<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.58-20161101.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>C-431/20 P</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62020CC0431</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2021:623">EU:C:2021:623</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>18</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>18</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P><HT TYPE="SC">Conclusie van adv.-gen. Richard de la Tour – Zaak C‑431/20 P</HT></P><P><HT TYPE="SC">Tognoli e.a. / Parlement</HT></P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">J. Richard de la Tour</HT></P><P>van <DATE ISO="20210715">15 juli 2021</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0001"><P>Oorspronkelijke taal: Frans.</P></NOTE></P></TI><STI><P><HT TYPE="BOLD">Zaak C‑431/20 P</HT></P><P>Carlo Tognoli,</P><P>Emma Allione,</P><P>Luigi Alberto Colajanni,</P><P>Claudio Martelli,</P><P>Luciana Sbarbati,</P><P>Carla Dimatore, als erfgename van Mario Rigo,</P><P>Roberto Speciale,</P><P>Loris Torbesi, als erfgenaam van Eugenio Melandri,</P><P>Luciano Pettinari,</P><P>Pietro Di Prima,</P><P>Carla Barbarella,</P><P>Carlo Alberto Graziani,</P><P>Giorgio Rossetti,</P><P>Giacomo Porrazzini,</P><P>Guido Podestà,</P><P>Roberto Barzanti,</P><P>Rita Medici,</P><P>Aldo Arroni,</P><P>Franco Malerba,</P><P>Roberto Mezzaroma</P><P>tegen</P><P>Europees Parlement</P></STI></TITLE><INTERMEDIATE><INDEX IDX.CLOSE="”" SEPARATOR=" – " IDX.OPEN="„"><KEYWORD>Hogere voorziening</KEYWORD><KEYWORD>Eén Statuut voor leden van het Europees Parlement</KEYWORD><KEYWORD>In Italiaanse kiesdistricten gekozen leden van het Europees Parlement</KEYWORD><KEYWORD>Wijziging van de pensioenrechten door het Europees Parlement</KEYWORD><KEYWORD>Voor beroep vatbare handeling</KEYWORD><KEYWORD>Begrip</KEYWORD><KEYWORD>Bindende rechtsgevolgen</KEYWORD><KEYWORD>Memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift</KEYWORD><KEYWORD>Ontvankelijkheid</KEYWORD></INDEX></INTERMEDIATE><?PAGE NO="2"?><CONTENTS.CONCLUSION><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">I.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Inleiding</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0001"><NO.P>1.</NO.P><TXT>Met hun hogere voorziening verzoeken Carlo Tognoli en de overige rekwiranten om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van <DATE ISO="20200703">3 juli 2020</DATE>, Tognoli e.a./Parlement<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0002"><P>T‑395/19, T‑396/19, T‑405/19, T‑408/19, T‑419/19, T‑423/19, T‑424/19, T‑428/19, T‑433/19, T‑437/19, T‑443/19, T‑455/19, T‑458/19–T‑462/19, T‑464/19, T‑469/19 en T‑477/19, niet gepubliceerd; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0001" REF.END="QE0001"/>bestreden beschikking<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="201D" ID="QE0001"/>, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2020:302">EU:T:2020:302</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>.</P></NOTE>, waarbij het Gerecht hun beroepen tot nietigverklaring van de nota’s die op <DATE ISO="20190411">11 april 2019</DATE> zijn vastgesteld door het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het directoraat-generaal (DG) Financiën van het Europees Parlement en die betrekking hebben op de aanpassing van het bedrag van hun pensioenen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0003"><P>Zie punt 11 van deze conclusie.</P></NOTE> na de inwerkingtreding, op <DATE ISO="20190101">1 januari 2019</DATE>, van besluit nr. 14/2018 van het Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (bureau van de voorzitter van het huis van afgevaardigden, Italië)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0004"><P>Hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0002" REF.END="QE0002"/>besluit nr. 14/2018<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="201D" ID="QE0002"/>.</P></NOTE>, kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0002"><NO.P>2.</NO.P><TXT>Deze aan meerdere voormalige leden van het Europees Parlement of aan hun rechthebbenden gerichte nota’s vormen het voorwerp van talrijke beroepen, die door het Gerecht kennelijk niet-ontvankelijk zijn verklaard. Bij het Hof zijn hogere voorzieningen ingesteld tegen die beslissingen, die op dezelfde datum in vergelijkbare bewoordingen zijn gegeven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0005"><P>Naast de onderhavige hogere voorziening wordt tegelijkertijd de hogere voorziening behandeld die door een ander voormalig lid van het Europees Parlement is ingesteld [zaak Poggiolini/Parlement (C‑408/20 P)] tegen de beschikking van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200703">3 juli 2020</DATE>, <NAME.CASE>Falqui en Poggiolini/Parlement</NAME.CASE> (<NO.CASE>T‑347/19 en T‑348/19</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2020:303">EU:T:2020:303</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>). Andere hogere voorzieningen lopen in de zaken Coppo Gavazzi e.a./Parlement (C‑725/20 P) en Santini e.a./Parlement (C‑198/21 P) inzake identieke nota’s van <DATE ISO="20190411">11 april 2019</DATE> of <DATE ISO="20190508">8 mei 2019</DATE>. Deze hogere voorzieningen zijn ingesteld tegen respectievelijk de arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20201015">15 oktober 2020</DATE>, <NAME.CASE>Coppo Gavazzi e.a./Parlement</NAME.CASE> (<NO.CASE>T‑389/19–T‑394/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19–T‑414/19, T‑416/19–T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19–T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2020:494">EU:T:2020:494</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20210210">10 februari 2021</DATE>, <NAME.CASE>Santini e.a./Parlement</NAME.CASE> (<NO.CASE>T‑345/19, T‑346/19, T‑364/19–T‑366/19, T‑372/19–T‑375/19 en T‑385/19</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2021:78">EU:T:2021:78</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>). Momenteel loopt de schriftelijke behandeling van die procedures nog.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0003"><NO.P>3.</NO.P><TXT>Het Hof dient zich dus uit te spreken over de voorwaarden waaronder rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld tegen besluiten van het Europees Parlement inzake herziening van de pensioenen van zijn leden die zijn vastgesteld in het kader van een administratieve procedure waarvoor geen bijzondere regeling is vastgesteld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0004"><NO.P>4.</NO.P><TXT>De gedachtegang naar aanleiding van de onderhavige hogere voorziening en die in de zaak C‑408/20 P, die naar het Hof heeft beslist gezamenlijk worden onderzocht, zal voornamelijk betrekking hebben op het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0003" REF.END="QE0003"/>voor beroep vatbare handeling<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="201D" ID="QE0003"/> in de zin van artikel 263 VWEU.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0006"><P>Dit begrip is onderwerp van het eerste middel in de onderhavige hogere voorziening en het tweede middel in de hogere voorziening in de zaak C‑408/20 P. Mijn analyse wordt voor beide zaken in identieke bewoordingen uiteengezet.</P></NOTE></TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">II.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Toepasselijke bepalingen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0005"><NO.P>5.</NO.P><TXT>Artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0007"><P>Te vinden op: https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2018-11/tra-doc-nl-div-t-0000-2018-201810296-05_00.pdf.</P></NOTE> bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="086.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0004" REF.END="QE0004"/>1.</NO.PARAG><ALINEA>Wanneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, kan de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling of vóór de beslissing van het Gerecht om zonder<?PAGE NO="3"?> mondelinge behandeling uitspraak te doen, het verzoekschrift aanpassen om met dit nieuwe gegeven rekening te houden.</ALINEA><ALINEA>[...]</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="086.006"><NO.PARAG>6.</NO.PARAG><ALINEA>Onverminderd de door het Gerecht te nemen beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift, bepaalt de president voor de verweerder een termijn waarbinnen hij op de memorie houdende aanpassing kan antwoorden.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="086.007"><NO.PARAG>7.</NO.PARAG><ALINEA>De president bepaalt, zo nodig, voor de interveniënten een termijn waarbinnen zij hun memories in interventie kunnen aanvullen in het licht van de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift en de memorie van antwoord. Te dien einde worden deze memories gelijktijdig aan de interveniënten betekend.<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">III.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Voorgeschiedenis van het geding</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0006"><NO.P>6.</NO.P><TXT>De voorgeschiedenis van het geding wordt uiteengezet in de punten 1 tot en met 9 van de bestreden beschikking en kan worden samengevat als volgt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0007"><NO.P>7.</NO.P><TXT>Als voormalige in Italië gekozen leden van het Parlement of als nabestaande echtgenoten van dergelijke leden, genieten verzoekers een ouderdomspensioen dat wordt uitgekeerd op grond van de regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Parlement, of een overlevingspensioen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0008"><NO.P>8.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20180712">12 juli 2018</DATE> heeft het bureau van de voorzitter van het huis van afgevaardigden bij besluit nr. 14/2018 besloten het bedrag van de pensioenen van de voormalige leden van dat huis over de tot en met <DATE ISO="20111231">31 december 2011</DATE> vervulde dienstjaren op basis van het bijdragestelsel te herberekenen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0008"><P>In punt 3 van de bestreden beschikking is opgemerkt dat de Consiglio di giurisdizione della Camera dei deputati (raad voor jurisdictie van het huis van afgevaardigden, Italië) momenteel de rechtmatigheid van besluit nr. 14/2018 onderzoekt.</P></NOTE> Op die basis is het bedrag van de aan die leden of hun overlevende nabestaanden uitgekeerde pensioenen vanaf <DATE ISO="20190101">1 januari 2019</DATE> verlaagd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0009"><NO.P>9.</NO.P><TXT>Het Parlement heeft rekwiranten er bij een toelichting bij hun pensioenafrekeningen van de maand januari 2019 van in kennis gesteld dat het bedrag van hun pensioenen overeenkomstig besluit nr. 14/2018 zou kunnen worden herzien en dat deze herziening eventueel zou kunnen leiden tot de terugvordering van de ten onrechte uitgekeerde bedragen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0010"><NO.P>10.</NO.P><TXT>Bij een niet-gedateerde nota van het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement, die bij hun pensioenafrekeningen van de maand februari 2019 was gevoegd, zijn rekwiranten ervan in kennis gesteld dat:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>de juridische dienst van het Parlement had bevestigd dat besluit nr. 14/2018 automatisch op hun situatie van toepassing was;</P></ITEM><ITEM><P>het Parlement, zodra het de nodige informatie van de Camera dei deputati (huis van afgevaardigden, Italië) zou hebben ontvangen, hun de herberekening van hun pensioenbedragen ter kennis zou brengen en het eventuele verschil over de volgende twaalf maanden zou terugvorderen en,</P></ITEM><?PAGE NO="4"?><ITEM><P>hun pensioenbedragen definitief zouden worden vastgesteld bij een formele handeling waartegen een klacht zou kunnen worden ingediend op grond van artikel 72 van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van <DATE ISO="20080519">19 mei</DATE> en <DATE ISO="20080709">9 juli 2008</DATE> houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0009"><P><REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="159" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2009">PB 2009, C 159, blz. 1</REF.DOC.OJ>.</P></NOTE>, of beroep tot nietigverklaring zou kunnen worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0011"><NO.P>11.</NO.P><TXT>Bij nota’s van <DATE ISO="20190411">11 april 2019</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0010"><P>Hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0005" REF.END="QE0005"/>litigieuze nota’s<QUOT.END REF.START="QS0005" CODE="201D" ID="QE0005"/>.</P></NOTE> heeft dit afdelingshoofd rekwiranten meegedeeld dat, zoals hij had aangekondigd in zijn nota van februari 2019:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>het bedrag van hun pensioenen vanaf april 2019, met terugwerkende kracht tot <DATE ISO="20190101">1 januari 2019</DATE>, zou worden aangepast ten belope van de verlaging van de soortgelijke pensioenen die in Italië krachtens besluit nr. 14/2018 worden uitgekeerd aan de voormalige leden van het nationale parlement, overeenkomstig de ontwerpen voor de vaststelling van de nieuwe pensioenbedragen die bij deze nota’s waren gevoegd, en</P></ITEM><ITEM><P>hun een termijn van 30 dagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van deze nota’s, werd toegekend om hun opmerkingen in te dienen en dat de gevolgen van deze nota’s bij gebreke van dergelijke opmerkingen als definitief zouden worden beschouwd en onder meer zouden meebrengen dat de ten onrechte ontvangen bedragen voor de maanden januari, februari en maart 2019 werden teruggevorderd.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0012"><NO.P>12.</NO.P><TXT>Door middel van tussen <DATE ISO="20190513">13 mei</DATE> en <DATE ISO="20190604">4 juni 2019</DATE> verzonden e-mails hebben rekwiranten hun opmerkingen toegezonden aan de bevoegde dienst van het Parlement.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0013"><NO.P>13.</NO.P><TXT>Door middel van tussen <DATE ISO="20190522">22 mei</DATE> en <DATE ISO="20190624">24 juni 2019</DATE> verzonden e-mails heeft het Parlement de ontvangst van deze opmerkingen bevestigd en rekwiranten laten weten dat zij na onderzoek van hun argumenten een antwoord zouden ontvangen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0014"><NO.P>14.</NO.P><TXT>Bij brieven gedateerd tussen <DATE ISO="20190620">20 juni</DATE> en <DATE ISO="20190723">23 juli 2019</DATE>, dus nadat de beroepen in eerste aanleg door rekwiranten waren ingesteld<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0011"><P>Zie punt 16 van deze conclusie. In één zaak, die van Emma Allione (zaak T‑396/19), dateert het antwoord van het Parlement van <DATE ISO="20190620">20 juni 2019</DATE> van vóór het op <DATE ISO="20190628">28 juni 2019</DATE> neergelegde verzoekschrift. Zie in die zin de punten 10 en 12 van de bestreden beschikking.</P></NOTE>, heeft het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement opgemerkt dat de door hen ingediende opmerkingen geen gegevens bevatten die een herziening van het standpunt van het Parlement zoals dat in de litigieuze nota’s was verwoord, zouden kunnen rechtvaardigen, en dat de pensioenbedragen alsook het plan voor de terugvordering van de niet-verschuldigde bedragen, zoals herberekend en als bijlage bij die nota’s toegezonden, bijgevolg definitief waren geworden op de datum van kennisgeving van die besluiten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0015"><NO.P>15.</NO.P><TXT>Op de datum van de bestreden beschikking had het Parlement evenwel nog geen definitief besluit genomen over de situatie van Eugenio Melandri (zaak T‑437/19), wegens het specifieke karakter daarvan.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">IV.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0016"><NO.P>16.</NO.P><TXT>Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen <DATE ISO="20190628">28 juni</DATE> en <DATE ISO="20190708">8 juli 2019</DATE>, hebben rekwiranten beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze nota’s ingesteld.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="5"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0017"><NO.P>17.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20190916">16</DATE>, <DATE ISO="20190919">19</DATE> en <DATE ISO="20190924">24 september 2019</DATE> heeft het Parlement bij afzonderlijke akten een exceptie van niet-ontvankelijkheid van die beroepen opgeworpen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0018"><NO.P>18.</NO.P><TXT>Tussen <DATE ISO="20190919">19 september</DATE> en <DATE ISO="20191004">4 oktober 2019</DATE> hebben rekwiranten, met uitzondering van Allione (zaak T‑396/19) en Melandri (zaak T‑437/19), memories houdende aanpassing van hun respectieve verzoekschriften ingediend. Tussen <DATE ISO="20191015">15</DATE> en <DATE ISO="20191028">28 oktober 2019</DATE> heeft het Parlement opmerkingen over die memories ingediend.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0019"><NO.P>19.</NO.P><TXT>Tussen <DATE ISO="20190903">3 september</DATE> en <DATE ISO="20191112">12 november 2019</DATE> hebben rekwiranten, met uitzondering van Melandri (zaak T‑437/19)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0012"><P>Melandri is op <DATE ISO="20191027">27 oktober 2019</DATE> overleden. Op <DATE ISO="20200130">30 januari 2020</DATE> is het Gerecht medegedeeld dat Loris Torbesi de procedure wilde voortzetten.</P></NOTE>, hun opmerkingen over de door het Parlement opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid van de verzoekschriften ingediend.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0020"><NO.P>20.</NO.P><TXT>Bij beschikkingen van <DATE ISO="20191210">10 december 2019</DATE> heeft het Gerecht beslist het onderzoek van de excepties van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde te voegen. Op <DATE ISO="20200127">27</DATE> en <DATE ISO="20200128">28 januari 2020</DATE> heeft het Parlement zijn verweerschriften neergelegd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0021"><NO.P>21.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20200203">3 februari 2020</DATE> heeft het Gerecht beslist dat een tweede memoriewisseling niet nodig was.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0022"><NO.P>22.</NO.P><TXT>Bij de bestreden beschikking, die krachtens artikel 126 van zijn Reglement voor de procesvoering is gegeven, heeft het Gerecht deze beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0023"><NO.P>23.</NO.P><TXT>In de eerste plaats heeft het Gerecht met betrekking tot het verzoek om nietigverklaring van de litigieuze nota’s om te beginnen beslist dat de excepties van niet-ontvankelijkheid binnen de vereiste termijnen door het Parlement waren opgeworpen, aangezien bij de berekening van die termijnen een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen in aanmerking moet worden genomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0013"><P>Zie de punten 45‑48 van de bestreden beschikking.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0024"><NO.P>24.</NO.P><TXT>Vervolgens heeft het Gerecht geoordeeld dat de litigieuze nota’s geen bezwarende handelingen vormden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0014"><P>Zie punt 57 van de bestreden beschikking.</P></NOTE> Na te hebben opgemerkt dat het enkele feit dat de nieuwe wijze van berekening van de pensioenen vanaf april 2019 was toegepast, op zich niet volstond om aan tonen dat het Parlement een definitief standpunt inzake het bedrag van de pensioenen had ingenomen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0015"><P>Zie punt 51, laatste volzin, van de bestreden beschikking.</P></NOTE>, heeft het Gerecht uit de bewoordingen van de litigieuze nota’s en de mogelijkheid voor rekwiranten om opmerkingen in te dienen, waaraan in die nota’s werd herinnerd en die zij benut hebben<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0016"><P>Zie de punten 52 en 53 van de bestreden beschikking.</P></NOTE>, afgeleid dat de antwoorden van het Parlement aan rekwiranten definitieve besluiten van die instelling vormden en bijgevolg niet konden worden gezien als handelingen die louter de litigieuze nota’s bevestigden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0017"><P>Zie de punten 56 en 60 van de bestreden beschikking.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0025"><NO.P>25.</NO.P><TXT>Ten slotte heeft het Gerecht geoordeeld dat de omstandigheid dat in de litigieuze nota’s niet was gepreciseerd binnen welke termijn het Parlement op de opmerkingen van rekwiranten zou antwoorden niet relevant was, evenmin als de grieven betreffende een ontoereikende motivering en schending van het evenredigheidsbeginsel.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0018"><P>Zie de punten 61 en 62 van de bestreden beschikking.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="6"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0026"><NO.P>26.</NO.P><TXT>In de tweede plaats heeft het Gerecht geoordeeld dat de door rekwiranten neergelegde memories houdende aanpassing kennelijk niet-ontvankelijk waren, op grond dat hun oorspronkelijke verzoekschriften op de datum van indiening niet-ontvankelijk waren<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0019"><P>Zie de punten 66 en 67 van de bestreden beschikking.</P></NOTE> en dat de in die memories opgenomen vorderingen, die betrekking hadden op andere <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0006" REF.END="QE0006"/>voorafgaande, voorbereidende, daaropvolgende of daarmee verbonden<QUOT.END REF.START="QS0006" CODE="201D" ID="QE0006"/> handelingen, hoe dan ook niet-ontvankelijk moesten worden verklaard aangezien zij het voorwerp van het geschil onvoldoende nauwkeurig hadden beschreven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0020"><P>Zie punt 69 van de bestreden beschikking.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0027"><NO.P>27.</NO.P><TXT>In de derde plaats heeft het Gerecht de verzoeken van rekwiranten om het Parlement te veroordelen tot betaling van de ten onrechte ingehouden bedragen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, op grond dat het Gerecht volgens vaste rechtspraak geen bevelen kan richten tot de instellingen van de Unie.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0021"><P>Zie de punten 73 en 74 van de bestreden beschikking.</P></NOTE></TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">V.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Conclusies van partijen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0028"><NO.P>28.</NO.P><TXT>Rekwiranten verzoeken het Hof:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>de bestreden beschikking te vernietigen;</P></ITEM><ITEM><P>de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen, en</P></ITEM><ITEM><P>het Parlement te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0029"><NO.P>29.</NO.P><TXT>Het Parlement verzoekt het Hof:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>de hogere voorziening af te wijzen, en</P></ITEM><ITEM><P>rekwiranten te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">VI.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Hogere voorziening</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0030"><NO.P>30.</NO.P><TXT>Primair stellen rekwiranten dat de litigieuze nota’s vatbaar zijn voor beroep. Subsidiair werpen zij twee andere middelen op, één ontleend aan een onjuiste uitlegging van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering en één ontleend aan schending van het beginsel van hoor en wederhoor alsook aan een onjuiste uitlegging van artikel 126 van dat Reglement.</TXT></NP.ECR><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">A.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Eerste middel: vatbaarheid voor beroep van de nota’s</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0031"><NO.P>31.</NO.P><TXT>Met dit middel bekritiseren rekwiranten de beslissing van het Gerecht om de litigieuze nota’s niet aan te merken als bezwarende handelingen die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0022"><P>Zie de punten 24 en 25 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="7"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">1.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Argumenten van partijen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0032"><NO.P>32.</NO.P><TXT>Rekwiranten betogen:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>primair, dat de vatbaarheid voor beroep van een handeling volgens de rechtspraak van het Hof voortvloeit uit de rechtsgevolgen en niet uit het definitieve karakter ervan, a fortiori bij gebreke van een aangewezen rechtsgrond die een voorlopige handeling onderscheidt van een definitieve. In casu zijn de litigieuze nota’s van invloed geweest op het bedrag van de pensioenen die vanaf april 2019 zijn uitgekeerd, en, ten overvloede;</P></ITEM><ITEM><P>dat het niet duidelijk was dat de litigieuze nota’s konden worden gevolgd door besluiten die deze niet louter bevestigden, dat uit de inhoud van de antwoorden van het Parlement op de opmerkingen blijkt dat zij louter bevestigend waren en dat het Parlement zichzelf tegenspreekt door te betogen dat het gehouden was besluit nr. 14/2018 toe te passen;</P></ITEM><ITEM><P>dat de aard van de litigieuze nota’s niet kan veranderen al naargelang er al dan niet opmerkingen worden ingediend, terwijl er wegens het besluit van het Parlement om besluit nr. 14/2018 automatisch om te zetten geen verdere elementen vereist zijn en dat zij, bij gebreke van informatie over de termijn voor beantwoording door het Parlement, niet konden wachten met het instellen van hun beroep, en</P></ITEM><ITEM><P>dat Allione (zaak T‑396/19) haar beroep tegen de haar betreffende litigieuze nota heeft ingesteld op de datum waarop het Parlement haar schriftelijke opmerkingen heeft beantwoord, dus de dag waarop die handeling definitief is geworden.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0033"><NO.P>33.</NO.P><TXT>Het Parlement betoogt dat de verlaging van het pensioenbedrag kon worden gewijzigd in het licht van de opmerkingen van rekwiranten en dat zijn definitieve standpunt is vastgesteld na de litigieuze nota’s, zoals blijkt uit de bewoordingen van die nota’s en het benutten van de mogelijkheid voor de belanghebbenden om schriftelijke opmerkingen in te dienen. Het ontbreken van een rechtsgrondslag waardoor deze nota’s als voorbereidend kunnen worden beschouwd, is niet relevant voor de kwalificatie ervan, aangezien de praktijk van het Parlement is gericht op het waarborgen van de rechten van de betrokkenen om te worden gehoord voordat definitief wordt besloten om het bedrag van hun rechten te verlagen. Verder merkt het Parlement op dat de onmiddellijke gevolgen van die nota’s voorlopig van aard zijn.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">2.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Beoordeling</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0034"><NO.P>34.</NO.P><TXT>Met dit eerste middel bekritiseren rekwiranten in wezen de wijze waarop het Gerecht de voorwaarde betreffende het rechtsgevolg waardoor de beroepsgang van artikel 263 VWEU wordt geopend, heeft getoetst in het licht van de rechtspraak van het Hof.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0035"><NO.P>35.</NO.P><TXT>Als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0007" REF.END="QE0007"/>voor beroep vatbare handelingen<QUOT.END REF.START="QS0007" CODE="201D" ID="QE0007"/> in de zin van dat artikel worden aangemerkt alle door de instellingen vastgestelde bepalingen, ongeacht de vorm ervan, die tot doel hebben bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de belangen van de verzoekende natuurlijke of rechtspersoon aantasten, doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0023"><P>Zie arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20210225">25 februari 2021</DATE>, <NAME.CASE>VodafoneZiggo Group/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑689/19 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2021:142">EU:C:2021:142</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20210422">22 april 2021</DATE>, <NAME.CASE>thyssenkrupp Electrical Steel en thyssenkrupp Electrical Steel Ugo/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑572/18 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2021:317">EU:C:2021:317</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0046">46</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="8"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0036"><NO.P>36.</NO.P><TXT>Daarentegen ontsnapt elke handeling die geen bindende rechtsgevolgen in het leven roept, zoals voorbereidende handelingen en handelingen die louter uitvoering behelzen, gewone aanbevelingen en adviezen en, in beginsel, interne instructies, aan rechterlijke toetsing als bedoeld in artikel 263 VWEU.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0024"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20210422">22 april 2021</DATE>, <NAME.CASE>thyssenkrupp Electrical Steel en thyssenkrupp Electrical Steel Ugo/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑572/18 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2021:317">EU:C:2021:317</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0047">47</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0037"><NO.P>37.</NO.P><TXT>Om vast te stellen of de bestreden handeling bindende rechtsgevolgen in het leven roept, moet worden gekeken naar de wezenlijke inhoud van die handeling alsmede naar de bedoeling van de auteur ervan<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0025"><P>Zie met betrekking tot het ontbreken van gevolgen van bepaalde formele vereisten het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20080717">17 juli 2008</DATE>, <NAME.CASE>Athinaïki Techniki/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑521/06 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2008:422">EU:C:2008:422</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0045">45</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, en moeten die gevolgen worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de context waarin de handeling is vastgesteld en de bevoegdheden van de instelling die de handeling heeft vastgesteld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0026"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20210422">22 april 2021</DATE>, <NAME.CASE>thyssenkrupp Electrical Steel en thyssenkrupp Electrical Steel Ugo/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑572/18 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2021:317">EU:C:2021:317</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0038"><NO.P>38.</NO.P><TXT>Zo vormen tussenmaatregelen die ertoe strekken het eindbesluit voor te bereiden in beginsel geen handelingen waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat. Dat is het geval indien zij een voorlopig standpunt van de instelling uitdrukken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0027"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111013">13 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Deutsche Post en Duitsland/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑463/10 P en C‑475/10 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:656">EU:C:2011:656</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0050">50</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0039"><NO.P>39.</NO.P><TXT>Tussenhandelingen zijn evenmin vatbaar voor beroep indien vaststaat dat de onrechtmatigheid daarvan kan worden aangevoerd tot staving van een beroep tegen het eindbesluit in de aanloop waarvan deze handelingen zijn vastgesteld. In die omstandigheden waarborgt het beroep dat kan worden ingesteld tegen het besluit waarmee de procedure wordt beëindigd, voldoende rechtsbescherming.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0028"><P>Zie arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111013">13 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Deutsche Post en Duitsland/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑463/10 P en C‑475/10 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:656">EU:C:2011:656</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0053">53</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20210422">22 april 2021</DATE>, <NAME.CASE>thyssenkrupp Electrical Steel en thyssenkrupp Electrical Steel Ugo/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑572/18 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2021:317">EU:C:2021:317</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0050">50</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0040"><NO.P>40.</NO.P><TXT>Bovendien kan tegen het litigieuze besluit slechts een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld indien, ook zonder afbreuk te doen aan de bewoordingen van het dispositief van het eerdere besluit, de wijziging van bepaalde overwegingen van dat besluit heeft geleid tot een inhoudelijke verandering van hetgeen in het dispositief ervan is beslist, waardoor de belangen van verzoeksters zijn aangetast in de zin van de rechtspraak inzake artikel 263 VWEU. Zo niet, dan is er sprake van een bevestigende handeling die niet vatbaar is voor beroep in de zin van dat artikel.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0041"><NO.P>41.</NO.P><TXT>In casu heeft het Gerecht, op basis van rechtspraak die overeenstemt met de rechtspraak die wordt genoemd in de punten 35 en 38 van deze conclusie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0029"><P>Zie de punten 50 en 51 van de bestreden beschikking.</P></NOTE>, gewezen op elementen uit de inhoud van de litigieuze nota’s, te weten de gebruikte term <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0008" REF.END="QE0008"/>ontwerp<QUOT.END REF.START="QS0008" CODE="201D" ID="QE0008"/> en de precisering dat de herziening van de pensioenbedragen en de terugvordering van ten onrechte over januari tot en met maart 2019 ontvangen bedragen pas definitief zouden worden bij het verstrijken van een termijn van 30 dagen waarbinnen opmerkingen konden worden geformuleerd. Het Gerecht heeft geoordeeld dat het feit dat rekwiranten van die mogelijkheid hebben gebruikgemaakt, heeft verhinderd dat de ontwerpen voor de vaststelling van de nieuwe pensioenbedragen definitief werden en dat de brieven die zijn verzonden nadat rekwiranten hun opmerkingen hadden geformuleerd dientengevolge de definitieve besluiten van het Parlement vormen.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="9"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0042"><NO.P>42.</NO.P><TXT>Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat die brieven geen louter bevestigende handelingen zijn, aangezien de litigieuze nota’s geen definitief karakter hadden, en dat het in dit verband niet relevant is dat in die nota’s geen nauwkeurige informatie werd gegeven over de termijn voor beantwoording door het Parlement.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0043"><NO.P>43.</NO.P><TXT>In het kader van het eerste middel in de hogere voorziening worden de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot de inhoud van de litigieuze nota’s en de context van de uitgifte daarvan niet door rekwiranten betwist. Rekwiranten zijn van mening dat het Gerecht bij zijn beoordeling van de vatbaarheid voor beroep van die nota’s blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de bevoegdheden van de administratie waarvan deze nota’s afkomstig zijn, door te betogen dat deze tot onmiddellijke verlaging van de pensioenen hebben geleid.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0044"><NO.P>44.</NO.P><TXT>Uit de punten 5, 6 en 51 van de bestreden beschikking blijkt dat het Gerecht heeft vastgesteld dat de litigieuze nota’s zijn uitgegeven door het Parlement, dat beslissingsbevoegd is, en dat het Parlement overeenkomstig het systeem om het bedrag van de pensioenen van zijn leden vast te stellen, verplicht is het bedrag van de uitgekeerde pensioenen te herzien. Volgens de vaststellingen van het Gerecht hield de praktijk van het DG Financiën van deze instelling in deze context in dat het rekwiranten in februari 2019 heeft geïnformeerd over de komende aanpassing van hun pensioenbedrag als gevolg van de automatische toepasselijkheid van besluit nr. 14/2018, en vervolgens, twee maanden later via die nota’s, over de daadwerkelijke uitvoering ervan alsmede over de mogelijkheid om binnen 30 dagen vanaf verzending van die nota’s opmerkingen te formuleren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0045"><NO.P>45.</NO.P><TXT>Daaruit kan bijgevolg worden afgeleid dat het Parlement ondubbelzinnig een maatregel heeft vastgesteld die rechtsgevolgen meebrengt die de belangen van rekwiranten aantasten en die hun dwingend is opgelegd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0046"><NO.P>46.</NO.P><TXT>Het Gerecht heeft zijn oordeel dat de litigieuze nota’s geen besluiten vormen, gebaseerd op de mogelijkheid om naar aanleiding van die nota’s opmerkingen te formuleren, en vastgesteld dat die mogelijkheid was benut, dat de opmerkingen van rekwiranten waren onderzocht en dat de vanaf januari 2019 ten onrechte betaalde bedragen niet waren teruggevorderd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0047"><NO.P>47.</NO.P><TXT>Daarbij heeft het Gerecht de volgende, uit deze vaststellingen voortvloeiende elementen niet in aanmerking genomen:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>het feit dat de bindende gevolgen van de litigieuze nota’s die de belangen van rekwiranten aantasten niet werden opgeschort bij ontvangst van opmerkingen, en</P></ITEM><ITEM><P>de zekerheid dat het Parlement zijn besluit in beginsel niet kon herzien, aangezien dit besluit verplicht was gekoppeld aan besluit nr. 14/2018.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0048"><NO.P>48.</NO.P><TXT>Hieruit vloeit voort dat de litigieuze nota’s – anders dan de nota’s die in februari 2019 zijn verstuurd – in deze bijzondere omstandigheden die sterk afwijken van de omstandigheden die hebben geleid tot de door het Gerecht in punt 50 van de bestreden beschikking aangehaalde rechtspraak, niet kunnen worden beschouwd als louter informatieve brieven die aan rekwiranten zouden zijn verstuurd om hun standpunt te vernemen en het Parlement een zo volledig mogelijk beeld te verschaffen voordat het zijn besluit nam, of met andere woorden, als een noodzakelijke stap voordat het hun rechten beperkte.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="10"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0049"><NO.P>49.</NO.P><TXT>In deze context hadden de litigieuze nota’s enkel als voorlopig of voorbereidend standpunt kunnen worden beschouwd indien het Parlement duidelijk had gemaakt dat zijn besluit om de pensioenen naar aanleiding van besluit nr. 14/2018 te verlagen enkel concrete gevolgen zou hebben indien de belanghebbenden geen opmerkingen zouden indienen of bij het verstrijken van een bepaalde termijn om die opmerkingen te formuleren, hetgeen in casu niet het geval is geweest.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0050"><NO.P>50.</NO.P><TXT>De vaststelling dat het Parlement de tussen januari en maart 2019 ten onrechte betaalde bedragen niet heeft teruggevorderd en er zo voor heeft gezorgd dat de verlaging van het pensioenbedrag, die vanaf april 2019 werd toegepast, geen volledige uitwerking had, is in dit verband niet relevant. Deze vaststelling doet immers niet af aan de kwalificatie van de litigieuze nota’s die is ontleend aan de automatische herziening van het bedrag van het uitgekeerde pensioen en de uit te keren pensioenen, aangezien de materiële voorwaarden voor terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen ook zijn gekoppeld aan besluit nr. 14/2018.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0051"><NO.P>51.</NO.P><TXT>De vatbaarheid voor beroep van de litigieuze nota’s wordt ondersteund door de vaststelling, die voortvloeit uit punt 56 van de bestreden beschikking, dat in deze procedure voor herziening van de pensioenen geen enkel ander besluit is genomen na het verstrijken van de termijn van 30 dagen waarbinnen de pensioengerechtigden opmerkingen konden indienen of in geval van verwerping van die opmerkingen. Bij gebreke van een procedure voor een nieuw onderzoek resulterend in een besluit met een gedetailleerde motivering in reactie op de opmerkingen van de pensioengerechtigden, moet de rechtsgeldigheid van de handeling die een wijziging van het pensioenbedrag tot gevolg heeft gehad worden beoordeeld bij het verstrijken van die termijn op grond van de gegevens waarover het Parlement kon beschikken toen het de pensioengerechtigden in kennis stelde.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0052"><NO.P>52.</NO.P><TXT>Evenzo kan het Parlement in omstandigheden zoals in het onderhavige geding niet op goede gronden beweren dat rekwiranten, die na ontvangst van de litigieuze nota’s opmerkingen hebben geformuleerd, hadden moeten wachten totdat het Parlement in antwoord hierop had bevestigd dat het bedrag van hun pensioenen was verlaagd, opdat die reactie op hun opmerkingen kon worden beschouwd als een definitieve en dus voor beroep vatbare handeling. Het was immers hoogst onwaarschijnlijk dat een dergelijke aanpak van rekwiranten zou slagen wat betreft het beginsel van de verlaging van het pensioenbedrag, dat volgens herhaaldelijk door het Parlement verstrekte informatie werd bepaald bij besluit nr. 14/2018, waardoor zij het risico liepen dat de reactie van het Parlement, bij gebreke van nieuwe elementen, werd beschouwd als een bevestigende handeling die niet voor beroep vatbaar was.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0030"><P>Zie punt 40 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0053"><NO.P>53.</NO.P><TXT>Deze analyse wordt ondersteund door de rechtspraak inzake de definitie van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0009" REF.END="QE0009"/>bezwarende handeling<QUOT.END REF.START="QS0009" CODE="201D" ID="QE0009"/> op het gebied van geschillen inzake het ambtenarenrecht in geval van bezwaren tegen de financiële gevolgen van een besluit. Zo kan het bestaan van een besluit blijken uit een maandelijkse loonstrook.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0031"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19760615">15 juni 1976</DATE>, <NAME.CASE>Wack/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>1/76</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1976:91">EU:C:1976:91</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0005">5</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Wanneer die loonstrook de eerste keer de concretisering is van de uitvoering van een nieuwe handeling van algemene strekking betreffende de vaststelling van financiële rechten, vormt deze jegens de geadresseerde noodzakelijkerwijs de uiting van de vaststelling van een administratief besluit van individuele strekking dat bindende rechtsgevolgen sorteert die de belangen van de ambtenaar in kwestie rechtstreeks en onmiddellijk kunnen aantasten. De latere salarisafrekeningen weerspiegelen daarentegen alleen het feit dat de<?PAGE NO="11"?> gevolgen van dat oorspronkelijke administratieve besluit van individuele strekking in de tijd voortduren, en kunnen worden aangemerkt als bevestigende administratieve besluiten van individuele strekking.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0032"><P>Zie arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20191212">12 december 2019</DATE>, <NAME.CASE>Tàpias/Raad</NAME.CASE> (<NO.CASE>T‑527/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2019:856">EU:T:2019:856</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20121205">5 december 2012</DATE>, <NAME.CASE>Lebedef e.a./Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>F‑110/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:F:2012:174">EU:F:2012:174</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0054"><NO.P>54.</NO.P><TXT>Bovendien kan worden herinnerd aan de vaste rechtspraak volgens welke, wanneer een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek vraagt om heronderzoek van een besluit van een jury, het besluit dat de jury na heronderzoek van de situatie van de kandidaat neemt, het voor hem bezwarende besluit is, omdat het na heronderzoek genomen besluit in de plaats van het oorspronkelijke besluit van de jury komt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0033"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20180905">5 september 2018</DATE>, <NAME.CASE>Villeneuve/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>T‑671/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2018:519">EU:T:2018:519</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0024">24</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0055"><NO.P>55.</NO.P><TXT>Aangezien de vatbaarheid voor beroep van de litigieuze nota’s in de zin van artikel 263 VWEU volgens mij grotendeels voortvloeit uit de opeenvolging van de aan rekwiranten verstrekte informatie en de concretisering van een algemeen besluit in omstandigheden die de rechtsbescherming van rekwiranten onzeker maken, lijkt het mij ten slotte nuttig het Hof te wijzen op de draagwijdte van het arrest van <DATE ISO="20180628">28 juni 2018</DATE>, Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0034"><P><REF.DOC.ECR><NO.CASE>C‑635/16 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:510">EU:C:2018:510</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0010" REF.END="QE0010"/>arrest Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie<QUOT.END REF.START="QS0010" CODE="201D" ID="QE0010"/>.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0056"><NO.P>56.</NO.P><TXT>Op bepaalde punten kunnen de omstandigheden van de zaak die tot dat arrest heeft geleid worden vergeleken met die waarop het eerste middel in de hogere voorziening is gebaseerd. Het Hof heeft namelijk opgemerkt dat de rekwirante een e-mail had ontvangen die zij als kennisgeving van de afwijzing van haar voorstel door de Europese Commissie kon beschouwen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0035"><P>In punt 66 van het arrest Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie heeft het Hof opgemerkt <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0011" REF.END="QE0011"/>dat uit de bewoordingen van de e-mail van <DATE ISO="20150717">17 juli 2015</DATE>, zoals opgenomen in punt 21 van het huidige arrest, blijkt dat [het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA)] <HT TYPE="ITALIC">[de vennootschap Spliethoff’s Bevrachtingskantoor BV] uitdrukkelijk heeft geïnformeerd over het feit dat haar <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0012" REF.END="QE0012"/>voorstel [niet was] geselecteerd</HT><QUOT.END REF.START="QS0012" CODE="2019" ID="QE0012"/>. Het klopt dat INEA hierbij heeft gepreciseerd dat <HT TYPE="ITALIC">de procedure</HT> voor de vaststelling van een besluit van de Commissie betreffende de selectie van projecten en de verlening van subsidies <HT TYPE="ITALIC">nog liep</HT>. Zij heeft daaraan evenwel toegevoegd dat <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0013" REF.END="QE0013"/><HT TYPE="ITALIC">in het onwaarschijnlijke geval dat er bij de vaststelling van dit besluit wijzigingen worden aangebracht betreffende uw voorstel, u daarvan apart op de hoogte zal worden gesteld via e‑mail</HT><QUOT.END REF.START="QS0013" CODE="2019" ID="QE0013"/>. [Die vennootschap] heeft echter in dit verband vervolgens geen enkele e-mail meer ontvangen van INEA of de Commissie.<QUOT.END REF.START="QS0011" CODE="201D" ID="QE0011"/> Cursivering van mij.</P></NOTE>, en dat zij niet op de hoogte was van het bestaan van het definitieve besluit, dat door de Commissie was vastgesteld nadat zij haar beroep had ingesteld. Anders dan het Gerecht, dat had geoordeeld dat dat beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het was gericht tegen een e-mail waarvan de Commissie niet de auteur was en omdat de bestreden handeling enkel provisorisch was<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0036"><P>Zie arrest Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie (punten 31, 34 en 65).</P></NOTE>, heeft het Hof uit de constateringen van het Gerecht afgeleid dat dit, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van het geval en ter waarborging van de effectieve rechterlijke bescherming van de rekwirante, had moeten erkennen dat het definitieve besluit het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring tegen de Commissie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0037"><P>Zie arrest Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie (punt 71).</P></NOTE> was.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0057"><NO.P>57.</NO.P><TXT>Zo heeft het Hof zich in dat arrest niet uitgesproken over het voorlopige karakter van de litigieuze handeling, maar over het feit dat de rekwirante niet in staat was het uitvoeringsbesluit van de Commissie aan te wijzen, dat gelet op de toegepaste procedure de definitieve handeling vormde, waarbij het tevens het feit in aanmerking nam dat de litigieuze e-mail informatie over de mogelijkheden tot beroep bevatte en dat die mogelijkheden waren benut zonder dat de rekwirante op de hoogte was van het uitvoeringsbesluit.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0038"><P>Zie arrest Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie (punten 66‑70).</P></NOTE> In die zin verdient dat arrest bijzondere aandacht, aangezien het duidelijk maakt wat de procedurele gevolgen zijn in geval van onzekerheid over de<?PAGE NO="12"?> aard en de draagwijdte van handelingen wat betreft de rechtsgevolgen ervan, die wordt veroorzaakt door de bewoordingen en context van die handelingen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0039"><P>Zie in dit verband conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑635/16 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:28">EU:C:2018:28</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0006">6</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0007">7</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). De advocaat-generaal heeft gepreciseerd dat de rekwirante in de hogere voorziening bij het Gerecht een ander beroep had ingesteld, waarin zij de nietigverklaring vorderde van het uitvoeringsbesluit van de Commissie, welk beroep volgens de Commissie te laat was ingesteld.</P></NOTE> Gelet op een en ander geef ik het Hof subsidiair in overweging een analoge motivatie aan te houden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0058"><NO.P>58.</NO.P><TXT>Uit al deze overwegingen leid ik af dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze nota’s die door rekwiranten zijn ingesteld kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat zij geen voor beroep vatbare handelingen vormen waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0059"><NO.P>59.</NO.P><TXT>Bijgevolg geef ik het Hof in overweging het eerste middel in hogere voorziening gegrond te verklaren en derhalve de bestreden beschikking te vernietigen, waarbij het tweede en het derde middel in hogere voorziening, die subsidiair zijn, niet behoeven te worden onderzocht.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0060"><NO.P>60.</NO.P><TXT>Voor het geval het Hof besluit dit eerste middel af te wijzen, vul ik mijn analyse aan met de twee andere middelen.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">B.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Tweede middel: blijk van onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">1.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Argumenten van partijen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0061"><NO.P>61.</NO.P><TXT>Ter ondersteuning van dit tweede middel voeren rekwiranten in wezen aan dat de memories houdende aanpassing betrekking hebben op de handelingen die de aanvankelijk bestreden, in theorie voorlopige handelingen definitief zouden hebben gemaakt. Het is volgens hen dus onlogisch, in strijd met het vereiste van proceseconomie en een geval van rechtsweigering als deze memories niet-ontvankelijk worden verklaard.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0062"><NO.P>62.</NO.P><TXT>Zij verwijzen naar de arresten van <DATE ISO="20171109">9 november 2017</DATE>, HX/Raad<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0040"><P><REF.DOC.ECR><NO.CASE>C‑423/16 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:848">EU:C:2017:848</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>.</P></NOTE>, en Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie, waaruit voortvloeit dat artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering aldus moet worden uitgelegd dat een effectieve rechterlijke bescherming wordt gewaarborgd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0063"><NO.P>63.</NO.P><TXT>Bovendien heeft het Gerecht volgens rekwiranten in de punten 68 en 69 van de bestreden beschikking ten onrechte geoordeeld dat de handelingen waarop de memories houdende aanpassing betrekking hebben, niet voldoende duidelijk geïdentificeerd zijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0064"><NO.P>64.</NO.P><TXT>Het Parlement betoogt dat:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>het middel zonder voorwerp is voor Allione en Torbesi<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0041"><P>Bedoeld is Melandri, zie punt 18 en voetnoot 12 van deze conclusie.</P></NOTE>, die geen memorie houdende aanpassing hebben neergelegd;</P></ITEM><?PAGE NO="13"?><ITEM><P>de uiteindelijk vastgestelde besluiten niet de litigieuze nota’s vervangen en dat de beslissing in het arrest Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie, die is gebaseerd op een verschoonbare dwaling van rekwirante, niet op de onderhavige zaak kan worden toegepast;</P></ITEM><ITEM><P>de argumenten betreffende de punten 68 en 69 van de bestreden beschikking ongegrond zijn wegens het door het Gerecht duidelijk gemaakte onderscheid tussen de definitieve besluiten van het Parlement en de andere handelingen waarop de memorie houdende aanpassing betrekking heeft, en</P></ITEM><ITEM><P>het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming niet kan leiden tot afwijking van de in artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering vastgelegde ontvankelijkheidsvoorwaarden.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">2.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Beoordeling</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0065"><NO.P>65.</NO.P><TXT>Het Hof heeft in het arrest van <DATE ISO="20180920">20 september 2018</DATE>, Spanje/Commissie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0042"><P><REF.DOC.ECR><NO.CASE>C‑114/17 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:753">EU:C:2018:753</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0052">52</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0054">54</REF.NP.ECR>, <REF.NP.ECR REF="NP0056">56</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak.</P></NOTE>, in herinnering gebracht dat:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>blijkens de rechtspraak van het Hof de conclusies van de partijen er in beginsel door worden gekenmerkt dat zij onveranderlijk zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0043"><P>Zie conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Spanje/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑114/17 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:309">EU:C:2018:309</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0040">40</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), waarin in herinnering wordt gebracht dat <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0014" REF.END="QE0014"/>[a]rtikel 76, onder d), van het [Reglement voor de procesvoering] verlangt dat de verzoeker het voorwerp van het geschil in het verzoekschrift noemt. In beginsel kan een partij dit voorwerp niet wijzigen in de loop van het geding en mag de gegrondheid van een beroep uitsluitend worden onderzocht tegen de achtergrond van de conclusies die in het inleidend verzoekschrift zijn voorgedragen.<QUOT.END REF.START="QS0014" CODE="201D" ID="QE0014"/> In dit verband verwijst advocaat-generaal Sharpston naar het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101111">11 november 2010</DATE>, <NAME.CASE>Commissie/Portugal</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑543/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:669">EU:C:2010:669</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0020">20</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE> Artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering, dat ziet op de aanpassing van het inleidend verzoekschrift, vormt een codificatie van bestaande rechtspraak over de uitzonderingen die op dit beginsel van onveranderlijkheid kunnen worden gemaakt;<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0044"><P>Zie in dit verband de preciseringen in de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Spanje/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑114/17 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:309">EU:C:2018:309</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en voetnoot 23). Daarin wordt ook in herinnering gebracht dat de auteur van de betwiste handeling de mogelijkheid moet worden ontnomen om de voor het Hof betwiste handeling te wijzigen c.q. vervangen om zo de lopende procedure te frustreren.</P></NOTE></P></ITEM><ITEM><P>artikel 86 bepaalt dat wanneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling of vóór de beslissing van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, het verzoekschrift kan aanpassen om met dit nieuwe gegeven rekening te houden, dat wil zeggen het voorwerp van het verzoekschrift kan wijzigen;</P></ITEM><ITEM><P>aangezien dat artikel 86 een uitzondering is op het beginsel van onveranderlijkheid van het geding, het eng moet worden uitgelegd, en</P></ITEM><ITEM><P>het voor de aanpassing van het verzoekschrift vereist is dat de verzoeker een ondubbelzinnige en voldoende duidelijke en nauwkeurige uiteenzetting geeft van het voorwerp van de procedure en van zijn conclusies, teneinde te vermijden dat het Gerecht ultra petita uitspraak doet. In zoverre moet een memorie houdende aanpassing overeenkomstig artikel 86, lid 4,<?PAGE NO="14"?> onder a), van het Reglement voor de procesvoering met name de aangepaste conclusies bevatten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0045"><P>Zie, wat betreft deze in 2015 in het Reglement voor de procesvoering geïntroduceerde formaliteit, conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Spanje/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑114/17 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:309">EU:C:2018:309</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0043">43</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en voetnoot 24), waarin eraan wordt herinnerd dat het Gerecht de verzoeker toestond zijn verzoekschrift tijdens de terechtzitting aan te passen.</P></NOTE></P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0066"><NO.P>66.</NO.P><TXT>De rechtspraak die door zowel het Gerecht als rekwiranten ter ondersteuning van hun voorziening is aangehaald, ziet niet op procedurekwesties die vergelijkbaar zijn met de kwesties die in de beroepen van rekwiranten aan de orde zijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0067"><NO.P>67.</NO.P><TXT>De in punt 66 van de bestreden beschikking genoemde beslissingen tot niet-ontvankelijkheid brengen enkel de toepasselijke beginselen in herinnering, zonder enige voor de onderhavige zaak relevante illustratie te noemen. In de beschikking van <DATE ISO="20150114">14 januari 2015</DATE>, SolarWorld e.a./Commissie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0046"><P><REF.DOC.ECR><NO.CASE>T‑507/13</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2015:23">EU:T:2015:23</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>.</P></NOTE>, heeft het Gerecht namelijk geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een procesbelang, en in de beschikking van <DATE ISO="20191121">21 november 2019</DATE>, ZW/BEI<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0047"><P><REF.DOC.ECR><NO.CASE>T‑727/18</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2019:809">EU:T:2019:809</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>.</P></NOTE>, wegens laattijdigheid.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0068"><NO.P>68.</NO.P><TXT>Wat betreft de rechtspraak waarop rekwiranten zich beroepen in de zaak die heeft geleid tot het arrest van <DATE ISO="20171109">9 november 2017</DATE>, HZ/Raad<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0048"><P><REF.DOC.ECR><NO.CASE>C‑423/16 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:848">EU:C:2017:848</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0021">21</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>.</P></NOTE>, zijn de feiten niet vergelijkbaar. De vertegenwoordiger van HX had ter terechtzitting kennisgenomen van het bestaan van de handeling die de in het inleidend verzoekschrift betwiste handeling wijzigde en had zijn wens om zijn ter terechtzitting genomen conclusies aan te passen niet in een schriftelijk document bevestigd, doordat de versie van het Reglement voor de procesvoering in de procestaal daarover niet duidelijk was. Het Hof heeft geoordeeld dat het aan het Gerecht stond om de rekwirant op zijn fout te wijzen en hem in staat te stellen deze te herstellen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0069"><NO.P>69.</NO.P><TXT>In de zaak die heeft geleid tot het tweede aangehaalde arrest, te weten het arrest Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie, heeft het Hof zich niet uitgesproken over de voorwaarden voor de toepassing van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0049"><P>Zie in dit verband ook de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Spanje/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑114/17 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:309">EU:C:2018:309</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, voetnoot 36).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0070"><NO.P>70.</NO.P><TXT>Gelet op de bewoordingen van dat artikel 86 en de context waarin is erkend dat de aanvankelijke aanhangigmaking bij het Gerecht kon worden aangepast, lijkt het mij niet dat de werkingssfeer ervan kan worden uitgebreid tot gevallen waarin de rekwirant de strekking van de handeling waarvan hij de rechtmatigheid betwist, onjuist heeft beoordeeld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0071"><NO.P>71.</NO.P><TXT>Hoewel ik me sterk bewust ben van het feit dat met artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering wordt beoogd te voldoen aan het vereiste van proceseconomie, in die zin dat de rekwirant niet in een afzonderlijke procedure een nieuw beroep bij het Gerecht hoeft in te stellen, heb ik mijn bedenkingen wegens het feit dat het voorwerp van het geding door de memorie houdende aanpassing wordt gewijzigd, hetgeen door het Hof wordt benadrukt in het arrest van <DATE ISO="20180920">20 september 2018</DATE>, Spanje/Commissie.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0050"><P><REF.DOC.ECR><NO.CASE>C‑114/17 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:753">EU:C:2018:753</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>. Zie punt 65 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="15"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0072"><NO.P>72.</NO.P><TXT>De wijziging van het oorspronkelijke verzoekschrift wettigt dat bijzondere aandacht wordt besteed aan het contradictoire karakter van de procedure.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0051"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20171109">9 november 2017</DATE>, <NAME.CASE>HX/Raad</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑423/16 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:848">EU:C:2017:848</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0023">23</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Met de in dat artikel 86 vastgelegde formele voorwaarden wordt beoogd dit doel te verwezenlijken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0073"><NO.P>73.</NO.P><TXT>Hoewel ik erken dat deze voorschriften kunnen worden versoepeld in de overweging dat impliciet uit de vermeldingen in het verzoekschrift en alle daarin aangevoerde argumenten kan worden opgemaakt welke handeling wordt bestreden en dat een beroep dat formeel is gericht tegen een handeling die deel uitmaakt van een geheel van handelingen, voor zover nodig, kan worden geacht ook te zijn gericht tegen de andere<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0052"><P>Zie arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200708">8 juli 2020</DATE>, <NAME.CASE>Neda Industrial Group/Raad</NAME.CASE> (<NO.CASE>T‑490/18</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2020:318">EU:T:2020:318</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0053">53</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE>, lijkt het mij dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering strikt moeten worden beperkt tot de gevallen waarin een definitief besluit is gewijzigd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0074"><NO.P>74.</NO.P><TXT>Met andere woorden, aangezien artikel 86 niet aldus kan worden uitgelegd dat de onzekerheden over de aard en de strekking van bestreden handelingen die voortvloeien uit de bewoordingen en de context ervan worden weggenomen, kan volgens mij, gelet op die omstandigheden, enkel een uitlegging van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0015" REF.END="QE0015"/>voor beroep vatbare handeling<QUOT.END REF.START="QS0015" CODE="201D" ID="QE0015"/> een effectieve rechterlijke bescherming en een goede rechtsbedeling waarborgen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0053"><P>Zie de punten 55‑57 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0075"><NO.P>75.</NO.P><TXT>Gelet op al deze overwegingen ben ik van mening dat het tweede middel in hogere voorziening moet worden afgewezen op de grond dat het Gerecht, primair, de memories houdende aanpassing die op grond van artikel 86 van zijn Reglement en naar aanleiding van de excepties van niet-ontvankelijkheid van het Parlement zijn neergelegd door rekwiranten, met uitzondering van Allione en Torbesi in de zaken T‑396/19 en T‑437/19, tot nietigverklaring van alle andere aan de ontwerpbesluiten voorafgaande, voorbereidende, daaropvolgende of daarmee verbonden handelingen, nota’s, of mededelingen, op basis van een juiste toepassing van de vaste rechtspraak van het Hof niet-ontvankelijk heeft verklaard.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">C.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Derde middel: schending van het beginsel van hoor en wederhoor en onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">1.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Argumenten van partijen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0076"><NO.P>76.</NO.P><TXT>Rekwiranten betogen dat:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>het Gerecht hun had moeten toestaan om direct dan wel via een tweede memoriewisseling te repliceren op de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing en</P></ITEM><ITEM><P>dat uit de beslissingen van het Gerecht om de excepties van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde te voegen en uit de verzoeken aan het Parlement om overlegging van de memories blijkt dat de niet-ontvankelijkheid van de beroepen niet duidelijk was.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><?PAGE NO="16"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0077"><NO.P>77.</NO.P><TXT>Het Parlement betoogt dat:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>het middel zonder voorwerp is voor Allione en Torbesi<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0054"><P>Bedoeld is Melandri, zie punt 18 en voetnoot 12 van deze conclusie.</P></NOTE>, die geen memorie houdende aanpassing hebben neergelegd;</P></ITEM><ITEM><P>uit artikel 86, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering blijkt dat het Gerecht de ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing ambtshalve kan controleren zonder de rekwiranten om opmerkingen te vragen, en</P></ITEM><ITEM><P>het Gerecht zich krachtens artikel 126 van dat Reglement te allen tijde kan uitspreken over de niet-ontvankelijkheid van een beroep en dat de vooraf vastgestelde procedurele beslissingen daarvoor irrelevant zijn.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0078"><NO.P>78.</NO.P><TXT>In antwoord op de schriftelijke vraag van het Hof inzake de relevantie van artikel 86, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht met betrekking tot de schending van het beginsel van hoor en wederhoor, voeren rekwiranten aan dat die bepaling, die aan het Gerecht de mogelijkheid voorbehoudt om de voorwaarden van ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing te beoordelen, niet uitsluit dat artikel 130, lid 4, van dat Reglement naar analogie wordt toegepast om de rekwirant te verzoeken om opmerkingen over de argumenten die de verweerder ter ondersteuning van zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd. Het Parlement heeft onderstreept dat het Gerecht het beginsel van hoor en wederhoor had geëerbiedigd door het Parlement een termijn te geven om op de memories houdende aanpassing te antwoorden, en zich had uitgesproken over de ontvankelijkheid daarvan, met inachtneming van zijn rechtspraak, zonder zich evenwel te baseren op de in zijn verweer aangevoerde argumenten, zoals in herinnering gebracht in punt 65 van de bestreden beschikking.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="ITALIC">2.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Beoordeling</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0079"><NO.P>79.</NO.P><TXT>Artikel 86, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0016" REF.END="QE0016"/>Onverminderd de door het Gerecht te nemen beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift, bepaalt de president voor de verweerder een termijn waarbinnen hij op de memorie houdende aanpassing kan antwoorden.<QUOT.END REF.START="QS0016" CODE="201D" ID="QE0016"/></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0080"><NO.P>80.</NO.P><TXT>Artikel 130, lid 4, van dat Reglement, inzake excepties die bij beschikking worden afgedaan, bepaalt dat de president – nadat de verweerder, bij afzonderlijke akte, het Gerecht heeft verzocht om uitspraak te doen over een exceptie van niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan –, de verzoeker een termijn stelt waarbinnen hij zijn middelen en conclusies schriftelijk kan voordragen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0081"><NO.P>81.</NO.P><TXT>In casu heeft het Parlement de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de memories houdende aanpassing aangevoerd in zijn in punt 20 van de bestreden beschikking bedoelde opmerkingen op basis van artikel 86, lid 6, van dat Reglement. Uit punt 21 van die beschikking kan worden afgeleid dat rekwiranten van deze opmerkingen in kennis zijn gesteld nadat zij hun opmerkingen over de excepties van niet-ontvankelijkheid van het Parlement tegen de verzoekschriften hadden ingediend, hetgeen wordt ondersteund door de opmerkingen in voetnoot 3 van het antwoord van rekwiranten op de vraag van het Hof.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="17"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0082"><NO.P>82.</NO.P><TXT>In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het verzoekschrift en het verweerschrift overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering kunnen worden aangevuld met een repliek van de verzoeker en een dupliek van de verweerder, tenzij het Gerecht beslist dat een tweede memoriewisseling niet nodig is omdat de inhoud van het procesdossier volledig genoeg is. De beslissing van het Gerecht om de verzoekende partij overeenkomstig die bepaling al dan niet toe te staan een memorie van repliek neer te leggen, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van het Gerecht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0055"><P>Zie beschikking van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200115">15 januari 2020</DATE>, <NAME.CASE>BS/Parlement</NAME.CASE> [<NO.CASE>C‑642/19 P</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:32">EU:C:2020:32</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0005">5</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> (standpuntbepaling van advocaat-generaal Pikamäe, punt 7 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0083"><NO.P>83.</NO.P><TXT>In de tweede plaats moet worden onderstreept dat het Gerecht op grond van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering heeft beslist dat de memories houdende aanpassing kennelijk niet-ontvankelijk waren.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0084"><NO.P>84.</NO.P><TXT>Die bepaling staat het Gerecht – dat hetzij ambtshalve, hetzij op basis van opmerkingen die hem in verweer zijn voorgelegd de ontvankelijkheid van een verzoekschrift heeft onderzocht – toe om te beslissen over de kennelijke niet-ontvankelijkheid van dat verzoekschrift, zonder zijn beoordeling te onderwerpen aan de bespreking van de partijen en op elk moment van de lopende procedure.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0085"><NO.P>85.</NO.P><TXT>Indien een rekwirant meent dat het Gerecht genoemde bepaling onjuist heeft toegepast, moet hij bijgevolg de beoordeling betwisten die de rechter in eerste aanleg heeft gegeven met betrekking tot de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0056"><P>Zie beschikking van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200115">15 januari 2020</DATE>, <NAME.CASE>BS/Parlement</NAME.CASE> [<NO.CASE>C‑642/19 P</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:32">EU:C:2020:32</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0005">5</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> (standpuntbepaling van advocaat-generaal Pikamäe, punt 10 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].</P></NOTE> Uitsluitend de middelen tegen de motivering van de niet-ontvankelijkheid van het Gerecht zijn relevant.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0086"><NO.P>86.</NO.P><TXT>In casu is de beslissing van het Gerecht gebaseerd op de vaste rechtspraak die het in punt 66 van de bestreden beschikking heeft genoemd. Die motivering wordt bekritiseerd in het tweede middel in hogere voorziening.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0087"><NO.P>87.</NO.P><TXT>Bijgevolg geef ik het Hof in overweging het derde middel ongegrond te verklaren.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">D.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Beroep in eerste aanleg</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0088"><NO.P>88.</NO.P><TXT>Indien het Hof besluit de bestreden beschikking te vernietigen, rijst de vraag of het Hof de mogelijkheid heeft de zaak aan zich te houden.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0089"><NO.P>89.</NO.P><TXT>Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan het Hof in geval van vernietiging van een beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0090"><NO.P>90.</NO.P><TXT>In casu is het Hof in dit stadium van de procedure niet in staat om ten gronde te beslissen op de door rekwiranten bij het Gerecht ingestelde beroepen, aangezien het Gerecht zich enkel heeft uitgesproken over de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="18"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0091"><NO.P>91.</NO.P><TXT>Het Hof beschikt daarentegen wel over de gegevens die nodig zijn om een definitieve uitspraak te doen over die exceptie van niet-ontvankelijkheid.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0057"><P>Zie arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20090709">9 juli 2009</DATE>, <NAME.CASE>3F/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑319/07 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:435">EU:C:2009:435</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0098">98</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20111013">13 oktober 2011</DATE>, <NAME.CASE>Deutsche Post en Duitsland/Commissie</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑463/10 P en C‑475/10 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:656">EU:C:2011:656</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0078">78</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Zie ook arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20190228">28 februari 2019</DATE>, <NAME.CASE>Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑465/16 P</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2019:155">EU:C:2019:155</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0128">128</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0092"><NO.P>92.</NO.P><TXT>Derhalve geef ik het Hof in overweging te oordelen dat deze exceptie van niet-ontvankelijkheid, die is ontleend aan het argument dat tegen de litigieuze nota’s geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld, moet worden verworpen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0093"><NO.P>93.</NO.P><TXT>Bijgevolg moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht voor onderzoek van de beroepen van rekwiranten strekkende tot nietigverklaring van de litigieuze nota’s.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">VII.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Kosten</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0094"><NO.P>94.</NO.P><TXT>Aangezien de zaak wordt verwezen naar het Gerecht dient de beslissing omtrent de kosten van de hogere voorziening bij het Hof te worden aangehouden.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">VIII.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Conclusie</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0095"><NO.P>95.</NO.P><TXT>In het licht van een en ander geef ik het Hof in overweging:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200703">3 juli 2020</DATE>, <NAME.CASE>Tognoli e.a./Parlement</NAME.CASE> (<NO.CASE>T‑395/19, T‑396/19, T‑405/19, T‑408/19, T‑419/19, T‑423/19, T‑424/19, T‑428/19, T‑433/19, T‑437/19, T‑443/19, T‑455/19, T‑458/19–T‑462/19, T‑464/19, T‑469/19 en T‑477/19</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2020:302">EU:T:2020:302</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>) te vernietigen;</P></ITEM><ITEM><P>de door het Europees Parlement voor het Gerecht opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;</P></ITEM><ITEM><P>de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor een beslissing op de vorderingen van Tognoli en de overige rekwiranten tot nietigverklaring van de nota’s van <DATE ISO="20190411">11 april 2019</DATE> die zijn vastgesteld door het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het directoraat-generaal (DG) Financiën van het Europees Parlement en die betrekking hebben op de aanpassing van het bedrag van hun pensioenen na de inwerkingtreding, op <DATE ISO="20190101">1 januari 2019</DATE>, van besluit nr. 14/2018 van het Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (bureau van de voorzitter van het huis van afgevaardigden, Italië), en</P></ITEM><ITEM><P>de beslissing omtrent de kosten aan te houden.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>