EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 22.6.2022
COM(2022) 305 final
BIJLAGEN
bij voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
inzake het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/2115
{SEC(2022) 257 final} - {SWD(2022) 169 final} - {SWD(2022) 170 final} - {SWD(2022) 171 final}
BIJLAGE I
als bedoeld in artikel 4
METHODIEK VOOR DE BEREKENING VAN DE VOORUITGANG MET BETREKKING TOT DE VERWEZENLIJKING VAN DE TWEE REDUCTIEDOELSTELLINGEN VAN DE UNIE EN DE TWEE NATIONALE REDUCTIEDOELSTELLINGEN VOOR 2030
Deze verordening is het instrument dat wordt gebruikt om de in de “van boer tot bord”-strategie vastgestelde reductiedoelstellingen voor pesticiden te verwezenlijken en verplicht elke lidstaat om bij te dragen tot de doelstelling om zowel het gebruik en risico van chemische gewasbeschermingsmiddelen (“reductiedoelstelling 1 van de Unie voor 2030”) als het gebruik van gevaarlijkere gewasbeschermingsmiddelen (“reductiedoelstelling 2 van de Unie voor 2030”) tegen 2030 in de Unie als geheel met 50 % te verlagen. Deze verordening regelt ook de bijdrage van elke lidstaat aan deze doelstellingen van de Unie. De bijdrage van elke lidstaat, in de vorm van een nationale doelstelling, aan reductiedoelstelling 1 van de Unie voor 2030 wordt een “nationale reductiedoelstelling 1 voor 2030” genoemd, terwijl de bijdrage van een lidstaat aan reductiedoelstelling 2 van de Unie voor 2030 een “nationale reductiedoelstelling 2 voor 2030” wordt genoemd. De methodiek voor de berekening van de vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt hierna uiteengezet.
AFDELING 1
Nationale reductiedoelstelling 1 voor 2030: methodiek voor de schatting van de vooruitgang met betrekking tot de vermindering van het gebruik en risico van chemische gewasbeschermingsmiddelen
1.De methodiek wordt gebaseerd op aan de Commissie (Eurostat) uit hoofde van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad verstrekte statistieken over de hoeveelheden chemische werkzame stoffen die op grond van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in gewasbeschermingsmiddelen op de markt zijn gebracht.
2.De volgende algemene regels zijn van toepassing voor de berekening van de vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van reductiedoelstelling 1:
a)de vooruitgang wordt berekend op basis van de indeling van chemische werkzame stoffen in de vier groepen van de tabel in deze bijlage;
b)de chemische werkzame stoffen in groep 1 zijn de stoffen die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie;
c)de chemische werkzame stoffen in groep 2 zijn de stoffen die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
d)de chemische werkzame stoffen in groep 3 zijn chemische werkzame stoffen die zijn goedgekeurd als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, of die zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408;
e)de chemische werkzame stoffen in groep 4 zijn stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en derhalve niet zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
f)de wegingscoëfficiënten in rij iii) van de tabel in deze bijlage zijn van toepassing.
3.De vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van reductiedoelstelling 1 wordt berekend door vermenigvuldiging van de jaarlijkse hoeveelheden werkzame stoffen die in gewasbeschermingsmiddelen op de markt zijn gebracht voor elke groep in de tabel in deze bijlage met de relevante gevarencoëfficiënt van rij iii), gevolgd door de optelling van de resultaten van die berekeningen.
Tabel
Indeling van werkzame stoffen en gevarencoëfficiënten ten behoeve van de berekening van de vooruitgang met betrekking tot nationale reductiedoelstelling 1 voor 2030
|
Rij
|
Groepen
|
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
|
i)
|
Chemische werkzame stoffen met een laag risico die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
|
Chemische werkzame stoffen die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en niet onder andere categorieën vallen, en die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
|
Chemische werkzame stoffen die zijn goedgekeurd als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, of die zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408
|
Chemische werkzame stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en daardoor niet in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen
|
|
ii)
|
Gevarencoëfficiënten van toepassing op de hoeveelheden chemische werkzame stoffen die in toegelaten middelen op de markt zijn gebracht uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009
|
|
iii)
|
1
|
8
|
16
|
64
|
4.De uitgangswaarde voor reductiedoelstelling 1 wordt vastgesteld op 100 en is gelijk aan het gemiddelde resultaat van bovenstaande berekening voor de periode 2015-2017.
5.De vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van reductiedoelstelling 1 wordt uitgedrukt ten opzichte van de uitgangswaarde.
6.De Commissie berekent de vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van reductiedoelstelling 1 overeenkomstig artikel 34, lid 2, van deze verordening voor elk kalenderjaar en dit uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor de vooruitgang met betrekking tot reductiedoelstelling 1 wordt berekend.
AFDELING 2
Nationale reductiedoelstelling 2: methodiek voor de schatting van de vooruitgang met betrekking tot de vermindering van het gebruik van gevaarlijkere gewasbeschermingsmiddelen
1.De methodiek wordt gebaseerd op aan de Commissie uit hoofde van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1185/2009 verstrekte statistieken over de hoeveelheden werkzame stoffen die op grond van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in gewasbeschermingsmiddelen op de markt zijn gebracht.
2.De vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van doelstelling 2 wordt berekend door optelling van de jaarlijkse hoeveelheden chemische werkzame stoffen in gevaarlijkere gewasbeschermingsmiddelen die elk jaar op de markt worden gebracht.
3.De uitgangswaarde voor reductiedoelstelling 2 wordt vastgesteld op 100 en is gelijk aan het gemiddelde resultaat van bovenstaande berekening voor de periode 2015-2017.
4.De vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van reductiedoelstelling 2 wordt uitgedrukt ten opzichte van de uitgangswaarde.
5.De Commissie berekent de vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van reductiedoelstelling 2 overeenkomstig artikel 34, lid 2, van deze verordening voor elk kalenderjaar en dit uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor de vooruitgang met betrekking tot reductiedoelstelling 2 wordt berekend.
AFDELING 3
Reductiedoelstellingen van de Unie
1.De methodiek voor de berekening van trends met betrekking tot de twee reductiedoelstellingen van de Unie voor 2030 is gelijk aan de methodiek voor de berekening van trends op nationaal niveau zoals omschreven in de afdelingen 1 en 2.
2.De trend op nationaal niveau wordt berekend met behulp van aan de Commissie uit hoofde van bijlage I (Statistieken over het op de markt brengen van pesticiden) bij Verordening (EG) nr. 1185/2009 verstrekte nationale statistieken over de hoeveelheden chemische werkzame stoffen zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 3, van deze verordening, die op grond van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in gewasbeschermingsmiddelen op de markt zijn gebracht.
3.De trend in de Unie wordt berekend met behulp van aan de Commissie uit hoofde van bijlage I (Statistieken over het op de markt brengen van pesticiden) bij Verordening (EG) nr. 1185/2009 verstrekte statistieken voor de Unie over de hoeveelheden chemische werkzame stoffen zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 3, van deze verordening die op grond van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in gewasbeschermingsmiddelen op de markt zijn gebracht.
BIJLAGE II
GEGEVENS DIE UITERLIJK OP 31 AUGUSTUS VAN ELK KALENDERJAAR MOETEN WORDEN VERSTREKT IN DE JAARLIJKSE VOORTGANGS- EN UITVOERINGSVERSLAGEN
Deel 1: Jaarlijkse trends wat de vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van nationale reductiedoelstellingen voor 2030 betreft
1.De trends wat de vooruitgang van een lidstaat met betrekking tot de verwezenlijking van de twee in artikel 10, lid 2, punt a), bedoelde nationale reductiedoelstellingen voor 2030 betreft.
2.Alle overige nationale indicatieve streefdoelen als aangegeven in artikel 9, lid 2, punt a), artikel 9, lid 3, punt a), en artikel 9, lid 4.
Deel 2: Alle overige kwantitatieve gegevens die relevant zijn voor de uitvoering van deze verordening en de naleving ervan
Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen:
1.het percentage professionele gebruikers bij wie de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming wordt gecontroleerd;
2.het percentage professionele gebruikers dat niet voldoet aan de verplichting om een elektronische registratie bij te houden van de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming;
3.het percentage professionele gebruikers dat niet voldoet aan de verplichting om gegevens over het gebruik van pesticiden elektronisch bij te houden;
4.het aantal vergunningen voor toepassing vanuit de lucht, de geldigheidsduur van de vergunning alsmede de oppervlakte en de plaats van het desbetreffende areaal, en de redenen voor het verlenen van de vergunning;
5.het percentage gebruikt landbouwareaal en andere gebieden waarvoor vergunningen voor toepassing vanuit de lucht zijn afgegeven;
6.het aantal vergunningen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in gevoelige gebieden;
7.het percentage gebruikt landbouwareaal en overige gebieden waarvoor vergunningen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in gevoelige gebieden zijn afgegeven;
8.de naar schatting gebruikte hoeveelheden illegale gewasbeschermingsmiddelen en de opgespoorde hoeveelheden illegale gewasbeschermingsmiddelen;
9.de vraag of lidstaten afwijkingen hebben toegestaan om het volgende toe te laten:
a)afwijkende keuringseisen voor professioneel gebruikte toepassingsapparatuur die zeer weinig wordt gebruikt, of
b)keuringsvrijstellingen voor professioneel gebruikte handapparatuur of rugspuiten.
Opleidings- en adviesdiensten:
10.het percentage professionele gebruikers, adviseurs en distributeurs dat is opgeleid in de in bijlage III genoemde onderwerpen en die in het bezit zijn van een opleidingscertificaat overeenkomstig artikel 25 of overeenkomstig artikel 25, lid 5, kunnen aantonen te zijn ingeschreven in een centraal elektronisch register, uitgesplitst naar professionele gebruikers, adviseurs en distributeurs;
11.het percentage professionele gebruikers dat niet heeft voldaan aan de verplichting om ten minste eenmaal per jaar gebruik te maken van onafhankelijke adviesdiensten.
Professioneel gebruikte toepassingsapparatuur:
12.het percentage professioneel gebruikte toepassingsapparatuur dat naar schatting is geregistreerd in het elektronisch register van professioneel gebruikte toepassingsapparatuur;
13.het percentage geregistreerde professioneel gebruikte toepassingsapparatuur dat ter keuring moet worden aangeboden en gekeurd is;
14.het percentage professioneel gebruikte toepassingsapparatuur dat op de dag van de keuring uitgerust was met risicobeperkende hulpmiddelen.
Nadere maatregelen van de lidstaten voor de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming:
15.het percentage gebruikt landbouwareaal in elke lidstaat waarvoor gewasspecifieke regels gelden die uit hoofde van het interne recht juridisch bindend zijn gemaakt.
BIJLAGE III
IN ARTIKEL 25 BEDOELDE OPLEIDINGSONDERWERPEN
1.Alle toepasselijke wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen en het gebruik en risico ervan, en met name deze verordening. Onder meer, doch niet uitsluitend, de volgende wetgeving is van belang:
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad
Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad
Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad
Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad
Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad
Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad
Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad
Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad
Richtlijn 2009/127/EG van het Europees Parlement en de Raad
Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad
Richtlijn 89/391/EEG van de Raad
Richtlijn 89/656/EEG van de Raad
Richtlijn 98/24/EG van de Raad
Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad
Richtlijn 2009/104/EG van het Europees Parlement en de Raad
Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad
Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad
2.Het bestaan en de risico’s van illegale en nagemaakte gewasbeschermingsmiddelen, de methoden om dergelijke producten te identificeren en de sancties op de verkoop of het gebruik van illegale gewasbeschermingsmiddelen.
3.De gevaren en risico’s in verband met gewasbeschermingsmiddelen en de wijze waarop deze moeten worden geïdentificeerd en beheerst, met inbegrip van de volgende onderwerpen:
a)risico’s voor de menselijke gezondheid;
b)verschijnselen van vergiftiging met een gewasbeschermingsmiddel en passende eerstehulpmaatregelen bij een dergelijke vergiftiging;
c)risico’s voor andere plantensoorten en insecten dan de doelsoort, de wilde fauna, de biodiversiteit en het milieu in het algemeen.
4.Strategieën en technieken voor geïntegreerde gewasbescherming, strategieën en technieken voor geïntegreerd gewasbeheer, beginselen van biologische landbouw, biologische methoden voor de bestrijding van plaagorganismen, bestrijdingsmethoden voor schadelijke organismen, de verplichting om geïntegreerde gewasbescherming als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van deze verordening toe te passen en de verplichting om gegevens in te voeren in het in artikel 14 van deze verordening bedoelde elektronische register voor geïntegreerde gewasbescherming en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
5.Wanneer gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk zijn: de wijze waarop de gewasbeschermingsmiddelen met de minste neveneffecten voor de menselijke gezondheid, niet-doelorganismen en het milieu moeten worden gekozen uit alle toegelaten middelen voor een bepaald bestrijdingsprobleem in een bepaalde situatie.
6.Maatregelen om de risico’s voor mensen, niet-doelorganismen en het milieu tot een minimum te beperken, waaronder:
a)veilige werkwijzen voor opslag, hantering en vermenging van gewasbeschermingsmiddelen;
b)veilige werkwijzen voor het verwijderen van lege verpakkingen, andere verontreinigde materialen en restanten van gewasbeschermingsmiddelen (met inbegrip van mengsels uit tanks), in geconcentreerde of verdunde vorm;
c)de aanbevolen wijze om blootstelling van bedieners van toepassingsapparatuur te beperken (met inbegrip van persoonlijke beschermingsmiddelen);
d)informatie over de juiste en veilige verwijdering van gewasbeschermingsmiddelen die niet langer zijn toegelaten en waarvoor de overgangsperiode voor hun gebruik ingevolge artikel 20, lid 2, of artikel 46 van Verordening 1107/2009 is verstreken.
7.Procedures voor het bedienen van toepassingsapparatuur, met inbegrip van het ijken ervan, met minimale risico’s voor de gebruiker, andere personen, dieren- en plantensoorten die niet tot de doelsoorten behoren, de biodiversiteit en het milieu, met inbegrip van watervoorraden.
8.Praktische opleiding voor het gebruik en onderhoud van toepassingsapparatuur en op het gebied van risicobeperkende maatregelen, waaronder specifieke sproeitechnieken, het gebruik van nieuwe technologie met inbegrip van precisielandbouwtechnieken, en de technische controle van gebruikte sproeiers en manieren om de sproeikwaliteit te verbeteren. Bij dit onderwerp wordt speciale aandacht geschonken aan spuitdoppen die verwaaiing beperken en de aanbevelingen van fabrikanten voor optimale gebruiksomstandigheden daarvoor. Specifieke risico’s die verbonden zijn aan handapparatuur of rugspuiten, en de desbetreffende risicobeheersmaatregelen. De praktische opleiding omvat ook de specifieke risico’s in verband met het inzaaien van zaaigoed dat met gewasbeschermingsmiddelen is behandeld.
9.Noodmaatregelen ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, met inbegrip van watervoorraden, in het geval van onbedoelde verliezen, verontreiniging en extreme weersomstandigheden met risico op wegspoelen van gewasbeschermingsmiddelen.
10.Extra zorgvuldigheid in gevoelige gebieden zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 15, van deze verordening en uit hoofde van artikel 6 en 7 van Richtlijn 2000/60/EG ingestelde beschermde gebieden en bewustzijn van verontreiniging door specifieke gewasbeschermingsmiddelen in hun respectieve gebied.
11.Voorzieningen voor gezondheidsbewaking en toegang tot gezondheidszorg, waar informatie over acute en chronische vergiftigingsincidenten kunnen worden gerapporteerd.
12.Registratie van verkoop, aankoop en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving.
13.Het tot een minimum beperken of uitbannen van de toepassing van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen die zijn ingedeeld als “schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen”, “zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen” of “giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen” uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1272/2008 op of langs wegen, spoorlijnen, zeer doorlaatbare oppervlakken of andere infrastructuur in de nabijheid van oppervlaktewater of grondwater, of op verharde oppervlakken waar een groot risico van afspoeling naar oppervlaktewater of rioleringssystemen bestaat.
14.De bescherming van het aquatisch milieu en de drinkwatervoorraden tegen de gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen, onder meer met betrekking tot de volgende onderwerpen:
a)het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met inachtneming van de beperkingen die op het etiket zijn opgenomen overeenkomstig artikel 31, punt 4, a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009, waarbij de voorkeur wordt gegeven aan gewasbeschermingsmiddelen die niet zijn ingedeeld als “(zeer) persistent”, “sterk bioaccumulerend”,
“zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen”, “giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen” of “schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen” uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1272/2008 of prioritaire stoffen bevatten die zijn opgenomen in de lijst die door de Commissie is vastgesteld overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2000/60/EG, uitgevoerd via de Richtlijnen 2008/105/EG en 2013/39/EU, of pesticiden die zijn geïdentificeerd als specifieke verontreinigende stoffen in stroomgebieden uit hoofde van bijlage V, punt 1.2.6, bij Richtlijn 2000/60/EG, in het bijzonder wanneer zij van invloed zijn op het water dat wordt gebruikt voor de winning van drinkwater overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn (EU) 2020/2184;
b)de potentiële gevaren en risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, alsmede methoden om uitstoot in het milieu en beroepsmatige blootstelling aan gevaarlijkere gewasbeschermingsmiddelen tot een minimum te beperken;
c)het gebruik van technologie om verwaaiing in alle veldgewassen te verminderen;
d)het gebruik van andere risicoreducerende maatregelen waardoor het risico van vervuiling buiten het terrein als gevolg van verwaaiende spuitnevel, uitspoeling en afspoeling tot een minimum wordt beperkt, waaronder met name verplichte bufferzones rondom oppervlaktewateren, grondwater en watervoerende lagen;
e)de wijze waarop de in Verordening (EG) nr. 1107/2009 vastgestelde beperkingen moeten worden nageleefd om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn ingedeeld als “schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen”, “zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen” of “giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen” tot een minimum te beperken of in plaats daarvan andere middelen te gebruiken op of langs wegen, spoorlijnen, zeer doorlaatbare oppervlakken of andere infrastructuur in de nabijheid van oppervlaktewater of grondwater, of op verharde oppervlakken waar een groot risico van afspoeling naar oppervlaktewater of rioleringssystemen bestaat.
BIJLAGE IV
KEURING VAN PROFESSIONEEL GEBRUIKTE TOEPASSINGSAPPARATUUR
De keuring van professioneel gebruikte toepassingsapparatuur omvat alle aspecten die van belang zijn voor het waarborgen van een hoog niveau van veiligheid en bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu. Optimale doeltreffendheid en veiligheid van de toepassing moet worden gewaarborgd door een goede werking van alle hulpmiddelen of toebehoren van de apparatuur, om te garanderen dat onderstaande doelen worden bereikt.
De professioneel gebruikte toepassingsapparatuur moet betrouwbaar werken en mag alleen overeenkomstig de bijbehorende handleiding voor zijn beoogde doeleinden worden gebruikt om te waarborgen dat gewasbeschermingsmiddelen accuraat kunnen worden toegepast volgens goede landbouwpraktijken (GLP) zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 2, a), van Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad.
De apparatuur moet in een zodanige toestand verkeren dat deze veilig, gemakkelijk en volledig kan worden gevuld en geledigd en dat lekkage van sproei-oplossing of van een geconcentreerd middel in alle gevallen wordt voorkomen. De apparatuur moet gemakkelijk en grondig kunnen worden gereinigd. Ook moet de apparatuur veilig kunnen worden bediend en onmiddellijk tot stilstand kunnen worden gebracht vanuit de positie van de bediener. Eventueel noodzakelijke aanpassingen moeten eenvoudig kunnen worden uitgevoerd. Dergelijke aanpassingen moeten nauwkeurig en reproduceerbaar zijn.
Bij keuring wordt de naleving van de volgende eisen gecontroleerd:
1.Veiligheid
De apparatuur moet schoon en veilig zijn voordat de keuring aanvangt. Het volgende moet worden gecontroleerd:
●de afscherming van de aftakas en alle afschermingen van de aftakking en andere draaiende delen van het aandrijvingssysteem,
●de lekdichtheid van het hydraulische systeem en de algemene toestand van hydraulische cilinders en leidingen,
●de veiligheid en werking van alle elektrische onderdelen, waaronder elektromagnetische schakelaars,
●de werking van de veiligheidskleppen,
●de toestand van structurele onderdelen, het chassis en dragers van bomen/spuitdoppen,
●de vergrendeling van inklapbare delen, en
●in het geval van apparatuur die met luchtondersteuning werkt: de beschermingen en de staat van de blower, met inbegrip van de fysieke staat van de blowereenheid, de ventilator en de moffen.
2.Lekkage
Zowel in stilstand als in bedrijf mag geen enkel onderdeel van de apparatuur lekkage vertonen of druppelen. Na uitschakeling van de apparatuur mag deze niet druppelen of onbedoeld sproeien. Bij apparatuur die is bestemd voor de toepassing van vloeibare middelen mag er bij de hoogst bereikbare systeemdruk geen lekkage optreden uit leidingen of slangen en mag geen vloeistof rechtstreeks op de sproeier zelf zijn gekomen.
3.Pomp (voor apparatuur voor de toepassing van vloeibare middelen)
De pompcapaciteit moet zijn afgestemd op de behoeften van de toepassingsapparatuur en de pomp moet naar behoren functioneren om een stabiele en betrouwbare toepassingsdosering te garanderen.
4.Roeren/schudden of mengen (voor apparatuur voor de toepassing van vloeibare middelen)
Roerders/schudders of mengers moeten een correcte recirculatie tot stand brengen, zodat in het hele volume vloeibaar spuitmengsel in de tank een gelijkmatige concentratie ontstaat.
5.Spuitvloeistoftank/hopper
Spuitvloeistoftanks en hoppers, met inbegrip van peilindicatoren, vulinrichtingen, filters, ledigings- en reinigingsinrichtingen en menginrichtingen moeten zodanig functioneren dat onbedoelde verliezen, ongelijkmatige concentratie, blootstelling van de bediener alsook in de apparatuur achterblijvende spuitvloeistof tot een minimum worden beperkt.
6.Meet-, controle- en regelsystemen
Alle hulpmiddelen voor het meten, het in- en uitschakelen en het regelen van de druk of het debiet moeten deugdelijk worden geijkt en correct functioneren. De tijdens de toepassing te gebruiken bedieningsorganen moeten bereikbaar zijn vanuit de positie van de bediener, de benodigde instrumenten om de toepassing te regelen moeten aanwezig en nauwkeurig zijn en de instrumenten moeten vanuit de positie van de bediener kunnen worden afgelezen. Bij apparatuur voor de toepassing van vloeibare middelen moet door middel van drukregelapparatuur bij een gelijkblijvend pomptoerental een constante bedrijfsdruk worden gehandhaafd om een stabiele toepassingsdosering te waarborgen. Aanvullende apparatuur voor dosering of injectie van gewasbeschermingsmiddelen moet nauwkeurig en goed werken.
7.Leidingen en slangen
Leidingen en slangen moeten in goed werkende staat verkeren om verstoringen in de vloeistofstroming of onbedoelde verliezen bij storingen te vermijden. Leidingen en slangen mogen geen knikken of overmatige slijtage vertonen of zodanig zijn gemonteerd dat zij kunnen rekken.
8.Filter (voor apparatuur voor de toepassing van vloeibare middelen)
Ter voorkoming van turbulentie en ongelijkmatige spuitpatronen moeten filters aanwezig zijn en in goede staat verkeren en moet de maaswijdte van de filters zijn afgestemd op, en geschikt zijn voor, de grootte van de spuitdoppen die op de spuit zijn aangebracht. In voorkomend geval moet de verstoppingsindicatie van de filters naar behoren functioneren.
9.Spuitboom (voor apparatuur die gewasbeschermingsmiddelen toepast met behulp van een horizontaal of verticaal geplaatste boom die in de nabijheid van het gewas of het te behandelen materiaal wordt gebracht)
De boom moet in goede staat verkeren en in alle richtingen stabiel zijn. De bevestigings- en verstelsystemen en de hulpmiddelen die zijn bedoeld om onbedoelde bewegingen te dempen en hellingen te compenseren, moeten correct functioneren.
10.Spuitdoppen (voor apparatuur voor de toepassing van vloeibare middelen)/ doseerders (voor vaste middelen)
Spuitdoppen en doseerders moeten naar behoren werken. Het debiet van elke afzonderlijke spuitdop en doseerder mag niet significant afwijken van de gegevens uit de door de fabrikant verstrekte debiettabellen.
11.Verdeling
Indien relevant moet het middel in het doelgebied gelijkmatig worden verdeeld in de lengte- en breedterichting en (bij toepassing op verticale gewassen) in verticale richting.
12.Blower (voor apparatuur waarmee gewasbeschermingsmiddelen worden verspreid met luchtondersteuning)
De blower moet in goede staat verkeren en moet een constante en betrouwbare luchtstroom leveren.
13.Reiniging
Indien aanwezig moeten de spoel-/reinigingssystemen voor lege containers die bijvoorbeeld op hoppers van toepassingsapparatuur zijn gemonteerd betrouwbaar werken. Bovendien moeten eventueel aanwezige hulpmiddelen voor het reinigen van de tank, hulpmiddelen voor externe reiniging, hulpmiddelen voor het reinigen van hoppers en voor de inwendige reiniging van de gehele toepassingsapparatuur goed werken.
BIJLAGE V
KENNISGEVINGSFORMULIER
|
Reden voor kennisgeving (aankruisen)
|
|
|
|
Nieuwe apparatuur of eerste registratie van gebruikte apparatuur
|
|
|
Buitengebruikstelling
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Wijziging van eigendom
|
|
|
Hernieuwde ingebruikname
|
|
|
|
|
|
|
|
Huidige eigenaar
|
|
Naam:
|
|
Uniek persoonsnummer/ bedrijfsnummer:
(Fiscaal nummer)
|
|
|
Adres 1:
|
|
|
|
Adres 2:
|
|
Beroep:
(landbouwer, hovenier, loonwerker, ander beroep (a.u.b. invullen))
|
|
|
Adres 3:
|
|
|
|
Adres 4:
|
|
|
|
|
Land:
|
|
|
|
|
|
|
Vorige eigenaar, indien van toepassing
|
|
Naam:
|
|
|
Adres 1:
|
|
|
Adres 2:
|
|
|
Adres 3:
|
|
|
Adres 4:
|
|
|
Land:
|
|
|
|
|
|
|
Soort toepassingsapparatuur voor pesticiden (het meest passende antwoord aankruisen)
|
|
Veldspuit
|
|
Toepassingsapparatuur voor gewasbeschermingsmiddelen waarmee druppels worden geproduceerd die door een ventilator verticaal en/of lateraal worden verspreid
|
|
Verstuiver (koud en warm)
|
|
Op zaaimachine opgebouwde apparatuur
|
|
|
Granulaatstrooier
|
|
|
|
Dampgenerator
|
|
Verticale spuit
|
|
|
Luchtvaartuig (met vleugels)
|
|
Luchtvaartuig (met rotor)
|
|
Onbemand luchtvaartuig (bv. drone)
|
|
Handapparatuur
|
|
|
Andere apparatuur
|
|
Geef a.u.b. een beschrijving:
|
|
Werkt de apparatuur met luchtondersteuning?
|
|
|
Is de apparatuur voorzien van spuitdoppen of leidingafsluiters met GPS-sturing?
|
|
|
Toepassingsapparatuur voor pesticiden
|
|
Merk:
|
|
Model:
|
|
|
Chassisnummer:
|
|
Inhoud tank/hopper:
|
|
|
Bouwjaar:
|
|
Werkbreedte:
|
|
|
Overige informatie:
|
|
BIJLAGE VI
als bedoeld in artikel 35
METHODIEK VOOR DE BEREKENING VAN GEHARMONISEERDE RISICO-INDICATOREN OP UNIE- EN NATIONAAL NIVEAU
AFDELING 1
Geharmoniseerde risico-indicatoren
De methodiek voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicatoren op zowel Unie- als nationaal niveau is opgenomen in de afdelingen 2 tot en met 4 van deze bijlage. Hoewel de methodiek voor de indicatoren op zowel Unie- als nationaal niveau hetzelfde is, is eerstgenoemde gebaseerd op statistieken voor de gehele Unie terwijl laatstgenoemde is gebaseerd op nationale statistieken. Deze indicatoren worden jaarlijks berekend.
AFDELING 2
Geharmoniseerde risico-indicator 1: op gevaren gebaseerde geharmoniseerde risico-indicator op basis van de hoeveelheden werkzame stoffen die op grond van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in gewasbeschermingsmiddelen op de markt zijn gebracht
1.Deze indicator wordt gebaseerd op aan de Commissie (Eurostat) uit hoofde van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1185/2009 verstrekte statistieken over de hoeveelheden werkzame stoffen die op grond van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in gewasbeschermingsmiddelen op de markt zijn gebracht. Deze gegevens zijn ingedeeld in vier groepen.
2.Voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 1 zijn de volgende algemene regels van toepassing:
a)de geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt berekend op basis van de indeling van alle werkzame stoffen in de vier groepen van tabel 1;
b)de werkzame stoffen in groep 1 zijn de stoffen die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
c)de werkzame stoffen in groep 2 zijn de stoffen die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
d)de werkzame stoffen in groep 3 zijn chemische werkzame stoffen die zijn goedgekeurd als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 of die zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408;
e)de werkzame stoffen in groep 4 zijn stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en derhalve niet zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
f)de aanpassingscoëfficiënten in rij iii) van tabel 1 zijn van toepassing.
3.Geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt berekend door vermenigvuldiging van de jaarlijkse hoeveelheden van op de markt gebrachte werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen voor elke groep in tabel 1 met de relevante gevarencoëfficiënt van rij iii), gevolgd door de optelling van de resultaten van die berekeningen.
Tabel 1
Indeling van werkzame stoffen en gevarencoëfficiënten voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 1
|
Rij
|
Groepen
|
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
|
i)
|
Werkzame stoffen met een laag risico die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
|
Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en niet onder andere categorieën vallen, en die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
|
Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, of die zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408
|
Werkzame stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en daardoor niet in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen
|
|
ii)
|
Gevarencoëfficiënten van toepassing op de op de markt gebrachte hoeveelheden werkzame stoffen in middelen die zijn toegelaten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009
|
|
iii)
|
1
|
8
|
16
|
64
|
4.De uitgangswaarde voor geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt vastgesteld op 100 en is gelijk aan het gemiddelde resultaat van bovenstaande berekening voor de periode 2011-2013.
5.Het resultaat van geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt uitgedrukt ten opzichte van de uitgangswaarde.
6.De Commissie berekent en publiceert de resultaten van geharmoniseerde risico-indicator 1 op Unieniveau overeenkomstig artikel 35, lid 2, van deze verordening voor elk kalenderjaar en dit uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt berekend.
7.De lidstaten berekenen en publiceren de resultaten van geharmoniseerde risico-indicator 1 op nationaal niveau overeenkomstig artikel 35, lid 3, van deze verordening voor elk kalenderjaar en dit uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt berekend.
AFDELING 3
Geharmoniseerde risico-indicator 2: geharmoniseerde risico-indicator op basis van het aantal uit hoofde van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen
1.Deze indicator is gebaseerd op het aantal uit hoofde van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen, zoals aan de Commissie meegedeeld overeenkomstig artikel 53, lid 1, van die verordening. Deze gegevens zijn ingedeeld in vier groepen.
2.Voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 2 zijn de volgende algemene regels van toepassing:
a)geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt gebaseerd op het aantal uit hoofde van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen en wordt berekend op basis van de indeling van werkzame stoffen in de vier groepen van tabel 2 in deze afdeling;
b)de werkzame stoffen in groep 1 zijn de stoffen die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
c)de werkzame stoffen in groep 2 zijn de stoffen die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
d)de werkzame stoffen in groep 3 zijn chemische werkzame stoffen die zijn goedgekeurd als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 of die zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408;
e)de werkzame stoffen in groep 4 zijn stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en derhalve niet zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
f)de aanpassingscoëfficiënten in rij iii) van tabel 2 van deze afdeling zijn van toepassing.
3.Geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt berekend door vermenigvuldiging van het aantal ingevolge artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen voor elke groep in tabel 2 met de relevante gevarencoëfficiënt van rij iii), gevolgd door de optelling van de resultaten van die berekeningen.
Tabel 2
Indeling van werkzame stoffen en gevarencoëfficiënten voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 2
|
Rij
|
Groepen
|
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
|
i)
|
Werkzame stoffen met een laag risico die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
|
Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en niet onder andere categorieën vallen, en die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
|
Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, of die zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408
|
Werkzame stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en daardoor niet in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen
|
|
ii)
|
Gevarencoëfficiënten van toepassing op de op de markt gebrachte hoeveelheden werkzame stoffen in middelen die zijn toegelaten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009
|
|
iii)
|
1
|
8
|
16
|
64
|
4.De uitgangswaarde voor geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt vastgesteld op 100 en is gelijk aan het gemiddelde resultaat van bovenstaande berekening voor de periode 2011-2013.
5.Het resultaat van geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt uitgedrukt ten opzichte van de uitgangswaarde.
6.De Commissie berekent en publiceert de resultaten van geharmoniseerde risico-indicator 2 op Unieniveau overeenkomstig artikel 35, lid 2, van deze verordening voor elk kalenderjaar en dit uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt berekend.
7.De lidstaten berekenen en publiceren de resultaten van geharmoniseerde risico-indicator 2 op nationaal niveau overeenkomstig artikel 35, lid 3, van deze verordening voor elk kalenderjaar en dit uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt berekend.
8.Met ingang van 1 januari 2027 wordt de methodiek voor geharmoniseerde risico-indicator 2 vervangen door de methodiek voor de in afdeling 4 van deze bijlage bedoelde geharmoniseerde risico-indicator 2a.
AFDELING 4
Geharmoniseerde risico-indicator 2a: geharmoniseerde risico-indicator op basis van het aantal uit hoofde van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen en het op grond van die toelatingen behandelde areaal
1.Deze indicator wordt gebaseerd op het aantal op grond van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen en de omvang van het op grond van die toelatingen behandelde areaal, zoals aan de Commissie meegedeeld overeenkomstig artikel 53, lid 1, van die verordening.
2.Voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 2a zijn de volgende algemene regels van toepassing:
a)geharmoniseerde risico-indicator 2a wordt gebaseerd op het aantal op grond van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen en de omvang van het op grond van die toelatingen behandelde areaal. Deze indicator wordt berekend op basis van de indeling van de werkzame stoffen in de vier groepen van tabel 3 van deze afdeling;
b)het behandelde areaal wordt uitgedrukt in hectaren;
c)de werkzame stoffen in groep 1 zijn de stoffen die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
d)de werkzame stoffen in groep 2 zijn de stoffen die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
e)de werkzame stoffen in groep 3 zijn chemische werkzame stoffen die zijn goedgekeurd als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 of die zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408;
f)de werkzame stoffen in groep 4 zijn stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en derhalve niet zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;
g)De aanpassingscoëfficiënten in rij iii) van tabel 3 van deze afdeling zijn van toepassing.
3.Geharmoniseerde risico-indicator 2a wordt berekend door vermenigvuldiging van het aantal op grond van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen voor elke groep in tabel 3 met de relevante gevarencoëfficiënt van rij iii) en met het op grond van deze toelatingen behandelde areaal, gevolgd door de optelling van de resultaten van die berekeningen.
Tabel 3
Indeling van werkzame stoffen en gevarencoëfficiënten voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 2a
|
Rij
|
Groepen
|
|
|
1
|
2
|
3
|
4
|
|
i)
|
Werkzame stoffen met een laag risico die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
|
Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en niet onder andere categorieën vallen, en die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
|
Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd als stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, of die zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408
|
Werkzame stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en daardoor niet in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen
|
|
ii)
|
Gevarencoëfficiënten die van toepassing zijn op de op de markt gebrachte hoeveelheden werkzame stoffen in middelen die zijn toegelaten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009
|
|
iii)
|
1
|
8
|
16
|
64
|
4.De uitgangswaarde voor geharmoniseerde risico-indicator 2a wordt vastgesteld op 100 en is gelijk aan het gemiddelde resultaat van bovenstaande berekening voor de periode 2022-2024.
5.Het resultaat van geharmoniseerde risico-indicator 2a wordt uitgedrukt ten opzichte van de uitgangswaarde.
6.De Commissie berekent en publiceert de resultaten van geharmoniseerde risico-indicator 2a op Unieniveau overeenkomstig artikel 35, lid 2, van deze verordening. Dit gebeurt voor het eerst in 2027 op basis van gegevens uit de kalenderjaren 2022 tot en met 2025, en vervolgens voor elk kalenderjaar, en dit uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor geharmoniseerde risico-indicator 2a wordt berekend.
7.De lidstaten berekenen en publiceren de resultaten van geharmoniseerde risico-indicator 2a op nationaal niveau overeenkomstig artikel 35, lid 3, van deze verordening. Dit gebeurt voor het eerst in 2027 op basis van gegevens uit de kalenderjaren 2022 tot en met 2025, en vervolgens voor elk kalenderjaar, en dit uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor geharmoniseerde risico-indicator 2a wordt berekend.
BIJLAGE VII
CONCORDANTIETABEL BEDOELD IN ARTIKEL 43, LID 2
|
Richtlijn 2009/128/EG
|
Onderhavige verordening
|
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
|
Artikel 2
|
Artikel 2
|
|
Artikel 3
|
Artikel 3
|
|
Artikel 4
|
Artikel 8 tot en met 9
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 5
|
Artikel 17, lid 1, artikel 23 en artikel 25
|
|
Artikel 6
|
Artikel 24
|
|
Artikel 7
|
Artikel 27
|
|
Artikel 8
|
Artikel 17, leden 3 tot en met 5, en artikel 29 tot en met 33
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 9
|
Artikel 20 tot en met 21
|
|
Artikel 10
|
|
|
Artikel 11
|
Artikel 19
|
|
Artikel 12
|
Artikel 18
|
|
Artikel 13
|
Artikel 22
|
|
Artikel 14
|
Artikel 12 tot en met 16
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 15
|
Artikel 35 en 36
|
|
Artikel 16
|
Artikel 11, lid 7, artikel 15, lid 13, en artikel 42, lid 2
|
|
Artikel 17
|
Artikel 38
|
|
Artikel 18
|
|
|
Artikel 19
|
Artikel 39
|
|
Artikel 20
|
Artikel 31, lid 11
|
|
Artikel 21
|
Artikel 41
|
|
Artikel 22
|
—
|
|
Artikel 23
|
—
|
|
Artikel 24
|
Artikel 44
|
|
Artikel 25
|
—
|
|
Bijlage I
|
Bijlage III
|
|
Bijlage II
|
Bijlage IV
|
|
Bijlage III
|
|
|
Bijlage IV
|
Bijlage VI
|