Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

1. Met het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing stelt de Augstākā Tiesa, het hooggerechtshof van de Republiek Letland, het Hof drie prejudiciële vragen over de uitlegging van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels(2) en met name van punt 7 van bijlage I bij deze richtlijn.

2. Die richtlijn, die recentelijk is herschikt bij richtlijn 2014/49/EU(3), waarbij is voorzien in de stapsgewijze intrekking van eerstbedoelde richtlijn(4), waarborgde een geharmoniseerd minimumniveau voor de bescherming van bankdeposito’s in geval van het niet-beschikbaar zijn van deze deposito’s als gevolg van een crisis bij een kredietinstelling. In het kader van die regelgeving heeft richtlijn 94/19 in punt 7 van bijlage I voorzien in de mogelijkheid voor de lidstaten om de garantie uit te sluiten voor deposito’s van onder meer bestuurders en beheerders van de betrokken kredietinstelling.

3. De in de onderhavige zaak voorgelegde prejudiciële vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen Andrejs Surmačs en de Finanšu un kapitāla tirgus komisija (commissie voor de financiële en kapitaalmarkten; hierna: „FKTK”) over de beslissing van de FKTK om de deposito’s van Surmačs, die de functie bekleedde van vicepresident van een failliete Letse bank, van de garantie uit te sluiten. De prejudiciële vragen betreffen in wezen de uitlegging van de twee voormelde begrippen „bestuurder” en „beheerder”. Hoewel de nieuwe regeling van richtlijn 2014/49 niet langer voorziet in de mogelijkheid voor de lidstaten om deze categorieën personen uit te sluiten van de depositogarantie, is de uitlegging van die begrippen niettemin van systematisch belang aangezien de garantieregeling voor bankdeposito’s thans deel uitmaakt van het ene rulebook voor financiële diensten (Single Rulebook) en een van de onderdelen van de Europese Bankenunie is.(5)

I – Toepasselijke bepalingen

A – Unierecht

4. Uit de eerste en de tweede overweging van richtlijn 94/19 blijkt dat deze richtlijn door de instelling van garantiestelsels voor bankdeposito’s in alle lidstaten en door de harmonisering, uitgaande van een minimumbedrag, van de toepasselijke garanties, beoogde een harmonische ontwikkeling van de werkzaamheden van kredietinstellingen in de gehele Unie te bevorderen door alle beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten weg te nemen en tegelijk de stabiliteit van het bankwezen en de bescherming van de spaarders te versterken.(6)

5. Daartoe bepaalt richtlijn 94/19 in artikel 3, dat iedere lidstaat erop toeziet dat op zijn grondgebied een of meer depositogarantiestelsels worden ingevoerd. Volgens artikel 7, leden 1 en 1 bis, van die richtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat de dekking voor het totaal van de deposito’s van eenzelfde deposant 100 000 EUR bedraagt wanneer de deposito’s niet-beschikbaar zijn.(7)

6. Het door richtlijn 94/19 ingevoerde depositogarantiestelsel voorziet in een aantal uitzonderingen. Dit volgt reeds uit de zestiende overweging ervan, waarin enerzijds staat te lezen dat het bij deze richtlijn vastgestelde minimumgarantieniveau geen te groot aandeel van de deposito’s onbeschermd mag laten, maar anderzijds wordt gepreciseerd dat het echter niet dienstig zou zijn een beschermingsniveau op te leggen dat in sommige gevallen een ongezond beheer bij kredietinstellingen in de hand zou kunnen werken.

7. Bovendien staat in de achttiende overweging van deze richtlijn te lezen dat „een lidstaat, wanneer hij van oordeel is dat bepaalde categorieën in een limitatieve lijst vermelde deposito’s of deposanten geen bijzondere bescherming behoeven, deze moet kunnen uitsluiten van de garantie die wordt geboden door de depositogarantiestelsels”.

8. Daartoe sluit artikel 2 van richtlijn 94/19 enerzijds een aantal categorieën deposito’s uit van iedere terugbetaling door een garantiestelsel(8) en verleent artikel 7, lid 2, van deze richtlijn de lidstaten anderzijds de mogelijkheid om voor te schrijven dat voor bepaalde deposanten of bepaalde deposito’s geen garantie geldt.

9. De lijst van de in artikel 7, lid 2, van richtlijn 94/19 bedoelde uitsluitingen is opgenomen in bijlage I bij deze richtlijn. Volgens punt 7 van bijlage I kunnen van de garantie worden uitgesloten: „[d]eposito’s van bestuurders, beheerders, hoofdelijk aansprakelijke vennoten van de kredietinstelling, van personen die voor ten minste 5 % in het kapitaal van de kredietinstelling deelnemen, van met de wettelijke controle van de jaarrekening van de kredietinstelling belaste personen en van deposanten met soortgelijke status bij andere ondernemingen in dezelfde groep”.

10. In artikel 3, lid 1, van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG(9), worden onder meer de volgende definities gegeven:

„[…]

7) ‚leidinggevend orgaan’: het (de) overeenkomstig nationaal recht aangewezen orgaan (organen) van een instelling [welk/welke] de bevoegdheid [heeft/hebben] de strategie, doelstellingen en de algemene richting van de instelling vast te stellen, en [welk/welke] [toezichthoudt/toezichthouden] op de bestuurlijke besluitvorming en deze [controleert/controleren], met inbegrip van de personen die het beleid van de instelling daadwerkelijk bepalen;

8) ‚leidend orgaan in zijn toezichthoudende functie’: het leidend orgaan handeling in zijn functie van het toezien op en controleren van de bestuurlijke besluitvorming;

9) ‚directie’: de natuurlijke personen die binnen een instelling uitvoerende functies vervullen en die aan het leidinggevend orgaan verantwoording en rekenschap moeten afleggen voor het dagelijks bestuur van de instelling;

[...]”.

11. De richtsnoeren voor het beoordelen van de geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie, die door de Europese Bankautoriteit(10) zijn gegeven als bedoeld in artikel 16 van verordening (EU) 1093/2010/EU(11) (hierna: „Richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit”) bevatten in titel I, lid 2, de volgende definities:

„a. ‚leidinggevend orgaan’: bestuurslichaam (of bestuurslichamen) van een kredietinstelling, met daarin verenigd de toezicht- en bestuursfunctie, dat de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid heeft en bevoegd is om de strategie, doelstellingen en algehele koers van de instelling te bepalen;

b. ‚leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie’: leidinggevend orgaan in zijn functie van het toezicht houden op en controleren van de bestuurlijke besluitvorming;

c. ‚lid’: voorgesteld of benoemd lid van het leidinggevend orgaan;

d. ‚medewerkers met een sleutelfunctie’: medewerkers die door hun functie een aanzienlijke invloed op de koers van de instelling hebben maar geen lid van het leidinggevend orgaan zijn. Personen die mogelijk een sleutelfunctie vervullen, zijn hoofden van grote bedrijfsonderdelen, EER-filialen of dochterondernemingen in een derde land of hoofden van ondersteunende en interne-controle-eenheden.”

B – Nationaal recht

12. Het depositogarantiestelsel is in Letland geregeld door de Noguldījumu garantiju likums (depositogarantiewet), waarbij richtlijn 94/19 in Lets recht is omgezet.

13. Artikel 3, lid 1, van die wet bepaalt dat het bedrag van de gewaarborgde schadeloosstelling voor een bij een kredietinstelling gestort deposito gelijk is aan het bedrag van het gegarandeerde deposito, met een maximum van 100 000 EUR.

14. Artikel 17 van die wet noemt de gevallen waarin betaling van de gewaarborgde schadeloosstelling is uitgesloten. Volgens lid 4 van dat artikel, in de versie die van kracht was sedert 19 juni 2009, is de gewaarborgde schadeloosstelling niet verschuldigd voor „deposito’s die zijn gestort door de aandeelhouders van een deposito-instelling met een aanzienlijke deelneming, de leden of de voorzitter van de raad van toezicht of de raad van bestuur, de directeur van de interne auditdienst, de accountant van de onderneming, en de andere werknemers van de deposito-instelling die de activiteit van de deposito-instelling plannen, beheren en controleren en daarvoor verantwoordelijk zijn”.

II – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen

15. Het door de verwijzende rechter ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing houdt verband met een geschil dat is gerezen naar aanleiding van het faillissement van de Letse bank Latvijas Krājbanka. Bij besluit van 21 november 2011 heeft de FKTK de financiële dienstverlening door Latvijas Krājbanka beëindigd en de leden van haar raad van toezicht en van haar raad van bestuur uit hun functie ontheven.

16. Toentertijd bekleedde Surmačs, verzoeker bij de verwijzende rechter, in die bank de functie van vicepresident voor internationale en financieelrechtelijke kwesties. Om die reden heeft de FKTK bij besluit van 5 januari 2012 krachtens artikel 17, lid 4, van de Letse depositogarantiewet, geweigerd aan Surmačs de gewaarborgde schadeloosstelling te betalen op grond dat hij een werknemer van de deposito-instelling was die verantwoordelijk was voor het plannen, het beheer en de controle van de activiteit van die instelling.

17. Surmačs heeft bij de Administratīvā apgabaltiesa (regionale administratieve rechtbank) beroep ingesteld tegen het besluit van de FKTK, waarbij hij aanvoerde dat de functie die hij bekleedde in feite slechts een erefunctie was zonder enige beslissingsbevoegdheid, en de rechter derhalve verzocht om de FKTK te gelasten hem te erkennen als een persoon die recht heeft op de gewaarborgde schadeloosstelling.

18. Bij vonnis van 24 april 2013 heeft de Administratīvā apgabaltiesa Surmačs’ beroep evenwel afgewezen. Deze rechterlijke instantie heeft in de eerste plaats vastgesteld dat, gelet op de betekenis van de titel „vicepresident” in het Lets, een persoon met een dergelijke functie moet worden aangemerkt als een leidinggevende werknemer. In het onderhavige geval bleek dit volgens haar uit het feit dat Surmačs rechtstreeks onder het gezag stond van de hoogste functie van de kredietinstelling, te weten de voorzitter van de raad van bestuur. In de tweede plaats heeft de Administratīvā apgabaltiesa opgemerkt dat Surmačs’ functie in de beschrijving in de in de beroepscode neergelegde beroepsclassificatie opgenomen was in de categorie „directeuren-generaal en bedrijfsleiders”, die als voornaamste taken onder meer de vaststelling en formulering van de strategie van de ondernemingsactiviteiten en de planning, het beheer en de coördinatie van die activiteiten hebben. In de derde plaats heeft die rechterlijke instantie opgemerkt dat uit de verantwoordelijkheden die waren vermeld in de taakomschrijving voor de door Surmačs beklede functie, kon worden afgeleid dat de aan hem toevertrouwde taken zagen op de leiding en structurering van de activiteit van de kredietinstelling met betrekking tot de internationale verrichtingen en de andere belangrijke financiële verrichtingen van die instelling.(12) Ook al was Surmačs’ functie niet opgenomen in de lijst van functies die de bevoegdheid verlenen om documenten te ondertekenen, de Administratīvā apgabaltiesa was niettemin van oordeel dat buiten kijf stond dat Surmačs ingevolge de bij zijn functie horende bevoegdheden de mogelijkheid had om de activiteit van de kredietinstelling te beïnvloeden.

19. Surmačs heeft bij de verwijzende rechter cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van de Administratīvā apgabaltiesa op grond dat de rechter in eerste aanleg de inhoud van de verplichtingen en verantwoordelijkheden van zijn functie niet grondig had onderzocht, en dat hij de Letse wet had toegepast zonder rekening te houden met richtlijn 94/19 en met name punt 7 van bijlage I bij deze richtlijn. De verwijzende rechter is van oordeel dat naar aanleiding van het cassatieberoep twijfels zijn gerezen over de uitlegging van richtlijn 94/19.

20. De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af, of de lijst van de met de kredietinstelling verbonden personen aan wie de betaling van de gewaarborgde schadeloosstelling kan worden geweigerd als bedoeld in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19, geacht moet worden limitatief te zijn.

21. In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af, of de in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 bedoelde uitsluiting van betaling van de gewaarborgde schadeloosstelling slechts mogelijk is ten aanzien van degenen die verantwoordelijk zijn voor de activiteit van de kredietinstelling in h aar geheel, dan wel ook mogelijk is ten aanzien van degenen wier verantwoordelijkheid beperkt is tot een specifieke functie of een specifiek onderdeel van de activiteiten van de deposito-instelling. In het tweede geval moet volgens de verwijzende rechter dan eveneens worden verduidelijkt of rekening dient te worden gehouden met de inhoud van dat onderdeel van de activiteiten of met de functie van de persoon, en wel in die zin dat, gelet op de logica van de betrokken bepaling, betaling van de gewaarborgde schadeloosstelling slechts kon worden geweigerd aan personen wier handelingen van aanzienlijke invloed konden zijn op de resultaten van de activiteit van de kredietinstelling en dus de onbeschikbaarheid van de deposito’s kunnen uitlokken of veroorzaken.

22. In de derde plaats is het volgens de verwijzende rechter essentieel te verduidelijken of het voor de toepassing van de uitzondering ten aanzien van de in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 bedoelde personen, noodzakelijk is dat de werknemer volledig verantwoordelijk is voor de gebieden van de activiteit waarmee hij is belast dan wel of het volstaat dat hij de loutere mogelijkheid heeft om de beleidskoers op dat gebied in mindere of meerdere mate te beïnvloeden. In laatstbedoeld geval moet worden vastgesteld welke criteria moeten worden gehanteerd om vast te stellen of werknemers een zodanige invloed op de activiteit van de kredietinstelling hebben dat zij kunnen worden aangemerkt als „beheerders” in de zin van deze bepaling, en of daartoe enkel rekening dient te worden gehouden met de verplichtingen en rechten die horen bij de door de werknemer beklede functie en in diens taakomschrijving zijn vermeld, dan wel of, in het licht van alle omstandigheden van het geval, ook de daadwerkelijke invloed, zelfs wanneer deze informeel is, van de betrokken werknemer op de activiteiten van een kredietinstelling relevant kan zijn.

23. Op grond van deze overwegingen heeft de verwijzende rechter de behandeling van het hoofdgeding geschorst en het Hof de volgende drie prejudiciële vragen gesteld:

„1) Moet punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels aldus worden uitgelegd dat de daarin gegeven opsomming van personen die moeten worden beschouwd als met de betrokken kredietinstelling verbonden personen aan wie het recht op de gewaarborgde schadeloosstelling moet worden ontzegd, uitputtend is?

2) Kan een persoon die volgens zijn functiebeschrijving het recht heeft om een onderdeel van de activiteiten van de kredietinstelling of de uitvoering van een taak, maar niet de activiteit van de kredietinstelling in haar geheel, te plannen, te coördineren en te controleren, en die geen bevelen kan geven of voor andere personen bindende beslissingen kan nemen, worden beschouwd als beheerder van een kredietinstelling of als een andere in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 bedoelde persoon? Moet rekening worden gehouden met de inhoud van dat onderdeel van de activiteiten van de kredietinstelling of van die functie?

3) Moet punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 aldus worden uitgelegd dat een lidstaat betaling van de gewaarborgde schadeloosstelling kan ontzeggen aan een persoon die overeenkomstig de in de functieomschrijving vermelde rechten en verplichtingen, niet kan worden beschouwd als leidinggevende persoon maar die feitelijk een aanzienlijke invloed heeft op de beslissingen van de leidinggevende personen van de kredietinstelling of van de hoofdelijk voor die instelling aansprakelijke personen? Kan de louter informele invloed die uitgaat van het gezag, de knowhow of de kennis van de persoon inzake de activiteit van de kredietinstelling in deze context relevant zijn?”

III – Procesverloop voor het Hof

24. De verwijzingsbeslissing is ter griffie ingekomen op 18 maart 2014. Surmačs, de Letse regering en de Commissie hebben opmerkingen ingediend.

IV – Juridische analyse

A – Eerste prejudiciële vraag

25. Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de opsomming in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19, waarin een aantal categorieën deposanten zijn vermeld voor wie de lidstaten de depositogarantie kunnen uitsluiten in geval van het niet-beschikbaar zijn van deposito’s, uitputtend is dan wel of de lidstaten de werkingssfeer van die uitsluitingen mogen uitbreiden tot andere, niet in deze opsomming vermelde personen.

26. Volgens mij pleiten een aantal elementen ervoor de opsomming van de deposanten in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 restrictief op te vatten.

27. In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat met zoveel woorden uit de toelichting bij het door de Commissie ingediende voorstel voor een richtlijn, op basis waarvan richtlijn 94/19 vervolgens is aangenomen, blijkt dat „[d]e in bijlage I opgenomen lijst [...] limitatief [is] en de lidstaten [...] van de garantie alleen de daarin vermelde instellingen en personen [kunnen] uitsluiten; elke andere uitsluiting zou in strijd zijn met de richtlijn”(13) .

28. In de tweede plaats moeten artikel 7, lid 2, van richtlijn 94/19 en bijlage I bij deze richtlijn, waarnaar die bepaling verwijst, worden uitgelegd tegen de achtergrond van de in punt 7 van de onderhavige conclusie aangehaalde achttiende overweging van deze richtlijn, die zonder twijfel verwijst naar de in die bepaling vastgestelde uitzonderingen. Uit die overweging volgt dat de lidstaten bepaalde categorieën in een limitatieve lijst vermelde deposito’s of deposanten kunnen uitsluiten van de garantie die wordt geboden door de depositogarantiestelsels.

29. Die overweging vermeldt echter niet uitdrukkelijk dat de lijst van de deposito’s en deposanten in bijlage I bij richtlijn 94/19 limitatief is. Uit de omstandigheid dat deze laatste in een limitatieve lijst vermeld moeten worden, moet evenwel worden afgeleid dat de lidstaten, wanneer zij beslissen om bepaalde categorieën deposito’s of deposanten uit te sluiten van de toepassing van de garantie, in hun nationale recht uitputtend moeten vaststellen voor welke categorieën deposito’s en deposanten de uitsluiting geldt.(14) Het feit dat is bepaald dat de opsomming van de uitsluitingen in de nationale uitvoeringswetgeving van richtlijn 94/19 exhaustief dient te zijn, pleit mijns inziens ook duidelijk voor een uitlegging volgens welke de lidstaten niet kunnen afwijken van de categorieën deposito’s en deposanten waarvoor/voor wie de richtlijn zelf voorziet in de mogelijkheid om de garantie uit te sluiten, en evenmin de personele werkingssfeer van deze uitsluiting mogen uitbreiden.

30. In de derde plaats moet worden opgemerkt dat richtlijn 94/19 zoals gezegd voorziet in de invoering in de lidstaten van een of meer depositogarantiestelsels met de tweeledige doelstelling, enerzijds alle beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrije verrichten van diensten weg te nemen en anderzijds de spaarders te beschermen en de stabiliteit van het bankwezen te verzekeren.

31. Op grond van artikel 7, lid 2, van richtlijn 94/19 kunnen de lidstaten voorschrijven dat voor bepaalde, in bijlage I bij de richtlijn vermelde deposanten of deposito’s geen garantie, dan wel een lager garantiebedrag geldt. Met die bepaling wordt dus afgeweken van de depositogarantie van richtlijn 94/19. Anders dan artikel 2 van richtlijn 94/19, dat voorziet in een aantal verplichte uitsluitingen, laat artikel 7, lid 2, van richtlijn 94/19 de lidstaten de keuze om voor in bijlage I vermelde deposanten al dan niet uitzonderingen op de garantie vast te stellen.

32. Volgens een door het Hof in vaste rechtspraak regelmatig toegepast uitleggingscriterium dienen in de Uniewetgeving vastgestelde uitzonderingen, afwijkingen en vrijstellingen van een beginsel of van een regel van algemene strekking, restrictief te worden uitgelegd.(15)

33. Ingevolge dit uitleggingscriterium moet de bepaling op grond waarvan de lidstaten de door de depositogarantiestelsels geboden garantie kunnen uitsluiten of beperken restrictief worden uitgelegd, aangezien er sprake is van een norm waarmee wordt afgeweken van het bij de richtlijn zelf ingestelde garantiestelsel.

34. Derhalve volgt mijns inziens uit het voorgaande dat de opsomming van de deposanten in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten de werkingssfeer van de afwijking van de depositogarantie niet mogen uitbreiden tot personen die niet vallen onder de daarin vermelde categorieën deposanten.

35. Zoals duidelijker zal worden in het kader van de analyse van de tweede en de derde prejudiciële vraag, zijn evenwel de in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 vermelde begrippen en met name voor wat de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak betreft, de begrippen „bestuurder” en „beheerder”, Unierechtelijke begrippen die functioneel moeten worden opgevat. Zij moeten derhalve worden gecoördineerd met de begrippen die worden gebruikt in het nationale recht van iedere lidstaat en in de commerciële praktijk. In die zin kan de uitsluiting van de garantie worden toegepast ten aanzien van personen die een functie bekleden waarvan de benaming in het nationale recht of in de commerciële praktijk niet „bestuurder” of „beheerder” is, mits de taken die concreet worden uitgevoerd kunnen worden geacht te vallen onder de definitie van deze begrippen. De uitsluiting van de garantie zal daarentegen niet kunnen worden uitgebreid tot personen die vanuit functioneel oogpunt niet onder die begrippen vallen. Het staat aan de nationale rechter om een analyse te verrichten teneinde vast te stellen of een persoon, ongeacht de benaming van de door hem beklede functie, valt onder de begrippen „bestuurder” of „beheerder”.

36. Bijgevolg kan een persoon die volgens het nationale recht of volgens de nationale commerciële praktijk of de commerciële praktijk van de betrokken kredietinstelling bijvoorbeeld de functie van vicepresident uitoefent, zoals het geval is in de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak, zeer wel vallen binnen de werkingssfeer van de uitsluiting van de bescherming waarin is voorzien bij richtlijn 94/19, indien zijn functie vanuit functioneel oogpunt kan worden geacht te vallen onder de begrippen „bestuurder” of „beheerder” in de zin van voormelde richtlijn.

37. Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vraag van de Augstākā tiesa worden geantwoord dat de opsomming in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 uitputtend is in die zin dat nationale regelingen de werkingssfeer van de uitsluiting van de depositogarantie niet mogen uitbreiden tot personen die, ongeacht de benaming van hun functie, vanuit functioneel oogpunt niet vallen onder de in die opsomming vermelde begrippen.

B – Tweede en derde prejudiciële vraag

38. Met de tweede en de derde prejudiciële vraag, die mijns inziens samen kunnen worden behandeld, vraagt de verwijzende rechter in wezen aan het Hof om te verduidelijken wat het niveau en de omvang van de verantwoordelijkheid voor het beheer van de kredietinstelling is dat/die hogere kaderleden van deze instelling dienen te bezitten om te kunnen worden beschouwd als personen ten aanzien van wie de in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 vastgestelde uitsluiting van de depositogarantie geldt. De verwijzende rechter stelt een reeks specifieke vragen die volgens hem van beslissend belang zijn voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding, welke vragen de objectieve omvang, het niveau en de inhoud van die verantwoordelijkheid betreffen, alsook de wijze waarop die verantwoordelijkheid moet worden vastgesteld.

39. Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat hoewel de verwijzende rechter dit niet met zoveel woorden verklaart, uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen en het dossier blijkt dat de tweede en de derde prejudiciële vraag aldus moeten worden begrepen dat daarmee enkel wordt gevraagd naar de uitlegging, onder de verschillende categorieën deposanten die in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 zijn vermeld, van uitsluitend de categorieën „bestuurder” en „beheerder”. De andere in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 vermelde categorieën deposanten zijn immers irrelevant voor de beslechting van de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak.

40. Bijlage I bij richtlijn 94/19 noch enige andere bepaling van deze richtlijn geven echter een definitie van de begrippen „bestuurder” en „beheerder”. Bijgevolg dienen deze twee begrippen te worden uitgelegd teneinde de betekenis en de strekking ervan te verduidelijken.

41. In dat verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de Uniewetgever door middel van richtlijn 94/19, op grond van het beginsel van minimumharmonisatie(16), de voornaamste elementen heeft willen harmoniseren van de depositogarantiestelsels(17), waaronder de regeling tot uitsluiting van de garantie voor bepaalde categorieën deposanten, waaronder de in punt 7 van bijlage I bij die richtlijn vermelde deposanten.

42. Bovendien zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd.(18)

43. Uit die overwegingen volgt dat de in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 vermelde begrippen „bestuurder” en „beheerder” in het kader van het Unierecht een eigen autonome dimensie hebben, die niet noodzakelijkerwijs overeenstemt met de betekenis van deze begrippen in het nationale recht.

44. Aangezien het gaat om Unierechtelijke begrippen, moet bij de uitlegging ervan volgens vaste rechtspraak niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van de bepaling waarin deze begrippen zijn opgenomen, maar ook met de context waartoe zij behoren en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaken.(19) Ook de ontstaansgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante gegevens voor de uitlegging ervan verschaffen.(20)

45. Wat in de eerste plaats de letterlijke uitlegging van de twee termen in kwestie betreft, moet worden opgemerkt dat de term „amministratore” (bestuurder) in het Italiaans verwijst naar de bevoegdheid om te besturen en de functie bestaande in het besturen, en dat deze term in de gewone rechtstaal kan worden opgevat als een term waarmee een lid van de raad van bestuur van een vennootschap wordt aangeduid. De term „dirigente” (beheerder) verwijst daarentegen naar de bevoegdheid om leiding te geven of de functie bestaande in het geven van leiding, en wordt doorgaans gebruikt om een werknemer aan te duiden die hoofdzakelijk directiefuncties uitoefent in een onderneming.

46. Zowel de term „bestuurder” als de term „beheerder” kunnen echter betekenissen met verschillende nuances hebben in de verschillende talen van de Unie. Zo heeft de Letse regering bijvoorbeeld in haar opmerkingen erop gewezen dat de betekenis van de term die in de Letse versie van richtlijn 94/19 wordt gebruikt om de „beheerder” aan te duiden, namelijk „vadītājs”, ruimer is dan die van de overeenkomstige termen in de Engelse (manager) en de Franse versie (dirigeants).

47. Daaruit volgt mijns inziens, zonder dat het noodzakelijk is de analyse van de bewoordingen nog nader uit te werken, dat de letterlijke uitlegging van die twee termen geen afdoend antwoord kan bieden wat de inhoud ervan betreft. Bijgevolg dient de bepaling die deze twee begrippen bevat teleologisch en systematisch te worden uitgelegd, waarbij rekening wordt gehouden met de ontstaansgeschiedenis ervan.

48. Wat de teleologische uitlegging van de betrokken bepaling betreft, blijkt uit de achttiende overweging van de richtlijn dat de aan de lidstaten verleende mogelijkheid om bepaalde deposanten uit te sluiten van de door de depositogarantiestelsels geboden bescherming haar rechtvaardiging vindt in de omstandigheid dat dergelijke deposito’s of deposanten geen bijzondere bescherming behoeven. Voorts blijkt uit het voorstel voor een richtlijn van de Commissie, op basis waarvan richtlijn 94/19 vervolgens is vastgesteld, dat de gedachte achter de vaststelling van de betrokken uitsluitingen was om geen depositogarantie te bieden aan personen die moeilijk kunnen worden geacht bescherming te verdienen wegens onkundigheid of gebrek aan informatie.(21)

49. Bovendien blijkt uit de in punt 6 van de onderhavige conclusie aangehaalde zestiende overweging van richtlijn 94/19 dat de wetgever van 1994 van mening was dat het bij deze richtlijn vastgestelde minimumgarantieniveau geen ongezond beheer bij kredietinstellingen in de hand mocht werken. Zoals de Commissie heeft benadrukt, vestigt die overweging de aandacht erop dat de mogelijke uitsluiting van bepaalde categorieën personen, met name de personen aan de top van de kredietinstellingen, in het kader van richtlijn 94/19 samenhing met de doelstelling morele conflicten te voorkomen. De daaraan ten grondslag liggende gedachte was dat bestuurders of beheerders van kredietinstellingen die erop zouden kunnen vertrouwen dat wanneer zich betreffende de activiteiten van de bank moeilijkheden zouden voordoen, hun deposito’s in elk geval beschermd zouden zijn, ook al was dit slechts tot een maximumbedrag, geneigd zouden kunnen zijn beslissingen te nemen die riskanter en dus mogelijk schadelijk zouden zijn voor de kredietinstelling.(22)

50. In dat verband acht ik het evenwel nodig op te merken dat het juist is dat dit de logica was achter de keuze van de wetgever van 1994 om te voorzien in een uitsluiting van de garantie voor deposito’s van bestuurders en beheerders van kredietinstellingen, maar dat de wetgever van 2014 die doelstelling echter lijkt te hebben verlaten in de nieuwe richtlijn 2014/49. Deze nieuwe regeling bevat immers geen uitsluiting meer van de garantie voor die categorieën deposanten, en evenmin een vermelding in de considerans ervan, van de noodzaak om een dergelijke doelstelling na te streven. In die context is weliswaar duidelijk dat richtlijn 2014/49 ratione temporis niet van toepassing is op de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak, maar ben ik toch van mening dat het feit da t een dergelijke doelstelling niet langer is vermeld in de nieuwe richtlijn kan doen veronderstellen dat een dergelijke doelstelling in de Unieregeling ook vóór de vaststelling van richtlijn 2014/49 niet bijzonder sterk werd nagestreefd.

51. Wat de systematische uitlegging betreft, moet de wetgeving inzake de depositogarantiestelsels thans worden beschouwd als een van de onderdelen van een regelingssysteem van de Unie betreffende de banken en andere financiële instellingen.(23) Zij is meer bepaald een van de onderdelen van de Europese bankenunie.(24) Anderzijds maakte reeds richtlijn 94/19 deel uit van een ruimer regelgevingskader, zoals wordt bevestigd door de verwijzingen naar diverse andere richtlijnen in een aantal overwegingen van de considerans van deze richtlijn.(25) De uitlegging van de begrippen „bestuurder” en „beheerder” moet dus rekening houden met het normenstelsel waarvan zij deel uitmaken.(26) Dat een aantal bepalingen van dat normenstelsel nog niet van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding staat mijns inziens niet in de weg aan het gebruik van deze bepalingen als uitleggingsinstrument.

52. Uit een analyse van de wetgeving van de Unie op het gebied van kredietinstellingen blijkt mijns inziens dat voor twee categorieën functies, die gelijk zijn te stellen met de functies van bestuurder en beheerder in de zin van richtlijn 94/19, wordt aangenomen dat het dienstig is deze te reglementeren. Zo zijn in de wetgeving van de Unie enerzijds een aantal bepalingen vastgesteld betreffende het leidinggevende orgaan van kredietinstellingen, zowel in de eigenlijke beheersfunctie ervan, als in de functie van toezicht houden en controleren. Anderzijds heeft die wetgeving ook betrekking op personen die weliswaar geen lid zijn van de leidinggevende organen van kredietinstellingen, maar binnen deze instellingen wel sleutelposities bekleden en voor hun handelingen verantwoording afleggen aan het leidinggevend orgaan.

53. Het is juist in die zin dat richtlijn 2013/36 specifieke voorschriften heeft vastgesteld betreffende zowel het leidinggevende orgaan als betreffende de personen die behoren tot hetgeen wordt omschreven als de „directie”.(27) Die richtlijn voorziet bijvoorbeeld in governanceregelingen die gelden voor het leidinggevende orgaan of voor de directie.(28) Dezelfde richtlijn bepaalt ook – nog steeds bij wijze van voorbeeld – dat ingeval van voorgenomen verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling, de bevoegde autoriteiten, met het oog op de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling die het doelwit van de verwerving is, met name de reputatie, vaardigheden en ervaring van de leden van het leidinggevend orgaan en van de leden van de directie die als gevolg van de voorgenomen verwerving het bedrijf van de betrokken instelling zullen leiden, beoordelen.(29)

54. In dezelfde optiek heeft de Europese Bankautoriteit criteria en procedures vastgesteld die kredietinstellingen en bevoegde autoriteiten moeten hanteren wanneer zij voorgestelde en benoemde leden van het leidinggevende orgaan van een kredietinstelling op hun geschiktheid voor het uitoefenen van de bestuurs- en toezichtstaken van dat orgaan beoordelen, maar die tevens betrekking hebben op de beoordeling van „medewerkers met een sleutelfunctie” zoals omschreven in de Richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit.

55. In die normatieve context en tegen de achtergrond van de definities in artikel 3, lid 1, punten 7, 8 en 9, van richtlijn 2013/36 en in de Richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit, ben ik van mening dat de leden van de vennootschapsorganen van de kredietinstelling die belast zijn met bestuurs- en/of toezichtstaken betreffende deze instelling kunnen vallen onder het begrip „bestuurder” in de zin van richtlijn 94/19.(30) Die definitie van het begrip „bestuurder” lijkt mij in overeenstemming te zijn met het begrip lid van het leidinggevend orgaan, zoals omschreven in richtlijn 2013/36 en in de Richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit.

56. In dezelfde optiek kunnen mijns inziens worden geacht onder de definitie van „beheerders” te vallen, de personeelsleden van de kredietinstelling die, hoewel zij geen lid van het leidinggevende orgaan zijn, een zeer belangrijke rol spelen in het dagelijks bestuur van de kredietinstelling, aangezien zij een aanzienlijke invloed op de koers van de instelling kunnen hebben en voor hun handelen rechtstreeks verantwoording verschuldigd zijn aan het leidinggevende orgaan. Een dergelijke definitie van het begrip „beheerder” lijkt mij eveneens in overeenstemming te zijn met het in richtlijn 2013/36 gebezigde begrip „leidinggevend orgaan” en met het begrip „medewerkers met een sleutelfunctie” in de zin van de Richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit.

57. Die definities zijn overigens ook in overeenstemming met de in de punten 48 en 49 hierboven vermelde doelstellingen die de wetgever in 1994 heeft nagestreefd.

58. Het zal echter aan de nationale rechter staan om, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, concreet te beoordelen of een persoon die verbonden is aan een kredietinstelling al dan niet kan worden geacht onder een van de twee voormelde categorieën te vallen.

59. Na de definiëring van de twee begrippen in kwestie, kan aan de hand van deze begrippen thans een uitvoerig antwoord worden gegeven op de specifieke vragen van de verwijzende rechter. Die vragen hebben enerzijds betrekking op de objectieve omvang van de verantwoordelijkheid die een werknemer van een kredietinstelling moet worden geacht te hebben om te kunnen worden aangemerkt als beheerder in de zin van richtlijn 94/19, en anderzijds op het niveau en de inhoud van die verantwoordelijkheid, en op de concrete omstandigheden die het mogelijk maken deze verantwoordelijkheid vast te stellen.

60. Wat de objectieve omvang van de verantwoordelijkheid betreft, wenst de verwijzende rechter vooral te vernemen of een dergelijke verantwoordelijkheid moet zien op de activiteiten van de kredietinstelling in haar geheel dan wel of het voldoende is dat de werknemer verantwoordelijk is voor een bepaald deel van de activiteiten van de instelling. In het tweede geval vraagt de verwijzende rechter zich af of de inhoud van dit deel van de activiteiten belangrijk is.

61. Op basis van de hierboven in punt 56 gegeven definitie van beheerder ben ik van mening dat het om een persoon als beheerder te kunnen aanmerken, niet noodzakelijk is dat de verantwoordelijkheid die hoort bij de door hem beklede functie de activiteiten van de kredietinstelling in haar geheel betreft. Mijns inziens is het namelijk mogelijk dat een persoon reeds aanzienlijke invloed kan uitoefenen op de koers van een kredietinstelling wanneer hij verantwoordelijk is voor een bepaald deel van de activiteiten van de instelling, maar dat deel van de activiteiten moet van aanzienlijk belang zijn in het kader van de globale activiteit van de instelling. Bijgevolg is duidelijk dat de mogelijkheid om een aanzienlijke invloed uit te oefenen op de koers van de kredietinstelling zal afhangen van het type en de omvang van het betrokken onderdeel van de activiteiten. Het zal aan de nationale rechter staan om concreet vast te stellen of de verantwoordelijkheid voor het betrokken onderdeel van de activiteiten in de voor hem dienende zaak de persoon die deze verantwoordelijkheid draagt, in staat stelt een aanzienlijke invloed uit te oefenen op de koers van de instelling. In dat verband maakt de verantwoordelijkheid om de activiteiten van een kredietinstelling met betrekking tot internationale verrichtingen en andere belangrijke financiële verrichtingen van die instelling te leiden, structureren, plannen, coördineren en superviseren, het mijns inziens in het algemeen en onder voorbehoud van een nadere analyse van de concrete omstandigheden van het betrokken geval, mogelijk een aanzienlijke invloed uit te oefenen op de koers van de instelling.

62. Wat vervolgens het niveau en de inhoud van de verantwoordelijkheid betreft, die noodzakelijk zijn om een werknemer van een kredietinstelling te kunnen aanmerken als een beheerder in de zin van richtlijn 94/19, vraagt de verwijzende rechter zich om te beginnen af, of het noodzakelijk is dat deze werknemer de algehele verantwoordelijk draagt voor de activiteiten van de kredietinstelling of voor het onder zijn bevoegdheid vallende onderdeel van de activiteiten, dan wel of reeds voldoende is dat hij beschikt over een loutere mogelijkheid om die activiteit, zelfs informeel, te beïnvloeden. Vervolgens vraagt de verwijzende rechter zich af of een persoon slechts als beheerder kan worden aangemerkt indien hij bevelen kan geven of voor andere personen bindende beslissingen kan nemen.

63. In dat verband volgt uit het hierboven in punt 56 omschreven begrip „beheerder”, dat een werknemer slechts kan worden aangemerkt als beheerder indien hij een zeer belangrijke rol speelt binnen de kredietinstelling, die hem in staat stelt een aanzienlijke invloed uit te oefenen op de koers van de instelling en voor zijn handelen rechtstreeks verantwoording verschuldigd is aan het leidinggevende orgaan. Tegen de achtergrond van die definitie van beheerder ben ik van mening dat het om een werknemer als beheerder te kunnen aanmerken, niet absoluut noodzakelijk is dat hij de algehele verantwoordelijkheid draagt voor een bepaald deel van de activiteiten, en evenmin dat hij de bevoegdheid heeft om bevelen te geven of bindende beslissingen te nemen. Het is inderdaad niet uitgesloten dat, naargelang van de omstandigheden van elk specifiek geval, de bevoegdheid om de activiteiten of een aanzienlijk deel van de activiteiten van een kredietinstelling te leiden, structureren, plannen, coördineren en superviseren, de persoon die over deze bevoegdheid beschikt, in staat stelt een aanzienlijke invloed op die instelling uit te oefenen. Het zal evenwel aan de nationale rechter staan om concreet, aan de hand van alle omstandigheden van de zaak, na te gaan of de werknemer, niettegenstaande dat hij niet de algehele verantwoordelijkheid draagt voor een onderdeel van de activiteiten en/of niet beschikt over de bevoegdheid om bevelen te geven of bindende beslissingen te nemen, daadwerkelijk een aanzienlijke invloed kan uitoefenen op de koers van een kredietinstelling.

64. Deze laatste overweging brengt mij tot het antwoord op de laatste vraag van de verwijzende rechter, die wenst te vernemen of met het oog op de kwalificatie van een werknemer als beheerder, slechts rekening mag worden gehouden met de bij de door hem beklede functie horende verplichtingen en rechten, zoals omschreven in de taakomschrijving voor deze functie, dan wel of, tegen de achtergrond van alle omstandigheden van het geval, dient te worden gezien naar de feitelijke invloed, zelfs wanneer deze informeel is, die door de betrokken werknemer wordt uitgeoefend op de activiteiten van de kredietinstelling. Zoals blijkt uit bovenstaande overwegingen, dient de nationale rechter rekening te houden met alle omstandigheden en alle elementen van het concrete geval wanneer hij beoordeelt of een werknemer kan worden aangemerkt als beheerder in de zin van artikel 94/19. Hieruit volgt dat de taakomschrijving van de beklede functie en van de uitgeoefende taken weliswaar zeker een belangrijk element vormt in het kader van de analyse, maar dat de nationale rechter rekening dient te houden met de specifieke situatie en met de bevoegdheden en invloed, zelfs wanneer deze informeel is, waarover de betrokken persoon binnen de kredietinstelling feitelijk beschikt.

V – Conclusie

65. Op de hiervoor gegeven gronden geef ik het Hof dan ook in overweging de prejudiciële vragen van de Augstākā Tiesa als volgt te beantwoorden:

„De opsomming in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels is uitputtend in die zin dat nationale regelingen de werkingssfeer van de uitsluiting van de depositogarantie niet mogen uitbreiden tot personen die, ongeacht de benaming van hun functie, vanuit functioneel oogpunt niet vallen onder de in die opsomming vermelde begrippen.

Onder het in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 vermelde begrip „bestuurder” vallen de leden van de vennootschapsorganen van de kredietinstelling die belast zijn met bestuurs- en/of toezichtstaken betreffende die instelling. Onder het in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19 vermelde begrip „beheerders” vallen de personeelsleden van de kredietinstelling die, hoewel zij geen lid van het leidinggevende orgaan zijn, een zeer belangrijke rol spelen in het dagelijkse bestuur van de kredietinstelling, aangezien zij een aanzienlijke invloed op de koers van de instelling kunnen uitoefenen en voor hun handelen rechtstreeks verantwoording verschuldigd zijn aan het leidinggevende orgaan.

Om een werknemer te kunnen aanmerken als „beheerder” in de zin van richtlijn 94/19, is het niet strikt noodzakelijk dat de verantwoordelijkheid die hoort bij de door hem beklede functie de activiteiten van de kredietinstelling in haar geheel betreft, noch dat hij de algehele verantwoordelijkheid draagt voor een bepaald deel van de activiteiten of de bevoegdheid heeft om bevelen te geven of bindende beslissingen te nemen.

Het staat evenwel aan de nationale rechter om, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder, naast de taakomschrijving voor de beklede functie, ook de specifieke situatie en de door de werknemer binnen de kredietinstelling feitelijk uitgeoefende bevoegdheden, concreet na te gaan of de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om een aanzienlijke invloed op de koers van de kredietinstelling uit te oefenen.”

(1) .

(2) – PB L 135, blz. 5.

(3) – Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173, blz. 149).

(4) – Zie in het bijzonder de artikelen 20 en 21 van richtlijn 2014/49.

(5)  – Het ene alomvattende en gedetailleerde rulebook voor financiële diensten (Single Rulebook), waarvan de thans in richtlijn 2014/49 vervatte depositogarantieregeling deel uitmaakt, is een van de drie pijlers van de Europese bankenunie, naast het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism) en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (Single Resolution Mechanism). Zie in dat verband de overwegingen 11 en 12 van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287, blz. 63).

(6) – Zie arrest Duitsland/Parlement en Raad (C‑233/94, EU:C:1997:231, punt 13) en blz. 2 van de toelichting bij het voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de depositogarantiestelsels [COM(92) 188 def.; PB C 163, blz. 6].

(7) – Artikel 7 is aldus gewijzigd bij artikel 1, punt 3, van richtlijn 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 tot wijziging van richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft (PB L 68, blz. 3).

(8) – Daarbij gaat het meer bepaald om in eigen naam en voor eigen rekening door andere kredietinstellingen verrichte deposito’s, deposito’s die vallen onder de definitie van „eigen vermogen” en deposito’s uit hoofde van transacties in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken wegens het witwassen van geld.

(9) – PB L 176, blz. 338.

(10) – ABE/GL/2012/06 van 22 november 2012 (https://www.eba.europa.eu/documents/10180/106695/EBA_2012_00220000_NL_TRA.pdf).

(11) – Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331, blz. 12).

(12) – Meer specifiek was in die beschrijving vermeld dat de voornaamste verantwoordelijkheden van de functie van vicepresident bestonden in: het plannen, coördineren en controleren van de juridische ondersteuning met betrekking tot de financieelrechtelijke en internationale bankverrichtingen; de vaststelling, het beheer en de voorbereiding van een juridisch kader voor internationale financiële bankverrichtingen, voor andere belangrijke financiële bankverrichtingen, en voor nieuwe financiële bankproducten; adviesverlening aan de raad van toezicht en de raad van bestuur van de bank inzake financieelrechtelijke kwesties en het uitbrengen van relevante adviezen, en de opstelling van juridische adviezen over ingewikkelde rechtsvragen.

(13) – Zie blz. 18 van de toelichting bij het hierboven in voetnoot 6 vermelde voorstel voor een richtlijn.

(14) – Hoewel de andere taalversies van de achttiende overweging aanleiding zouden kunnen geven tot andere interpretaties, volgt de door mij voorgestelde lezing van de achttiende overweging mijns inziens bijzonder duidelijk uit de lezing van de Duitse taalversie van richtlijn 94/19, waarin uitdrukkelijk staat te lezen dat de categorieën deposito’s en deposanten uitdrukkelijk moeten worden vermeld („ausdrücklich genannt werden müssen”), waarbij uiteraard wordt verwezen naar de nationale uitvoeringswetgeving. De Nederlandse taalversie, waarin de woorden „in een limitatieve lijst vermelde” worden gebezigd, bevestigt deze uitlegging.

(15) – Zie in die zin arresten Honyvem Informazioni Commerciali (C‑465/04, EU:C:2006:199, punt 24) en Pfeiffer e.a. (C‑397/01, EU:C:2004:584, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

(16) – Zie overweging 6 van richtlijn 2014/49.

(17) – Zie de negende overweging van richtlijn 94/19.

(18) – Zie arrest Deckmyn en Vrijheidsfonds (C‑201/13, EU:C:2014:2132, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

(19) – Zie arrest Circul Globus Bucureşti (C‑283/10, EU:C:2011:772, punt 32). Zie eveneens, in dezelfde zin, de arresten Partena (C‑137/11, EU:C:2012:593, punt 56) en Koushkaki (C‑84/12, EU:C:2013:862, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

(20) – Zie arrest Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 50).

(21) – Zie blz. 18 van de in voetnoot 6 supra vermelde toelichting bij het voorstel voor een richtlijn.

(22) – Zie dienaangaande eveneens de overwegingen in punt 167 van het arrest van het EVA-Hof, Toezichthoudende Autoriteit van de EVA/IJsland (E-16/11, [2013] EFTA Ct. Rep., 4).

(23) – Zie arresten van het EVA-Hof, Toezichthoudende autoriteit van de EVA/IJsland (aangehaald in voetnoot 22, punt 128) en Aresbank S.A./Landsbankinn hf., Fjármálaeftirlitið en IJsland (E‑17/11, [2013] EFTA Ct. Rep., 916, punten 86‑95).

(24) – Zie punt 3 en voetnoot 5 hierboven.

(25) – Zie bijvoorbeeld de vijfde en de zesde overweging van richtlijn 94/19.

(26) – In dat verband moet worden opgemerkt dat punt 4 van bijlage I bij richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB L 84, blz. 22) voorziet in een exceptie die identiek is aan die in punt 7 van bijlage I bij richtlijn 94/19.

(27) – Zie het hierboven in punt 10 aangehaalde artikel 3, lid 1, punt 9, van richtlijn 2013/36.

(28) – Zie bijvoorbeeld het benoemingscomité waarin is voorzien bij artikel 88, lid 2, van richtlijn 2013/36.

(29) – Zie artikel 23, lid 1, onder b), van richtlijn 2013/36.

(30) – In dat verband kan tevens worden opgemerkt dat in aanbeveling 2004/913/EG van de Commissie van 14 december 2004 ter bevordering van de toepassing van een passende regeling voor de beloning van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen (PB L 385, blz. 55) onder „bestuurder” wordt verstaan: „een lid van een bestuursorgaan, leidinggevend orgaan of toezichthoudend orgaan van een beursgenoteerde onderneming”. Zie inzonderheid punt 2.1 van die aanbeveling.