met woonplaats in die staat en tegen andere verweerders met
woonplaats in derde staat – Forum non conveniens-exceptie – Onverenigbaarheid met Executieverdrag”
Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 14 december 2004
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 1 maart 2005
Samenvatting van het arrest
1. Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen – Bevoegdheid – Geschil tussen partijen
met woonplaats in zelfde verdragsluitende staat, dat aanknopingspunten heeft met derde land – Toepasselijkheid van artikel 2
van verdrag
(Executieverdrag, art. 2)
2. Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen – Bevoegdheid – Bevoegdheid van gerechten
van verdragsluitende staat op basis van artikel 2 van verdrag – Afwijzing van bevoegdheid op grond van exceptie ontleend aan
forum non conveniens-leer – Ontoelaatbaarheid
(Executieverdrag, art. 2)
1. Artikel 2 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen
in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk
Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake
de toetreding van de Helleense Republiek en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en
de Portugese Republiek, is van toepassing in het kader van een bij de gerechten van een verdragsluitende staat aanhangig geding
tussen partijen met woonplaats op het grondgebied van deze staat, dat bepaalde aanknopingspunten heeft met een derde land,
maar niet met een andere verdragsluitende staat, welke situatie dus ziet op de verhoudingen tussen de gerechten van één verdragsluitende
staat en die van een niet-verdragsluitende staat en niet op de verhoudingen tussen de gerechten van meerdere verdragsluitende
staten.
Immers, voor de toepassing van de bevoegdheidsregels van het verdrag is weliswaar een extraneïteitselement vereist, maar het
internationale karakter van de betrokken rechtsverhouding hoeft voor de toepassing van die bepaling evenwel niet voort te
vloeien uit de omstandigheid dat, wegens de grond van de zaak of de respectieve woonplaats van partijen bij het geding, meerdere
verdragsluitende staten bij de zaak betrokken zijn. De betrokkenheid van een verdragsluitende staat en een derde staat, bijvoorbeeld
omdat de verzoeker en een verweerder in de eerste staat wonen en de litigieuze feiten in het tweede land hebben plaatsgevonden,
kan de betrokken rechtsverhouding eveneens een internationaal karakter verlenen.
Wanneer het gerecht van een verdragsluitende staat als bevoegd gerecht wordt aangewezen op grond dat de verweerder woonplaats
heeft op het grondgebied van deze staat, zelfs naar aanleiding van een geschil dat wegens het voorwerp ervan of de woonplaats
van de verzoeker minstens ten dele aanknoping heeft met een derde staat, legt zulks laatstgenoemde staat bovendien geen verplichting
op, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van de relatieve werking van verdragen.
(cf. punten 25‑26, 30‑31, 35)
2. Het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke
en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland
en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van
de Helleense Republiek en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek,
verzet zich ertegen dat een rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat de bevoegdheid die zij aan artikel 2 van
dit verdrag ontleent, niet uitoefent op grond dat een gerecht van een niet-verdragsluitende staat een geschikter forum zou
zijn om van het betrokken geschil kennis te nemen, ook wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende
staat niet aan de orde is of wanneer het geschil geen andere aanknopingspunten heeft met een andere verdragsluitende staat.
De opstellers van het verdrag hebben namelijk geen aan de forum non conveniens-leer ontleende exceptie opgenomen en toepassing
van deze leer zou de voorzienbaarheid van de door het verdrag gestelde bevoegdheidsregels en bijgevolg het rechtszekerheidsbeginsel,
als grondslag ervan, aantasten. Bovendien zou de toelaatbaarheid van de forum non conveniens-exceptie de uniforme toepassing
van de in het verdrag opgenomen bevoegdheidsregels en de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen kunnen
aantasten.
(cf. punten 37, 41‑43 en dictum)
-
ARREST VAN HET HOF (grote kamer)
1 maart 2005(1)
„Executieverdrag – Territoriaal toepassingsgebied van Executieverdrag – Artikel 2 – Bevoegdheid – Ongeval in derde staat – Lichamelijk letsel – Vordering, in verdragsluitende staat ingesteld tegen persoon met woonplaats in die staat en tegen andere verweerders met
woonplaats in derde staat – Forum non conveniens-exceptie – Onverenigbaarheid met Executieverdrag”
In zaak C-281/02,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door
het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging
van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ingediend door de Court of Appeal (England and Wales) Civil Division (Verenigd
Koninkrijk) bij beslissing van 5 juli 2002, ingekomen bij het Hof op 31 juli 2002, in de procedure
Andrew Owusu
tegen
N. B. Jackson, handelend onder de handelsnaam „Villa Holidays Bal-Inn Villas” ,
Mammee Bay Resorts Ltd ,
Mammee Bay Club Ltd ,
The Enchanted Garden Resorts & Spa Ltd ,
Consulting Services Ltd ,
Town & Country Resorts Ltd,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (grote kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president, C. W. A. Timmermans en A. Rosas,
kamerpresidenten, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, R. Schintgen (rapporteur), N. Colneric, S. von Bahr en J. N. Cunha Rodrigues,
rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op
4 mei 2004,
gelet op de opmerkingen van:
- –
A. Owusu, vertegenwoordigd door R. Plender, QC, en P. Mead, barrister,
- –
N. B. Jackson, vertegenwoordigd door B. Doherty en C. Thomann, solicitors,
- –
Mammee Bay Club Ltd, The Enchanted Garden Resorts & Spa Ltd en Town & Country Resorts Ltd, vertegenwoordigd door P. Sherrington,
S. Armstrong en L. Lamb, solicitors,
- –
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door K. Manji als gemachtigde, bijgestaan door D. Lloyd-Jones, QC,
- –
de Duitse regering, vertegenwoordigd door R. Wagner als gemachtigde,
- –
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud-Joët en M. Wilderspin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 december 2004,
het navolgende
Arrest
- 1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende
de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz.
32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), het Verdrag
van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake
de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1; hierna: „Executieverdrag”).
- 2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A. Owusu enerzijds en N. B. Jackson, handelend onder de handelsnaam
„Villa Holidays Bal-Inn Villas”, en diverse vennootschappen naar Jamaicaans recht anderzijds, na een ongeval met lichamelijk
letsel waarvan Owusu in Jamaica het slachtoffer is geworden.
-
- Rechtskader
Het Executieverdrag
- 3
Blijkens de preambule heeft het Executieverdrag tot doel de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
overeenkomstig artikel 293 EG te vergemakkelijken en binnen de Gemeenschap de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd
zijn te vergroten. De preambule wijst er eveneens op dat het daartoe noodzakelijk is de bevoegdheid van de gerechten van de
verdragsluitende staten in internationaal verband vast te stellen.
- 4
De bepalingen betreffende de bevoegdheid zijn opgenomen in titel II van het Executieverdrag. Artikel 2 van dit verdrag luidt:
„Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat,
ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat.
Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de staat waar zij woonplaats hebben, gelden de regels van rechterlijke
bevoegdheid, die op de eigen onderdanen van die staat van toepassing zijn.”
- 5
Artikel 5, sub 1 en sub 3, van genoemd verdrag bepaalt evenwel dat de verweerder in een andere verdragsluitende staat kan
worden opgeroepen, ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die
aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd en, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige
daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.
- 6
Het Executieverdrag heeft bovendien tot doel onverenigbare beslissingen te voorkomen. Zo bepaalt artikel 21, betreffende aanhangigheid:
„Wanneer voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke
hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht
zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.
Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij
de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”
- 7
Artikel 22 van dit verdrag luidt:
„Wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht en in eerste aanleg
aanhangig zijn, kan het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.
Dit gerecht kan, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende
zaken toestaat en het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen.
Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling
vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken
onverenigbare uitspraken worden gegeven.”
Nationale regelgeving
- 8
Op grond van de forum non conveniens-exceptie, zoals die in het Engelse recht bekend is, kan een nationale rechterlijke instantie
beslissen om haar bevoegdheid niet uit te oefenen op grond dat een, eveneens bevoegde, rechterlijke instantie in een andere
staat, gelet op de belangen van alle partijen en een goede rechtsbedeling, objectief gezien een geschikter forum zou zijn
om van een geschil kennis te nemen (arrest van 1986 van het House of Lords, Spiliada Maritime Corporation/Cansulex Ltd, 1987,
AC 460, inzonderheid blz. 476).
- 9
Een Engelse rechterlijke instantie die op grond van de forum non conveniens-exceptie beslist om haar bevoegdheid niet uit
te oefenen, houdt de zaak aan, zodat de aldus voorlopig opgeschorte procedure kan worden hervat indien met name zou blijken
dat de buitenlandse rechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen of dat verzoeker voor dit forum geen toegang
heeft tot een doeltreffende rechtsbedeling.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
- 10
Op 10 oktober 1997 is Owusu, een in het Verenigd Koninkrijk wonende Britse onderdaan, tijdens zijn vakantie in Jamaica het
slachtoffer geworden van een zeer ernstig ongeval. Toen hij in zee dook op een plaats waar het water tot aan zijn middel reikte,
is hij op een onder water liggende zandbank gestoten. Hij heeft daarbij de vijfde halswervel gebroken, waardoor hij nu aan
tetraplegie lijdt.
- 11
Na dit ongeval heeft Owusu in het Verenigd Koninkrijk een vordering uit contractuele aansprakelijkheid ingesteld tegen Jackson,
die ook in deze staat woont. Laatstgenoemde had betrokkene een vakantievilla verhuurd te Mammee Bay (Jamaica). Volgens Owusu
was in het contract, waarin stond dat hij toegang had tot een privé-strand, impliciet bepaald dat dit redelijkerwijs veilig
of zonder verborgen gevaren zou zijn.
- 12
Eveneens in het Verenigd Koninkrijk heeft Owusu een vordering uit onrechtmatige daad ingesteld tegen diverse Jamaicaanse vennootschappen,
te weten Mammee Bay Club Ltd (hierna: „derde verweerder in het hoofdgeding”), de eigenaar-exploitant van het strand van Mammee
Bay, die verzoeker in het hoofdgeding gratis toegang had gegeven tot dit strand, The Enchanted Garden Resorts & Spa Ltd (hierna:
„vierde verweerder in het hoofdgeding”), die vlakbij Mammee Bay een vakantiecentrum exploiteert en wier klanten eveneens toegang
hadden tot genoemd strand, alsmede Town & Country Resorts Ltd (hierna: „zesde verweerder in het hoofdgeding”), die een groot
hotel exploiteert dat grenst aan ditzelfde strand en een toegangsvergunning hiertoe heeft mits hij het beheer, het onderhoud
en het toezicht ervan verzekert.
- 13
Blijkens het dossier had een vakantiegangster van Engelse nationaliteit twee jaar daarvóór een soortgelijk ongeval gehad,
waardoor ook zij aan tetraplegie leed. Daarom berust de tegen de Jamaicaanse verweerders ingestelde vordering uit onrechtmatige
daad niet enkel op het feit dat zij de zwemmers niet hebben gewaarschuwd voor de gevaren van onder water liggende zandbanken,
maar eveneens op het feit dat zij de ernst van het vroegere ongeval niet hadden ingezien.
- 14
De procedure is ingeleid met een op 6 oktober 2000 door de Sheffield District Registry van de High Court (England and Wales)
Civil Division afgegeven dagvaarding. Deze dagvaarding is in het Verenigd Koninkrijk aan Jackson betekend en verzoeker in
het hoofdgeding heeft op 12 december 2000 toestemming gekregen om de andere verweerders in Jamaica te dagvaarden. De derde,
de vierde en de zesde verweerder in het hoofdgeding zijn gedagvaard, maar niet Mammee Bay Resorts Ltd noch Consulting Services
Ltd.
- 15
Zowel Jackson als de derde, de vierde en de zesde verweerder in het hoofdgeding hebben bij genoemde rechterlijke instantie
een exceptie van onbevoegdheid neergelegd. Ter ondersteuning van hun verzoek hebben zij betoogd dat het geschil nauwere banden
had met Jamaica en dat het gerecht van deze staat een bevoegd forum was voor hetwelk het geschil beter kon worden beslecht
met het oog op de belangen van alle partijen en een betere rechtsbedeling.
- 16
Bij beschikking van 16 oktober 2001 heeft de als Deputy High Court Judge zetelende rechter te Sheffield (Verenigd Koninkrijk)
verklaard dat uit het arrest van 13 juli 2000, Group Josi (C-412/98, Jurispr. blz. I-5925, punten 59-61), volgt dat de toepasselijkheid
van de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag op een geschil, in beginsel afhangt van de vraag of de verweerder op het
grondgebied van een verdragsluitende staat gevestigd is of woonplaats heeft, en dat het verdrag van toepassing is op elk geschil
tussen een verweerder met woonplaats in een verdragsluitende staat en een verzoeker met woonplaats in een derde land. In deze
omstandigheden is de beslissing van de Court of Appeal (Verenigd Koninkrijk) van 1992, In re Harrods (Buenos Aires) Ltd (1992
Ch 72), waarbij is erkend dat de Engelse rechters op grond van de forum non conveniens-exceptie kunnen afzien van de uitoefening
van de bevoegdheid die zij aan artikel 2 Executieverdrag ontlenen, onjuist.
- 17
Van oordeel dat hij niet bevoegd was om zelf krachtens artikel 2 van het protocol van 3 juni 1971 aan het Hof een prejudiciële
vraag te stellen ter opheldering van dit punt, heeft de als Deputy High Court Judge zetelende rechter in het licht van de
in het reeds aangehaalde arrest Group Josi geformuleerde beginselen geoordeeld dat hij de behandeling van de zaak niet kon
schorsen jegens Jackson, aangezien deze in een verdragsluitende staat woont.
- 18
Niettegenstaande de mogelijke aanknopingspunten met Jamaica van de vordering tegen de andere verweerders, heeft dezelfde rechter
verklaard dat hij de zaak evenmin jegens hen kon aanhouden, in zoverre het Executieverdrag hem belette om de behandeling van
de zaak te schorsen in het kader van de vordering tegen Jackson. Anders bestond er immers het risico, dat rechterlijke instanties
in twee staten uitspraak zouden moeten doen over dezelfde feiten op basis van hetzelfde of soortgelijk bewijsmateriaal en
tot tegenstrijdige conclusies komen. De rechter in eerste aanleg heeft dus geconcludeerd dat de rechter van het Verenigd Koninkrijk
en niet van Jamaica een geschikt forum was om van het geschil kennis te nemen, en hij heeft de exceptie van onbevoegdheid
afgewezen.
- 19
Jackson en de derde, de vierde en de zesde verweerder hebben hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De Court of Appeal
(England and Wales) Civil Division merkt op dat in casu de gerechten van een verdragsluitende staat en die van een derde staat
in aanmerking komen om van het geschil kennis te nemen. Indien artikel 2 Executieverdrag tevens in deze context van toepassing
was, zou Jackson in het Verenigd Koninkrijk, voor de gerechten van zijn woonplaats, dienen te worden opgeroepen en zou verzoeker
in het hoofdgeding hem niet krachtens artikel 5, sub 3, Executieverdrag kunnen oproepen in Jamaica, waar de schade zich heeft
voorgedaan, in zoverre dit land geen andere verdragsluitende staat is. Daar genoemd verdrag geen uitdrukkelijke afwijking
in die zin bevat, mag dus geen uitzondering worden gemaakt op de in artikel 2 Executieverdrag gestelde regel. Volgens de verwijzende
rechter heeft het Hof van Justitie zich nog niet uitgesproken over de toepassing van de forum non conveniens-exceptie ten
gunste van de gerechten van een derde land, ook al woont een van de verweerders in een verdragsluitende staat.
- 20
Dienaangaande is verzoeker in het hoofdgeding van mening dat artikel 2 Executieverdrag dwingend is, zodat de Engelse rechter
niet kan overgaan tot schorsing van de behandeling van een zaak die in het Verenigd Koninkrijk aanhangig is tegen een verweerder
met woonplaats in ditzelfde land, zelfs al is deze rechter van oordeel dat een ander forum, in een derde land, geschikter
is.
- 21
De verwijzende rechter merkt op dat dit standpunt, indien het juist mocht blijken, belangrijke gevolgen zou kunnen hebben
in een aantal andere gevallen betreffende situaties van exclusieve bevoegdheid of aanhangigheid. Hij voegt hieraan toe dat
de in Engeland gegeven rechterlijke beslissing die het geschil ten gronde beslecht en in Jamaica ten uitvoer zal worden gelegd,
in het bijzonder jegens de Jamaicaanse verweerders, zou kunnen stuiten op bepaalde in dit land van kracht zijnde regels inzake
erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen.
- 22
In deze omstandigheden heeft de Court of Appeal (England and Wales) Civil Division de behandeling van de zaak geschorst en
het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- „1)
- Wanneer een verzoeker onder verwijzing naar artikel 2 van het […] Executieverdrag aanvoert dat een gerecht van een verdragsluitende
staat bevoegd is, verzet het Executieverdrag zich dan ertegen dat dat gerecht met een beroep op de discretionaire bevoegdheid
die het nationale recht hem toekent beslist, zijn bevoegdheid niet uit te oefenen in een geding tegen een in die staat wonende
persoon, ten gunste van de gerechten van een derde staat:
- a)
- wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende staat niet aan de orde is;
- b)
- wanneer het geding geen andere aanknopingspunten heeft met een andere verdragsluitende staat?
- 2)
- Bij een bevestigend antwoord op vraag 1, sub a, of op vraag 1, sub b, is die beslissing in alle omstandigheden in strijd met
het Executieverdrag, of alleen in bepaalde omstandigheden en zo ja, welke?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen De eerste vraag
- 23
Om de eerste vraag te beantwoorden, dient in de eerste plaats te worden bepaald of artikel 2 Executieverdrag van toepassing
is in een situatie zoals die in het hoofdgeding, dit wil zeggen wanneer de verzoeker en een van de verweerders op het grondgebied
van eenzelfde verdragsluitende staat woonplaats hebben en het bij de gerechten van deze staat tussen hen aanhangige geding
bepaalde aanknopingspunten heeft met een derde land, maar niet met een andere verdragsluitende staat. Slechts indien zulks
het geval is, rijst in de omstandigheden van het hoofdgeding de vraag of het Executieverdrag zich ertegen verzet dat een gerecht
van een verdragsluitende staat de forum non conveniens-exceptie toepast, ingeval dat gerecht op grond van artikel 2 van dat
verdrag zijn bevoegdheid zou kunnen ontlenen aan de omstandigheid dat de verweerder woonplaats heeft op het nationale grondgebied.
De toepasselijkheid van artikel 2 Executieverdrag
- 24
De bewoordingen van artikel 2 Executieverdrag bevatten geen aanwijzing dat voor de toepassing van de in dit artikel neergelegde
algemene bevoegdheidsregel, die enkel vermeldt dat de verweerder woonplaats moet hebben op het grondgebied van een verdragsluitende
staat, een rechtsverhouding vereist waarbij meerdere verdragsluitende staten betrokken zijn.
- 25
Uiteraard is, zoals ook blijkt uit het rapport-Jenard over genoemd verdrag (PB 1979, C 59, blz. 1, 8), voor de toepassing
van de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag een extraneïteitselement vereist.
- 26
Het internationale karakter van de betrokken rechtsverhouding hoeft voor de toepassing van artikel 2 Executieverdrag evenwel
niet voort te vloeien uit de omstandigheid dat, wegens de grond van de zaak of de respectieve woonplaats van partijen bij
het geding, meerdere verdragsluitende staten bij de zaak betrokken zijn. De betrokkenheid van een verdragsluitende staat en
een derde staat, bijvoorbeeld omdat de verzoeker en een verweerder in de eerste staat wonen en de litigieuze feiten in het
tweede land hebben plaatsgevonden, kan de betrokken rechtsverhouding eveneens een internationaal karakter verlenen. Deze situatie
stelt immers, zoals in het hoofdgeding, in de verdragsluitende staat de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten in
internationaal verband aan de orde, hetgeen juist een van de doeleinden van het Executieverdrag vormt, zoals blijkt uit de
derde overweging van de preambule.
- 27
Zo heeft het Hof de in het Executieverdrag opgenomen bevoegdheidsregels reeds uitgelegd in gevallen waarin de verzoeker in
een derde land woonplaats had of gevestigd was, terwijl de verweerder op het grondgebied van een verdragsluitende staat woonde
(zie arresten van 25 juli 1991, Rich, C-190/89, Jurispr. blz. I-3855, en 6 december 1994, Tatry, C-406/92, Jurispr. blz. I-5439,
en arrest Group Josi, reeds aangehaald, punt 60).
- 28
Overigens kunnen de regels van het Executieverdrag inzake exclusieve bevoegdheid of uitdrukkelijke forumkeuze eveneens van
toepassing zijn op rechtsverhoudingen waarbij slechts één verdragsluitende staat en een of meer derde staten betrokken zijn.
Dit is het geval, wat artikel 16 Executieverdrag betreft, bij geschillen over zakelijke rechten op onroerende goederen of
over huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen tussen personen die in een niet-verdragsluitende staat
woonplaats hebben en die een in een verdragsluitende staat gelegen goed betreffen, of, wat artikel 17 Executieverdrag betreft,
wanneer in een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter die minstens één partij met woonplaats in een niet-verdragsluitende
staat bindt, het gerecht op het grondgebied van een verdragsluitende staat zou worden aangewezen.
- 29
Evenzo zijn, zoals de advocaat-generaal in de punten 142 tot en met 152 van zijn conclusie benadrukt, de regels van het Executieverdrag
inzake aanhangigheid en samenhang of erkenning en tenuitvoerlegging, naar duidelijk uit hun bewoordingen blijkt, weliswaar
van toepassing op de verhoudingen tussen verschillende verdragsluitende staten, aangezien zij zowel betrekking hebben op voor
gerechten van verschillende verdragsluitende staten aanhangige procedures als op beslissingen die door gerechten van een verdragsluitende
staat worden gegeven met het oog op erkenning en tenuitvoerlegging in een andere verdragsluitende staat, maar dit neemt niet
weg dat de in de betrokken procedures of beslissingen aan de orde zijnde geschillen een internationaal karakter kunnen hebben
met betrokkenheid van een verdragsluitende staat en een derde land, zodat op die grond een beroep op de algemene bevoegdheidsregel
van artikel 2 Executieverdrag wordt gedaan.
- 30
Tegen de bewering dat dit artikel 2 van toepassing is in een rechtssituatie waarbij één verdragsluitende staat en een of meer
niet-verdragsluitende staten zijn betrokken, hebben verweerders in het hoofdgeding en de regering van het Verenigd Koninkrijk
zich beroepen op het beginsel van de relatieve werking van verdragen, op basis waarvan het Executieverdrag geen enkele verplichting
kan opleggen aan landen die niet hebben aanvaard om eraan gebonden te zijn.
- 31
Dienaangaande volstaat het vast te stellen dat wanneer het gerecht van een verdragsluitende staat als bevoegd gerecht wordt
aangewezen op grond dat de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van deze staat, zelfs naar aanleiding van een geschil
dat wegens het voorwerp ervan of de woonplaats van de verzoeker minstens gedeeltelijk aanknoping heeft met een derde staat,
zulks laatstgenoemde staat geen verplichting oplegt.
- 32
Jackson en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben ter rechtvaardiging van de stelling dat artikel 2 Executieverdrag
enkel van toepassing is op geschillen die een band hebben met meerdere verdragsluitende staten, tevens gewezen op de door
dit verdrag nagestreefde fundamentele doelstelling, het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen tussen verdragsluitende
staten te verzekeren.
- 33
Dienaangaande zij opgemerkt, dat artikel 220, vierde streepje, EG-Verdrag (thans artikel 293, vierde streepje, EG), op basis
waarvan de lidstaten het Executieverdrag hebben gesloten, tot doel heeft de werking van de gemeenschappelijke markt te vergemakkelijken
door bevoegdheidsregels voor de aldaar gerezen geschillen op te stellen en de moeilijkheden rond de erkenning en de tenuitvoerlegging
van rechterlijke beslissingen op het grondgebied van de verdragsluitende staten zo veel mogelijk uit de weg te ruimen (arrest
van 10 februari 1994, Mund & Fester, C-398/92, Jurispr. blz. I-467, punt 11). De facto staat vast dat het Executieverdrag
bijdraagt tot de goede werking van de interne markt.
- 34
De in het Executieverdrag opgenomen uniforme bevoegdheidsregels gelden echter niet enkel in situaties die een wezenlijke en
voldoende band hebben met de werking van de interne markt, waarbij per definitie meerdere lidstaten betrokken zijn. Het volstaat
in dit verband vast te stellen dat de eenmaking als zodanig die het Executieverdrag tot stand brengt met betrekking tot de
regels voor bevoegdheidsconflicten en op het gebied van de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
voor geschillen die een extraneïteitselement bevatten, ontegenzeglijk tot doel heeft de belemmeringen van de werking van de
interne markt weg te nemen die kunnen voortvloeien uit de verschillen tussen de nationale wetgevingen (zie naar analogie,
naar aanleiding van de harmonisatierichtlijnen op basis van artikel 95 EG, die tot doel hebben de voorwaarden voor de instelling
en de werking van de interne markt te verbeteren, arrest van 20 mei 2003, Österreichischer Rundfunk e.a., C‑465/00, C-138/01
en C-139/01, Jurispr. blz. I-4989, punten 41 en 42).
- 35
Hieruit volgt dat artikel 2 Executieverdrag van toepassing is in een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de verhoudingen
tussen de gerechten van één verdragsluitende staat en die van een niet-verdragsluitende staat aan de orde zijn en niet de
verhoudingen tussen de gerechten van meerdere verdragsluitende staten.
- 36
Derhalve dient te worden onderzocht of het Executieverdrag zich er in dergelijke omstandigheden tegen verzet dat een rechterlijke
instantie van een verdragsluitende staat op basis van de forum non conveniens-exceptie de bevoegdheid die zij aan artikel
2 van dit verdrag ontleent, niet uitoefent.
De verenigbaarheid van de forum non conveniens-exceptie met het Executieverdrag
- 37
Om te beginnen zij opgemerkt dat artikel 2 Executieverdrag dwingend is en dat reeds blijkens de bewoordingen ervan enkel in
uitdrukkelijk door dit verdrag bepaalde gevallen kan worden afgeweken van de basisregel die het bevat (zie over het bindende
karakter van het door het Executieverdrag opgezette bevoegdheidsstelsel, arresten van 9 december 2003, Gasser, C-116/02, nog
niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 72, en 27 april 2004, Turner, C-159/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie,
punt 24). Vaststaat dat de opstellers van het verdrag geen aan de forum non conveniens-leer ontleende exceptie hebben opgenomen,
ook al is het vraagstuk aan de orde gesteld tijdens de opstelling van het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding
van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, zoals blijkt uit het rapport-Schlosser over dit verdrag (PB 1979, C 59,
blz. 71, punten 77 en 78).
- 38
De eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel, een van de doelstellingen van het Executieverdrag (zie met name arresten
van 28 september 1999, GIE Groupe Concorde e.a., C-440/97, Jurispr. blz. I-6307, punt 23, en 19 februari 2002, Besix, C-256/00,
Jurispr. blz. I-1699, punt 24), zou niet volledig gewaarborgd zijn indien een uit hoofde van dit verdrag bevoegde rechter
de forum non conveniens-exceptie mocht toepassen.
- 39
Immers, volgens de bewoordingen van de preambule van het Executieverdrag dient dit verdrag binnen de Gemeenschap de rechtsbescherming
van degenen die er gevestigd zijn, te vergroten door het opstellen van gemeenschappelijke bevoegdheidsregels die zekerheid
geven over de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende nationale gerechten waarbij een bepaald geschil kan worden aangebracht
(arrest Besix, reeds aangehaald, punt 25).
- 40
Zo heeft het Hof geoordeeld dat het beginsel van rechtszekerheid onder meer vereist dat bevoegdheidsregels die van de algemene
regel van artikel 2 Executieverdrag afwijken, aldus worden uitgelegd, dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond
daarvan redelijkerwijs kan voorzien, voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden
opgeroepen (reeds aangehaalde arresten GIE Groupe Concorde e.a., punt 24, en Besix, punt 26).
- 41
Bij toepassing van de forum non conveniens-leer, die de aangezochte rechter een ruime beoordelingsmarge laat met betrekking
tot de vraag of een buitenlands forum geschikter zou zijn om een geschil ten gronde te beslechten, worden de voorzienbaarheid
van de door het Executieverdrag gestelde bevoegdheidsregels, in het bijzonder die van artikel 2, en bijgevolg het rechtszekerheidsbeginsel,
als grondslag van dit verdrag, aangetast.
- 42
Ook de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen zou worden aangetast. In de eerste plaats zou de verweerder,
die zich over het algemeen beter kan verdedigen ten overstaan van de gerechten van zijn woonplaats, in omstandigheden zoals
die in het hoofdgeding niet redelijkerwijs kunnen voorzien voor welke andere rechter hij kan worden opgeroepen. In de tweede
plaats staat het, ingeval een exceptie wordt opgeworpen volgens welke een buitenlands forum geschikter is om van het geschil
kennis te nemen, aan de verzoeker om aan te tonen dat hij zijn recht niet zal kunnen halen voor de betrokken buitenlandse
rechter of, indien het aangezochte gerecht beslist om de exceptie toe te wijzen, dat die buitenlandse rechter uiteindelijk
niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen of dat de verzoeker in werkelijkheid geen toegang heeft tot een doeltreffende
rechtsbedeling voor die rechter, afgezien van de kosten van de instelling van een nieuw beroep bij het gerecht van een andere
staat en de verlenging van de procestermijnen.
- 43
Bovendien zou de toelaatbaarheid van de forum non conveniens-exceptie in het kader van het Executieverdrag de uniforme toepassing
van de daarin opgenomen bevoegdheidsregels kunnen aantasten, in zoverre deze exceptie slechts in een beperkt aantal verdragsluitende
staten is erkend, terwijl het Executieverdrag juist tot doel heeft gemeenschappelijke regels vast te stellen, met uitsluiting
van exorbitante nationale regels.
- 44
Verweerders in het hoofdgeding betogen dat indien de Engelse gerechten in casu verplicht waren om van de grond van de zaak
kennis te nemen, zulks negatieve praktische gevolgen zou hebben, onder meer wat betreft de proceskosten, de mogelijkheid tot
terugbetaling van de kosten in Engeland indien de vordering van verzoeker wordt afgewezen, de aan de geografische afstand
verbonden logistieke moeilijkheden, de noodzaak om de grond van de zaak volgens Jamaicaanse criteria te beoordelen, de mogelijkheid
om een verstekvonnis in Jamaica ten uitvoer te leggen en de onmogelijkheid van een tegenvordering tegen de andere verweerders.
- 45
Ongeacht de vraag of deze moeilijkheden bestaan, volstaat het dienaangaande op te merken dat dergelijke beschouwingen, waarmee
juist rekening kan worden gehouden in het kader van de toepassing van de forum non conveniens-exceptie, om de hierboven vermelde
redenen niet wegnemen dat de in artikel 2 Executieverdrag opgenomen fundamentele bevoegdheidsregel bindend is.
- 46
Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat het Executieverdrag zich ertegen verzet dat een
rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat de bevoegdheid die zij aan artikel 2 van dit verdrag ontleent, niet
uitoefent op grond dat een gerecht van een niet-verdragsluitende staat een geschikter forum zou zijn om van het betrokken
geschil kennis te nemen, ook wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende staat niet aan de orde
is of wanneer het geschil geen andere aanknopingspunten heeft met een andere verdragsluitende staat.
De tweede vraag
- 47
Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, ingeval het Hof mocht oordelen dat het Executieverdrag
zich verzet tegen de toepassing van de forum non conveniens-exceptie, zulks in alle omstandigheden of enkel in bepaalde omstandigheden
geldt.
- 48
Blijkens de verwijzingsbeslissing en de opmerkingen van verweerders in het hoofdgeding en de regering van het Verenigd Koninkrijk
is deze tweede vraag gesteld voor het geval dat er sprake zou zijn van een situatie van aanhangigheid of samenhang met een
bij een rechterlijke instantie van een niet-verdragsluitende staat aanhangige procedure, van een forumkeuzebeding ten gunste
van een dergelijke rechterlijke instantie of van aanknoping met die staat van soortgelijke aard als die bedoeld in artikel
16 Executieverdrag.
- 49
De procedure van artikel 234 EG is een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties,
waarmee het Hof deze laatste instanties alle gegevens betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht verschaft die zij
voor de beslechting van de bij hen aanhangige gedingen nodig hebben (zie met name arresten van 8 november 1990, Gmurzynska-Bscher,
C-231/89, Jurispr. blz. I-4003, punt 18; 12 maart 1998, Djabali, C-314/96, Jurispr. blz. I-1149, punt 17, en 21 januari 2003,
Bacardi-Martini en Cellier des Dauphins, C-318/00, Jurispr. blz. I-905, punt 41).
- 50
Bijgevolg ligt de rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing niet in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene
of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil (zie in die zin arresten Djabali,
reeds aangehaald, punt 19; Bacardi-Martini en Cellier des Dauphins, reeds aangehaald, punt 42, en arrest van 25 maart 2004,
Azienda Agricola Ettore Ribaldi e.a., C-480/00–C-482/00, C-484/00, C-489/00–C-491/00 en C-497/00–C-499/00, nog niet gepubliceerd
in de Jurisprudentie, punt 72).
- 51
In casu staat vast dat de in punt 48 van dit arrest bedoelde feitelijke situaties niet die zijn van het hoofdgeding.
- 52
Derhalve behoeft de tweede vraag geen beantwoording.
Kosten
- 53
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale
rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof
gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
-
Het Hof van Justitie (grote kamer) verklaart voor recht:
Het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke
en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland
en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van
de Helleense Republiek en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek,
verzet zich ertegen dat een rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat de bevoegdheid die zij aan artikel 2 van
dit verdrag ontleent, niet uitoefent op grond dat een gerecht van een niet-verdragsluitende staat een geschikter forum zou
zijn om van het betrokken geschil kennis te nemen, ook wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende
staat niet aan de orde is of wanneer het geschil geen andere aanknopingspunten heeft met een andere verdragsluitende staat.
ondertekeningen
- 1 –
- Procestaal: Engels.