<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.58-20161101.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>C-5/17</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62017CC0005</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:205">EU:C:2018:205</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>14</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>14</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P><HT TYPE="SC">Conclusie van adv.-gen. Saugmandsgaard Øe – Zaak C‑5/17</HT></P><P><HT TYPE="SC">DPAS Limited</HT></P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">H. Saugmandsgaard Øe</HT></P><P>van <DATE ISO="20180321">21 maart 2018</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0001"><P>Oorspronkelijke taal: Frans.</P></NOTE></P></TI><STI><P><HT TYPE="BOLD">Zaak C‑5/17</HT></P><P>Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs</P><P>tegen</P><P>DPAS Limited</P><P><HT TYPE="NORMAL">[verzoek van de Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (belastingrechter in tweede aanleg, Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]</HT></P></STI></TITLE><INTERMEDIATE><INDEX IDX.CLOSE="”" SEPARATOR=" – " IDX.OPEN="„"><KEYWORD>Prejudiciële verwijzing</KEYWORD><KEYWORD>Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde</KEYWORD><KEYWORD>Richtlijn 2006/112/EG</KEYWORD><KEYWORD>Vrijstelling</KEYWORD><KEYWORD>Artikel 135, lid 1, onder d)</KEYWORD><KEYWORD>Handelingen betreffende betalingen en overmakingen</KEYWORD><KEYWORD>Geen</KEYWORD><KEYWORD>Opstellen en uitvoeren van tandheelkundige zorgarrangementen met automatische incasso</KEYWORD><KEYWORD>Geen dienst die een overdracht van een geldsom met zich brengt</KEYWORD><KEYWORD>Inning van schuldvorderingen</KEYWORD><KEYWORD>Economisch realiteitsbeginsel</KEYWORD><KEYWORD>Irrelevantie van de identiteit van de formele ontvanger van de dienst</KEYWORD></INDEX></INTERMEDIATE><CONTENTS.CONCLUSION><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">I.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Inleiding</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0001"><NO.P>1.</NO.P><TXT>Bij beslissing van <DATE ISO="20161128">28 november 2016</DATE>, ingekomen bij het Hof op <DATE ISO="20170106">6 januari 2017</DATE>, heeft de Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (belastingrechter in tweede aanleg, Verenigd Koninkrijk) het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112/EG (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0001" REF.END="QE0001"/>btw-richtlijn<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="201D" ID="QE0001"/>)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0002"><P>Richtlijn van de Raad van <DATE ISO="20061128">28 november 2006</DATE> betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="347" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2006">PB 2006, L 347, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0002"><NO.P>2.</NO.P><TXT>Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen DPAS Limited en Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs (belasting- en douanedienst van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0002" REF.END="QE0002"/>belastingdienst<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="201D" ID="QE0002"/>) over de weigering van deze dienst om een door DPAS verrichte dienst vrij te stellen van belasting over de toegevoegde waarde (btw).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0003"><NO.P>3.</NO.P><TXT>DPAS biedt tandartsen praktijkgebonden tandheelkundige zorgarrangementen aan en beheert deze arrangementen voor de ingeschreven patiënten. De in de nationale procedure opgeworpen vraag is in wezen of de aan deze patiënten verrichte diensten <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0003" REF.END="QE0003"/>handelingen betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="201D" ID="QE0003"/> zijn die krachtens artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn zijn vrijgesteld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0004"><NO.P>4.</NO.P><TXT>Ik zal het Hof in overweging geven deze vraag ontkennend te beantwoorden, aangezien een dienst als in het hoofdgeding als zodanig niet de juridische en financiële wijzigingen met zich brengt die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom. In de praktijk betekent dit antwoord dat een dergelijke dienst aan btw moet worden onderworpen.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="2"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">II.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Toepasselijke bepalingen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">A.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Unierecht</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0005"><NO.P>5.</NO.P><TXT>Artikel 135, lid 1, in hoofdstuk 3 van titel IX van de btw-richtlijn, bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0004" REF.END="QE0004"/>De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:</P><P>[...]</P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>d)</NO.P><TXT>handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen;</TXT></NP></ITEM></LIST></ALINEA><ALINEA>[...]<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">B.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Recht van het Verenigd Koninkrijk</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0006"><NO.P>6.</NO.P><TXT>Section 31 van de Value Added Tax Act 1994 (wet van 1994 inzake de belasting over de toegevoegde waarde) bepaalt dat een dienst wordt vrijgesteld indien hij onder een van de categorieën van Schedule 9 bij deze wet valt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0007"><NO.P>7.</NO.P><TXT>Schedule 9 bepaalt in het bijzonder:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0005" REF.END="QE0005"/>CATEGORIE 5 - FINANCIËLE DIENSTEN</P><P>[Vrijgesteld van btw zijn:]</P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>De uitgifte, overmaking of verkrijging van, of enige andere handeling met betrekking tot geld, en handelingen met betrekking tot zekerheids- en garantieverbintenissen of met betrekking tot promessen of betalingsopdrachten.</TXT></NP></ITEM></LIST><P>[...]</P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>5.</NO.P><TXT>De verrichting van bemiddelingsdiensten met betrekking tot transacties als bedoeld in [punt 1] (ongeacht of deze transactie is voltooid) door een persoon die handelt in de hoedanigheid van tussenpersoon.<QUOT.END REF.START="QS0005" CODE="201D" ID="QE0005"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0008"><NO.P>8.</NO.P><TXT>Toelichting (1A) bij Categorie 5 luidt als volgt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0006" REF.END="QE0006"/>Punt 1 ziet niet op diensten die strekken ter voorbereiding van de uitvoering van de onder dat punt vallende transacties.<QUOT.END REF.START="QS0006" CODE="201D" ID="QE0006"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">III.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Hoofdgeding en prejudiciële vragen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0009"><NO.P>9.</NO.P><TXT>DPAS, wat staat voor <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0007" REF.END="QE0007"/>Dental Plan Administration Services<QUOT.END REF.START="QS0007" CODE="201D" ID="QE0007"/>, stelt in het Verenigd Koninkrijk tandheelkundige zorgarrangementen op en voert deze arrangementen ook uit.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="3"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0010"><NO.P>10.</NO.P><TXT>DPAS biedt tandartsen tandheelkundige zorgarrangementen aan, die worden verkocht onder de naam van de tandartspraktijk, en beheert deze arrangementen voor patiënten van tandartsen. Bij de <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0008" REF.END="QE0008"/>tandheelkundige zorgarrangementen<QUOT.END REF.START="QS0008" CODE="201D" ID="QE0008"/> gaat het in casu om afspraken tussen een tandarts en zijn patiënt, waarbij de tandarts toezegt bepaalde tandheelkundige zorg te verstrekken en de patiënt in ruil daarvoor een bepaald maandelijks bedrag betaalt. In het kader van die arrangementen biedt DPAS ook enkele andere diensten aan, namelijk verzekeringen en diensten op het gebied van betalingsadministratie.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0011"><NO.P>11.</NO.P><TXT>DPAS zorgt voor de administratie, de financiële afwikkeling en verzekeringsaspecten van de zorgarrangementen. DPAS adviseert met name de tandartsen en hun personeel met betrekking tot het opstellen van het arrangement, en levert marketingmateriaal zoals brochures, folders en posters, registratieformulieren, briefpapier en notitieblokken en lidmaatschapskaarten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0012"><NO.P>12.</NO.P><TXT>Dankzij de tandheelkundige zorgarrangementen kunnen patiënten hun kosten voor tandheelkundige zorg gelijkmatig over het jaar verdelen. Patiënten betalen met dat doel een maandelijks bedrag aan DPAS, door middel van automatische incasso. De verwijzende rechter stelt dat deze vorm van automatische incasso feitelijk identiek is aan de wijze zoals beschreven in de punten 7 tot en met 11 van het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0003"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>. Op vragen van het Hof heeft deze rechter bevestigd dat de dienstverlening van DPAS <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0009" REF.END="QE0009"/>identiek of zeer gelijksoortig<QUOT.END REF.START="QS0009" CODE="201D" ID="QE0009"/> is aan de in dat arrest omschreven diensten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0013"><NO.P>13.</NO.P><TXT>Tot <DATE ISO="20120101">1 januari 2012</DATE> werden de tandheelkundige zorgarrangementen door DPAS vormgegeven als diensten aan tandartsen, waarbij de overeenkomsten ter uitvoering van de arrangementen werden gesloten tussen DPAS en de tandartsen. DPAS bracht bij iedere tandarts een vast tarief in rekening, in de overgrote meerderheid van de gevallen 366,66 GBP (ongeveer 415 EUR), en een vergoeding per patiënt van 0,94 GBP tot 2,90 GBP (ongeveer 1,06 tot 3,28 EUR). DPAS inde deze bedragen door deze af te trekken van de van patiënten per automatische incasso ontvangen bedragen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0014"><NO.P>14.</NO.P><TXT>In de praktijk verzocht DPAS de bank van de patiënt om, op basis van de machtiging tot automatische incasso, het overeengekomen bedrag over te maken van de bankrekening van de patiënt naar haar eigen bankrekening. DPAS vroeg vervolgens aan haar eigen bank om het totale verschuldigde bedrag over te maken naar de rekening van de tandarts, rekening houdend met de van de patiënten maandelijks automatisch geïncasseerde bedragen en na aftrek van het door DPAS voor haar diensten gefactureerde bedrag.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0015"><NO.P>15.</NO.P><TXT>Volgens de belastingdienst betroffen de door DPAS verrichte handelingen betalingen of overmakingen, die van btw zijn vrijgesteld krachtens artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn of de overeenkomstige bepaling van de Zesde richtlijn<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0004"><P>Artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van <DATE ISO="19770517">17 mei 1977</DATE> betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="145" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="1977">PB 1977, L 145, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0016"><NO.P>16.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> heeft het Hof het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0005"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> gewezen betreffende de vraag of de diensten van Denplan Ltd, een concurrent van DPAS die eveneens betaalplannen voor tandheelkundige zorg ten behoeve van tandartsen beheert, waren onderworpen aan btw. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat diensten als die welke door Denplan worden verricht, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0010" REF.END="QE0010"/>in beginsel<QUOT.END REF.START="QS0010" CODE="201D" ID="QE0010"/> handelingen betreffende betalingen waren, maar moesten worden aangemerkt als diensten betreffende inning van schuldvorderingen en als zodanig niet onder deze vrijstelling konden vallen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0017"><NO.P>17.</NO.P><TXT>Naar aanleiding van dat arrest heeft DPAS de contractuele aspecten van haar tandheelkundige zorgarrangementen vanaf <DATE ISO="20120101">1 januari 2012</DATE> anders gestructureerd, zodat de diensten niet alleen aan tandartsen maar ook aan patiënten werden verricht.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="4"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0018"><NO.P>18.</NO.P><TXT>In een brief van <DATE ISO="20110908">8 september 2011</DATE> aan de tandartsen die DPAS als klant had, werd deze herstructurering kort samengevat toegelicht als volgt:</TXT><P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P>de praktische gevolgen van het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0006"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> waren dat de door DPAS aan tandartsen verrichte diensten aan btw werden onderworpen, terwijl de belastingdienst deze voorheen had vrijgesteld. Dit zou de kosten met 20 % doen stijgen, door DPAS aan haar klanten doorberekend;</P></ITEM><ITEM><P>tot dan toe was in de tandheelkundige zorgarrangementen van DPAS enerzijds een overeenkomst tussen DPAS en de tandarts opgenomen, voor betaalplannen voor tandheelkundige zorg (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0011" REF.END="QE0011"/>dental payment plan services<QUOT.END REF.START="QS0011" CODE="201D" ID="QE0011"/>), en anderzijds een overeenkomst tussen DPAS en de patiënt voor aanvullende verzekeringsdekking;</P></ITEM><ITEM><P>de voorgestelde herstructurering bestond uit het in tweeën splitsen van de eerste overeenkomst, in een overeenkomst tussen DPAS en de tandarts betreffende tandheelkundige betaalplannen (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0012" REF.END="QE0012"/>dental payment plan services<QUOT.END REF.START="QS0012" CODE="201D" ID="QE0012"/>) en een overeenkomst tussen DPAS en de patiënt betreffende <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0013" REF.END="QE0013"/>voorzieningen<QUOT.END REF.START="QS0013" CODE="201D" ID="QE0013"/> voor die betaalplannen (<QUOT.START CODE="201E" ID="QS0014" REF.END="QE0014"/>dental payment plan facilities<QUOT.END REF.START="QS0014" CODE="201D" ID="QE0014"/>);</P></ITEM><ITEM><P>DPAS heeft hierbij aangegeven dat het tarief ongewijzigd zou blijven omdat zij de over de diensten aan de tandarts verschuldigde btw voor haar rekening zou nemen, terwijl de andere diensten vrijgesteld zouden blijven.</P></ITEM><ITEM><P>DPAS benadrukte dat de wijzigingen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0015" REF.END="QE0015"/>van zuiver administratieve aard<QUOT.END REF.START="QS0015" CODE="201D" ID="QE0015"/> waren en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0016" REF.END="QE0016"/>in feite niets aan de huidige regeling<QUOT.END REF.START="QS0016" CODE="201D" ID="QE0016"/> zouden veranderen.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0019"><NO.P>19.</NO.P><TXT>DPAS heeft aan de tandartsen eveneens een ontwerpbrief gezonden, gericht aan patiënten met een tandheelkundig zorgarrangement. In deze brief werd er nogmaals op gewezen dat de tandarts tot dan toe de administratieve kosten aan DPAS had betaald, door aftrek hiervan van de maandelijkse automatische incassobetalingen door de patiënten. Er werd in de brief voorgesteld dat een deel van het via automatische incasso aan DPAS te betalen maandbedrag voortaan door DPAS zou worden ingehouden in het kader van haar verplichting aan de patiënt om het tandheelkundige betaalplan, de aanvullende verzekeringspolis en de hulplijn voor spoedeisende tandheelkundige zorg te beheren. In de brief werd verder onderstreept dat het ging om <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0017" REF.END="QE0017"/>wijzigingen van zuiver administratieve aard, die niet van invloed zijn op de in het kader van het arrangement verleende zorg of op het totale bedrag van [de] maandelijkse betalingen<QUOT.END REF.START="QS0017" CODE="201D" ID="QE0017"/>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0020"><NO.P>20.</NO.P><TXT>De verwijzende rechter heeft vastgesteld dat DPAS in het kader van de nieuwe overeenkomsten diensten aan patiënten verleent. Bij deze overeenkomsten wordt een juridische relatie tussen de patiënt en DPAS gecreëerd, waarbij de patiënt ermee instemt dat een deel van elke maandelijkse betaling in het kader van het tandheelkundige zorgarrangement een vergoeding voor de diensten van DPAS aan de patiënt vormt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0021"><NO.P>21.</NO.P><TXT>Deze rechter is evenwel niet tot een conclusie gekomen over de vraag of de diensten van DPAS aan patiënten zijn vrijgesteld. Hij benadrukt dat voor het antwoord op deze vraag moet worden nagegaan of deze diensten handelingen betreffende betalingen of overmakingen zijn in de zin van artikel 135, lid l, onder d), van de btw-richtlijn en of het, in voorkomend geval, gaat om inning van schuldvorderingen. De verwijzende rechter is op dit punt van mening dat deze vragen in de arresten Bookit<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0007"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> en National Exhibition Centre<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0008"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> niet op voldoende duidelijke wijze zijn beantwoord.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="5"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0022"><NO.P>22.</NO.P><TXT>Daarom heeft de Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0018" REF.END="QE0018"/>1)</NO.P><TXT>Vormt een dienst als de door de belastingplichtige in [het hoofdgeding] verrichte dienst, die erin bestaat dat op grond van een machtiging tot automatische incasso ertoe opdracht wordt gegeven dat een bedrag via automatische incasso wordt afgeschreven van de bankrekening van de patiënt en door de belastingplichtige, na aftrek van een vergoeding waarop de belastingplichtige recht heeft, wordt overgemaakt aan de tandarts van de patiënt en een verzekeringsmaatschappij, een van btw vrijgestelde handeling betreffende betalingen of overmakingen in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn? Volgt, meer bepaald, uit de arresten [van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>)] dat de in artikel 135, lid 1, onder d), van [de btw-richtlijn] verleende btw-vrijstelling niet van toepassing is op een dienst als de in casu door de belastingplichtige verrichte dienst waarbij de belastingplichtige weliswaar niet zelf afschrijvingen van en bijschrijvingen op rekeningen onder zijn beheer uitvoert, maar die, voor zover geld wordt overgemaakt, wel van essentieel belang is voor die overmakingen? Of leidt het arrest [van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE>, <NAME.CASE>Axa UK</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>)] tot de tegenovergestelde conclusie?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Op grond van welke beginselen dient te worden bepaald of een dienst als de door de belastingplichtige in casu verrichte dienst al dan niet onder <QUOT.START CODE="201A" ID="QS0019" REF.END="QE0019"/>inning van schuldvorderingen<QUOT.END REF.START="QS0019" CODE="2019" ID="QE0019"/> valt in de zin artikel 135, lid 1, onder d) [van de btw-richtlijn]? Indien een dergelijke dienst (in overeenstemming met hetgeen het Hof in zijn arrest [van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE>, <NAME.CASE>Axa UK</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>)] met betrekking tot dezelfde of een sterk daarop gelijkende dienst heeft vastgesteld) moet worden aangemerkt als inning van schuldvorderingen indien hij wordt verricht ten behoeve van degene aan wie de betaling verschuldigd is (in casu de tandartsen, zoals in de [reeds aangehaalde] zaak), moet die dienst dan, meer bepaald, ook als inning van schuldvorderingen worden aangemerkt indien hij wordt verricht ten behoeve van degene door wie de betaling verschuldigd is (dat wil zeggen in casu de patiënten)?<QUOT.END REF.START="QS0018" CODE="201D" ID="QE0018"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">IV.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Procedure bij het Hof</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0023"><NO.P>23.</NO.P><TXT>Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op <DATE ISO="20170106">6 januari 2017</DATE> ter griffie van het Hof ingeschreven.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0024"><NO.P>24.</NO.P><TXT>De regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0025"><NO.P>25.</NO.P><TXT>Ter terechtzitting van <DATE ISO="20180124">24 januari 2018</DATE> hebben DPAS, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie pleidooi gehouden.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">V.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Analyse</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0026"><NO.P>26.</NO.P><TXT>Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 135, lid l, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een dienst als die welke DPAS ten behoeve van patiënten verricht in het hoofdgeding, valt onder de in die bepaling verleende vrijstelling voor <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0020" REF.END="QE0020"/>handelingen betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0020" CODE="201D" ID="QE0020"/>.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="6"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0027"><NO.P>27.</NO.P><TXT>Om deze vragen te beantwoorden, zal ik eerst aangeven welk criterium het Hof heeft ontwikkeld om <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0021" REF.END="QE0021"/>handelingen betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0021" CODE="201D" ID="QE0021"/> in de zin van artikel 135, lid l, onder d), van de btw-richtlijn te omschrijven. Mijns inziens blijkt uit de rechtspraak dat een dergelijke handeling de juridische en financiële wijzigingen met zich moet brengen die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom. Ik meen dat het op grond van dit criterium niet mogelijk is een dienst als in het hoofdgeding aan te merken als een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0022" REF.END="QE0022"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0022" CODE="201D" ID="QE0022"/> (deel A).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0028"><NO.P>28.</NO.P><TXT>Gelet op de vragen van de verwijzende rechter wens ik duidelijkheidshalve te benadrukken dat deze uitlegging volgens mij niet te verzoenen valt met de oplossing waarvoor het Hof in het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0009"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> heeft gekozen met betrekking tot de kwalificatie als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0023" REF.END="QE0023"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0023" CODE="201D" ID="QE0023"/> (deel B).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0029"><NO.P>29.</NO.P><TXT>Ten slotte zal ik verduidelijken dat de omstandigheid – waarvan sprake is in de tweede vraag – dat een dienst formeel gezien door de belastingplichtige (DPAS) wordt verricht ten behoeve van de schuldenaar (de patiënt) en niet van de schuldeiser van de betaling (de tandarts), na wijziging van de overeenkomsten tussen deze partijen, niet relevant is voor de toepassing van deze vrijstelling, aangezien de economische werkelijkheid van deze dienst ongewijzigd is gebleven (deel C).</TXT></NP.ECR><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">A.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Een dienst als in het hoofdgeding vormt geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0024" REF.END="QE0024"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0024" CODE="201D" ID="QE0024"/> in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn (eerste vraag)</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0030"><NO.P>30.</NO.P><TXT>Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 135, lid l, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een dienst als die welke door de belastingplichtige wordt verricht in het hoofdgeding, die erin bestaat dat de betrokken financiële instellingen wordt verzocht, ten eerste, op grond van een machtiging tot automatische incasso een geldsom over te dragen van de bankrekening van de patiënt naar die van de belastingplichtige en, ten tweede, deze geldsom vervolgens over te dragen van laatstbedoelde rekening, na aftrek van de aan de belastingplichtige verschuldigde vergoeding, naar de bankrekening van de tandarts respectievelijk de verzekeraar van de patiënt, een krachtens deze bepaling vrijgestelde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0025" REF.END="QE0025"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0025" CODE="201D" ID="QE0025"/> vormt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0031"><NO.P>31.</NO.P><TXT>Ik deel het standpunt van de regering van het Verenigd Koninkrijk en van de Commissie dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Met andere woorden, de dienst die DPAS ten behoeve van de patiënten verricht in de omstandigheden van het hoofdgeding, vormt geen krachtens voornoemde bepaling vrijgestelde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0026" REF.END="QE0026"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0026" CODE="201D" ID="QE0026"/>, en dit om de volgende redenen.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="7"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0032"><NO.P>32.</NO.P><TXT>Het Hof heeft, naar mijn weten, in het arrest SDC<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0010"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19970605">5 juni 1997</DATE> (<NO.CASE>C‑2/95</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1997:278">EU:C:1997:278</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0053">53</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>): <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0027" REF.END="QE0027"/>[De] overmaking is [...] een handeling die bestaat in de uitvoering van een opdracht tot overboeking van een geldsom van de ene bankrekening naar de andere. Kenmerkend voor deze verrichting is met name, dat zij een wijziging brengt in de rechtsbetrekking en de financiële relatie die bestaan tussen de opdrachtgever en de ontvanger enerzijds, en tussen hen en hun respectieve bank en eventueel tussen de banken anderzijds. Voorts bestaat de handeling die deze wijziging meebrengt, uitsluitend in de overboeking van geld van de ene naar de andere rekening, onafhankelijk van de oorzaak van deze overboeking. Aangezien de overmaking enkel een middel is om geld over te boeken, zijn de functionele factoren beslissend om uit te maken, of een handeling een overmaking in de zin van de Zesde richtlijn [vervangen door de btw-richtlijn] is.<QUOT.END REF.START="QS0027" CODE="201D" ID="QE0027"/></P></NOTE> het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0028" REF.END="QE0028"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0028" CODE="201D" ID="QE0028"/> in de context van het btw-stelsel voor het eerst gedefinieerd. Naar mijn mening volgt uit deze definitie dat het doorslaggevende criterium aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt of het gaat om een overmaking, ligt in de totstandbrenging van de juridische en financiële wijzigingen die kenmerkend zijn voor de <HT TYPE="ITALIC">overdracht van een geldsom</HT><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0011"><P>Dit criterium sluit trouwens aan bij de gebruikelijke definitie van het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0029" REF.END="QE0029"/>overmaking<QUOT.END REF.START="QS0029" CODE="201D" ID="QE0029"/> en bij de definitie van artikel 4, punt 24, van richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20151125">25 november 2015</DATE> betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="337" PAGE.FIRST="35" DATE.PUB="2015">PB 2015, L 337, blz. 35</REF.DOC.OJ>), waarin een overmaking wordt gedefinieerd als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0030" REF.END="QE0030"/>een betalingsdienst voor het crediteren van de betaalrekening van een begunstigde met een betalingstransactie of een reeks betalingstransacties van een betaalrekening van een betaler door de betalingsdienstaanbieder die de betaalrekening van de betaler beheert, op basis van een door de betaler gegeven instructie<QUOT.END REF.START="QS0030" CODE="201D" ID="QE0030"/>.</P></NOTE>.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0033"><NO.P>33.</NO.P><TXT>Weliswaar ziet deze definitie formeel op het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0031" REF.END="QE0031"/>overmaking<QUOT.END REF.START="QS0031" CODE="201D" ID="QE0031"/> en niet op het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0032" REF.END="QE0032"/>handeling betreffende overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0032" CODE="201D" ID="QE0032"/> in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0034"><NO.P>34.</NO.P><TXT>Aangaande dit laatste punt heeft het Hof gepreciseerd dat de bewoordingen van deze bepaling niet uitsluiten dat een overmaking uit verschillende afzonderlijke diensten kan bestaan, die dan <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0033" REF.END="QE0033"/>handelingen betreffende overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0033" CODE="201D" ID="QE0033"/> in de zin van die bepaling zijn. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de betrokken vrijstelling zich kan uitstrekken tot diensten die niet intrinsiek een overmaking zijn, kan deze vrijstelling enkel gelden voor handelingen die over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen, dat de kenmerkende en essentiële functies van die overmakingen vervult.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0012"><P>Arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0034">34</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en in die zin <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19970605">5 juni 1997</DATE>, <NAME.CASE>SDC</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑2/95</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1997:278">EU:C:1997:278</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0064">64</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0066">66</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0035"><NO.P>35.</NO.P><TXT>Met andere woorden, een complex geheel van diensten kan slechts als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0034" REF.END="QE0034"/>handeling betreffende overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0034" CODE="201D" ID="QE0034"/> worden aangemerkt wanneer het de juridische en financiële wijzigingen met zich brengt die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0036"><NO.P>36.</NO.P><TXT>Afgezien van de opmerkelijke uitzondering van het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0013"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, dat ik hieronder in deel B zal bespreken, heeft het Hof bij het bepalen of er sprake is van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0035" REF.END="QE0035"/>handelingen betreffende overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0035" CODE="201D" ID="QE0035"/> in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0014"><P>Arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19970605">5 juni 1997</DATE>, <NAME.CASE>SDC</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑2/95</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1997:278">EU:C:1997:278</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0053">53</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20110728">28 juli 2011</DATE>, <NAME.CASE>Nordea Pankki Suomi</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑350/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:532">EU:C:2011:532</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0025">25</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140313">13 maart 2014</DATE>, <NAME.CASE>ATP PensionService</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑464/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:139">EU:C:2014:139</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0079">79</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0033">33</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, altijd het criterium van de overdracht van een geldsom gehanteerd. Meer in algemene zin heeft het Hof onderstreept dat de in deze bepaling bedoelde handelingen betrekking hebben op diensten of instrumenten waarvan een geldoverdracht onderdeel is.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0015"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20151022">22 oktober 2015</DATE>, <NAME.CASE>Hedqvist</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑264/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:718">EU:C:2015:718</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0040">40</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en in die zin <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140612">12 juni 2014</DATE>, <NAME.CASE>Granton Advertising</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑461/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:1745">EU:C:2014:1745</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0037"><NO.P>37.</NO.P><TXT>Voorts heeft het Hof in verschillende arresten gepreciseerd dat overwegingen met betrekking tot handelingen betreffende overmakingen ook gelden voor handelingen betreffende betalingen. Met andere woorden, beide begrippen worden met het oog op toepassing van de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0016"><P>Zie arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19970605">5 juni 1997</DATE>, <NAME.CASE>SDC</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑2/95</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1997:278">EU:C:1997:278</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0050">50</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20110728">28 juli 2011</DATE>, <NAME.CASE>Nordea Pankki Suomi</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑350/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:532">EU:C:2011:532</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0026">26</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0043">43</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> op voet van gelijkheid behandeld. Deze behandeling op voet van gelijkheid lijkt me niet voor kritiek vatbaar, aangezien een overmaking in de praktijk een<?PAGE NO="8"?> van de wijzen van uitvoering van een betaling is. Volgens mij is deze behandeling op voet van gelijkheid zelfs geboden door het beginsel van fiscale neutraliteit, dat zich ertegen verzet dat vergelijkbare diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de btw verschillend worden behandeld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0017"><P>Zie met name het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101202">2 december 2010</DATE>, <NAME.CASE>Everything Everywhere</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑276/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:730">EU:C:2010:730</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0031">31</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0038"><NO.P>38.</NO.P><TXT>Ik benadruk dat de omstandigheid dat DPAS geen financiële instelling is, niet volstaat om de door haar verrichte diensten uit te sluiten van de werkingssfeer van de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn. Volgens vaste rechtspraak worden de handelingen waarvoor die vrijstelling wordt verleend, bepaald aan de hand van de aard van de verrichte diensten en niet aan de hand van de verrichter of ontvanger van de dienst.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0018"><P>Zie met name de arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19970605">5 juni 1997</DATE>, <NAME.CASE>SDC</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑2/95</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1997:278">EU:C:1997:278</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0032">32</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20030626">26 juni 2003</DATE>, <NAME.CASE>MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑305/01</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2003:377">EU:C:2003:377</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0064">64</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140313">13 maart 2014</DATE>, <NAME.CASE>ATP PensionService</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑464/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:139">EU:C:2014:139</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0078">78</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20151022">22 oktober 2015</DATE>, <NAME.CASE>Hedqvist</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑264/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:718">EU:C:2015:718</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0031">31</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Zo heeft het Hof met name geoordeeld dat deze vrijstelling gold voor bepaalde diensten die een niet-financiële instelling verricht ten behoeve van pensioenfondsen, met name het beheer van de individuele accounts van werknemers en de door werkgevers gestorte bijdragen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0019"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140313">13 maart 2014</DATE>, <NAME.CASE>ATP PensionService</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑464/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:139">EU:C:2014:139</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0077">77</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0085">85</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Het Hof heeft verklaard dat handelingen die de rechten van de leden jegens de pensioenfondsen materialiseren doordat de schuldvordering van de werknemer jegens zijn werkgever wordt omgezet in een schuldvordering jegens het pensioenfonds waaronder hij valt, <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0036" REF.END="QE0036"/>handelingen betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0036" CODE="201D" ID="QE0036"/> zijn (punt 82 van datzelfde arrest).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0039"><NO.P>39.</NO.P><TXT>Niettemin volgt uit het bovenstaande dat de in voornoemde bepaling verleende vrijstelling <HT TYPE="ITALIC">niet geldt</HT> voor een eenvoudige dienst van materiële, technische of administratieve aard die niet de juridische en financiële wijzigingen meebrengt die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0020"><P>Zie in die zin arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19970605">5 juni 1997</DATE>, <NAME.CASE>SDC</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑2/95</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1997:278">EU:C:1997:278</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0066">66</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20011213">13 december 2001</DATE>, <NAME.CASE>CSC Financial Services</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑235/00</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2001:696">EU:C:2001:696</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0026">26</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0028">28</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20110728">28 juli 2011</DATE>, <NAME.CASE>Nordea Pankki Suomi</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑350/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:532">EU:C:2011:532</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0024">24</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0028">28</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140313">13 maart 2014</DATE>, <NAME.CASE>ATP PensionService</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑464/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:139">EU:C:2014:139</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0079">79</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0040">40</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0051">51</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0035">35</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0046">46</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0040"><NO.P>40.</NO.P><TXT>Diensten als die welke DPAS verricht in de omstandigheden van het hoofdgeding, vallen mijns inziens precies onder deze categorie van <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0037" REF.END="QE0037"/>eenvoudige materiële, technische of administratieve diensten<QUOT.END REF.START="QS0037" CODE="201D" ID="QE0037"/> die aan btw onderworpen blijven.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0041"><NO.P>41.</NO.P><TXT>Volgens de beschrijving die de verwijzende rechter in de eerste vraag van de in het hoofdgeding verrichte dienst heeft gegeven, bestaat deze dienst erin dat DPAS een financiële instelling op grond van een machtiging tot automatische incasso verzoekt om een geldsom van de bankrekening van de patiënt af te schrijven en over te maken aan DPAS, die vervolgens haar bank vraagt om deze geldsom, na aftrek van de aan haar verschuldigde vergoeding, over te maken aan de tandarts en de verzekeraar van de patiënt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0042"><NO.P>42.</NO.P><TXT>Ik wijs erop dat, aangezien de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn strikt dient te worden uitgelegd, op basis van de omstandigheid dat de door DPAS verrichte dienst onontbeerlijk is voor de overmaking of de betaling doordat deze dienst de wil van de patiënt om het bedrag van zijn rekening af te schrijven materialiseert, deze dienst niet kan worden gelijkgesteld met een krachtens deze bepaling vrijgestelde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0038" REF.END="QE0038"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0038" CODE="201D" ID="QE0038"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0021"><P>Arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19970605">5 juni 1997</DATE>, <NAME.CASE>SDC</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑2/95</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1997:278">EU:C:1997:278</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0065">65</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20011213">13 december 2001</DATE>, <NAME.CASE>CSC Financial Services</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑235/00</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2001:696">EU:C:2001:696</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0032">32</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20110728">28 juli 2011</DATE>, <NAME.CASE>Nordea Pankki Suomi</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑350/10</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:532">EU:C:2011:532</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0031">31</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0045">45</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0040">40</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0043"><NO.P>43.</NO.P><TXT>Deze dienst brengt als zodanig niet de juridische en financiële wijzigingen mee die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom in de zin van de hierboven aangehaalde rechtspraak.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="9"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0044"><NO.P>44.</NO.P><TXT>Bij deze dienstverrichting draagt DPAS immers niet zelf de geldsommen over die zijn overeengekomen in de tandheelkundige zorgarrangementen waarom het gaat in het hoofdgeding<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0022"><P>De omstandigheden van het hoofdgeding moeten dus worden onderscheiden van die in de zaak die heeft geleid tot het arrest <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>ATP PensionService</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑464/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:139">EU:C:2014:139</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>). Zie voetnoot 19 bij deze conclusie.</P></NOTE>, maar DPAS verzoekt de betrokken financiële instellingen dat te doen. DPAS handelt dus in een eerder stadium, voordat deze instellingen de overmakingen uitvoeren, waarbij laatstbedoelde handelingen wel onder de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn vallen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0045"><NO.P>45.</NO.P><TXT>Op vergelijkbare wijze voert een patiënt die opdracht geeft tot overmaking van geld aan zijn tandarts, niet zelf de overdracht van de overeengekomen geldsom uit, maar verzoekt hij zijn bank dat te doen. De omstandigheid dat DPAS de bevoegdheid heeft om namens en voor rekening van de patiënt om overdracht van een geldsom te verzoeken bij diens bank, kan niet tot gevolg hebben dat deze voorbereidende stap een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0039" REF.END="QE0039"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0039" CODE="201D" ID="QE0039"/> wordt in de zin van voornoemde bepaling.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0046"><NO.P>46.</NO.P><TXT>Met andere woorden, na herstructurering van de contracten waartoe DPAS het initiatief heeft genomen, verricht DPAS administratieve beheersdiensten waarvan de patiënten formeel gezien de ontvangers zijn, en het zijn de betrokken financiële instellingen die de financiële handelingen verrichten die onder de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn vallen. Dat de door DPAS verrichte diensten administratieve diensten zijn, wordt mijns inziens bevestigd door de inhoud van de brief die naar aanleiding van de contractuele herstructurering van de betaalplannen voor tandheelkundige zorg is verstuurd aan de patiënten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0023"><P>Uit deze brief, die de verwijzende rechter heeft aangehaald en waaruit hierna enkele uittreksels volgen, blijkt immers dat DPAS administratieve beheersdiensten verricht: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0040" REF.END="QE0040"/>[Op] grond van uw machtiging [worden] maandelijkse bijdragen van uw rekening afgeschreven door [DPAS], dat uw tandheelkundig zorgarrangement <HT TYPE="ITALIC">heeft opgezet en beheert</HT>. Hoewel er in het verleden uiteraard sprake was van contractuele betrekkingen tussen DPAS en u, hebben wij als tandartspraktijk van de van uw rekening afgeschreven bedragen een <HT TYPE="ITALIC">administratievergoeding</HT> aan DPAS betaald. Het voorstel is dat [...] voortaan een deel van het totale maandelijkse bedrag dat u via automatische afschrijving aan DPAS betaalt, door DPAS wordt ingehouden voor <HT TYPE="ITALIC">het beheer en de administratieve verwerking</HT> van de door u voor het zorgarrangement betaalde bijdragen en voor het beheer en de organisatie van uw aanvullende verzekering en de hulplijn voor noodgevallen<QUOT.END REF.START="QS0040" CODE="201D" ID="QE0040"/> (cursivering van mij). Zie ook de punten 17‑19 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0047"><NO.P>47.</NO.P><TXT>Deze uitlegging vindt mijns inziens steun in de arresten Bookit<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0024"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> en National Exhibition Centre<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0025"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, die zijn gewezen na het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0026"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> en betrekking hadden op diensten die een nauwere band met handelingen betreffende overmakingen vertoonden dan de diensten waarom het gaat in laatstgenoemd arrest en in het hoofdgeding.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0048"><NO.P>48.</NO.P><TXT>De dienst bestaande in de verwerking van kaartbetalingen, waarover het ging in die arresten, hield immers met name de overdracht van een afwikkelingsbestand door de dienstverrichter aan zijn merchant acquirer aan het einde van de dag in, waardoor het proces van betaling of overmaking van de betrokken bedragen van de emittenten naar de merchant acquirer en uiteindelijk naar de rekening van die dienstverrichter in gang werd gezet, en enkel die betalingen of overmakingen daadwerkelijk werden uitgevoerd waarvoor de benodigde gegevens in dat bestand waren opgenomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0027"><P>Arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0044">44</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0049"><NO.P>49.</NO.P><TXT>Het Hof heeft geoordeeld dat een dergelijke dienst niet kan worden aangemerkt als een krachtens artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn vrijgestelde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0041" REF.END="QE0041"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0041" CODE="201D" ID="QE0041"/>, aangezien hij als zodanig niet de juridische en financiële wijzigingen meebrengt die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0028"><P>Zie in die zin de arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0045">45</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0051">51</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0040">40</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0046">46</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="10"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0050"><NO.P>50.</NO.P><TXT>Het Hof heeft terecht gepreciseerd dat deze dienst in wezen erin bestond gegevens uit te wisselen tussen een handelaar en zijn merchant acquirer met het oog op de ontvangst van de betaling van een te koop aangeboden goed of een dienst, en daarom geen financiële handeling was die onder voornoemde vrijstelling kon vallen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0029"><P>Zie in die zin de arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0053">53</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0056">56</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0051">51</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0051"><NO.P>51.</NO.P><TXT>Ik zie niet in waarom deze redenering niet zou kunnen worden uitgebreid tot de dienstverrichting die in het hoofdgeding aan de orde is. Deze dienst vormt, net als de diensten waarover het ging in de twee voornoemde arresten, immers slechts een voorbereidende stap van de onder deze vrijstelling vallende handeling betreffende een betaling of een overmaking en moet daarom aan de btw onderworpen blijven.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0052"><NO.P>52.</NO.P><TXT>Deze conclusie is bovendien in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn. Ten eerste zijn volgens vaste rechtspraak de krachtens artikel 135, lid 1, onder d) tot en met f), van deze richtlijn vrijgestelde handelingen naar hun aard financiële handelingen, hoewel ze niet noodzakelijkerwijs door een bank of financiële instelling hoeven te worden verricht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0030"><P>Arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20070419">19 april 2007</DATE>, <NAME.CASE>Velvet &amp; Steel Immobilien</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑455/05</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:232">EU:C:2007:232</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0022">22</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20091022">22 oktober 2009</DATE>, <NAME.CASE>Swiss Re Germany Holding</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑242/08</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:647">EU:C:2009:647</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0046">46</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140612">12 juni 2014</DATE>, <NAME.CASE>Granton Advertising</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑461/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:1745">EU:C:2014:1745</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0029">29</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140313">13 maart 2014</DATE>, <NAME.CASE>ATP PensionService</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑464/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:139">EU:C:2014:139</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0078">78</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20151022">22 oktober 2015</DATE>, <NAME.CASE>Hedqvist</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑264/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:718">EU:C:2015:718</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0031">31</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0053"><NO.P>53.</NO.P><TXT>Diensten als die waarover het gaat in het hoofdgeding, zijn administratieve diensten, zoals ik hierboven heb uiteengezet. Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk terecht heeft opgemerkt, worden betalingen via automatische incasso of creditcard thans door een groot aantal handelaren geaccepteerd. Het beheer van de administratieve aspecten van deze betaalwijzen kan in mijn ogen niet worden behandeld als een krachtens de voornoemde bepalingen vrijgestelde financiële handeling.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0054"><NO.P>54.</NO.P><TXT>Ten tweede zijn, nog steeds volgens vaste rechtspraak, de voornoemde vrijstellingen met name gericht op het verhelpen van de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0031"><P>Arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20070419">19 april 2007</DATE>, <NAME.CASE>Velvet &amp; Steel Immobilien</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑455/05</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:232">EU:C:2007:232</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0024">24</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20110310">10 maart 2011</DATE>, <NAME.CASE>Skandinaviska Enskilda Banken</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑540/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:137">EU:C:2011:137</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0021">21</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140612">12 juni 2014</DATE>, <NAME.CASE>Granton Advertising</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑461/12</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:1745">EU:C:2014:1745</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0030">30</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20151022">22 oktober 2015</DATE>, <NAME.CASE>Hedqvist</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑264/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:718">EU:C:2015:718</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>Bookit</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0055">55</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE>, <NAME.CASE>National Exhibition Centre</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑130/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0050">50</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> In dit verband blijkt uit de toelichting van de verwijzende rechter dat de door DPAS voor haar diensten geïnde vergoeding gelijk is aan het verschil tussen de van patiënten geïnde bedragen en de door DPAS aan tandartsen en verzekeraars doorbetaalde bedragen. De vaststelling van de maatstaf van heffing vormt derhalve geen bijzondere moeilijkheid, zodat deze handeling niet onder de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn valt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0055"><NO.P>55.</NO.P><TXT>Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de eerste vraag te beantwoorden als volgt. Artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat een dienst als die welke de belastingplichtige in het hoofdgeding verricht, die erin bestaat dat de betrokken financiële instellingen wordt verzocht om op grond van een machtiging tot automatische incasso een geldsom over te dragen van de bankrekening van de patiënt naar die van de belastingplichtige en om vervolgens die geldsom, na aftrek van de aan de belastingplichtige verschuldigde vergoeding, over te dragen naar de bankrekening van de tandarts respectievelijk de verzekeraar van de patiënt, geen krachtens deze bepaling vrijgestelde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0042" REF.END="QE0042"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0042" CODE="201D" ID="QE0042"/> vormt, aangezien hij als zodanig niet de juridische en financiële wijzigingen meebrengt die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="11"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">B.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">De kwalificatie als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0043" REF.END="QE0043"/>handelingen betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0043" CODE="201D" ID="QE0043"/> in het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE>, <NAME.CASE>Axa UK</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>)</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0056"><NO.P>56.</NO.P><TXT>Om de vragen van de verwijzende rechter volledig te beantwoorden, moet ik nog ingaan op de oplossing waarvoor het Hof in het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0032"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> heeft gekozen met betrekking tot de kwalificatie als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0044" REF.END="QE0044"/>handelingen betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0044" CODE="201D" ID="QE0044"/>. Een oplettende lezer zal uit het voorgaande reeds hebben afgeleid dat deze oplossing mijns inziens nauwelijks te verzoenen valt met de rechtspraak die zowel vóór als na dat arrest is gewezen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0057"><NO.P>57.</NO.P><TXT>In dit verband blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit de toelichting van de verwijzende rechter in antwoord op het verzoek van het Hof dat de door DPAS verrichte diensten waarover het gaat in het hoofdgeding <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0045" REF.END="QE0045"/>identiek of zeer gelijksoortig<QUOT.END REF.START="QS0045" CODE="201D" ID="QE0045"/> zijn aan die van Denplan, zoals beschreven in de punten 7 tot en met 11 van laatstgenoemd arrest<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0033"><P>Zie punt 12 van deze conclusie.</P></NOTE>. Ik zie geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze feitelijke vaststelling, die behoort tot de bevoegdheid van de nationale rechter. Ik benadruk dat DPAS deze gelijkheid of grote gelijksoortigheid tenminste impliciet heeft erkend, aangezien zij de overeenkomsten betreffende haar dienstverlening heeft geherstructureerd teneinde de gevolgen van dat arrest uit de weg te gaan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0034"><P>Zie de punten 16‑19 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0058"><NO.P>58.</NO.P><TXT>In deel A heb ik erop gewezen dat een dienst als die welke DPAS in het hoofdgeding verricht, geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0046" REF.END="QE0046"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0046" CODE="201D" ID="QE0046"/> vormt, omdat hij als zodanig niet de juridische en financiële wijzigingen meebrengt die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0059"><NO.P>59.</NO.P><TXT>In punt 28 van het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0035"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> heeft het Hof echter geoordeeld dat een dienst als die van Denplan <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0047" REF.END="QE0047"/>in beginsel<QUOT.END REF.START="QS0047" CODE="201D" ID="QE0047"/> een krachtens artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn vrijgestelde handeling betreffende betalingen was. Niettemin heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat een dergelijke dienst moest worden aangemerkt als inning van schuldvorderingen en derhalve aan de btw onderworpen was.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0060"><NO.P>60.</NO.P><TXT>Hiermee heeft het Hof niet onderzocht of de dienstverlening van Denplan voldeed aan het in vroegere rechtspraak vastgestelde criterium voor het bepalen wat een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0048" REF.END="QE0048"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0048" CODE="201D" ID="QE0048"/> is, namelijk de totstandbrenging van de juridische en financiële wijzigingen die kenmerkend zijn voor de <HT TYPE="ITALIC">overdracht van een geldsom</HT>. Het lijdt mijns inziens nauwelijks twijfel dat een dergelijke dienst, net als die van DPAS in het hoofdgeding, niet aan dit criterium voldoet.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0061"><NO.P>61.</NO.P><TXT>De door het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0036"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> opgeworpen vraag is derhalve of het Hof het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0049" REF.END="QE0049"/>handelingen betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0049" CODE="201D" ID="QE0049"/> zodanig heeft willen uitbreiden dat daaronder ook handelingen vallen die als zodanig geen overdracht van een geldsom met zich brengen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0062"><NO.P>62.</NO.P><TXT>Ik denk niet dat dit de bedoeling van het Hof is geweest, en wel om de volgende redenen. Allereerst heeft het Hof niet de intentie uitgesproken om in het aangehaalde arrest een dergelijke omslag in zijn rechtspraak te maken, maar het heeft slechts summier opgemerkt dat de betrokken dienst <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0050" REF.END="QE0050"/>in beginsel<QUOT.END REF.START="QS0050" CODE="201D" ID="QE0050"/> een vrijgestelde handeling betreffende betalingen vormde, tenzij het ging om inning van schuldvorderingen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0037"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE>, <NAME.CASE>Axa UK</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0028">28</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0063"><NO.P>63.</NO.P><TXT>Vervolgens heeft het Hof geen nieuw criterium vastgesteld waarmee het begrip <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0051" REF.END="QE0051"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0051" CODE="201D" ID="QE0051"/> kan worden afgebakend.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="12"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0064"><NO.P>64.</NO.P><TXT>Tot slot heeft het Hof zijn klassieke rechtspraak, gegrond op het criterium van overdracht van een geldsom, bevestigd in de arresten Bookit<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0038"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE> (<NO.CASE>C‑607/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:355">EU:C:2016:355</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> en National Exhibition Centre<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0039"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160526">26 mei 2016</DATE> (<NAME.CASE>C‑130/15</NAME.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:357">EU:C:2016:357</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, die zijn gewezen na het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0040"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>. Zoals ik in deel A heb benadrukt<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0041"><P>Zie de punten 47‑51 van deze conclusie.</P></NOTE>, zijn deze twee arresten des te relevanter omdat ze mijns inziens betrekking hebben op diensten die een nauwere band met handelingen betreffende overmakingen vertonen dan de diensten waarover het gaat in het laatstgenoemde arrest en in het hoofdgeding.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0065"><NO.P>65.</NO.P><TXT>Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de oplossing waarvoor is gekozen in het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0042"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, niet toe te passen op de onderhavige zaak en derhalve te oordelen dat een dienst als die in het hoofdgeding geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0052" REF.END="QE0052"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0052" CODE="201D" ID="QE0052"/> in de zin van artikel 135, lid l, onder d), van de btw-richtlijn vormt.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">C.</HT></HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Irrelevantie van de identiteit van de formele ontvanger van de dienst voor de toepassing van artikel 135, lid l, onder d), van de btw-richtlijn (tweede vraag)</HT></HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0066"><NO.P>66.</NO.P><TXT>Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de dienstverlening in het hoofdgeding <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0053" REF.END="QE0053"/>inning van schuldvorderingen<QUOT.END REF.START="QS0053" CODE="201D" ID="QE0053"/> inhoudt in de zin van artikel 135, lid l, onder d), van de btw-richtlijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0067"><NO.P>67.</NO.P><TXT>Naar mijn opvatting hoeft deze vraag niet te worden beantwoord, gelet op mijn voorstel van antwoord op de eerste vraag. Beantwoording van de tweede vraag is immers slechts nodig indien de betrokken dienst, als zijnde een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0054" REF.END="QE0054"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0054" CODE="201D" ID="QE0054"/>, in beginsel binnen de werkingssfeer van de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn valt. In dat geval rijst alsdan de vraag of deze dienst onder de uitzondering van inning van schuldvorderingen valt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0068"><NO.P>68.</NO.P><TXT>Aangezien ik het Hof in overweging geef te antwoorden dat de dienst waarover het gaat in het hoofdgeding geen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0055" REF.END="QE0055"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0055" CODE="201D" ID="QE0055"/> vormt, behoeft niet langer de draagwijdte van de uitzondering op deze vrijstelling te worden onderzocht. Doordat het antwoord dat ik voorstel op de eerste vraag impliceert dat deze dienst aan de btw is onderworpen, rijst praktisch gezien niet langer de vraag of deze dienst, als inning van schuldvorderingen, aan de btw onderworpen is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0069"><NO.P>69.</NO.P><TXT>Niettemin wens ik nog toe te lichten wat de relevantie, voor de toepassing van voornoemde vrijstelling, is van de omstandigheid waarvan sprake is in de tweede vraag, namelijk dat de dienst in het hoofdgeding formeel wordt verricht door de belastingplichtige (DPAS) ten behoeve van de schuldenaar van de betaling (de patiënt) en niet ten behoeve van de schuldeiser van deze betaling (de tandarts) na de wijziging van de overeenkomsten tussen deze partijen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0070"><NO.P>70.</NO.P><TXT>In dit verband herinner ik eraan dat volgens vaste rechtspraak de inaanmerkingneming van de economische realiteit een fundamenteel criterium is voor de toepassing van het gemeenschappelijke btw-stelsel.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0043"><P>Arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19970220">20 februari 1997</DATE>, <NAME.CASE>DFDS</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑260/95</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1997:77">EU:C:1997:77</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0023">23</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20070628">28 juni 2007</DATE>, <NAME.CASE>Planzer Luxembourg</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑73/06</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:397">EU:C:2007:397</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0043">43</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101007">7 oktober 2010</DATE>, <NAME.CASE>Loyalty Management UK en Baxi Group</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑53/09 en C‑55/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:590">EU:C:2010:590</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0039">39</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20130620">20 juni 2013</DATE>, <NAME.CASE>Newey</NAME.CASE>, (<NO.CASE>C‑653/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:409">EU:C:2013:409</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Het Hof heeft dienaangaande uitdrukkelijk de mogelijkheid erkend dat contractuele bepalingen niet de economische werkelijkheid van de verrichte diensten weergeven waarop de toepassing van het btw-stelsel moet berusten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0044"><P>Zie met name het arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20130620">20 juni 2013</DATE>, <NAME.CASE>Newey</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑653/11</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:409">EU:C:2013:409</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0044">44</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP.ECR><?PAGE NO="13"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0071"><NO.P>71.</NO.P><TXT>Uit het feitenrelaas van de verwijzende rechter blijkt echter dat DPAS de overeenkomsten betreffende betaalplannen voor tandheelkundige zorg heeft geherstructureerd om naast de tandarts ook de patiënt aan te wijzen als ontvanger van deze diensten. Het expliciete doel van deze herstructurering was te voorkomen dat het deel van de aan patiënten verrichte diensten als <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0056" REF.END="QE0056"/>inning van schuldvorderingen<QUOT.END REF.START="QS0056" CODE="201D" ID="QE0056"/> zou worden aangemerkt naar aanleiding van het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0045"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, zodat dit deel van btw vrijgesteld zou blijven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0046"><P>Zie de punten 16‑19 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0072"><NO.P>72.</NO.P><TXT>Bij deze herstructurering heeft DPAS zowel aan de tandartsen als aan de patiënten meegedeeld dat de economische realiteit van haar dienstverlening ongewijzigd zou blijven omdat de wijzigingen <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0057" REF.END="QE0057"/>van zuiver administratieve aard<QUOT.END REF.START="QS0057" CODE="201D" ID="QE0057"/> waren en <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0058" REF.END="QE0058"/>in feite niets aan de huidige regeling<QUOT.END REF.START="QS0058" CODE="201D" ID="QE0058"/> zouden veranderen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0047"><P>Zie de punten 18 en 19 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0073"><NO.P>73.</NO.P><TXT>In dergelijke omstandigheden is deze herstructurering van de overeenkomsten, teneinde naast de tandarts ook de patiënt aan te wijzen als ontvanger van deze diensten, niet relevant voor de toepassing van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn. Deze conclusie vloeit voort uit de verplichting om de toepassing van het btw-stelsel te baseren op de economische realiteit van de betrokken diensten, in de zin van de aangehaalde rechtspraak.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0074"><NO.P>74.</NO.P><TXT>Deze zienswijze lijkt mij ook te zijn ingegeven door artikel 131 van de btw-richtlijn, dat bepaalt dat de in onder meer artikel 135, lid 1, onder d), van de richtlijn geregelde vrijstellingen van toepassing zijn <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0059" REF.END="QE0059"/>onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen<QUOT.END REF.START="QS0059" CODE="201D" ID="QE0059"/>. Het lijkt mij in dit verband niet nodig om te verwijzen naar de leer van rechtsmisbruik, die op btw-gebied nochtans tot de vaste rechtspraak behoort<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0048"><P>Zie met name arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20060221">21 februari 2006</DATE>, <NAME.CASE>Halifax e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑255/02</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:121">EU:C:2006:121</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0074">74</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0075">75</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>); <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20151217">17 december 2015</DATE>, <NAME.CASE>WebMindLicenses</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑419/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:832">EU:C:2015:832</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0035">35</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20171122">22 november 2017</DATE>, <NAME.CASE>Cussens e.a.</NAME.CASE> (<NO.CASE>C‑251/16</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:881">EU:C:2017:881</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, aangezien de verplichting om zich te baseren op de economische realiteit van de betrokken handelingen een uitkomst biedt voor het in de tweede vraag aan de orde gestelde probleem.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0075"><NO.P>75.</NO.P><TXT>Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging deze vraag als volgt te beantwoorden. Artikel 135, lid l, onder d), van de btw-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat de dienst in het hoofdgeding formeel gezien wordt verricht door de belastingplichtige ten behoeve van de schuldenaar (de patiënt) en niet ten behoeve van de schuldeiser van de betaling (de tandarts), na wijziging van de overeenkomsten tussen deze partijen, niet relevant is voor de toepassing van de in deze bepaling voorziene vrijstelling, omdat de economische realiteit van deze dienst ongewijzigd is gebleven.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0076"><NO.P>76.</NO.P><TXT>Hierbij wens ik te verduidelijken dat dit antwoord eveneens relevant is mocht het Hof de oplossing van het arrest Axa UK<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0049"><P>Arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20101028">28 oktober 2010</DATE> (<NO.CASE>C‑175/09</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:646">EU:C:2010:646</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> op de onderhavige zaak willen toepassen, anders dan ik in deel A en B heb voorgesteld. Mocht het Hof oordelen dat een dienst als in het hoofdgeding moet worden aangemerkt als (aan de btw onderworpen) <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0060" REF.END="QE0060"/>inning van schuldvorderingen<QUOT.END REF.START="QS0060" CODE="201D" ID="QE0060"/>, dan maakt het in mijn ogen voor de toepassing van die kwalificatie geen verschil dat in de overeenkomsten in het hoofdgeding de tandarts dan wel de patiënt als formele ontvanger van deze dienst is aangewezen. De verplichting om zich voor de toepassing van de btw te baseren op de economische realiteit van de handelingen verzet zich immers in dat geval ook ertegen dat een eenvoudige contractuele rolverwisseling de kwalificatie van een dienst kan veranderen terwijl de economische realiteit ervan ongewijzigd blijft.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0050"><P>Zie punt 72 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="14"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">VI.</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Conclusie</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0077"><NO.P>77.</NO.P><TXT>Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging als volgt te antwoorden op de prejudiciële vragen van het Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (rechter in tweede aanleg in belastingzaken, Verenigd Koninkrijk):</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0061" REF.END="QE0061"/>1)</NO.P><TXT>Artikel 135, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van <DATE ISO="20061128">28 november 2006</DATE> betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat een dienst als die welke de belastingplichtige in het hoofdgeding verricht, die erin bestaat dat de betrokken financiële instellingen wordt verzocht om op grond van een machtiging tot automatische incasso een geldsom over te dragen van de bankrekening van de patiënt naar die van de belastingplichtige en om vervolgens die geldsom, na aftrek van de aan belastingplichtige verschuldigde vergoeding, over te dragen naar de bankrekening van de tandarts respectievelijk de verzekeraar van de patiënt, geen krachtens deze bepaling vrijgestelde <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0062" REF.END="QE0062"/>handeling betreffende betalingen of overmakingen<QUOT.END REF.START="QS0062" CODE="201D" ID="QE0062"/> vormt, aangezien hij als zodanig niet de juridische en financiële wijzigingen meebrengt die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Artikel 135, lid l, onder d), van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat de dienst in het hoofdgeding formeel gezien wordt verricht door de belastingplichtige ten behoeve van de schuldenaar (de patiënt) en niet ten behoeve van de schuldeiser van de betaling (de tandarts), na wijziging van de overeenkomsten tussen deze partijen, niet relevant is voor de toepassing van de in deze bepaling voorziene vrijstelling, omdat de economische realiteit van deze dienst ongewijzigd is gebleven.<QUOT.END REF.START="QS0061" CODE="201D" ID="QE0061"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>