32001D0371

2001/371/EG: Beschikking van de Commissie van 21 december 2000 betreffende de vrijstelling van mineralenheffingen op grond van de meststoffenwet die Nederland voornemens is toe te kennen (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 4404)

Publicatieblad Nr. L 130 van 12/05/2001 blz. 0042 - 0046


Beschikking van de Commissie

van 21 december 2000

betreffende de vrijstelling van mineralenheffingen op grond van de meststoffenwet die Nederland voornemens is toe te kennen

(kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 4404)

(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

(2001/371/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Na de belanghebbenden overeenkomstig het genoemde artikel te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken(1),

Overwegende hetgeen volgt:

I. PROCEDURE

(1) Bij brief van 7 oktober 1999, ingeschreven op 13 oktober 1999, heeft Nederland de Commissie in kennis gesteld van bepaalde vrijstellingen van de bij de meststoffenwet ingevoerde mineralenheffingen. Bij brief van 10 januari 2000, ingeschreven op 12 januari 2000, zijn aanvullende gegevens verstrekt.

(2) Bij brief van 20 maart 2000 heeft de Commissie Nederland in kennis gesteld van haar besluit ten aanzien van de voorgestelde vrijstellingen van de mineralenheffingen de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden.

(3) Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(2). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de steunmaatregel kenbaar te maken.

(4) De Commissie heeft van de belanghebbenden geen opmerkingen ontvangen.

(5) Bij brief van 17 mei 2000 hebben de Nederlandse autoriteiten nadere gegevens verstrekt.

II. BESCHRIJVING

(6) De in hoofdstuk IV van de meststoffenwet opgenomen regeling voorziet in een verplichte administratie ten aanzien van het landbouwbedrijf met betrekking tot de aangevoerde mineralen en in maximumhoeveelheden voor de uitstoot van fosfaten en nitraten per bedrijf. Indien deze maximumhoeveelheden worden overschreden, zullen voor de overschrijdingen heffingen moeten worden betaald. De prohibitieve heffingen worden slechts toegepast voorzover de totale hoeveelheid fosfaat en stikstof die op het bedrijf wordt aangevoerd, verminderd met de totale hoeveelheid van deze mineralen die van het bedrijf wordt afgevoerd, in een kalenderjaar groter is dan de normen voor het toelaatbare verlies van fosfaat en stikstof naar het milieu (de zogenoemde verliesnormen). Wanneer een bedrijf doeltreffende maatregelen neemt, zoals afvoeren van niet-plaatsbare mest, zal het geen heffing verschuldigd zijn.

(7) In het kader van de voorgestelde maatregel worden kleine bedrijven ("hobbyisten") en tuincentra volledig van de in de meststoffenwet bedoelde mineralenheffingen vrijgesteld. Tuinbouwbedrijven die gewassen telen onder glas of op substraat, worden gedeeltelijk vrijgesteld.

A. VRIJSTELLING VOOR KLEINE BEDRIJVEN (HOBBYISTEN)

(8) Artikel 38 van de meststoffenwet voorziet reeds in een vrijstelling voor onder andere extensieve veehouderijen, omdat de wet is toegespitst op bedrijven met de grootste milieurisico's, waartoe extensieve veehouderijen in beginsel niet behoren.

(9) De reden voor de invoering van een vrijstelling voor kleine, extensieve veehouderijen ("hobbyisten") is dat zij misschien niet allemaal aan de formele voorwaarden van artikel 38 van de meststoffenwet voldoen. De achterliggende gedachte is dat de productie van dierlijke meststoffen in dergelijke bedrijven zo beperkt is, dat de meststoffen probleemloos kunnen worden afgevoerd. Deze vrijstelling geldt indien de gemiddelde veebezetting in een kalenderjaar niet meer bedraagt dan drie grootvee-eenheden(3) op een oppervlakte landbouwgrond van niet meer dan drie hectare en indien geen gebruik van dierlijke of andere organische meststoffen wordt gemaakt. Hobbyisten zijn ook vrijgesteld van de heffing ter dekking van de kosten die de overheid moet maken voor de uitvoering van de meststoffenwet.

B. VRIJSTELLING VOOR TUINBOUWBEDRIJVEN

(10) Tuinbouwbedrijven die gewassen telen in kassen, hierna "grondgebonden tuinbouw" genoemd of op substraat, hierna "niet-grondgebonden tuinbouw" genoemd, zijn gedeeltelijk vrijgesteld. De reden hiervoor is dat in de heffingenregeling geen rekening wordt gehouden met de specificiteit van de grondgebonden en de niet-grondgebonden tuinbouw.

(11) Ingevolge deze regeling kan maximaal 460 kg fosfaat en 800 kg stikstof per daadwerkelijk voor de tuinbouw gebruikte hectare groeimedium of bedrijfsgebouw van de heffing worden vrijgesteld.

(12) Artikel 54 van de meststoffenwet voorziet in een tijdelijke vrijstelling voor kunstmest, met het oog op de bepaling van de hoeveelheid fosfaat. Bijgevolg zal een gelijksoortige vrijstelling voor de tuinbouw gaan gelden.

C. VRIJSTELLING VOOR TUINCENTRA

(13) Tuincentra voeren meststoffen aan om deze te verkopen aan particulieren. Zij zijn vrijgesteld van de mineralenheffingen. Daarnaast zijn tuincentra als verkoper en particulieren als koper vrijgesteld van de administratieve verplichting om een afleveringsbewijs voor de aflevering van dierlijke of organische meststoffen op te maken.

(14) Voor tuincentra die tevens tuinbouwactiviteiten verrichten, geldt de hiervoor vermelde gedeeltelijke vrijstelling die ook voor tuinbouwbedrijven geldt.

D. REDENEN VOOR DE COMMISSIE OM DE PROCEDURE IN TE LEIDEN

(15) Hoewel de Nederlandse autoriteiten van mening zijn dat de heffingsvrijstellingen gerechtvaardigd worden "door de aard of de opzet van het stelsel" zoals bedoeld in de mededeling van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen(4) (hierna "mededeling directe belastingen" genoemd) en het bijgevolg niet gaat om steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag, hebben zij de regeling voor onderzoek bij de Commissie aangemeld.

(16) Volgens punt 23 van de mededeling directe belastingen betekent het feit dat sommige maatregelen differentieel van aard zijn niet noodzakelijk dat zij als steunmaatregelen moeten worden beschouwd. Dit geldt voor maatregelen die door hun economische rationaliteit noodzakelijk of functioneel voor de doeltreffendheid van het belastingstelsel zijn. Het is echter de taak van de lidstaat een dergelijke rechtvaardiging aan te voeren.

(17) De Nederlandse autoriteiten hebben de volgende rechtvaardiging aangevoerd:

(18) Met betrekking tot hobbyisten: Het in de meststoffenwet neergelegde stelsel van regulerende mineralenheffingen (mineralenaangiftesysteem (hierna "Minas" genoemd)) strekt ertoe het verlies van fosfaat en stikstof naar het milieu te reguleren op bedrijfsniveau. Minas wil geen particulieren die enkele dieren houden onder de wet doen vallen, aangezien in die situaties geen sprake is van een landbouwbedrijf en nauwelijks sprake is van milieurisico's. Wanneer iemand slechts enkele dieren houdt, maar over heel weinig grond beschikt, kan het zijn dat deze persoon niet aan de in artikel 38 van de wet vastgestelde grens van 2,5 grootvee-eenheden per hectare voldoet en dus niet voor de vrijstelling van de mineralenheffingen in aanmerking komt. Om te voorkomen dat particulieren die niet bedrijfsmatig dieren houden heffingen moeten betalen, voorziet de voorgestelde maatregel in een vrijstelling voor zogenoemde hobbyisten. De grens voor het niet-bedrijfsmatig houden van dieren is vastgesteld op maximaal drie grootvee-eenheden ongeacht de beschikbare oppervlakte landbouwgrond.

(19) Met betrekking tot tuinbouwbedrijven en tuincentra die tuinbouwactiviteiten verrichten: de forfaits van 460 kg fosfaat en 800 kg stikstof voor tuinbouwbedrijven en tuincentra met tuinbouwactiviteiten zijn gebaseerd op de onderzoekgegevens van het Proefstation voor de Bloemisterij en Glasgroenten betreffende de fosfaat- en stikstofopname van gewassen die onder glas geteeld worden. Uit die gegevens is gebleken dat de fosfaat- en stikstofopname van gewassen die onder glas worden geteeld gemiddeld 460 kg fosfaat en 800 kg stikstof per jaar is. De opname is dus veel hoger dan wanneer de gewassen in de open grond worden geteeld. Dit is, aangezien de productie bij teelt onder glas acht keer zo hoog is als bij teelt in de open grond ook logisch. Door de forfaits voor fosfaat en stikstof in overeenstemming te brengen met de opname van fosfaat en stikstof, wordt voorkomen dat die bedrijven ten onrechte heffingen zouden moeten betalen. Dit is dan ook de reden waarom deze forfaits hoger zijn dan die voor akkerbouwbedrijven en de normen van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen(5), hierna "nitratenrichtlijn" genoemd.

(20) Met betrekking tot tuincentra die meststoffen aanvoeren om deze aan particulieren te verkopen, komt de hoeveelheid aangevoerde mest uiteindelijk overeen met de hoeveelheid verkochte mest.

(21) De Commissie achtte deze uitleg niet voldoende om te besluiten dat de diverse vrijstellingen worden gerechtvaardigd door de aard en de economische rationaliteit van de regeling.

(22) Artikel 38 van de meststoffenwet voorziet in een vrijstelling voor extensieve veehouderijen Ondanks hun beperkte omvang kunnen sommige hobbyisten economische actoren zijn. Er zij op gewezen dat in de landbouwsector geen de minimis-drempel geldt(6). Een extra vrijstelling voor hobbyisten die niet aan de formele voorwaarden voor vrijstelling voldoen, lijkt niet te worden gerechtvaardigd door de aard of de opzet van het stelsel. Voorts lijkt het niet raadzaam om nu het criterium van drie grootvee-eenheden te hanteren (ongeacht de oppervlakte landbouwgrond, maar in elk geval minder dan drie ha), terwijl de algemene vrijstelling van artikel 38 gebaseerd is op het criterium 2,5 grootvee-eenheden (per hectare).

(23) Met betrekking tot de vrijstelling voor de tuinbouw lijkt het met het oog op de "aard of de opzet van het stelsel" passend de grond of het groeimedium in het bedrijfsgebouw gelijk te stellen met landbouwgrond en dan dezelfde aanvoernormen toe te passen. Bij een normale toepassing van het aan- en afvoersysteem zou derhalve een gelijke behandeling worden gewaarborgd en zou er geen staatssteun zijn. In het onderhavige geval lijken de hoeveelheden die mogen worden aangevoerd echter veel groter te zijn (460 kg fosfaat per hectare en 800 kg stikstof per hectare). Bijgevolg lijkt er ook in dit opzicht geen inherente reden te zijn de voorgestelde vrijstelling voor de tuinbouw toe te kennen.

(24) De vrijstelling voor tuincentra die meststoffen aanvoeren om deze te verkopen aan particulieren kan worden geacht in overeenstemming te zijn met de "aard of de opzet van het stelsel", omdat de hoeveelheid aangevoerde mest in beginsel overeenkomt met de hoeveelheid verkochte mest - het tuincentrum zelf heeft geen verlies naar het milieu. Vanuit dit oogpunt lijkt er geen steun te zijn. Met betrekking tot de vrijstelling voor tuincentra die zelf tuinbouwactiviteiten verrichten, lijkt er evenwel, voorzover dezelfde regeling zowel voor grondgebonden tuinbouw als voor niet-grondgebonden tuinbouw geldt, geen inherente reden te zijn de voorgestelde vrijstelling toe te kennen.

(25) Tot slot heeft de Commissie twijfel over de verenigbaarheid van de Nederlandse meststoffenwet en het stelsel van mineralenheffingen met de nitratenrichtlijn. Zij heeft de Nederlandse autoriteiten een aanmaningsbrief doen toekomen, waarop zij een antwoord heeft ontvangen dat zij thans verder bestudeert. Het stelsel van mineralenheffingen, op grond waarvan ondernemingen de normen van de nitratenrichtlijn mogen blijven overschrijden voorzover zij heffingen betalen, zou onverenigbaar met de nitratenrichtlijn kunnen zijn. Het feit dat de landbouwers de normen mogen overschrijden mits zij een heffing betalen, biedt wellicht onvoldoende garanties dat de normen in acht worden genomen. De zogenoemde verliesnormen liggen voorts hoger dan de waarden van de nitratenrichtlijn, zonder dat heffingen worden betaald. Artikel 38 van de meststoffenwet voorziet reeds in een vrijstelling voor extensieve veehouderijen, waaraan per kalenderjaar een maximumhoeveelheid meststoffen wordt opgelegd die wordt uitgedrukt in kilogram fosfaat in plaats van, zoals voorgeschreven in de nitratenrichtlijn, stikstof, en die het door de richtlijn toegestane maximum overschrijdt. Door verdere vrijstellingen toe te kennen, zou deze situatie nog kunnen verslechteren.

(26) Mocht de vrijstelling aan hobbyisten worden toegekend, dan lijkt er bovendien geen regel te zijn die garandeert dat aan de norm van de nitratenrichtlijn (170 kg N/ha/jaar) wordt voldaan. De nitratenrichtlijn voorziet niet in een de minimis-uitzondering voor kleine bedrijven. De Nederlandse autoriteiten hebben niet aangetoond dat dergelijke hobbyisten noodzakelijkerwijs aan de normen van de nitratenrichtlijn voldoen.

(27) Voorts zij erop gewezen dat de toelaatbare hoeveelheid stikstof voor tuincentra en tuinbouw veel hoger ligt dan de normen van de nitratenrichtlijn (170 kg stikstof per hectare - voor een periode van vier jaar wordt bij wijze van uitzondering een maximumhoeveelheid van 210 kg toegestaan). Bij gebrek aan gegevens over het verlies van nitraten in het water en rekening houdend met het feit dat de toelaatbare hoeveelheid stikstof ver boven de normen van de nitratenrichtlijn ligt, twijfelde de Commissie aan de gevolgen voor het milieu van de voorgestelde vrijstellingen.

(28) Bijgevolg heeft de Commissie de procedure overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het Verdrag ingeleid.

III. OPMERKINGEN VAN DE NEDERLANDSE AUTORITEITEN

(29) Bij brief van 17 mei 2000 aan commissaris Fischler heeft de Nederlandse minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij argumenten aangevoerd om het advies dat de Commissie bij de inleiding van de procedure heeft uitgebracht opnieuw te bezien. Bij brief van 3 juli 2000 hebben de Nederlandse autoriteiten bevestigd dat deze brief moet worden beschouwd als de officiële indiening van opmerkingen door Nederland in antwoord op de inleiding van de procedure in de zin van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad(7).

(30) De door de Nederlandse autoriteiten verstrekte gegevens worden hieronder samengevat weergegeven.

(31) De Nederlandse autoriteiten voeren aan, dat de Commissie de voorgestelde maatregelen ten onrechte gelijkstelt met een heffingsvrijstelling en dus met gederfde belastinginkomsten, die staatssteun vormen. De Commissie houdt geen rekening met het prohibitieve karakter van de heffingen. Met Minas wordt niet beoogd inkomsten voor de staat te genereren, maar het gebruik van meststoffen te reguleren. De regeling kan dus worden vergeleken met boetes die worden opgelegd in geval van strafrechtelijk vervolgde overtreding van bepalingen. Gelet op de inhoud en het doel van de maatregel, kan deze niet worden beschouwd als een fiscale maatregel, waarvan een vrijstelling staatssteun is in de zin van artikel 87 van het Verdrag.

(32) Voorts geven de Nederlandse autoriteiten aan dat zij het recht van de Commissie om op grond van de nitratenrichtlijn bezwaar te maken tegen de normen van het Nederlandse mestbeleid niet aanvechten. De bezwaren van de Commissie moeten echter worden behandeld in het kader van de nitratenrichtlijn en niet in een procedure betreffende staatssteun.

(33) Ten slotte stellen de Nederlandse autoriteiten, zonder verdere argumenten aan te voeren, dat de voorgestelde vrijstellingen volledig worden gerechtvaardigd door de aard en het doel van Minas.

IV. BEOORDELING

(34) Bij gebrek aan verdere gegevens blijft de twijfel die de Commissie ertoe heeft gebracht de procedure tegen de voorgestelde vrijstellingen in te leiden, bestaan.

(35) In artikel 87, lid 1, van het Verdrag is het volgende bepaald: "Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.".

(36) In de onderhavige regeling wordt door een lidstaat steun verleend aan bepaalde bedrijven, aangezien deze van bepaalde heffingen worden vrijgesteld. Het feit dat deze regeling te vergelijken is met boetes die worden opgelegd in geval van overtreding van bepaalde strafrechtelijke bepalingen doet niets af aan het feit dat de Minas-regeling is opgevat als een heffingsregeling. Afwijkingen daarvan kunnen staatssteun vormen. Deze steun kan het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Er is een aanzienlijke grensoverschrijdende handel in levende dieren en tuinbouwproducten. Voorts kan worden gesteld dat, ook al heeft een lidstaat een boeteregeling ingesteld, vrijstellingen van een dergelijke algemeen geldende boeteregeling toch als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag kunnen worden beschouwd. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft immers verklaard dat het begrip steun een algemenere strekking heeft dan het begrip subsidie, daar het niet alleen positieve prestaties omvat, zoals de subsidie zelf, maar ook maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor - zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn - van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden(8). Aangezien andere bedrijven onderworpen zijn aan de heffingen (of "boetes"), wordt de concurrentiepositie van de vrijgestelde bedrijven verbeterd. In tegenstelling tot wat de Nederlandse autoriteiten aanvoeren, kan op basis van de aard en het doel van de regeling niet worden uitgesloten dat het om staatssteun gaat. Ook het Hof en het Gerecht hebben meermaals gesteld dat artikel 87, lid 1, van het Verdrag geen onderscheid maakt naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, doch naar hun gevolgen ziet(9). De gevolgen van de onderhavige maatregel bestaan in een voordeel voor bepaalde bedrijven die van bepaalde heffingen worden vrijgesteld.

(37) De argumenten die de Nederlandse autoriteiten vóór de inleiding van de procedure hebben aangevoerd met betrekking tot het niet-bedrijfsmatige karakter en het feit dat de zogenoemde hobbyisten geen landbouwbedrijven zijn(10) (zie overweging 18) moeten ook worden verworpen. Het niet-bedrijfsmatige karakter is een loutere veronderstelling. Zo komen bijvoorbeeld, zoals in voetnoot 3 is aangegeven, drie grootvee-eenheden overeen met ongeveer 250 leghennen. De voorgestelde criteria geven alleen aan dat de begunstigde over heel weinig grond beschikt in verhouding tot het aantal gehouden dieren, en niet in aanmerking komt voor de algemene vrijstelling van artikel 38 van de meststoffenwet (niet meer dan 2,5 grootvee-eenheden per hectare). Bijgevolg kan de voorgestelde maatregel ten goede komen aan specifieke bedrijven met een commerciële productie van producten van bijlage I van het Verdrag waarvoor een grensoverschrijdend handelsverkeer bestaat/kan bestaan. Derhalve lijkt de maatregel niet gerechtvaardigd door de aard of de opzet van het stelsel.

(38) De Nederlandse autoriteiten hebben geen nieuwe argumenten aangevoerd ten aanzien van de tuincentra en tuinbouwbedrijven.

(39) Daarom handhaaft de Commissie de bezwaren die zij geuit had tegen de voorgestelde gedeeltelijke vrijstelling van tuinbouwbedrijven en tuincentra die tuinbouwactiviteiten verrichten. Met betrekking tot de vrijstelling voor de tuinbouw valt het binnen de "aard of de algemene opzet van het stelsel" de grond of het groeimedium in het bedrijfsgebouw gelijk te stellen met landbouwgrond en dan dezelfde aanvoernormen toe te passen. In het onderhavige geval zijn de hoeveelheden die mogen worden aangevoerd echter veel groter (460 kg fosfaat per hectare en 800 kg stikstof per hectare(11)). Heffingen zijn slechts verschuldigd zodra deze hoeveelheden worden overschreden. Derhalve is er geen inherente reden de voorgestelde vrijstelling voor de tuinbouw toe te kennen en de Nederlandse autoriteiten hebben een dergelijke reden ook niet aangevoerd. Met betrekking tot de gedeeltelijke vrijstelling voor tuincentra die zelf tuinbouwactiviteiten verrichten, is er eveneens, voorzover voor grondgebonden tuinbouw en voor niet-grondgebonden tuinbouw dezelfde regeling geldt (d.w.z. met hogere toegelaten normen voor fosfaat en stikstof, waarbij slechts heffingen verschuldigd zijn wanneer deze normen worden overschreden), geen inherente reden de voorgestelde vrijstelling toe te kennen. Derhalve is de maatregel niet gerechtvaardigd door de aard of de opzet van het stelsel.

(40) De vrijstellingen voldoen daarentegen aan alle voorwaarden van de punten 9 tot en met 12 van de mededeling directe belastingen (waarnaar verwezen kan worden bij analogie): a) de maatregel biedt de begunstigden een voordeel dat de lasten verlicht die zij normaal moeten dragen, b) het voordeel wordt door de staat toegekend (inkomstenverlies), c) de maatregel kan het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden, wat het geval is wanneer de begunstigde een economische activiteit uitoefent die het voorwerp is van handel tussen lidstaten, d) ten slotte is de maatregel specifiek of selectief.

(41) Dit soort steun moet als exploitatiesteun beschouwd worden. Deze steun die uitsluitend neerkomt op vermindering van de normale bedrijfskosten voor de marktdeelnemer, biedt de begunstigde slechts een in de tijd beperkt economisch voordeel dat ophoudt te bestaan zodra de betalingen worden gestaakt, en kan met name de mededinging vervalsen. Dergelijke steun kan dus niet worden beschouwd als steun ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waar de levensstandaard abnormaal laag is (artikel 87, lid 3, onder a)), noch als steun om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken (artikel 87, lid 3, onder c)).

(42) Exploitatiesteun wordt normaal niet toegestaan (zie punt 5.5.1 van de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun in de landbouwsector(12)). Dergelijke steun kan slechts worden toegestaan indien hij tijdelijk en degressief is, wat hier niet het geval is.

(43) De Commissie wijst uitdrukkelijk het argument af dat de procedure betreffende staatssteun zou zijn gebruikt of misbruikt om de nitratenrichtlijn toe te passen. Het onderzoek op grond van de artikelen 87 tot en met 89 van het EG-Verdrag omvat een onderzoek naar de verenigbaarheid met andere communautaire wetgeving. Het is duidelijk dat een procedure betreffende staatssteun nooit tot een resultaat mag leiden dat strijdig zou zijn met de specifieke verdragsbepalingen(13), in casu artikel 174 (ex 130 R) van het Verdrag en de communautaire regelgeving die op die basis werd aangenomen (vergelijk artikel 87, lid 1, van het Verdrag). Voorts zij erop gewezen dat tegen Nederland een specifieke inbreukprocedure is ingeleid wegens niet-nakoming van de nitratenrichtlijn(14), waarin de Commissie op dat moment oordeelde dat de Nederlandse wetgeving niet met de nitratenrichtlijn in overeenstemming is. In elk geval heeft de Commissie, zoals hiervoor uiteengezet, haar bezwaren tegen het voorgestelde belastingvoordeel bevestigd, ongeacht de verenigbaarheid van de regeling met de nitratenrichtlijn, aangezien dit voordeel als loutere exploitatiesteun moet worden aangemerkt.

V. CONCLUSIE

(44) Om bovengenoemde redenen komt de Commissie tot de conclusie dat de voorgestelde heffingsvrijstellingen voor kleine bedrijven (hobbyisten), tuinbouwbedrijven en tuincentra die tuinbouwactiviteiten verrichten niet in het gemeenschappelijke belang kunnen worden geacht en derhalve niet voor de uitzondering van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag in aanmerking komen.

De Commissie is bijgevolg van oordeel dat de betrokken steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De heffingsvrijstellingen in het kader van de Minas-regeling die Nederland voornemens is toe te kennen aan kleine bedrijven (hobbyisten), tuinbouwbedrijven en tuincentra die tuinbouwactiviteiten verrichten, zijn met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar. De steunregeling mag derhalve niet worden uitgevoerd.

Artikel 2

Nederland deelt de Commissie binnen twee maanden na de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.

Gedaan te Brussel, 21 december 2000.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) PB C 190 van 8.7.2000, blz. 4.

(2) Zie voetnoot 1.

(3) Bijvoorbeeld komt een voor de slacht bestemde zeug overeen met 0,288 grootvee-eenheden, wat betekent dat ongeveer tien dergelijke zeugen mogen worden gehouden; een leghen van meer dan 18 weken komt overeen met 0,012 grootvee-eenheden, wat betekent dat ongeveer 250 dergelijke hennen mogen worden gehouden.

(4) PB C 384 van 10.12.1998, blz. 3.

(5) PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

(6) Mededeling van de Commissie inzake de minimis-steun, PB C 68 van 6.3.1996, blz. 9.

(7) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(8) Arrest van 17 juni 1999, zaak C-295/97, Piaggio tegen IIfitalia e.a., Jurisprudentie 1999, blz. I-3735.

(9) Arrest van 17 juni 1999, zaak C-75/97, België tegen Commissie ("Maribel bis/ter"), Jurisprudentie 1999, blz. I-3671; Arrest van 28 januari 1999, zaak T-14/96, BAI tegen Commissie, Jurisprudentie 1999, blz. II-139.

(10) Er zij ook op gewezen dat in het wetsontwerp en in de toelichting gewoon sprake is van "kleine bedrijven". Commerciële bedrijven lijken geenszins van de voorgestelde vrijstelling te worden uitgesloten.

(11) Ter vergelijking, de meststoffenwet bepaalt dat het maximaal toegelaten verlies per hectare landbouwgrond in 2000 en 2001 35 kg fosfaat bedraagt, welk bedrag in de toekomst verder zal worden verminderd tot 25 kg vanaf 2005; het maximale verlies aan stikstof voor grasland bedraagt in 2000 en 2001 275 kg, en zal in de toekomst ook verder verminderd worden (200 kg vanaf 2005).

(12) PB C 28 van 1.2.2000, blz. 2.

(13) Zie het arrest van het Hof van 15 juni 1993, zaak C-225/91, Matra tegen Commissie, Jurisprudentie 1993, blz. I-3203.

(14) Zie persbericht IP/00/204 van de Commissie van 1 maart 2000.