26.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/96


BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 23 april 2009

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2007

(2009/641/EG)

HET EUROPEES PARLEMENT,

—

gezien het verslag van de Commissie over de follow-up van de kwijtingsbesluiten 2006 (COM(2008) 629 en de bijlage daarbij SEC(2008) 2579),

—

gezien de financiële staten en de jaarrekeningen van het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2007 (COM(2008) 490 — C6-0296/2008),

—

gezien het jaarverslag betreffende het financiële beheer van het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds in 2007 (COM(2008) 224),

—

gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten gefinancierd uit het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de Commissie (1),

—

gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag (2),

—

gezien de aanbevelingen van de Raad van 10 februari 2009 (5042/2009 — C6-0057/2009, 5044/2009 — C6-0058/2009, 5045/2009 — C6-0059/2009),

—

gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000  (3) en herzien te Luxemburg op 25 juni 2005  (4),

—

gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee (LGO) met de Europese Gemeenschap („LGO-besluit”) (5), gewijzigd bij Besluit 2007/249/EG van de Raad van 19 maart 2007  (6),

—

gelet op artikel 33 van het Intern Akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst (7),

—

gelet op artikel 32 van het Intern Akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de Staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, op 23 juni 2000 te Cotonou (Benin) ondertekend, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn (8),

—

gelet op artikel 276 van het EG-Verdrag,

—

gelet op artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst (9),

—

gelet op artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds (10),

—

gelet op artikel 70, artikel 71, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

—

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0159/2009),

1.

verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2007;

2.

formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.

verzoekt zijn voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Investeringsbank en de regeringen en parlementen van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

De voorzitter

Hans-Gert PÖTTERING

De secretaris-generaal

Klaus WELLE


(1)   PB C 286 van 10.11.2008, blz. 273.

(2)   PB C 277 van 31.10.2008, blz. 243.

(3)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(4)   PB L 287 van 28.10.2005, blz. 1.

(5)   PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1 en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1.

(6)   PB L 109 van 26.4.2007, blz. 33.

(7)   PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(8)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(9)   PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(10)   PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.


RESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 23 april 2009

met opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2007

HET EUROPEES PARLEMENT,

—

gezien het verslag van de Commissie over de follow-up van de kwijtingsbesluiten 2006 (COM(2008) 629 en de bijlage daarbij SEC(2008) 2579),

—

gezien de financiële staten en de jaarrekeningen van het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2007 (COM(2008) 490 — C6-0296/2008),

—

gezien het jaarverslag betreffende het financiële beheer van het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds in 2007 (COM(2008) 224),

—

gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten gefinancierd uit het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de Commissie (1),

—

gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag (2),

—

gezien de aanbevelingen van de Raad van 10 februari 2009 (5042/2009 — C6-0057/2009, 5044/2009 — C6-0058/2009, 5045/2009 — C6-0059/2009),

—

gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000  (3) en herzien te Luxemburg op 25 juni 2005  (4),

—

gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee (LGO) met de Europese Gemeenschap („LGO-besluit”) (5), gewijzigd bij Besluit 2007/249/EG van de Raad van 19 maart 2007  (6),

—

gelet op artikel 33 van het Intern Akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst (7),

—

gelet op artikel 32 van het Intern Akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de Staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, op 23 juni 2000 te Cotonou (Benin) ondertekend, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn (8),

—

gelet op artikel 276 van het EG-Verdrag,

—

gelet op artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst (9),

—

gelet op artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds (10),

—

gelet op artikel 70, artikel 71, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

—

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0159/2009),

A.

overwegende dat het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) het belangrijkste instrument is waarover de Europese Unie beschikt voor de ontwikkelingssamenwerking met landen in Afrika, het Caribische gebied en het gebied van de Stille Oceaan,

B.

overwegende dat het totaalbedrag van de steun via het EOF de komende jaren aanzienlijk zal stijgen, daar de hoeveelheid communautaire steun in het kader van het tiende EOF voor de periode van 2008 tot 2013 is vastgesteld op 21 966 000 000 EUR, wat een toename inhoudt van 62 % ten opzichte van de financiële toewijzingen van het negende EOF,

C.

overwegende dat begrotingssteun een instrument voor ontwikkelingshulp is dat vereist dat parlementaire controle op een volledig andere manier wordt opgevat, met een verschuiving van het controleren van resultaten en output naar het toezicht houden op de input,

D.

overwegende dat het Parlement vastberaden is om zijn toezichtcapaciteiten te blijven ontwikkelen om zijn taken als kwijtingsautoriteit zo efficiënt mogelijk te vervullen,

1.

stemt in met de Commissie over het feit dat het „zwakke bestuur” en de „grote bestuurlijke tekortkomingen” in veel begunstigde landen zorgen voor aanzienlijke risico’s voor het goede beheer van de EOF’s (antwoord van de Commissie op punten 1 tot en met 5 van het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten gefinancierd uit de EOF’s);

2.

verzoekt de Commissie, bij de „verfijning” van haar controlestrategie (punten 1 tot en met 5 van het jaarverslag over de EOF’s), de punten aan te merken waar een gebrek aan resultaten en de kosten van controle nopen tot een beleidswijziging;

3.

is van mening dat de strategie voor de uitvoering van het tiende EOF (21 966 000 000 EUR voor de periode 2008-2013) moet toegespitst zijn op de domeinen die van wezenlijk belang zijn voor duurzame ontwikkeling; moedigt de Commissie aan prioriteiten te stellen en versnippering te vermijden;

4.

is van mening dat de Commissie best kan uitkijken naar mogelijkheden om de steun aan landen met lage inkomens te verhogen, in een poging om prioriteiten te stellen en haar ontwikkelingsactiviteiten te concentreren;

5.

wijst erop dat de nodige aandacht moet worden besteed aan de duurzaamheid van de interventies van de Commissie, met inbegrip van de formulering van een duidelijke exitstrategie en controle op de uitvoering van de maatregelen; is van mening dat een betere evaluatie van de resultaten van essentieel belang is voor de waarborging van de democratische legitimiteit van de ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie;

Financiële uitvoering

6.

is verheugd over de prestaties van de Commissie in 2007, en merkt op dat de betalingen zijn toegenomen met 12 %, de verplichtingen stegen met 9 % en de stijging van de nog betaalbaar te stellen vastgelegde bedragen beperkt bleef tot 2,8 %; is van oordeel dat de uitvoeringsgraad van 3,7 jaar aanvaardbaar is, gelet op de verbetering van de efficiëntie;

7.

is ingenomen met de vastlegging van alle beschikbare begrotingsmiddelen voor het negende EOF in 2007; roept de Commissie op tot het formuleren van aanbevelingen voor de nog niet vastgelegde gedeeltes van het achtste EOF; benadrukt echter dat het spoedig vastleggen van begrotingsmiddelen niet ten koste moet gaan van de kwaliteit van de projecten;

8.

herinnert eraan dat de Commissie de toezegging (11) heeft gedaan te trachten te garanderen dat 20 % van de middels het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) toebedeelde steun ten goede komt aan basisonderwijs, middelbaar onderwijs en eerstelijnsgezondheidszorg; roept op tot het uitbrengen van verslagen over de EOF’s waarin wordt nagegaan of deze norm wordt gehaald;

9.

is bezorgd over de bevindingen die worden uiteengezet in Speciaal Verslag nr. 10/2008 van de Rekenkamer over ontwikkelingshulp van de Europese Gemeenschap aan de gezondheidsdiensten in Afrika bezuiden de Sahara, waaruit blijkt dat „de financiële middelen van de gezondheidszorg in Afrika bezuiden de Sahara in verhouding tot haar totale ontwikkelingshulp niet is gegroeid sinds 2000, ondanks de toezeggingen van de Commissie in het kader van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de gezondheidscrisis in Afrika bezuiden de Sahara”; moedigt de Commissie aan prioriteit te verlenen aan de ondersteuning van gezondheidsstelsels en om te bepalen wat de meest geschikte steuninstrumenten zijn voor dit gebied;

Het financiële beheer van de EOF’s door de Commissie

10.

merkt met voldoening op dat het voornoemde verslag van de Commissie betreffende het financiële beheer van het zevende, het achtste en het negende Europees Ontwikkelingsfonds in 2007, volgens de Rekenkamer „een nauwkeurige beschrijving geeft van de verwezenlijking van de doelstellingen in het begrotingsjaar, de financiële situatie en de gebeurtenissen die een aanzienlijke invloed hebben gehad op de in 2007 verrichte activiteiten” (punt 13 van het jaarverslag over de EOF’s);

11.

betreurt echter dat de follow-up van opmerkingen van de Rekenkamer door de Commissie in een aantal gevallen ontoereikend is; benadrukt dat de reactie van de Commissie op de aanbevelingen van de Rekenkamer een belangrijk onderdeel is van de verantwoordingsplicht van de kwijtingsautoriteit; verheugt zich over het feit dat de Commissie „in de toekomst meer gedetailleerde informatie zal verstrekken” (punt 13 van het jaarverslag over de EOF’s);

De betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

Betrouwbaarheid van de rekeningen

12.

merkt op dat de betrouwbaarheidsverklaring, overeenkomstig artikel 1 en artikel 103, lid 3, van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds, geen betrekking heeft op het deel van de middelen van het negende EOF (2 200 000 000 EUR) dat wordt beheerd door en onder de verantwoordelijkheid valt van de EIB (voetnoten 2 en 11 van het jaarverslag over de EOF’s);

13.

neemt ter kennis dat de Rekenkamer de mening is toegedaan dat de definitieve jaarrekeningen van het zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds een in elk materieel opzicht getrouw beeld geven van de financiële situatie van de EOF’s per 31 december 2007 (paragraaf VI van de betrouwbaarheidsverklaring);

14.

merkt op dat de Rekenkamer wijst op het feit dat de geldigheid van de veronderstellingen die zijn gehanteerd om de voorziening voor gemaakte kosten te ramen, niet door de Commissie is aangetoond en dat dit kan leiden tot een te lage weergave van de toegerekende uitgaven, alsmede tot een te hoge weergave van bedragen van de zekerheidsstellingen die worden vermeld in de toelichtingen bij de financiële staten (paragraaf VII van de betrouwbaarheidsverklaring);

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

15.

merkt op dat:

—

de onderliggende verrichtingen van de ontvangsten en vastleggingen van het begrotingsjaar naar het oordeel van de Rekenkamer over het geheel genomen wettig en regelmatig zijn (paragraaf VIII van de betrouwbaarheidsverklaring), maar dat de Rekenkamer tegelijk de aandacht vestigt op „het hoge fiduciaire risico voor de begrotingssteun door de „dynamische interpretatie” die de Commissie geeft aan de subsidiabiliteitscriteria” (paragraaf X van de betrouwbaarheidsverklaring),

—

de controle van de Rekenkamer uitwees dat een „materieel foutenpercentage” van invloed was op de onderliggende verrichtingen bij de betalingen (paragraaf IX van de betrouwbaarheidsverklaring),

—

de Rekenkamer er nota van heeft genomen dat de Commissie verbeteringen heeft aangebracht aan de toezicht- en controlesystemen, maar eveneens heeft benadrukt dat er nog ruimte is voor vooruitgang;

Opmerkingen op de toelichting van de Rekenkamer bij de betrouwbaarheidsverklaring

Reikwijdte van de audit

16.

merkt op dat de opmerkingen van de Rekenkamer met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen gebaseerd zijn op:

a)

een beoordeling van de beheers- en controlesystemen bij de centrale diensten van EuropeAid en bij vijf delegaties met verantwoordelijkheid voor zes landen;

b)

een controle van 90 betalingen en 15 individuele juridische verbintenissen;

c)

ten aanzien van begrotingssteun, een onderzoek van een statistische steekproef van 30 betalingen en 15 financiële vastleggingen;

d)

een onderzoek van een statistische steekproef van 30 betalingen waartoe de centrale diensten van EuropeAid opdracht hadden gegeven;

e)

een onderzoek van een statistische steekproef van 30 reeds achteraf door de centrale diensten van EuropeAid gecontroleerde verrichtingen;

f)

een onderzoek van een statistische steekproef van 30 financiële vastleggingen, en

g)

een onderzoek van het jaarlijkse activiteitenverslag en de verklaring van de directeur-generaal van EuropeAid (punt 15 van het jaarverslag over de EOF’s);

Betrouwbaarheid van de rekeningen

17.

betreurt dat de Commissie door technische problemen nog steeds niet in staat is volledige boekhoudinformatie te verstrekken; neemt kennis van het antwoord van de Commissie, waarin wordt gesteld dat „de invoering van het nieuwe boekhoudsysteem met ingang van 2009 de huidige beperkingen zal ondervangen” (punt 16 van het jaarverslag over de EOF’s); verwelkomt de invoering van het ABAC-EOF-systeem in februari 2009;

18.

neemt kennis van de herhaalde opmerking van de Rekenkamer over de validiteit van de statistische aanpak van de Commissie voor de schatting van de voorziening voor de in de verslagperiode gemaakte kosten waarvoor aan het eind van het begrotingsjaar nog geen facturen zijn ontvangen; neemt er eveneens kennis van dat deze voorziening 2 087 000 000 EUR bedraagt, of 83 % van de totale passiva (punt 17 van het jaarverslag over de EOF’s); verzoekt de Commissie haar aanpak te blijven verfijnen en verbeteren;

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

19.

neemt kennis van het meningsverschil tussen de Commissie en de Rekenkamer met betrekking tot het tijdstip waarop financieringsovereenkomsten moeten worden „opgesteld” en „ondertekend” (punt 19 van het jaarverslag over de EOF's); betreurt de onduidelijke boodschap aan de kwijtingsautoriteit, en verzoekt de Commissie voor opheldering te zorgen, zodat alle partijen — de Commissie en de ACS-landen — hetzelfde verstaan onder „opgesteld”;

20.

merkt op dat de Rekenkamer er in het kader van de controle van de verrichtingen voor twee betalingen (op een selectie van elf) niet in slaagde de onderliggende documentatie van de betrokken VN-organisaties te krijgen; verzoekt de Commissie bijgevolg ervoor te zorgen dat de financiële en administratieve kaderovereenkomst volledig wordt nageleefd;

21.

merkt op dat de Rekenkamer op basis van haar controleresultaten (punten 32 tot en met 47 van het jaarverslag over de EOF's) concludeert dat de toezicht- en controlesystemen van EuropeAid slechts „ten dele effectief zijn” (punt 53 van het jaarverslag over de EOF’s);

22.

merkt voorts op dat slechts zes van de negen elementen van het interne controlesysteem op centraal niveau doeltreffend zijn, twee gedeeltelijk doeltreffend zijn en één (aantal controlebezoeken) helemaal niet doeltreffend is, en dat twee van de vijf elementen van het interne controlesysteem op delegatieniveau doeltreffend zijn en drie slechts gedeeltelijk doeltreffend (tabel 3 van het jaarverslag over de EOF’s);

23.

merkt op dat de Commissie van mening is dat „[g]elet op de financiële en menselijke hulpmiddelen waarover [ze] beschikt, […] dat zij controlesystemen heeft ingevoerd waarmee redelijke zekerheid kan worden verschaft” (punt 53 van het jaarverslag over de EOF’s);

24.

is van oordeel dat de antwoorden van de Commissie niet toereikend zijn, aangezien ze de ingevoerde regelingen niet lijkt te willen herzien, en verzoekt de Commissie meer gedetailleerde informatie te geven over het begrip „redelijke zekerheid” en in het bijzonder over de eigenlijke kosten-batenverhouding van de controles en het eigenlijke foutenpercentage, alsook een overzicht te geven van welke bijkomende menselijke en financiële hulpmiddelen er nodig zijn om het controlesysteem te verbeteren, zodat de Rekenkamer het de algemene beoordeling „doeltreffend” kan geven;

25.

merkt op dat de Rekenkamer de ontoereikendheid van de door de toezichthouders en controleurs uitgevoerde controles benadrukt, wat wijst op de zwakheden op het vlak van de toezicht- en controlesystemen; verzoekt de Commissie bijgevolg de controles te versterken en met name een regeling in te voeren voor de evaluatie van de externe auditverslagen, om de kwaliteit ervan te verzekeren;

Vastleggingen voor en betalingen van begrotingssteun

26.

merkt op dat de Rekenkamer bij vijf van de 15 onderzochte vastleggingen voor begrotingssteun het volgende heeft vastgesteld:

—

„ernstige tekortkomingen in het interne toezicht op de begroting, de boekhoudsystemen en de maatregelen voor openbare aanbestedingen of bestrijding van corruptie”,

—

het niet tijdig kunnen overleggen van gecontroleerde rekeningen en de ondoeltreffendheid van de externe controle zijn „belangrijke redenen voor bezorgdheid”,

—

het onder deze omstandigheden verlenen van begrotingssteun houdt een „erg groot fiduciair risico” in (punt 26 van het jaarverslag over de EOF’s);

27.

benadrukt dat de Rekenkamer van mening is dat in deze vijf gevallen niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de Overeenkomst van Cotonou, namelijk dat het beheer van de overheidsuitgaven op voldoende transparante, verantwoordelijke en doeltreffende wijze dient te geschieden;

28.

herhaalt dat „fiduciair risico” betekent dat er een risico bestaat dat het geld van de Europese belastingbetalers niet wordt gebruikt voor de gestelde doelen, dat de beste prijs-kwaliteitverhouding niet is gewaarborgd of dat de uitgaven niet naar behoren zijn geboekt;

29.

merkt voorts op dat de Commissie „het niet eens is met het oordeel van de Rekenkamer”, de vastleggingen, volgens de Commissie, gebeurden nadat een beoordeling uitwees dat de „systemen voor overheidsfinanciën voldoende positieve voortgang vertoonden”, en dat de betrokken landen „hun overheidsfinanciën blijven verbeteren” en „nog steeds in aanmerking komen voor verdere begrotingssteun” (punt 26 van het jaarverslag over de EOF's);

30.

betreurt het antwoord van de Commissie, aangezien er geen rekening wordt gehouden met de ernst van de bevindingen van de Rekenkamer („belangrijke redenen voor bezorgdheid”, „erg groot fiduciair risico”); is van oordeel dat het gebruik van niet-vastomlijnde uitdrukkingen als „voldoende”, „vooruitgang” en „nog steeds in aanmerking komen”, die niet op resultaten gebaseerd zijn, in deze ernstige context ontoereikend zijn, of zelfs oppervlakkig;

31.

verzoekt de Commissie de bewijzen te leveren waarop ze haar conclusies heeft gebaseerd en deze zodanig te presenteren dat duidelijk wordt gemaakt hoeveel vooruitgang er geboekt is (van waar naar waar) en waarom deze mate van vooruitgang als „voldoende” wordt bestempeld;

32.

merkt op dat de Rekenkamer bij zeven van de 33 onderzochte financieringsovereenkomsten tot de conclusie kwam dat de bepalingen van de financieringsovereenkomsten voor begrotingssteun onvolledig of onduidelijk waren, aangezien de algemene voorwaarden voor begrotingssteun ontbraken, de methode voor de berekening van het bedrag van de betalingen er op vage wijze in werd vastgelegd, of er verwezen werd naar verbintenissen van de overheid zonder dat werd vermeld tegen welke datum deze moesten zijn nagekomen of wat de gevolgen waren als zij niet werden nagekomen (punt 27 van het jaarverslag over de EOF's); merkt voorts op dat de Commissie „zal […] proberen de kwaliteit van de financieringsovereenkomsten in het kader van het tiende EOF verder te verbeteren”;

33.

merkt met betrekking tot de begrotingssteunbetalingen op dat de onderliggende verrichtingen „een materieel foutenniveau” bevatten (punt 52, onder b) van het jaarverslag over de EOF’s), omdat:

—

de berekening van bedragen van betalingen gebeurde op basis van een positieve conclusie aangaande vooruitgang wat betreft het beheer van de overheidsfinanciën die niet strookte met de onderliggende beoordeling van de situatie,

—

een berekeningsmethode werd gebruikt die niet in de financieringsovereenkomst is opgenomen,

—

er betalingen werden verricht zonder dat er actuele verslagen over het beheer van de overheidsfinanciën beschikbaar waren (punt 28 van het jaarverslag over de EOF’s),

34.

wijst voorts op de volgende bevindingen van de Rekenkamer met betrekking tot zes van de 30 onderzochte betalingen:

—

de Commissie toonde niet op gestructureerde en geformaliseerde wijze aan of de betalingsvoorwaarden betreffende het beheer van de overheidsfinanciën werden nageleefd,

—

beoordelingen van de vooruitgang waren onredelijk optimistisch of berustten op verouderde of verkeerde informatie,

—

conclusies werden niet door de onderliggende informatie gestaafd,

—

er werd uitgegaan van toekomstige in plaats van plaatsgevonden gebeurtenissen,

—

indicatoren werden onjuist beoordeeld (punt 29 van het jaarverslag over de EOF’s);

35.

neemt kennis van het antwoord van de Commissie, waarin staat dat „de Commissie de bereikte voortgang, de politieke hervormingsgezindheid en de overige aandachtspunten weegt om tot een gegronde beslissing te komen” (antwoord van de Commissie op punt 29 van het jaarverslag over de EOF’s);

36.

is bezorgd over de bevindingen van de Rekenkamer, maar nog meer over de antwoorden van de Commissie, die aantonen dat ze zeer terughoudend is om de informatie te delen waarop haar beslissingen op het vlak van begrotingssteun zijn gebaseerd;

Effectieve parlementaire controle

37.

is van mening dat het besluit over het gebruik van begrotingssteun als een instrument voor ontwikkelingshulp volledig binnen de bevoegdheid van de uitvoerende macht valt en dat de begrotingssteunmaatregelen geen voorafgaande goedkeuring van het parlement vereisen;

38.

wijst erop dat bij de parlementaire beoordeling van begrotingssteun de aandacht niet enkel moet gevestigd zijn op de risico’s, maar eveneens op de voordelen, alsook op de risico’s en voordelen van alternatieve steunverlening; wijst er voorts op dat de traditionele projectbenaderingen die gedurende verschillende decennia werden gebruikt niet hebben geleid tot de verwachte resultaten;

39.

is van oordeel dat het uiteindelijke doel van parlementaire controle de effectiviteit van de steun is, wat neerkomt op het effectieve, economische, wettelijke en regelmatige gebruik van steun om te komen tot duurzame ontwikkeling, en is van mening dat de controle van begrotingssteun deel uitmaakt van zijn algemene inspanningen om toezicht te houden op de effectiviteit en de resultaten van alle uitgaven voor ontwikkeling;

40.

betreurt dat het niet kan beschikken over voldoende nuttige, omvattende en betrouwbare informatie om een effectieve controle van de resultaten van de begrotingssteun uit te voeren;

41.

roept op een einde te maken aan het vorige systeem van opeenvolgende EOF’s door middel van de volledige consolidering van de financiering van de Europese Unie/ACS-samenwerking in de begroting van de Europese Unie, om op die manier de parlementaire controle op de toewijzing van middelen in het kader van de EOF’s te verzekeren;

Jaarverslag over het gebruik van begrotingssteun

42.

verzoekt de Commissie een jaarverslag op te stellen over het gebruik van begrotingssteun — en verzoekt haar Commissie begrotingscontrole een initiatiefverslag op te stellen over dit jaarverslag — met inbegrip van nuttige, omvattende, betrouwbare, analytische en evaluatieve (en dus niet enkel descriptieve) informatie over:

—

geplande en uitgegeven begrotingssteun,

—

het al dan niet verwezenlijken van de verwachte resultaten als vastgelegd in de doelstellingen van de donor en de strategieën van de landen,

—

het voorhanden zijn en de kwaliteit van aanvullende voorwaarden,

—

de effectiviteit van de dialoog, de stand van zaken op het vlak van de harmonisatie van de donoren, de aanvullende capaciteitsopbouw die heeft plaatsgevonden en het effect van deze capaciteitsopbouw,

—

de totstandbrenging van verbeterde landensystemen,

—

instellingen voor het afleggen van verantwoording, instellingen voor het beheer van de overheidsfinanciën en instellingen voor toezicht en evaluatie,

—

het bedrag en het aandeel aan onregelmatige uitgaven,

—

een analyse van de typologie van de onregelmatigheden waarop de controles en audits hebben gewezen (systemisch en niet-systemisch),

—

getroffen corrigerende maatregelen;

43.

verzoekt de Commissie bovendien met de grootste zorgvuldigheid de landen of kwesties op het vlak van de implementering van de begrotingssteun te identificeren waar bijzondere aandacht van het Parlement nuttig zou kunnen blijken voor het verbeteren van de verantwoordingsplicht van de donoren;

44.

verzoekt de Commissie eveneens ervoor te zorgen dat dit risico jaarlijks wordt opgevolgd;

Beoordelen en beheren van risico’s

45.

merkt op dat wanneer financiering door middel van zwakke stelsels in ontwikkelingslanden wordt besteed, er een risico bestaat op inefficiëntie en verspilling, en dat een omvattende beoordeling van de fiduciaire risico’s bijgevolg absoluut noodzakelijk is vooraleer wordt gestart met programma’s voor begrotingssteun;

46.

herhaalt dat de Commissie geen systeem gebruikt waarbij de risicobeoordeling leidt tot duidelijke drempelwaarden voor de toekenning van steun, maar eerder een „dynamische aanpak” toepast waarbij de beoordelingsmarge veel groter is;

47.

is van oordeel dat de grotere beoordelingsmarge bij beslissingen in het kader van de „dynamische aanpak” op het vlak van begrotingssteun moet worden gecompenseerd door een even hoge mate van transparantie; verzoekt de Commissie bijgevolg de informatie waarop de beoordelingen zijn gebaseerd ter beschikking te stellen van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie ontwikkelingssamenwerking;

48.

verwacht in het bijzonder expliciete informatie te ontvangen over de risicobeoordelingen van de Commissie en de analyses van overheidssystemen in ontwikkelingslanden, haar beoordeling van de significantie van tekortkomingen van de systemen op het vlak van mogelijke inefficiënties en verspilling van steun, en, voor zover mogelijk gekwantificeerde, schattingen van deze factoren, alsook informatie over de getroffen maatregelen, of over de maatregelen die in de toekomst moeten worden genomen, om de geïdentificeerde risico’s zoveel mogelijk te beperken;

Retoriek of realiteit

49.

merkt op dat het verantwoordelijke lid van de Commissie Louis Michel in een brochure met als titel „Begrotingssteun — een kwestie van wederzijds vertrouwen” (12) stelt dat „(een verhoging van) begrotingssteun het enige antwoord is. Daarom heb ik besloten het aandeel aan begrotingssteun te verhogen van 20 % tot 50 % van onze financiering”;

50.

verzoekt het lid van de Commissie deze intenties te herzien tot wanneer de realiteit de retoriek heeft vervangen en er afdoende bewijsmateriaal voorhanden is dat aantoont in welke mate begrotingssteun een betere prijs-kwaliteitverhouding heeft geboden dan andere instrumenten voor ontwikkelingshulp of een invloed heeft gehad op de inkomensarmoede;

51.

wijst op de brief en nota van 9 januari 2009 (DR/amw/S(08)0418) van lid van de Commissie Louis Michel aan de heer Jacek Uczkiewicz, lid van de Europese Rekenkamer, met de heer Herbert Bösch, voorzitter van de Commissie begrotingscontrole, in kopie, waarin het lid van de Commissie aangeeft dat:

—

„er ruimte is om de formulering en implementering van programma’s voor begrotingssteun door de Commissie te verbeteren, in overeenstemming met de opmerkingen van de Rekenkamer, door middel van een meer transparante, gestructureerde en geformaliseerde aanpak”; en tevens dat

—

„er ruimte is voor meer systematische aandacht voor risicobeheer en de overweging van geschikte vrijwaringsmaatregelen of -voorwaarden” (pagina 9 van de nota „Antwoord op het voorstel van de Europese Rekenkamer om basisvereisten voor openbaar financieel beheer toe te passen bij de bepaling van het in aanmerking komen voor begrotingssteun”, die in bijlage bij de brief is gevoegd);

52.

is verheugd over het feit dat de Commissie de opmerkingen van de Rekenkamer aanvaardt, alsook over de intenties van de Commissie, en spreekt de hoop uit om op de hoogte gebracht te worden van het gedetailleerde ontwerp en de toepassing van deze „verbeterde aanpak” (ibidem, blz. 1);

De Europese Rekenkamer

53.

verzoekt de Rekenkamer het Parlement op de hoogte te brengen van de kwaliteit van de beoordeling en het beheer van de risico’s door de Commissie, en hoopt op meer doelmatigheidscontroles met een beoordeling van de resultaten van uitgaven voor ontwikkeling in het algemeen en begrotingssteun in het bijzonder;

De parlementen in de ontvangende landen

54.

verzoekt zijn Commissie begrotingscontrole rechtstreeks contact op te nemen met overeenkomstige commissies in bepaalde parlementen van de ontvangende landen, om hun rol bij het zorgen voor effectiviteit van de steun door middel van parlementaire controleactiviteiten aan te moedigen en te steunen;

55.

moedigt de Commissie aan prioriteit te verlenen aan de ondersteuning van partnerlanden bij de ontwikkeling van hun parlementaire controle- en auditcapaciteit, met name wanneer bijstand wordt verleend in de vorm van begrotingssteun, en verzoekt de Commissie periodiek verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang;

56.

is van mening dat de deelname van nationale parlementen, het maatschappelijk middenveld en lokale autoriteiten in partnerlanden onmisbaar is voor een gevoel van zeggenschap en eigen verantwoordelijkheid in het proces; roept de Commissie op zich zo veel mogelijk in te zetten om de dialoog met deze instellingen te verbeteren tijdens alle verschillende stadia van het programmeringsproces;

Betrokkenheid van de ACS-landen

57.

is bezorgd over „het gebrek aan betrokkenheid van de ACS-staten” bij het zorgen voor doeltreffende controle op de EOF-uitgaven en is ontgoocheld over het feit dat „delegaties slechts in beperkte mate kunnen vertrouwen op de door de diensten van de NO’s (nationale ordonnateurs) verrichte controles” (punt 36 van het jaarverslag over de EOF’s);

58.

merkt op dat NO’s verplicht zijn in ACS-landen, maar niet bestaan in RELEX-ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie op de hoogte te worden gebracht van de voor- en nadelen van de EOF-aanpak en de beste praktijken in ACS-landen te beoordelen om de controle op EOF-uitgaven door NO’s te verbeteren;

59.

merkt voorts op dat „een gebrek aan vermogen en middelen van de diensten van de NO”„meermaals door de delegaties zijn gemeld” (punt 41 van het jaarverslag over de EOF’s) bij de centrale diensten van EuropeAid; verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te brengen van feedback aan de delegaties over deze kwestie;

Personele middelen

60.

merkt op dat, volgens de Rekenkamer, het aantal personeelsleden van de Commissie in verhouding tot de vastgelegde middelen afneemt, en er niet in een aanzienlijke toename van het aantal personeelsleden is voorzien, ondanks de verwachte substantiële toename van de vastleggingen in het kader van het tiende EOF (punt 33 van het jaarverslag over de EOF’s);

61.

is het volledig eens met de Rekenkamer dat er een „risico bestaat dat een tekort aan of een gebrekkige verdeling van personeelsleden of het ontbreken van specifieke vaardigheden en kennis van invloed is op de kwaliteit van de controles, de verificaties en het toezicht” (punt 33 van het jaarverslag over de EOF’s);

62.

verzoekt de Commissie uit te leggen hoe ze van plan is om te gaan met de spanning (of contradictie) die bestaat tussen de nood aan bijkomende personele middelen in delegaties en haar toezegging „de personeelssterkte te stabiliseren eens alle met de uitbreiding verband houdende personeel is geïntegreerd, zonder verzoeken om bijkomende posten voor de periode 2009-2013” en „om enkel door middel van herindeling van het personeel in en tussen de diensten te voldoen aan nieuwe personeelsbehoeften op belangrijke beleidsterreinen” (13);

63.

is van mening dat bijkomende personele middelen kunnen worden bekomen door een einde te maken aan de gedeelde verantwoordelijkheid voor ontwikkelingssamenwerking tussen RELEX en DEV; verzoekt de huidige Commissie de nodige stappen te nemen om deze reorganisatie binnen de nieuwe Commissie te vergemakkelijken; is van oordeel dat de huidige taakverdeling op het vlak van ontwikkelingssamenwerking tussen DEV en RELEX de Commissie niet in staat stelt volledig bij te dragen aan de internationale inspanningen om de ontwikkelingssamenhang en de doeltreffendheid van de steun te bevorderen; verzoekt de Commissie voorts ervoor te zorgen dat ontwikkelingssamenwerking op een ondubbelzinnige manier verbonden blijft met de hoofddoelstelling ervan: het uitbannen van armoede;

64.

verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om de hoeveelheid personeel die is toegewezen voor het beheer en de controle van het EOF aan te passen, rekening houdend met de te verwachten toename van de hoeveelheid vastleggingen in het kader van het tiende EOF;

Commentaar op de conclusies en de aanbevelingen van de Rekenkamer

65.

neemt met voldoening kennis van de erkenning door de Rekenkamer van de inspanningen van EuropeAid om een nieuwe controlestrategie te ontwikkelen; is van mening dat een doeltreffende controlestrategie tot doel heeft vooraf fouten te voorkomen, en niet in de eerste plaats gericht is op het achteraf terugvorderen van ten onrechte betaalde middelen; verzoekt de Commissie haar controlestrategie te blijven ontwikkelen in het licht van deze aanpak, wat een prioriteit is voor de kwijtingsautoriteit;

66.

stemt volledig in met de aanbevelingen van de Rekenkamer uit letters a) tot g) van punt 55 en letters a) tot f) van punt 56 van het jaarverslag over de EOF’s; vestigt in het bijzonder de aandacht van de Commissie op de aanbeveling uit punt 56, onder a), namelijk dat:

„naleving van de Overeenkomst van Cotonou dient te worden getoetst aan basisvereisten, zoals de beschikbaarheid van tijdig gepubliceerde en gecontroleerde rekeningen, waaraan moet worden voldaan voordat begrotingssteun wordt verleend”,

en uit punt 56, onder d), namelijk dat:

„EuropeAid zich voor de start van een begrotingssteunprogramma ervan dient te vergewissen dat er een duidelijke en volledige beoordeling van het beheer van de overheidsfinanciën is verricht en dat het ontvangende land een geloofwaardig en relevant hervormingsprogramma heeft om alle aanzienlijke tekortkomingen binnen een afzienbaar tijdschema aan te pakken”;

verzoekt dan ook de Commissie alleen dan begrotingssteun te geven indien het beheer van de overheidsuitgaven op voldoende transparante, verantwoordelijke en doeltreffende wijze geschiedt of tenminste zeer waarschijnlijk zo zal geschieden met de implementatie op korte termijn van een hervormingsprogramma; wijst er voorts op dat de keuze voor een financieringsregeling ten behoeve van een bepaalde sector rechtstreeks gekoppeld zou moeten zijn aan de doeltreffendheid van die regeling voor het bewuste interventiegebied;

67.

verzoekt de Commissie prioriteit te verlenen aan de snelle toepassing van deze aanbevelingen, waaraan de kwijtingsautoriteit bijzonder belang hecht, aangezien duidelijke en overeengekomen grenzen aan de beslissingsvrijheid van de uitvoerende macht absoluut noodzakelijk zijn voor betekenisvol parlementair toezicht;

Een nieuwe aanpak van een nieuwe situatie

68.

benadrukt dat het gebruik door de ontvangende landen van de middelen die als begrotingssteun worden geleverd buiten de rechtstreekse controle van de Commissie (en andere donoren) valt, aangezien het het soevereine recht van het betrokken ontvangende land is om zijn begroting te beheren in overeenstemming met zijn eigen specifieke regels en nationale begrotingsprocedures;

69.

herinnert eraan dat het financiële beheer in de openbare sector, de interne controles en de externe auditfuncties in bepaalde ontvangende landen vaak niet voldoende betrouwbaar zijn om ervoor te zorgen dat de middelen van de donoren op een adequate manier worden beheerd en worden gebruikt voor de gestelde doelen;

70.

is van mening dat de Commissie, in het licht van de toenemende aandacht voor verantwoordingskwesties en de groeiende interesse bij de belastingbetalers in de donorlanden om concrete resultaten te zien van de ontwikkelingshulp, er alle belang bij heeft de risico’s te kennen die worden gelopen wanneer begrotingssteun wordt geleverd en deze kennis te delen met de kwijtingsautoriteit, aan wie ze verantwoording is verschuldigd;

71.

is voorts van mening dat de Commissie de administraties van de ontvangende landen op de hoogte moet brengen van haar verantwoordingsverplichtingen en moet vereisen dat degenen die de middelen op een lager niveau beheren aan dezelfde verplichtingen zijn onderworpen;

Een openbaarmakingsverklaring per land

72.

is bijgevolg van mening dat ontwikkelingshulp in het algemeen en begrotingssteun in het bijzonder moet worden gekoppeld aan een voorafgaande openbaarmakingsverklaring, uitgegeven door de regering van het ontvangende land en getekend door de minister van financiën, waarin bepaalde kwesties die een invloed hebben op de governance- en verantwoordingsstelsels van een begunstigd land aan bod komen;

73.

is ervan overtuigd dat een eigen beoordeling en begrip van de controlegebreken door een ontvangend land een grotere motivatie zal blijken om verbeteringen aan te brengen dan audits en controles die zijn opgelegd door een externe autoriteit;

74.

is van mening dat een openbaarmakingsverklaring per land de transparantie en verantwoording zal verbeteren en internationale donoren waardevolle informatie zal verschaffen om een onderbouwd oordeel te vellen over de algemene transparantie en betrouwbaarheid van de governance- en verantwoordingsstelsels van het begunstigd land;

75.

verzoekt de Commissie het voortouw te nemen en dit voorstel in te dienen bij andere internationale donoren (in het bijzonder de Wereldbank), met als doel een dergelijk instrument in overleg met andere donoren te ontwikkelen en in te voeren; benadrukt dat de aard van de straffen voor een bewust misleidende openbaarmakingsverklaring bijzondere aandacht verdient;

76.

verzoekt de Commissie het Parlement te informeren over een mogelijk tijdsschema voor deze onderhandelingen;

Opneming van de EOF-begroting in de algemene begroting van de Europese Unie

77.

is verheugd over de toezegging van de Commissie om „opnieuw een voorstel in te dienen tijdens de gedachtewisselingen over het komende financiële kader om het EOF volledig op te nemen in de begroting” (14); verzoekt de Commissie zijn Commissie begrotingscontrole volledig op de hoogte te houden van de voorbereiding van dit initiatief;

78.

herhaalt zijn steun voor de opneming van het EOF in de algemene begroting van de Europese Unie, en is van oordeel dat deze opneming zou toelaten de samenhang, de transparantie, de doeltreffendheid en de controleregeling van het EOF te versterken;

Afstemmen van de parlementaire controle op het instrument

79.

is van mening dat de rol van het Parlement op het vlak van begrotingssteun bestaat uit het verantwoordelijk houden van de Commissie voor de resultaten van de uitgaven, en is van mening dat begrotingssteun een instrument voor ontwikkelingshulp is dat vereist dat controle op een volledig andere manier wordt opgevat, met verschuiving van de vergelijking van resultaten met indicatoren naar het toezicht houden op de input;

80.

is van oordeel dat zijn huidige manier van werken verder moet worden ontwikkeld om dit te bereiken; is van mening dat een subcommissie voor de controle op begrotingssteun die is ingesteld door zijn Commissie begrotingscontrole een doeltreffend middel zou zijn om ervoor te zorgen dat de uitgaven voor steunverlening ten goede komen van de bevolking in het ontvangende land en dat de bijdragen van de belastingbetalers aan ontwikkelingshulp niet verkeerd worden besteed;

De investeringsfaciliteit

81.

herhaalt dat het Parlement in paragrafen 20 tot en met 24 van zijn resolutie van 22 april 2008 over het verlenen van kwijting met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de begroting voor het zesde, zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2006 (15), zijn bezorgdheid heeft uitgesproken over het feit dat het beheer van de investeringsfaciliteit door de Europese Investeringsbank (EIB) niet is onderworpen aan kwijting; herhaalt bovendien dat de EOF-middelen openbare middelen zijn die door de Europese belastingsbetaler worden opgebracht en niet door de kapitaalmarkt;

82.

betreurt, net als de Rekenkamer in haar Advies nr. 9/2007 betreffende het voorstel voor een verordening van de Raad inzake het Financieel Reglement van toepassing op het 10e Europees Ontwikkelingsfonds (16), de totstandbrenging van twee afzonderlijke beheersdomeinen, aangezien dit de reikwijdte van de kwijting beperkt, zorgt voor een bijkomende nood aan coördinatie tussen de Commissie en de EIB, en het moeilijk maakt een volledig beeld te krijgen van de bereikte resultaten;

83.

merkt op dat het jaarverslag van de EIB over de investeringsfaciliteit vooral financiële informatie bevat en weinig tot geen informatie over de resultaten van de verschillende gefinancierde programma’s;

84.

verzoekt de EIB in haar verslagen de nadruk te leggen op resultaten en volledige, relevante en objectieve informatie te verstrekken met betrekking tot uitkomsten, gestelde en verwezenlijkte doelstellingen en redenen voor mogelijke afwijkingen, alsook informatie betreffende uitgevoerde beoordelingen en een samenvatting van de evaluatieresultaten;

85.

benadrukt dat de EIB in ACS-landen werkzaam is in het kader van de Overeenkomst van Cotonou, waarvan het hoofddoel het uitbannen van armoede is en de bevordering van duurzame ontwikkeling, en dat ze daarom deze doelstellingen moet eerbiedigen met betrekking tot haar beleid inzake kredietverstrekking aan deze landen;

86.

verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te brengen van de specifieke procedures die ze met de EIB heeft ingevoerd om de inspanningen van de twee instellingen te coördineren om de ontwikkelingsdoelstellingen van de Europese Unie te bereiken, alsook van de doeltreffendheid van deze procedures;

87.

is bezorgd over het beeld van de EIB als minst transparante, minst verantwoordelijke en minst democratisch gecontroleerde instelling van alle organen die zijn belast met het implementeren van EU-beleid alsook van de openbare financiële instellingen;

88.

verzoekt de EIB, in het belang van de Europese Unie en haar waarden en met het oog op de verbetering van het beeld dat het publiek heeft van de EIB als instelling, bewijs voor te leggen dat aantoont:

—

hoe ze rekening houdt met de geest van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (17), en het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden,

—

hoe ze handelt in overeenstemming met de algemene toezeggingen op ontwikkelingsgebied van de Europese Unie en met de normen die andere multilaterale ontwikkelingsbanken hebben vastgelegd,

—

hoe haar financiering van kapitaalintensieve projecten in de winningsindustrie bijdraagt aan de vermindering van de armoede,

—

welke richtsnoeren ze heeft ontwikkeld voor investeringen in de energie-, bosbouw-, vervoer-, waterbeheer- en afvalbeheersector en hoe haar besluiten over investeringen volledig in overeenstemming zijn met deze richtsnoeren,

—

dat het zeer beperkte aantal voltijdse milieudeskundigen in haar personeelsbestand dat verantwoordelijk is voor de herziening van haar volledige leningenportefeuille en moet zorgen voor de naleving van het relevante beleid, voldoende is,

—

dat haar klachtenbehandelingsmechanisme voor getroffen burgers, waartoe eveneens burgers van buiten de Europese Unie toegang moeten hebben, doeltreffend is,

—

dat de maatregelen die worden getroffen om corruptie en witwassen van geld te bestrijden, doeltreffend zijn,

—

welke criteria ze hanteert voor leningen aan de privésector, die verder gaan dan basisnormen op financieel gebied, en een volledige lijst die aangeeft wie de eindbegunstigden zijn van haar leningen aan de privésector;

89.

verzoekt de Commissie de implementering van de investeringsfaciliteit op de voet te volgen om te waarborgen dat ervoor wordt gezorgd dat ze haar doelstellingen als ontwikkelingsinstrument verwezenlijkt, en zijn Commissie begrotingscontrole regelmatig op de hoogte te houden van haar bevindingen;

90.

verzoekt zijn Commissie begrotingscontrole haar activiteiten te versterken op het vlak van het toezicht op de financiële activiteiten van de EIB, dat volledig onder de verantwoordelijkheid van deze commissie valt krachtens bijlage VI, hoofdstuk V, punt 3 van het Reglement.

(1)   PB C 286 van 10.11.2008, blz. 273.

(2)   PB C 277 van 31.10.2008, blz. 243.

(3)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(4)   PB L 287 van 28.10.2005, blz. 1.

(5)   PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1 en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1.

(6)   PB L 109 van 26.4.2007, blz. 33.

(7)   PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(8)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(9)   PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(10)   PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(11)  Verklaring van de Commissie betreffende artikel 5 DCI, bijlage bij de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement van 24 oktober 2006 (COM(2006) 628).

(12)  ISBN 978-92-79-10115-1, te raadplegen op http://ec.europa.eu/commission_barroso/michel/Policy/key_documents/docs/NH8108406ENC_web.pdf.

(13)  Verslag van de Commissie. „Planning and optimising Commission human resources to serve Europese Unie priorities” (SEC(2007)0530), blz. 3, te raadplegen op: http://www.europarl.europa.eu/meetdocs/2004_2009/documents/dv/sec_2007_5/sec_2007_530.pdf.

(14)  (SEC(2008) 2579), werkdocument van de diensten van de Commissie. Bijlage bij het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement betreffende de follow-up van de kwijtingbesluiten voor 2006, blz. 86.

(15)   PB L 88 van 31.3.2009, blz. 253.

(16)   PB C 23 van 28.1.2008, blz. 3.

(17)   PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.