83/508/EEG: Beschikking van de Commissie van 20 juli 1983 op grond van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag ten aanzien van een steunvoornemen van de Belgische Regering in de textiel- en confectiesector (onderneming nr. 118) (Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)
Publicatieblad Nr. L 285 van 18/10/1983 blz. 0017 - 0019
***** BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 20 juli 1983 op grond van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag ten aanzien van een steunvoornemen van de Belgische Regering in de textiel- en confectiesector (onderneming nr. 118) (Slechts de teksten in de Nederlandse en de Franse taal zijn authentiek) (83/508/EEG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea, Na de belanghebbenden overeenkomstig de bepalingen van genoemd artikel te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen, I Overwegende dat de Belgische Regering bij schrijven van 6 december 1982 de Commissie in kennis heeft gesteld van haar voornemen steun te verlenen aan een onderneming die frotteerstof vervaardigt en deel uitmaakt van een subsector, die in België als »uiterst concurrerend" wordt beschouwd; Overwegende dat de Belgische Regering een onderneming met een personeelsbestand van 178 personen in aanmerking wil doen komen voor de toepassing van de in België geldende sectoriële steunregeling, zulks ten behoeve van investeringen die onder meer gericht zijn op de verbetering van het produktieapparaat van die onderneming en het weer bereiken van de eerder verwezenlijkte produktieniveaus; dat de steun die aan deze onderneming zou worden verleend werd becijferd op 100,8 miljoen Bfr. voor een investering van 144 miljoen Bfr. en ten dele bestemd zou zijn voor investeringen ter vervanging van machines en aankoop van nieuwe uitrusting; Overwegende dat de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, eerste alinea, van het EEG-Verdrag heeft ingeleid ten aanzien van de bovengenoemde steun en de Belgische Regering bij schrijven van 28 januari 1983 heeft aangemaand haar opmerkingen te maken; II Overwegende dat de Belgische Regering bij schrijven van 10 maart 1983 haar opmerkingen heeft gemaakt in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag, waarbij aanvullende inlichtingen werden verstrekt inzake de herstructurering; dat in deze opmerkingen werd medegedeeld dat 93 miljoen Bfr. van de 144 miljoen Bfr. bestemd zouden zijn voor de gedwongen verplaatsing van de administratieve diensten ten gevolge van de onteigening van de kantoorgebouwen en dat de onderneming bij deze gelegenheid voornemens was een omvangrijk programma uit te voeren ter sanering van de verontreinigende produktiefases, waarbij verf- en appreteermachines zouden worden aangekocht en een verbeterd stelsel voor de zuivering van het afvalwater zou worden aangebracht; Overwegende daarentegen dat de overblijvende 51 miljoen Bfr. bestemd zouden worden voor de aankoop van nieuwe machines voor de modernisering van de produktie, waarvan de kosten normalerwijze door de ondernemingen zelf moeten worden gedragen; Overwegende dat vier Lid-Staten en twee beroepsorganisaties in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag opmerkingen hebben gemaakt waarin zij zich aansloten bij het standpunt van de Commissie; dat een Lid-Staat erop heeft gewezen dat zijn industrie uit de subsector frotteerstof onlangs diepgaand was geherstructureerd, zonder dat zij in aanmerking kon komen voor steun van de Staat; dat een andere Lid-Staat heeft geconstateerd dat 50 % van de intracommunautaire invoer van frotteerstof afkomstig was uit België en dat het volume van deze invoer in 1982 nog was toegenomen; III Overwegende dat de door de Belgische Regering voorgenomen steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten nadelig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen of dreigen te vervalsen in de zin van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag door de begunstiging van de betrokken onderneming of van de produktie van haar goederen; Overwegende dat volgens artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag steunmaatregelen die aan de in dat artikel vermelde criteria voldoen, principieel onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt; dat de in artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag vermelde uitzonderingen op deze onverenigbaarheid betrekking hebben op doelstellingen die in het belang van de Gemeenschap en niet in dat van de individuele begunstigde worden nagestreefd; dat deze uitzonderingen strikt moeten worden geïnterpreteerd bij de behandeling van regionale of sectoriële steunregelingen en van individuele toepassingen van een algemene steunregeling; dat een uitzondering met name slechts dan mag worden toegestaan wanneer de Commissie kan vaststellen dat bij ontstentenis van deze steunmaatregelen de begunstigde ondernemingen via het marktmechanisme alleen niet zouden overgaan tot de verwezenlij king van één der doelstellingen waarop deze uitzonderingen betrekking hebben; Overwegende dat de toekenning van een uitzondering zonder tegenprestatie als rechtvaardigingsgrond zou neerkomen op aanvaarding van een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen Lid-Staten en van vervalsing van de mededinging zonder dat daarmede enig belang van de Gemeenschap wordt gediend, terwijl men er zich anderzijds bij neerlegt dat sommige Lid-Staten ten onrechte bevoordeeld worden; Overwegende dat de Commissie, wanneer zij de bovenbedoelde beginselen hanteert bij haar onderzoek van individuele gevallen van toepassing van algemene steunregelingen, zich ervan dient te vergewissen dat er door de begunstigde onderneming een tegenprestatie wordt geleverd die de verlening van de steun rechtvaardigt in die zin dat de steun noodzakelijk is om de verwezenlijking van één der in artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag genoemde doelstellingen te bevorderen; dat het, wanneer zulks niet kan worden aangetoond en in het bijzonder wanneer de gesteunde investering in ieder geval zou worden verricht, vaststaat dat de steun niet tot het bereiken van de in de uitzonderingsbepalingen genoemde doelstellingen bijdraagt, doch tot versterking van de financiële positie van de betrokken onderneming dient; Overwegende dat in het onderhavige geval een dergelijke tegenprestatie van de zijde van de begunstigde onderneming niet aanwezig is; Overwegende dat de Belgische Regering geen argument heeft kunnen geven en de Commissie geen rechtvaardiging heeft kunnen ontdekken voor de conclusie dat de voorgestelde steun voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van één der uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag; Overwegende dat, voor zover de uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, sub a) en c), van het EEG-Verdrag betrekking hebben op steunmaatregelen ter bevordering of ondersteuning van de ontwikkeling van bepaalde streken, moet worden overwogen dat de betrokken onderneming zich niet bevindt in een streek waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst in de zin van de sub a) bedoelde uitzondering; dat, wat de sub c) bedoelde uitzondering betreft, de Belgische steunmaatregel niet de vereiste hoedanigheden vertoont om te kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde regionale economieën, als in die bepaling voorzien; Overwegende dat, wat de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub b), van het EEG-Verdrag betreft, de betrokken investering geen bijzonderheden vertoont die haar de hoedanigheid geven van een project van gemeenschappelijk Europees belang of als bestemd om een ernstige verstoring van de economie van een Lid-Staat op te heffen, waardoor een uitzondering krachtens genoemde bepaling op de in artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag neergelegde onverenigbaarheid van steunmaatregelen zou worden gerechtvaardigd; Overwegende dat de Commissie op 18 november 1981 heeft besloten geen bezwaar te maken tegen de tenuitvoerlegging van een sectoriële steunregeling ten gunste van de textiel- en confectiesector in België; dat de Belgische ondernemingen uit deze sector, zodra de sectoriële steunregeling in werking zou zijn getreden, niet meer in aanmerking konden komen voor andere specifieke, regionale of algemene steunmaatregelen; Overwegende dat een aan een bepaalde onderneming krachtens deze sectoriële steunregeling verleende steun alleen in aanmerking kan komen voor de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub c), van het EEG-Verdrag, indien zij beantwoordt aan alle in de sectoriële steunregeling, zoals deze door de Commissie werd goedgekeurd, gestelde voorwaarden; dat deze voorwaarden in hoofdzaak betrekking hebben op de door de onderneming te verrichten herstructureringswerkzaamheden om het herstel van de levensvatbaarheid te waarborgen en op de sluiting van overcapaciteiten die de steun moet vergemakkelijken, zulks in het bijzonder wanneer het een onderneming betreft die deel uitmaakt van »gevoelige" of »uiterst concurrerende" subsectoren; Overwegende dat in het moderniseringsprogramma, zoals dat in onderhavig geval is ingediend, een deel van de investeringen, ten belope van 51 miljoen Bfr., rechtstreeks betrekking heeft op de verbetering van de produktiemiddelen, hetgeen normaal een zaak is van de onderneming zelf; Overwegende derhalve dat de bestemming van de steun voor dit gedeelte van de investeringen geen passende rechtvaardiging oplevert waardoor de conformiteit van het herstructureringsprogramma van de onderneming met de in België ingevoerde sectoriële steunregeling wordt gewaarborgd, terwijl de subsector frotteerstof daar uiterst concurrerend is; dat de onderneming met behulp van de steun haar produktie met circa 25 % zou verhogen; dat 80 % van deze produktie bestemd is voor de gemeenschappelijke markt en dat de bovengenoemde steun derhalve de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig zou veranderen dat het gemeenschappelijk belang zou worden geschaad; Overwegende dat de Belgische Regering niet heeft kunnen bewijzen en de Commissie niet heeft kunnen vaststellen dat een gedeelte van de voorgenomen steun in het kader van de Belgische sectoriële regeling voldeed aan alle voorwaarden die gesteld worden om in aanmerking te kunnen komen voor de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub c), van het EEG-Verdrag; Overwegende voor het overige dat een gedeelte van de investeringen, ten belope van 93 miljoen Bfr., uitgaven dekt die gericht zijn op de bescherming van het milieu, alsmede kosten ten gevolge van de door de overheid vereiste verplaatsing van bepaalde installaties van de onderneming; Overwegende dat de Commissie in de communautaire kaderlijnen voor steunmaatregelen van de Staten ten behoeve van het milieu, het standpunt heeft ingenomen dat steun ten behoeve van investeringen die worden verricht ten einde aan nieuwe milieuvoorschriften te voldoen onder bepaalde omstandigheden in aanmerking kan komen voor toepassing van een der uitzonderingsbepalingen van het EEG-Verdrag op het gebied van steunmaatregelen; Overwegende dat de betrokken onderneming van de omstandigheden van een verplichte verplaatsing profiteert om haar administratieve diensten te herorganiseren en te centraliseren rond haar produktiecentrum, zulks met informatisering van het beheer; dat deze herstructurering beantwoordt aan de doelstellingen die in het sinds 1 januari 1982 in België van kracht zijnde sectoriële plan worden aangegeven; Overwegende dat deze investeringen, evenals die ter bescherming van het milieu, niet rechtstreeks van invloed zijn op de produktie van de onderneming en derhalve het handelsverkeer niet zodanig kunnen belemmeren, dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 De Belgische Regering mag de steunmaatregelen ten gunste van een onderneming uit de subsector frotteerstof (nr. 118) die gericht zijn op de modernisering van het produktieapparaat door de aankoop van beter renderende nieuwe machines niet tot uitvoering brengen. Daarentegen komen de steunmaatregelen met betrekking tot de verplaatsings-, reorganisatie- en informatiseringskosten, alsmede met betrekking tot de aankoop van minder verontreinigende verf- en appreteermachines en materieel voor de zuivering van afvalwater, in aanmerking voor de toepassing van de in artikel 92, lid 3, sub c), van het EEG-Verdrag neergelegde uitzonderingsbepaling. Artikel 2 De Belgische Regering doet de Commissie binnen twee maanden na de datum van de kennisgeving van deze beschikking mededeling van de maatregelen die zij heeft getroffen tot nakoming daarvan. Artikel 3 Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk België. Gedaan te Brussel, 20 juli 1983. Voor de Commissie Frans ANDRIESSEN Lid van de Commissie