<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><ORDER xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.ORDER><REF.CASE FILE="ECRT11999NLB.0300140701.case.xml"><NO.CASE>T-311/97</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61997B0311</NO.CELEX><NO.SEQ>0008.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST>1409</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>1426</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>18</PAGE.TOTAL><AUTHOR>T</AUTHOR></BIB.ORDER><CURR.TITLE><LEFT>BESCHIKKING VAN <DATE ISO="19990430">30. 4. 1999</DATE> — ZAAK T-311/97</LEFT><RIGHT>PESCADOS CONGELADOS JOGAMAR / COMMISSIE</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Beschikking van het Gerecht</HT> (Vijfde kamer)</P><P><DATE ISO="19990430">30 april 1999</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING="STAR"><P>Procestaai: Spaans.</P></NOTE></P></TI></TITLE><ORDER.INIT><P>In zaak T-311/97,</P></ORDER.INIT><PARTIES><PLAINTIFS><P><HT TYPE="BOLD">Pescados Congelados Jogamar,</HT> SL, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Las Palmas (Spanje), vertegenwoordigd door M. de Cristóbal López, advocaat te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Beaumanoir, Rue de Bragance 48,</P><PARTY.STATUS>verzoekster,</PARTY.STATUS></PLAINTIFS><AGAINST>tegen</AGAINST><DEFENDANTS><P>Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. van Rijn, juridisch adviseur, en J. Guerra Fernández, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,</P><PARTY.STATUS>verweerster,</PARTY.STATUS></DEFENDANTS></PARTIES><?PAGE NO="II-1410"?><SUBJECT><P>betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Commissie onrechtmatig heeft nagelaten te handelen krachtens haar bevoegdheden op het gebied van de visserij, met name die waarover zij beschikt in het kader van de samenwerkingsovereenkomst op dat gebied tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, bij de aanhouding van het vaartuig Albor Uno door de Marokkaanse autoriteiten,</P><P>geeft</P></SUBJECT><PREAMBLE.GEN><PREAMBLE.INIT><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),</P><P>samengesteld als volgt: J. D. Cooke, kamerpresident, R. Garcia-Valdecasas en P. Lindh, rechters,</P><P>griffier: H. Jung</P></PREAMBLE.INIT><PREAMBLE.FINAL><P>de navolgende</P></PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE.GEN><CONTENTS.ORDER><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Beschikking</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De toepasselijke regeling</P></TI></TITLE><NP><NO.P>1</NO.P><TXT>De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko tot samenwerking op het gebied van de zeevisserij is gesloten en goedgekeurd bij verordening (EG) nr. 150/97 van de Raad van <DATE ISO="19961212">12 december 1996</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="030" DATE.PUB="1997" PAGE.FIRST="1">PB 1997, L 30, biz. 1</REF.DOC.OJ>), waarbij tevens bepalingen ter uitvoering van die overeenkomst zijn vastgesteld. De tekst van de overeenkomst is aan de verordening gehecht.</TXT></NP><?PAGE NO="II-1411"?><NP><NO.P>2</NO.P><TXT>De overeenkomst is in de plaats gekomen van die bedoeld in verordening (EEG) nr. 3954/92 van de Raad van <DATE ISO="19921219">19 december 1992</DATE> betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de zeevisserij en tot vaststelling van de bepalingen tot uitvoering van die overeenkomst (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="407" DATE.PUB="1992" PAGE.FIRST="1">PB L 407, biz. 1</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="00AB"/>verordening nr. 3954/92<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="00BB"/>).</TXT></NP><NP><NO.P>3</NO.P><TXT>De artikelen 9 tot en met 11 van de overeenkomst luiden als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ARTICLE IDENTIFIER="009"><TI.ART><QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="00AB"/>Artikel 9</TI.ART><STI.ART><P>Administratieve samenwerking</P></STI.ART><ALINEA><P>De overeenkomstsluitende partijen, die zich willen verzekeren van de doeltreffendheid van de maatregelen voor beheer en instandhouding van de visbestanden:</P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>werken samen op administratief gebied, teneinde er elk van hun kant voor te zorgen dat hun vaartuigen de bepalingen van deze overeenkomst en de zeevisserijregelgeving van Marokko naleven;</P></ITEM><ITEM><P>werken samen om met name via de uitwisseling van gegevens en een nauwe administratieve samenwerking onwettige visserijactiviteiten te voorkomen en te bestriiden.</P></ITEM></LIST><?PAGE NO="II-1412"?><P>De wijze waarop deze administratieve samenwerking wordt geconcretiseerd, is vastgesteld in bijlage II.</P><P>De stand van bovenbedoelde administratieve samenwerking wordt door de beide partijen geëvalueerd in het kader van de bij artikel 10 van deze overeenkomst opgerichte commissie.</P></ALINEA></ARTICLE><ARTICLE IDENTIFIER="010"><TI.ART>Artikel 10</TI.ART><STI.ART><P>Gemengde Commissie</P></STI.ART><ALINEA><P>Er wordt een Gemengde Commissie opgericht die erop toeziet dat deze overeenkomst correct wordt toegepast. De Gemengde Commissie heeft met name de taak:</P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>toe te zien op de uitvoering, de interpretatie en de goede werking van de overeenkomst, en geschillen op te lossen;</P></ITEM><ITEM><P>de noodzakelijke contactmogelijkheden te verschaffen voor bespreking van aangelegenheden van gemeenschappelijk belang op visserijgebied;</P></ITEM><ITEM><P>de in artikel 3 bedoelde programma's en acties vast te stellen;</P></ITEM><?PAGE NO="II-1413"?><ITEM><P>de resultaten te beoordelen van de volgens het bepaalde in bijlage II tussen de overeenkomstsluitende partijen opgezette samenwerking op het gebied van de controle;</P></ITEM><ITEM><P>het verloop van de aanvoer van communautaire vaartuigen in Marokkaanse havens te volgen;</P></ITEM><ITEM><P>de stand van de samenwerking inzake de bestrijding van onwettige visserijactiviteiten en van de administratieve samenwerking met het oog op de naleving van de Marokkaanse regelgeving en de bepalingen van deze overeenkomst te evalueren.</P></ITEM></LIST></ALINEA><ALINEA>Deze commissie komt eenmaal per jaar, afwisselend in Marokko en in de Gemeenschap, bijeen en kan op verzoek van één van de overeenkomstsluitende partijen in buitengewone vergadering bijeenkomen.</ALINEA></ARTICLE><ARTICLE IDENTIFIER="011"><TI.ART>Artikel 11</TI.ART><STI.ART><P>Oplossing van geschillen</P></STI.ART><ALINEA>Bij geschillen betreffende de interpretatie of de toepassing van deze overeenkomst plegen de overeenkomstsluitende partijen overleg.<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="00BB"/></ALINEA></ARTICLE></QUOT.S></P></NP><?PAGE NO="II-1414"?><NP><NO.P>4</NO.P><TXT>Hoofdstuk VIII van bijlage II bij de overeenkomst, getiteld <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="00AB"/>Samenwerking bij de controle op de visserij door vaartuigen van de Gemeenschap in de visserijzone van Marokko<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="00BB"/>, bepaalt als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><DIVISION><TITLE><TI><P><QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="00AB"/>Hoofdstuk VIII</P></TI><STI><P>Procedure bij aanhouding van vaartuigen</P></STI></TITLE></DIVISION><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>Doorgeven van de informatie</TXT></NP></TI></TITLE><P>Het Ministerie stelt de Delegatie binnen 48 uur in kennis van elke aanhouding, binnen de visserijzone ván Marokko, van een vissersvaartuig van de Gemeenschap en zendt de Delegatie een beknopt verslag over de omstandigheden van en de redenen voor deze aanhouding.</P><P>De Delegatie wordt ook geïnformeerd over het verloop van de ingeleide procedures en de eventueel getroffen sancties.</P></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>Proces-verbaal van de aanhouding</TXT></NP></TI></TITLE><P>De kapitein van het vaartuig moet, nadat de geconstateerde feiten door de Marokkaanse autoriteiten voor visserijpolitietaken in het proces-verbaalzijn opgetekend, dit document ondertekenen</P><?PAGE NO="II-1415"?><P>Deze ondertekening heeft geen consequenties ten aanzien van de rechten en de middelen die de kapitein te zijner verdediging kan doen gelden met betrekking tot de overtreding die hem ten laste wordt gelegd.</P><P>Hij moet zijn vaartuig naar de Marokkaanse haven brengen die wordt opgegeven door de met de controle op zee belaste Marokkaanse instantie.</P></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>Afwikkeling van de aanhouding</TXT></NP></TI></TITLE><P>Overeenkomstig de bepalingen van de Dahir van <DATE ISO="19731123">23 november 1973</DATE> houdende regeling van de zeevisserij, kan de overtreding worden afgewikkeld hetzij:</P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>via een transactieprocedure:</TXT><P>het bedrag van de boete wordt bepaald binnen een marge tussen een bij de Marokkaanse wet vastgesteld minimum- en maximumbedrag;</P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>via een gerechtelijke procedure:</TXT><P>als de zaak niet via een transactieprocedure kan worden geregeld en zij voor een bevoegde gerechtelijke instantie wordt gebracht, wordt overeenkomstig artikel 110 van de Dahir van <DATE ISO="19190331">31 maart 1919</DATE>, door de bevoegde autoriteit onverwijld een zekerheid bepaald, die door de reder bij een door de Marokkaanse autoriteiten aangegeven bank moet worden gesteld.</P></NP></ITEM></LIST><?PAGE NO="II-1416"?><P>De zekerheid wordt niet vrijgegeven vóór de gerechtelijke procedure is afgesloten.</P><P>De zekerheid wordt door de bevoegde autoriteit, na aftrek van eventuele gerechtskosten, vrijgegeven zodra de procedure wordt beëindigd zonder veroordeling van de betrokken kapitein.</P><P>Als bij veroordeling de boete kleiner is dan de gestelde zekerheid, wordt het saldo na de uitspraak vrijgegeven, na aftrek van eventuele gerechtskosten.</P><P>Het vaartuig wordt vrijgegeven en de bemanning wordt gemachtigd de haven te verlaten:</P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>hetzij zodra aan de bij de transactie vastgestelde verplichtingen is voldaan en tegen overlegging van het bewijs van betaling,</P></ITEM><ITEM><P>hetzij zodra, in afwachting van de beëindiging van de gerechtelijke procedure, door een bank een zekerheid is gesteld en tegen overlegging van een bewijs daarvan.<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="00BB"/></P></ITEM></LIST></GR.SEQ></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De feiten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>5</NO.P><TXT>De vennootschap Pescados Congelados Jogamar, SL, is eigenaar van het vaartuig Albor Uno, waarvan mevrouw Galván Carratalá de reder is.</TXT></NP><?PAGE NO="II-1417"?><NP><NO.P>6</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19970716">16 juli 1997</DATE> hield een Marokkaanse patrouilleboot de Albor Uno aan en bracht haar op naar de haven van El-Aaiun, op grond dat zij op 4,5 zeemijl uit de Marokkaanse kust, dus binnen de twaalfmijlszone, had gevist.</TXT></NP><NP><NO.P>7</NO.P><TXT>Bij brief van <DATE ISO="19970717">17 juli 1997</DATE> stelden de Marokkaanse instanties de gemeenschapsautoriteiten van die aanhouding in kennis, overeenkomstig hoofdstuk VIII, punt 1, van bijlage II bij de overeenkomst.</TXT></NP><NP><NO.P>8</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19970718">18 juli 1997</DATE> zond de Commissie een deskundige, de heer Pagliarani, naar de haven van El-Aaiun om de situatie te onderzoeken en een rapport op te stellen.</TXT></NP><NP><NO.P>9</NO.P><TXT>Dezelfde dag vond een bijeenkomst plaats waaraan deelnamen, enerzijds, mevrouw Galván Carratalá en de heren Pagliarani, Fontán, hoofdbestuurder van de Asociación Nacional de Armadores de Cefalópodos (Anacef), Miranda, visserijattaché op de Spaanse ambassade te Rabat, en Fernandez, consul van Spanje te Agadir, en, anderzijds, de heer Berrada Gouzi, kapitein-ter-zee bij de Koninklijke Marokkaanse marine. Laatstgenoemde deelde mee, dat het vaartuig een geldboete van <FT TYPE="NUMBER">701195</FT> dirham was opgelegd.</TXT></NP><NP><NO.P>10</NO.P><TXT>Op respectievelijk <DATE ISO="19970721">21</DATE>, <DATE ISO="19970723">23</DATE> en <DATE ISO="19970724">24 juli 1997</DATE> zond de delegatie van de Commissie te Rabat een faxbericht en twee brieven aan het Marokkaanse Ministerie van Zeevisserij en Koopvaardij (hierna: <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="00AB"/>Ministerie van Zeevisserij <QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="00BB"/>) met het verzoek om mededeling van alle informatie betreffende de aanhouding van de Albor Uno, en met het voorstel een tripartiet comité te vormen, bestaande uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Zeevisserij, de Commissie en de Marokkaanse marine, ter bestudering van voorstellen voor procedures om de behandeling van aanhoudingen doorzichtiger te doen verlopen.</TXT></NP><?PAGE NO="II-1418"?><NP><NO.P>11</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19970728">28 juli 1997</DATE> had de heer Charles, de met visserijzaken belaste ambtenaar bij de delegatie van de Commissie te Rabat, een onderhoud met de heer Laghgrib, afdelingshoofd Observatie en volgen zeevisserij bij het Ministerie van Zeevisserij, over de eerbiediging van de overeenkomst en de betrouwbaarheid van het systeem van positiebepaling voor zeevaart en visserij, (<QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="00AB"/>GPS<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="00BB"/>) en van de <QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="00AB"/> Plotter <QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="00BB"/>-navigatieontvanger.</TXT></NP><NP><NO.P>12</NO.P><TXT>Bij brief van <DATE ISO="19970729">29 juli 1997</DATE> alsook tijdens een onderhoud op dezelfde dag van de heer Gallimore, zaakgelastigde bij de delegatie van de Commissie te Rabat, met de heer Rhanmi, secretaris-generaal van het Ministerie van Visserij, verzochten de communautaire instanties om een buitengewone vergadering van de Gemengde Commissie bedoeld in artikel 10 van de overeenkomst. Deze uitnodiging werd nog enkele malen herhaald, maar door de Marokkaanse autoriteiten telkens afgewezen op grond dat er geen sprake was van schending van de overeenkomst.</TXT></NP><NP><NO.P>13</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19970811">11 augustus 1997</DATE> zond verzoekster de delegatie van de Commissie te Rabat een — door haar als ingebrekestelling aangemerkt — faxbericht, waarin zij verzocht om mededeling van de namen, telefoon- en faxnummers van de met de zaak belaste ambtenaren en organen, alsmede om een afschrift van het deskundigenrapport en het adres van de ambtenaar die het rapport onder zich had, teneinde met deze contact te kunnen opnemen.</TXT></NP><NP><NO.P>14</NO.P><TXT>Bij faxbericht van <DATE ISO="19970813">13 augustus 1997</DATE> antwoordde de delegatie van de Commissie te Rabat, dat de Commissie al het nodige had gedaan om een oplossing in de aanhoudingszaak te vinden, en daarbij had toegezien op de inachtneming van de bepalingen van de overeenkomst. Zij besloot, dat de Marokkaanse wetgeving van toepassing was en dat het de reder van het vaartuig derhalve vrijstond zich rechtstreeks tot de Marokkaanse autoriteiten te richten.</TXT></NP><NP><NO.P>15</NO.P><TXT>Bij faxbericht van <DATE ISO="19970814">14 augustus 1997</DATE> aan de delegatie van de Commissie te Rabat, verklaarde verzoekster, dat zij, na een maand te hebben gewacht, thans zelf tot actie wilde overgaan en daarom eiste, dat de op <DATE ISO="19970811">11 augustus 1997</DATE> per fax gevraagde gegevens haar zouden worden meegedeeld, tegelijk met alle wettige<?PAGE NO="II-1419"?> inlichtingen over de onderhandelingen van de Commissie met de Marokkaanse autoriteiten.</TXT></NP><NP><NO.P>16</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19970819">19 augustus 1997</DATE> zond de Commissie verzoekster per fax het rapport van Pagliarani. Volgens dat rapport had de Albor Uno op <DATE ISO="19970715">15 juli 1997</DATE>, afgaande op de positiebepalingssystemen <QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="00AB"/>Plotter<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="00BB"/> en <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="00AB"/>GPS<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="00BB"/>, buiten de twaalfmijlszone gevist en waren er geen aanwijzingen dat er met het register was geknoeid. Pagliarani komt tot de slotsom, dat de beweringen van de twee partijen kennelijk lijnrecht tegenover elkaar staan, en dat dit enkel kan worden opgelost door nadere informaties van de Marokkaanse autoriteiten betreffende de radarpeilingen op de Albor Uno en de daaruit af te leiden navigatiegegevens.</TXT></NP><NP><NO.P>17</NO.P><TXT>Bij faxbericht van dezelfde dag antwoordde de heer Cavaco, directeur-generaal van DG XIV, Visserij, op de fax van verzoekster van <DATE ISO="19970814">14 augustus 1997</DATE>. Cavaco herinnerde aan de bepalingen van de overeenkomst, volgens welke de reder voor de afwikkeling van een aanhouding kan kiezen tussen een transactieprocedure en een gerechtelijke procedure. Tevens verklaarde hij, dat de Commissie niet aan de besprekingen met de Marokkaanse autoriteiten had deelgenomen.</TXT></NP><NP><NO.P>18</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19970901">1 september 1997</DATE> werd het vaartuig na een transactie vrijgegeven.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Procesverloop en conclusies van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>19</NO.P><TXT>Verzoekster heeft het onderhavige beroep op <DATE ISO="19971210">10 december 1997</DATE> ingesteld.</TXT></NP><NP><NO.P>20</NO.P><TXT>Bij op <DATE ISO="19980220">20 februari 1998</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de<?PAGE NO="II-1420"?> procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoekster heeft haar opmerkingen over die exceptie op <DATE ISO="19980403">3 april 1998</DATE> ingediend.</TXT></NP><NP><NO.P>21</NO.P><TXT>In haar verzoekschrift concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het nalaten van de Commissie vast te stellen, te weten dat zij in het kader van de aanhouding van de Albor Uno heeft verzuimd op te treden, en aldus het EG-Verdrag (artikelen 38 e.v.) en verordening nr. 3954/92 heeft geschonden;</P></ITEM><ITEM><P>te verklaren dat de Commissie haar bevoegdheden op het gebied van de visserij niet aan de nationale autoriteiten had mogen afstaan;</P></ITEM><ITEM><P>de Commissie in de kosten te verwijzen.</P></ITEM></LIST></P></NP><NP><NO.P>22</NO.P><TXT>In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>verzoekster in de kosten te verwijzen.</P></ITEM></LIST></P></NP><?PAGE NO="II-1421"?><NP><NO.P>23</NO.P><TXT>In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;</P></ITEM><ITEM><P>de procedure ten gronde voort te zetten;</P></ITEM><ITEM><P>de Commissie te verwijzen in de op dit procesincident gevallen kosten.</P></ITEM></LIST></P></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De ontvankelijkheid</P></TI></TITLE><NP><NO.P>24</NO.P><TXT>Ingevolge artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht (Vijfde kamer) zich door het dossier voldoende voorgelicht en besluit het, niet tot mondelinge behandeling over te gaan.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Argumenten van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>25</NO.P><TXT>De Commissie houdt het beroep voor kennelijk niet-ontvankelijk.</TXT></NP><?PAGE NO="II-1422"?><NP><NO.P>26</NO.P><TXT>In de eerste plaats stelt de Commissie, dat zij, in tegenstelling tot wat door artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag wordt verlangd, niet vooraf tot handelen is uitgenodigd. Verzoeksters faxbericht van <DATE ISO="19970811">11 augustus 1997</DATE> voldoet niet aan de wezenlijke voorwaarden die het Gerecht aan een uitnodiging tot handelen stelt. In dat stuk wordt noch naar artikel 175 van het Verdrag verwezen noch naar de administratieve fase van de procedure tot vaststelling van een nalaten, en evenmin wordt erin aangeduid, welke maatregelen verzoekster noodzakelijk acht ter beëindiging van het gestelde stilzitten of nalaten van de Commissie.</TXT></NP><NP><NO.P>27</NO.P><TXT>In de tweede plaats, aldus de Commissie, voldoet het verzoekschrift niet aan de vereisten van de rechtspraak van het Hof, doordat het petitum van de uitnodiging tot handelen en die van het verzoekschrift elkaar niet dekken (arrest Hof van <DATE ISO="19601216">16 december 1960</DATE>, Hamborner Bergbau en Thyssen Bergbau/Hoge Autoriteit, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="41/59+50/59" YEAR="1960" PAGE.ECR="1023">41/59 en 50/59, Jurispr. blz. 1023</REF.DOC.ECR>). In haar faxbericht van <DATE ISO="19970811">11 augustus 1997</DATE> had verzoekster de Commissie ehkei gevraagd om de namen en de telefoon- en faxnummers van de ambtenaren en organen die zich met de zaak bezighielden, alsmede om een afschrift van het deskundigenrapport en het adres van de ambtenaar die het rapport onder zich had, teneinde contact met hem te kunnen opnemen. In het verzoekschrift wordt het Gerecht echter gevraagd, primo, vast te stellen dat de Commissie, door in samenhang met de aanhouding van de Albor Uno niet op te treden, de verdragsbepalingen heeft geschonden, en secundo, de Commissie uit te nodigen in visserij aangelegenheden zelf rechtstreeks te handelen, in plaats van haar bevoegdheden aan de nationale autoriteiten te delegeren.</TXT></NP><NP><NO.P>28</NO.P><TXT>In de derde plaats stelt de Commissie, dat haar pretens stilzitten hoe dan ook niet een voor beroep krachtens artikel 175 van het Verdrag vatbaar nalaten vormt, aangezien dat wat haar in het faxbericht van <DATE ISO="19970811">11 augustus 1997</DATE> is gevraagd, te weten het verstrekken van adressen en een rapport, niet op een lijn kan worden gesteld met een rechtens bindend besluit.</TXT></NP><NP><NO.P>29</NO.P><TXT>Ten slotte stelt de Commissie, dat verzoekster geen procesbelang heeft, omdat zij niet rechtstreeks en individueel zou zijn geraakt door de handeling die zij de Commissie verwijt niet te hebben verricht. Dat de Commissie zich bij de aanhouding van de Albor Uno afzijdig moest houden, had alleen kunnen worden voorkomen door de overeenkomst te wijzigen of op te zeggen, hetgeen rechtsgevolgen ten aanzien van derden zou hebben gehad. Evenzo zouden door<?PAGE NO="II-1423"?> het niet delegeren van haar bevoegdheden in visserij aangelegenheden aan de nationale autoriteiten alle met vergunning in de Marokkaanse wateren vissende vaartuigen zowel als de Spaanse autoriteiten zijn geraakt. Men kan dus niet stellen, dat de Albor Uno individueel is geraakt door het niet handelen in die twee opzichten.</TXT></NP><NP><NO.P>30</NO.P><TXT>Met betrekking tot het verwijt, dat zij een essentieel vormvoorschrift — te weten de uitnodiging tot handelen — niet in acht heeft genomen, betoogt verzoekster in de eerste plaats, dat het evenredigheidsbeginsel vereist, dat een aan de adressaat van gemeenschapsvoorschriften opgelegde last zich beperkt tot wat strikt noodzakelijk is ter verwezenlijking van het beoogde doel en zo min mogelijk offers vergt van de marktdeelnemers die die last te dragen hebben (arrest Hof van <DATE ISO="19890711">11 juli 1989</DATE>, Schräder MS Kraftfutter, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="265/87" YEAR="1989" PAGE.ECR="2237">265/87, Jurispr. blz. 2237</REF.DOC.ECR>). Een buitensporig formalisme, dat de toegang tot de wettige verweermiddelen moeilijker of onmogelijk zou maken, is in strijd met het recht en met een doeltreffende rechtsbescherming. Ook al is in de praktijk een formele uitnodiging tot handelen vereist, aldus verzoekster, artikel 175 van het Verdrag verlangt naar de letter genomen niet, dat wordt aangegeven welke handeling moet worden veracht, noch dat die handeling zich beperkt tot wat is gevraagd. De uitnodiging tot handelen heeft tot doel de in genoemd artikel bepaalde termijn te doen ingaan en de inhoud van de gevraagde handeling te bepalen. Het faxbericht van <DATE ISO="19970811">11 augustus 1997</DATE> voldoet aan die vereisten. Het aanvangstijdstip van de termijn is de dag van aanhouding van het vaartuig en de inhoud van de handeling het vrijgeven ervan.</TXT></NP><NP><NO.P>31</NO.P><TXT>Wat, in de tweede plaats, de omstandigheid betreft, dat het petitum van de uitnodiging tot handelen niet overeenkomt met dat van het verzoekschrift, wijst verzoekster erop, dat het beroep niet is ingesteld omdat de Commissie verzuimd zou hebben een welbepaalde handeling te verrichten, maar omdat zij stil is blijven zitten en geen gebruik heeft gemaakt van de haar ten dienste staande middelen. Men kan niet van verzoekster verlangen, dat zij de Commissie vraagt concrete politieke maatregelen te nemen, en zeker niet in een internationaal conflict. Dergelijke maatregelen zijn immers niet van juridische aard.</TXT></NP><NP><NO.P>32</NO.P><TXT>Ten slotte wijst verzoekster de stelling van de Commissie van de hand, dat haar stilzitten geen voor beroep krachtens artikel 175 van het Verdrag vatbaar nalaten vormt en dat zij (verzoekster) geen procesbelang heeft. Immers, dat een natuurlijke of rechtspersoon zich slechts tot het Gerecht kan wenden indien een gemeenschapsinstelling heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling dan een advies of aanbeveling te verrichten, betekent enkel, dat geen beroep mogelijk is tegen het niet verrichten van een handeling die geen rechtsgevolgen heeft.</TXT></NP><?PAGE NO="II-1424"?><NP><NO.P>33</NO.P><TXT>Het Hof heeft het begrip handeling in de zin van artikel 175 van het Verdrag dan ook ruim uitgelegd, teneinde de rechtsbescherming te waarborgen van degene die, zonder de formele adressaat van een handeling te zijn, er in werkelijkheid door wordt geraakt als ware hij de adressaat. Het volstaat dat de gewraakte handeling de verzoeker rechtstreeks en individueel raakt, ook indien zij niet tot hem is gericht (arresten Hof van <DATE ISO="19890214">14 februari 1989</DATE>, Star Fruit/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="247/87" YEAR="1989" PAGE.ECR="291">247/87, Jurispr. blz. 291</REF.DOC.ECR>, en <DATE ISO="19930216">16 februari 1993</DATE>, ENU/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-107/91" YEAR="1993" PAGE.ECR="I-599">C-107/91, Jurispr. blz. I-599</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Beoordeling door het Gerecht</P></TI></TITLE><NP><NO.P>34</NO.P><TXT>Een krachtens artikel 175 van het Verdrag ingesteld beroep wegens nalaten is slechts ontvankelijk wanneer de verzoeker de precontentieuze procedure heeft gevolgd en heeft voldaan aan het wezenlijke vormvoorschrift, dat eerst de in de tweede alinea van genoemd artikel bedoelde uitnodiging tot handelen tot de verwerende instelling moet worden gericht (arrest Hof van <DATE ISO="19590204">4 februari 1959</DATE>, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="17/57" YEAR="1959" PAGE.ECR="9">17/57, Jurispr. blz. 9</REF.DOC.ECR>, en beschikking Gerecht van <DATE ISO="19970206">6 februari 1997</DATE>, de Jorio/Raad, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-64/96" YEAR="1997" PAGE.ECR="II-127">T-64/96, Jurispr. blz. II-127, punt 39</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>35</NO.P><TXT>De procedure van het beroep wegens nalaten kan slechts worden geacht te zijn ingeleid wanneer die uitnodiging voldoende duidelijk en nauwkeurig is, zodat de Commissie concreet kan vaststellen wat voor handeling er van haar wordt verlangd. Uit de uitnodiging moet voorts blijken, dat van de Commissie wordt geëist dat zij haar standpunt bepaalt (arrest Hof van <DATE ISO="19860610">10 juni 1986</DATE>, Usinor/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="81/85+119/85" YEAR="1986" PAGE.ECR="1777">81/85 en 119/85, Jurispr. blz. 1777, punt 15</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>36</NO.P><TXT>In haar faxbericht van <DATE ISO="19970811">11 augustus 1997</DATE> vroeg verzoekster de Commissie enkel om de namen en de telefoon- en faxnummers van de met de zaak belaste ambtenaren en organen en om een afschrift van het deskundigenrapport en het adres van de ambtenaar die dat rapport onder zich had, teneinde contact met hem te kunnen opnemen.</TXT></NP><?PAGE NO="II-1425"?><NP><NO.P>37</NO.P><TXT>Ook al dient men in de precontentieuze fase niet al te streng te zijn met betrekking tot de nakoming van noodzakelijke vormvoorschriften, toch ontkomt men niet aan de vaststelling, dat het faxbericht van <DATE ISO="19970811">11 augustus 1997</DATE> aan de Commissie geen uitnodiging tot handelen bevatte, doch enkel een verzoek om inlichtingen die verzoekster nodig had om zelf actie te kunnen ondernemen. Bovendien blijkt uit het faxbericht niet, dat het een preliminair van een procedure in rechte was (arresten Hof van <DATE ISO="19610713">13 juli 1961</DATE>, Elz/Hoge Autoriteit, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="22/60+23/60" YEAR="1961" PAGE.ECR="357">22/60 en 23/60, Jurispr. blz. 375</REF.DOC.ECR> e.v., en <DATE ISO="19860506">6 mei 1986</DATE>, Nuovo Campsider/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="25/85" YEAR="1986" PAGE.ECR="1531">25/85, Jurispr. blz. 1531, punt 8</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>38</NO.P><TXT>Alvorens het onderhavige beroep in te stellen, heeft verzoekster dus niet de voorgeschreven precontentieuze procedure gevolgd door tot de Commissie een uitnodiging tot handelen in de zin van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag te richten. Aldus heeft zij een wezenlijke formaliteit verzuimd, hetgeen leidt tot de niet-ontvankelijkheid van haar vordering tot vaststelling van een nalaten van de Commissie (beschikking de Jorio/Raad, reeds aangehaald, punt 39).</TXT></NP><NP><NO.P>39</NO.P><TXT>Zonder dat behoeft te worden ingegaan op de overige argumenten van de Commissie, moet mitsdien het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Kosten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>40</NO.P><TXT>Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie in die zin heeft geconcludeerd, dient verzoekster in de kosten te worden verwezen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="II-1426"?><JURISDICTION><INTRO><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)</P><P>beschikt:</P></INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Verzoekster wordt verwezen in de kosten.</TXT></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.ORDER><SIGNATURE.CASE><P>Luxemburg, <DATE ISO="19990430">30 april 1999</DATE>.</P><P>De griffier</P><P>H.Jung</P><SIGNATORY><P>De president van de Vijfde kamer</P><P>J. D. Cooke</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></ORDER>