CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. PITRUZZELLA

van 27 november 2019 ( 1 )

Zaak C‑640/18

Wagram Invest SA

tegen

Belgische Staat

[verzoek van de cour d’appel de Mons (België) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Vierde richtlijn 78/660/EEG – Jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen – Beginsel van het getrouwe beeld – Artikel 2, leden 3 tot en met 5 – Aankoop van een financieel actief door een naamloze vennootschap – Boeking ten laste in de resultatenrekening van een disconto in verband met een renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en boeking van de aanschaffingsprijs van het actief op de actiefzijde van de balans na aftrek van het disconto – Verplichting om aanvullende inlichtingen te verstrekken – Afwijking van een bepaling van de richtlijn in ‚uitzonderingsgevallen’”

1.

Deze zaak betreft een verzoek van de cour d’appel de Mons (België) om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de Vierde richtlijn 78/660/EEG betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen ( 2 ).

2.

Dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreft in wezen de vraag of een methode die wordt gebruikt voor het in de boeken opnemen van de aankoop van aandelen door de nv Wagram Invest in overeenstemming is met het beginsel van het getrouwe beeld zoals vermeld in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van richtlijn 78/660 ( 3 ), gelezen in samenhang met andere bepalingen van die richtlijn.

3.

Deze zaak, die zijn oorsprong vindt in een fiscaal geschil tussen Wagram Invest en de Belgische belastingautoriteiten, biedt het Hof de gelegenheid nogmaals de draagwijdte van het beginsel van het getrouwe beeld van de jaarrekening te verduidelijken, dat de voornaamste doelstelling is van de bepalingen van de Europese Unie met betrekking tot de rekeningen en de financiële overzichten van ondernemingen ( 4 ). Het Hof wordt ook verzocht de relatie te verduidelijken tussen de in artikel 2, lid 4, van richtlijn 78/660 vastgestelde verplichting om aanvullende inlichtingen te verstrekken en de mogelijkheid om, overeenkomstig artikel 2, lid 5 van die richtlijn, in uitzonderingsgevallen van een bepaling van die richtlijn af te wijken.

I. Toepasselijke bepalingen

A.   Unierecht

4.

Artikel 2, leden 3 tot en met 5, van richtlijn 78/660 bepaalt:

„3.   De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap.

4.   Wanneer de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn niet voldoende is om het in lid 3 bedoelde getrouwe beeld te geven, moeten aanvullende inlichtingen worden verstrekt.

5.   Indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat toepassing van een bepaling van deze richtlijn in strijd is met de in lid 3 bedoelde verplichting, dient van deze bepaling te worden afgeweken opdat een getrouw beeld in de zin van lid 3 wordt gegeven. Zulk een afwijking moet in de toelichting worden medegedeeld en naar behoren gemotiveerd onder vermelding van de invloed ervan op het vermogen, de financiële positie en het resultaat. De lidstaten kunnen de uitzonderingsgevallen nader omschrijven en de daarmee overeenstemmende afwijkende regeling vaststellen.”

5.

Artikel 31, lid 1, van richtlijn 78/660 bepaalt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt volgens de onderstaande algemene beginselen:

[…]

c)

het voorzichtigheidsbeginsel moet steeds in acht worden genomen […]”.

6.

Artikel 32 van die richtlijn bepaalt:

„De waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 34 tot en met 42, die zijn gebaseerd op het beginsel van de aanschaffings‑ of vervaardigingskosten.”

7.

Artikel 35 van richtlijn 78/660 bepaalt:

„1.   a) Vaste activa moeten worden gewaardeerd tegen aanschaffings‑ of vervaardigingskosten, onverminderd het bepaalde sub b) en c).

[…]

2.   De aanschaffingskosten bestaan uit de inkoopprijs vermeerderd met de bijkomende kosten. […]”

B.   Belgisch recht

8.

In artikel 24 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen ( 5 ) (hierna: „koninklijk besluit”) wordt in de eerste alinea bepaald dat de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap, en in de tweede alinea dat er, wanneer de toepassing van de bepalingen van dat besluit niet volstaat om te voldoen aan dit voorschrift, aanvullende inlichtingen moeten worden verstrekt in de toelichting.

9.

In artikel 29, eerste alinea, van het koninklijk besluit wordt bepaald dat, indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing van een waarderingsregel niet leidt tot nakoming van artikel 24, eerste alinea, daarvan moet worden afgeweken teneinde te voldoen aan de in het voornoemde artikel bedoelde verplichting.

10.

Volgens artikel 35 van het koninklijk besluit wordt elk actiefbestanddeel, onverminderd de toepassing van de artikelen 29, 67 en 77, gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen. Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan: of de aanschaffingsprijs, of de vervaardigingsprijs, of de inbrengwaarde ( 6 ).

11.

Artikel 67 van het koninklijk besluit heeft betrekking op de boeking van vorderingen in de balans. Volgens § 1 van dat artikel worden „vorderingen […] in de balans opgenomen voor hun nominale waarde, onverminderd de toepassing van § 2 van dit artikel […]”.

12.

Artikel 67, § 2, onder c), stelt evenwel een bijzondere boekhoudkundige regeling vast voor bepaalde soorten vorderingen. Meer in het bijzonder voorziet die bepaling erin dat, bij de boeking van een vordering in de balans voor haar nominale waarde, in voorkomend geval in de overlopende rekeningen van het passief wordt geboekt en pro rata temporis in resultaat wordt opgenomen op grond van de samengestelde interesten: het disconto op renteloze of abnormaal laag rentende vorderingen, wanneer deze vorderingen ten eerste terugbetaalbaar zijn na meer dan één jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop zij in het vermogen van de vennootschap zijn opgenomen, en ten tweede betrekking hebben hetzij op als opbrengst geboekte bedragen in de resultatenrekening, hetzij op de prijs van de overdracht van vaste activa of van een activiteitsbranche.

13.

Artikel 77 van het koninklijk besluit breidt de in artikel 67 vastgestelde regeling voor vorderingen uit tot schulden. Dat artikel 77 bepaalt met name dat artikel 67 van overeenkomstige toepassing is op de schulden van overeenstemmende aard en looptijd.

II. Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14.

Bij twee overeenkomsten, een van 10 januari 1997 en een van 10 maart 1999, heeft Wagram Invest van haar zaakvoerder telkens aandelen van een vennootschap verworven. In het kader van de eerste overeenkomst heeft Wagram Invest 2005 aandelen van die vennootschap verworven voor een bedrag van 594944,45 EUR, betaalbaar in 16 semestraliteiten, zonder rente. In het kader van de tweede overeenkomst heeft Wagram Invest 1993 aandelen van die vennootschap verworven voor een bedrag van 787319,75 EUR, betaalbaar in 12 semestraliteiten, zonder rente. ( 7 )

15.

Om die transacties inzake de aankoop van aandelen in de boeken op te nemen, heeft Wagram Invest, overeenkomstig artikel 77 van het koninklijk besluit, de volgende boekingen verricht.

16.

Ten eerste heeft zij aan de passiefzijde van haar balans de schulden ten aanzien van de zaakvoerder opgenomen onder de schulden met een looptijd van meer dan een jaar voor de nominale waarde ervan, te weten een bedrag dat overeenkomt met 594944,45 EUR voor de aankoop in 1997 en 787319,75 EUR voor de aankoop in 1999 ( 8 ).

17.

Ten tweede heeft zij de 2005 aandelen die in 1997 waren verkregen voor een geactualiseerde waarde die overeenkomt met 452004,76 EUR en de 1993 aandelen die in 1999 waren verkregen voor een geactualiseerde waarde die overeenkomt met 641332,82 EUR ( 9 ) ingeschreven bij haar activa.

18.

De voor de actualisering gebruikte discontovoet was de marktrentevoet die op dergelijke schulden van toepassing was bij de opname ervan in het vermogen, namelijk 8 %.

19.

Ten derde heeft zij als regularisering van het disconto boekingen verricht die bestonden in het verschil tussen de nominale waarde van de schuld en de contante waarde van het actief, namelijk een waarde die overeenkomt met 142939,69 EUR voor de aankoop in 1997 en een waarde die overeenkomt met 145986,93 EUR voor de aankoop in 1999 ( 10 ).

20.

Ten vierde heeft zij bij de afsluiting van elk boekjaar een pro rata van de over te dragen kosten ten belope van het disconto op de schuld, als financiële kosten aangemerkt.

21.

Op die manier heeft Wagram Invest bij de afsluiting van het aanslagjaar 2000 een kostenaandeel geboekt ten belope van 48843,41 EUR, namelijk een bedrag dat overeenkwam met 24801,90 EUR voor de in 1997 verkregen aandelen en met 24041,50 EUR voor de in 1999 verkregen aandelen. ( 11 )

22.

Bij de afsluiting van het aanslagjaar 2001 heeft Wagram Invest een kostenaandeel geboekt ten belope van 66344,17 EUR, namelijk een bedrag dat overeenkwam met 20899,70 EUR voor de in 1997 verkregen aandelen en met 45444,50 EUR voor de in 1999 verkregen aandelen. ( 12 )

23.

Naar aanleiding van een controle heeft de Belgische belastingadministratie geoordeeld dat zij de discontokosten die in de boeken waren opgenomen en waren afgetrokken voor de aanslagjaren 2000 en 2001 moest verwerpen, en heeft zij Wagram Invest, ondanks betwisting door deze vennootschap, op 28 oktober 2002 een bericht van wijziging gestuurd.

24.

De Belgische belastingadministratie heeft met name geoordeeld dat de boeking van een fictief disconto door de vermindering van de aankoopprijs van het actief ertoe leidde dat een waardevermindering op de effecten werd geboekt die economisch niet gerechtvaardigd was en waarvan de spreiding in de tijd fiscaal niet was toegestaan. ( 13 )

25.

Op basis daarvan heeft de Belgische belastingadministratie respectievelijk op 20 november 2002 en 18 november 2002 ten laste van Wagram Invest twee aanvullende heffingen in de vennootschapsbelasting ingekohierd voor de aanslagjaren 2000 en 2001.

26.

Nadat Wagram Invest daartegen bezwaar had ingediend, waarover geen uitspraak is gedaan binnen de gestelde termijn, heeft zij op 10 maart 2005 tegen de beslissing van de Belgische belastingadministratie beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de tribunal de première instance de Namur (België). Bij vonnis van 20 december 2007 heeft die rechterlijke instantie dat beroep verworpen en de voor de aanslagjaren 2000 en 2001 te betalen litigieuze aanvullende belastingen bevestigd.

27.

Wagram Invest heeft vervolgens tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Liège (België), die bij arrest van 14 oktober 2011 het in eerste aanleg gewezen vonnis heeft bevestigd.

28.

Wagram Invest heeft vervolgens op 2 juli 2014 beroep in cassatie ingesteld. Het Hof van Cassatie (België) heeft bij arrest van 11 maart 2016 het arrest van de cour d’appel de Liège vernietigd en de zaak verwezen naar de verwijzende rechterlijke instantie.

29.

De verwijzende rechterlijke instantie stelt vast dat de door Wagram Invest gebruikte boekingsmethode in overeenstemming is met de bepalingen van het Belgische boekhoudrecht en meer in het bijzonder met artikel 77 van het koninklijk besluit. Zij vraagt zich echter af of die methode in overeenstemming is met richtlijn 78/660.

30.

Daarop heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Rechtvaardigt het begrip ‚getrouw beeld’ als bedoeld in artikel 2, lid 3, van [richtlijn 78/660] dat, bij de aankoop van een financieel vast actief door een naamloze vennootschap, een disconto ten laste in de resultatenrekening wordt geboekt in verband met een renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en dat de aanschaffingsprijs van het vaste actief wordt geboekt op de actiefzijde van de balans na aftrek van het disconto, gelet op de waarderingsprincipes zoals vermeld in artikel 32 van die richtlijn?

2)

Moet de formulering ‚in uitzonderingsgevallen’, die een voorwaarde is voor de toepassing van artikel 2, lid 5, van [richtlijn 78/660] en op basis waarvan een (andere) bepaling van die richtlijn buiten toepassing kan worden gelaten, in die zin worden uitgelegd dat die bepaling slechts kan worden toegepast indien wordt vastgesteld dat de inachtneming van het beginsel van het getrouwe beeld niet kan worden bereikt door de naleving van de bepalingen van die richtlijn, in voorkomend geval met aanvullende inlichtingen in de toelichting overeenkomstig artikel 2, lid 4, van die richtlijn?

3)

Moet voorrang worden gegeven aan de toepassing van artikel 2, lid 4, van [richtlijn 78/660], zodat enkel gebruik kan worden gemaakt van de in artikel 2, lid 5, genoemde mogelijkheid een bepaling van de richtlijn buiten toepassing te laten indien aanvullende inlichtingen niet volstaan voor een effectieve toepassing van het in artikel 2, lid 3, van de richtlijn genoemde beginsel van het getrouwe beeld, en dat enkel in uitzonderingsgevallen?”

III. Beoordeling

A.   Opmerkingen vooraf

31.

Voordat de door de verwijzende rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vragen ten gronde worden onderzocht, moeten eerst twee voorafgaande punten tegen het licht worden gehouden.

32.

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechterlijke instantie van het Hof wenst te vernemen of de door Wagram Invest gebruikte boekingsmethode voor de schulden met betrekking tot de twee betreffende aankopen van aandelen in overeenstemming is met het in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van richtlijn 78/660 vastgestelde beginsel van het getrouwe beeld. De door de verwijzende rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vragen hebben dus betrekking op de uitlegging van richtlijn 78/660 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen.

33.

Hoewel de verwijzingsbeslissing enkel betrekking heeft op het boekhoudkundige aspect van de zaak, blijkt uit die beslissing niettemin duidelijk dat het bij de verwijzende rechterlijke instantie aanhangige hoofdgeding in werkelijkheid van fiscale aard is.

34.

Voorts blijkt uit die beslissing ook dat de uitlegging van de relevante bepalingen van richtlijn 78/660 fiscale gevolgen kan hebben, aangezien het zich op een boekhoudkundig standpunt stellen wat betreft het disconto dat bestaat in het verschil tussen de nominale waarde van de schuld voor de betreffende twee aankopen van aandelen en de geactualiseerde waarde van die aandelen, alsook de gespreide boeking van de lasten ervan, een impact hebben op de belastingheffing jegens Wagram Invest in het kader van de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2000 en 2001.

35.

In die context moet erop worden gewezen, wat in de eerste plaats de relatie tussen de boekhoudkundige en de fiscale aspecten van de zaak betreft, dat het Hof reeds heeft gepreciseerd dat richtlijn 78/660 niet ertoe strekt de voorwaarden vast te leggen waaronder de fiscale autoriteiten van de lidstaten de jaarrekening van vennootschappen als basis kunnen of moeten nemen voor de bepaling van de grondslag en het bedrag van de belastingen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vennootschapsbelasting. ( 14 )

36.

Het Hof heeft echter eveneens erkend dat de lidstaten de jaarrekening van de vennootschappen als uitgangspunt voor fiscale doeleinden kunnen gebruiken en dat geen enkele bepaling van richtlijn 78/660 de lidstaten verbiedt om de gevolgen van de daarin neergelegde boekhoudregels vanuit fiscaal oogpunt te corrigeren, om te komen tot een belastbare winst die beter aansluit bij de economische realiteit. ( 15 )

37.

Net als de Europese Commissie ben ik van mening dat uit die rechtspraak volgt dat, hoewel de uit richtlijn 78/660 voortvloeiende boekhoudregels niet bedoeld zijn om de belastingstelsels van de lidstaten te regelen, zodat de uitlegging van die richtlijn niet noodzakelijk gevolgen heeft op fiscaal gebied, de lidstaten niettemin vrij blijven om, bij de uitoefening van hun bevoegdheid om de methode voor de belastingheffing op renteloze vorderingen op lange termijn vast te stellen, zich al dan niet op die boekhoudregels te baseren om het op die vorderingen toepasselijke belastingstelsel vast te stellen.

38.

Wat in de tweede plaats de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft, betwist Wagram Invest in haar opmerkingen de relevantie van die vragen, aangezien de regelmatigheid van haar boekingen zou zijn gevalideerd door het in punt 27 van deze conclusie vermelde arrest van de cour d’appel de Liège, dat in kracht van gewijsde is gegaan. Verder is met betrekking tot de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen ter terechtzitting gediscussieerd over de mogelijke hypothetische aard ervan. Er werd namelijk opgemerkt dat, aangezien niet wordt betwist dat de boekingen van Wagram Invest conform het Belgische recht zijn, het hoofdgeding uitsluitend betrekking heeft op de toepassing van de Belgische fiscale regels, die, naar wordt gesteld, geen enkel verband houden met richtlijn 78/660, zodat de uitlegging van die richtlijn geen invloed kan hebben op het hoofdgeding.

39.

In dat verband herinner ik eraan dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van een Unierechtelijke regel, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. ( 16 )

40.

Vragen die het Unierecht betreffen, worden volgens de rechtspraak dan ook vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van een regel van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen. ( 17 )

41.

Volgens mij is er in casu sprake van geen enkele van die drie situaties. Zoals blijkt uit punt 34 van deze conclusie, kan de uitlegging van de relevante bepalingen van richtlijn 78/660 immers fiscale gevolgen hebben, zodat niet kan worden ontkend dat de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van die bepalingen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, en dat het door de prejudiciële vragen aan de orde gestelde probleem bijgevolg niet van hypothetische aard is. Bovendien beschikt het Hof in casu over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen.

42.

Gelet op het bovenstaande acht ik het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

B.   Eerste prejudiciële vraag

43.

Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of – gelet op de waarderingsprincipes zoals vermeld in artikel 32 van richtlijn 78/660 – artikel 2, lid 3, van die richtlijn, waarin het beginsel van het getrouwe beeld is vastgelegd, aldus moet worden uitgelegd dat het is toegestaan om bij de aankoop van een financieel actief door een vennootschap een disconto ten laste in de resultatenrekening te boeken in verband met een renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar en om de aanschaffingsprijs van het actief op de actiefzijde van de balans te boeken na aftrek van het disconto.

44.

In dat verband moet er allereerst aan worden herinnerd dat richtlijn 78/660 de nationale voorschriften inzake de indeling en de inhoud van de jaarrekening en het jaarverslag en de waarderingsmethoden beoogt te coördineren, teneinde de deelnemers in deze vennootschappen en derden te beschermen. Daartoe stelt die richtlijn volgens de derde overweging van de considerans ervan minimumvereisten vast inzake de omvang van de openbaar te maken financiële gegevens. ( 18 )

45.

Zoals uit de rechtspraak van het Hof blijkt, vormt de naleving van het beginsel van het getrouwe beeld de hoofddoelstelling van richtlijn 78/660. Volgens dit in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van die richtlijn opgenomen beginsel moet de jaarrekening een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap. ( 19 )

46.

Het beginsel van het getrouwe beeld vereist dat de jaarrekening van vennootschappen de weerspiegeling is van de activiteiten en verrichtingen die zij geacht wordt te beschrijven, en dat de boekhoudkundige informatie wordt verstrekt in de vorm die het meest bruikbaar en geschikt wordt geacht om aan de informatiebehoeften van derden te voldoen, zonder afbreuk te doen aan de belangen van de vennootschap. ( 20 )

47.

Het Hof heeft reeds de gelegenheid gehad te onderstrepen dat het beginsel van het getrouwe beeld zo veel mogelijk dient te worden toegepast langs de lijnen van de in artikel 31 van richtlijn 78/660 neergelegde algemene beginselen. In dat kader is het in artikel 31, lid 1, onder c), van die richtlijn neergelegde voorzichtigheidsbeginsel van bijzonder belang. ( 21 )

48.

Ingevolge artikel 31, lid 1, onder c), van richtlijn 78/660, waarin het voorzichtigheidsbeginsel is verankerd, wordt het beginsel van het getrouwe beeld geëerbiedigd wanneer alle elementen – gerealiseerde winsten, lasten, baten, risico’s en verliezen – die werkelijk op het betrokken boekjaar betrekking hebben, in aanmerking worden genomen. ( 22 )

49.

Uit de rechtspraak blijkt eveneens dat het beginsel van het getrouwe beeld ook moet worden begrepen tegen de achtergrond van het in artikel 32 van richtlijn 78/660 vermelde beginsel dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt op basis van de aanschaffings‑ of vervaardigingskosten van die activa. ( 23 )

50.

Het Hof heeft gepreciseerd dat, krachtens die bepaling, het getrouwe beeld dat de jaarrekening van een onderneming moet geven, steunt op een waardering van de activa die is gebaseerd op de historische kostprijs en niet op de werkelijke waarde ervan. ( 24 )

51.

Volgens artikel 2, lid 5, van richtlijn 78/660 dient er slechts in uitzonderingsgevallen, wanneer blijkt dat toepassing van een bepaling van deze richtlijn in strijd is met het in artikel 2, lid 3, bedoelde beginsel van het getrouwe beeld, van artikel 32 te worden afgeweken opdat een getrouw beeld in de zin van dat lid 3 zou worden gegeven. ( 25 )

52.

In het licht van de in de voorgaande punten uiteengezette jurisprudentiële beginselen dient te worden nagegaan in hoeverre het beginsel van het getrouwe beeld wordt gerespecteerd door een boekingsmethode die toelaat dat bij de aankoop van een financieel actief, zoals aandelen, door een vennootschap, een disconto ten laste in de resultatenrekening wordt geboekt in verband met een met die aankoop gepaard gaande renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en dat de aanschaffingsprijs van het actief op de actiefzijde van de balans wordt geboekt na aftrek van dat disconto.

53.

Van de partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, zijn Wagram Invest, de Belgische en de Oostenrijkse regering en de Commissie in wezen van mening dat een dergelijke methode in overeenstemming is met het beginsel van het getrouwe beeld. Enkel de Duitse regering neemt een tegengesteld standpunt in.

54.

Ik wijs er dienaangaande op dat uit artikel 32 van richtlijn 78/660, in het licht waarvan, zoals ik in punt 49 van deze conclusie heb uiteengezet, het beginsel van het getrouwe beeld moet worden begrepen, blijkt dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 34 tot en met 42, die zijn gebaseerd op het beginsel van de aanschaffings‑ of vervaardigingskosten.

55.

Artikel 35, lid 1, onder a), van richtlijn 78/660 bepaalt dat vaste activa moeten worden gewaardeerd tegen aanschaffings‑ of vervaardigingskosten. ( 26 )

56.

Richtlijn 78/660 bevat echter geen definitie van het begrip „aanschaffingskosten”. ( 27 ) Het Hof heeft echter verduidelijkt, zoals aangegeven in punt 50 van deze conclusie, dat de waardering van de activa is gebaseerd op de historische kostprijs en niet op de werkelijke waarde ervan.

57.

Aangenomen mag worden dat de historische kostprijs van een financieel vast actief in de regel overeenkomt met de nominale waarde van de aanschaffingskosten, te weten de prijs die de vennootschap die het actief heeft verworven voor de aankoop heeft betaald. Door de boeking van die nominale waarde op de actiefzijde kan dus normaal gezien een getrouw beeld worden verkregen van de gevolgen van dat actief op de rekeningen van de vennootschap.

58.

Wanneer de aankoopovereenkomst voor het actief echter bepaalt dat de prijs op lange termijn wordt afbetaald zonder dat rente verschuldigd is, is het mogelijk dat de aankoop van dat actief, hoewel het formeel gezien een unieke verrichting betreft, in werkelijkheid als een complexe verrichting moet worden beschouwd die uit twee elementen bestaat, namelijk de eigenlijke aankoop van het financiële vaste actief en een impliciete lening ( 28 ).

59.

In dat geval kan worden gesteld dat de nominale waarde van de voor de aankoop van het vaste actief betaalde prijs in werkelijkheid twee elementen omvat, namelijk, ten eerste, de echte aanschaffingskosten van het vaste actief, die overeenkomen met de geactualiseerde waarde van die prijs, te weten de inkoopprijs minus de impliciete rente op de lening, en, ten tweede, een bedrag dat overeenkomt met die impliciete rente.

60.

In een dergelijke situatie ben ik, net als Wagram Invest, de Belgische en de Oostenrijkse regering en de Commissie van mening dat een boekingsmethode die inhoudt dat enerzijds de geactualiseerde waarde van de voor het financiële vaste actief betaalde prijs (te weten de nominale waarde minus de impliciete rente) op de actiefzijde wordt geboekt en anderzijds een disconto à charge wordt geboekt dat de impliciete rente vertegenwoordigt (voor een bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen de nominale waarde van de schuld voor de aankoop van het vast actief en de geactualiseerde waarde van die schuld), een juiste voorstelling kan geven van de economische realiteit van de desbetreffende complexe verrichting en dus voldoet aan de vereisten aangaande de naleving van het in richtlijn 78/660 vastgestelde beginsel van het getrouwe beeld.

61.

In een dergelijk geval is het immers de geactualiseerde waarde van de overeengekomen prijs voor de aankoop van het vaste actief, en niet de nominale waarde ervan, die overeenkomt met de werkelijke tegenwaarde van die aankoop, terwijl de – zelfs impliciete – rente die overeenkomt met het bedrag van het disconto, een kredietlast vormt. In een dergelijke situatie zou de boeking op de actiefzijde van de nominale waarde van de voor de aankoop van het vaste actief overeengekomen prijs ertoe leiden dat het resultaat van de betrokken verrichting, en dus van het beweerde algemene resultaat, wordt vervalst. ( 29 )

62.

De in punt 60 van deze conclusie genoemde boekingsmethode strookt bovendien met het in artikel 31, lid 1, onder c), van richtlijn 78/660 neergelegde voorzichtigheidsbeginsel waarnaar ik in de punten 47 en 48 van deze conclusie heb verwezen. Door de inhoud voorrang te geven boven de vorm ( 30 ) brengt die methode immers een bepaalde onderschatting van het desbetreffende actief met zich mee ( 31 ), via een waardering waarbij, zoals dat beginsel vereist ( 32 ), alle relevante factoren in aanmerking worden genomen, in het bijzonder, in casu, de financiële kosten, ook indien die kosten impliciet zijn en dus niet formeel uit de nominale waarde van de aanschaffingskosten van dat actief blijken. Door die boekingsmethode krijgen de schuldeisers van de vennootschap een reëel, en niet een te optimistisch, beeld van de vermogenssituatie van de betrokken vennootschap.

63.

De conclusie dat het gebruik van de genoemde boekingsmethode in overeenstemming is met het beginsel van het getrouwe beeld is mijns inziens geenszins in tegenspraak met het arrest van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632). In dat arrest, dat belangrijke beginselaanwijzingen bevat, ging het immers om de verenigbaarheid met het beginsel van het getrouwe beeld van een eventuele boeking op de actiefzijde van een financieel vast actief voor een hogere waarde dan de aanschaffingskosten ervan, terwijl het in deze zaak gaat om een boeking op de actiefzijde voor een lagere waarde dan de volledige nominale waarde van de voor de aankoop van het financiële vaste actief overeengekomen prijs.

64.

Bovenstaande overwegingen, evenals de conclusie dat het gebruik van de in punt 60 van deze conclusie genoemde boekingsmethode in overeenstemming is met het beginsel van het getrouwe beeld, zijn mijns inziens echter uitsluitend relevant op voorwaarde dat de aankoop van het financiële vaste actief, waarvoor is overeengekomen dat de prijs op lange termijn wordt afbetaald zonder dat rente verschuldigd is, vanuit economisch oogpunt daadwerkelijk wordt beschouwd als een complexe verrichting die bestaat uit de eigenlijke aankoop van het financiële vaste actief én een – eventueel impliciete – lening.

65.

Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of dat inderdaad het geval is, door per geval de omstandigheden, feitelijk en rechtens, in de bij hem aanhangige zaak te beoordelen. ( 33 )

66.

In het kader van die beoordeling kan die rechter onder meer nagaan of de betrokken verrichting onder normale marktvoorwaarden heeft plaatsgevonden. Wanneer de voor de aankoop van het vaste actief overeengekomen prijs kennelijk lager of hoger was dan de marktprijs, kan de kwalificatie van de aankoop als een complexe verrichting, zoals bedoeld in punt 58 van deze conclusie, worden uitgesloten. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kan die omstandigheid bijzonder relevant zijn in het geval van een verrichting tussen verbonden partijen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is. ( 34 )

67.

In het kader van die beoordeling kan de verwijzende rechter eveneens nagaan of de impliciete lening die voortvloeit uit de voorziene afbetaling van de prijs op lange termijn zonder dat rente hoeft te worden betaald, in werkelijkheid geen verrichting onder bezwarende titel vormt waarvan de overeengekomen vergoeding een voordeel in natura betreft dat in latere boekjaren zal worden ontvangen. ( 35 )

68.

Gelet op het voorgaande dient de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter mijns inziens aldus te worden beantwoord dat in het geval van de aankoop van een financieel actief door een naamloze vennootschap, waarbij de prijs op lange termijn wordt afbetaald zonder dat rente verschuldigd is, het in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van richtlijn 78/660 vastgestelde beginsel van het getrouwe beeld, gelet op de in artikel 31, lid 1, onder c), en artikel 32 van die richtlijn vermelde beginselen, zich niet verzet tegen het gebruik van een boekingsmethode waarbij een disconto ten laste in de resultatenrekening wordt geboekt in verband met een met die aankoop gepaard gaande renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en de aanschaffingsprijs van het vaste actief op de actiefzijde van de balans wordt geboekt na aftrek van dat disconto, wanneer die aankoop in werkelijkheid moet worden beschouwd als een complexe verrichting die bestaat uit de eigenlijke aankoop van het financiële vaste actief én een lening, ook als deze laatste impliciet is. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of dat inderdaad het geval is, door per geval de omstandigheden, feitelijk en rechtens, in de bij hem aanhangige zaak te beoordelen.

C.   Tweede en derde prejudiciële vraag

69.

Met zijn tweede en derde prejudiciële vraag, die mijns inziens samen moeten worden behandeld, vraagt de verwijzende rechter om verduidelijking over de samenhang tussen lid 4 en lid 5 van artikel 2 van richtlijn 78/660. ( 36 )

70.

Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 5, van richtlijn 78/660 slechts van toepassing is indien het eventuele verstrekken, krachtens artikel 2, lid 4, van die richtlijn, van aanvullende inlichtingen niet volstaat om de naleving van het beginsel van het getrouwe beeld te waarborgen.

71.

Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten de twee betrokken bepalingen worden uitgelegd zodat kan worden vastgesteld of tussen beide een voorwaardelijkheidsrelatie bestaat, in die zin dat de toepassing van de eerste bepaling voorrang moet krijgen op de toepassing van de tweede.

72.

In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat er, volgens vaste rechtspraak van het Hof, bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar eveneens met de context ervan en met de doeleinden die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt. ( 37 )

73.

Artikel 2, lid 4, van richtlijn 78/660 bepaalt dat er, wanneer de toepassing van de bepalingen van die richtlijn niet voldoende is om het in artikel 2, lid 3, bedoelde getrouwe beeld te geven, aanvullende inlichtingen moeten worden verstrekt.

74.

Uit de bewoordingen van die bepaling, en uit de plaatsing ervan onmiddellijk na lid 3 van artikel 2, houdende vaststelling van het beginsel van het getrouwe beeld, blijkt dat zij een aanvullende functie vervult ten opzichte van bedoeld lid 3 ( 38 ), door de betrokken vennootschap de verplichting op te leggen om aanvullende informatie te verstrekken voor zover dat noodzakelijk is om een getrouw beeld van haar rekeningen te verkrijgen.

75.

Zo heeft het Hof bijvoorbeeld reeds verklaard dat een onderneming die zeker weet dat zij een aanzienlijke winst zal realiseren op grond van een verbintenis om een actiefbestanddeel in de toekomst door te verkopen, daarover overeenkomstig artikel 2, lid 4, van richtlijn 78/660 aanvullende inlichtingen moet verstrekken. ( 39 )

76.

Artikel 2, lid 5, van richtlijn 78/660 bepaalt daarentegen dat, indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat toepassing van een bepaling van die richtlijn in strijd is met de in lid 3 van dat artikel vastgestelde verplichting om een getrouw beeld van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap te geven, van die bepaling dient te worden afgeweken opdat een getrouw beeld wordt gegeven. Zulk een afwijking moet evenwel in de toelichting worden medegedeeld en naar behoren worden gemotiveerd onder vermelding van de invloed ervan op het vermogen, de financiële positie en het resultaat.

77.

In de derde volzin van artikel 2, lid 5, van richtlijn 78/660 wordt bepaald dat het aan de lidstaten, en dus niet aan de vennootschappen, staat om de uitzonderingsgevallen nader te omschrijven en de daarmee overeenstemmende afwijkende regeling vast te stellen. Die bepaling is bedoeld om de beoordelingsmarge van vennootschappen te beperken om zelf het bestaan van dergelijke uitzonderingsgevallen vast te stellen.

78.

Uit de bewoordingen van bedoeld lid 5 blijkt dus dat het betrekking heeft op „uitzonderingsgevallen” waarin de toepassing van een bepaling van richtlijn 78/660 door de betrokken vennootschap een resultaat zou opleveren dat „in strijd” is met het beginsel van het getrouwe beeld, zodat van die bepaling dient te worden afgeweken, en dat het aan de lidstaten staat om die uitzonderingsgevallen en de daarvoor geldende regeling vast te stellen.

79.

Het Hof heeft eerder reeds aangegeven dat, aangezien richtlijn 78/660 niet preciseert wat onder „uitzonderingsgevallen” moet worden verstaan, deze uitdrukking dient te worden uitgelegd tegen de achtergrond van het doel van de richtlijn, namelijk dat de jaarrekening van de betrokken vennootschappen een getrouw beeld geeft van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap. ( 40 )

80.

Het Hof heeft daarbij verduidelijkt dat die „uitzonderingsgevallen” gevallen zijn waarin de toepassing van de bepalingen van richtlijn 78/660 niet een zo getrouw mogelijk beeld van de werkelijke financiële positie van de betrokken vennootschap zou geven. ( 41 )

81.

Alleen zeer ongebruikelijke transacties en ongebruikelijke omstandigheden dienen evenwel als dergelijke uitzonderlijke gevallen te worden opgevat. Deze uitzonderlijke gevallen kunnen bijvoorbeeld geen betrekking hebben op bepaalde sectoren in hun geheel. ( 42 )

82.

Het Hof heeft dienaangaande gepreciseerd dat het feit dat bepaalde activa in de boekhouding van een onderneming ondergewaardeerd zijn, op zich geen „uitzonderingsgeval” kan vormen in de zin van artikel 2, lid 5, van richtlijn 78/660. ( 43 )

83.

Uit de hierboven verrichte analyse van de twee bepalingen in kwestie blijkt mijns inziens evenwel dat er geen enkele aanwijzing is dat artikel 2, lid 5, van richtlijn 78/660 alleen kan worden gehanteerd wanneer eerst lid 4 van dat artikel is toegepast.

84.

Beide bepalingen beogen weliswaar te waarborgen dat een jaarrekening effectief een getrouw beeld geeft van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de desbetreffende vennootschap, maar zij hebben betrekking op verschillende en niet onderling afhankelijke situaties. Zij staan dus niet in een relatie van ondergeschiktheid tot elkaar.

85.

Artikel 2, lid 4, van richtlijn 78/660 vervolledigt en verduidelijkt de inhoud van lid 3 van dat artikel, door de betrokken vennootschap de mogelijkheid te bieden aanvullende informatie te verstrekken wanneer dat noodzakelijk blijkt voor de naleving van het beginsel van het getrouwe beeld.

86.

Artikel 2, lid 5, van richtlijn 78/660 voorziet daarentegen in de mogelijkheid om van de toepassing van de bepalingen van richtlijn 78/660 af te wijken. Die bepaling verwijst overigens op geen enkele wijze naar lid 4 van datzelfde artikel.

87.

Zoals ook de Commissie terecht heeft benadrukt, wordt de vaststelling dat die twee bepalingen los van elkaar moeten worden beschouwd naar mijn mening versterkt door de omstandigheid dat het geenszins uit te sluiten is dat deze twee bepalingen in bepaalde situaties tegelijkertijd kunnen worden toegepast. Het is immers goed mogelijk dat een vennootschap krachtens artikel 2, lid 4, van richtlijn 78/660 gehouden is aanvullende informatie te verstrekken teneinde een getrouw beeld van haar boekhouding te geven en dat het, gelet op diezelfde doelstelling, krachtens artikel 2, lid 5, tegelijkertijd noodzakelijk is af te wijken van een bepaling van die richtlijn, en dat ongeacht de verstrekte aanvullende informatie.

88.

Zoals ook de Commissie heeft opgemerkt dient er in dit verband op te worden gewezen dat artikel 2, lid 5, van richtlijn 78/660, als afwijking van het beginsel dat de bepalingen van die richtlijn in hun geheel moeten worden toegepast, enkel per geval en op strikte en beperkende wijze kan worden toegepast. Dat betekent dus dat die afwijking naar behoren moet worden gemotiveerd, zoals in de tweede volzin van lid 5 wordt gepreciseerd, door aan te geven waarom een dergelijke afwijking noodzakelijk is om de naleving van het beginsel van het door de boekhouding van de vennootschap te geven getrouwe beeld te waarborgen.

89.

Zelfs indien de verstrekking van aanvullende informatie in de zin van artikel 2, lid 4, van richtlijn 78/660 het, in bepaalde gevallen, mogelijk maakt een getrouw beeld te geven zonder dat van een bepaling van die richtlijn moet worden afgeweken in de zin van artikel 2, lid 5, betekent dit geenszins dat de toepassing van deze laatste bepaling in álle gevallen afhankelijk is van de toepassing van eerstgenoemde bepaling.

90.

Ten slotte moet nog worden opgemerkt dat er geen aanwijzingen zijn dat het Koninkrijk België in casu gebruik heeft gemaakt van de door de derde volzin van bedoeld lid 5 geboden mogelijkheid om de uitzonderingsgevallen nader te omschrijven en de daarmee overeenstemmende afwijkende regeling vast te stellen. ( 44 )

91.

Gelet op het voorgaande dient volgens mij op de tweede en de derde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 2, leden 4 en 5, van richtlijn 78/660 aldus moet worden uitgelegd dat er tussen die leden 4 en 5 niet in dier voege een voorwaardelijkheidsrelatie bestaat dat het bepaalde in lid 4 noodzakelijkerwijs vóór dat van lid 5 moet worden toegepast. Het staat hoe dan ook aan de lidstaten, en niet aan de vennootschappen, om de „uitzonderingsgevallen” waarin volgens lid 5 van een bepaling van richtlijn 78/660 kan worden afgeweken nader te omschrijven en de daarmee overeenstemmende afwijkende regeling vast te stellen.

IV. Conclusie

92.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de cour d’appel de Mons te beantwoorden als volgt:

„1)

In het geval van de aankoop van een financieel actief door een naamloze vennootschap, waarbij de prijs op lange termijn wordt afbetaald zonder dat rente verschuldigd is, verzet het in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van [artikel 50, lid 2, onder g), VWEU] betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, vastgestelde beginsel van het getrouwe beeld, gelet op de in artikel 31, lid 1, onder c), en artikel 32 van die richtlijn vermelde beginselen, zich niet tegen het gebruik van een boekingsmethode waarbij een disconto ten laste in de resultatenrekening wordt geboekt in verband met een met die aankoop gepaard gaande renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en de aanschaffingsprijs van het vaste actief op de actiefzijde van de balans wordt geboekt na aftrek van dat disconto, wanneer die aankoop in werkelijkheid moet worden beschouwd als een complexe verrichting die bestaat uit de eigenlijke aankoop van het financiële vaste actief én een lening, ook als deze laatste impliciet is. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of dat inderdaad het geval is, door per geval de omstandigheden, feitelijk en rechtens, in de bij hem aanhangige zaak te beoordelen.

2)

Artikel 2, leden 4 en 5, van richtlijn 78/660 moet aldus worden uitgelegd dat er tussen die leden 4 en 5 niet in dier voege een voorwaardelijkheidsrelatie bestaat dat het bepaalde in lid 4 noodzakelijkerwijs vóór dat van lid 5 moet worden toegepast. Het staat hoe dan ook aan de lidstaten, en niet aan de vennootschappen, om de ‚uitzonderingsgevallen’ waarin volgens bedoeld lid 5 van een bepaling van richtlijn 78/660 kan worden afgeweken nader te omschrijven en de daarmee overeenstemmende afwijkende regeling vast te stellen.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) Richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van [artikel 50, lid 2, onder g), VWEU] (PB 1978, L 222, blz. 11). Richtlijn 78/660, die van toepassing was op het ogenblik van de feiten die relevant zijn in de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak, is ingetrokken door richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB 2013, L 182, blz. 19).

( 3 ) Die bepalingen zijn overgenomen in artikel 4, leden 3 en 4, van richtlijn 2013/34.

( 4 ) Zie punt 45 van deze conclusie.

( 5 ) Belgisch Staatsblad van 6 februari 2001, blz. 3008.

( 6 ) Zoals bepaald in respectievelijk de artikelen 36, 37 en 39 van het koninklijk besluit.

( 7 ) De prijs van de eerste aankoop bedroeg meer bepaald 24000000 BEF, en de prijs van de tweede aankoop 31760400 BEF. Uit het dossier blijkt dat de prijs die als basis heeft gediend voor de twee overeenkomsten voor de overdracht van aandelen de prijs is die door de aandeelhouders van die vennootschap is betaald toen zij kort daarvoor op de kapitaalverhoging hadden ingeschreven.

( 8 ) Meer bepaald een nominale waarde van respectievelijk 24000000 BEF voor de eerste aankoop en 31760400 BEF voor de tweede aankoop.

( 9 ) Meer bepaald een geactualiseerde waarde van respectievelijk 18233827 BEF en 25871302 BEF.

( 10 ) Meer bepaald een disconto van respectievelijk 5766173 BEF en 5889098 BEF.

( 11 ) Meer bepaald een aandeel van kosten van 1970339 BEF, dat bestaat uit een bedrag van 1000506 BEF voor de eerste aankoop en 969833 BEF voor de tweede aankoop.

( 12 ) Meer bepaald een aandeel van kosten van 2676318 BEF, dat bestaat uit een bedrag van 843090 BEF voor de eerste aankoop en 1833228 BEF voor de tweede aankoop.

( 13 ) Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de in casu relevante fiscale bepaling in deze zaak, waarop het fiscale geschil tussen Wagram Invest en de Belgische belastingadministratie berust, artikel 198, § 1, 7°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is.

( 14 ) Zie arresten van 15 juni 2017, Immo Chiaradia en Docteur De Bruyne (C‑444/16 en C‑445/16, EU:C:2017:465, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 15 ) Zie arresten van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 28), en 15 juni 2017, Immo Chiaradia en Docteur De Bruyne (C‑444/16 en C‑445/16, EU:C:2017:465, punt 33).

( 16 ) Zie arresten van 16 juni 2015, Gauweiler e.a. (C‑62/14, EU:C:2015:400, punt 24), en 10 december 2018, Wightman e.a. (C‑621/18, EU:C:2018:999, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 17 ) Zie arresten van 16 juni 2015, Gauweiler e.a. (C‑62/14, EU:C:2015:400, punt 25), en 10 december 2018, Wightman e.a. (C‑621/18, EU:C:2018:999, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 18 ) Zie arresten van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 juni 2017, Immo Chiaradia en Docteur De Bruyne (C‑444/16 en C‑445/16, EU:C:2017:465, punt 39).

( 19 ) Zie arresten van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 juni 2017, Immo Chiaradia en Docteur De Bruyne (C‑444/16 en C‑445/16, EU:C:2017:465, punt 40).

( 20 ) Zie arresten van 7 januari 2003, BIAO (C‑306/99, EU:C:2003:3, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 juni 2017, Immo Chiaradia en Docteur De Bruyne (C‑444/16 en C‑445/16, EU:C:2017:465, punt 41).

( 21 ) Zie arresten van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 juni 2017, Immo Chiaradia en Docteur De Bruyne (C‑444/16 en C‑445/16, EU:C:2017:465, punt 42).

( 22 ) Zie arresten van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 juni 2017, Immo Chiaradia en Docteur De Bruyne (C‑444/16 en C‑445/16, EU:C:2017:465, punt 43).

( 23 ) Zie arrest van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 34).

( 24 ) Zie arrest van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 35).

( 25 ) Zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 36). Wat de werkingssfeer van artikel 2, lid 5, van richtlijn 78/660 betreft, zie punt 76 en volgende van deze conclusie.

( 26 ) Artikel 35, lid 1, onder a), van richtlijn 78/660 geldt onverminderd het bepaalde onder b) en c) van dat lid, waarin overeenkomstig het voorzichtigheidsbeginsel de voorwaarden worden vastgesteld waaronder waardecorrecties op financiële vaste activa kunnen of moeten worden toegepast.

( 27 ) Richtlijn 78/660 bevat, in artikel 35, lid 2, wel de aanwijzing dat de aanschaffingskosten bestaan uit de inkoopprijs vermeerderd met de bijkomende kosten.

( 28 ) De Oostenrijkse regering gebruikt de term „verborgen lening”.

( 29 ) Zie in die zin ook het Verslag aan de Koning van het koninklijk besluit van 6 november 1987 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen (Belgisch Staatsblad, 24 november 1987, blz. 17309), betreffende artikel 27 bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976, dat overeenkomt met artikel 67 van het koninklijk besluit (van 30 januari 2001). Zowel de Belgische regering als Wagram Invest hebben in hun opmerkingen naar dit verslag verwezen.

( 30 ) In haar opmerkingen heeft de Commissie verwezen naar het beginsel van het wezen van de zaak dat in richtlijn 78/660 is ingevoegd door richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG, 86/635/EEG en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen (PB 2003, L 178, blz. 16), die ratione temporis niet van toepassing is aangezien die richtlijn pas na de feiten van het hoofdgeding in werking is getreden. Dat beginsel is niettemin relevant in de analyse.

( 31 ) Zie naar analogie arrest van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 40, eerste volzin).

( 32 ) Zie punt 48 van deze conclusie en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 33 ) Bij die analyse kan het nodig zijn de reikwijdte van relevante bepalingen van het nationale recht of de nationale rechtspraak te beoordelen.

( 34 ) Zoals blijkt uit punt 14 van deze conclusie heeft Wagram Invest de aandelen in kwestie verworven van haar zaakvoerder.

( 35 ) In haar aan het Hof voorgelegde opmerkingen heeft de Belgische regering verschillende voorbeelden aangevoerd van een dergelijke situatie, te weten de lening aan een cliënt in ruil voor een verbintenis tot de aankoop van door de kredietgever geproduceerde goederen.

( 36 ) In het kader van het hoofdgeding lijkt het antwoord op die vragen slechts relevant te zijn wanneer de verwijzende rechter, op basis van de in het antwoord op de eerste prejudiciële vraag bedoelde beoordeling per geval, vaststelt dat de gebruikte boekingsmethode niet in overeenstemming is met het beginsel van het getrouwe beeld. Enkel in die omstandigheden zou een eventuele afwijking van de bepalingen van richtlijn 78/660 aan de orde zijn. In de verwijzingsbeslissing wordt echter niet gespecificeerd van welke bepaling er zou moeten worden afgeweken.

( 37 ) Zie onder meer arrest van 7 november 2019, Kanyeba e.a. (C‑349/18–C‑351/18, EU:C:2019:936, punt 35).

( 38 ) Die uitlegging wordt bevestigd door de vaststelling dat in de nieuwe richtlijn 2013/34, de bepalingen die overeenkomen met artikel 2, leden 3 en 4, van richtlijn 78/660 in een en hetzelfde lid zijn opgenomen, te weten lid 3 van artikel 4.

( 39 ) Zie arrest van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 41).

( 40 ) Zie arrest van 14 september 1999, DE + ES Bauunternehmung (C‑275/97, EU:C:1999:406, punt 31).

( 41 ) Zie in die zin en naar analogie arrest van 14 september 1999, DE + ES Bauunternehmung (C‑275/97, EU:C:1999:406, punt 32), wat het begrip „uitzonderingsgevallen” als bedoeld in artikel 31, lid 2, van richtlijn 78/660 betreft.

( 42 ) Zie overweging 9 van richtlijn 2013/34, die, zoals ik reeds heb opgemerkt, ratione temporis niet van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, maar niettemin elementen kan leveren voor de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 78/660 die overeenkomen met die van richtlijn 2013/34.

( 43 ) Zie arrest van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 38).

( 44 ) Zie in dat verband eveneens het arrest van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 41).