|
15.12.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 368/50 |
GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2004/852/GBVB VAN DE RAAD
van 13 december 2004
betreffende beperkende maatregelen tegen Ivoorkust
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft op 15 november 2004 Resolutie 1572 (2004) aangenomen (hierna „UNSCR 1572 (2004)” genoemd), houdende een verbod op de directe of indirecte levering, verkoop of overdracht aan Ivoorkust vanaf het grondgebied van de lidstaten of door onderdanen van de lidstaten of met gebruik van de vlag van lidstaten voerende schepen of vliegtuigen van wapens en enig aanverwant materieel, in het bijzonder militaire vliegtuigen en uitrusting, al dan niet afkomstig van hun grondgebied, alsmede op het verstrekken van enige bijstand, advies of opleiding in verband met militaire activiteiten. |
|
(2) |
Voor de uitvoering van deze maatregelen moet ook het verstrekken van financiering of financiële bijstand in verband met militaire activiteiten verboden worden. |
|
(3) |
UNSCR 1572 (2004) legt tevens de verplichting op om maatregelen te nemen ter voorkoming van de binnenkomst in of doorreis door de respectieve grondgebieden van de lidstaten van alle personen die door het bij punt 14 van genoemde resolutie opgerichte comité (hierna „het comité” genoemd) zijn aangewezen omdat zij een bedreiging voor de vrede en voor het nationale verzoeningsproces in Ivoorkust vormen, in het bijzonder de personen die de uitvoering van de overeenkomst van Linas-Marcoussis en de overeenkomst van Accra III belemmeren, personen van wie op basis van relevante informatie is vastgesteld dat zij verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationale humanitaire recht in Ivoorkust, personen die publiekelijk aanzetten tot haat en geweld en personen van wie het comité heeft vastgesteld dat zij inbreuk maken op maatregelen die uit hoofde van het wapenembargo zijn opgelegd. |
|
(4) |
Overeenkomstig UNSCR 1572 (2004) dienen voorts alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen te worden bevroren die direct of indirect in bezit zijn of onder beheer staan van de door het comité aangewezen personen of van entiteiten waarvan de eigendom of de zeggenschap direct of indirect berust bij personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen, zoals aangewezen door het comité, en mogen geen tegoeden, financiële activa of economische middelen aan of ten behoeve van bedoelde personen of entiteiten ter beschikking worden gesteld. |
|
(5) |
Punt 19 van UNSCR 1572 (2004) voorziet erin dat de maatregelen betreffende het voorkomen van de binnenkomst in en de doorreis door de respectieve grondgebieden van de lidstaten en betreffende de bevriezing van tegoeden, financiële activa en economische middelen van kracht worden op 15 december 2004, tenzij de Veiligheidsraad vóór die datum vaststelt dat de ondertekenaars van de overeenkomst van Linas-Marcoussis en de overeenkomst van Accra III al hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van Accra III zijn nagekomen en een aanvang hebben gemaakt met de volledige uitvoering van de overeenkomst van Linas-Marcoussis. |
|
(6) |
De Raad heeft op 22 november 2004 verklaard dat de EU de door de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) en de Afrikaanse Unie (AU) genomen initiatieven zal blijven steunen teneinde verder tot vrede in Ivoorkust bij te dragen en destabilisatie van de subregio te voorkomen. |
|
(7) |
De Raad bevestigde tevens opnieuw met klem de vastbeslotenheid van de EU om de uitvoering van de in Linas-Marcoussis en Accra gesloten overeenkomsten met alle passende middelen te ondersteunen. |
|
(8) |
Optreden van de Gemeenschap is nodig om bepaalde maatregelen uit te voeren, |
HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:
Artikel 1
In dit gemeenschappelijk standpunt wordt onder „technische bijstand” verstaan: elke technische ondersteuning in verband met reparaties, ontwikkeling, productie, assemblage, beproeving, onderhoud, of enige andere technische dienst; deze kan de vorm aannemen van bijvoorbeeld instructies, raad, opleiding, overdracht van praktische kennis of vaardigheden of adviesdiensten; technische bijstand behelst ook mondelinge vormen van bijstand.
Artikel 2
1. De verkoop, levering, overdracht of uitvoer van wapens en alle soorten aanverwant materieel, waaronder wapens en munitie, militaire voertuigen en militaire uitrusting, paramilitaire uitrusting en onderdelen daarvoor, alsmede uitrusting die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie, aan Ivoorkust door onderdanen van de lidstaten of vanaf het grondgebied van de lidstaten, ongeacht of de goederen daar oorspronkelijk vandaan komen, of met gebruik van onder hun vlag varende schepen of tot hun nationale luchtvaartmaatschappij behorende vliegtuigen, is verboden.
2. Tevens is verboden:
|
a) |
de verstrekking, de verkoop, de levering of de overdracht van technische bijstand, de tussenhandel en andere aan militaire activiteiten gerelateerde diensten, en de levering, de fabricage, het onderhoud of het gebruik van wapens en soortgelijk materieel van enigerlei aard, met inbegrip van wapens en munitie, militaire voertuigen en uitrusting, paramilitaire uitrusting en onderdelen daarvoor, alsmede uitrusting die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie, direct of indirect, aan personen, entiteiten of lichamen in, of voor gebruik in Ivoorkust; |
|
b) |
het verstrekken van financieringsmiddelen of financiële bijstand in verband met militaire activiteiten, met inbegrip van met name subsidies, leningen en exportkredietverzekering, voor de verkoop, de levering, het overbrengen of de uitvoer van wapens en alle soorten aanverwante uitrusting, alsmede uitrusting die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie, direct of indirect, aan personen, entiteiten of lichamen in, of voor gebruik in Ivoorkust. |
Artikel 3
1. Artikel 2 is niet van toepassing op:
|
a) |
bevoorrading en technische bijstand uitsluitend bestemd voor ondersteuning van en gebruikmaking door de operatie van de Verenigde Naties in Ivoorkust en de Franse troepen die de operatie steunen, |
|
b) |
indien vooraf de goedkeuring is verkregen van het comité, |
|
c) |
de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van beschermende kledingstukken, met inbegrip van scherfwerende vesten en militaire helmen, die door personeel van de Verenigde Naties, personeel van de EU, de Gemeenschap of haar lidstaten, vertegenwoordigers van de media, vertegenwoordiger van de media en medewerkers van humanitaire en ontwikkelingswerkers en aanverwant personeel, louter voor persoonlijk gebruik tijdelijk naar Ivoorkust worden uitgevoerd, |
|
d) |
de verkoop of levering van goederen […] die tijdelijk naar Ivoorkust worden overgebracht of uitgevoerd voor de troepen van een staat die overeenkomstig het internationaal recht actie onderneemt die uitsluitend en direct is gericht op het faciliteren van de evacuatie van zijn onderdanen en de personen voor wie hij in Ivoorkust consulair verantwoordelijk is, indien dat vooraf ter kennis van het comité is gebracht, |
|
e) |
de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van wapens en aanverwant materieel en het verstrekken van technische bijstand en opleiding uitsluitend bestemd ter ondersteuning van en gebruikmaking bij het proces van herstructurering van de defensie- en veiligheidstroepen overeenkomstig punt 3, onder f), van de overeenkomst van Linas-Marcoussis, indien vooraf de goedkeuring is verkregen van het comité. |
Artikel 4
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter voorkoming van de binnenkomst in of doorreis door hun respectieve grondgebieden van alle personen die door het comité zijn aangewezen omdat zij een bedreiging vormen voor de vrede en voor het nationale verzoeningsproces in Ivoorkust, in het bijzonder de personen die de uitvoering van de overeenkomst van Linas-Marcoussis en de overeenkomst van Accra III belemmeren, personen van wie op basis van relevante informatie is vastgesteld dat zij verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationale humanitaire recht in Ivoorkust, personen die publiekelijk aanzetten tot haat en geweld en personen van wie het comité heeft vastgesteld dat zij inbreuk maken op maatregelen die bij punt 7 van UNSCR 1572 (2004) zijn opgelegd.
De betrokken personen worden in de bijlage genoemd.
2. Lid 1 houdt niet in dat de lidstaten verplicht zijn de binnenkomst op hun grondgebied van hun eigen onderdanen te beletten.
3. Lid 1 is niet van toepassing wanneer het comité bepaalt dat dergelijke reizen verantwoord zijn om dringende humanitaire redenen, met inbegrip van religieuze voorschriften, of wanneer het comité concludeert dat een vrijstelling zou bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, namelijk de totstandbrenging van vrede en nationale verzoening in Ivoorkust en stabiliteit in de regio.
4. In de gevallen waarin een lidstaat krachtens lid 3, machtiging verleent tot binnenkomst in of doorreis via zijn grondgebied van de door het comité aangewezen personen, geldt deze machtiging alleen voor het doel waarvoor ze is verleend en alleen voor de daarbij betrokken personen.
Artikel 5
1. Alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die direct of indirect in bezit zijn of onder beheer staan van de door het comité aangewezen personen of van entiteiten waarvan de eigendom of de zeggenschap direct of indirect berust bij personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen, zoals aangewezen door het comité, worden bevroren.
2. Er worden geen tegoeden, financiële activa of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van bedoelde personen of door het comité aangewezen entiteiten.
3. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor tegoeden, andere financiële activa of economische middelen die:
|
a) |
noodzakelijk zijn ter dekking van basisuitgaven, zoals betalingen voor voedsel, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies of openbare voorzieningen; |
|
b) |
uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten; |
|
c) |
uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten, overeenkomstig het nationaal recht, voor alleen het houden of beheren van bevroren tegoeden, andere financiële activa of economische middelen, na kennisgeving door de betrokken lidstaat aan het comité van zijn voornemen om, waar van toepassing, toestemming te verlenen voor de toegang tot dergelijke tegoeden, andere financiële activa en economische middelen en bij uitblijven van een negatief besluit van het comité binnen twee werkdagen na deze kennisgeving; |
|
d) |
noodzakelijk zijn ter dekking van uitzonderlijke uitgaven, na kennisgeving door de betrokken lidstaat aan het comité en goedkeuring door het comité; |
|
e) |
het voorwerp zijn van een justitieel, administratief of arbitrair retentierecht of uitspraak; in dat geval kunnen de tegoeden, andere financiële activa en economische middelen worden gebruikt om het retentierecht uit te oefenen of de uitspraak ten uitvoer te leggen mits het retentierecht of de uitspraak voor de datum van inwerkingtreding van UNSCR 1572 (2004) is ingegaan, respectievelijk is gedaan, en niet ten goede komt aan een in dit artikel genoemd persoon, een en ander na kennisgeving door de betrokken lidstaat aan het comité. |
4. Lid 2 is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van:
|
a) |
rente of andere inkomsten op bevroren rekeningen; of |
|
b) |
betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of zijn ontstaan voor de datum waarop beperkende maatregelen op de betrokken rekeningen van toepassing werden, |
mits deze rente, andere inkomsten en betalingen onder lid 1 blijven vallen.
Artikel 6
De Raad stelt de lijst in de bijlage vast en implementeert eventuele wijzigingen daarvan op basis van de bevindingen van het comité.
Artikel 7
Dit gemeenschappelijk standpunt wordt van kracht op de datum van de vaststelling ervan, met uitzondering van de in artikel 4 en artikel 5 bepaalde maatregelen, die van kracht worden op 15 december 2004, tenzij de Raad anderszins besluit, afhankelijk van het gegeven of de Veiligheidsraad kan vaststellen dat de voorwaarden van punt 19 van UNSCR 1572 (2004) zijn nagekomen.
Artikel 8
Dit gemeenschappelijk standpunt is van toepassing tot en met 15 december 2005. Het wordt voortdurend getoetst. Het wordt zo nodig verlengd of gewijzigd indien de Raad oordeelt dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt.
Artikel 9
Dit gemeenschappelijk standpunt wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.
Gedaan te Brussel, 13 december 2004.
Voor de Raad
De voorzitter
B. R. BOT
BIJLAGE
Lijst van in artikel 4 bedoelde personen
(Bijlage wordt opgesteld op aanwijzing van het bij Resolutie 1572 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingestelde comité)