<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.58-20161101.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>C-195/17</NO.CASE><NO.CASE>C-226/17</NO.CASE><NO.CASE>C-228/17</NO.CASE><NO.CASE>C-254/17</NO.CASE><NO.CASE>C-274/17</NO.CASE><NO.CASE>C-278/17</NO.CASE><NO.CASE>C-290/17</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62017CC0195</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:243">EU:C:2018:243</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>15</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>15</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P><HT TYPE="SC">Conclusie van adv.-gen. Tanchev – Gevoegde zaken C‑195/17, C‑197/17–C‑203/17, C‑226/17, C‑228/17, C‑254/17, C‑274/17, C‑275/17, C‑278/17–C‑286/17 en C‑290/17–C‑292/17</HT></P><P><HT TYPE="SC">Krüsemann e.a.</HT></P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">E. Tanchev</HT></P><P>van <DATE ISO="20180412">12 april 2018</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0001"><P>Oorspronkelijke taal: Engels.</P></NOTE></P></TI><STI><P><HT TYPE="BOLD">Gevoegde zaken C‑195/17, C‑197/17 tot en met C‑203/17, C‑226/17, C‑228/17, C‑254/17, C‑274/17, C‑275/17, C‑278/17 tot en met C‑286/17 en C‑290/17 tot en met C‑292/17</HT></P><P>Helga Krüsemann</P><P>Gabriele Heidenreich</P><P>Doris Manneck</P><P>Rita Juretschke (C‑195/17)</P><P>Thomas Neufeldt</P><P>Julia en Gabriel Neufeldt, beide vertegenwoordigd door hun ouders Sandra Neufeldt en Thomas Neufeldt (C‑197/17)</P><P>Ivan Wallmann (C‑198/17)</P><P>Rita Hoffmeyer</P><P>Rudolf Meyer (C‑199/17)</P><P>Susanne de Winder (C‑200/17)</P><P>Holger en Nicole Schlosser (C‑201/17)</P><P>Peter Rebbe</P><P>Hans-Peter Rebbe</P><P>Harmine Rebbe (C‑202/17)</P><P>Eberhard Schmeer (C‑203/17)</P><P>Brigitte Wittmann (C‑226/17)</P><P>Reinhard Wittmann (C‑228/17)</P><P>Regina Lorenz</P><P>Prisca Sprecher (C‑254/17)</P><P>Margarethe Yüce</P><P>Ali Yüce</P><P>Emin Yüce</P><P>Emre Yüce (C‑274/17)</P><P>Friedemann Schoen</P><P>Brigitta Schoen (C‑275/17)</P><P>Susanne Meyer</P><P>Sophie Meyer</P><P>Jan Meyer (C‑278/17)</P><P>Thomas Kiehl (C‑279/17)</P><P>Ralph Eßer (C‑280/17)</P><P>Thomas Schmidt (C‑281/17)</P><P>Werner Ansorge (C‑282/17)</P><P>Herbert Blesgen (C‑283/17)</P><P>Simone Künnecke</P><P>Thomas Küther</P><P>Antonia Künnecke</P><P>Moritz Künnecke (C‑284/17)</P><P>Marta Gentile</P><P>Marcel Gentile (C‑285/17)</P><P>Gabriele Ossenbeck (C‑286/17)</P><P>Angelina Fell</P><P>Florian Fell</P><P>Vincent Fell (C‑290/17)</P><P>Helga Jordan-Grompe</P><P>Sven Grompe</P><P>Yves-Felix Grompe</P><P>Justin Joel Grompe (C‑291/17)</P><P>tegen</P><P>TUIfly GmbH</P><P><HT TYPE="NORMAL">[24 verzoeken van het Amtsgericht Hannover (rechter in eerste aanleg Hannover, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]</HT></P><P>en</P><P>EUflight.de GmbH (C‑292/17)</P><P>tegen</P><P>TUIfly GmbH</P><P><HT TYPE="NORMAL">[verzoek van het Amtsgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]</HT></P></STI></TITLE><?PAGE NO="2"?><INTERMEDIATE><INDEX IDX.CLOSE="”" SEPARATOR=" – " IDX.OPEN="„"><KEYWORD>Prejudiciële verwijzing</KEYWORD><KEYWORD>Luchtvervoer</KEYWORD><KEYWORD>Verordening (EG) nr. 261/2004</KEYWORD><KEYWORD>Artikel 5, lid 3</KEYWORD><KEYWORD>Compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten</KEYWORD><KEYWORD>Begrip <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0001" ID="QS0001"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="2019" ID="QE0001"/></KEYWORD><KEYWORD>Massale afwezigheid van vliegend personeel door een wilde staking onder het mom van ziekteverzuim</KEYWORD><KEYWORD>Oorzakelijk verband</KEYWORD><KEYWORD>Vermijdbaarheid</KEYWORD></INDEX></INTERMEDIATE><CONTENTS.CONCLUSION><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">I.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Inleiding</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0001"><NO.P>1.</NO.P><TXT>Vormt een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0002" ID="QS0002"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="201D" ID="QE0002"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0002"><P>Op http://dictionnaire-juridique.jurimodel.com/Gr%E8ve.html wordt onder een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0003" ID="QS0003"/>grève sauvage<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="201D" ID="QE0003"/> het volgende verstaan: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0004" ID="QS0004"/>grève déclenchée en dehors d’un mot d’ordre d’un syndicat<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/>. Op https://dictionary.cambridge.org/us/dictionary/english/wildcat-strike definieert de Cambridge Dictionary een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0005" ID="QS0005"/>wildcat strike<QUOT.END REF.START="QS0005" CODE="201D" ID="QE0005"/> als volgt: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0006" ID="QS0006"/>a sudden strike (= act of refusing to work as a protest) without warning by the workers and often without the official support of the unions<QUOT.END REF.START="QS0006" CODE="201D" ID="QE0006"/>. Zie voor een bespreking van wilde stakingen in de Uniewetgeving onder meer Bogg, A., <HT TYPE="ITALIC">Viking and Laval</HT>: <HT TYPE="ITALIC">The International Labour Law Perspective</HT>, in Freeland, M.R., en Prassl, J., <HT TYPE="ITALIC">Viking, Laval and Beyond</HT>, Hart Publishing, 2014, blz. 41‑74.</P></NOTE> onder het mom van ziekteverzuim een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0007" ID="QS0007"/>buitengewone omstandigheid<QUOT.END REF.START="QS0007" CODE="201D" ID="QE0007"/> in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0003"><P>Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20040211">11 februari 2004</DATE> tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="046" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2004">PB 2004, L 46, blz. 1</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0008" ID="QS0008"/>verordening nr. 261/2004<QUOT.END REF.START="QS0008" CODE="201D" ID="QE0008"/>).</P></NOTE>, waardoor een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is om compensatie te betalen aan passagiers van wie de vlucht is vertraagd of geannuleerd als gevolg van die staking?</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0002"><NO.P>2.</NO.P><TXT>Dat is in wezen de kernvraag die aan het Hof wordt voorgelegd aan de hand van deze gevoegde verzoeken om een prejudiciële beslissing die zijn ingediend door het Amtsgericht Hannover (rechter in eerste aanleg Hannover, Duitsland) en het Amtsgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland), waar verschillende passagiers een vordering tot compensatie hebben ingesteld op grond van verordening nr. 261/2004, nadat hun vluchten geannuleerd of langdurig vertraagd waren omdat een ongebruikelijk hoog percentage van het vliegend personeel van de luchtvaartmaatschappij ziek was gemeld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0003"><NO.P>3.</NO.P><TXT>Deze zaak biedt het Hof dus de gelegenheid om zijn rechtspraak over de uitlegging van verordening nr. 261/2004 te ontwikkelen, waarbij eraan wordt herinnerd dat deze een concrete impact heeft op het leven van de burgers van de Europese Unie en iedereen die in de ruimte binnen haar grenzen reist.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="3"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">II.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Toepasselijke bepalingen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0004"><NO.P>4.</NO.P><TXT>De overwegingen 1, 2, 14 en 15 van verordening nr. 261/2004 luiden als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><CONSID><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0009" ID="QS0009"/>(1)</NO.P><TXT>Het optreden van de Gemeenschap moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.</TXT></NP></ITEM></CONSID><CONSID><ITEM><NP><NO.P>(2)</NO.P><TXT>Instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten brengen voor passagiers ernstige moeilijkheden en ongemak met zich mee.</TXT></NP></ITEM></CONSID><P>[…]</P><CONSID><ITEM><NP><NO.P>(14)</NO.P><TXT>Evenals in het kader van het Verdrag van Montreal dienen de verplichtingen die worden opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen die de vluchten uitvoeren, te worden beperkt of uitgesloten in gevallen waarin een gebeurtenis het gevolg is van buitengewone omstandigheden die zelfs door het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. Dergelijke omstandigheden kunnen zich met name voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.</TXT></NP></ITEM></CONSID><CONSID><ITEM><NP><NO.P>(15)</NO.P><TXT>Er dient te worden geacht sprake te zijn van buitengewone omstandigheden wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt, ook al heeft de betrokken luchtvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen geleverd om de vertragingen of annuleringen te voorkomen.<QUOT.END REF.START="QS0009" CODE="201D" ID="QE0009"/></TXT></NP></ITEM></CONSID></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0005"><NO.P>5.</NO.P><TXT>Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0010" ID="QS0010"/>Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.<QUOT.END REF.START="QS0010" CODE="201D" ID="QE0010"/></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">III.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">A.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Prejudiciële verwijzing van het Amtsgericht Hannover</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0006"><NO.P>6.</NO.P><TXT>De verzoekers in de 24 bij het Amtsgericht Hannover aanhangige zaken hadden vluchten geboekt bij TUIfly GmbH (hierna: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0011" ID="QS0011"/>TUIfly<QUOT.END REF.START="QS0011" CODE="201D" ID="QE0011"/>), een luchtvaartmaatschappij die is gevestigd in Hannover, Duitsland. De verzoekers vorderen van TUIfly een compensatie overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 261/2004<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0004"><P>De compensatiebedragen waartoe een geannuleerde of vertraagde vlucht aanleiding geeft, staan in punt 38 hieronder.</P></NOTE>, omdat hun vluchten tussen <DATE ISO="20161003">3 oktober 2016</DATE> en <DATE ISO="20161008">8 oktober 2016</DATE> waren geannuleerd of langdurig waren vertraagd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0007"><NO.P>7.</NO.P><TXT>De annuleringen en vertragingen in kwestie vonden plaats naar aanleiding van een incident begin oktober 2016, toen een groot aantal leden van het vliegend personeel van TUIfly zich plots ziek meldde, waardoor meer dan 100 vluchten moesten worden geannuleerd en nog veel meer vluchten langdurig waren vertraagd.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="4"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0008"><NO.P>8.</NO.P><TXT>Deze golf van ziekmeldingen kwam er nadat het bestuur van TUIfly op <DATE ISO="20160930">30 september 2016</DATE> het personeel had ingelicht over herstructureringsplannen die op veel weerstand stuitten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0009"><NO.P>9.</NO.P><TXT>Volgens de verwijzingsbeslissing bedraagt het ziekteverzuim van het personeel van TUIfly gemiddeld ongeveer 10 % van zijn personeelsbestand, dat cockpit‑ en cabinepersoneel omvat. Nadat het bestuur van TUIfly de herstructureringsmaatregelen op <DATE ISO="20160930">30 september 2016</DATE> had aangekondigd, schoot het ziekteverzuim van het personeel echter omhoog, voornamelijk tussen <DATE ISO="20161003">3 oktober 2016</DATE> en <DATE ISO="20161009">9 oktober 2016</DATE>, waarbij de afwezigheid een maximum bereikte op <DATE ISO="20161007">7 oktober 2016</DATE> toen 89 % van het cockpitpersoneel en 62 % van het cabinepersoneel zich ziek had gemeld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0010"><NO.P>10.</NO.P><TXT>Daardoor liet TUIfly op <DATE ISO="20161003">3 oktober 2016</DATE> zijn oorspronkelijke vliegplan varen en stelde zij een nieuw vliegplan op. TUIfly is ook subcharters aangegaan met andere luchtvaartmaatschappijen en heeft personeelsleden van vakantie teruggeroepen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0011"><NO.P>11.</NO.P><TXT>Wegens het gebrek aan personeel werden op <DATE ISO="20161003">3 oktober 2016</DATE> 24 vluchten met langdurige vertraging uitgevoerd. Op <DATE ISO="20161004">4 oktober 2016</DATE> werden 7 vluchten geannuleerd en 29 vluchten met langdurige vertraging uitgevoerd. Vanaf <DATE ISO="20161005">5 oktober 2016</DATE> werd het merendeel van de vluchten geannuleerd. Op <DATE ISO="20161007">7</DATE> en <DATE ISO="20161008">8 oktober 2016</DATE> annuleerde TUIfly alle vluchten die uit Duitsland zouden vertrekken, omdat ervan werd uitgegaan dat niet langer kon worden gegarandeerd dat passagiers op het einde van hun reis een terugvlucht konden krijgen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0012"><NO.P>12.</NO.P><TXT>Het bestuur van TUIfly stelde het personeel op <DATE ISO="20161007">7 oktober 2016</DATE> op de hoogte dat met de vertegenwoordigers van het personeel een akkoord over de herstructureringsplannen was bereikt. Daarna zakte het ziekteverzuim van het vliegend personeel terug naar het normale niveau.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0013"><NO.P>13.</NO.P><TXT>In het hoofdgeding betoogt TUIfly dat zij niet verplicht is verzoekers compensatie te betalen, omdat de betreffende annuleringen en vertragingen werden veroorzaakt door <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0012" ID="QS0012"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0012" CODE="201D" ID="QE0012"/> in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004. Verzoekers stellen dat TUIfly hen wel degelijk compensatie moet betalen omdat de gebeurtenissen in kwestie geen buitengewone omstandigheden waren en konden worden vermeden indien alle redelijke maatregelen zouden zijn genomen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0014"><NO.P>14.</NO.P><TXT>Daarop heeft het Amtsgericht Hannover de behandeling van de 24 zaken geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0013" ID="QS0013"/>1)</NO.P><TXT>Vormt de uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: vormt de spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking (<QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0014" ID="QS0014"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0014" CODE="2019" ID="QE0014"/>) een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004? Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: hoe hoog moet het afwezigheidspercentage zijn om van een dergelijke omstandigheid te kunnen spreken?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: moet de buitengewone omstandigheid zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde vlucht zelf of heeft de uitvoerende luchtvaartmaatschappij het recht om op grond van economische overwegingen een nieuw vliegplan op te stellen?</TXT></NP></ITEM><?PAGE NO="5"?><ITEM><NP><NO.P>4)</NO.P><TXT>Indien vraag 1 of vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: heeft de vermijdbaarheid betrekking op de buitengewone omstandigheid dan wel op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid?<QUOT.END REF.START="QS0013" CODE="201D" ID="QE0013"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">B.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Prejudiciële verwijzing van het Amtsgericht Düsseldorf</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0015"><NO.P>15.</NO.P><TXT>In het bij het Amtsgericht Düsseldorf lopende hoofdgeding heeft één verzoeker tegen TUIfly een vordering tot compensatie overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 261/2004 ingesteld. De verwijzingsbeslissing vermeldt dat de verzoeker, EUflight.de, deze vordering instelt in naam van de passagier die haar zijn recht op compensatie op grond van die verordening wegens een geannuleerde vlucht op <DATE ISO="20161007">7 oktober 2016</DATE> heeft overgedragen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0016"><NO.P>16.</NO.P><TXT>Volgens de verwijzingsbeslissing gaat het Amtsgericht Düsseldorf ervan uit dat het feit dat een groot aantal personeelsleden plots ziek is gemeld, of dit nu door een golf van reële aandoeningen of door een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0015" ID="QS0015"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0015" CODE="201D" ID="QE0015"/> is, als <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0016" ID="QS0016"/>buitengewone omstandigheid<QUOT.END REF.START="QS0016" CODE="201D" ID="QE0016"/> in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 kan worden aangemerkt. De verwijzende rechter twijfelt echter of het oorzakelijk verband tussen die buitengewone omstandigheid en de annulering van de vlucht in kwestie voldoende is aangetoond, aangezien de annulering plaatsvond in het kader van de algemene reorganisatie van het vliegplan van TUIfly vanaf <DATE ISO="20161002">2 oktober 2016</DATE>. De verwijzende rechter wijst er met name op dat aangezien TUIfly niet aangeeft welke crew specifiek voor die vlucht was ingepland, zij enkel kan worden vrijgesteld van betaling van compensatie door buitengewone omstandigheden indien het oorzakelijk verband tussen de omstandigheden in kwestie en de annulering van de vlucht breed worden opgevat.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0017"><NO.P>17.</NO.P><TXT>Daarop heeft het Amtsgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0017" ID="QS0017"/>Is de annulering van een vlucht ook dan het gevolg van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 wanneer de omstandigheden (in casu: een <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0018" ID="QS0018"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0018" CODE="2019" ID="QE0018"/> of een <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0019" ID="QS0019"/>ziektegolf<QUOT.END REF.START="QS0019" CODE="2019" ID="QE0019"/>) deze vlucht slechts indirect betreffen nu de luchtvaartmaatschappij wegens die omstandigheden haar volledige vliegplan heeft gereorganiseerd en overeenkomstig deze reorganisatie de concrete vlucht werd geannuleerd? Kan een luchtvaartmaatschappij ook dan op grond van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 worden vrijgesteld, wanneer de betrokken vlucht zonder de reorganisatie had kunnen worden uitgevoerd aangezien de voor deze vlucht ingeplande crew ter beschikking zou hebben gestaan wanneer die crew niet als gevolg van de reorganisatie aan andere vluchten zou zijn toegewezen?<QUOT.END REF.START="QS0017" CODE="201D" ID="QE0017"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">IV.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Procedure bij het Hof</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0018"><NO.P>18.</NO.P><TXT>Krachtens artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie zijn de 24 verzoeken om een prejudiciële beslissing van het Amtsgericht Hannover en het verzoek om een prejudiciële beslissing van het Amtsgericht Düsseldorf gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0005"><P>Opgemerkt zij dat er oorspronkelijk 28 verzoeken om een prejudiciële beslissing door het Amtsgericht Hannover waren ingediend, maar de drie verzoeken voor de zaken C‑196/17, C‑276/17 en C‑277/17 zijn ingetrokken, waardoor er 25 zaken overbleven. Daarnaast merk ik op dat de 19 verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C‑307/17, C‑311/17, C‑316/17, C‑317/17, C‑352/17‑C‑362/17, C‑394/17, C‑403/17, C‑409/17 en C‑429/17 die door dit Amtsgericht zijn ingediend – waarvan er één (C‑352/17) is ingetrokken – overeenkomstig artikel 55 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie zijn geschorst tot het Hof een beslissing over deze zaken neemt.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0019"><NO.P>19.</NO.P><TXT>De vertegenwoordigers van de verzoekers in 9 van de gevoegde zaken<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0006"><P>Zaken C‑197/17, C‑198/17, C‑201/17, C‑203/17, C‑254/17, C‑275/17, C‑280/17, C‑284/17 en C‑292/17.</P></NOTE>, TUIfly, de Duitse regering, de Poolse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="6"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0020"><NO.P>20.</NO.P><TXT>De vertegenwoordigers van de verzoekers in 11 van de gevoegde zaken<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0007"><P>Zaken C‑197/17, C‑198/17, C‑201/17, C‑203/17, C‑226/17, C‑228/17, C‑254/17, C‑275/17, C‑282/17, C‑283/17 en C‑292/17. De vertegenwoordigers van de verzoekers die schriftelijke opmerkingen bij het Hof hadden ingediend, hebben dus ook aan de terechtzitting deelgenomen, met uitzondering van de vertegenwoordigers in de zaken C‑280/17 en C‑284/17. De vertegenwoordigers van de verzoekers in de zaken C‑226/17, C‑228/17, C‑282/17 en C‑283/17 hebben enkel mondeling opmerkingen gemaakt voor het Hof.</P></NOTE>, TUIfly, de Franse regering, de Duitse regering en de Commissie hebben deelgenomen aan de terechtzitting, die op <DATE ISO="20180125">25 januari 2018</DATE> is gehouden.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">V.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Analyse</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0021"><NO.P>21.</NO.P><TXT>Mijn analyse is verdeeld in drie hoofdonderdelen. In het eerste deel zal ik een opmerking vooraf maken over de prejudiciële vragen die aan het Hof zijn voorgelegd. In het tweede deel zal ik bepaalde voorafgaande ontvankelijkheidsvragen behandelen die door TUIfly zijn opgeworpen. In het derde deel zal ik dieper ingaan op de vier prejudiciële vragen, nadat ik een overzicht van de rechtspraak van het Hof over artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 heb gegeven die de daaropvolgende beoordeling onderbouwt.</TXT></NP.ECR><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">A.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Opmerking vooraf</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0022"><NO.P>22.</NO.P><TXT>Met zijn vier vragen wil het Amtsgericht Hannover ten gronde weten of een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0020" ID="QS0020"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0020" CODE="201D" ID="QE0020"/> onder het mom van ziekteverzuim die direct of indirect heeft geleid tot de annulering of een langdurige vertraging van een vlucht een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0021" ID="QS0021"/>buitengewone omstandigheid<QUOT.END REF.START="QS0021" CODE="201D" ID="QE0021"/> vormt in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004, en de luchtvaartmaatschappij dus bevrijdt van haar verplichting om compensatie te betalen aan de passagiers in het hoofdgeding.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0023"><NO.P>23.</NO.P><TXT>Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 bepaalt dat een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 van die verordening <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0022" ID="QS0022"/>indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden<QUOT.END REF.START="QS0022" CODE="201D" ID="QE0022"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0024"><NO.P>24.</NO.P><TXT>Bijgevolg blijkt uit artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 dat de luchtvaartmaatschappij drie kernelementen moet bewijzen om vrijstelling te kunnen genieten: (1) het bestaan van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0023" ID="QS0023"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0023" CODE="201D" ID="QE0023"/> moet worden aangetoond; (2) de annulering of langdurige vertraging van de vlucht moet <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0024" ID="QS0024"/>het gevolg<QUOT.END REF.START="QS0024" CODE="201D" ID="QE0024"/> zijn van de buitengewone omstandigheden; en (3) de buitengewone omstandigheden <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0025" ID="QS0025"/>[konden] ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen […] worden<QUOT.END REF.START="QS0025" CODE="201D" ID="QE0025"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0008"><P>Zie onder meer de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Kramme</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑396/06</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:555">EU:C:2007:555</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0031">31</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0025"><NO.P>25.</NO.P><TXT>De vier vragen van het Amtsgericht Hannover hebben betrekking op alle drie de voorwaarden. De eerste en de tweede vraag gaan over de eerste voorwaarde, met name of een golf van ziekmeldingen of een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0026" ID="QS0026"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0026" CODE="201D" ID="QE0026"/> als <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0027" ID="QS0027"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0027" CODE="201D" ID="QE0027"/> kunnen worden aangemerkt. De derde vraag verwijst naar de tweede voorwaarde betreffende het oorzakelijk verband, namelijk of het voldoende is dat de buitengewone omstandigheden slechts een indirecte oorzaak zijn van de annulering of de langdurige vertraging van de vlucht vanwege de reorganisatie van het vliegplan door TUIfly. De vierde vraag heeft betrekking op de derde voorwaarde, namelijk of de buitengewone omstandigheden op zich of de gevolgen ervan hadden moeten worden <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0028" ID="QS0028"/>voorkomen<QUOT.END REF.START="QS0028" CODE="201D" ID="QE0028"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0026"><NO.P>26.</NO.P><TXT>Het Amtsgericht Düsseldorf heeft enkel de vraag gesteld of, ervan uitgaande dat een ziektegolf of een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0029" ID="QS0029"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0029" CODE="201D" ID="QE0029"/> kunnen worden aangemerkt als <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0030" ID="QS0030"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0030" CODE="201D" ID="QE0030"/>, de annulering van de vlucht ook dan het gevolg is van buitengewone omstandigheden wanneer ze deze vlucht slechts indirect betreffen, aangezien de crew voor die vlucht beschikbaar was en die vlucht zou hebben plaatsgevonden indien TUIfly geen algemene reorganisatie van het vliegplan had uitgevoerd waardoor die crew aan andere vluchten werd toegewezen vanwege die buitengewone omstandigheden.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="7"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0027"><NO.P>27.</NO.P><TXT>De prejudiciële vraag van het Amtsgericht Düsseldorf is dus erg vergelijkbaar met de derde prejudiciële vraag van het Amtsgericht Hannover. Daarom zal ik ze in mijn analyse hieronder samen behandelen.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">B.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Ontvankelijkheid</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0028"><NO.P>28.</NO.P><TXT>TUIfly betoogt dat het door het Amtsgericht Hannover ingediende verzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk is. Volgens de argumentatie van TUIfly vallen de eerste en tweede vraag buiten het voorwerp van de procedure in het hoofdgeding aangezien die vragen uitgaan van een hoog ziekteverzuim bij het volledige personeelsbestand van de luchtvaartmaatschappij, terwijl het hoofdgeding betrekking heeft op een hoog ziekteverzuim bij slechts het vliegend personeel, met name piloten, stewardessen en stewards. TUIfly betoogt ook dat de eerste en tweede vraag, waarmee wordt gevraagd naar indicaties over hoe hoog het afwezigheidspercentage moet zijn voordat sprake is van een buitengewone omstandigheid, een beoordeling van de feiten inhoudt die de nationale rechtbank en niet dit Hof toekomt. Bovendien voert TUIfly aan dat de derde vraag geen verband houdt met het voorwerp van het geschil in het hoofdgeding aangezien de onderneming niet <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0031" ID="QS0031"/>op grond van economische overwegingen<QUOT.END REF.START="QS0031" CODE="201D" ID="QE0031"/> een nieuw vliegplan heeft opgesteld, en dat de vraag in elk geval te abstract is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0029"><NO.P>29.</NO.P><TXT>Voorts merk ik op dat de Duitse overheid weliswaar geen exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen met betrekking tot de verwijzing van het Amtsgericht Hannover, maar dat zij toch van oordeel is dat een antwoord op de eerste prejudiciële vraag van het Amtsgericht Hannover niet bepalend is om het geschil in het hoofdgeding op te lossen, omdat er geen sprake was van massale ziekte bij het vliegend personeel van TUIfly, maar van een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0032" ID="QS0032"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0032" CODE="201D" ID="QE0032"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0030"><NO.P>30.</NO.P><TXT>Volgens mij zijn de prejudiciële vragen van het Amtsgericht Hannover ontvankelijk.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0031"><NO.P>31.</NO.P><TXT>Het is vaste rechtspraak van het Hof dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0009"><P>Zie onder meer arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20171214">14 december 2017</DATE>, <NAME.CASE>Avon Cosmetics</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑305/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:970">EU:C:2017:970</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0059">59</REF.NP.ECR> </REF.DOC.ECR>en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0032"><NO.P>32.</NO.P><TXT>Dat vermoeden van relevantie kan niet worden weerlegd door de loutere omstandigheid dat een van de partijen in het hoofdgeding bepaalde feiten betwist die bepalend zijn voor het voorwerp van het geschil.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0010"><P>Zie onder meer arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160922">22 september 2016</DATE>, <NAME.CASE>Breitsamer und Ulrich</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑113/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:718">EU:C:2016:718</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0034">34</REF.NP.ECR> </REF.DOC.ECR>en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0033"><NO.P>33.</NO.P><TXT>In deze zaak blijkt duidelijk uit de verwijzingsbeslissing en de context van de eerste twee vragen, zoals geformuleerd door de verwijzende rechter, dat die vragen betrekking hebben op het vliegend personeel van TUIfly. Het wordt niet betwist dat de belanghebbenden in de zin van artikel 23 van het Statuut hun standpunten over deze vragen naar behoren kenbaar hebben kunnen maken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0034"><NO.P>34.</NO.P><TXT>Bovendien is het niet duidelijk dat de prejudiciële vragen geen verband houden met het reële geschil of het voorwerp van het hoofdgeding. In de verwijzingsbeslissing wordt ook niet gesuggereerd dat de vragen van hypothetische aard zijn.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="8"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0035"><NO.P>35.</NO.P><TXT>Daarom zijn er niet voldoende gronden om het vermoeden van relevantie te weerleggen dat de prejudiciële vragen van het Amtsgericht Hannover genieten.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">C.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Inhoudelijke beoordeling</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">1.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Overzicht van de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0036"><NO.P>36.</NO.P><TXT>Uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt dat uitzonderingen op bepalingen die rechten verlenen aan luchtreizigers, strikt moeten worden uitgelegd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0011"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121004">4 oktober 2012</DATE>, <NAME.CASE>Finnair</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑22/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:604">EU:C:2012:604</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Sturgeon e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑402/07 en C‑432/07</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:416">EU:C:2009:416</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), waarin de advocaat-generaal verklaart dat het Hof in zijn arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20060110">10 januari 2006</DATE>, <NAME.CASE>IATA en ELFAA</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑344/04</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:10">EU:C:2006:10</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>) <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0033" ID="QS0033"/>de bescherming van de belangen van de passagiers<QUOT.END REF.START="QS0033" CODE="201D" ID="QE0033"/> duidelijk aanwijst als het onmiddellijke doel van verordening nr. 261/2004.</P></NOTE> In de rechtspraak is echter eveneens erkend dat de Uniewetgever met de vaststelling van verordening nr. 261/2004 ook beoogde de belangen van de luchtreizigers met die van de luchtvaartmaatschappijen te verzoenen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0012"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121023">23 oktober 2012</DATE>, <NAME.CASE>Nelson e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑581/10 en C‑629/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:657">EU:C:2012:657</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Derhalve heeft het Hof onderstaande uitlegging gegeven aan de vrijstelling voor luchtvaartmaatschappijen van de verplichting om compensatie te betalen bij annuleringen en langdurige vertragingen in het geval van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0034" ID="QS0034"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0034" CODE="201D" ID="QE0034"/>, een begrip dat in verordening nr. 261/2004 niet wordt gedefinieerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0037"><NO.P>37.</NO.P><TXT>Het Hof heeft argumenten verworpen waarmee werd gesteld dat buitensporige financiële lasten voor luchtvaartmaatschappijen prioriteit moeten krijgen bij de uitlegging van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004, waarbij het erop wees dat uit de rechtspraak blijkt dat het belang van de doelstelling van consumentenbescherming, waaronder dus de bescherming van luchtreizigers, zelfs aanzienlijke negatieve economische gevolgen voor sommige marktdeelnemers kan rechtvaardigen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0013"><P>Ibid., punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0038"><NO.P>38.</NO.P><TXT>Het Hof heeft opgemerkt dat het compensatiebedrag, naargelang van de afstand van de betrokken vlucht 250, 400 of 600 EUR, overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder c), van verordening nr. 261/2004 met nog 50 % kan worden verlaagd wanneer de vertraging voor een niet onder artikel 7, lid 2, onder a) en b), van deze verordening vallende vlucht minder dan vier uur bedraagt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0014"><P>Ibid., punt 78.</P></NOTE> Voorts laat de nakoming van de verplichtingen op grond van verordening nr. 261/2004 de mogelijkheid voor deze vervoerders onverlet om van eenieder die de vertraging heeft veroorzaakt, ook van derden, compensatie te verlangen, zoals artikel 13 van deze verordening bepaalt. Deze compensatie kan de financiële lasten die deze vervoerders als gevolg van deze verplichtingen dragen, dus geheel of gedeeltelijk compenseren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0039"><NO.P>39.</NO.P><TXT>Daarenboven lijkt het volgens het Hof niet onredelijk dat deze lasten, onder voorbehoud van bovengenoemd recht op compensatie, in de eerste plaats worden gedragen door de luchtvaartmaatschappijen, waaraan de betrokken passagiers zijn gebonden door een vervoerscontract dat hun recht geeft op een vlucht die niet geannuleerd of vertraagd zou mogen zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0015"><P>Ibid., punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0040"><NO.P>40.</NO.P><TXT>De regel die in de tekst van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 is vastgelegd, is door de uitlegging van het Hof verder gepreciseerd. Het Hof heeft opgemerkt dat in overweging 14 van verordening nr. 261/2004 staat dat dergelijke omstandigheden zich met name kunnen voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0016"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20170504">4 mei 2017</DATE>, <NAME.CASE>Pešková en Peška</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑315/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:342">EU:C:2017:342</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0021">21</REF.NP.ECR> </REF.DOC.ECR>en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> Daaruit heeft het Hof afgeleid dat als buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening<?PAGE NO="9"?> nr. 261/2004 kunnen worden aangemerkt gebeurtenissen die vanwege hun aard of oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waarop laatstgenoemde geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0017"><P>Ibid., punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak.</P></NOTE> Op basis daarvan heeft het Hof verklaard dat een aanvaring tussen een luchtvaartuig en een vogel alsmede de eventuele daardoor ontstane schade niet wezenlijk zijn verbonden met het systeem voor de werking van het toestel en dat zij niet vanwege hun aard of oorsprong inherent zijn aan de normale uitoefening van het bedrijf van de luchtvaartmaatschappij. Op die gebeurtenis kan de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed uitoefenen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0018"><P>Ibid., punt 24.</P></NOTE> Bij deze conclusie merkt het Hof op dat <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0035" ID="QS0035"/>luchtvaartmaatschappijen er niet toe mogen worden gebracht om ervan af te zien de bij een dergelijk incident vereiste maatregelen te treffen en voorrang te geven aan de handhaving en punctualiteit van hun vluchten boven de nagestreefde veiligheid van die passagiers<QUOT.END REF.START="QS0035" CODE="201D" ID="QE0035"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0019"><P>Ibid., punt 25.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0041"><NO.P>41.</NO.P><TXT>Voorts heeft het Hof verklaard dat een storing die wordt veroorzaakt door een voortijdig defect van sommige onderdelen van het luchtvaartuig, in het kader van de activiteiten van een luchtvaartmaatschappij een onverwachte gebeurtenis vormt. Desalniettemin blijft een dergelijke storing wezenlijk verbonden met het zeer complexe systeem voor de werking van het toestel, zodat die onverwachte gebeurtenis inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van een luchtvaartmaatschappij, omdat luchtvaartmaatschappijen gewoonlijk met dit soort onverwachte technische problemen worden geconfronteerd. Daarnaast kan de betrokken luchtvaartmaatschappij daadwerkelijk invloed uitoefenen op het voorkomen van een dergelijke storing.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0020"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20150917">17 september 2015</DATE>, <NAME.CASE>Van der Lans</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑257/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:618">EU:C:2015:618</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0043">43</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0042"><NO.P>42.</NO.P><TXT>Tot slot heeft het Hof opgemerkt dat <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0036" ID="QS0036"/>een verborgen fabricagefout […] die gevolgen heeft voor de vliegveiligheid<QUOT.END REF.START="QS0036" CODE="201D" ID="QE0036"/> verband kan houden met een gebeurtenis die niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waarop deze daadwerkelijke invloed <HT TYPE="ITALIC">kan</HT> uitoefenen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0021"><P>Cursivering van mij.</P></NOTE>, en dat hetzelfde geldt voor luchtvaartuigen die worden beschadigd door sabotage of terrorisme.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0022"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20081222">22 december 2008</DATE>, <NAME.CASE>Wallentin-Hermann</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑549/07</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2008:771">EU:C:2008:771</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0026">26</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Het Hof heeft ook verklaard dat de sluiting van een deel van het Europese luchtruim ten gevolge van de uitbarsting van een vulkaan <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0037" ID="QS0037"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0037" CODE="201D" ID="QE0037"/> vormen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0023"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20130131">31 januari 2013</DATE>, <NAME.CASE>McDonagh</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑12/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:43">EU:C:2013:43</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0034">34</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0043"><NO.P>43.</NO.P><TXT>Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de Uniewetgever niet de bedoeling heeft gehad in alle buitengewone omstandigheden vrijstelling te verlenen van de verplichting om de passagiers bij annulering van hun vlucht compensatie te betalen, maar uitsluitend wanneer er sprake is van buitengewone omstandigheden die <HT TYPE="ITALIC">ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden</HT>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0024"><P>Cursivering van mij.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0044"><NO.P>44.</NO.P><TXT>Aangezien niet alle buitengewone omstandigheden aanleiding geven tot vrijstelling, moet degene die zich op dergelijke omstandigheden wil beroepen, zoals TUIfly, bovendien aantonen dat die omstandigheden hoe dan ook niet hadden kunnen worden voorkomen door het treffen van aan de situatie aangepaste maatregelen, dat wil zeggen maatregelen die op het tijdstip van de buitengewone omstandigheden onder meer voldoen aan voor de betrokken luchtvaartmaatschappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="10"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0045"><NO.P>45.</NO.P><TXT>De vervoerder dient immers aan te tonen dat hij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht – <HT TYPE="ITALIC">dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot annulering van de vlucht leidden</HT>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0025"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20081222">22 december 2008</DATE>, <NAME.CASE>Wallentin-Hermann</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑549/07</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2008:771">EU:C:2008:771</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Cursivering van mij. Zie ook arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20170504">4 mei 2017</DATE>, <NAME.CASE>Pešková en Peška</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑315/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:342">EU:C:2017:342</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0028">28</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0029">29</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0046"><NO.P>46.</NO.P><TXT>In dit kader heeft het Hof aan het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0038" ID="QS0038"/>redelijke maatregel<QUOT.END REF.START="QS0038" CODE="201D" ID="QE0038"/> dus een flexibele en geïndividualiseerde invulling gegeven, waarbij het aan de nationale rechterlijke instantie wordt overgelaten om uit te maken of de luchtvaartmaatschappij in de omstandigheden van het concrete geval kan worden geacht aan de situatie aangepaste maatregelen te hebben genomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0026"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20170504">4 mei 2017</DATE>, <NAME.CASE>Pešková en Peška</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑315/15</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:342">EU:C:2017:342</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0030">30</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0047"><NO.P>47.</NO.P><TXT>Het Hof heeft geoordeeld dat een luchtvaartmaatschappij in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico dat zich als gevolg van eventuele buitengewone omstandigheden vertragingen kunnen voordoen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0027"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20110512">12 mei 2011</DATE>, <NAME.CASE>Eglītis en Ratnieks</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑294/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:303">EU:C:2011:303</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0027">27</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Inzonderheid dient een redelijke luchtvaartmaatschappij, teneinde te voorkomen dat elke – zelfs minieme – vertraging die het gevolg is van buitengewone omstandigheden onvermijdelijk tot annulering van de vlucht leidt, haar middelen aldus naar behoren te organiseren dat zij over een bepaalde buffer beschikt om de vlucht na het einde van de buitengewone omstandigheden te kunnen uitvoeren.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0028"><P>Ibid., punt 28.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0048"><NO.P>48.</NO.P><TXT>Hiermee rekening houdend heeft het Hof, met betrekking tot passagiers die het instappen is geweigerd, geoordeeld dat uit overweging 15 van verordening nr. 261/2004 blijkt dat <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0039" ID="QS0039"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0039" CODE="201D" ID="QE0039"/> enkel betrekking kunnen hebben op <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0040" ID="QS0040"/>een specifiek vliegtuig op een specifieke dag<QUOT.END REF.START="QS0040" CODE="201D" ID="QE0040"/>, wat niet het geval is wanneer een passagier niet mag instappen wegens de reorganisatie van vluchten ten gevolge van dergelijke omstandigheden die op een eerdere vlucht van invloed zijn geweest. Het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0041" ID="QS0041"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0041" CODE="201D" ID="QE0041"/> strekt er namelijk toe de verplichtingen van de luchtvaartmaatschappij te beperken en haar er zelfs van te bevrijden, wanneer de betrokken gebeurtenis ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet kon worden voorkomen. In geen geval kan worden aangenomen dat een dergelijke vervoerder die een op de datum van een staking van het luchthavenpersoneel geplande vlucht dient te annuleren en nadien zijn latere vluchten reorganiseert, door die staking verplicht was om twee dagen na de annulering van die vlucht een passagier die zich naar behoren voor het instappen heeft gemeld, niet aan boord te laten gaan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0029"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121004">4 oktober 2012</DATE>, <NAME.CASE>Finnair</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑22/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:604">EU:C:2012:604</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0049"><NO.P>49.</NO.P><TXT>Tegen deze achtergrond wordt het Hof gevraagd om te beslissen of een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0042" ID="QS0042"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0042" CODE="201D" ID="QE0042"/> een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0043" ID="QS0043"/>buitengewone omstandigheid<QUOT.END REF.START="QS0043" CODE="201D" ID="QE0043"/> vormt in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004, en wat de gevolgen zijn als dat zo is.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">2.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">In overweging gegeven antwoord op de eerste vraag</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0050"><NO.P>50.</NO.P><TXT>Op zichzelf gezien is het antwoord op de eerste vraag voor de hand liggend. Enerzijds zijn regelingen voor het beheer van ziekteverzuim van een onderneming die in een normale gezonde gemeenschap werkt, op basis van de bovenstaande rechtspraak een aangelegenheid die inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van luchtvaartmaatschappijen en waarop zij daadwerkelijke invloed kunnen uitoefenen. Anderzijds is een massale afwezigheid door een pandemie of een andere noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid een aangelegenheid die niet inherent is aan de<?PAGE NO="11"?> normale uitoefening van de activiteiten van luchtvaartmaatschappijen en waarop zij geen daadwerkelijke invloed kunnen uitoefenen. In de eerste situatie zou er geen sprake zijn van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0044" ID="QS0044"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0044" CODE="201D" ID="QE0044"/> in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004, in de tweede situatie wel.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0051"><NO.P>51.</NO.P><TXT>Het is echter duidelijk uit het dossier en de argumenten tijdens de terechtzitting dat dit niet de feitelijke omstandigheden van het hoofdgeding zijn. Wat wel heeft plaatsgevonden, is een massale afwezigheid onder het mom van ziekteverzuim om een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0045" ID="QS0045"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0045" CODE="201D" ID="QE0045"/> te houden. Hoewel de eerste vraag op zichzelf dus in beginsel bevestigend kan worden beantwoord, is dat toch onvoldoende om het geschil in het hoofdgeding op te lossen, aangezien het feitelijk is gebaseerd op een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0046" ID="QS0046"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0046" CODE="201D" ID="QE0046"/> en niet op een pandemie of een andere noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid. Dit is de kern van het richtsnoer waarom de nationale verwijzende rechter heeft verzocht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0030"><P>Zie de punten 28 tot en met 35 hierboven.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0052"><NO.P>52.</NO.P><TXT>Ik geef derhalve in overweging de eerste vraag als volgt te beantwoorden:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0047" ID="QS0047"/>Enkel de werkelijk uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij, veroorzaakt door een pandemie of een andere noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid, vormt een <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0048" ID="QS0048"/>buitengewone omstandigheid<QUOT.END REF.START="QS0048" CODE="2019" ID="QE0048"/> in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004. Het is aan de verwijzende rechter om met inachtneming van alle relevante feitelijke omstandigheden het precieze afwezigheidspercentage te bepalen dat in zulke gevallen vereist is voordat er sprake is van <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0049" ID="QS0049"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0049" CODE="2019" ID="QE0049"/>.<QUOT.END REF.START="QS0047" CODE="201D" ID="QE0047"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">3.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">In overweging gegeven antwoord op de tweede vraag</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0053"><NO.P>53.</NO.P><TXT>Met de tweede vraag wil de verwijzende rechter in essentie vernemen of een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0050" ID="QS0050"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0050" CODE="201D" ID="QE0050"/> een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0051" ID="QS0051"/>buitengewone omstandigheid<QUOT.END REF.START="QS0051" CODE="201D" ID="QE0051"/> vormt in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend is, vraagt de verwijzende rechter hoe hoog het afwezigheidspercentage moet zijn voordat er sprake is van buitengewone omstandigheden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0054"><NO.P>54.</NO.P><TXT>Volgens de rechtspraak van het Hof moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0031"><P>Zie bijvoorbeeld arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20091119">19 november 2009</DATE>, <NAME.CASE>Sturgeon e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑402/07 en C‑432/07</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:716">EU:C:2009:716</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0041">41</REF.NP.ECR> </REF.DOC.ECR>en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> Het dispositief van een Uniehandeling is dus onafscheidelijk verbonden met de motivering ervan, en moet, indien nodig, worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0032"><P>Ibid., punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0055"><NO.P>55.</NO.P><TXT>Enerzijds verwijst overweging 1 van verordening nr. 261/2004 naar de behoefte aan <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0052" ID="QS0052"/>een hoog niveau van bescherming<QUOT.END REF.START="QS0052" CODE="201D" ID="QE0052"/> van de passagiers, en in overweging 2 van die verordening staat dat instapweigering en annulering van vluchten voor passagiers ernstige moeilijkheden en ongemak met zich brengen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0056"><NO.P>56.</NO.P><TXT>Anderzijds staat in overweging 14 van verordening nr. 261/2004 dat de verplichtingen die worden opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen die de vluchten uitvoeren, zoals in het kader van het Verdrag van Montreal dienen te worden beperkt of uitgesloten in gevallen waarin een gebeurtenis het gevolg is van buitengewone omstandigheden die zelfs door het treffen van alle redelijke maatregelen<?PAGE NO="12"?> niet voorkomen hadden kunnen worden. Dergelijke omstandigheden kunnen zich met name voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0057"><NO.P>57.</NO.P><TXT>De doelstellingen van verordening nr. 261/2004 wijzen er dus op dat <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0053" ID="QS0053"/>stakingen<QUOT.END REF.START="QS0053" CODE="201D" ID="QE0053"/> onder het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0054" ID="QS0054"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0054" CODE="201D" ID="QE0054"/> vallen. Dit wordt gestaafd door de hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof over de uitlegging van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0055" ID="QS0055"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0055" CODE="201D" ID="QE0055"/> tot nu toe, althans in het geval van een aanzienlijk afwezigheidspercentage dat van invloed is op de operationele activiteiten van de onderneming, met name wat betreft <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0056" ID="QS0056"/>wilde stakingen<QUOT.END REF.START="QS0056" CODE="201D" ID="QE0056"/>. Aangezien een wilde staking buiten de strikte toepassing van de wet valt, kan de luchtvaartmaatschappij hierop geen daadwerkelijke invloed uitoefenen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0033"><P>Het voorstel van de Commissie voor verordening nr. 261/2004 verwijst naar uitzonderlijke omstandigheden waarvoor de luchtvaartmaatschappij niet <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0057" ID="QS0057"/>verantwoordelijk<QUOT.END REF.START="QS0057" CODE="201D" ID="QE0057"/> is. Zie onder meer COM(2001) 784 definitief, punt 20, blz. 6.</P></NOTE> Hiervoor kan ook steun worden gevonden in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004. In de loop daarvan werd het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0058" ID="QS0058"/>overmacht<QUOT.END REF.START="QS0058" CODE="201D" ID="QE0058"/> vervangen door het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0059" ID="QS0059"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0059" CODE="201D" ID="QE0059"/>. Volgens het gemeenschappelijk standpunt van de Raad is deze wijziging doorgevoerd ter wille van de juridische duidelijkheid.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0034"><P>Conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Kramme</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑396/06</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:555">EU:C:2007:555</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0050">50</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), waarin wordt verwezen naar het gemeenschappelijk standpunt en de mededeling van de Commissie aan het Parlement van <DATE ISO="20030325">25 maart 2003</DATE> [SEC(2003) 361 definitief], waarin de Commissie opmerkt dat door de voorwaarden voor compensatie in het gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 27/2003 van <DATE ISO="20030318">18 maart 2003</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="125E" PAGE.FIRST="63" DATE.PUB="2003">PB 2003, C 125 E, blz. 63</REF.DOC.OJ>) <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0060" ID="QS0060"/>de compensatie meer in verband [zou] worden gebracht met de hinder en het ongemak waarmee annuleringen gepaard gaan<QUOT.END REF.START="QS0060" CODE="201D" ID="QE0060"/>.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0058"><NO.P>58.</NO.P><TXT>Bovendien zijn zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0061" ID="QS0061"/>wilde stakingen<QUOT.END REF.START="QS0061" CODE="201D" ID="QE0061"/> in een Unie waarin de rechtsstaat wordt gerespecteerd, niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij. Ze zijn niet wezenlijk verbonden met het systeem voor de werking van het toestel, waardoor ze inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij zouden zijn. Voorts ben ik van mening dat de wilde staking niet onder de daadwerkelijke invloed van TUIfly kwam doordat zij de werknemers op de hoogte heeft gesteld van een mogelijke herstructurering, aangezien een wilde staking geen onvermijdbaar gevolg van deze actie was.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0035"><P>Hierbij merk ik op dat de conclusie dat een wilde staking een buitengewone omstandigheid is, overeenstemt met een recent voorstel van de Commissie tot wijziging van verordening nr. 261/2004, dat een niet-uitputtende lijst bevat van omstandigheden die in de zin van de verordening als <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0062" ID="QS0062"/>buitengewoon<QUOT.END REF.START="QS0062" CODE="201D" ID="QE0062"/> dienen te worden beschouwd. Dit voorstel vermeldt onder meer <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0063" ID="QS0063"/>arbeidsgeschillen bij de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of bij de verleners van essentiële diensten, zoals luchthavens en verleners van luchtvaartnavigatiediensten<QUOT.END REF.START="QS0063" CODE="201D" ID="QE0063"/>. Zie punt 1, vii, van bijlage 1 bij COM(2013) 130 final, blz. 30. Zie ook punt 1, vii, van bijlage 1 bij wetgevingsresolutie P7_TA(2014) 0092 van het Europees Parlement van <DATE ISO="20140205">5 februari 2014</DATE>: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0064" ID="QS0064"/><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">onvoorziene</HT></HT> arbeidsgeschillen bij de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of bij de verleners van essentiële diensten, zoals luchthavens en verleners van luchtvaartnavigatiediensten<QUOT.END REF.START="QS0064" CODE="201D" ID="QE0064"/>. Cursivering in het origineel.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0059"><NO.P>59.</NO.P><TXT>Om de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te bieden dat alle relevante elementen van het Unierecht omvat, is het belangrijk om te herhalen (zie punten 43 tot en met 48) dat het loutere bestaan van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0065" ID="QS0065"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0065" CODE="201D" ID="QE0065"/> volgens de rechtspraak van het Hof niet voldoende is om een luchtvaartmaatschappij vrij te stellen van haar verplichting op grond van verordening nr. 261/2004 tot betaling van de compensatie wegens annulering of langdurige vertraging van een vlucht. De vrijstelling in artikel 5, lid 3, van die verordening is enkel van toepassing op buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Zoals ik heb uitgelegd in punten 43 tot en met 48 hierboven, is het aan TUIfly om aan te tonen dat zij niet kon voorkomen dat de buitengewone omstandigheid waarmee zij werd geconfronteerd tot de annulering van de vlucht leidde.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0036"><P>De nationale bewijsregels zijn in dit geval van toepassing, vooropgesteld dat de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid in acht worden genomen. Zie de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Kramme</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑396/06</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:555">EU:C:2007:555</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0063">63</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0072">72</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0060"><NO.P>60.</NO.P><TXT>Het is ook aan de verwijzende rechter om op basis van de relevante feiten te bepalen wat het vereiste afwezigheidspercentage is bij een zogenoemde <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0066" ID="QS0066"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0066" CODE="201D" ID="QE0066"/> voordat er sprake is van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0067" ID="QS0067"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0067" CODE="201D" ID="QE0067"/> in de zin van verordening nr. 261/2004.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="13"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0061"><NO.P>61.</NO.P><TXT>Ik geef derhalve in overweging de tweede vraag als volgt te beantwoorden:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0068" ID="QS0068"/>De spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking (<QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0069" ID="QS0069"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0069" CODE="2019" ID="QE0069"/>) vormt een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004. De vrijstelling van artikel 5, lid 3, is echter enkel van toepassing op buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen door de luchtvaartmaatschappij niet voorkomen konden worden. Het is aan de verwijzende rechter om te beslissen of dit het geval is, alsook over de vraag hoe hoog het afwezigheidspercentage moet zijn voordat er sprake is van een buitengewone omstandigheid bij een wilde staking.<QUOT.END REF.START="QS0068" CODE="201D" ID="QE0068"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">4.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">In overweging gegeven antwoord op de derde vraag</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0062"><NO.P>62.</NO.P><TXT>Met de derde vraag van het Amtsgericht Hannover en de vraag van het Amtsgericht Düsseldorf wensen de verwijzende rechters in essentie te vernemen hoe nauw het oorzakelijk verband tussen de buitengewone omstandigheden en de annulering van de vlucht moet zijn, en met name of het oorzakelijk verband is verbroken door de beslissing van TUIfly om het volledige vliegplan te reorganiseren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0063"><NO.P>63.</NO.P><TXT>Volgens overweging 15 van verordening nr. 261/2004 dient ervan te worden uitgegaan dat van buitengewone omstandigheden sprake is wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor <HT TYPE="ITALIC">een specifiek vliegtuig op een specifieke dag</HT> een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van een of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt, ook al heeft de betrokken luchtvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen geleverd om de vertragingen of annuleringen te voorkomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0037"><P>Cursivering van mij.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0064"><NO.P>64.</NO.P><TXT>Ik ben van oordeel dat het antwoord op de derde vraag wordt bepaald door de bevindingen van het Hof in de zaak Finnair<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0038"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121004">4 oktober 2012</DATE>, <NAME.CASE>Finnair</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑22/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:604">EU:C:2012:604</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>.</P></NOTE> (zie punt 48 hierboven): in geen geval kan worden aangenomen dat een dergelijke vervoerder die een op de datum van een staking van het luchthavenpersoneel geplande vlucht dient te annuleren en nadien zijn latere vluchten reorganiseert, door die staking verplicht was om twee dagen na de annulering van die vlucht een passagier die zich naar behoren voor het instappen heeft gemeld, niet aan boord te laten gaan. De buitengewone omstandigheden moeten met andere woorden hebben plaatsgevonden op het ogenblik dat de vlucht werd geannuleerd en het begrip omvat niet de nieuwe vliegplannen die zijn opgesteld als gevolg van de buitengewone omstandigheden. Dit stemt overeen met de verplichting voor vervoerders die is vastgelegd in de rechtspraak van het Hof, met name dat een redelijke luchtvaartmaatschappij haar middelen aldus naar behoren dient te organiseren dat zij over een bepaalde buffer beschikt om de vlucht na het einde van de buitengewone omstandigheden te kunnen uitvoeren (zie punt 47 hierboven).<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0039"><P>Zie dienaangaande de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Finnair</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑22/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:223">EU:C:2012:223</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0053">53</REF.NP.ECR>, <REF.NP.ECR REF="NP0054">54</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0061">61</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0065"><NO.P>65.</NO.P><TXT>Ik geef derhalve in overweging de derde vraag als volgt te beantwoorden:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0070" ID="QS0070"/>De buitengewone omstandigheden moeten zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde of vertraagde vlucht zelf, al naargelang het geval.<QUOT.END REF.START="QS0070" CODE="201D" ID="QE0070"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="14"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">5.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">In overweging gegeven antwoord op de vierde vraag</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0066"><NO.P>66.</NO.P><TXT>Indien de tweede en de derde vraag bevestigend worden beantwoord, wil de verwijzende rechter met zijn vierde vraag in essentie vernemen of het criterium vermijdbaarheid, namelijk het aantonen dat de buitengewone omstandigheden <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0071" ID="QS0071"/>ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden<QUOT.END REF.START="QS0071" CODE="201D" ID="QE0071"/>, enkel betrekking heeft op het zich voordoen van de buitengewone omstandigheden of eerder op de gevolgen van de buitengewone omstandigheden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0067"><NO.P>67.</NO.P><TXT>De bewoordingen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0040"><P>Zie punt 54 hierboven voor de verschillende methoden om artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 te interpreteren.</P></NOTE> van de bijzin <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0072" ID="QS0072"/>ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen<QUOT.END REF.START="QS0072" CODE="201D" ID="QE0072"/> in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 zouden zo kunnen worden gelezen dat zij terugverwijzen naar <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0073" ID="QS0073"/>de annulering<QUOT.END REF.START="QS0073" CODE="201D" ID="QE0073"/> en niet naar het zich voordoen van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0074" ID="QS0074"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0074" CODE="201D" ID="QE0074"/>, hoewel het betrekkelijke voornaamwoord <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0075" ID="QS0075"/>die<QUOT.END REF.START="QS0075" CODE="201D" ID="QE0075"/> kan worden geacht dubbelzinnigheid te veroorzaken in dit geval. Zoals aangegeven in de gecursiveerde zin in punt 45, heeft het Hof echter al geoordeeld dat het criterium erin bestaat te vermijden dat de buitengewone omstandigheid waarmee de luchtvaartmaatschappij werd <HT TYPE="ITALIC">geconfronteerd tot annulering van de vlucht leidde</HT>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0068"><NO.P>68.</NO.P><TXT>Het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0076" ID="QS0076"/>redelijke maatregel<QUOT.END REF.START="QS0076" CODE="201D" ID="QE0076"/> heeft dus betrekking op de gevolgen van de buitengewone omstandigheden en niet op het zich voordoen ervan. Een luchtvaartmaatschappij kan bijvoorbeeld niet worden verplicht stappen te ondernemen om een vulkaanuitbarsting te vermijden, maar is wel verplicht redelijke maatregelen te nemen om de annulering van een vlucht te vermijden wanneer zij wordt geconfronteerd met omstandigheden die daartoe kunnen leiden. Dergelijke maatregelen kunnen bijvoorbeeld het omleiden van de betrokken vluchten omvatten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0069"><NO.P>69.</NO.P><TXT>Hier voeg ik aan toe dat deze uitlegging overeenstemt met overweging 15 van verordening nr. 261/2004, waarin wordt verwezen naar de gevolgen van buitengewone omstandigheden voor luchtvaartmaatschappijen en naar het leveren van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0077" ID="QS0077"/>redelijke inspanningen<QUOT.END REF.START="QS0077" CODE="201D" ID="QE0077"/> om <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0078" ID="QS0078"/>vertragingen of annuleringen te voorkomen<QUOT.END REF.START="QS0078" CODE="201D" ID="QE0078"/>. Deze uitlegging is ook consistent met het in overweging 1 van die verordening uiteengezette doel, met name de waarborging van een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0079" ID="QS0079"/>hoog niveau van bescherming van de passagiers<QUOT.END REF.START="QS0079" CODE="201D" ID="QE0079"/>, en met het bredere kader van verordening nr. 261/2004.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0041"><P>Zie de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Kramme</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑396/06</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:555">EU:C:2007:555</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0024">24</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0032">32</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>) voor een tegenovergesteld standpunt dat is uitgedrukt in een context waarin de <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0080" ID="QS0080"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0080" CODE="201D" ID="QE0080"/> in kwestie aan een technisch probleem te wijten waren en dat ouder is dan de rechtspraak waarnaar hier wordt verwezen.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0070"><NO.P>70.</NO.P><TXT>Ik geef derhalve in overweging de vierde vraag als volgt te beantwoorden:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0081" ID="QS0081"/>Het criterium vermijdbaarheid heeft enkel betrekking op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid.<QUOT.END REF.START="QS0081" CODE="201D" ID="QE0081"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">VI.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Conclusie</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0071"><NO.P>71.</NO.P><TXT>Ik geef het Hof derhalve in overweging de prejudiciële vragen van het Amtsgericht Hannover en het Amtsgericht Düsseldorf te beantwoorden als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0082" ID="QS0082"/>1)</NO.P><TXT>Enkel de werkelijk uit ziekmeldingen resulterende afwezigheid van een voor de uitvoering van vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij, veroorzaakt door een pandemie of een andere noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid, vormt een <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0083" ID="QS0083"/>buitengewone omstandigheid<QUOT.END REF.START="QS0083" CODE="2019" ID="QE0083"/> in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20040211">11 februari 2004</DATE> tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG)<?PAGE NO="15"?> nr. 295/91. Het is aan de verwijzende rechter om met inachtneming van alle relevante feitelijke omstandigheden het precieze afwezigheidspercentage te bepalen dat in zulke gevallen vereist is voordat er sprake is van <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0084" ID="QS0084"/>buitengewone omstandigheden<QUOT.END REF.START="QS0084" CODE="2019" ID="QE0084"/>.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>De spontane afwezigheid van een voor de uitvoering van de vluchten relevant deel van het personeel van de uitvoerende luchtvaartmaatschappij wegens een volgens het arbeidsrecht en volgens het collectieve overeenkomstenrecht niet gewettigde staking (<QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0085" ID="QS0085"/>wilde staking<QUOT.END REF.START="QS0085" CODE="2019" ID="QE0085"/>) vormt een <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0086" ID="QS0086"/>buitengewone omstandigheid<QUOT.END REF.START="QS0086" CODE="2019" ID="QE0086"/> in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004. De vrijstelling van artikel 5, lid 3, is echter enkel van toepassing op buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen door de luchtvaartmaatschappij niet voorkomen konden worden. Het is aan de verwijzende rechter om te beslissen of dit het geval is, alsook over de vraag hoe hoog het afwezigheidspercentage moet zijn voordat er sprake is van een buitengewone omstandigheid bij een wilde staking.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>De buitengewone omstandigheden moeten zich hebben voorgedaan bij de geannuleerde of vertraagde vlucht zelf, al naargelang het geval.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>4)</NO.P><TXT>Het criterium vermijdbaarheid heeft enkel betrekking op de gevolgen van het zich voordoen van de buitengewone omstandigheid.<QUOT.END REF.START="QS0082" CODE="201D" ID="QE0082"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>