<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><ORDER xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.ORDER><REF.CASE FILE="ECRT11998NLB.0500219101.case.xml"><NO.CASE>T-267/97</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61997B0267</NO.CELEX><NO.SEQ>0007.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST>2193</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>2203</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>11</PAGE.TOTAL><AUTHOR>T</AUTHOR></BIB.ORDER><CURR.TITLE><LEFT>BESCHIKKING VAN <DATE ISO="19980525">25.5.1998</DATE> — ZAAK T-267/97</LEFT><RIGHT>BROOME &amp; WELLINGTON / COMMISSIE</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Beschikking van het Gerecht</HT> (Derde kamer — uitgebreid)</P><P><DATE ISO="19980525">25 mei 1998</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING="STAR"><P>Procesuaal: Engels.</P></NOTE></P></TI></TITLE><ORDER.INIT><P>In zaak T-267/97,</P></ORDER.INIT><PARTIES><PLAINTIFS><P><HT TYPE="BOLD">Broome &amp; Wellington Ltd,</HT> vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Manchester (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door F. M. Carlin, barrister van de balie van Noord-Ierland, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Arendt &amp; Medernach, advocaten aldaar, Rue Matthias Hardt 8-10.</P><PARTY.STATUS>verzoekster,</PARTY.STATUS></PLAINTIFS><AGAINST>tegen</AGAINST><DEFENDANTS><P><HT TYPE="BOLD">Commissie van de Europese Gemeenschappen,</HT> vertegenwoordigd door V. Kreuschitz, juridisch adviseur, en N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,</P><PARTY.STATUS>verweerster,</PARTY.STATUS></DEFENDANTS></PARTIES><SUBJECT><P>betreffende een beroep tot nietigverklaring van een op <DATE ISO="19970711">11 juli 1997</DATE> gepubliceerd bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van<?PAGE NO="II-2194"?> ongebleekte katoenen weefsels van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, India, Indonesië, Pakistan en Turkije (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="210" DATE.PUB="1997" PAGE.FIRST="12">PB C 210, blz. 12</REF.DOC.OJ>),</P><P>geeft</P></SUBJECT><PREAMBLE.GEN><PREAMBLE.INIT><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer — uitgebreid),</P><P>samengesteld als volgt: V. Tiili, kamerpresident, C. P. Briët, K. Lenaerts, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,</P><P>griffier: H.Jung</P></PREAMBLE.INIT><PREAMBLE.FINAL><P>de navolgende</P></PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE.GEN><CONTENTS.ORDER><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Beschikking</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De feiten en het procesverloop</P></TI></TITLE><NP><NO.P>1</NO.P><TXT>Overeenkomstig artikel 5 van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van <DATE ISO="19951222">22 december 1995</DATE> betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="056" DATE.PUB="1996" PAGE.FIRST="1">PB 1996, L 56, blz. 1</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>verordening nr. 384/96<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2331/96 van de Raad van <DATE ISO="19961202">2 december 1996</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="317" DATE.PUB="1996" PAGE.FIRST="1">PB L 317, blz. 1</REF.DOC.OJ>), diende de Commissie van de katoen- en aanverwante vezels verwerkende nijverheden van de EU (hierna: <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>Eurocoton<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>) op <DATE ISO="19970526">26 mei 1997</DATE> een klacht in bij de Commissie over invoer met dumping van platte ongebleekte katoenen weefsels van oorsprong uit de<?PAGE NO="II-2195"?> Volksrepubliek China, Egypte, India, Indonesië, Pakistan en Turkije, waardoor grote schade voor de industrie van de Gemeenschap zou zijn ontstaan.</TXT></NP><NP><NO.P>2</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19970711">11 juli 1997</DATE> publiceerde de Commissie een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van ongebleekte katoenen weefsels uit genoemde landen (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="210" DATE.PUB="1997" PAGE.FIRST="12">PB C 210, blz. 12</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>inleidingsbericht<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>).</TXT></NP><NP><NO.P>3</NO.P><TXT>Bij op <DATE ISO="19971006">6 oktober 1997</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster, die producten van de betrokken soort in de Gemeenschap importeert, het onderhavige beroep tegen dat inleidingsbericht ingesteld op de grondslag van de artikelen 173, vierde alinea, 174 en 176 EG-Verdrag.</TXT></NP><NP><NO.P>4</NO.P><TXT>Bij op <DATE ISO="19971216">16 december 1997</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering opgeworpen.</TXT></NP><NP><NO.P>5</NO.P><TXT>De Foreign Trade Association (hierna: <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>FTA<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/>), vereniging van Europese importeurs, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door U. Schliessner, advocaat te Düsseldorf, met gekozen domicilie te Luxemburg bij Arendt &amp; Medernach, advocaten aldaar, Rue Matthias Hardt 8-10, heeft bij op <DATE ISO="19980106">6 januari 1998</DATE> neergelegde akte krachtens artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van verzoekster.</TXT></NP><NP><NO.P>6</NO.P><TXT>Verzoekster heeft haar opmerkingen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid bij akte van <DATE ISO="19980219">19 februari 1998</DATE> ingediend.</TXT></NP></GR.SEQ><?PAGE NO="II-2196"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Conclusies van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>7</NO.P><TXT>Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het inleidingsbericht nietig te verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>de Commissie in de kosten te verwijzen.</P></ITEM></LIST></P></NP><NP><NO.P>8</NO.P><TXT>De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>verzoekster in de kosten te verwijzen.</P></ITEM></LIST></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De ontvankelijkheid</P></TI></TITLE><NP><NO.P>9</NO.P><TXT>Volgens artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de verdere behandeling van een exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist.</TXT></NP><NP><NO.P>10</NO.P><TXT>In casu bevat het dossier alle gegevens die voor een beslissing nodig zijn, zodat er geen grond bestaat tot mondelinge behandeling over te gaan.</TXT></NP><?PAGE NO="II-2197"?><NP><NO.P>11</NO.P><TXT>Tot staving van haar exceptie voert de Commissie drie middelen aan, ontleend aan, respectievelijk, het ontbreken van een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 173 van het Verdrag, overschrijding van de beroepstermijn, en het ontbreken van een rechtstreeks en individueel belang van verzoekster.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Het middel ontleend aan ontbreken van een voor beroep vatbare handeling</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Argumenten van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>12</NO.P><TXT>De Commissie stelt, dat de inleiding van een antidumpingprocedure een voorbereidende handeling is, die als zodanig niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring (arrest Hof van <DATE ISO="19811111">11 november 1981</DATE>, IBM/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="60/81" YEAR="1981" PAGE.ECR="2639">60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 19</REF.DOC.ECR>; beschikkingen Gerecht van <DATE ISO="19960314">14 maart 1996</DATE>, Dysan Magnetics en Review Magnetics/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-134/95" YEAR="1996" PAGE.ECR="II-181">T-134/95, Jurispr. blz. II-181, punt 23</REF.DOC.ECR>, en <DATE ISO="19961210">10 december 1996</DATE>, Söktaş/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-75/96" YEAR="1996" PAGE.ECR="II-1689">T-75/96, Jurispr. blz. II-1689, punt 31</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>13</NO.P><TXT>Daartegenover betoogt verzoekster, dat het besluit van de Commissie om de procedure in te leiden, een handeling met bindende rechtsgevolgen is, die haar belangen ongunstig beïnvloedt. Zou het Gerecht van oordeel zijn, dat het om een voorbereidende handeling gaat, dan zou het niettemin tot rechterlijke toetsing moeten overgaan, omdat de handeling ernstige gebreken — waaronder misbruik van bevoegdheid — vertoont.</TXT></NP><NP><NO.P>14</NO.P><TXT>Verzoekster beschrijft de context waarin het bericht van inleiding van de procedure moet worden geplaatst. Zij herinnert eraan, dat dit al de derde procedure is die sedert 1994 met betrekking tot dezelfde producten uit dezelfde landen is geopend.</TXT></NP><?PAGE NO="II-2198"?><NP><NO.P>15</NO.P><TXT>De eerste, ingeleid na een klacht van Eurocoton in september 1993 (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="017" DATE.PUB="1994" PAGE.FIRST="3">PB 1994, C 17, blz. 3</REF.DOC.OJ>), was beëindigd bij beschikking 96/167/EG van de Commissie van <DATE ISO="19960219">19 februari 1996</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="042" DATE.PUB="1996" PAGE.FIRST="16">PB L 42, blz. 16</REF.DOC.OJ>), formeel omdat de klacht was ingetrokken.</TXT></NP><NP><NO.P>16</NO.P><TXT>De tweede, ingeleid na een op <DATE ISO="19960108">8 januari 1996</DATE> door Eurocoton ingediende klacht, was daags na de beëindiging van het voorgaande onderzoek geopend (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="050" DATE.PUB="1996" PAGE.FIRST="3">PB 1996, C 50, blz. 3</REF.DOC.OJ>). Op <DATE ISO="19961118">18 november 1996</DATE> had de Commissie verordening (EG) nr. 2208/96 vastgesteld, houdende instelling van een voorlopig antidumpingrecht op ongebleekte katoenen weefsels van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, India, Indonesië, Pakistan en Turkije (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="295" DATE.PUB="1996" PAGE.FIRST="3">PB L 295, blz. 3</REF.DOC.OJ>). Ofschoon de Commissie overeenkomstig artikel 9, lid 4, van verordening nr. 384/96 de instelling van definitieve rechten had voorgesteld, is het daar niet van gekomen omdat er in de Raad geen meerderheid voor te vinden was. De voorlopige antidumpingrechten vervielen dus op <DATE ISO="19970520">20 mei 1997</DATE>, ondanks herhaalde pogingen van een nationale delegatie om de discussie over het voorstel te heropenen.</TXT></NP><NP><NO.P>17</NO.P><TXT>Al op <DATE ISO="19970521">21 mei 1997</DATE> had de woordvoerder van de Commissie verklaard, dat deze, <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>indien er een nieuwe klacht werd ingediend, terstond een procedure zou inleiden<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/>. De Commissie had derhalve buiten het toepasselijke wettelijk kader gehandeld. Nog voordat Eurocoton op <DATE ISO="19970526">26 mei 1997</DATE> een nieuwe klacht had ingediend, had de Commissie zich aldus publiekelijk politiek geëngageerd om een nieuw onderzoek te verrichten. Met het thans bestreden inleidingsbericht had zij dus overeenkomstig die toezegging ten derden male een procedure ingeleid.</TXT></NP><NP><NO.P>18</NO.P><TXT>Uit een en ander blijkt, aldus verzoekster, in de eerste plaats, dat de Commissie zich nog vóór de indiening van de klacht had verbonden de procedure in te leiden, dus niet op basis van het in de klacht uiteengezette bewijsmateriaal, zoals artikel 5, lid 2, van verordening nr. 384/96 verlangt, en in de tweede plaats, dat de conclusies waartoe de Commissie in deze zaak zal komen, in wezen identiek zullen zijn met die welke zij al in verordening nr. 2208/96 van <DATE ISO="19961118">18 november 1996</DATE> had getrokken en die door de Raad niet zijn overgenomen.</TXT></NP><?PAGE NO="II-2199"?><NP><NO.P>19</NO.P><TXT>De door de Commissie gevolgde procedure zal dus geen normale procedure zijn, waarin de klacht voorafgaat aan de opening van het onderzoek. In deze situatie zijn de beschikkingen Dysan Magnetics en Review Magnetics/Commissie en Söktas/Commissie (beide reeds aangehaald) niet van toepassing.</TXT></NP><NP><NO.P>20</NO.P><TXT>Volgens die beschikkingen van het Gerecht zijn drie elementen bepalend voor de conclusie, dat een inleidingsbericht een voorbereidende maatregel en dus geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 173 van het Verdrag is.</TXT></NP><NP><NO.P>21</NO.P><TXT>In de eerste plaats zou de inleiding van een procedure niet automatisch betekenen, dat er antidumpingrechten zullen worden ingesteld, want de procedure kan ook zonder dat beëindigd worden. In casu echter blijkt uit de context juist met zekerheid, dat de Commissie voorlopige rechten zal instellen.</TXT></NP><NP><NO.P>22</NO.P><TXT>In de tweede plaats zouden de ondernemingen na de inleiding van een procedure geenszins gedwongen zijn hun handelspraktijken te wijzigen. Verzoekster betwist niet, dat, abstract gezien, de inleiding van een antidumpingprocedure niet de verplichting met zich brengt handelspraktijken te wijzigen, maar feitelijk leidt die inleiding wegens de onzekerheid waarin de marktdeelnemers daardoor komen te verkeren, wel tot veranderingen, met name op het gebied van prijzen en goederenvolume.</TXT></NP><NP><NO.P>23</NO.P><TXT>In de derde plaats zouden de ondernemingen niet tot medewerking aan het onderzoek gedwongen kunnen worden. In theorie is dat zeker waar, maar voor elke partij die een groot economisch belang bij de uitkomst van de procedure heeft, is die medewerking uiterst belangrijk ter vrijwaring van haar rechten in verband met die procedure, daaronder begrepen het recht van beroep tegen de eindbeslissing van de instellingen.</TXT></NP></GR.SEQ><?PAGE NO="II-2200"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Beoordeling door het Gerecht</P></TI></TITLE><NP><NO.P>24</NO.P><TXT>Volgens vaste rechtspraak (zie, onder meer, beschikkingen Dysan Magnetics en Review Magnetics/Commissie en Söktas/Commissie, reeds aangehaald) zijn als voor een beroep tot nietigverklaring vatbare handelingen in de zin van artikel 173 van het Verdrag te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.</TXT></NP><NP><NO.P>25</NO.P><TXT>Bij handelingen die in verscheidene fasen tot stand komen, zijn in beginsel slechts voor beroep vatbaar de maatregelen die aan het einde van de procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen; hiertoe behoren dus niet voorlopige maatregelen die tot doel hebben de eindbeslissing voor te bereiden.</TXT></NP><NP><NO.P>26</NO.P><TXT>Derhalve dient te worden beoordeeld, of de bestreden handeling op zich rechtsgevolgen in het leven kan roepen die verzoekster in haar belangen kunnen schaden, dan wel of zij slechts een voorbereidende maatregel is, welks onwettigheid gevoeglijk zou kunnen worden opgeworpen in een beroep tegen de eindbeslissing, dat de belanghebbenden voldoende bescherming zou bieden.</TXT></NP><NP><NO.P>27</NO.P><TXT>Het is vaste rechtspraak, dat enkel in het geval van handelingen die de rechtspositie van de betrokken ondernemingen onmiddellijk en onherroepelijk aantasten, een nog vóór de beëindiging van de administratieve procedure ingesteld beroep tot nietigverklaring ontvankelijk kan worden geacht.</TXT></NP><NP><NO.P>28</NO.P><TXT>Blijkens de bepalingen van verordening nr. 384/96 is het de taak van de Commissie, onderzoeken in te stellen en op basis daarvan te beslissen de procedure af te<?PAGE NO="II-2201"?> sluiten dan wel ze voort te zetten door ofwel voorlopige maatregelen te nemen, ofwel de Raad voorstellen te doen met betrekking tot definitieve maatregelen.</TXT></NP><NP><NO.P>29</NO.P><TXT>De handeling waarbij de Commissie een antidumpingprocedure inleidt, is derhalve een zuiver voorbereidende handeling, die verzoeksters rechtspositie niet onmiddellijk en onherroepelijk kan aantasten.</TXT></NP><NP><NO.P>30</NO.P><TXT>Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de omstandigheid, dat nog voordat Eurocoton op <DATE ISO="19970526">26 mei 1997</DATE> haar klacht had ingediend, de Commissie bij monde van haar woordvoerder had verklaard dat zij, zo er een klacht werd ingediend, een nieuwe procedure zou inleiden. Dit is een element dat bij de materiële toetsing van de wettigheid van het inleidingsbericht moet worden onderzocht, maar dat geen invloed kan hebben op de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep krachtens artikel 173 van het Verdrag tegen dat bericht.</TXT></NP><NP><NO.P>31</NO.P><TXT>En met welke zekerheid verzoekster ook zegt te weten dat er in deze zaak voorlopige antidumpingrechten zullen worden ingesteld, feit is, dat de inleiding van een antidumpingprocedure rechtens niet noodzakelijkerwijs daartoe moet leiden. En zelfs wanneer er inderdaad antidumpingrechten zouden worden ingesteld, is het inleidingsbericht nu juist een van de voorbereidende handelingen die de grondslag voor de beslissing van de Commissie zouden vormen.</TXT></NP><NP><NO.P>32</NO.P><TXT>Daarenboven heeft het bericht van inleiding van een antidumpingprocedure niet tot rechtsgevolg, dat de betrokken ondernemingen hun handelspraktijken moeten wijzigen of aan de procedure moeten meewerken.</TXT></NP><?PAGE NO="II-2202"?><NP><NO.P>33</NO.P><TXT>De inleiding van de in geding zijnde procedure brengt dus geen rechtsgevolgen teweeg die de belangen van verzoekster kunnen aantasten, maar vormt een voorbereidende maatregel, welks eventuele onwettigheid, met name wegens de ernstige gebreken die die maatregel zouden aankleven, gevoeglijk kan worden opgeworpen in een beroep dat in voorkomend geval zal worden ingesteld tegen de eindbeslissing en dat de belanghebbende voldoende bescherming zal bieden.</TXT></NP><NP><NO.P>34</NO.P><TXT>Mitsdien is de inleiding van de in geding zijnde antidumpingprocedure naar haar aard en gevolgen niet te beschouwen als een voor beroep tot nietigverklaring vatbare handeling in de zin van artikel 173 van het Verdrag.</TXT></NP><NP><NO.P>35</NO.P><TXT>Zonder dat behoeft te worden beslist over de andere middelen die verweerster tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd, volgt uit een en ander, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.</TXT></NP><NP><NO.P>36</NO.P><TXT>In deze omstandigheden behoeft niet te worden beslist over het verzoek tot interventie van de FTA.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Kosten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>37</NO.P><TXT>Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, wanneer dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de conclusies van de Commissie in de kosten worden verwezen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="II-2203"?><JURISDICTION><INTRO><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer — uitgebreid)</P><P>beschikt:</P></INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Op het verzoek tot interventie behoeft niet te worden beslist.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>Verzoekster wordt in de kosten van verweerster verwezen.</TXT></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.ORDER><SIGNATURE.CASE><P>Luxemburg, <DATE ISO="19980525">25 mei 1998</DATE>.</P><SIGNATORY><P>De griffier</P><P>H.Jung</P></SIGNATORY><SIGNATORY><P>De president van de Derde kamer</P><P>V.Tiili</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></ORDER>