CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. SPIELMANN
van 1 augustus 2025 ( 1 )
Zaak C‑481/24
E. sp.j.
tegen
C. sp. z o.o.
[verzoek van de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2011/7/EU – Bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties – Werkingssfeer – Artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a) – Artikel 6, leden 1 en 2 – Nationale regeling die voorziet in verrekening met terugwerkende kracht”
Inleiding
|
1. |
Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing wenst de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) te vernemen hoe artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/7/EU betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties moeten worden uitgelegd. ( 2 ) |
|
2. |
Meer in het bijzonder verzoekt de verwijzende rechter het Hof om zich in zijn te wijzen arrest uit te spreken over de vraag of de terugwerkende kracht die de Poolse wettelijke regeling aan de verrekening van schuldvorderingen toekent, verenigbaar is met richtlijn 2011/7. Deze vraag biedt het Hof de mogelijkheid om een niet onbelangrijke verduidelijking te geven van de werkingssfeer van deze richtlijn, en ligt bijzonder gevoelig gelet op het feit dat verrekening met terugwerkende kracht stevig verankerd is in de rechtstradities van verschillende lidstaten van de Unie. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
|
3. |
Artikel 1 van richtlijn 2011/7 („Voorwerp en toepassingsgebied”) luidt: „1. Deze richtlijn heeft ten doel betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen [...] te versterken. 2. Deze richtlijn is van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties. [...]” |
|
4. |
Artikel 3 van richtlijn 2011/7 bepaalt het volgende: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat bij handelstransacties tussen ondernemingen de schuldeiser zonder aanmaning recht heeft op interest voor betalingsachterstand, voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
[...] 3. Wanneer aan de voorwaarden in lid 1 wordt voldaan, zorgen de lidstaten voor het volgende:
[...]” |
|
5. |
Artikel 6 van deze richtlijn luidt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat de schuldeiser wanneer bij handelstransacties interest voor betalingsachterstand overeenkomstig [artikel] 3 [...] verschuldigd wordt, minstens een vast bedrag van 40 EUR mag invorderen. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat het in lid 1 bedoelde vaste bedrag zonder aanmaning verschuldigd is als vergoeding voor de eigen invorderingskosten van de schuldeiser. [...]” |
Pools recht
Burgerlijk wetboek
|
6. |
Artikel 498 van de ustawa-Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. 2023, volgnr. 1610, zoals gewijzigd; hierna: „burgerlijk wetboek”) luidt: „§ 1. Wanneer twee personen jegens elkaar zowel schuldenaar als schuldeiser zijn, kan elk van hen zijn schuldvordering met die van de wederpartij verrekenen, mits beide schuldvorderingen betrekking hebben op geldsommen of naar de soort bepaalde zaken van dezelfde kwaliteit en beide schuldvorderingen opeisbaar zijn geworden en kunnen worden opgeëist voor een rechter of een andere overheidsinstantie. § 2. Als gevolg van de verrekening gaan beide schuldvorderingen teniet tot het bedrag van de lagere schuldvordering.” |
|
7. |
Artikel 499 van het burgerlijk wetboek bepaalt het volgende: „Verrekening geschiedt door middel van een verklaring aan de wederpartij. Deze verklaring heeft terugwerkende kracht tot op het tijdstip waarop de verrekening mogelijk is geworden.” |
Wet betreffende buitensporige vertragingen
|
8. |
Bij de ustawa o przeciwdziałaniu nadmiernym opóźnieniom w transakcjach handlowych (wet betreffende de bestrijding van buitensporige vertragingen bij handelstransacties) van 8 maart 2013 (Dz. U. 2023, volgnr. 1790; hierna: „wet betreffende buitensporige vertragingen”), hebben de Poolse autoriteiten richtlijn 2011/7 omgezet in de nationale rechtsorde. |
|
9. |
Artikel 7 van de wet betreffende buitensporige vertragingen luidt als volgt: „1. Met uitzondering van transacties waarbij de schuldenaar een overheidsinstantie is, kan een schuldeiser in het kader van handelstransacties zonder aanmaning aanspraak maken op wettelijke vertragingsrente voor de periode vanaf de datum waarop de geldelijke prestatie opeisbaar is geworden tot op de datum van betaling, tenzij de partijen een hogere rente zijn overeengekomen, mits aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
[...]” |
|
10. |
Artikel 10 van de wet betreffende buitensporige vertragingen bepaalt het volgende: „1. Vanaf de datum waarop de in artikel 7, lid 1, [...] bedoelde rente opeisbaar is geworden, kan de schuldeiser zonder aanmaning aanspraak maken op vergoeding van de door hem gemaakte invorderingskosten. In dat verband betaalt de schuldenaar hem een bedrag van:
[...]” |
Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
|
11. |
De vennootschap E. (hierna: „verzoekster”) heeft tien schuldvorderingen op vennootschap C. (hierna: „verweerster”), blijkend uit facturen met betrekking tot vervoersdiensten, met betalingstermijnen die zijn verstreken tussen februari en september 2022. |
|
12. |
Aangezien verweerster haar schulden niet binnen de haar toegekende termijnen heeft betaald, heeft verzoekster een vordering tot betaling ingesteld bij de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie, de verwijzende rechter. |
|
13. |
Verzoekster heeft, om te beginnen, betaling gevorderd van een bedrag van 26715,60 PLN (ongeveer 5676,56 EUR) ( 3 ) voor schuldvorderingen, vermeerderd met de wettelijke interest voor betalingsachterstand bij handelstransacties in de zin van artikel 7, lid 1, van de wet betreffende buitensporige vertragingen, berekend over elk van de onbetaalde tegenprestaties, tegen het in artikel 4, lid 3, onder b), van deze wet opgenomen tarief, en, voorts, van een bedrag van 1997,29 PLN (ongeveer 424,39 EUR) als vergoeding van de invorderingskosten, overeenkomstig artikel 10 van deze wet, wegens vertraagde betaling van elk van de schuldvorderingen. |
|
14. |
Verweerster heeft geconcludeerd tot afwijzing van de ingestelde betalingsvordering. Zij heeft verzoekster 1697,40 PLN (ongeveer 360,67 EUR) betaald en, bij akte van 2 september 2022, een verrekeningsverklaring in de zin van de artikelen 498 en 499 van het burgerlijk wetboek gedaan voor een bedrag van 25018,20 PLN (ongeveer 5315,90 EUR). Nu zij aldus het totale bedrag van 26715,60 PLN heeft betaald, beschouwt zij haar schuld als voldaan. |
|
15. |
De door verweerster gedane verrekeningsverklaring was gebaseerd op een vordering tot schadevergoeding die zij tegen verzoekster had wegens het tenietgaan van goederen tijdens een door verzoekster uitgevoerd transport, maar die niet het voorwerp was van de vordering tot betaling. Met betrekking tot deze vordering tot schadevergoeding heeft verweerster betoogd dat de betalingstermijn die zij in haar aanmaningsbrief van 15 februari 2022 had gesteld, op 7 maart 2022 was verstreken. |
|
16. |
Volgens verweerster betekent dit dat, ook al had de verrekeningsverklaring uitsluitend betrekking op de door elk van de betrokken vennootschappen als hoofdsom verschuldigde bedragen, verzoekster door de terugwerkende kracht van deze verklaring als bedoeld in artikel 499 van het burgerlijk wetboek het recht heeft verloren om na 7 maart 2022 ontstane interesten en schadevergoedingen te vorderen. In het hoofdgeding gaat het om interest en schadevergoeding wegens te late betaling van negen van de tien in het verzoekschrift aangevoerde schuldvorderingen. |
|
17. |
Verzoekster heeft niet betwist aansprakelijk te zijn voor de door verweerster aangevoerde schade, maar wel de doeltreffendheid van de verrekeningsverklaring en het bedrag van deze schade bestreden. |
|
18. |
Omdat de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie twijfels had over de gevolgen van de terugwerkende kracht van de verrekening voor het recht op interest voor betalingsachterstand en vergoeding van invorderingskosten op grond van de wet betreffende buitensporige vertragingen, waarbij richtlijn 2011/7 is omgezet, heeft deze rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Moeten artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn [2011/7] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen bepalingen van nationaal recht die erin voorzien dat een schuldeiser geen aanspraak kan maken op wettelijke interest voor betalingsachterstand en een vergoeding voor gemaakte invorderingskosten wanneer de schuldenaar het aan de schuldeiser verschuldigde bedrag na het verstrijken van de overeengekomen betalingstermijn heeft voldaan door middel van verrekening die van rechtswege terugwerkende kracht heeft tot op het tijdstip waarop de verrekening mogelijk is geworden?” |
|
19. |
Schriftelijke opmerkingen zijn bij het Hof ingediend door verweerster, de Poolse, de Belgische, de Duitse en de Nederlandse regering en de Europese Commissie. Ter terechtzitting van 14 mei 2025 zijn de Poolse, de Duitse, en de Nederlandse regering alsmede de Commissie gehoord in hun pleidooien. |
Analyse
|
20. |
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/7 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die bepaalt dat wettelijke interest voor betalingsachterstand en vergoeding van invorderingskosten niet verschuldigd zijn aan de schuldeiser wanneer de schuldenaar zijn schuld aan de schuldeiser heeft voldaan door middel van een verrekeningsverklaring die is gedaan na het verstrijken van de in de overeenkomst bepaalde betalingstermijn, met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop die verrekening mogelijk is geworden. |
|
21. |
Om een dergelijke vraag te kunnen beantwoorden, lijkt het mij noodzakelijk om eerst enkele korte inleidende opmerkingen te maken over de verrekening van schuldvorderingen alvorens de verenigbaarheid van de betrokken nationale regeling met richtlijn 2011/7 te onderzoeken. |
Inleidende opmerkingen
|
22. |
Verrekening van schuldvorderingen gaat – als methode om twee verschillende verbintenissen teniet te doen, tot het bedrag van de laagste schuld, tussen twee personen die tegelijkertijd schuldeiser en schuldenaar van elkaar zijn – terug tot het Romeinse recht. ( 4 ) Verrekening heeft een dubbele functie. Ten eerste versnelt en vereenvoudigt zij het herstel van het evenwicht in een handelsrelatie door een dubbele betaling in tegengestelde richting te vermijden. Ten tweede werkt zij als een garantie, aangezien een van de partijen, indien zij zou betalen zonder te wachten op betaling door de andere partij, zichzelf anders zou blootstellen aan het risico van insolventie van deze laatste en aan concurrentie met de andere schuldeisers van de insolvente partij. |
|
23. |
Verrekening kan wettelijk, contractueel of gerechtelijk zijn. |
|
24. |
Het mechanisme dat inherent is aan wettelijke verrekening houdt in dat wederzijdse vorderingen tenietgaan, tot het bedrag van de laagste schuld, op de datum waarop ze naast elkaar bestaan, wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden zijn wederkerigheid, vervangbaarheid, zekerheid, liquiditeit en betaalbaarheid. |
|
25. |
De wetgevingen van de lidstaten bepalen in het algemeen dat wederzijdse schuldvorderingen van rechtswege tenietgaan, dan wel na een eenzijdige verklaring waardoor de verrekening terugwerkende kracht krijgt ( 5 ), zoals in het onderhavige geval. |
|
26. |
De eerste mogelijkheid is opgenomen in bijvoorbeeld de Belgische ( 6 ), de Spaanse ( 7 ) en de Luxemburgse ( 8 ) wetgeving, die verrekening van rechtswege mogelijk maken, zelfs buiten medeweten van de partijen. |
|
27. |
De tweede mogelijkheid is eveneens goed vertegenwoordigd in de nationale rechtsstelsels. Naast het Poolse recht, dat in de onderhavige zaak aan de orde komt, zijn er nog andere voorbeelden. De Duitse wet voorziet in verrekening door middel van een verklaring die, ongeacht het tijdstip ervan, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de hoofdvordering en de tegenvordering voor het eerst naast elkaar bestaan. ( 9 ) De Franse wet bepaalt dat verrekening van kracht wordt op de datum waarop aan de voorwaarden ervan is voldaan, op voorwaarde dat er een beroep op wordt gedaan. ( 10 ) De Nederlandse wet kent een verklaring van verrekening die terugwerkt tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. ( 11 ) |
Prejudiciële vraag
|
28. |
Hierna zal ik – nadat ik een aantal wezenlijke elementen ter zake van richtlijn 2011/7 de revue heb laten passeren – eerst nagaan of een nationale regeling die in verrekening met terugwerkende kracht voorziet, binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt. Daarna zal ik onderzoeken of een dergelijke nationale regeling verenigbaar is met de doelstellingen en het nuttig effect van de richtlijn. |
|
29. |
Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 2011/7, ingevolge artikel 1, lid 1, ervan, ten doel heeft betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen en met name van het mkb/kmo’s te versterken. ( 12 ) |
|
30. |
Zoals volgt uit de overwegingen van deze richtlijn is, om te beginnen, betalingsachterstand een vorm van contractbreuk die door het in rekening brengen van een lage of geen interest op achterstallige betalingen en/of door traag verlopende invorderingsprocedures in de meeste lidstaten voor schuldenaren financieel aantrekkelijk is geworden. ( 13 ) Voorts hebben betalingsachterstanden een negatieve uitwerking op de liquiditeit van ondernemingen en bemoeilijken zij het financiële beheer daarvan, hetgeen gevolgen heeft voor het concurrentievermogen en de winstgevendheid, aangezien de schuldeiser als gevolg van deze achterstanden externe financiering nodig heeft. ( 14 ) |
|
31. |
Daarom heeft het Hof verklaard dat deze richtlijn er hoofdzakelijk op gericht is de schuldeiser te beschermen tegen betalingsachterstanden en dergelijke betalingsachterstanden te ontmoedigen. ( 15 ) |
|
32. |
De artikelen 3 en 6 van richtlijn 2011/7 weerspiegelen deze tweeledige doelstelling door het recht van de schuldeiser vast te leggen om interest voor betalingsachterstand te vorderen en om een vergoeding te eisen voor de kosten van de inning van zijn schuldvordering. |
|
33. |
Volgens de bewoordingen van artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), van deze richtlijn heeft de schuldeiser zonder aanmaning recht op interest voor betalingsachterstand met ingang van de dag volgend op de datum voor betaling of op het verstrijken van de termijn voor betaling, welke zijn vastgesteld in de overeenkomst, wanneer de schuldeiser zijn contractuele en wettelijke verplichtingen heeft vervuld en het verschuldigde bedrag niet op tijd heeft ontvangen, tenzij de schuldenaar niet verantwoordelijk is voor de vertraging. |
|
34. |
Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat de schuldeiser wanneer bij handelstransacties interest voor betalingsachterstand verschuldigd wordt, minstens een vast bedrag van 40 EUR mag invorderen. Ingevolge lid 2 van dit artikel is dit vaste bedrag zonder aanmaning verschuldigd als vergoeding voor de eigen invorderingskosten van de schuldeiser. |
|
35. |
Aan de basis van het recht van de schuldeiser op dergelijke interest en vergoeding ligt het begrip „betalingsachterstand”. Dit wordt in artikel 2, lid 4, van richtlijn 2011/7 gedefinieerd als een betaling die niet is verricht binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn, wanneer de schuldeiser zijn contractuele en wettelijke verplichtingen heeft vervuld en het verschuldigde bedrag niet op de vervaldag heeft ontvangen, tenzij de schuldenaar niet verantwoordelijk is voor de vertraging. |
|
36. |
Hoewel deze richtlijn het recht op interest voor betalingsachterstand en invorderingskosten regelt en deze rechten afhangen van het bestaan van de hoofdvordering, blijkt uit een contextuele en teleologische analyse niettemin dat zij geen rechtsregeling met betrekking tot de hoofdvordering vaststelt en dus geen betrekking heeft op de verrekening van schuldvorderingen. |
|
37. |
Wat de context betreft moet worden opgemerkt dat artikel 2, lid 8, van richtlijn 2011/7 met betrekking tot het begrip „verschuldigd bedrag” enkel bepaalt dat het verwijst naar de hoofdsom die binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn had moeten worden voldaan en dat dit bedrag ook toepasselijke belastingen, rechten, heffingen of kosten omvat. ( 16 ) |
|
38. |
Vanuit teleologisch oogpunt zij erop gewezen dat, volgens vaste rechtspraak, richtlijn 2011/7 geen volledige harmonisatie van alle regels op het gebied van betalingsachterstanden bij handelstransacties voorschrijft. In richtlijn 2011/7 worden alleen enkele regels ter zake vastgesteld, waaronder de regels met betrekking tot interest voor betalingsachterstand en de vergoeding van invorderingskosten. ( 17 ) |
|
39. |
Met andere woorden, richtlijn 2011/7 schrijft enkel zeer specifieke regels voor die moeten worden opgenomen in het nationale burgerlijk en handelsrecht. Met de vaststelling van eerst richtlijn 2000/35 en vervolgens richtlijn 2011/7 heeft de Uniewetgever niet beoogd een algemeen rechtskader voor verbintenissen en overeenkomsten tot stand te brengen. ( 18 ) Gezien de verschillende benaderingen van de lidstaten op dit gebied, had een dergelijke bedoeling van de wetgever immers volstrekt duidelijk moeten blijken uit de formulering van de bepalingen van die richtlijn, uit de doelstellingen ervan of uit de voorbereidende werkzaamheden. Dat is duidelijk niet het geval. |
|
40. |
Hieruit volgt dat richtlijn 2011/7 geenszins tot doel heeft regels vast te stellen betreffende de voorwaarden waaronder een schuldvordering ontstaat, opeisbaar wordt en tenietgaat. |
|
41. |
Aangezien het mechanisme van verrekening betrekking heeft op het tenietgaan van de schuldvordering, valt een nationale bepaling die voorziet in verrekening met terugwerkende kracht, zoals artikel 499 van het Poolse burgerlijk wetboek, derhalve buiten de werkingssfeer van deze richtlijn. |
|
42. |
In het licht van het voorgaande is de bewering in de opmerkingen van de Duitse regering dat de regeling van de verrekening met terugwerkende kracht onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt, noodzakelijkerwijs onjuist. Een dergelijke autonomie is namelijk slechts aan de orde wanneer de betrokken nationale regeling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, hetgeen hier niet het geval is. ( 19 ) Een juridische analyse om na te gaan of de betrokken nationale bepaling verenigbaar is met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, is in casu dus niet gerechtvaardigd. |
|
43. |
Deze laatste overweging vindt mijns inziens steun in het door het Hof gewezen arrest Nemec. ( 20 ) In die zaak werd het Hof met name gevraagd of richtlijn 2000/35 in de weg stond aan een nationale regeling die bepaalde dat vertragingsrente die verschuldigd was geworden maar niet was betaald, ophield te lopen wanneer het bedrag ervan, het bedrag van de hoofdsom bereikte (ne ultra alterum tantum). Het Hof had in navolging van de advocaat-generaal in zijn antwoord kunnen verklaren dat deze regeling betrekking had op het minimumniveau van deze rente, zodat de lidstaten de bevoegdheid behielden om een bovengrens vast te leggen voor de berekening ervan. ( 21 ) Het Hof heeft daarentegen geoordeeld dat richtlijn 2000/35 niet regelt gedurende welke periode de vertragingsrente loopt of wat het maximumbedrag van die rente is ( 22 ), en heeft vervolgens onderzocht of de betrokken nationale regeling de doelstellingen van deze richtlijn kan miskennen of daaraan het nuttig effect kan ontnemen. |
|
44. |
Dit laatste onderzoek komt volgens mij bovendien overeen met het onderzoek dat het Hof in zijn te wijzen arrest dient te verrichten. |
|
45. |
Hoewel het de lidstaten vrijstaat om een bepaling vast te stellen die verrekening met terugwerkende kracht vastlegt, blijft het immers een feit dat een dergelijke bepaling niet tot gevolg mag hebben dat de door richtlijn 2011/7 nagestreefde doelstellingen worden miskend of daaraan het nuttig effect wordt ontnomen. ( 23 ) |
|
46. |
Met betrekking tot de doelstellingen om negatieve gevolgen voor de liquiditeit van de schuldeiser te vermijden en betalingsachterstanden bij handelstransacties te ontmoedigen, lijkt de verwijzende rechter van mening te zijn dat verrekening met terugwerkende kracht onverenigbaar is met richtlijn 2011/7, aangezien deze richtlijn vereist dat de schuldeiser het recht wordt toegekend om interest voor betalingsachterstand en invorderingskosten in rekening te brengen wanneer de betaling van zijn schuldvordering heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de contractueel overeengekomen termijn. |
|
47. |
Het is juist dat de terugwerkende kracht van een verrekening betekent dat een schuldeiser die na het verstrijken van de contractueel overeengekomen betalingstermijn wordt geconfronteerd met een verklaring van verrekening die terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de verrekening mogelijk werd, geen recht heeft op deze interest of vergoeding voor de periode vanaf die datum tot de datum van indiening van de verklaring van verrekening. |
|
48. |
De redenering van de nationale rechter berust evenwel op het onjuiste uitgangspunt dat de betaling van de schuldvordering plaatsvindt op het tijdstip waarop de verklaring van verrekening wordt gedaan. De betrokken nationale bepaling bepaalt daarentegen dat de schuldvordering tenietgaat op het tijdstip, hieraan voorafgaande, waarop de verrekening mogelijk is geworden. Aangezien de regeling van dit tenietgaan tot de bevoegdheid van de nationale wetgever behoort, moet van dit laatste tijdstip worden uitgegaan. |
|
49. |
De gevolgen die inherent zijn aan de terugwerkende kracht van verrekening zijn dus niet in strijd met de doelstelling van richtlijn 2011/7 om betalingsachterstanden te ontmoedigen, om de eenvoudige reden dat wanneer verrekening mogelijk wordt, de schuldvordering teniet is gegaan. Bijgevolg is geen verdere betaling verschuldigd ( 24 ) en is interest voor betalingsachterstand niet aan de orde. Bovendien heeft het verrekende bedrag vanaf het moment dat verrekening mogelijk wordt, invloed op de liquiditeit van de schuldeiser, zodat er op een later tijdstip geen betalingsachterstand met negatieve gevolgen voor die liquiditeit kan ontstaan. |
|
50. |
Hieraan zij toegevoegd dat deze doelstellingen zouden worden miskend als eventuele interest voor betalingsachterstand en invorderingskosten die zijn gemaakt tussen de datum waarop de betalingstermijn is overschreden en de datum waarop verrekening mogelijk werd, niet verschuldigd zouden zijn aan de schuldeiser. Tenzij men het mechanisme van verrekening met terugwerkende kracht geweld zou willen aandoen, kan evenwel niet worden betoogd dat dit in casu het geval is. |
|
51. |
In deze omstandigheden ben ik van mening dat een nationale regeling waarin verrekening met terugwerkende kracht is vastgelegd, de doelstellingen van richtlijn 2011/7 niet miskent, noch deze richtlijn haar nuttig effect ontneemt. |
|
52. |
In haar schriftelijke opmerkingen betoogt de Commissie evenwel dat de uitlegging volgens welke de schuldeiser in omstandigheden als die van de onderhavige zaak geen recht zou hebben op vergoeding van de door hem gemaakte invorderingskosten, botst met de doelstellingen van richtlijn 2011/7. ( 25 ) Zij baseert haar betoog op de arresten Česká pojišťovna ( 26 ) en BFF Finance Iberia. ( 27 ) |
|
53. |
In de zaak die heeft geleid tot het eerste van deze beide arresten werd het Hof verzocht zich uit te spreken over de vraag of artikel 6 van richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat de schuldeiser die vergoeding vordert van de kosten voor de aanmaningen die hij de schuldenaar heeft gestuurd wegens diens betalingsachterstand, op grond van die bepaling recht heeft op zowel het in lid 1 van dat artikel bedoelde vaste minimumbedrag als een redelijke schadeloosstelling in de zin van lid 3 van datzelfde artikel. In de zaak die tot het tweede arrest heeft geleid werd aan het Hof gevraagd of artikel 6 van richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat het vaste minimumbedrag, als vergoeding voor de invorderingskosten van de schuldeiser die het gevolg zijn van de betalingsachterstand van de schuldenaar, verschuldigd is voor iedere handelstransactie die op de vervaldatum onbetaald is gebleven. |
|
54. |
In beide gevallen heeft het Hof zijn bevestigend antwoord onderbouwd met de vaststelling dat richtlijn 2011/7 niet alleen ten doel heeft betalingsachterstanden te ontmoedigen door te voorkomen dat zij financieel interessant zijn voor de schuldenaar doordat er in een dergelijke situatie lage of geen interest in rekening wordt gebracht, maar ook om de schuldeiser doeltreffend te beschermen tegen dergelijke achterstanden door hem een zo volledig mogelijke schadeloosstelling te bieden voor zijn invorderingskosten. ( 28 ) |
|
55. |
Anders dan de Commissie ben ik van oordeel dat de redenering van het Hof niet op de onderhavige zaak kan worden toegepast, aangezien in die zaken het bestaan van een recht op vergoeding van de invorderingskosten buiten kijf stond en de twijfels van de verwijzende rechter uitsluitend betrekking hadden op de vaststelling van het bedrag van de vergoeding. |
|
56. |
Gelet op de bovenstaande overwegingen ben ik van mening dat artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/7 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die bepaalt dat wettelijke interest voor betalingsachterstand en vergoeding voor invorderingskosten niet verschuldigd zijn aan de schuldeiser wanneer de schuldenaar zijn schuld aan de schuldeiser heeft betaald door middel van een verklaring van verrekening die is gedaan na het verstrijken van de contractueel overeengekomen betalingstermijn, met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop deze verrekening mogelijk werd. |
Conclusie
|
57. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie te beantwoorden als volgt: „Artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die bepaalt dat wettelijke interest voor betalingsachterstand en vergoeding voor invorderingskosten niet verschuldigd zijn aan de schuldeiser wanneer de schuldenaar zijn schuld aan de schuldeiser heeft betaald door middel van een verklaring van verrekening die is gedaan na het verstrijken van de contractueel overeengekomen betalingstermijn, met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop deze verrekening mogelijk werd.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 (PB 2011, L 48, blz. 1). Bij deze richtlijn is, met ingang van 16 maart 2013, richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2000, L 200, blz. 35) ingetrokken en vervangen.
( 3 ) Tegen de wisselkoers van 2 september 2022.
( 4 ) In de bewoordingen van de Codex Justinianus: „Compensationes ex omnibus actionibus ipso iure fieri sancimus nulla differentia in rem vel personalibus actionibus inter se observanda” [Bij alle vorderingen dient van rechtswege verrekening mogelijk te zijn, ongeacht of het gaat om zakenrechtelijke of verbintenisrechtelijke vorderingen” (vrije vertaling)]. Zie C.J. 4,31,14, iust. a. iohanni, pp. *<a. 531. Wat betreft de oorsprong van verrekening zie bijvoorbeeld De Kotzebue, R., Compensation et procédure; essai de critique et de science juridique pure, Sirey, Parijs, 1945.
( 5 ) Zie Zimmermann, R., Comparative Foundations of a European Law of Set-Off and Prescription, Cambridge University Press, Cambridge, 2002, blz. 32‑43.
( 6 ) Zie artikel 5.255, eerste alinea, van het Belgisch burgerlijk wetboek: „Wettelijke schuldvergelijking heeft plaats van rechtswege, zelfs buiten het medeweten van de schuldenaars.” Zie met betrekking tot de wettelijke schuldvergelijking in het Belgisch recht Van Ommeslaghe, P., De Page, Traité de Droit Civil Belge – Tome II: Les obligations, deel 3, Bruylant, Brussel, 2013, blz. 2235‑2271.
( 7 ) In de bewoordingen van artikel 1202 van de Código Civil de España (Spaans burgerlijk wetboek): „El efecto de la compensación es extinguir una y otra deuda en la cantidad concurrente, aunque no tengan conocimiento de ella los acreedores y deudores” [„Verrekening leidt ertoe dat de twee schulden tenietgaan voor het laagste bedrag, zelfs als de crediteuren en debiteuren zich daar niet van bewust zijn.” (vrije vertaling)].
( 8 ) Artikel 1290 van het Luxemburgs burgerlijk wetboek luidt: „La compensation s’opère de plein droit par la seule force de la loi, même à l’insu des débiteurs; les deux dettes s’éteignent réciproquement, à l’instant où elles se trouvent exister à la fois, jusqu’à concurrence de leurs quotités respectives.” („Verrekening vindt van rechtswege plaats, zelfs zonder medeweten van de debiteuren; de twee schulden gaan wederzijds teniet op het moment dat ze tegelijkertijd bestaan, tot het bedrag van hun respectieve aandelen.”).
( 9 ) Zie §§ 388 en 389 van het Bürgeliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek).
( 10 ) Zie artikel 1347 van het Frans burgerlijk wetboek. Zie met betrekking tot de wettelijke verrekening Flour, J. e.a., Droit civil. Les obligations. Le rapport d’obligation, Dalloz, Parijs, 2024 (11e druk), blz. 301‑314.
( 11 ) Zie artikel 6:127, lid 1, en artikel 6:129, lid 1, van het Nederlandse burgerlijk wetboek.
( 12 ) Betalingsachterstand is voor het eerst geregeld bij richtlijn 2000/35. Richtlijn 2011/7, waarvan de uitlegging in de onderhavige zaak wordt gevraagd, vormt volgens overweging 1 ervan een eenvoudige herschikking van deze richtlijn. Voor zover deze herschikking niet tot wezenlijke wijzigingen van de betrokken bepalingen heeft geleid, blijft de uitlegging door het Hof van de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 2000/35 relevant in het kader van de toepassing van richtlijn 2011/7.
( 13 ) Zie overweging 12 van richtlijn 2011/7.
( 14 ) Zie overweging 3 van richtlijn 2011/7.
( 15 ) Zie arrest van 1 december 2022, X (Levering van medisch materiaal) (C‑419/21, EU:C:2022:948, punt 26).
( 16 ) Meer precies luidt deze bepaling als volgt: „de hoofdsom die binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn had moeten worden voldaan, inclusief toepasselijke belastingen, rechten, heffingen of kosten als vermeld in de factuur of in een gelijkwaardig verzoek tot betaling” (cursivering van mij).
( 17 ) Zie met name arrest van 20 oktober 2022, A (Niet-invordering van interest voor betalingsachterstand) (C‑406/21, EU:C:2022:816, punten 52 en 53).
( 18 ) In dit verband zijn vraagtekens geplaatst bij de juistheid van de keuze van artikel 114 VWEU als rechtsgrondslag voor deze twee richtlijnen. Zie dienaangaande Editorial Comments, „Union competences in the field of contract law: Some questions – no answers”, Common Market Law Review, deel 48, nr. 3, 2011, blz. 655‑657.
( 19 ) Hieruit volgt logischerwijs dat de tijdens de hoorzitting besproken vraag betreffende de materiële of formele aard van artikel 499 van het Poolse burgerlijk wetboek voor de onderhavige zaak niet relevant is.
( 20 ) Arrest van 15 december 2016, Nemec (C‑256/15, EU:C:2016:954; hierna: „arrest Nemec”).
( 21 ) Zie conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Nemec (C‑256/15, EU:C:2016:619, punten 56‑71).
( 22 ) Arrest Nemec (punt 48).
( 23 ) Arrest Nemec (punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 24 ) Het is belangrijk om op te merken dat de schuldeiser die de verklaring van verrekening heeft gedaan geen recht meer heeft om interest voor betalingsachterstand te vorderen over het bedrag waarop de verrekening betrekking heeft voor de periode vanaf de datum waarop de verrekening mogelijk werd tot de datum waarop die verklaring werd gedaan. Bijgevolg doet het er niet toe dat de eerste vordering, die voortvloeit uit een handelstransactie, een hogere rente had kunnen opleveren dan die welke aan de verweerder verschuldigd was met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding.
( 25 ) Het is juist dat, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen opmerkt, de schuldeiser, wanneer hij niet op tijd betaald wordt, concrete stappen kan ondernemen om zijn vordering te innen, zonder te weten dat vervolgens een verrekening zal plaatsvinden, en aldus bepaalde kosten maakt die hij nauwelijks zal kunnen terugvorderen indien de terugwerkende kracht van de verrekening waarin artikel 499 van het Poolse burgerlijk wetboek voorziet, als verenigbaar met richtlijn 2011/7 wordt aangemerkt. Mijns inziens moet in dergelijke gevallen het Latijnse adagium „nemo censetur ignorare legem” gelden.
( 26 ) Arrest van 13 september 2018 (C‑287/17, EU:C:2018:707; hierna: „arrest Česká pojišťovna”).
( 27 ) Arrest van 20 oktober 2022 (C‑585/20, EU:C:2022:806; hierna: „arrest BFF Finance Iberia”).
( 28 ) Arresten Česká pojišťovna (punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en BFF Finance Iberia (punt 36). Deze vaststelling vindt, volgens de Commissie, steun in overweging 19 van richtlijn 2011/7, waarin staat te lezen dat „[d]e invorderingskosten [...] ook een vergoeding [moeten] omvatten voor de administratiekosten en de interne kosten die als gevolg van de betalingsachterstand worden gemaakt; [...]. De toekenning van een schadeloosstelling in de vorm van een vast bedrag moet ten doel hebben de aan invordering verbonden administratieve en interne kosten te beperken.”